Over
“koning”
het college in Alkmaar of Amsterdam uit de week van 11 tot
16 november 2002
de
websitversie
1.
Het algemene spraakgebruik
Heeft het zin om over koning, over koningen te spreken? Is
het woord koningen een gangbaar woord? Doet het er toe in ons dagelijks
spraakgebruik? Als we het over koningen hebben, hebben we het dan
ergens over?
Over het algemeen heeft men vrij spontaan de indruk
van wel. Waarom is het een gangbaar woord ? "Koningen hebben
macht", zegt iemand, "Gezag. Ze zijn de baas."
Stel je voor, onze koningin zegt: “Ik ben de koningin, ik
ben de baas. Je doet wat ik zeg.” Wat zouden wij zeggen?
Over het algemeen is men van mening, dat we dat niet
zouden pikken. “Wat denkt ze wel!”
Dus koningen, 'om tegen op te zien' of 'om tegen af te geven'
als ze 'uit de gratie' zijn.
Waarom is het woord koning, waarom zijn mensen met allure
belangrijk? Het blijkt niet zo duidelijk. Wat hebben we dan met het
woord “koning”? Symbool van eenheid, zegt iemand. Wat is dat? Welke
eenheid?
Als je tegen een groep kinderen zegt: "Een verhaal –
over koningen", zeggen ze dan:”Laat maar zitten. Hoeft niet!”?
Men is van mening dat dit niet het
geval is. “
Ik heb een buurmeisje gehad van 7 jaar. Ze had een lange rok,
en witte gympies die ze versierd had met blauwe en rode bloemen van
viltstift. Ze had een soort koordje of band om haar hoofd. Dat had
ze graag aan.
Dat is duidelijk. Dat meisje wilde
graag een prinsesje zijn.
Maar als een klein meisje een prinsesje wil zijn, Wat wil
ze dan?
Dan wil ze mooi zijn.
Ze zag iets in prinsesje zijn. Iets? alles. Een droom.
Iemand zegt: "Ik zei voor het slapengaan altijd
'welterusten prinsesje van me' tegen mijn dochter. Onlang had ik het
weer gezegd. Toen keek ze me aan en zei ze:'Maar mam, ik ben geen
prinsesje. Ik ben al 7!' Een ander is al negen maar de moeder zegt
het nog steeds.
Waarom houden we ons best graag met het woord koning bezig?
Omdat we er iets mee hebben. Als je een paar dagen bent weggeweest
en je komt weer thuis, 's avonds. Je maakt je lampen aan, zet een
muziekje op. Je kijkt tevreden rond. 'Zo, weer thuis!' De koning te
rijk. Is niet ieder voor zijn gevoel, koning of zijn eigen vierkante
meters? En als we trots op iemand zijn, dan zetten we hem of haar
op een voetstuk. 'Geweldig!' Die kan niet meer stuk. Mensen tegen
wie je opziet, mensen die alles voor je zijn. Koning of koning komt
tegemoet aan wat op een of andere manier diep in ons zit, of, ons
eigen is.
Koningen
en prinsesjes, of kampioenen, helden. Het zijn woorden die we gebruiken
om het buitengewone aan te geven dat we in de ander zien, of dat we
rond onszelf voelen. Als er geen koningen of prinsesjes en prinsen
waren dan was alles hetzelfde, een grauwe massa van banale alledaagsheid.
Maar als je peinst over koningen en koninginnen in al hun soorten
en formaten dan merk je dat eigenlijk bijna iedereen een uitzondering
is. Heilig, iets als een koning.
2.
Bijbelverhalen over koningen
Zijn er verhalen over bekende bijbelfiguren? Saul, David en
Salomo springen er uit. Je moet deze figuren ongeveer plaatsen rond
1000 voor Christus.
Saul: opkomst en afgang
van een koning. Hij begint veelbelovend. Steekt met kop en schouder
uit boven de anderen maar blijkt niet te vinden wanneer hij officieel
aangewezen wordt. Op een kinderlijke manier vind je de kernverhalen
over hem gemakkelijk herverteld in Woord voor Woord, deel 1. Hij bevrijdt
een stad maar daarna gaat het vrij snel verkeerd.
David: zeer herkenbaar. Een mens, een koning.
Salomo: een droom. Maar als dromen echt worden kosten ze.
Na Salomo valt het koninkrijk van David uiteen in twee helften. Het
grote Noordrijk (Ook Israël genoemd) met de hoofdstad Samaria. Het
zal verdwijnen in de handen van de Assyriërs (hoofdstad Ninive - dan
snap je waarom Jona niet naar Ninive wil.) Daarnaast is er het kleinere
Zuidrijk, Jerusalem en omgeving, Judea, het joodse land.
