|
Was getekend, Mattheüs.
(printversie)
Naar aanleiding van Mt. 9.9.
Lees Mt 9,9 naast Mk 2,14 en Lk 5,27, de parallel-teksten. Mk en Lk
vertellen daar over Levi. Mattheüs is de enige die zichzelf Mattheüs noemt.
Daarvandaan de titel: ‘Was getekend Mattheüs.‘ De tekst, dit verhaal,
Mattheüs, brengt ons als lezers bijeen, Wij worden tot gasten gemaakt
in het verhaal waarin Mattheüs thuis is.
Kennis maken met een evangelie.
| Een inleiding voor studenten IPABO-3, |
| door Dr. Jan C.M.Engelen |
| eerste opzet 1997-98 |
| Cursief weergegeven woorden zijn altijd als bijbelcitaten te lezen. |
Inleiding
Eigenlijk zou je eerst het evangelie enkele keren moeten doorlezen. De
eerste keer kan het nog niet de opzet zijn, het verhaal leren kennen.
De eerste keer zoek je naar het ontwerp, de opzet, struktuur of samenhang.
Hoe zit het verhaal in elkaar zit. Zijn er fragmenten, grotere en kleinere
gehelen in de tekst?
(De indeling in hoofdstukken en verzen die wij kennen, is nog relatief jong.
Zij dateert van ongeveer 1450 na. Je mag dus gerust kijken, of deze indeling
de beste is, zelf je eigen tekstgehelen bepalen. Vaak zal de keuze uit
1450 niet slecht blijken, maar dan weet jij ook waarom.)
Vanuit je kennis van de Tenach (uit de Inleiding, Reader Aleph -
I), zie je wel in dat het bij de Jordaan wel moet beginnen. Waar de woestijn,
waar derhalve veertig jaar woestijn overgaat in het land, daar
moet, nu het zover is, wel het begin van alles wat komen gaat te
vinden zijn. Mattheüs 3 mogen we derhalve aanzien voor het begin. Marcus
en Johannes delen die optie - Lukas eigenlijk ook; hij heeft ook zoiets
als een inleiding.
Mt 1 & 2 vormt de inleiding op ‘wat Mattheüs te vertellen
heeft’. Zie eventueel Jan C.M. Engelen, Mattheüs 1-4, Kampen 1981.
Mt 1: al die namen, heel de geschiedenis van de Tenach. Van vader
op zoon, totdat de uitzondering (39 x verwekken, de veertigste keer verwekt
geworden, in de NBG vertaald met geboren) duidelijk maakt,
dat er iets bijzonders komt: deze geschiedenis, van Jezus Messias,
zoon van David, zoon van Abraham. Hoe hij hier, te midden van de zijnen,
naam maakt.
Mt 2. Binnen het geheel van al die namen blijkt dit niet onze
wereld is. Al die namen, bijna al die namen, zijn ons vreemd. Het lijkt
erop, dat Mattheüs daar rekening mee houdt. Wijzen uit het oosten
introduceren van vóór het begin (Mt 3), vreemdelingen in dit verhaal.
Wij kunnen, bij wijze van spreken, achter de muziek mee. De ster van de
wijzen brengt dan ook ons bij het kind waar Mattheüs een boodschap aan
heeft, heel zijn evangelie lang.
Mattheüs 1: Israël; +
Mattheüs 2: de volkeren = Samen:
heel de wereld op de been voor dit verhaal.
De vraag lijkt wel terecht. Wat gaat er nu komen? Waarom mobiliseert
Mattheüs Israël en de Volkeren? Blijkbaar wil hij ons met z’n allen ergens
heen brengen. Waar wil Mattheüs ons hebben? Twee namen identificeren de
ruimte van dit verhaal. Het zijn: Woestijn & Judea. Ook met die namen
kan meer aan de orde gesteld zijn dan enkel geografische informatie. Plaatsen
in de bijbel zijn altijd bijbelse plaatsen: zij hebben iets te vertellen,
vormen een ‘te goed’, een deposito. Dat overwegend blijken we bij Johannes
te komen. Hij markeert het begin van het evangelie. Ook die naam is een
programma. Johannes: Jo-Channan: God is genegenheid. Dat zou toch mooi
kunnen zijn. Als God ons genegen is, wat doet Hij dan.
Bij Channan mag men vanuit de traditie van de synagoge altijd
denken aan Deut 3,23. De hebreeuwse tekst begint hier met wa-eth-channan,
en ik smeekte om genegenheid bij de Heer. Wa-eth-channan is de naam
voor Deut 3,23-7,11. Dat is een parsje, een vaste deel voor sjabbes
wanneer systematisch de Tora ten aanhoren van de gemeenschap ten gehore
wordt gebracht. De naam Johannes is kan aldus de naam voor een deposito
zijn. Hij mobiliseert een context., zijn eigen Umwelt. Zo aanstonds
voert Mattheüs Jezus in zijn verhaal ten tonele. Wanneer je weet van wa-eth-channan,
dan verschijnt Jezus (Je-hosjoea dat wil zeggen de heer bevrijdt)
in het spoor van Mozes op weg naar het goede land.
Bij We-eth-channan hoort als haphtarah (het gedeelte
uit de profeten dat als begin van de uitleg van Mozes fungeert) Jesaja
40,1-26. Die tekst zal zo aanstond geciteerd worden. Mt 3,3 is Jes 40,3.
Lijnen komen bij elkaar, verlenen transparantie aan een situatie.
Eerste woorden citeren het hele verhaal. Op deze wijze
sloten auteurs vroeger aan bij eerdere teksten.
Deel A: Galilea
Na de inleiding (Mt 1 & 2 ) begint het verhaal (Mt 3,1) bij de
Jordaan. Liever gezegd: het begint bij Johannes de Doper in de woestijn.
Pas later, in 3,6 wordt de plaats genoemd: bij de Jordaan. Het verhaal
brengt ons op de drempel van het land dat de belofte draagt. Johannes
blijkt bij de Jordaan te staan omwille van die éne die in 3,13 uit Galilea
komt en daar, in 4,12 naar toe gaat, als ware Galilea een plaats om naar
uit te wijken.
In Galilea begint het rondtrekken. Tot 16,21 lijkt Galilea
voldoende grond te bieden voor het evangelie. Jerusalem is helemaal verdwenen,
sinds 2,1 nauwelijks of niet genoemd. In Mattheüs 16,21 klinkt dreigend:
van toen af aan. Gesproken wordt over Jerusalem. We horen het lijdensverhaal
in het kort.
Galilea wordt definitief verlaten in 19,1. Het verhaal
rolt de hele tekst op, terug naar het begin, naar de Jordaan en Jericho
om dan te verdwijnen, Judea & Jerusalem in. En misschien herinner
je je nog, waarom hij naar Galilea uitweek. Het evangelie speelt zich
af in Galilea, van (3,1) 4,12 tot 18,35.
Wat doet die laatste regel daar trouwens, over de vergeving van broers
onder elkaar? Wat heeft dat te maken met wat komen gaat? Die broederschap
speelt al vanaf Juda (1,2), wordt definitief zoiets als een doelstelling
in 28, 18.
Deel B: Judea: Jerusalem
Op naar Jerusalem. Maar eigenlijk hoor je dat in 19,1 niet. Wel gaat
het in die eerste regels over scheiden en niet-scheiden, huwen en niet-huwen,
en kinderen. In 20,17 en 18 horen we over het op naar Jerusalem.
In 21,1 pas nadert Jezus Jerusalem. Het is dan meteen
Palmzondag. Met een welbepaalde tekst gaat hij die stad binnen in 21,10.
Over een zachtmoedige koning, een koning die als een leraar is. Tot Mt
28 zal hij hier blijven. Passie, Pasen
& zending.
Binnen de aldus gevonden hoofddelen zal de verdergaande aanduiding van
plaats, (stad in ... uit), en met name in het lijdensverhaal de
bepalingen van tijd, het verhaal verder geleden.
A. Galilea
2.1 Johannes
In die dagen. Duidelijk wordt een nieuwe tranche van de
tekst aangesneden. Na 2,19 in Egypte, en naar het land
Israël, in het land Israël (v.20v) klinkt nu de tijd plechtig, en
weer de plaats: in de woestijn van Judea of de woestijn die Judea is -
het hangt er maar van af hoe poëtisch je de geografie kunt verstaan. De
woestijn (3,1): de veertig jaar met zijn herinneringen, een Tora
vol.
Bekeert U. Beter: keert om (3,2). Het is erg belangrijk
om te leren, de woorden zelf weer het woord te geven en wellicht opnieuw
te gaan verstaan. Bekeert U want ... wil helemaal niet zeggen:
nu moet jij je toch wel heel vlug beter gaan gedragen, anders sta jij
er strakjes, als het koninkrijk der hemelen komt, slecht voor.
Is dat wel zeker, de interpretatie die hier gegeven wordt? Wie zal dat
zeggen. Maar! Het motief bij keert om is want het koninkrijk der hemelen.
Welnu: het koninkrijk der hemelen kan geen dreigende strafkolonie zijn.
Dat is het koninkrijk van de farao. Die is er op uit de mens te kleineren
om zelf groter te zijn & de baas te wezen. God kan niet Zwarte Piet
zijn. Dat is een ander verhaal.
Keert om, want. Blijkbaar heeft het zin om om te keren.Blijkbaar
is het mogelijk, kan het nu. Want het koninkrijk der hemelen
is binnen bereik. Hemelen wordt vaak opgeschreven als synoniem voor
God. Ook in ons spraakgebruik is dat zo. Denk maar aan: in ‘s hemels naam.
Het koninkrijk der hemelen is het koning zijn van God. Omkeren
is mogelijk wat God is koning.
Het koning-zijn van God is een kritisch concept. Dat wil zeggen: je kunt
het gebruiken om te oordelen, om onderscheid te maken, te waarderen. Niet
alles is hetzelfde; er is een verschil. Als God koning is, dan is de economie
dat niet, de pharao ook niet, macht gezag en aanzien ook niet. Ook niet
degene die de lachers op zijn hand heeft. Niet ... niet ... niet ... maar
God is koning. Dat wil zeggen: vrijheid en bevrijding komen nu binnen
bereik. Het oude liedje (van alsmaar hetzelfde en altijd het oude liedje)
is nu afgelopen.
Johannes, met zijn wonderlijk korte preek -
Geen veroordeling, maar een open-baring, iets nieuws, iets ongehoords. Want
ongehoord is het oude dat volstrekt nieuw blijkt. Johannes met zijn paar
woorden - en ze moeten wel de moeite van onze aandacht waar zijn. Als
Jezus straks in Mt 4,17 begint te preken dan klinkt precies deze tekst
weer. Daarom is het ook zo belangrijk, die woorden in de goede belichting
te zien, met de goede klank te horen. Niet als moraliteit maar als evangelie,
goed verhaal. In 10,7 is dit ook de tekst waarmee de leerlingen worden
uitgezonden. (In het grieks: apostelloo. Het woord apostel
betekent: gezondene.)
Johannes’optreden wordt onderstreept door de woorden van de profeet
Jesaja. Hij is de door Jesaja (40,3) ter sprake gebrachte. Hij
is his masters voice, rept van de weg van de Heer, door
de woestijn, naar het land dat de belofte draagt - het land draagt de
belofte, de belofte draagt het land. De weg van de Heer, de heer-lijke
weg, de weg waarlangs de Heer Heer is (de weg van bevrijding en vrijheid!)
wordt vertolkt door Jesaja. Voor die weg: Zie eventueel Ps 1, over de
éne weg.
Wie is Jesaja? De wereld van christenen kent Jesaja als een Profeet. Hij wordt
vaak geciteerd in de liturgie van de advent (de vier weken voor Kerstmis)
en de passietijd (veertien dagen voor Pasen). Zo vaak aangehaald, ieder
jaar weer, blijkt Jesaja een belangrijke tekst te zijn. Wie is de Profeet
Jesaja? Simpel. Die naam staat voor een Boek. Het is een van de boeken
van de Tenach.
Het boek Jesaja valt uiteen in minstens twee stukken. De hoofdstukken 1-39 dateren
van voor de ballingschap. Jesaja 40 e.v. zijn ontstaan met het uitzicht
op de komende bevrijding.
Vanuit de ballingschap klinkt Jesaja 40: nachamoe, nachamoe ... troost, troost
je, volk van mij. Jesaja 40 is het troostboek van Jesaja. Wat is troosten?
Troosten is het werk van de Geest (vgl Jo 14,16v; 16,7.13).
Troosten is niet alleen laten (vgl Gen 1,1-2).
Jesaja 40 geeft te kennen, dat de ballingen in Babylon niet hoeven te denken
dat ze alleen zijn. Zoals destijds, in Egypte, zo is de Heer er ook nu
nog. Zoals toen, zo zal ook nu, onderdrukking en schending van menselijkheid
niet het laatste woord hebben Bevrijding en vrijheid - het mens kunnen
zijn, op aarde, onder de hemel, vgl Gen 1 de droom van vrede als begin.
De profeet maakt de Tora actueel, van vandaag.
Mattheüs onderbreekt zijn verhaal. Hij brengt de kleding van Johannes
ter sprake. Opeens wordt Johannes scherp in beeld gebracht. Een kemel-haren
mantel en een gordel van leer. Waarom wordt die kleding zo precies
omschreven? In de bijbelse literatuur is dit tenue bekend. Het is de kleding
van Elia. Zie 2Kon 1,8. Daarmee is een thema aangesneden dat meer aandacht
vraagt.
2.2 Als Elia
Johannes blijkt gekleed als de profeet Elia. Kleren maken de man. Is
Johannes Elia? En wie is Elia. Voor Elia zie 1Kon 17.
Voor de situatie: zie 1Kon 16,34 naast Joz 6,26! Jericho wordt herbouwd. Jericho
wordt herbouwd ten koste van de kinderen. Jericho, beeld van het ongastvrije
land, de wereld die afziet van de toekomst, draait de boekrol terug. Vreemdelingen
niet welkom. Ieder die anders is moet terug, de woestijn in.
Weg intocht in het land, weg uittocht uit de slavernij.
Zoals Abraham in de traditie de vader van de gelovigen is, zo is Elia
de vader van de profeten.
Met betrekking tot profeten.
De koningen hebben, zeker in de goede oude tijd, de neiging, zichzelf als absoluut
te beschouwen. Daarom ook noemen ze zich graag zonen van de goden. Ramses,
zoon van Ra. Denk ook aan tempels voor de keizers, enz. Gekleed zijn als
de smaakmakers is nog steeds een koop- of verkoopargument. Koningen waren
voorgangers. Zij hadden contact met wat men begreep als het hogere, waren
zelf het hogere ... bij gratie Gods.
Daarom heeft Samuel een probleem met het volk dat een koning wil hebben. God
is koning. Als die koning er dan toch komt zal hij altijd de Tora tegenover
zich vinden. Zo is in de loop van de joodse geschiedenis het verschijnsel
profeet ontstaan, de tegenstem. (Literatuur. Jan C.M.Engelen, !Samuël
1-15, Kampen 1985)
De profeet legt de Tora uit, geeft stem aan de stemloze, vertolkt de tekst.
Elia is het voorbeeld dat hem dit niet in dank wordt afgenomen. Elia is
dé profeet, van 1Kon 17 tot 2Kon 2.
In de Joodse traditie speelt Elia een grote rol. Je kunt geen Pesach
vieren zonder Elia.
Elia houdt de verwachting aan de komende bevrijding levend. Net zoals indertijd
zal de bevrijding waarschijnlijk in de tijd van de bevrijding, met Pesach
gebeuren! Daarom staat op de joodse paastafel altijd een glas wijn tot
de rand gevuld. Dat glas is de beker voor Elia. Als Elia komt dan
zal hij weten dat hij van harte welkom is, dat op hem gerekend wordt.
