Als werkvorm zou je voor jezelf drie vragen kunnen formuleren als "huiswerk".
Via deze link vindt je eventueel een situering voor "bijbelteksten, bijvoorbeeld Lukas".

"We willen een koning"

 

1 Samuel 8

Lees de verzen 4 tot en met 6.

 

Het verhaal ontwikkelt zich in een hoog tempo. Zes regels oud zitten we met Samuel midden in de problemen. Zijn zonen deugen niet. Zie 1 Sam2, 12-17. Daarom komen de oudsten van het volk bij elkaar, bij Samuel. Ze willeneen "koning als alle volkeren". En waarom ook niet? Waarom zouden ze er niet even fraai op mogen staan als alle andere volkeren? Waarom dat vage samenlevings­verband zoals zij hebben, een organisatie waarin begin en einde altijd min of meer zoek zijn! Een koning willen ze! Ook king size- zijn, met een royaaI huis! Permanent gekostumeerd bal: Hey, society.

 

Samuel heeft er volgens de tekst maar één woord voor: kwaad. Dit is kwaad. En hoe is hij bijbels kwaad op dit kwaad? Hij gaat terstond bidden tot de Heer. Martin Buber legt uit (Werke II, p. 73l), dat men dit niet dient te verstaan als raad halen. Samuel's probleem is niet: goede raad is duur. Kijk eventueel naar het gebed van Channah?Hanna, in 1Sam 2, l. Dat bidden is ook programmatisch, verkennen van wat komen gaat. Vooraf woorden wegen, proeven, toetsen

 

Nu het volk van Samuel niet een nabi /profeet of een sjofeeth /rechter wil, maar een melech /koning, nu moet hij dit eerst biddenderwijs aan God voorleggen. Hoe kan hij dit wat kwaad is in zijn ogen "uitvinden"? Wat vragen ze hem eigenlijk! En hoe kan dat dan? Samuel, profeet en rechter, bemiddelt.

 

De oudsten komen niet met de opzet, Samuel af te zetten. Er is geen motie van wantrouwen tegen hem. Inte­gendeel. Tegenover de beunhazen die zijn zonen zijn ge­niet de vader groot gezag. Nu bidt hij. Want dit heeft hij nog niet meegemaakt. Daar is nog geen traditie over ‑behalve dan die van de volkeren, maar dat is geen traditie, daar is geen geschiedenis waar men van zou kunnen leren, daar wordt geen ervaring bewaard, daar kent de tijd geen geheim want er is niets nieuws onder de zon. De volkeren kunnen niet verrast worden. Ze doen wel steeds alsof dat gebeurt, maar sinds de dagen van Noach leven zij voor en na de ramp. Zij' weten van niets. Geen geschiedenis. Wat moet Samuel doen! Wat kan hij doen!

 

7             En de Heer zegt tot Sjemoe‑eel (Samuel)

                Hoor naar de stern van het volk in alles wat ze je zeggen,

                want niet jou hebben ze verworpen

                want mij hebben ze verworpen als koning over hen.

8             Als alle daden die zij gedaan hebben

                vanaf de dag dat ik hen heb opgehaald uit Mitsraïm (Egypte)

                tot op deze dag:

                Ze verlaten mij

                en ze dienen andere goden,

                zo doen ze nu ook met jou.

9             En jij:

                hoor naar hun stemmen

                dat jij het getuigenis betuigt op hen

                en voor hen rechtop doet staan

                het rechtssnoer van de koning die koning zal zijn over hen.

En Samuel zegt alle woorden van de Heer aan het volk 

 

 

God maakt Samuel eerst de positie duidelijk: Niet jou maar mij. Tot nu toe is de Heer koning is geweest. Hij heeft hen bevrijd uit de slavernij. En nu wordt hij door hun vraag bedankt. En geinig: God blijkt daarover niet verbaasd of gechoqueerd te zijn. Hij zegt tegen Samuel: blijf bij de feiten. Niet jou maar mij zetten ze aan de kant.