Het koninkrijk van David heeft niet eens een eeuw bestaan.
Let wel: het gaat er bij dezer verhalen niet op de eerste
plaats over dat het historische
verhalen zijn. Sommigen kijken sceptisch. Dat wil niet zeggen dat
ze niet historisch zijn, maar het historische (karakter) doet er feitelijk
niet toe[1].
Wat er wel toe
doet: begrijp goed dat de
verhalen uit de bijbelse literatuur in feite vooral heimwee verhalen
zijn, verhalen over een gemis, over wat er niet meer is en wat pijn
doet. Hoezo?
Ga terug
naar module 1. De bijbelse literatuur wordt tot een eenheid gesmeed
door de Tora, van week tot week bezig zijn met de verhalen vanouds,
met alles wat het veelbelovende land als belofte draagt,
aandraagt.
Basisidee van de Tora
is de bekende zin: wij waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd. Deze intuïtie wordt de motor die
in Babylon[2] wat
nog over is bij elkaar brengt en houdt. Hoezo wat nog over is?
Rond 580
voor de gewone jaartelling verovert Babylon Jerusalem. De verovering
van Jerusalem: reken maar dat iedereen mensen te betreuren had. Er
waren vele doden en van Jerusalem was niets meer over. Enkel overlevenden
en hun herinnering. In Babylon, toen de klap een feit was en men weer
bij zichzelf kwamen, toen kwamen de sterkten met 'vroeger', met verhalen[3]. Verhalen brachten en brengen de mensen bijeen.
Zo ontstond de identiteit rond het boek van alle verhalen[4].
Identiteit op basis van herinnering, heimwee, geschiedenis, gedeelde
ervaring. En alle verhalen die men had, alle fragmenten en woorden,
werden aaneengesmeed, bijeen gebracht getoetst aan elkaar en tot de
bron gemaakt die wij bijbel noemen.
Vergeet ook niet: een eeuw geleden was er geen knopje voor
licht, voor geluid of beeld. Mensen gingen ongeveer slapen wanneer
het donker was, Je zat bij elkaar, deelde wat er te eten was. Had
je licht nodig, dan werd er een lontje in een beetje vet aangestoken,
een olielampje of een kaars. Veel licht was dat niet. Daar had je
alle tijd voor elkaar, voor verhalen. Een gast bracht ook altijd nieuwe
verhalen, iets anders. Verhalen die je mee namen, om in weg te dromen,
om weer bij jezelf of je positieven te komen. Een verhaal is niet
niks. Dan heb je wat te vertellen – je weet het ook uit de praktijk
van het lesgeven: dan kijken ze naar je op.
De verhalen over de grote koningen vertolken wat er was, wat
er op een of andere manier is, wat iets oproept en ons, met al ons
verschil, bij elkaar brengen. Niet waarden en normen maken ons een,
maar verhalen. Adel verplicht, nodigt uit.
3.
Recente herinnering
Nog kennen velen de letters INRI. Dat staat vaak boven
op het kruis. INRI is de afkorting van "Iezus Nazarenus Rex Iudeorum",
Jezus van Nazaret, koning van de Joden. Jezus zou een koning zijn.
Dus iemand die zich verzet tegen de keizer, staatsgevaarlijk. De Romein
Pilatus doet alsof dat zo is en veroordeelt Jezus, staatsgevaarlijk, ter dood.
Wanneer ik het volgende zegt heb je kans dat je dit herkent.
Onze vader die in de hemel zijt, uw naam worde geheiligd, uw rijk
kome. 'Rijk' Velen kennen dat nog. Als er protestantse mensen
in je buurt zijn hoor je hen zeggen: Uw koninkrijk kome.
Rijk, koninkrijk.
Je kent de uitdrukking (uit menig verhaal van het nieuwe testament)
het koninkrijk der hemelen lijkt op een man die … Ook dat blijkt
herkenbaar.
Koninkrijk der hemelen gaat niet over een paar vierkante kilometers,
maar over het koning zijn van God. Over zijn stijl. Over hoe
Hij koning is. Hoe is hij dan koning?
Als je het hebt over God is koning, dan moet je altijd terstond
twee woordjes denken. Je moet dan automatisch zeggen: NIET, MAAR.
Niet … maar
… Als je strakjes thuis bent moet je dat maar vertellen. "Koning,
niet, maar". Je huisgenoten krijgen meteen medelijden met je.
"Wat jullie tegenwoordig leren!!" Wat "niet … maar
…."