Daarom ook staat aan de tafel van Pesach de mooiste stoel versierd Dat
is de stoel voor Elia. Als Elia komt staat zijn stoel gereed. En
op het einde van de maaltijd, vlak voordat het laatste stukje matse gegeten
wordt - het brood van de bevrijding; ieder zal van tafel opstaan met de
smaak van het brood van de bevrijding - gaat iemand kijken of Elia misschien
gekomen is. Dan gaat er ook echt iemand naar de voordeur. De deur
wordt open gemaakt. Er wordt rondgekeken. Daarna komt degene die dit doet
terug. Tot nu toe heeft-ie steeds gezegd: ‘Nee, Elia is nog niet gekomen.’
Dat wordt daarna door allen herhaald. Allen voelen de teleurstelling
en zeggen: ‘Misschien volgend jaar, volgend jaar in Jerusjalaiem.’
Als de bevrijding en feit is, wanneer de Mesjiach komt, dan zal hij met Pesach
komen. En als Mesjiach komt, dan zal Elijahoe hem voorafgaan. (Daarom
sterf Elia niet. Hij zit als het ware in de wachtkamer, wordt achter de
hand gehouden voor wanneer de Mesjiach komt. Zie daartoe eventueel ook
Mal 4,4-6.)
(Literatuur: Kees Waayman, De profeet Elia, Nijmegen 1985; Th.Naastepad, Elia,
Kampen. St.M.van Amersfoort, Bergen verzetten, Hilversum 1985.)
Lezend in Mattheüs 3 mag men, gezien de kleding van Johannes, de vraag
te stellen: zou Johannes soms Elia zijn? Geeft de tekst aanwijzingen dat
Mattheüs Johannes als Elia ziet? Volgen we daartoe aan de hand van de
concordantie Elia.
2.3 Johannes & Elia I
Maar aan jullie zeg ik: Elia is al gekomen. Ze hebben hem niet willen
kennen en ze hebben met hem gedaan al wat ze maar wilden (17,12).
Een typische zin. Bitterheid klinkt erin door, of droefheid, vermoeidheid
over de willekeur, de godvergetenheid. (Het is de vraag of dit, wat de
tekst hier over Johannes zegt, niet ook over Jezus zelf gezegd zal moeten
worden: ze/we doen met hem wat ze/we maar willen. Als dat zo is, dan is
Johannes de voorloper van de Heer in leven en sterven.)
Mattheüs 17 is een beroemd verhaal. Het verhaal op de berg.
Het verhaal is zo beroemd dat men er altijd een plaats voor heeft willen zoeken.
Die plaats is de berg Thabor geworden. (Zie St.v.Amersfoort, Bergen verzetten.)
Toch moet je bij een berg in de eenzaamheid/woestijn misschien ergens
anders zoeken. Er is een berg die daar meer voor in aanmerking komt. Binnen
de kortste keren zit je dan, bijbels gesproken weer in Jerusalem.
Het verhaal heeft ook een tijdsnotering meegekregen. Na zes dagen. Welk
perspectief reikt dit aan?
Jezus neemt drie van zijn leerlingen mee, de berg op. (Zie Ex 24,1) Zijn
kleren en gelaat worden stralend. Zie Mt 28,3: waar is Mt op uit? Dit
verhaal is dus verbonden met het verhaal over de opstanding.
Mozes en Elia laten zich zien; zij spreken met hem. Jezus in gesprek
met Tora en Profeten. Een ingewijde hoeft dan niet te vragen waar het
over gaat. Mattheüs vertelt dat niet. Lucas, zelf waarschijnlijk een niet-jood,
is vertrouwd met mensen die buiten de joodse traditie staan. Daarom vermeldt
hij vaak voor insiders vanzelfsprekende zaken. In Luc 9,31, de paralleltekst,
geeft hij er uitdrukkelijk bij: over zijn eksodon, zijn exodus
in Jerusalem. Het hele gebeuren van passie tot Pasen heet bij Lucas zijn
exodus.
Petrus blijkt gegrepen. Hij wil terstond tenten bouwen,
ziet de tijd in de woestijn en het weer onderweg zijn voor zich. Hij wil
het vasthouden. De stem (vgl 3,17) maakt een eind aan dat verlangen. Zoiets
simpels als de aanraking (n.b. ‘het lichaam van Jezus’ is hier ‘aan het
werk’) blijkt het mogelijk te maken de fascinatie, het niets en nergens
meer zijn te doorbreken. Wanneer zij hun ogen weer opslaan is dat einde
verhaal. Nu begint de verwerking.
De aanzet tot verwerking wordt gegeven met een merkwaardige
aansporing. Jezus zegt dat ze niemand iets mogen zeggen over het gebeurde.
Waarom moet dat een geheim blijven. En wat is het ‘dat’, dat geheim moet
blijven? Dit gebeuren dat blijkbaar ‘de zoon van de mens’ volop profileert
(let op het woord profiel) - wat brengt dit ter sprake?
De leerlingen treden in overleg met elkaar. Ze vragen, waarom
eerst Elia zou moeten komen. Wat hebben zij begrepen wanneer zij opmerken,
dat dan toch eerst Elia zou moeten komen? Zie boven.
De leerlingen denken dat eerst Elia moet komen omdat ze het
blijkbaar met elkaar eens zijn. Na het gesprek, het akkoord met Mozes
en Elia, zien zij messiaanse trekken in Jezus. En precies dat moet geheim
blijven. Waarom?
Omdat het nog niet zover is. Zolang het evangelie duurt is
het niet duidelijk wat het betekent dat Jezus de Messias is. Dat zal minstens
duren tot het einde van het evangelie. Dan zal blijken hoe
hij de Mesjiach is. Die mededeling prematuur bevestigt enkel het vooroordeel,
de eigen overtuiging.
En Elia? Zie Mt 17,11-13.
2.4 Johannes & Elia II
Johannes hoort in Mt 11,2, in de gevangenis, de werken van
de Messias. Hij laat zijn leerlingen vragen: ben jij het of hebben
we nog een ander te verwachten? Waarom vraagt hij dat?
De leerlingen komen terug met een angelie, een boodschap,
een verhaal. Is dat een goed verhaal? Het klinkt wel zo. Van blinden die
kunnen zien tot en met armen die het evangelie ontvangen. Maar er staat
een merkwaardig einde aan dat angelie. Want waarom: gelukkig ben
je wanneer je je niet ergert aan mij?
De lijst van Mt 11,5 is niet oorspronkelijk. Het is een citaat.
Zie Jesaja 35,6; 61,1. Alleen: wat daar staat krijgt Johannes niet helemaal
te horen. Precies wat Johannes nodig heeft krijgt hij niet te horen. Hij
krijgt niet te horen: gevangen zullen worden bevrijd. Johannes met zijn
gekerkerde vraag, krijgt geen antwoord op het probleem dat zijn leven
geworden is. Het evangelie is niet zijn verhaal. Daarop identificeert
Jezus Johannes met Elia. Daarom: ‘moet je horen’. Daarmee wordt het optreden
van Johannes in Mt 3 meer toegespitst.
2.5 Bij de Jordaan
Johannes heeft het bij de Jordaan over de heer-lijke weg door de woestijn.
Het is de weg die bereikt wordt door de ommekeer gedragen door Gods koning-zijn.
Zijn eten is puur natuur. Daar is niet voor gewerkt; sprinkhanen en wilde
honing zijn niet het gevolg van cultuur - oorspronkelijk landbouw. Johannes
blijkt een totale buitenstaander. Naar hem gaat Jerusalem, heel
Judea en heel de Jordaanstreek. Waarom 2 keer heel, waarom
niet drie keer? Omdat Mattheüs heel Jerusalem er niet meer bij hoeft te
halen. Dat is al gebeurd, toen Herodes schrok en heel Jerusalem
met hem (2,3).
Bij wijze van spreken, heel het bijbelse land verschijnt
ten tonele bij Johannes. Wanneer het gaat over de ommekeer, om zich opnieuw
te bekeren naar het land, naar Jerusalem, dan weten Judea en Jerusalem
als eerste dat het beter anders en anders beter kan. Zij worden door hem,
door Johannes, gedoopt onder belijdenis van zonden. Waar zijn ze het met
elkaar over eens? Voor wat buigen zij het hoofd, gaan zij kopje onder
en komen zij weer boven, wetend dat het goede leven, het leven met de
woorden die gegeven zijn, niet vanzelfsprekend is? Die vraag mag gesteld
worden. Ook wanneer in een werkomschrijving gezegd kan worden: zonden
is dat wat het verbond verbreekt, negeert, op het spel zet - dan blijft
nog de vraag: wat is zonde? want, wat is verbond? - ondanks alles wat
er over gezegd kan worden.
2.6 Farizeeën en Sadduceeën
Bij Johannes vervoegen zich ook de Farizeeën en de Sadduceeën. De Farizeeën
menen we te kennen, de Sadduceeën niet. Wie zijn ze? De Sadduceeën is
de groep rondom en in de tempel. Wat zij zijn en hebben willen is zeer
tastbaar aanwezig. Het is de meer behoudende groep. Zij kunnen in feite
alleen maar verliezen. Het zijn de leiders in Jerusalem. Zij hebben voor
alles belang bij de bestaande orde. Mozes, de Tora, is voor hen voldoende.
Zij geloven, om het heel snel te zeggen, ook niet in de opstanding van
de doden. Dat is immers afkomstig uit de ervaring van Babylon, en hoort
bij de Profeten.
De Farizeeën hebben de naam, huichelaars te zijn. Inderdaad,
Mattheüs noemt hen zo. Zie Mt 23. Toch zal men die voor de hand liggende
interpretatie terughoudend moeten zijn. Het zou namelijk best kunnen,
dat Jezus meer thuis hoort te midden van de Farizeeën - wat dat (zie Jo
1,24, zie ook 1,24) ook moge betekenen. Farizeeën zijn geen formalisten.
Zij vinden dat, wat in en rond de tempel gebeurt. ook volop zijn weerslag
moet hebben op het leven van elke dag. Het gaat niet alleen over ritueel,
het gaat over: hoe leef je! Farizeeën zijn meer volks-vromen. Je vindt
hen in alle lagen van de bevolking, in alle groepen. In alle groepen vindt
je tegelijk ook de karikatuur van de groepsidealen belichaamd. Ook in
de joodse literatuur kom je opsommingen tegen van mensen die wel farizeeër
zijn, maar in feite daarbij vooral de schone schijn koesteren. Nieuw Testamentische
kritiek op Farizeeën is - om het moeilijk maar wel precies te zeggen -
in feite farizeese kritiek of Farizeeën. (Wanneer je op een camping in
Zuid-Frankrijk een auto met een Nederlands nummerbord ziet binnenrijden
en je verzucht: ‘Hollanders!’, dan ben je daarmee niet anti-nederlander
geworden. Dit soort spreken hoort bij de in-group.)
Farizeeën en Sadduceeën - heel de leidende groep - vervoegt zich bij
Johannes. Die begint nogal uit te pakken. Jongen van slangen - dat gaat
de kant van het verhaal in de tuin uit - beeld je niet in dat je
de komende toorn kunt ontkomen. Je kunt niet (als slangen) uit het kreupelhout
schieten wanneer het daar begint te branden. Er is geen ontkomen aan.
Toorn is een hapax. Het komt maar een keer voor. Wel heeft Mattheüs het werkwoord
toornen. Daar zijn drie vindplaatsen voor: 5,22 tegenover de broeder;
in 18,34 de koning omwille van de manier waarop de knecht omgaat met zijn
medeknecht; en 22,7 tegenover degenen die de knechten van de koning mishandelen
en doden. Toornen heeft derhalve te maken met het omgaan met de knechten,
met de medeknechten (de gelijken), de broeder. De rest is hier om te overwegen.
Je kunt je niet verschuilen achter Abraham als vader. Het gaat er niet
om dat het met je verleden goed zit. Het verleden is voorbij. Bovendien:
je beroepen op het vader zijn van Abraham is precair. Abraham heeft er
zichzelf nooit op beroepen. Isaac ook niet. Meer dan kind van de feiten
is hij immers kind van de belofte.
Dat stenen een vindplaats zijn voor kinderen van Abraham
is bekend sinds Jozua 4,6.20-24.
De dreigende toorn blijkt de oogst te zijn. Heel de moeite van het voorafgaande
komt bijeen in de oogst. Voor de boom en de vruchten zie Psalm 1 - de
opening van de Geschriften, deel 3 van de Tenach.
Dorsen is het graan uit de aren kloppen - met een dorsvlegel
of met een paar ezeltjes die schouder aan schouder op de dorsvloer rondjes
draaien en met hun hoefjes het graan uit de aren krijgen. Let wel: je
mag de dorsende ezel niet muilkorven (vgl Deut 25,4). Als zij met hun
neus boven de verse oogst lopen mag je hun die rijkdom niet onthouden.
(De Tempel wordt gebouwd op de dorsvloer van Arauna, op de plaats van
de oogst.) Wannen is scheiding maken tussen het kaf en het koren.
3.1 Jezus uit Galilea: bij Johannes
Na Jerusalem, heel Judea en de hele Jordaanstreek komt nu Jezus
uit Galilea naar de Jordaan naar Johannes om zich door hem te laten dopen
(3,13) Nauwkeurig brengt de tekst de beweging, de richting en de bedoeling
in beeld, als kwam het er op aan.
Galilea is heimwee-land. Hoezo dat? Galilea is rond het begin
van de gewone jaartelling een vluchtplaats geworden. Wanneer Jerusalem
en Judea bedreigd wordt, vluchten de mensen naar Galilea, het gebied rond
het meer van Galilea. Maar de Jehoediem (de Judeeërs, de mensen
van Judea) die in Galilea wonen, weten dat zij in het zuiden horen. Dat,
Jerusalem en omgeving, is hun ‘wereld’. Wat je mist is vaak belangrijker
dan wat je hebt. De toewijding van de Galileeërs aan de Tempel en alles
daaromheen is daarom vaak groter dan die van de mensen die hun ogen maar
hoeven op te slaan om de Tempel of Jerusalem te zien.
Jezus begeeft zich onder de zeggingskracht van de woorden van Johannes.
Maar Johannes wil hem zeer tegenhouden. Jezus zegt daarop volgens de NBG-vertaling:
‘Laat mij thans geworden’. De Willibrord-vertaling geeft: ‘Laat nu maar’.
Maar het dient veel sterker te zijn. Zie 4,11, 19,14 of 26,56, waar het
zelfde Griekse werkwoord staat.
Laat af, laat los. Op het einde van het vers: toen liet hij
hem los - alsof wat zich aandient als bescheidenheid in feite een soort
‘voor zijn eigen karretje spannen’ is, voor eigen gebruik. Waarom al die
omhaal, die nadruk? Binnen de inclusio vind je: Want aldus is het passend
voor ons, heel de gerechtigheid te vervullen.
Gerechtigheid. Werkvertaling, grondbegrip: het
geschieden van het woord, van de Tora. Wanneer de Schrift geschreven,
leesbaar, gemaakt wordt, vertolkt. Wanneer het boek open gaat, open blijkt.
Wanneer je na enige stilte zegt: ... Nu begrijp ik.
Heel de gerechtigheid wordt vol gemaakt, zoals in het evangelie
ook de maat der vaderen (23,32), zo men wil de ongerechtigheid vol gemaakt
wordt. Volgens Juda(s) is er in het evangelie een iemand onschuldig (27,4):
Onschuldig bloed heb ik overgeleverd. Tegelijk: wanneer er iemand
in het evangelie is die als de schuldige te kijk wordt gesteld, dan is
hij dat ook. Boven hem gaat de hemel open en barst de hel los. Merkwaardig
evangelie waarin alles wat mogelijk is geschiedt.
Johannes treedt terug. Vrij baan voor Jezus’ doop. En zie (v.16) en zie
(v. 17). De hemelen worden geopend. Hemel en aarde staan weer open voor
elkaar, horen weer naar en bij elkaar. Volgens Gen 1,2 hoort daar de geest
bij, hemel en aarde toch één. Het is alsof Mt 1,1 nu verder gelezen wordt:
zoon van David, zoon van Abraham, zoon van God.