 

Dan komt er een tweede ronde. Wat zij nu doen is een samenvatting van alles wat we sinds Egypte hebben mee­gemaakt. Na zijn ontferming is hij bedankt en gaat men weer door met het zingen van het oude en heerlijk ver­trouwde liedje. Wat jou nu overkomt, doen ze mij altijd.

 

Toch is een en ander geen reden om nu nee te zeggen. Vox populi vox Dei is een bekende uitspraak. Het lijkt hier volledig van toepassing te zijn. De stem van het volk is de stem van God. God stemt in het verhaal met hen in. Samuel zal eerst met zijn getuigenis over de brug moeten komen.

Het volk heeft er recht op, te weten wat het vraagt. Samuel zal eerst hun vraag uitleggen en er consequenties van uitmeten. Wat zij op zich nemen moet bekend zijn. Zij krijgen een koning zoals zij de gevraagde (1,27) vragen (8,10). Maar hun gevraagde zal geen Samuel zijn.

 

11.       En hij zegt:

            dit zullen zijn de rechtsregels van een koning

            die koning zal zijn over jullie.

            jullie zonen zal hij nemen

            en zij stellen hem zijn wagen en zijn ruiters

            en zij zullen uitlopen voor het aangezicht van zijn wagen.

12.       En hij zal hen aanstellen als oversten over 1000 en als oversten over 50

en hij zal hen zijn ploegland laten beploegen en zijn oogst oogsten

en zijn krijgstuig en wagentuig te maken.

13.       En jullie dochters zal hij nemen

            als zalfmengsters, kooksters en baksters.

14.       En jullie velden

            en jullie wijngaarden

            en jullie beste olijfgaarden zal hij nemen

            en geven aan zijn knechten.

15.       En jullie zaden en jullie wijngaarden zal hij belasten met tienden

            en het geven aan zijn hovelingen en knechten.

16.       En jullie knechten en jullie dienstmaagden

            en jullie beste runderen en jullie ezels zal hij nemen

            en hij zal hen maken te werken voor hem.

17.       jullie kleinvee zal hij belasten met tienden

            en jullie zullen zijn voor hem knechten.

18.       En jullie zullen de noodkreten van de verdrukten uitschreeuwen

            op die dag voor het aangezicht van jullie koning

die jullie gekozen hebt voor jullie

en niet zal de Heer jullie antwoorden op die dag.

19.       En het volk weigert te horen naar de stem van Sjemoe‑eel en zij

            zeggen:

Nee,

want een koning zal zijn over ons.

20.             En wij zullen zijn, ook wij, als alle volkeren …

 

Het liegt er niet om. Als je Samuel gelooft zijn koningen alles behalve leuke dingen voor de mensen. Menig ko­ninklijke streek is hier volop geportretteerd. Het beeld dat de Schrift van koningen heeft is niet flatteus. Zelfs Elia rent voor koning Achab's wagen uit (1 Kon 18, 46). Een ko­ning schijnt zoiets nodig te hebben om zijn waardigheid op te houden. Koninklijk speelgoed ‑ uiteraard in dienst van de vrede ‑ moet verzorgd worden. Het huis van de koning zal geuren. Bergen geld en menselijk kunnen dient er toe de koninklijke schijn te bewaren. Want als de koningen van onze wereld hun representatieve verplichtingen vervullen, dan dienen zij overal bewondering te oogsten. Dat hoort bij het hoge ambt, dat vereist het ritueel.

 

De Bible de jeruzalem (1956) merkt op: "De volgende beschrijvingen beantwoorden aan een stand van zaken die nog niet eerder gerealiseerd werd dan ten tijden van koning Salomo en zijn opvolgers. Deze satire vooronderstelt een lange ervaring" (p. 286). Dat zal dan wel zo zijn, ja. Hier is zeker historische ervaring opgeslagen in de tekst. Maar hier is ook de koning getypeerd die wij zelf zijn. Wij, of onze woordvoerders en vertegenwoordigers kunnen het immers niet laten te spreken over de derde wereld. Die blijkt regelmatig uitmuntend afzetgebied te zijn voor pillen en voedingsmiddelen die hier niet meer mogen om mensen en kinderen hier ver vandaan op wetenschappelijk verantwoorde wijze de ­ziekten op het lijf en de dood in te jagen.