Geef eens
een voorbeeld van een slechte bijbelse koning. Bijna iedereen weet
Herodes! Dat is interessant. Waarom Herodes? Wat is er dan verkeerd
aan Herodes? Hij doodt de kinderen. De kindermoord in Bethlehem.
Interessant dat bijna iedereen zich uit zijn kindertijd de ploert
Herodes herinnert. Hij wil Jezus doden en laat daarom alle kinderen[5] in Bethlehem en omgeving
ombrengen.
Koning Herodes
heeft een de bijbel een rolletje van slechts 3 regels. Maar op
wie lijkt Herodes? Dat hebben ook velen wel. Of de koning van
Egypte, op de pharao van Egypte. Die laat in Exodus 1 de jongetjes
ombrengen. Koning Herodes lijkt bij Mattheüs (hoofdstuk 2) op de pharao.
Hij maakt van Jerusalem zoiets als Egypte: heel de wereld op zijn
kop. Vandaar de vlucht naar Egypte.
God is koning, niet als de pharao, want die is koning
door mensen slaaf te maken of slavendrijver. Die is koning ten koste
van zijn mensen. Maar als – weet je nog, die kernzin uit de
Tora! Wij waren slaven uit Egypte en hij[6] heeft ons bevrijd!
– maar als hij die bevrijdt.
Hier hoort
nog een kanttekening bij. Want wat is bevrijden?
We zeggen met Kerstmis dat de verlosser geboren is. Verlosser,
bevrijder. Waarvan heeft hij ons dan verlost. Oudere studenten zeggen
onmiddellijk: van zonden. Maar dat is helemaal fout. Hier
krijg je helemaal de verkeerde gedachten bij. Bijna steeds in kindertaal:
wij stout, hij aardig. Komt verlossertje spelen. Hij is de verlosser,
bevrijder[7]
"Maar
als hij die bevrijdt". Wat is bevrijden? Denk aan het kind dat
zo graag wil zeggen wat het weet. Het woord geven, bijvoorbeeld. Uitnodigen,
welkom heten. Iemand een plek geven, of een ogenblik[8], iemand zien staan
of zitten. Bevrijden is een handje helpen. Als Jezus koning is dan
is hij iemand die je aankijkt – een mooie gedachten bij Kerstmis,
rond de kribbe. Hij kijkt je aan en zegt: wees welkom, terwijl wij
zingen: Nu seit wellekome … Een echte koning is volgens de
bijbelse literatuur iemand die een en al oog voor je is, voor wie
je er mag zijn, die je uitnodigt. "Leuk dat je er bent".
Die doet alsof je zijn gelijke bent.
Een mooie zin is : Mensen gooien voor elkaar hoge messiaanse
ogen. Mensen zijn een beetje als God voor elkaar, dat kunnen ze
zijn. Zo zijn ze in Genesis ook gemaakt: naar Gods beeld, op hem
gelijkend[9].
Je kijkt je ogen uit.
Wij zijn volgens de verhalen van koninklijke bloede. Wij dateren
van al zo hoge van al zo ver. Om van op te kijken.
Dan
gaan we nu beginnen:
Deuteronomium
17 vers 14.
We beginnen aan deze tekst eerst met de rits[10]
van het verhaal. Als je daaraan trekt gaat het verhaal open.
wanneer je
en als je dan
dan zul je
!?!?! (uit het midden van)
niet
niet
niet
niet
maar
om te
na om te verwacht je de clou van het verhaal, de bedoeling,
maar dat is een vergissing. Er komt nog meer.
OPDAT NIET
Daar ligt de kern van de zaak. Aan het toegevoegde, onverwacht
toegevoegde eind van het verhaal hoor je waarom dit hele theater opgezet
is. OPDAT NIET. Eén ding moet kost wat kost worden vermeden. Eén ding
in ieder geval niet. OPDAT NIET! We zullen zo wel zien wat in ieder
geval niet.
wanneer je
wanneer je aankomt in het land dat G-d je geeft, en het in
bezit neemt en daarin woont, en
en als je dan
vraagt: wij willen een koning aanstellen over ons …
Eerst even een paar opmerkingen.
Wanneer
je aankomt … Tegen wie wordt dat gezegd? Dat wordt
gezegd tegen de mensen van veertig jaar woestijn, een leven
lang onderweg naar het beloofde – nee, beter, veelbelovende
land. Waarom is veelbelovend beter? Dan is het geen kwestie van beloofd is beloofd. Dan hangt het van jezelf af. Dan moet je er zelf wat van maken om echt
goed te worden.