En zie: een stem uit de hemel. Vroeger leerde men,
dat door de doop de zonden vergeven werden en dat je door de doop weer
kind van God werd. Zo beschouwd is de doop van Jezus dus eigenlijk overbodig.
Want alles wat wij door de doop worden is hij al. Evenwel. Als Jezus niet
gedoopt wordt - de poging van Johannes - dan gaat ook de hemel niet open,
dan klinkt ook de stem uit de hemel niet. Wanneer de stem uit de hemel
klinkt krijgen wij vanuit de hemel de woorden aangereikt die vertolken
wat wij hier kunnen verstaan: mijn zoon, het kind van mijn vreugde.
Wat is dat voor kind, dit mensenkind dat hem, God, terugbrengt naar zijn
eigen goedmoedigheid? Anders gezegd: wat voor geschiedenis - boek van
de Genesis van Jezus Mesjiach, Mt 1,1 - wordt hier verteld? Die vraag
neemt ons mee het evangelie in.
3.2 Door de geest gedreven naar de woestijn
Het lijkt wel Deut 8,2v. Herinner je heel je weg die de Heer je G-d
jou liet gaan, veertig jaar in de woestijn, om je in je moeilijkheden
te toetsen, om te weten of je in je harten de geboden zou bewaren of niet
... want de mens leeft niet van brood alleen. De tekst is zeer persoonlijk,
in de tweede persoon. Herinner je. Dat de tekst hier aan de orde is mag
blijken uit Mt 4,4.
Om getoetst te worden door de duivel. Toetsen. Bij
de spoorwegen is het verschijnsel van de toetser bekend. Hij slaat met
een hamel op de wielen van de treinen. Hij brengt de wielen tot klinken.
Aan het geluid hoort hij, of de wielen nog goed zijn, geen barst hebben.
Toetsen is dus niet plagen of treiteren, maar tot klinken brengen.
Er wordt iets te verstaan gegeven. Zo herken je het woord ‘toets’
bij een piano of een ander toets-instrument. Ook de gitaar, viool en
cello kent zijn toets. Het is dat donkere hout waar de snaren overheen
lopen. In het onderwijs wil een toets (proefwerk, beproeven) je tot klinken
brengen.
Drie keer wordt Jezus tot klinken gebracht. De honger, het
brood, verwijst naar Ex. 16. Op de proef stellen is het
woord dat in Ex 15 en 17 klinkt in verband met ‘we hebben dorst en we
krijgen niets te drinken’ in de woestijn. Tenslotte brengt het werkwoord
aanbidden de scène met het gouden kalf in de herinnering terug.
De toetsing van Jezus in de woestijn is die geschiedenis van 40 jaar in
een notendop, maar nu anders. De duivel laat hem los. Engelen worden met
een grieks woord diakenen, dienaren.
De beproeving is anders te gaan leven dan vanuit God en zijn Tora. Als
jij de zoon van God bent, zal men tot hem zeggen wanneer hij aan het
kruis hangt. Als de medeknechten (Mt 18,24-35) zo met deze knecht omgaan,
dan zal God zich over het slachtoffer ontfermen. Dat is het verhaal van
de Tora, het geschieden van het woord, alle gerechtigheid: 'Wij
waren slaven in Egypte maar Hij heeft ons bevrijd.’
Merk intussen op, dat ondanks alles wat komen zal, Jerusalem de heilige
stad wordt genoemd.
De woestijn (3,1 Judea) is de plaats geworden waar de woorden klinken.
In het Hebreeuws heet de woestijn midbar. Volksetymologisch horen
de rabbijnen dit als min-dabar, vanwaar het woord.)
3.3 Johannes overgeleverd: Jezus naar Galilea.
In Markus 1,14 gaat Jezus naar Galilea. Bij Mattheüs is de toonzetting
anders: hij wijkt uit naar Galilea. Hetzelfde werkwoord, uitwijken,
heeft eerder Jozef gebruikt (2,22) en voor hem de wijzen (2,12.13). Jezus
zet als het ware de uitwijkende beweging, bij de wijzen en bij Jozef begonnen,
door. Dat zul duren tot 15,21, het grensgebied van Tyrus en Sidon waar
een Kananese vrouw hem tot de orde roept: Zoon van David, een
invoeging waar hij op verder gaat: Ik ben niet gezonden tenzij tot de
verloren schapen van het huis Israël. De volgende verplaatsing heet niet
meer uitwijken maar gaan naar. Naar Caesarea Philippi, het uiterste Noorden
van Galilea, bij de bronnen van de Jordaan waar de kaart van Israël ophoudt.
Daar zal ter sprake komen wat er in Jerusalem zal gaan gebeuren (16,13.21).
Jezus wijkt uit naar Galilea wanneer hij hoort dat Johannes
overgeleverd is. Ook hier weer: er staat niet ‘gevangen genomen’ (zie
Willibr. en Groot nieuws), maar overgeleverd. Dit werkwoord wordt
refrein in het passieverhaal van Mattheüs. Reeds trekt iets van de schaduw
van de dood (4,16) door de tekst. Jezus gaat naar Kfar Nahum, het Dorp
van de Troost, in het grensgebied. Letterlijk: niet meer in het centrum
maar marginaal is hij, een randverschijnsel in Galilea. Galdeel
Gojim, omgeven door de volkeren, eigenlijk al buiten het land.
Weer wordt Jesaja te horen gegeven. Galilea van de volkeren.
Zie ook 28,7.16. Voor volk, zie ook 27,20) Zitten in de duisternis (zie 27,61)
Voor de duisternis, zie ook 27,45. Licht treffen we ook aan in (28,13),
en het woord groot geeft het formaat van de steen aan (27,60).
Het citaat van Jesaja levert materiaal dat ook aan het einde van het
evangelie ingezet wordt. Het kan niet anders, dan moeten we ook in de
buurt van het echte begin gaan komen. VAN TOEN AF AAN.
3.4 Het begin: eerste preek en eerste leerlingen
Van toen af aan. Wanneer alles genoegzaam is gesitueerd vanuit Jesaja,
begint Jezus te preken. De preek is kort. Zij verrast niet maar onderstreept.
Jezus herhaalt de woorden van Johannes (4,17 is 3,2). Hoe is dat koningschap
dan dichtbij?
Terwijl hij langs het meer van Galilea loopt ziet hij Simon
en Andreas, diens broer. Ze maken hun netten in orde. Het zijn vissers
- bijbels gesproken wonderlijke lieden want zij halen leven uit de dood.
Mensen die bij ons vertrouwd zouden zijn met visserslatijn.
Twee broers. Denkend aan Gen 4 (Kaïn en Abel) zou een bang
vermoeden je kunnen overvallen. Toch hoeft dat niet. Komt achter mij,
en zij volgen hem. (Van toen af aan vinden we ook in 16,21. Achter
mij staat ook in die buurt - 16,23. Wanneer de reis naar Jerusalem ter
sprake komt is er toch een zekere afsluiting met een zeker opnieuw beginnen.
En nog eens twee broers. Alleen, het schip en de vader komen erbij. Je
zou mogen vragen: de toetsing van de duivel gaat toch wezenlijk over doe
alsof je God bent. Het verhaal van Adam en Eva komt in die buurt. De broers
doen denken aan Kaïn & Abel. Het schip roept associaties op met Noach.
De vader verlaten, het huis van de vader verlaten, roept Abraham in herinnering.
Is het zo terugbladerend om vooruit te kunnen kijken geschreven? Zal het
evangelie laten zien hoe dat gaat, leven als God, als bemind kind van
God. Zal ons verteld worden, hoe broederschap niet enkel onttakeling en
afbraak is? Zullen we iets horen over een ander en eigenlijk vader-zijn?
Wie zal dat zeggen? Feit is dat alle formaliteit, horend bij het ceremonieel
van het begin - introductie, voorstelling, eerste lijnen, aansluiten al
dan niet bij een bekende situatie, enz. nu afgelopen is. Hij trekt rond
door Galilea. Het is begonnen.
4.1 Mt 4,23 - 9,35:
En hij trekt rond door geheel
Judea
lerend in hun synagogen
en predikend het evangelie van het koningschap
en genezend alle zieken en alle kwaal.
Alles wat niet goed is, sinds Gen 2,18 het alleen zijn van de mens (het
is niet goed dat de mens alleen is), is nu verleden tijd, lijkt het, of,
blijkt.
4.2 Indeling en schemata
Binnen het groter kader van Mt 5 tot 9 zien we voorts: 5,1 Berg op, 8,1
Berg af. Tussen 5,1 en 8,1 worden de woorden op even grote hoogte gesproken.
Men noemt deze tekst op de hoogte van de berg, Mt 5-7, vaak de bergrede.
Dat is jammer. Want na de bergrede krijg je dan Mt 8 en 9, twee hoofdstukken
die men de wonderverhalen noemt. Bergrede en wonderen hebben innerlijk
geen samenhang. Is er een betere naam?
De bergrede levert in elk geval woorden. De wonderen worden
gedaan. Woorden en daden, woorden over het koningschap en daden van het
koningschap, horen bij elkaar. (In het Hebreeuws: debaríem. Dat
is de hebreeuwse naam van het boek Deuteronomium, het laatste boek
van de Tora.)
4.3 Woorden
Kijk even, hoe zorgvuldig de tekst het gebeuren beschrijft. Hij ziet
de menigte. Dat is motief om de berg op te gaan. Als hij dan is gaan
zitten komen de leerlingen naar hem toe. Dan begint het onderricht. Hieronder
tref je een schema aan dat je zou kunnen gebruiken om zoveel tekst ietwat
te structureren.
0a Zalig de armen van geest 5,3
0b Zalig zijn jullie 5,11
0c Jullie moeten niet denken 5,17
1a Jullie hebben gehoord dat 5,21 2a Jullie hebben ook
gehoord 5,33
1b Jullie hebben gehoord dat 5,27 2b Jullie hebben gehoord
5,38
1c Ook is er gezegd 5,31 2c Jullie hebben
gehoord 5,43
3a Let op dat je je gerechtigheid niet doet 6,1
3b Wanneer je bidt, wees dan niet ...
onze vader 6,5
3c Wanneer jullie vasten, wordt dan niet 6,16
4a Verzamelt je niet 6,19 5a Vraagt en
7,7
4b Daarom zeg ik jullie: maakt je niet 6,25 5b Gaat naar
binnen 7,13
4c Oordeelt niet 7,1 5c Ieder die deze
woorden van mij hoort 7,24
Bij deze verdeling staat de praktijk (daden van betrokkenheid doen, bidden
en vasten) in het midden. Deze rede wordt dan een wonder van een preek,
rond het Onze Vader, het midden van het midden. Na het schema van 4.3
zullen bij enkele gedeelten van deze tekst leesaanwijzingen gegeven worden.
4.4 Daden
Inleiding of afsluiting van het voorafgaande: 8,1.
A1. Een melaatse komt
A2. Een centurion komt 8,5
A3. Jezus gekomen in het huis ziet 8,14
Intermezzo naar B en inclusio rond B: volgen: 8,18-22;
B1: Toen hij in het schip ging volgden zijn leerlingen hem (3x hij. Wie
is hij (zie 8,27!)) 8,23
B2: Aan de overzijde bezetenen uit de graven
8,28
B3: Naar de overzijde: zijn stad
9,1
Intermezzo en inclusio rond B : opstaan en
volgen 9,9-17
C1: De overste van de synagoge 9,18 (waarin
de vrouw van 9,20)
C2: Twee blinden 9,27
C3: De man die niet kan horen en spreken 9,32
Mattheüs geeft drie keer drie wondere daden. Drie keer drie blijkt bij
Mattheüs tien te zijn. In C1 staat in het hoofdverhaal nog een verhaal.
5.1 De tekst op de berg.
Je moet je goed realiseren dat het evangelie geen journalistiek verhaal
is. Mattheüs is geen auteur die iets moois ziet beginnen en daar vanaf
het begin verslag van doet, alles bijhoudt en overzichtelijk rapporteert.
Het evangelie is misschien pas op de op een na laatste plaats een verslag
van historische gebeurtenissen.
Voor een goed begrip is het belangrijk te weten, dat het
verhaal verteld wordt vanuit het gebeurd zijn, achteraf, zo je wilt: van
achteren naar voren. Eerst is er Passie & Pasen, pas daarna wordt
verteld over wie gezegd wordt: hij is opgestaan. Hoe is hij slachtoffer
gemaakt en wie is hij die bij de mensen (joden en niet-joden: nooit was
‘toute Jerusalem’ het zo met elkaar eens, leek zwart en wit zo op elkaar,
als toen het over die ene ging) uiteindelijk geen poot aan de grond kreeg,
geen vertrouwen vond. Ook bij zijn leerlingen niet. Niet alleen Juda(s),
ook Petrus. Omdat in een eerder gedeelte van de opleiding aandacht geschonken
is aan Mt 26-28 is het een groot voordeel, dat wij lezen zoals het verhaal
gegroeid is. Wanneer Jezus in Mt 5,2 begint te spreken, weten wij, dat
een veroordeelde het woord heeft. De woorden klinken bij wijze van spreken
uit de mond van Jezus die gekruisigd is, zoals de Tora klinkt en steeds
verstaan wil worden vanuit de ballingschap - want daar beseffen we: 'Wij
waren slaven in Egypte maar Hij heeft ons bevrijd.'
Woorden van wie tot slachtoffer gemaakt is.
5.2 De eerste drie regels
Mt 5,3-5 vormt een eenheid. Waarom?
5,3. Gelukkig er aan toe zijn degenen die armen van geest zijn: van hen is het
koninkrijk der hemelen.
5,4. Gelukkig zijn degenen die treuren: zij zullen getroost worden
5,5. Gelukkig zijn de zachtmoedigen: zij zullen als erfenis de aarde
ontvangen.
Mt 5,3-5 verkent op een voor ons herkenbare wijze
de ruimte van de hemelen en aarde (Gen 1,1), de ruimte van het geheim
dat Gods scheppen oplevert. Nu begrijp je ook, waarom de treurenden
staan te treuren. Het lijkt er zo weinig op dat hemel en aarde bij elkaar
horen. Blijkt die afstand niet onoverbrugbaar? De tekst zegt dat dit niet
het geval is. De treurenden zullen getroost worden. Sinds Gen 1,2
hoort de Geest, bij de aarde alleen. De Geest is de trooster (zie
boven, 2.1, p.3). Die geest zagen we al in Mt 3 de ruimte tussen hemel
en aarde verkennen tot de woorden klonken terwijl Jezus uit het water
opstond.
De armen van geest zijn degenen die zich nergens op
beroepen, zich op niet groot maken en zich niets laten voorstaan. Als
dat iets zou betekenen: het zijn de mensen die zijn wie ze zijn.
De zachtmoedigen: zie 21,5, een koninklijk eigenschap. Zie
11,29. Omdat hij zachtmoedig is, daarom kun je van hem leren. In Num 12,4
blijkt Mozes de meest zachtmoedige onder de mensen te heten. Daarmee staat
wel vast: zachtmoedigheid is wat de leraar tot leraar maakt. Probeer nu
welke vertaling weergeeft, wat zacht van gemoed betekent. Ook is duidelijk
dat je aan de hand van leraar Mozes, aan de hand van de Tora, aankomt
in het land, het land zult beërven.
Voor de liefhebber is er meer. Arm is in het Hebreeuws
ani (Aïn Noen Jotha). Zachtmoedige is Anav (Aïn NOEN Wav). De Jotha en
de Wav worden met elkaar verwisseld, kunnen soms in plaats van elkaar
gelezen worden. In plaats van de arme kun je dan zachtmoedige lezen, in
plaats van de zachtmoedige de arme. De Jotha blijft boven (aan de regel)
hangen; de Wav trekt het kleine streepje naar beneden, tot aan de basis
van de letter. Je mag aan de hand van de letters zeggen: van Jotha naar
Wav moet je boven en beneden, hemel en aarde met elkaar verbinden.