 

De trekken van het koningschap welke Samuel verwoordt, treffen niet al­leen de joodse koningen of antiquiteiten van vroeger. Zij beelden ook onze samenleving uit. Als een kip gouden eieren wil leggen, dan zal men wel zingen van "boer wat heb je mooie kippen' "Smakelijk eten" is er dan al lang niet meer bij.

 

Het koningschap is een vooruitgeschoven post. Zie hoe politici elkaar vliegen afvangen en zwarte pieten toespelen zodra er een massamedium in de buurt is. Er moeten klappen vallen als het kan. Het land moet gediend worden. De kiezers vragen er om! Het publiek, aan wie men deze diensten aanbiedt, moet duidelijk ge­maakt worden, dat de ander ...

Goed en kwaad worden zo gepresenteerd, dat de eigen voortreffelijkheid en de eigen goede bedoelingen minstens duidelijk zijn. Volg het "actuele debat in Neerland over "waarden en normen". Intussen wordt de ander tot knecht gemaakt en veegt men als een hond zijn voeten.

 

Men dient de woorden van Samuel niet te wegen met maten van de bijbelse geschiedenis. Het heeft geen zin te zeggen: zo erg is het nauwelijks geweest; dit is overdreven gesteld; zo dominant despotisch konden de koningen van Israël niet zijn. 1 Sam 8 stelt het koningschap aan de orde als een feit. Nergens is de tekst er op uit, het volk te behoeden voor het koningschap. "Luister naar de stem van het volk", klinkt het drie keer. Samuel doet niets anders, dan hun vraag uitleggen, ook als zij er niet op ingaan en vragen om een koning. Want in hun ogen is een koning iets heel anders. Dat is iemand die voor je uit rijdt, die je oorlo­gen voert.

Daarmee komt een nieuw thema in de Schrift, een nieuwe grondtoon. Aan dit door hen gevraag­de koningschap zal blijken, dat kóningschap iets geheel anders is.

Met name christelijke exegeten hebben hier de discussie "theocratie en monarchie" aangesneden. Als zodanig is dat hier nergens aan de orde. God is, om het zo maar eens te zeggen, nooit een theocraat geweest. Hij heeft wel an­dere dingen aan zijn hoofd.

De koningsverhalen verkennen een "surplus", een "te goed", namelijk het koningschap van de hemel. En dat is iets geheel anders dan wat hier aan de orde is. Ga naar huis, zegt Samuel. De verhalen zullen nu de ware gezalfde zoeken. Ze zullen uitgaan naar de echte mesj­iach, wij zeggen, vergriekst messias, of christus.

 

 

Op naar de koningen.

Saul: opkomst en afgang van een koning

Per ongeluk

 

Wil je het volgen, dan zul je 1 Samuel 9,1-14 moeten lezen

 

De vraag naar het koningschap lijkt voldoende aan de orde geweest te zijn. De eerste ronde hebben we achter ons. Ook de verteller heeft de opdracht van Samuel gehoord: Ieder naar zijn eigen stad. Het lijkt wel Lukas 2.

 

De rode loper waarop men de koning had willen inhalen is weer teruggerold en weggelegd. De vergadering lost op. Met betrekking tot de koning is de eerste steen al in het water gegooid. De kringen zijn snel naar de kanten van het water gelopen en na een beetje stoeien met de zijkant is de rust weergekeerd. Wie nu nog koning wil zijn kan zich niet eens spiegelen aan koning Midas met zijn ezelsoren. Er wordt geen enquête gehouden, geen profiel beschreven, geen sterke man werpt zich op (vgl. Richt. 9, 7‑15) al is die er wel (9,1l). Geen moraal of ethiek wordt gepreekt. Geen profiel geschetst. Het verhaal lost zich op. Je moet een ezel zijn, als je nu nog het koningschap ambieert.

 

 

Een nieuw verhaal begint Het lijkt wel 1Sam 1.  Zoon van …zoon van … Het houdt niet op. Vijf keer staat het woordje zoon er nu. Want Benjamin is geschreven als en zoon van Jemini. Zie 9, 4. De naam geldt als samen­vatting van verhalen sinds Genesis 35. Benjamin, "zorgenkind of zoon van mijn rechterhand".