Drie dingen
worden er over het land gezegd. Dat God je geeft, dus: dat
je gegeven is, dat je aangeboden wordt. Dat neemt. Dus je pakt
het aan. Je zegt:'Dank je wel', maakt het je eigen. En er in woont.
Je neemt het in bezit en begint.
Denk aan
jezelf. Over enkele jaren wordt je een baan aangeboden. Je gaat er op in, neemt het aan. En je begint
met doen waar je voor gekozen hebt. Je land is niet enkel iets
voor aardrijkskunde, die paar vierkante meters. Je land is je plek,
waar je thuis bent. My home is my castle. Wat je kunt, waar
je sterk in bent, de koning te rijk.
en als je dan
vraagt: wij willen een koning aanstellen over ons …
Waarom zou je, als je zelf een koning bent, een koning willen
aanstellen over je? …zoals alle volkeren rondom ons.
Dat is toch wel wonderlijk. Je zou een koning vragen over
je, omdat de anderen dat ook hebben. Je hebt een held nodig zoals
de anderen ook. Zij een auto, ik ook. Je kunt dat van runderen leren:
het gras is altijd lekkerder aan de andere kant van het prikkeldraad.
Zoals twintig jaar geleden Ramses Shaffy zong in Amsterdam: het
gras zal altijd groener zijn aan de andere kant van de heuvels. Wonderlijk,
dat anderen blijkbaar altijd iets hebben dat je ook zou willen hebben.
Een koning zoals alle volkeren rondom ons.
Dan
moet je een koning over je aanstellen
en nu moet je goed opletten. We moeten gaan tekst vergelijken.
Deuteronomium 17,14-15.
Willibrordvertaling:
"… Ik wil een koning hebben, zoals de volken in mijn
omgeving'', 15 dan moet
u iemand nemen die de HEER, uw God uitkiest; een volksgenoot
moet u als koning over u aanstellen, geen vreemdeling of iemand die
niet tot uw volk behoort."
NBG-vertaling '51:
Ik wil een koning
over mij aanstellen, zoals alle volken rondom mij hebben, 15 dan zult gij over u de koning aanstellen, die
de Heer, uw God, verkiezen
zal; uit het midden
van uw broeders zult gij een koning over u aanstellen;
geen buitenlander,
die uw broeder niet is, zult gij over u mogen
aanstellen.
Als je beide teksten
zorgvuldig leest dan zie je dat de NBG twee keer een woord heeft dat
bij de Willibrord is weggevallen. Dat is het woord broer, een
uit je broers. Wat heeft de Willibrord daar dan? De WB geeft 'volksgenoot'.
Wie gebruikte dat woord in de vorige eeuw? Sommigen weten dat wel.
Duitsland. Nazi-Duitsland. Volksgenosse. Ras-,
Blut- und Boden-theologie. De vertalers wisten het weer beter. Zij
weten: de tekst bedoelt niet iemand wiens sperma en zaadcelletje bij
de conceptie uit dezelfde bronnen kwamen. Ze bedoelen niet 'een echte
broer'. Een echte broer is immers een kwestie van genen en
biologie. Zeker in Nederland weten we dat precies. De vertalers waren
heel geleerd. Volksgenoot in plaats van broer. Terwijl het hebreeuws
het heeft over broers.
Maakt dat dan wat uit?
Dat zullen we nog zien.
dan zul je aanstellen,
een
!?!?! (uit het midden van) je broers.
Het gaat niet over of tegen buitenlanders. Het gaat er om
dat je niet moet denken dat het andere, het exotische, beter is. Als
koning heb je iemand nodig tegenover je. Een gelijke, iemand die is
als jij. Geen big Brother of Sister. Geen champion. Een broer.
En wat moet die broer dan doen. Hij moet vier zaken niet doen.
Dat wordt even moeilijk als er hippofielen in de klas zitten. Hippos
is grieks voor paard. Als je niet beter weet dan denk je dat de bijbel
tegen een manege is.
Hij zal
niet veel paarden hebben.
Waarom niet. Wat is er nou tegen paarden? Paarden waren in
die goede oude tijd de oorlogsmachines bij uitstek. Het voetvolk liep
te voet met zijn speren, zwaard en schild, maar de hotemetotems zaten
hoog te paard. Met een handige smid en timmerman had je zo een strijdwagen
met messen aan de wielen. Het paard: oorlogstuig voordat tanks en
anders grote mensen speelgoed uitgevonden was.
.
En hij zal
niet zijn volk
terugvoeren naar Egypte.