5.3 Over de gerechtigheid
Na dit eerste drietal over hemel en aarde en wat daartussen geschiedt,
het troosten van de treurenden (vgl ‘die zitten in de schaduw van de dood’,
Mt 4,16) lezen we verder. Gelukkig ben je er aan toe wanneer je honger
en dorst uit is op de gerechtigheid. Hongeren en dorsten
doen de gedachten onmiddellijk uitgaan naar de maaltijden in het evangelie,
en naar het laatste avondmaal. Gerechtigheid is het geschieden
van het woord. Dat het waar mag zijn, dat het gebeurt: slaven worden vrij,
mensen in de benauwdheid krijgen God zij dank de ruimte. Gerechtigheid
is een vrucht die in vrede wordt gezaaid voor hen die vrede stichten
(Jac 3,18).
Datzelfde woord gerechtigheid lezen we ook in vers 10. Daar wordt het
genoemd samen met het koninkrijk der hemelen. Daarmee wordt duidelijk:
Mattheüs 5,3-10 gaat over de gerechtigheid in het kader van het koningschap
Gods. Daartoe gaat hij de berg op. Uitdrukkelijk zij genoteerd:
de naam van Jezus wordt niet genoemd. Klaarblijkelijk moet het opgaan
hem definiëren. Zie Ps 24. Als leraar. Als Mozes. Wanneer Mozes op de
berg staat. Zie Ex 33, 19v.
Bij barmhartigen. Het Grieks geeft hier een vorm van het werkwoord
eleoo. Daarvan is afgeleid eleomosunè, waar op zijn beurt
aalmoes van afgeleid is. Een aalmoes is dan letterlijk een daad van barmhartigheid.
De kerkganger kent het woord van Kyrië eleïson, Heer wees barmhartig,
in de regel vertaalt met Heer ontferm U.
Verdere informatie
Barmhartigheid heet in het Hebreeuws rachamiem. Dat woord is
afgeleid van het Hebreeuwse rechem wat moederlichaam, moederschoot
betekent. Nu zie je wat barmhartigheid ten diepste betekent: het typisch
moeder-lichamelijke. Wij zouden zeggen betrokkenheid, een woord
dat ook in de pedagogiek hoge ogen gooit. Maar het risico bestaat dat
je dit toch verkeerd verstaat. Vanuit onze opvattingen denken wij bij
die betrokkenheid aan het gevoel van een moeder voor het al dan niet geboren
kind. Voor het bijbels denken is het een relatiewoord. Rachamiem geeft
aan, dat de moeder om te overleven op het kind is aangewezen, zoals het
kind op de moeder aangewezen is. DE gelovige die Heer ontferm U
bidt of zingt, zegt zoiets als: Heer wees voor mij zoiets als een moeder
die voor kind opkomt, en zo zal ik voor jou zijn. De betekenis is derhalve
niet big brother watching you met het daarbij horende Calimero-effect
(... want zij zijn groot en ik ben klein) En er is meer.
Vanuit de TeNaCh weten we dat God met twee namen genoemd
wordt. Er is de algemene naam Elohiem, afgekort als El. Daarnaast is er
de specifieke, niet uit te spreken naam van het tetragram, de naam in
vier letters (JHWH). De joodse traditie leert: op het einde der tijden,
wanneer alles wat gedaan is beoordeeld wordt (eind-evaluatie), dan zal
God niet als Elohiem, de godheid, zitten op de stoel van het recht om
te meten met (midat ha-dien), de maat van het strikte recht. Nee,
God zal als JHWH, de G-d van het verbond, meten met de maat van de betrokkenheid,
de (midat ha-rachamiem). Het voorbeeld daarvan vindt je in Mt 18,
24-35 en Mt 25,31-46.
Het lijkt erop dat de gekruisigde die in de Bergrede
aan het woord is, als het ware zijn testamentum (getuigenis) geeft
ons er op wijst, dat wij gelukkige mensen zijn wanneer wij weten van en
leven met betrokkenheid. Door barmhartig te zijn leven wij alsof wij geschapen
zijn naar Gods beeld, op hem gelijkend. Nu kun je ook beter Mt 5,48 verstaan.
Wees volmaakt zoals ook je hemelse vader volmaakt is. Dit woord spreekt
niet over perfectionisme, een (on-)deugd waar sommigen zich op menen te
moeten beroepen, maar over werkelijke, welhaast fysieke betrokkenheid.
Zoals het je pijn doet wanneer je een kind heel hard ziet vallen. Maar
je ziet het ook heel onschuldig, in de gymzaal, bij het hoogspringen.
Als het echt spannend wordt dan maken de benen en voeten van sommige kijkers
als het ware een soort sprongetje mee. En heb je een spannende film gezien,
dan ben jij na afloop moe, alsof je zelf het hele drama hebt meegemaakt.
De reinen van hart vormen een klasse apart. Het gaat er volens deze regel
niet om cultisch rein te zijn, maar om rein van hart te zijn. Het woordje
hart heeft alles van richting, waar je naar uit gaat, op uit bent. Abraham
is de man van het goede hart: hij weet welke kant hij uit wil.
Verdere informatie
Denk hierbij aan waar uw schat is daar is ook uw hart (Mt 6,21). In de bijbelse
literatuur zijn er drie woorden die de mens aangeven: ziel, hart en geest.
Ziel ik niet afkomstig uit de westerse tegenstelling tussen ziel en lichaam.
Daar is lichaam het zichtbare en ziel het onzichtbare, dat wat verdwijnt
als een mens sterf. In de bijbelse literatuur is de ziel (nefesh)
wat typisch ik is, of typisch jij. Waar je iemand aan herkent.
De manier waarop een deur open gaat. Voetstappen op de gang. Etymologisch
schijnt het woord zoiets te betekenen als uitsparing, ruimte gereserveerd
voor jou. Daar houdt de wereld even op wereld te zijn want dat ben jij.
De ziel is nooit statisch, altijd dynamisch, altijd ergens op uit. Dat is het
hart. Het hart (lev) is de gerichtheid van de ziel. Als
iemand zijn hart verloren heeft dan weet hij of zij waar je moet zoeken.
De intensiteit van je uit zijn op, bijvoorbeeld de mate van je betrokkenheid,
dat is de geest. De geest (nesjama) is het hoe van je gericht
zijn op.
Daarmee is niet alles over de geest gezegd. Eerder zijn we de geest als roe-ach
ook tegengekomen, het geheim van hemel en aarde ook een.
Tenslotte is er de Geest als het wonen van de naam van de Heer in de tempel
in Jerusalem, de Sjechina. Wanneer de tempel door Babylon verwoest
wordt gaat God, zijn Sjechina, mee in de Ballingschap. Daar wordt
duidelijk dat God niet gebonden is aan een fysieke plaats of aan de topografie.
Dit wil niet zeggen dat god overal is. God is alleen daar waar men hem
toe laat.
Gelukkig ben je wanneer je uit ben op de vrede. De tekst zegt zelf vrede
maakt. Het Grieks gebruikt hier poiein, maken/doen. Het woordje
po-eten is daar ook van afgeleid. Vrede als een well made play.
Sjalom luidt hier het Hebreeuwse woord: peace.
5.4 Ik en jullie
De toon van Mt 5,3-10 verandert. De derde persoon wordt de tweede persoon.
Waarom lopen die woorden van Jezus’ leren (vs 5,2) uit op vervolgd worden?
Ook veertig jaar woestijn laat zien hoe het evangelie van de bevrijding
niet enkel in dank afgenomen wordt. (Zie bijv. 10,15vv.)
Het lijkt er op dat het niet enkel eenvoud is, te leven met
deze woorden. Historisch is dat ook zo ervaren, niet alleen in de tijd
waarin deze tekst ontstaan is. Wie met deze woorden leeft en daar op aangekeken
wordt, wordt vergeleken met de profeten, de uitlegers van de Tora.
Let wel: je leeft niet met deze woorden door ze meteen uit te voeren. Er is
met mensen meer aan de hand dan: je weet wat het goede is en dan doe je
dat, of je weet je niet en dan kun je het goede ook niet doen. Zo simpel
liggen de zaken niet. Het evangelie is niet de woordvoerder bij uitstek
van het verhaal over normen en waarden en als wij nu eens allemaal ons
best zouden gaan doen. Het evangelie is niet op zoek naar ‘mijn beste
voornemens’ en de prestatiemoraal waar voor ieder die het zien wil duidelijk
is hoe voortreffelijk ik ben. Alleen in de sport krijg je de prijs omdat
je deze keer de beste bent. Verder moet je met twee beentjes op de vloer
blijven. Al deze volzinnen geven geen recept voor instant-pudding. Je
leeft met deze woorden door je af te vragen wat ze mogen betekenen. Alleen
zo wordt je tijdgenoot gemaakt van het verhaal, blijk je in de tekst op
verhaal te komen. Alleen zo, in vragen en vermoeden, blijk je in het Nieuwe
Testament werkelijk aangesproken (vgl Lk 1,29).
Intussen is de overgang van de derde naar de tweede persoon ook mee te
maken als een concentratie op de eerste persoon, het onderwerp van het
evangelie. Ik en jullie. In de hemelen: zie op aarde (zout voor de aarde
- vs 13), licht (voor de wereld - vs 14).
Jullie zijn het zout van de aarde. Zie het bindmiddel van de reeks:
Jullie zijn gelukkig (vs 11), jullie zijn zout (vs 13),
jullie zijn licht (vs 14).
Zout wordt geprezen voor zijn smaak en houdbaarheid. De nomaden
strooien ook zout op de grond wanneer zij vuur ontsteken. Dan licht het
vuur meer op, het wordt feller, geeft meer warmte en licht (Zie bijv.
Mk 9,49). Zodoende kan zout en licht een voor de hand liggende associatie-reeks
zijn. In de Rabbinica is de Tora ook zout. Wanneer in de katholieke kerk
een kind gedoopt wordt krijgt het een paar korreltjes zout. Daarbij wordt
gesproken over het zout van de wijsheid. Van zout naar Tora, naar Mozes.
Van licht naar stad op de berg: Jerusjalaiem.
Zout moet zout zijn. Eenmaal aangesproken ben je aangesproken.
En hoe gaat het met het zout? Je strooit het uit over het vlees. Dan verdwijnt
het, en het laat zijn smaak achter op het vlees dat gezouten wordt.
Jullie zijn het licht. Het licht maakt de dingen zichtbaar, maakt ons
tot getuigen, van de dingen, van wat gebeurt, en van het licht. Vgl Jo
5,35: om te getuigen van het licht.
Jullie zijn het licht. Hoezo licht. Wat wordt er dan te zien gegeven.
De stad op de berg. Is die stad het licht, of kan, wat in die stad plaats
vindt ... niet verborgen blijven? Als ‘jullie’ licht van de wereld is,
dan is die wereld die zichtbaar gemaakt wordt, aan het licht komt, de
wereld van de stad op de berg, Jerusalem. De goede werken gaan niet over
de goede daden die bij de prestatiemoraal horen. Zij verwijzen naar het
éne goede werk dat alle goede werken samenvat, in Mt 26,10, waar zij bij
hem is, bij het onderwerp van het evangelie.
De vader verheerlijken. Het Griekse woord is een vertaling
van het Hebreeuwse kbd. Het betekent: zwaar maken, zijn. De vader
verheerlijken is: de vader zijn betekenis, zijn gewicht toekennen. Wie
de vader is, hoezeer hij in dit verhaal van doorslaggevende betekenis
is, zal blijken in het verhaal aan het einde, wanneer de engel des Heren
komt met het angelie, de boodschap, het verhaal, van al zo hoge
van al zo ver.
De goede werken zijn derhalve de werken van het getuigenis. Aldus krijgt
de vader zijn gewicht.
Een korte excursie over getuigenis is daarbij op zijn plaats.
Wie in de joodse traditie het woord getuige gebruikt, verwijst daarmee
ipso facto naar het sjema. Deut 6,4: Hoor Israël de Heer is onze
God, de Heer is één. Door het sjema uit de spreken (de religieuze Jood
doet dit drie keer per dag. Het is de manier waarop hij zijn geloof -
zijn liefde voor de God van Abraham, de God van Isaak, de God van Jacob
belijdt. Die tekst wordt hardop gezegd. Je hoort jezelf de oude woorden
van de toewijding zeggen, maakt jezelf tot getuige van je eigen spreken.
De laatste letter van het eerste woord (sjema, de ayn) en de laatste
letter van het laatste woord (èchad, de Dalet) vormen samen het Hebreeuwse
woord ayn-dalet, uit te spreken als eed. Dat betekent
getuige.
Wie het Sjema uitspreekt maakt zichzelf tot getuige van Gods koningschap. Je
bent getuige van Gods koning-zijn wanneer de weg van de bevrijding ook
in jou een bevrijdende weg blijkt, in de daden van vrijheid en bevrijding
die jij, lerend van wie voor je gaat, voor jou uit, jou voor, doet. Hier
staat in feite beschreven wat het betekent, dat de mens geschapen is naar
Gods beeld, op hem gelijkend. De mens gooit in de Schrift hoge Messiaanse
ogen. Allen in de Schrift is dat zo. Dat is de grondslag en kern van de
bijbelse verkondiging. Misschien is nu ook duidelijker, dat Keer om want
Gods koningschap is binnen bereik gekomen, de preek van Johannes (3,2)
en Jezus (4,17), niet zomaar een praatje is.
Mt 5,17: Denk niet dat ik gekomen ben om Tora en Profeten op te heffen.
Ik ben niet gekomen om op te heffen maar om te vervullen. Het woord
vervullen roept 3,15 terug: alle gerechtigheid te vervullen. Het spoor
van Tora en profeten wordt voortgezet. Dat is de boodschap die klinkt
en blijft klinken in het evangelie van Mattheüs. Wat is dan Tora en Profeten
voor mensen die buiten de Tora en Profeten opgegroeid zijn en daarom daar
zo goed als niets van weten? Alles dan wat jullie willen dat de mensen
voor jullie doen, zo moeten ook jullie doen voor hen. Want dat is Tora
en Profeten (Mt 7,12). Of, nog meer bekend: Aan deze twee geboden
hangt heel de Tora en de Profeten (Mt 22,40) Wat is dan het verankeringspunt,
welke zijn die twee geboden? Meester, welk gebod is het grootste in
de Tora? Hij antwoordde hem: je zult houden van de heer je God met heel
je hart, met heel je ziel en met heel je verstand. Dit is het eerste en
grootste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: je zult houden van je naaste
die is als jij.
In de regel wordt gezegd: je zult van je naaste houden als van jezelf. Hoe zit
dat? Jezus citeert in de tekst Deut 6,5 (uit het eerder geciteerde Sjema)
en Lev 19,18. Beide teksten beginnen met we-ahavta: en je zult
houden van. Omdat beide regels hetzelfde beginnen is het een geldige joodse
manier van lezen, om beide regels in elkaars verlengde te lezen, als elkaars
synoniemen te zien. Blijft dus het probleem van Lev 19,18.
Houd van je naaste als van jezelf.
Beter te vertalen: iemand als jij. De betekenis daarvan is misschien
goed te achterhalen via Lev 19,34. Daar gaat het wonderlijk genoeg over
de vreemdeling , iemand als jij. Wat is daar dan de betekenis van?
De tekst vervolgt: want jullie zijn vreemdeling geweest in het land
Egypte. Vanuit je eigen ervaring weet je hoe het is, vreemdeling te
zijn. Daarom zul je gastvrij zijn, herbergzaam. (Vandaaruit weet je wat
het betekent, wanneer er bijv. geen plaats is in de herberg. Vandaaruit
versta je ook weer beter: de liefde van Abraham voor de vreemdelingen,
Gen 18.)