 

Boer Kisj wordt geschilderd als een krachtige held. Zijn zoon lijkt niet minder, met schouder en daarboven uitstekend boven de anderen. Als je naar hem opkijkt krijg je de nekkramp die opzien naar koningen veroorzaakt. Voordat 'puntje' Samuel bij 'die boom van een man' komt krijgen we eerst nog een lang verhaal. Die twee moeten elkaar tegenkomen. Hoe doet de verteller dit? Zeer zakelijk.

 

Een koppel ezelinnen is zoekgeraakt en dat kan de bedoeling niet zijn. Zo wordt de ezel gevonden. Saul zal voor zijn vader achter de ezelinnen aangaan. Maar niet alleen. Een van de jongens gaat met hem mee. Daarmee is Saul gered, dat zal straks blijken. Dat maatje helpt Saul de bult over, de stad in, richting Samuel.

 

Achter de ezelinnen van pa aan, dat heeft heel wat voeten in de aarde. Oversteken en nog eens. Niets. Oversteken. Hij vindt niet. Oversteken. Niets. Kris kras over de berg en door de landen. Intussen is "niet vinden" op een centrale positie in het verhaal gekomen. Straks wordt er wel iets gevonden. Zoeken wordt dan vinden. Het verhaal kan dan op een hoger plan gebracht worden: opstijgen.

 

Saul zelf wil terugkeren. Hij weet klaarblijkelijk geen andere oplossing. Stel je voor dat pa zijn ezelinnen laat varen en zich zorgen gaat maken over zijn "grote jongen", zijn Benjamin.

 

Maar er is een variant, dank zij de extra pion. De knecht. Die weet van een man Gods. De informatie is niet helemaal correct. Want de man Gods hoort niet bij de stad; hij is daar aangekomen. Toch is de variant beslissend. Saul brengt er nog tegenin, dat hij met lege handen komt. De broodtrommel is leeg. Bagage hebben ze niet meegeno­men. Hij kan niets geven. Maar zijn maatje heeft een gelukkige hand. Een muntje in zijn hand. Hij heeft zich goed voorbereid. Fijn dat pa er aan gedacht heeft, een van de jongens mee te nemen.

 

"Schipper mag ik overvaren" kan hij zingen. Een vierde sjekel zilver. De helft van de tempelbelasting draagt hij aan. Nergens in het verhaal wordt dit kwartje gewisseld. Het functioneert alleen bij wijze van spreken, doet Saul begin­nen aan de weg omhoog.

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet. Waar is de ziener? Zo vallen ze de stad in, opvallend omhoogvallend.

 

Het eerste wat zij van de stad zien zijn de bloemen. Meisjes trekken de stad uit op zoek naar bron of put. Water moeten zij scheppen. Kortom: "en we gaan nog niet naar huis".

    "Waar is de ziener?"

Voor je aangezicht. je hoeft alleen maar je neus achterna te lopen.

Na al dat oversteken (9, 2) toch minstens een aangenaam verpozen. Water in het verschiet: haast je. Een slachtfeest! Ga omhoog naar de offerhoogte, want het moet nog beginnen.

 

Welke dag is het vandaag? Nu wij over profeten spreken laten de meisjes drie keer dit woord horen (12. 12. 13). Het is de dag van de vondst. Midden in de stad worden ze gevonden. Zodra het slachtoffer gezegend is zullen de geroepenen gaat eten. Daar wordt meer bekok­stoofd dan een paar ezelinnen op drift die zo nodig gezocht moeten worden "in de naam van de vader". De lezer weet daar al van. De tekst zal nog meer informatie geven.

Het uittrekken van Samuel heeft een voorgeschiede­nis. En de lezer die meer weet dan de personen over wie hij leest, maar die zich ook tijdens het lange zoeken van het tweetal genoegzaam heeft kunnen identificeren met het tweetal, deelt nu de verrassing van Saul en zijn knecht: die ziener is Samuel.