Zijn volk weer slaaf maken. Denk aan de belasting. Om zich
paarden aan te schaffen. Weer anti-oorlog. Hij mag zijn volk niet
uitbuiten voor het nobele handwerk van de gebiedsuitbreiding. Begrijp
dus het volgend – voor ons niet te voor de hand liggend:
Hij zal
niet vele vrouwen.
Wij weten dan wel hoe het balletje rolt, maar vergis je niet.
Waarom trouwden die prinsen of koningen met deze prinses? Dat had
te maken met geslachtsrijpheid in de alternatieve zin van het woord:
Nageslacht! De dynastie moest veilig voort kunnen gaan. En het had
te maken met verbonden sluiten of gebiedsuitbreiding.
Weer wil die koning, moet en zal hij haantje de voorste willen
zijn om zo mooi mogelijk kukeleku te kunnen roepen, of boe,
en een gouden kalf te zijn. We are the champions.
En hij zal
niet te veel
goud en zilver.
De koning heeft iets anders te doen dan Dagobert Duck te imiteren.
En ook hier zal het niet gaan om de economische waarde, maar om de
schonen schijn, het imponeergedrag, gebiedsuitbreiding.
maar
Maar die koning moet iets heel anders doen.
Wanneer hij op zijn koninklijke troon zit. Waarom zit die
koning op zijn koninklijke troon? Hij zit niet op zijn koninklijke
troon om aardappelen te schillen voor het avondeten. Hij zit op zijn
koninklijke pauwentroon als koning, als koning in optima forma,
koning op zijn best.
Wat moet de koning doen wanneer hij op zijn koning best is?
Dan moet hij zich een tora-rol laten overschrijven. Hij kan niet de
uitgever laten bellen:"Jongens, hier is the king Doe me
effe een bijbeltje. Want er werd nog niets gedrukt in die goede oude
tijd. De tekst van de tora moest woord voor woord voor de koning hoogst
persoonlijk, voor hem speciaal overgeschreven worden. Zo'n boekrol:
een mooi rond gepolijst stuk hout met daaraan opgerold een vel perkament
(schapenleer, meerdere vellen aan elkaar genaaid).
De koning moest voor zich de Tora, de WET (om te WETen) laten
schrijven, zich de wet voor laten schrijven.
om te
Hij moest die wet laten overschrijven voor zich om die
bij zicht te hebben. Waarom moest hij die bij zich hebben?
Om daarin te lezen.
De koning mag en kan dus geen analfabeet zijn. Hij moet zijn
ogen de kost kunnen geven. Hij moet niet de plank voor zijn kop maar
dat boek onder ogen kunnen zien.
… al de dagen van zijn leven …Hij krijgt
een taak voor alle dagen van zijn leven. Al zijn levensdagen moet
hij gaan lezen. A hell of a job koning zijn. Full time lezer
worden.
Om godvrezend te zijn en zich te
houden aan de woorden en inzettingen.
Dat begrijpen we wel. De bijbel wil je op je knieën hebben. Vroom
zijn. Alleen: godvrezend zijn betekent op de eerste plaats in leven
laten, niet doden. Denk aan die vroedvrouwen in Egypte van Exodus
1.
Je verwacht de clou van het verhaal, de bedoeling. Om te.
Maar dat blijkt een vergissing. Dat hele theater, deze tekst, is niet
opgezet om als hoogtepunt te kunnen zeggen:"Je moet godvrezend
zijn". Er komt nog meer.
OPDAT
NIET!!
Opdat niet. Nu komt waar het allemaal om begonnen is.
Opdat je je hart niet verheft boven je broers. De Willibrordvertaling
heeft nu ook je broers. Niet 'je volksgenoten'. Je broers.
Zie je wat een fout het is als je dat eerder weglaat omdat je het
beter weet. Je broers.
Opdat je hart zich niet verheft boven je broers. Als je je
hart verheft boven je broers krijg je Cain en Abel. Dat is bekend.
Het verhaal over de koning wil in 's hemels naam voorkomen,
dat de koning zijn hart gaat verheffen boven zijn broers. De koning moet religieus zijn, moet zich buigen
voor het boek, om sociaal te kunnen zijn. Het boek legt hem uit: gedrag
je als broer voor je broer naast of tegenover wie je staat.
Je begrijpt nu ook wat er gebeurt wanneer "Jezus die
verrezen is"zegt: ga heen en boodschap aan mijn broers. Hij heeft
een boodschap aan zijn broers. Samen zullen ze, we, "Onze Vader"
kunnen zeggen. Meer kun je niet aan elkaar gewaagd zijn.
17-11-2002 13:09:41 (week 46 jaar 2002)
© Jan Engelen
Alkmaar-Amsterdam-Herten