Blijft het probleem van de naaste. Wie is je naaste? Daarover is in het gewone
spraakgebruik geen probleem. De naaste is iedereen. Maar je voelt misschien
wel aan: iedereen is niemand. het is vaag gepraat. Je moet van ieder mens
houden bestaat niet. Want hoe kun je houden van mensen van wie je niet
eens weet dat ze bestaan? De naaste veronderstelt derhalve steeds een
concrete context, bijv. elkaar zien, op een of andere wijze elkaar tegenkomen.
Om een voorbeeld te geven: wie in de trein naast je zit is nog niet je
naaste. Maar als er in de trein iets gebeurt, dan bindt dat concrete gebeuren
je aan elkaar. Zie ook: Lk 10,27.
Het gaat in dit verhaal over alles. Zo gaat het in het koningschap Gods,
om de kleinsten, opdat alles zal geschieden, alle gerechtigheid, alle
vrede. De kleinste letters van het Hebreeuwse alfabet leiden tot de kleinste
geboden. Wie ze doet en leert zal de grootste heten. Alsof dat ‘in het
kleinste’ groots is, getrouw, met gevoel voor detail. In de manier waarop
God koning is gaat het niet over een grootste gemene deler of een kleinste
gemene veelvoud. Het gaat over je ja is ‘ja’, en je nee is ‘nee’. Niet
zich flexibel opstellen zoals het politieke raffinement dat doet. Het
gaat om de toewijding van degene zoiets is als verliefd: wholeheartedness,
met huid en haar. Zo, in het van harte meedragen van wat ons gegeven is,
is de gerechtigheid van de amateur groter dan die van de professionele
Schriftgeleerden en Farizeeën. Doe er alles aan, dat de woorden waar mogen
blijken in het doen, het doen van de wil - het welbehagen van de vader
- uw wil geschiede (zie 7,11)- met één ‘d’. Dat blijkt bepalend voor de
manier waarop het onderwerp van het evangelie zijn leven interpreteert.
5.5 Ik zeg jullie
In twee keer drie fragmenten wordt vervolgens de traditie geciteerd en
uitgelegd. Maar ik zeg jullie suggereert niet een tegenstelling.
Daarmee wordt aangegeven wat volgens Jezus de consequentie is van deze
woorden: hoe willen zij uiteindelijk vertolkt, gewogen worden.
Menigmaal worden deze woorden uitgelegd als een verscherping of radicalisering
van de Wet. Jezus is dan voorstander van nog betere normen en waarden.
Dat suggereert dat het zou gaan over meer en minder. Dat zou evenwel in
strijd zijn met het hierboven aangegevene. Voordat je op voorhand weet
wat de inhoud van de komende woorden is moet je even voorzichtig wezen.
Het is beter om hen eerste zelf het woord te gunnen.
De eerste tekst gaat over niet gewelddadig moorden. Nu het boek open
gegaan is, blijken we nog steeds bij het begin te zijn. Alsof het de eerste
vloek van de aarde is, dat de ene broer de andere doodt, pas in het doden
begrepen heeft dat hij zijn broeders hoeder is. Welnu, deze eerste uitspraak
voert van hoe je omgaat met je broer naar als je, tijdens het offeren,
beseft dat je broeder iets tegen je heeft: ga dan heen, verzoen je met
je broer en kom dan terug. Is dit het verhaal van de broeder die zijn
offergave achter laat op het altaar? In dat geval wordt het evangelie
het verhaal over hoe hij komt om zich te verzoenen.
De tweede tekst gaat over de consequenties van de trouw.
Daarbij wordt niet beschreven wat wij te doen of te laten hebben. Ons
wordt zicht geboden op wat het evangelie te zien geeft. Over hoe God omgaat
met zijn bruid, Jerusalem. Over wat het verbond voor God betekent, over
hoe trouw zijn trouw is.
Dan verandert de toon ietwat. Twee keer: er is gezegd. De
eerste keer gaat het erover, waarom God Jerusalem niet weg zal sturen.
Hij zal haar niet tot een overspelige maken. Want - en dat wordt de vierde
vertaling van een fragment uit de traditie: je ja is ja, en je nee is
nee. Ook begint nu het accent te verschuiven naar de medespelers: Wie
zweert? Als je er even over peinst kom je vanzelf bij Petrus die ten stelligste
ontkent, zweert en vloekt: ik ken die mens niet.
Voor fragment vijf en zes wordt de tekst van de inzet hernomen:
je hebt gehoord. Ook hier wordt iets van de sluier opgelicht van wat komen
gaat: Simon van Cyrene dwingt men een mijl te gaan. En de wang toekeren?
Jezus onttrekt zich niet als men hem slaat, maar indien hij geslagen wordt
voor Pilatus vraagt hij, waarom men hem slaat. Blijkbaar is dit ook een
vorm van je wang toekeren. Zo weersta je de boze niet.
Bij oog om oog en tand om tand nog even dit. Deze tekst wordt altijd verkeerd
vertaald. De betekenis van de regel in de joodse traditie is: je mag het
in je boosheid niet erger maken dan het is. Zie toe, dat je in je boosheid
niet verder gaat dan jou is aangedaan. Een omheining van de wraak. En
vervolgens: je zult de gevolgen van je daar moeten dragen. Als jij door
jou toedoen, iemand beroofd van de mogelijkheden om in zijn levensonderhoud
te voorzien, dan moet jij de verloren gegane kwaliteit vergoeden.
Tenslotte: je naaste, houdt van je vijanden, houdt van wie je haten.
Zo ben je als de vader die de zon laat opgaan over goeden en kwaden.
Zetten we nu de woorden in een overzicht.
Je hebt gehoord dat niet moorden broeder: offergave achter laten
om je te gaan verzoenen.
Je hebt gehoord dat niet echtbreken begeerte, oog, hand, heel de
mens.
er is gezegd: vrouw wegsturen haar tot echtbreker
maken
er is gezegd: niet zweren niet bij de hemel, bij
de aarde, bij Jerusalem, bij je hoofd.
\Je ja zij ja, je nee nee.
Je hebt gehoord dat oog/tand wang, mijl, geef die je vragen, onttrek
je niet
Je hebt gehoord dat houden van je naaste, je vijand, die je haten
Wanneer het over deze dingen gaat mag volgens Jezus het initiatief bij
jou liggen. Zo ben je doelgericht, als de vader.
5.6. Drie keer niet
Na de zaligsprekingen, over de gerechtigheid gedragen door het koning
zijn van God, geeft Mattheüs eerst aan, hoe het woord - de Tora - door
Jezus vertolkt klinkt. Een richting wordt aangegeven, Zoals al eerder
beschreven: probeer de woorden niet als een tegenstelling te verstaan:
er is gezegd ... zo zeg ik jullie. Wie naar Jezus volgens Mattheüs
luistert hoort hem zelf, aan het woord. Op titel van deze woorden zal
boven zijn hoofd de tekst te lezen geven: koning van de mensen uit
het gebied van Jehoeda, kortweg: koning der Joden.
Lettend op het schema (zie boven: 4.3) komen we na het onderricht
in de buurt van de praktijk. Wat we horen, wat zijn die woorden, zo uitgesproken,
waard, waar en hoe krijgen zij voet aan de grond. Het ‘keerwoord’, het
woord dat herhaald wordt en zo de fragmenten geleed is niet:
6, 1 Weest er op bedacht, dat je je gerechtigheid
niet doet ...
6, 5 En wanneer jullie bidden, dan moeten jullie
niet zijn ...
6,16 En wanneer jullie vasten, zet dan niet op
...
5.6.1 Gerechtigheid doen
Pas op, dat je je gerechtigheid niet doet ten overstaan van de mensen.
Het gaat niet over het baren van opzien. Mattheüs gebruikt hier het woord
emprosthen, ten overstaan van, ten aanhore van - als betrof het
een juridisch proces, zoals wanneer Petrus ten aanhore van allen ontkent
...
Het is de kunst de zo vlug en gemakkelijk te begrijpen teksten
te bevragen. Gemakkelijk en snel lezend kun je wel invullen wat hier aan
de orde is. Je moet niet goed doen omwille van het groot vertoon, om op
te vallen. Wanneer je daarop mikt dan heeft God geen kans om te laten
zien wat zo’n daad voor hem betekent. Het kinderlijke verstaan vult dan
in: dan krijg je geen beloning in de hemel, dan telt het niet mee voor
de eeuwigheid. Schijnheiligheid is enkel schijn en telt niet uit. Toch
schrijft Mattheüs het anders neer. Als je dat doet, dan heb je geen loon
bij de Vader die in de hemel is. De vader die in de hemel is vraagt blijkbaar
onopvallend gedrag. Wanneer je wat je goed doet voor je uit laat bazuinen
hoe voortreffelijk je bent, dat heb je je loon al. Maar wat is dan dat
loon bij de vader?
Merk intussen op, dat je, wanneer je ‘onze vader die in de
hemel zijt’ zegt, blijkbaar al begonnen bent met daden van betrokkenheid
in het verborgene. De vader ziet in het verborgene, heeft oog voor het
onopvallende, voor dat wat zich bij wijze van spreken aan de binnenkant
afspeelt, tussen linker en rechterhand in. Waarom die linker en rechterhand?
dat links en rechts? Lukas heeft voor de woorden die Mattheüs hier gebruikt
wel en duidelijke plaats. In Luk 23,33 worden links en recht de misdadigers
met hem gekruisigd. Het daar gebruikte woordpaar zet Mattheüs neer in
6,3. Tussen links en rechts geschiedt de gerechtigheid in daden van betrokkenheid.
En wanneer je zo die beide handen, hen voor je uit houdend bekijkt, -
het mag hier persoon lijk zijn. De tekst spreekt van jou of u
- dan begint het lichaam de vorm van de orante aan te nemen, de
klassiek vorm van degene die bidt, zijn handen open omhoog, lichtjes voor
zich uit opgeheven, of meer gestrekt, tot in de vorm van een kruis.
Dat nu het Onze Vader komt is blijkbaar niet willekeurig.
Daden van betrokkenheid vinden immers hun motivatie hierin, dat wij in
díe zin elkaars gelijken zijn, dat wij kinderen van dezelfde vader zijn.
Dat zegt wederom Lukas (die als niet-jood zoveel van de joodse zaken uitlegt
aan wie, evenals hij, niet van jongs af aan in de leer is bij Mozes en
de Profeten) wanneer Jezus gedoopt wordt en hij al de namen noemt van
degenen in wiens gelederen hij thuis hoort. Lukas voert de lijst terug,
tot en met zoon van Adam, zoon van God (Luk 3,38).
5.6.2. Bidden
De pericope van het onze vader (Mt 6,5-15) vormen de kern van die woorden
van alzo hoge van al zo ver. Dit fragment begint hetzelfde. Weer gaat
het er niet om, om opzien te baren. Daarom heeft Mattheüs een binnenkamer
en een deur die je kunt sluiten. Wanneer je de tekst met behulp van een
camera zou visualiseren, dan moet je in de reeks binnenkamer, deur en
sluiten als vanzelf uitkomen bij de deurpost. Je zou dan niet verbaasd
zijn, wanneer die deurpost lijkt op Ex 12,7. Die omlijsting heeft het
vermogen, een heel verhaal te bevatten. Ook Jes 26,10 wijst in de richting
van dat verhaal vanouds. De associatie mag voor christenen ietwat gezocht
lijken, voor Joden is het niet vreemd iets te zoeken op de deurpost van
de deuren. Bij je in- en uitgaan moet je immers bezig zijn met wat op
je deurpost geschreven staat. Ieder Joods huis heeft zijn mezoeza aan
de deurposten met daarin Deut 6,4. (Trouwens, die binnenkamer is ook voldoende
voor Daniël - Dan 6,11. Zie verder ook 2 Kon 4,21 en 33: de zoon van de
Sunamitische vrouw zal leven.)
In het binnenste van je huis, als betreft het iets dat onttrokken
is aan het publieke domein. Een geheim, een intimiteit, iets volstrekt
persoonlijks: bidt je tot je vader die in het verborgene is. Behalve deze
twee plaatsen (6,4 en 6) is het ‘verborgene’ bij Mattheüs alleen nog te
vinden in 10,26. Het verborgene zal daar gekend worden. Vergeet de betekenis
van de worden niet. De passieve vorm geeft in bijbelse literatuur
vaak aan wat God doet. Formuleer je dit passief, dan hoef je het onderwerp
(G-d) niet te noemen. Het is een traditionele poging om afstand te eerbiedigen.
Bij het bidden blijk je ietwat bescheiden te moeten zijn
met je woorden. Het gaat niet om de mooie taal. Er is zelfs een rabbijn
die zegt: waarom bidt je zo uitgebreid! Wie ben je wel dat je God berooft
van zoveel tijd! Je mag je houden aan de gebeden die je gegeven zijn.
De rest is daarvan een vertaling, een toespitsing, een verpersoonlijking.
Daar is niets op tegen, maar laat men de kern niet uit het oog verliezen.
Die kern lijkt of blijkt te zijn: ook in het bidden blijk je een leerling
te zijn. Dat is op zich al persoonlijk. Is het persoonlijke, het eigene
van de leerling niet, dat hij bijvoorbeeld vragen stelt, leert stellen,
oefent!
Bidt dan als volgt. Wat is
bidden? Iedereen kent de uitspraak: ‘Bidden is spreken met God.’ In feite
is dit een uitpraak uit de derde eeuw van de christelijke literatuur -
derhalve relatief jong, zeker secundair. Is er een andere benadering
mogelijk. Kun je bijvoorbeeld met de vraag ‘wat is bidden?’ terecht in
het zogenoemde Nieuwe Testament? Een blik in de concordantie is voldoende
om te zien dat er rond het woord ‘bidden’ voldoende context is.
Mt noemt in 6,5.6 (bis).7.9 het werkwoord proseuchomai,
steeds in het Nederlands vertaald met bidden. In Mt 6,9 luidt het:
’Zo dus moeten jullie bidden’. Daarop volgt de tekst die wij kennen als
het Onze Vader. Lukas geeft ongeveer dezelfde tekst. De context
is daar anders. Jezus is in Lk 11,1 op een of andere plaats aan het bidden.
Wanneer hij ‘pauzeert’ (gr. epausato) vraagt een van de leerlingen
hem: ‘Heer, leer ons bidden zoals ook Johannes zijn leerlingen geleerd
heeft’. Daarop zegt
Jezus: Wanneer jullie bidden, moeten jullie zeggen. Daarop volgt
weer het Onze Vader.
De tekst geeft aan wat je moet zeggen. Er wordt dus niet uitgelegd wat
bidden is. Er wordt gezegd wat je moet doen. Bidden is derhalve
om te beginnen nazeggen wat je voorgezegd is. Woorden, zijn
woorden, aannemen, hernemen, nazeggen, proberen.
Voorlopig kunnen we het ons met betrekking tot
‘wat is bidden?’ gemakkelijk maken. Bidden blijkt: na-zeggen wat Hij
voor-zegt. Zeg niet te vlug: ’Bidden is dus alleen maar ‘die woorden
herhalen’. Nazeggen is niet enkel om ‘het reproduceren van fonetisch
materiaal.’ Het gaat niet om wat een machine ook zou kunnen doen - al
kan een machine in de eigenlijke zin van het woord niets ‘doen’ -, het
afdraaien van wat eens als gesprokene vastgelegd is.
‘Zeggen’:
je stem geven aan wat hij zegt, voor-zegt, voorschrijft;
de woorden verkennen die Hij ons toevertrouwd
- en in die zin zoiets als ‘spreken met God’, nl.
antwoordend.
Jezelf horen spreken en gehoor geven aan wat je eigen
stem je voorschrijft,
waar je stem je op afstemt.
Zijn woorden tot je laten spreken en instemmen met
zijn programma.
Zijn woorden tot jouw woorden maken.
Om te zeggen wat hij zegt, te ‘horen’ zoals hij hoort
en
antwoord te geven zoals hij antwoord geeft.
Om te zien zoals hij ziet, te gaan zoals hij gaat,
te doen zoals hij doet.