 

Lees 1Sam 9,15-21

Samuel trekt in dit verhaal niet uit, dan met een voorge­schedenis. Mocht het eerst een toeval heten dat Samuel nét uittrekt als Saul uitgerekend midden in de stad is ‑ de lezer gaat nu vernemen, dat het Samuel is toegevallen. De ziener blijkt oren te hebben. Samuel heeft een woord van de Heer gehad in zijn oor. Niet zo maar de eerste de beste komt daar aan, maar een gezondene. Iemand die gezalfd moet orden, tot mesjiach gemaakt wordt, tot oprichter over mijn volk Israël, en hij zal redden. Hij zal Hosjea (redding, bevrijding) zijn.

 

Dat allemaal weet Saul nu weer niet. Al is hij meer dan hoog van  gestalte, hij is toevallig alleen achter de ezelinnen van zijn vader aan en toen omhoog gevallen de stad in. Hij vraagt aan Samuel: waar is het huis van de ziener? En Samuel zegt simpel: ik ben het. Geen discussie verder, geen kennismaking, geen procedures Terstond: "Ga voor mijn aangezicht uit."­

Gastvrij ontvangt Samuel Saul die volstrekt niets weet van wat boven zijn hoofd hangt. Zijn tafel is gedekt. En de ezelinnen? Ze zijn gevonden. "Naar wie gaat het verlangen van heel Israël!"

 

Saul kan die zin niet begrepen hebben. Toch niet heel Israël is achter de ezelinnen van zijn vader aan! Saul heeft 1 Sam. 8 niet gelezen. Hij' kent Samuel niet eens. Wie Saul zoekt kan hem niet missen, maar alles wat de lezers weten heeft Saul gemist. Hij komt pas net kijken. En als dan toch duidelijk wordt, dat er zoiets als een koning op het punt van uitkomen staat, dan zegt Saul zonder een spoor van enige opwinding of zenuwachtigheid, dat een en ander ten onrechte is. Als Samuel hem en het huis van zijn vader naar voren schuift (huis tegenover huis 18‑20) als object van een vurig verlangen, dan wil Saul wel wat helderheid verschaf­fen. Het gaat over "kleine luiden" hoor. Geen koude drukte! Dan pas vindt Saul de vraag die belangrijk is:

- "Waarom zeg je dit woord tot mij?

- Heer,

- wat is er tussen jou en mij!"

 

Met die vraag kunnen we verder het verhaal in. Saul weet niet dat zijn uur gekomen is.

 

 

Lees 1 Sam 9,22-26

Precies en consciëntieus gaat het in zijn werk: in de kamer van Samuel, aan het hoofd van de dertig. Wat zal Saul zeggen? Wat zal de drievoudige minyan[i] doen? Hoe kijken zij naar hem? Weten zij er van?

 

Samuel heeft de zaak voorbereid. De kok kan in de keuken fluiten, want hij weet wel waar de lepel hangt. De heilige reserve wordt voor Saul neergelegd. Samuels deel zijn deel. Het ogenblik is gekomen. Samuel zal nu wel opstaan en minstens zeggen: "Heren, wat had u gedacht! De Heer zelf heeft goede referenties gegeven. Hij zegt. dat déze de man is. Heren, ik heb de eer aan u voor te stellen: Saul uit Kisj. Ik zou zeggen: leve de koning."  En de dertig geroepenen zullen een toast uitbrengen. Alle aandacht zal zich richten op die goede jongen en hij zal de scepter gaan zwaaien, zijn beleidsplan in het kort ontvouwen, zodat zij in goed vertrouwen tegen elkaar kunnen zeggen: "Dat zit wel goed. ja, een goede keus. God weet precies wat wij nodig hebben."

 

Niets daarvan. Geen woord!

 

Ze eten samen. Zo men wil: zij twee alleen, samen. Dan dalen ze af. Alle lichten gaan uit. Het decor wordt verengd tot het dak. Staan daar dan trompetten? Herauten? Ook niet. Daar zal een slaapplaats zijn volgens oude griekse en latijnse vertalingen. Daar spreken zij volgens de hebreeuwse tekst. Geen woord over de zaken die aan de orde zijn gesteld. Het is direct de volgende dag. De duisternis licht op. Een plechtig mo­ment, als het duister wijkt voor het licht en de dag geboren wordt. En nog steeds niets. Ze lopen beiden de stad uit. De jongen wordt vooruitgestuurd, dan zal Samuel het woord van God doen horen.