Kortom: imitatie, identificatie. Ook
‘Zo moeten jullie bidden’ van Mt 6,9 kunnen wij nu beter verstaan.
Tevens is nu goed te begrijpen waarom de Kerk (al de katholieke kerken)
in haar liturgie (alle oude liturgieën) steeds voor de communie het ‘Onze
Vader’ bidt.
De tekst van Mattheüs en Lukas geeft onverwacht
een gelukkige toegang tot ‘bidden’. Praktische en didactisch of pedagogisch
gesproken is dit een uitermate hanteerbare ‘eerste woorden’ voor ‘wat
bidden is’. Waar talen die woorden dan naar? Wat komt aldus bij wijze
van spreken ter sprake? Voor welke woorden wil er bij ons gehoor gevraagd
worden? Daartoe laten we ons leiden door Mattheüs.
5.6.3. Het Onze Vader
In dicht bij de tekst blijvend Nederlands kan men de woorden als volgt
weergeven:
a. Onze Vader in de hemelen
b. geheiligd worde uw naam
c. kome uw koning-zijn
d. geschiede uw welbehagen zoals in de hemel zo ook op aarde
e. het brood van de dag geef ons vandaag
f. en vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven onze schuldenaars
g. en leid ons niet in beproeving maar verlos ons van de/het kwade
Een interpreterende vertaling zou kunnen zijn:
Onze vader in de hemel, jouw naam
- moge daar oog voor zijn - op aarde:
moge het zichtbaar worden dat jouw
koningschap bestaat, dat het ervan komt.
Jouw welbehagen, zoals daar in
de hemel alle plaats voor is,
laat het ook op aarde, in onze
wereld, geschieden.
Geef ons vandaag het brood voor
de komende dag, de dag des Heren.
Maak ons vrij voor de toekomst,
voor wat begonnen is,
zoals ook wij aan anderen hun toekomst
toezeggen - een begin opnieuw.
Maak ons leven niet tot een woestenij,
bevrijd ons van de chaos, het kwaad dat het leven tot een woestijn maakt.
5.6.3.1. Richting hemel.
Onze Vader die in de hemel zijt. In het Hebreeuws zijn dat twee woorden: Awinoe
sje-ba-sjamaïm. In de synagoge klinkt vaak: Awinoe malkeinoe:
Onze Vader, onze koning. Ook in het ‘Onze Vader’ zal het gaan over Gods
koning-zijn. Moge het geschieden, moge het zichtbaar worden waar wij leven.
[Voor een eerste invulling
kun je daarbij denken aan het basispatroon in Genesis: a) mens zijn voor
God's aangezicht (vgl Ps 51,13! zie Gen 1,2); b) broer voor je broer,
naaste voor wie naast je is zijn. Je zult dit patroon in de tekst zien
terugkomen.]
Onze ..., gaat over ‘jou en mij’, ook over hem en haar, en
over hen. Het is een ‘democratisch’ wij: geen verplichting die zich aan
iemand opdringt, maar een open, uitnodigend ‘allen’, zo je wilt ‘daarom
exclusief omdat het inclusief is’. Onze Vader in de mond van Jezus,
vrucht van zijn spreken, zijn lichaam, sluit niemand uit, keert zich tegen
geen ander. De identiteit daarvan wordt niet bepaald door negatief gekwalificeerde
buitenstaanders. Het vertolkt de verhoudingen waarin wij leven met z'n
allen en met elkaar als feit. Het spreekt over relaties. Dan blijken consequenties.
Vader suggereert niet alleen, maar maakt nu expliciet
duidelijk dat wij zonen en dochters, dat wij volgens de spreker van deze
tekst broers en zussen zijn. Als God onze Vader is dan hoeft vader niet
meer zo nodig - of is hij tot zeldzaam hoge adel verplicht. Een vader
die met zijn kinderen het ‘Onze Vader’ bidt, bekend zichzelf als broer
voor zijn kinderen. Genegenheid is dan een waarmerk. Het gewaagt van een
aanwezigheid die zich niet opdringt, een behoedzame achtergrond die er,
indien nodig, altijd ‘nog’ is.
‘Vader!’ Zijn er veel woorden die men met zoveel
betekenissen kan uitspreken als het woord, de naam ‘Vader’? Hele levens
gaan erin schuil. ‘Wanneer je vader sterft’, zei iemand, ‘is dat een vreemde
ervaring. Het is net alsof je opeens alleen bent’. Een ander zei: ’De
geboorte van ons jongste kind heb ik heel eigenaardig meegemaakt. De geboorte
was nogal pijnlijk. Eindelijk was het kind er. Een jongetje. Buiten alle
verwachting. Toen ik even later mijn vinger in dat pasgeboren knuistje
legde, dacht ik: 'Ja vader, wanneer ik doodga, hoop ik dat jij erbij wilt
zijn, dat je mijn hand wilt vasthouden'.’
Voor Vader, zie ook Jes 63,16. Zie ook
Rom 8,15: Want jullie hebben niet een geest van slavernij aangenomen
die leidt tot vrees, maar jullie hebben aangenomen de geest van het zoonschap.
Daarin roepen wij: ’Abba, vader.’ Deze geest getuigt tegelijk met onze
geest, dat wij kinderen van God zijn. Zijn wij kinderen, dan zijn we ook
erfgenamen. Erfgenamen van God en mede-erfgenamen van de Messias. Wij
delen immers in zijn lijden om ook te delen in zijn verheerlijking.’
Lucas zegt in zijn versie alleen: Vader.
Daarmee kan het bijna een citaat zijn uit de Hof van Olijven (Luk 22,42).
Uw wil geschiede - Mt 26,42.
Ook het woord hemel spreekt van de relaties waarin wij leven. Wie
hemel zegt moet ook aarde zeggen - dat is sinds Gen 1,1 bekend. Het is
de eerste aanduiding van de grondpatronen van het bijbelse leven en alle
verhalen die daarin schuil gaan. Hemel en aarde horen bij elkaar, ‘horen’
als het goed gaat (‘vrede’) naar elkaar, bestaan als verstand-houding.
Zoals het in de hemel toegaat, zo zal het ook op aarde moeten zijn, mogen
zijn. Daarom doet het ook zoveel pijn, wanneer het er niet op lijkt. Daarom
doet het je zoveel verdriet, wanneer je de eindeloze litanie ziet van
vermoorde mensen, overal ter wereld. Heilzame verhalen durven te beweren
dat het tegengestelde de bedoeling is. Hemel en aarde horen bijeen, overbruggen
het verschil, de afstand tussen beiden in vruchtbaarheid. Man en vrouw,
mens en mens, broer en zus, vrienden: het gaat om het vrucht-gevend, eenheid
aanreikend verschil. Eer aan God in de hoge zou vrede op aarde
betekenen. Waar ‘van God en mens verlaten’ eenzaamheid schering en inslag
lijkt, durven ‘hemel en aarde’ in alle chaos een kostbare parel aan te
reiken, een lichtende struik in de woestijn te zijn, een stem die spreekt
over onverwachte en niet vermoede goedheid, mededogen, betrokkenheid.
Die stem geeft het (‘zijn’!, want ‘Onze Vader’) mensenkind benen om te
staan, om òp te staan, voeten om te gaan, òp te gaan, ogen om te zien,
òp te zien ... enzovoorts.
Heiligen: apart stellen, onderscheiden, onderkennen, om tot
zijn recht te laten komen. De naam is een joodse weergave voor
G-d's eigen, niet uit te spreken Naam. Hoe kun je G-d anders tot zijn
recht laten komen dan door wat Hem heilig is te respecteren! Als je ziet
hoe gelovigen soms met elkaar omgaan ... (Zie daartegenover Hand 2,42-47,
een droom. Deze indruk wordt versterkt wanneer je er op let, dat het getal
3000 ook te vinden is in Ex 32,28!, het verhaal over het niet-heiligen,
het ‘Gouden kalf’, de afbraak.)
Wat kenmerkt Gods koning-zijn? Het exodus-verhaal
staat borg voor de ruimte, de vrijheid en verantwoordelijkheid die de
God van deze verhalen de mens toedicht. Als Hij zo met ons om wil gaan
... Als dat Hem wel behaagt! Uw wil heeft niets van ‘jij moet en
jij zult’, spreekt over waar Hij op uit is, wat Hem ter harte gaat, waar
Hij alles op zet.
Zo spreekt ook Jezus in de Hof van Olijven, Mt 26,39.42.
‘Hemel en aarde’ (Gen 1,1) zijn het ideale
paar, Gods droom van den beginne. Een vertaling als ‘In het begin schiep
God het heelal’ heeft niets begrepen van het grondplan dat Gods scheppen
motiveert, dat hemel en aarde bijeen horen, één zijn. Dit gegeven
beheerst ook het, is er, getuige het spreken van Jezus, de diepste grondslag
van. Met de woorden ‘hemel en aarde’ trekt het ‘Onze Vader’ aan je voorbij:
... in de hemel, Uw Naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, Uw welbehagen
geschiede zoals in de hemel, zo ook op aarde ... - het eerste deel
van de tekst. Daarbij nog een opmerking. Uw Naam worde geheiligd
is een passieve zin (‘worden’). Het passivum wordt in bijbelse literatuur
gebruikt om iets aan te geven dat G-d doet. De tekst vraagt, dat G-d Zijn
Naam moge heiligen. Is dat niet erg passief?
Het wonderlijke van de tekst is, dat degene
die het Onze Vader bidt zich blijkbaar voortdurend voor ogen houdt, waar
het, wanneer het gaat over ‘trouw aan het verbond’, blijkbaar gezocht
moet worden. Als het goed gaat, dan is het aan Hem te danken, de Ander.
De passieve vorm geheiligd worden geeft intussen niet aan, dat
er van degene die deze woorden zegt, niets verwacht zou mogen worden.
Als G-d Zijn Naam heiligt, dan kan de gelovige doen als G-d, Hem
na-doen (‘naar Zijn Beeld, op Hem gelijkend’ - Gen 1,27), ‘wandelen’ (Gen
5,22) in Zijn spoor. De bede, dat God Zijn Naam moge heiligen, wordt G-d
voorgelegd. Hij krijgt het initiatief. Wie hier het initiatief geeft (degene
die bidt) krijgt daardoor de mogelijkheid om, indien nodig of wenselijk,
opnieuw te beginnen - zie daartoe het eerste woord
van Genesis of van het evangelie volgens Johannes.
Voor het ‘heiligen van de naam’ zie ook Ez 20,39-44;
36,22-30. Let bij deze laatste tekst ook op het ‘koren’: brood! Zie tenslotte
ook Jes 5,16: God wordt geheiligd door daden van gerechtigheid.
De eerste vier regel-delen leggen het initiatief bij G-d. (Intussen is
reeds enkele malen in de tekst ‘G-d’ neergezet. In Joods orthodoxe kringen
is dat gebruikelijk. Hier is het bedoeld als geheugensteun voor uw
Naam worde geheiligd. Bovendien: hoe kan G-d Zijn Naam heiligen, wanneer
de gelovige daar niet op bedacht is. G-d kan immers alleen koning
zijn als ‘wij’, wie ‘wij’ ook zijn, niet meer zo nodig zelf ‘ons haantje
victorie moeten laten kraaien om zonodig ‘haantje de voorste te zijn’.)
De eerste vier regels zijn geweest. Zij geven eer aan wie ere toekomt:
‘Onze Vader in de hemelen
geheiligd worde uw naam
kome uw koning-zijn
geschiede uw welbehagen zoals in de hemel zo ook op aarde.’
Wat beoogt dit allles? Waarom spreekt degene die deze woorden voor-zegt
aldus? Hoe wil hij met deze tekst met beide voetjes op de grond, op
aarde komen?
5.6.3.2. Richting aarde
Het brood van vandaag, geef ons
vandaag. Nergens anders
is het brood zozeer problematisch als in de woestijn: Waren wij maar
door de hand van de Heer in Egypte gestorven, toen wij bij de vleespotten
zaten en volop brood aten - Ex 16. Brood uit de hemel regent het
daar. Daarbij gaat het uiteraard over wat een mens nodig heeft om van
te leven (Mt 4,4 is Deut 8,30), het brood van vandaag. Tegelijkertijd,
dat blijkt uit het voorafgaande citaat, is er meer aan de hand.
Het brood ‘van vandaag’ is de omschrijving die
een weergave is van de tekst van Lukas 11,3. Bij Lukas ligt de nadruk
op het brood van vandaag: geef ons vandaag het brood dat wij vandaag nodig
hebben, morgen komt er weer een dag. Bij Mattheüs kan het anders gelezen
worden. Daartoe moet men weer terug naar Ex 16, en wel vers 22vv. Het
gaat dan om het erbij zijnde brood, met het oog op de dag des Heren. In
dat perspectief is ook gedacht aan het brood uit de viering van de eucharistie
(avondmaal).
Zoals brood, zo heeft de mens ook vergeving
broodnodig. Vergeving kun je evenwel alleen vragen, wanneer je ook zelf
bereid bent te schenken waar je zelf om vraagt. Daarom zoals ook wij
aan anderen hun schuld vergeven. Sommige vertalingen benadrukken hier
‘vergeven hebben’ - deze tijdsvorm duidt niet aan wat voltooid is, maar
wat in het verleden begonnen, in het heden voortduurt - zo kun je ook
Gen 1 lezen in de tegenwoordige tijd. Tegelijk moet je er niet aan denken
hoe een samenleving er uit ziet waar vergeving niet bestaat. Voorbeelden
daarvan zijn bekend.
Ook het woord beproeving/verzoeking/bekoring
gaat terug naar Ex (15,25) 17,2! God beproeven zou dan zoiets betekenen
als ‘het niet meer zien zitten’, een motie van wantrouwen, stappen uit
het verbond. Voor de eerste christenen heeft het zeker ook betekent: houdt
ons vast, dat wij ons geloof/vertrouwen niet verloochenen (in tijden
van vervolging).
Mattheüs gebruikt peirasmos/bekoring
alleen nog in 26,41. Bidt, dat je niet in bekoring valt. De bekoring is
daar, niet in staat zijn ook maar één uur met hem te waken. Waakzaamheid
zal hier en nu moeten beginnen, gedijt niet bij uitstel. Ook hier klinkt
door: niet willen rusten bij de berusting. Het kan anders, beter.
Wie het Onze Vader bidt, Jezus na-zegt, verkent die mogelijkheid.
Want van U is het koninkrijk ...
is een toevoeging die wellicht vanuit de oude Syrische kerken (Tatianus)
aan de handschriften is toegevoegd. Deze (late) toevoeging kwam ook voor
in het handschrift dat Erasmus gebruikte voor zijn uitgave van de Griekse
tekst. Zodoende stond het ook in de tekst waar Luther over beschikte.
Bij de veranderingen in de (Latijnse) liturgie is deze tekst verbonden
aan het Onze Vader. Je zou kunnen zeggen: het is een uitleggende echo,
een weerklank op deze goede woorden.
Een heel korte samenvatting: Onze Vader, wil onze Vader zijn en laat ons
je kinderen zijn, want als we iets willen ...
5.6.4. Vasten
Gerechtigheid doen, bidden en vasten. Drie praktische zaken worden bijeengezet,
zaken om te doen. Alle drie zijn ze zinloos wanneer je er niet van overtuigd
bent, dat het, dat leven van ons, van mij, anders zou moeten, beter.
La vraie vie est absente. Blijkbaar
wil dat regelmatig en programmatisch verkend worden. Lessen voor overlevenden:
hoe ga je met elkaar, met je God en met je leven om? Vasten. Afzien van
het voorhandene. Afstand nemen van. Niet zo hebberig. Zalf je hoofd en
laat je gezicht zien, of: houd je hoofd erbij.
Alle ruimte wordt daarbij gemaakt voor de vader in het verborgene.
Interpreteer dat verborgene niet in de zin van: er zijn dingen die je
ziet en dingen die verborgen zijn. Het verborgene, het niet zichtbare
in de bijbelse literatuur is het nog niet zichtbare, ha-olaam ha-ba,
de komende wereld. De zich aandienende, aanbrekende wereld. Er zou hier
veel te peinzen en te bedenken zijn.
5.6.5. Enkele opmerkingen
Op aarde (6,19). De aarde is de plaats voor de mens, op aarde onder
de hemel. De aarde kan dus niet de plaats zijn waar je schatten verzamelt.
Je zal daar zichtbaar laten worden, hoe aarde en hemel bijeen horen.
Het hart geeft de richting aan. Daarom is Abraham de man
van het goede hart.
Het oog als de lamp van het lichaam. Het boze, het zware
oog maakt de mens onrein, zegt Markus 7,22. Spreuken 22,9 is daarin herkenbaar,
zij het oppositioneel. Het vriendelijke oog geeft de behoeftige brood.
De Mammon is zoiets als het gesubstantialiseerde geld, waar
mensen alles voor doen naar men zegt. Het verborgene schijnt het te
betekenen, wat je weg legt, apart legt. Daarvandaan ook: bezit.
Nog een keer: wees erop verdacht dat je je - hoe praktisch de adviezen
van Mattheüs ook lijken te zijn - niet laat ondersneeuwen door opvattingen
als: hier vind je regels voor de mens. Als dat waar is, dan alleen op
voorwaarde van het volgende: Voor alles wordt ons hier de motivatie gegeven
die Jezus volgens Mattheüs bezielt. Portret van een leraar - waar kijkt
hij naar? naar welke horizon ziet hij uit? waar is zijn blik op gericht?
waar is hij op uit (die strakjes in Jerusalem ...)
Daarom moet je niet bezorgd zijn (6,25). Daarom: voor het
eerst in Mattheüs. Bezorgd zijn gebruikt Mattheüs hier zes
keer in de vorm van een werkwoord. De zevende keer is het een zelfstandig
naamwoord, in 13,22 waar het gaat over deze wereld met zijn zorgen die
alle idealen achterhaald doen schijnen, in elk geval het woord zijn groeikans
ontnemen. Bloemen en vogels wekken de indruk in dit verhaal een alternatieve
les te bieden.
In Mattheüs 7 vinden we de bekende woorden over de splinter en de balk,
over de vader die zijn zoon geen stenen voor brood geeft, geen slang voor
een vis, en over de wijde en de enge poort, die wegvoert ten leven. Precies
dit wegvoeren zet Mattheüs ook in 26,57 en 27,2.31. Verder maakt het bij
Mattheüs geen carrière.
Het huis op de rots. Voor rots zie Jes 51,1. Abraham zou
de rots zijn waaruit wij gehouwen werden.
5.6.6. Een meer historische benadering
Sinds ongeveer 1920 is een binnen het christendom nieuwe beweging ontstaan
die meer nadruk legt op de literair historische milieu waarin de evangeliën
ontstaan zijn. Een van de laatste publicaties op dit gebied in het 1996
verschenen boek Jezus en de Chassidim van zijn dagen van Gerard F.Willems
(Uitgegeven, Ten Have, Baarn). Het hierna volgende is genomen uit hoofdstuk
6, Meer algemene kenmerken van de beweging (van de Chassidiem) vergeleken
met Jezus van Nazareth.
De kerkvader Origines (185-253) schrijft, dat Mattheüs als eerste zijn
evangelie geschreven heeft. Het is geschreven voor een joods publiek.
De joodse eigenheid van de historische Jezus is zonder meer herkenbaar
en bekend voor gelovigen uit de joodse traditie. Volgens Willems is dat
gegeven ook goed te herkennen in dit evangelie. (Lukas, die als niet-jood
voor niet-joden schrijft, reikt veel - voor zijn publiek niet bekend -
joods materiaal expliciet aan maar houdt zich nauwelijks bezig met discussie
op het gebied van de joodse traditie. Markus heeft is Petrus gereisd.
Hij schrijft voor niet-joden en laat alle voor niet-joden niet relevante
discussies weg. Johannes is een verhaal apart, peinst achteraf hoe het
misverstand tussen Jezus en de [voor Johannes steeds Joodse] gemeenschap
dat eigenlijk niet kan toch plaats vond.) Een en ander maakt duidelijk
dat Mattheüs (evenals Johannes) in een intern joodse discussie voor buitenstaanders
(niet-’ingewijden’) de indruk kan wekken, anti-joods te zijn. Onderlinge
kritiek binnen een groep mag men evenwel niet isoleren van de (historische)
context.
‘Binnen het Mattheüs-evangelie speelt de bergrede een vooraanstaande
rol als een soort overzicht van Jezus’ onderricht.’ (P.124) Een overzicht,
vrij gebaseerd op de Synopsis Quattuor Evangeliorum van Kurt Aland,
maakt dat duidelijk. Hier en daar anders geformuleerd volgt daarvan hier
een weergave. Aan het overzicht is te zien, hoe de bergrede goed spoort
met het materiaal van Lukas maar anders geordend is. Wat bij Lukas ontbreekt
blijkt afkomstig uit de meer joodse discussie. Markus blijkt vrij weinig
over de woorden van Jezus te geven. Hij is meer bezig met wat Jezus doet.
5.6.6.a Een overzicht
mt
mk lk
Inleiding 5,1-2
3,13 6,20
De zaligsprekingen 5,3-12
6,20-23
Gelijkenis van het zout 5,13
9,49-50 14,34-35
Gelijkenis van het licht 5,14-16
4,21 8,16
De Tora en de Profeten 5,17-20
16,16-17
De traditie en Jezus
1. Moord en toorn 5,21-26
12,57-59
2/3. Echtbreuk en echtscheiding 5,27-32 9,43-48
16,18
4. De eed 5,33-37
5. De vergelding 5,38-42
6,29-30
6. Houden van je vijanden 5,43-48
6,27-28; 32-36
Drie fragmenten praktijk
De aalmoezen 6,1-4
Bidden 6,5-6
Het ‘Onze Vader’ 6,7-15 11,25-26
11,1-4
Vasten 6,16-18
Schatten verzamelen 6,19-21
12,33-34
De lamp van het lichaam 6,22-23
11,34-36
Twee heren dienen 6,24
16,13
Bezorgdheid 6,25-34
12,22-32
De balk en de splinter 7,1-5
4,24-25 6,37-42
Het heilige en de honden 7,6
Verhoring van het gebed 7,7-11
11,9-13
De gulden regel 7,12
6,31
De twee wegen 7,13-14
13,23-24
Het kennen aan de vruchten 7,15-20
6,43-45
(zie ook Mt 12,33-35)
Heer, Heer, zeggen 7,21-23
6,46; 13,25-27
Het huis op de rots 7,24-27
6,47-49
De reactie 7,28-29
1,21-22
5.6.6.b. Enkele opmerkingen
In het evangelie gaat het steeds over Jezus en de leerlingen, de leraar.
Hij trekt rond en leert. Het onderwerp is steeds; doen en leren. De kern,
de eindterm, waar het om begonnen is, dat is het doen. Bijna zou je mogen
zeggen: learning by doing. De tegenstanders in het debat zijn schriftgeleerden
en Farizeeën. In Mt 23 is die discussie op zijn felst. Ook daar is aan
de orde: leren en doen. Jezus zegt: doe naar wat ze leren, doe niet naar
wat ze doen. In de bergrede: als je doet (aalmoezen, bidden, vasten),
doe dan niet om de show te stelen. Het gaat om het doen van de gerechtigheid,
om de Tora in praktijk. Daden van betrokkenheid doen. Op hetzelfde stramien
borduren verder: de balk en de splinter, de gulden regel, de vruchten
waaraan je de boom herkent. Niet wie ‘Heer, Heer’ zegt, maar wie doet.
Daarbij gaat het niet over zoiets als prestatie-moraal. Het doen van de
geboden, het doen van de Tora betekent: de Tora (in daad en woord) bewaren.
(Wie de Tora niet bewaart heft haar op. Hier kan ook het thema van de
ommekeer zijn plaats vinden. Omkeren naar Jerusalem, naar de Tora, naar
de bevrijding en de Bevrijder. Het kan, want God is koning en geeft aan
zijn koningschap handen en voeten: leerlingen gevraagd.)
Precies het doen van de geboden staat centraal bij de Chassidiem.
Hun nadruk op het goede doen brengt hen ook regelmatig in conflict met
grotere beweging waar zij toe behoren, de Farizeeën. Hoe daarbij de zaken
precies gelegen hebben is moeilijk na te gaan. In hoeverre ook latere
problematische verhoudingen in teksten over vroeger meespelen is ook niet
meer toegankelijk voor reconstructie die verder gaat dan vermoeden of
de wens.
Kortom: voor wie het evangelie leest of doorgeeft lijkt het belangrijk
zich goed te realiseren, dat tegenstelling bijna altijd gebaseerd is of
affiniteit. Jezus en de vromen of toegewijden van zijn dagen zitten duidelijk
op dezelfde golflengte. Zij spreken dezelfde taal en talen naar hetzelfde.
Het historisch onderzoek brengt meer dan fundamentele verwantschap aan
het licht.
Toch een opmerking - al mag men dit niet opvatten als een
kritiek op het boek van Willems.. De bedoeling van het evangelie is de
inhoud van het verhaal. Een verhaal kan, naar bekend, op vele manieren
verteld worden. Blijft derhalve steeds de vraag: waarom wordt het verhaal
zó verteld. Het gaat in het evangelie meer om een portret van Jezus die
gekruisigd en verrezen is, dan om een aansporing om goed, sober, verantwoord
en met respect voor anderen te leven, hoe belangrijk deze zaken ook ongetwijfeld
zijn. Het evangelie gaat niet over de moraal, maar over de reikwijdte
van ons doen in het licht van de Tora en daarvan leren om beter te doen,
te bewaren.
6.1. Aan de voet van de berg
Wanneer hij nu van de berg is afgedaald (8,1) Het hoofddeel dat
in 5,1 begonnen is, heeft zijn beslag gekregen. De menigte is er vol van.
Hij leert als iemand die gezag heeft. Hoe leert hij dan?
Vele scharen volgen hem. Daarna vangt de tekst het beeld op van één,
een melaatse. Laten we zeggen, bijbels gesproken de out-law bij uitstek.
Wat een mens nodig heeft om te leven, zijn lichaam, is bij hem precies
het de gemeenschap bedreigende geworden. Daarom kan en mag hij niet meer
meedoen: hij staat er buiten. Hij is dan ook geen volgeling. Hij kan nog
niet meegaan, heeft nog geen been om op te staan. Hij doet wat hij blijkbaar
niet laten kan: hij komt naar hem toe. Wie is ‘hem’. Dat zal Jezus wel
zijn, - maar merk op: zijn naam wordt niet genoemd. Wie is
hij? Het verhaal moet zelf antwoord geven op die vraag. De vraag blijft
dus overeind: Wie is die ‘hem’? We zien het lichaam van Jezus. Het raakt
hem aan. Hem/hem. Wie is wie. Jezus identificeert zich door en door. De
tekst noemt zijn naam in een adem met die van Mozes. ‘Overeenkomstig hetgeen
Mozes heeft voorgeschreven’. Dat is het getuigenis. Het doen van
Jezus nadat hij van de berg afgedaald is wordt onderstreept met ‘overeenkomstig
hetgeen Mozes heeft opgedragen’. Denk terug aan de trilogie van 4,23 (boven,
punt 4,1) Nog steeds zijn Mozes en de profeten legitimatie en doelstelling.
Hij gaat Kapernaüm binnen (8,5). Gaat hij ook naar buiten?
Dat staat er niet. Integendeel. Hij zal zo aanstonds het huis van Simon
binnengaan (8,14). Het binnengaan speelt als verder ingaande concentratie.
Gaat hij daar dan weer uit? Nee. De beweging van ‘uit’ is er wel, maar
dan gaat het over het uitdrijven van boze geesten. Die worden er door
hem uitgeworpen. En alle zieken geneest hij. Mattheüs ziet daarin hetgeen
Jesaja gesproken heeft. (Het genezen van de zieken moet je verstaan in
termen van het beter maken van het niet-goede. Wat is dan niet goed? Het
is niet goed dat de mens alleen is! ‘Niet alleen’ gaat hier tot en met
zich identificeren met. Hij draagt de kwalen en ziekten. Jesaja blijkt
bezig met wat verderop in het evangelie de kruisweg zal blijken, de weg
van de man van smarten. Langs die weg vertolkt Jezus de Schrift. Zo leert
hij de Tora, zo verkondigt zijn woord (Tora) de komst van het koninkrijk
en zo geneest hij. Vergelijk daar eventueel Ex 15,26: woord en genezen).
6.2. Naar de overzijde: volgen, leerling zijn van
Jezus ziet de menigte. In 5,1 is dat het motief, de berg op te gaan.
Is er nu weer zo’n initiatief te verwachten? Jezus ziende de menigte
rondom hem ... (8,18) De tekst maakt Jezus door ‘rondom hem’ tot het
middelpunt en de menigte tot de samengekomenen, de synagoge. Wat doet
dat zien? Het brengt Jezus tot een nadrukkelijke wijze van spreken. Hij
beveelt. Hij beveelt weg te gaan naar de overzijde. Overzijde: wat komt
daarmee binnen bereik?
6.2.1. De schriftgeleerde
Er komt een Schriftgeleerde. De overzijde blijkt voor hem betekenis
te hebben. Hij, schriftgeleerde, kan zich wat voorstellen bij overzijde.
Dat roept herinneringen op. Overzijde. Meester, ik zal je volgen waar
je ook heen gaat. Waarom dat waar ook heen? Waarom dat vage
en tegelijk vastberadene? Jezus - volop wordt zijn naam hier neergeschreven
- Jezus spreekt over vossen en vogels, holen en nesten. Zij hebben een
plek waar ze naar terug kunnen, een plek waarvandaan en waarheen. Maar
wanneer je hem gaat volgen ...
Tegelijk gebeurt er nog iets. Jezus, de tekst, geeft zichzelf
een binnen het evangelie tot nu toe nieuwe naam: de mensenzoon, de zoon
van de mens, het kind van Adam, broos en breekbaar, kwetsbaar zoals wij
blijken te zijn. En wat zegt Jezus over zichzelf als kind van mensen?
Hij heeft niet. Het Grieks kan niet zeggen ‘heeft geen’. In het
Grieks zeg je dan:’... heeft niet een’. Het eerste wat Jezus over de mensenzoon
zegt is dat hij niet heeft - geen huis, geen vaste plaats, geen steen
om zijn hoofd op neer te leggen. Daarmee is aangegeven dat hij ook een
grensganger is. Jacob (op de vlucht voor Esau) ziet de hemel open gaan
en engelen afdalen en opstijgen. Hij beseft dat de plaats heilige grond
is.
De schriftgeleerde wil Jezus volgen, waarheen hij ook gaat.
Hij antwoord van Jezus, hij als antwoord op onze bereidheid om hem te
volgen, zijn leerling te zijn, duidt erop, dat de uitkomst niet vaststaat.
Je weet niet hoever de weg van de navolging gaat. Je weet niet waar je
blijft. Heeft leerling-zijn niet altijd iets van een utopie (ou-topos,
niet-plaats)? Zal de tekst iets in die richting gaan zeggen? Alleen verderop
kan blijken of dit een goede vraag is.
6.2.1. De leerling: de dood van de vader en de broederschap
Een tweede neemt het woord. Een leerling. Daarmee wordt de kring kleiner.
De cirkel trekt zich rond. Een van zijn leerlingen. Deze ene komt
als een van zijn leerlingen. In hem komt ieder die leerling is.
Het volgen wordt blijkbaar veronderstelt. De leerling noemt
dit woord niet. Dit gemis maakt plaats voor iets anders. Sta me toe
eerst weg te gaan om mijn vader te gaan begraven. Merkwaardig is die
vraag. Want ook nu nog geldt in het Midden-Oosten: dood en begraven. De
doden worden snel begraven. Wanneer deze leerling zijn vader wil gaan
begraven, dan is hij om zo te zeggen nog niet gestorven. Deze vraag vraagt
derhalve om een uitstel.