 

De tekst neemt er alle tijd voor. Wij moeten aandacht aan Saul besteden. Het is zo onwennig en veelbelovend. Ruim de helft van het tiende hoofdstuk is nog nodig om het verhaal van hoofdstuk negen tot een einde te brengen en een zucht van verlichting te doen slaken. Eindelijk is het zover! Saul is koning! Alhoewel!

 

Het verdere verloop van dit verhaal zal te zijner tijd op deze site gepubliceerd worden. Je kunt het vervolg van deze geschiedenis vinden in Jan C.M.Engelen, 1 Samuel 1-15, Kampen, Kok1982, vanaf pagina 58. Een tekst haal ik er nu nog uit. Die moet je kennen. Bijna niemand kent die tekst en hij is zeer belangrijk voor het begrip van het Nieuwe Testament.

 

1 Samuel 12,24-25.

 

In het verhaal van 1 Samuel 12 neemt Samuel afscheid van het volk. Hij houdt een slotevaluatie. Aan het einde daarvan zegt hij iets heel beslissends.

Jullie wilden een koning. Die heb je gekregen. Maar pas op. Niet de koning redt je. Wil je in leven blijven, dan moet je leven overeenkomstig de Tora. Doe je dat niet – weet wel dat je dan van nu af aan een slachtoffer meer maakt. Als je niet leeft overeenkomstig de Tora dan maak je nu ook de koning tot het eerste slachtoffer.

Misschien moet je dat weten om in het nieuwe testament mee op te zien naar de gekruisigde. Daar zie je wat het betekent en wat er gebeurt wanneer men niet leeft in de schaduw van de Tora. (Vergelijk eventueel Johannes 7,51. )

 

We zouden nu door moeten gaan met Saul en met David en Salomo, maar de tijd daartoe ontbreekt.

 

We kiezen nog een stuk omdat het onbekend is en een parel. Je vindt het in

2Sam 5,1-3. Het is "weer een verhaal over David die koning wordt".

 

We vallen midden in het verhaal over David. Nog is er geen sprake van Jerusalem. Voordat Jerusalem in het verhaal van God en de mensen een rol gaat spelen zal David eerst officieel tot koning worden uitgeroepen.

 

lees de tekst. 2 Sam 5,1-3

 

Het doet een beetje vreemd aan om de klok 3000 jaar terug te zetten. Wat heeft het voor zin om mensen van vandaag met die geschiedenis te confronteren. Wat zou je daarmee moeten? En inderdaad, wat zou je daar mee moeten? Maar goed, nu je toch leest ga je misschien even mee, naar Hebron. Het is niet gevaarlijk. Hebron is in 2002 nog steeds of weer opnieuw een gevaarlijke stad. Maar vandaag, in het verhaal niet. We gaan naar Hebron bij wijze van spreken.

Er wordt een nieuwe koning gecreëerd. Dat klinkt naar feest.

 

Maar alle festiviteiten die je zou vermoeden, daar vertelt te tekst niets over. Geen fanfares, geen militaire muziek. Niets over een schitterend decor of prachtige gewaden. Geen diplomatieke vertegenwoordiging. Niets. Enkel een paar woorden. Alleen deze paar bijna sjofele woorden. Daar gaat het om.

 

Waar gaat het dan om? Wat klinkt er mee? Wat gaat er om in het verhaal wanneer David koning wordt?

 

Eerst al de aanzet is eigenlijk spannend. Je zou in die goede oude tijd iets van een staatsgreep kunnen verwachten, een greep naar de macht of een dictaat van een overwinnaar. Alweer: niets daarvan. Het begint volstrekt democratisch. Als David definitief koning wordt gaat het er zeer democratisch aan toe.

Toen kwamen al de stammen van Israël.

Daar komen ze dan. Waar gaan ze naar toe? Naar Hebron. Nee, dat is niet waar. De tekst zegt eerst naar David. Nog niets van koning David. Alleen maar David. Hij is het doel van hun komen en daarom komen ze naar Hebron.

 

Voor wie het weet wordt daarmee en oude bron aangeboord.

Hebron maakt geschiedenis, omdat Abraham daar zijn Sara te ruste heeft gelegd. Hij heeft toen een stukje land gekocht, het eerste begin van het land, het begin van de ruimte die God aan zijn mensen geven zal.

Voordat David van Bethlehem de koning van Jerusalem, iets meer naar het noorden, wordt, moet hij eerst naar Hebron. Hebron, op de rand van de woestijn, met alle herinnering die daar bewaard wordt.

 

Alle stammen komen naar David, naar Hebron en ze zeggen iets.De stilte wordt verbroken door een korte toespraak. Ook die begint heel democratisch en menselijk.

 

Zie, jouw vlees en gebeente zijn wij.

Een tekst als uit het scheppingsverhaal. Het zijn de woorden van Adam als hij zijn hulp hem tegenover ziet. Volstrekte nabijheid en vertrouwdheid: gelijke, evenbeeld. Alhoewel.

 

Ze zeggen niet: Jij bent van ons vlees en gebeente. Ze draaien het om. Ze noemen zichzelf jouw vlees en gebeente. Riekt dat toch niet naar een soort big brother watching you?

Wij die vandaag lezen mogen die twijfel hebben, maar volgens het verhaal hebben alle stammen van Israël redenen om zo te spreken. Ze hebben al ervaring over David. Hij ging voor hen uit.

Ze zeggen: Toen Saul koning over ons was, was jij het die ons deed uitgaan en jij bracht ons naar Israël.

Weer wordt er geschiedenis aangedragen. Maar in hun verhaal moet ons het woord uitgaan opvallen. Want uitgaan, uittrekken is het kernwoord in het centrale bijbelse oer-verhaal, het verhaal over de bevrijding uit de slavernij in Egypte. Het uitgaan daar beoogde ook "te gaan naar het land Israël", naar het land van vrijheid en bevrijding.

 

Maar als het over Exodus gaat, dan moet het toch over Mozes gaan die als een goede herder Gods kudde door het woeste land laat gaan? De tekst lijkt te wachten op die opmerking. De stammen, alle stammen zeggen: De Heer heeft tot jou gesproken. Jij zult herder zijn over mijn volk, over Israël. De vertaling zegt: je zult prins zijn over Israël. Toch, zo gangbaar als die vertaling is, zo weinig kan het zeggen. Want prinsen komen nauwelijks verder dan sprookjes. Het hebreeuws spreekt hier over ”Nagid", een verhevene, een verhoogde, een opgerichte die zelf zal oprichten. Niet verheven boven, maar verheven om te. Zo iemand zal koning David zijn, iemand die verheven wordt om de gebukte op te richten.

 

Dat zijn wat eerste opmerkingen bij het verhaal over de zalving van David, als hij tot gezalfde gemaakt wordt. Wellicht is het mogelijk toch iets te zien in deze geschiedenis. Er worden een paar kostbare zaken naar voren gebracht voor mensen die royaal, koninklijk, met elkaar willen omgaan. Ook moeilijke zaken.

 

Verantwoordelijkheid dragen is mogelijk, omdat je verantwoordelijkheid krijgt. De anderen hebben de ervaring dat in jouw doen en laten het oude verhaal over vrijheid en bevrijding vlees en bloed wordt. Dat maakt je tot herder, dat vertelt tegelijkertijd wat je als herder, of leraar, te doen hebt, waaraan je herkend wordt. Het geldt uiteindelijk voor bijna ieder. Vrijheid en bevrijding be-teken-en dat we elkaars herders zijn, elkaars hoeders. Broeders. De koning is een uit het midden van je broers.

 

 

© Jan Engelen

Herten, 19.11.2002_13:23:29

 


[i] Een minyan is in de joodse traditie het aantal mannen dat nodig is om een synagogale dienst te kunnen houden. Wil een dienst in de synagoge een echte dienst zijn, dan moeten er minstens 10 mannen aanwezig zijn. Een tiental vertegenwoordigt de hele gemeenschap, twee handen vol.