Daar komt nog iets bij. Naast de eerste associaties die een
tekst ons geven - en in dit geval zijn dat gevoelens als: waarom doet
Jezus zo bars? waarom wijst hij dit af? je mag toch zeker wel je vader
begraven! - steeds is er ook de context van de Tora. Een ‘vader’ die ‘op
het punt van sterven’ is aangekomen kan de toehoorder of lezer ook terug
brengen naar Gen 28,8. Daar spreekt Esau. De dagen van de dood van
mijn vader zijn op handen. Wat betekent dit? Wat betekent voor Esau
de dood van zijn vader? Dan zal ik heengaan om mijn broeder te doden.
De dood van de vader maakt de broeder-moord mogelijk. Als je deze context
kent moet je bij sta mij toe mijn vader te gaan begraven terstond
vragen: wat is deze leerling met zijn broer van plan? Die vraag is vreemd,
tenzij wanneer je weet van Mt 28,7, 8 en 10. Leerlingen worden aan het
eind van het evangelie door het onderwerp van het verhaal broers genoemd.
En inderdaad: Jezus leert het onze vader. Wij zouden dan broers
en zussen zijn.
Het evangelie gaat, wanneer ik leerling wil zijn, wanneer
ik mij laat roepen, ook over mij en hem. Dat mag te denken geven. Hoe
zeldzaam ziet een mens zichzelf als belofte. Hoe makkelijk zien wij de
splinter in eigen ogen voor balk aan. Toch: de leerling wordt niet afgewezen.
De laatste zin is wat dat betreft, geheel tegen de verwachting van de
eerste lezing in, een wonderlijk soort troost. Want wie in het verbond
leeft, die leeft, ook wanneer hij - desnoods in eigen ogen - gestorven
is. Voor God blijft een mens tellen, voor God blijft hij of zij leven.
Leven, mens-zijn, op aarde onder de hemel, is iets anders dan een biologisch
of fysiologisch proces, dan afbreken en opbouwen van eiwitten. De mens
als gegeven, als factor, is het begin niet. Om werkelijk te beginnen moet
je eerst gevonden worden (Zie Reader Aleph, VIII, Exodus, p.1).
(Met betrekking tot: laat de doden hun doden begraven:
In de Palestijnse Talmoed (B’rachoth 2,4c,71, Str.Bil I, p.489) staat:
R.Chijja de oudere (200) zegt: De levenden weten dat zij zullen sterven.
(Pred 9,5). Dit zijn de rechtvaardigen. Ook in de dood heten zij levenden;
en de doden weten van niets (loc.) dat zijn de afbrekers. Ook als
zij leven, zij worden doden genoemd. Hoe weten we dat de afbrekers ook
tijdens hun leven doden worden genoemd? Zie daartoe Ez 18,23 (33,11):
Ik heb geen welgevallen aan de dood van de doden. (Aldus wordt
de tekst geciteerd.) Hoe kan dat? Kan een dode dan sterven? Daarmee worden
de afbrekers bedoeld. Ook tijdens hun leven worden zij doden genoemd.
(Vgl. 1 Tim 5,6).)
6.2.3. In de boot genomen
En terwijl hij in gaat in het schip volgen hem zijn
leerlingen (8,23). Als je er oplet zie je: drie keer geeft de tekst
een aanduiding voor hem. Wie is hij?
En zie. Alle aandacht wordt gevraagd voor wat ons
te zien gegeven wordt. Er geschiedt een seismos megas. Seismos
ken je van seismograaf. Het betekent aardbeving. Megas ken
je misschien ook, bijv. van megalomanie, grootheidswaanzin. Een
seismos megas is een grote aardbeving. Er geschiedt een grote
aardbeving op zee. Is het belangrijk daar zoveel ophef voor te maken?
Zeker wel. Aardbeving is woord dat Mattheüs weer op een typische manier
gebruikt. Je vindt het alleen hier, in 8,24, in 27,51 (de aarde beeft
nadat Jezus met grote stem geschreeuwd heeft en de geest gegeven) en in
28,2 - wanneer de engel des Heren komt en de steen van het graf af wentelt.
Mattheüs legt aldus een verbinding tussen dit verhaal en die verhalen
aan het einde. Hier wordt ter sprake gebracht en uitgelegd, wat daar aan
de orde is.
Anders gezegd: de aardbeving op zee is geen verdwaalde noot uit een seismografisch
rapport avant la lettre. Het is een knooppunt van een heel andere
verwikkeling, van een gebeuren waar geen andere woorden voor zijn.
De grote aardbeving. Daartegenover staat het volstrekt passieve
hij slaapt. Ook dit mag je niet begrijpen als informatie over Jezus’
klaarblijkelijke gewoonte wanneer ze in alle rust op het meer een tochtje
maken. Hij slaapt. Zo aanstond, in Mt 9,24 zul je moeten herinneren,
dat dit woord ook hier geschreven staat. Hij slaapt. Het verhaal
wil toch niet vertellen, dat hij bij wijze van spreken dood is? Dadelijk
in het volgende verhaal, het verhaal over de bezetenen, zal de associatie
duidelijker worden. Het lijkt wel alsof we de bijbelse weergave lezen
van: is gekruisigd, gestorven en begraven, die neergedaald is ter helle
de derde dag verrezen uit de doden, die opgestegen is ten hemel. Woorden
uit de geloofsbelijdenis.
De golven slaan over het schip. De muil van de zee staat
hapklaar open. En probeer die zee niet met Hollandse ogen te zien. In
Openb. 21,1 gaat het over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, en de
zee is niet meer. Na het einde der tijden is er volgens de bijbelse
getuige geen zee meer. Een mens heeft land nodig om te kunnen leven.
Daarom is de woestijn ook zo’n onmogelijk land. Er groeit niets. De woestijn
is no mans land. Maar de zee is nog veel erger. Wanneer je daar
je voet op zet blijkt je voet verdwenen. Je kunt er niet eens staan. Daarom
is het ook zo ongelooflijk wanneer God een weg over de zee maakt (Ex 14,21).
De zee is de gapende afgrond van de dood. Daarom zijn zeelui in de bijbel
bij uitstek vroom. Zie Johannes 1,5.
De leerlingen komen. Zij wekken Jezus op, vervoegen het werkwoord
dat straks ook voorkomt in de boodschap van de engel in het lege graf.
Ze roepen. Niet zoals in de vertaling staat: heer redt ons. Het Grieks
komt hier niet verder dan: Heer red. Het Hebreeuws zou hier geven:
Je-hosjoea. Zij roepen wat de naam van Jezus is. Jezus, wij
vergaan. De tekst houdt het aan dit woord. Van nu af aan zijn de leerlingen
verdwenen. Zij verschijnen pas weer in de tekst aan tafel, wanneer in
het gezelschap van tollenaars en zondaars opnieuw gewogen wordt wat het
betekent: Jezus en zijn leerlingen.
Kleingelovigen. Mattheüs gebruikt dit woord alleen wanneer
het vermoeden duidelijk begint te worden dat - wie weet? - Jezus de Messias
is. Hij staat op. Hij bestraft de zee. Wij hebben daar moeite mee.
Bestraffen is al dan niet pedagogisch verantwoord, een voor de te straffen
figuur onaangenaam gedrag. Mattheüs ziet dat anders. Mt 18,15 laat zien,
dat bestraffen betekenis verwerft vanuit de broederschap. Bestraffen is:
iemand herinneren aan de broederschap. De zee en de storm worden herinnerd
aan hun rol in het bewaren van de broederschap. En het wordt volkomen
stil. Die stilte legt een ruimte open. Aandacht gevraagd voor wat nu komen
gaat. Hoe stil ook gezegd, de stilte maakt het hoorbaar.
Opeens blijkt die doodstille zee vol mensen. Tribunes blijken
gevuld met mensen. Wat komen ze doen? Zij verwonderen zich. Aan een tekst
branden zij hun lippen. Het is hun vraag in de stilte na de storm. Wat
voor iemand is deze? Wij kunnen wel doen alsof wij weten wie die Jezus
is. Maar de tekst legt ons als vraag enkel op de lippen: wat voor iemand
is deze? Het is de vraag die heel het evangelie gaande houdt.
6.2.4. De overzijde: die derwaert gaen en keeren niet
De vraag wat voor iemand is deze? geeft de stilte na de storm
de akoestiek van het eigen vermoeden. Onder de indruk van die impressie
bereikt hij (wat voor iemand is deze?) aan de overzijde. Welke overzijde?
Blijkbaar is de aankomst aan die overkant zo onverwacht, zo ongerijmd,
en sluit zij zo weinig aan op wat wij ons kunnen voorstellen, dat er terstond
coördinaten bij gegeven worden. Daarmee is meteen duidelijk dat hier geen
aardrijkskunde gegeven wordt. Twee bezetenen komen hem tegenover.
In 4,24 zijn zij al genoemd, in een adem met de maanzieken. Hier, in dit verhaal
worden zij drie keer genoemd (8,16.28.33). In 9,32 wordt als bezetene
iemand getypeerd die niet horen en niet spreken kan. Nadat deze is gaan
spreken - niet wordt verteld wat hij vertelt - wordt ons verteld en krijgen
wij te horen dat de menigte begint te spreken. Zoiets hebben we in Israël
nog nooit gezien, zeggen ze.
In 12,22 is de bezetene iemand die blind en stom is. Het brengt de menigte tot
de vraag: deze is toch niet de zon van David? De bezetenen lijken bij
Mattheüs zieken te zijn die de toeschouwers tot vragen brengen, door het
evangelie heen in een stijgende lijn. In 15,22 wordt die serie bezetenen
afgesloten in de dochter van een Kanaänese vrouw. Buiten Israël zijn we.
De vrouw weet heel goed, hoe zij in het evangelie spreken mag, ook wanneer
de leerlingen en Jezus zelf haar lijken af te wijzen. Zij lijkt hem te
vertederen met haar beeld. Het zal nu niet lang meer duren de reis naar
Jerusalem gaat beginnen.
Twee bezetenen komen hem, wie is hij?, tegemoet. Zij komen uit de graven
en zijn dermate bezeten, dat niemand langs die weg voorbij kan gaan. De
confrontatie met hen betekent het einde. Maar dat blijkt anders uit te
pakken.
Wat is er tussen ons en jou? Die vraag lijkt duidelijk.
Zoon van God. Het klinkt bijna als een obsessie. Zoon van God
wil men steeds op merkwaardige momenten over en tegen Jezus zeggen. Dat
is begonnen in de woestijn van Mt 4. De duivel was daar aan het woord.
Petrus zal het woord ook noemen. Mt 16. En de hogepriester zal het proberen
Jezus te ontfutselen: ben jij de Messias, de zoon van God. Het blijken
woorden waar tegenstanders zich van bedienen, hem tegenover. Alsof
het gevaarlijk is dat een mens kind van God is.
Wat is er tussen ons en jou, zoon van God. Ben jij soms gekomen
om ons voor de tijd te pijnigen? Merkwaardig is dat. Zij komen hem tegemoet.
Zij overvallen hem met hun uitroep en tegenstem, dwingen hem een vraag
af maar krijgen geen antwoord. De storm lijkt te mogen uitrazen. Het oog
van de tekst (en zie - Mt 8,28) merkt de kudden varkens op. Daarmee krijgt
deze bizarre tekst, bizar aan de overzijde, waar niemand langs kan, surrealistische
diepte. Nergens in het Midden-Oosten komt men die kudde tegen. Hier is
het effect de totale vervreemding. Wat wil Mattheüs vertellen? Voor wat
(waar geen woorden voor zijn, aan de overzijde, buiten ons bereik) zoekt
hij woorden? Laat het verhaal zijn eigenweg gaan.
Zij, de duivels, er heeft een verwisseling van onderwerp
plaats gevonden. Zij smeken hem. Het werkwoord parakaleoo wordt gebruikt.
Met aandrang vragen, naar zich toe halen. (De paracleet is de heilige
geest. Hier maakt het woord iets duidelijk van de anti-geest, van de absolute
scheiding die de aarde poogt te bewaren tegenover de hemel, tegenover
hem die van de overzijde, naar de overzijde komt. Van/naar - het hangt
er maar vanaf vanwaar je kijkt.
Zij dringen er op aan, die kudde varkens te mogen gebruiken
alsof dat een vervangende plaats is. En dat is nauwelijks toegestaan of
de kudde drijft met alle macht van de steilte af de zee in. Die val in
zee vergroot het apocalyptisch effect van deze scène. Zie daartoe Apoc
21,1. Zie ook Mt 8,24. Nog steeds hangt die de broederschap bedreigende
aardbeving boven het water. Nu verdwijnt de kudde er in. Niets wordt meer
gezegd. Onheilspellend nemen de hoeders van die kudde de vlucht. Ze komen
in de stad en berichten alles. Berichten: aggelloo. Het bericht
is een aggèlion. Als dat bericht goed is heet het een eu-aggelion,
een evangelie. Zij, de hoeders, komen met een angelie in de stad.
Ze berichtten alles, ook van de bezetenen - we hebben intussen nog niet
met evenveel woorden gehoord dat zij genezen zouden zijn. De kwaal is
alleen maar verplaatst, niet-plaats (utopie) geworden. Zij, de
herders, vluchten, maken er een angelie van.
De stad loopt uit. Het wordt een exodus. Het gaat goed met
het evangelie. Maar dat is maar schijn. Wanneer zij hem zien dringen ze
er op aan, dat hij hun gebied verlaat. Het verhaal over de aardbeving
op zee en de confrontatie met de bezetenen hebben als direct gevolg, dat
zij er hem dwingend verzoeken, weg te gaan. Weg met jou! Welke stad is
dat? Welke is die bezeten stad?
6.2.5. In zijn eigen stad thuis
Door al dat oversteken heen - nergens vertelt het verhaal dat Jezus terug
gaat - komt hij aan waar hij thuis is: zijn eigen stad. Een thuis-wedstrijd.
Wij krijgen te horen hoe Jezus doet wanneer hij thuis is. Terstond, als
ware het vanzelfsprekend, wordt er een verlamde aangedragen. Ze dragen.
Jezus ziet hun vertrouwen. (We bidden niet: mijn vader die in de
hemel zijt, maar onze vader: de gemeenschap is degene die in vertrouwen
draagt.) Hij begint te spreken.
Jezus komt terstond met een eigen onderwerp. Krijgen wij
te horen waar hij mee bezig is, thuis: Je zonden zijn je vergeven.
Dit zegt hij. Wie heeft het over zonden gehad? Maar pas op! Te
vlug zijn wij vanuit heel een christelijk verleden (met de daar heersende
verhoudingen) geneigd, te begrijpen wat hier aan de orde gesteld wordt.
Is de verlamming niet van die aard, dat ieder begrip hier, op voorhand,
enkel verlamming is, fixatie, onmogelijkheid om verder te gaan? Onze vraag
zou moeten zijn: wat doet hij nu toch? Waar spreekt hij over? Wat brengt
hij, geconfronteerd met de verlamde en hun geloof, ter sprake?
Zij die n de Schriften thuis zijn (de schriftgeleerden) hebben
naar het schijnt, een en ander reeds begrepen. Waar Jezus het niet laten
kan om dat wat het verbond verscheurt weg te nemen (je zonden zijn
je vergeven - echter zij verzochten hem dringend hun gebied te verlaten!)
hebben zij hun mening al klaar. Godslastering zeggen ze. En welhaast nuchter,
in ieder geval ontnuchterend, doet Jezus beroep op wat je voor je ogen
ziet gebeuren: opdat je vertrouwen zult dat de mensenzoon heeft.
Na heeft niet (8,20) nu heeft. Wat heeft de mensenzoon,
zwervend als hij is, zonder plaats voor zijn hoofd, - wat heeft hij?
Hij heeft de macht om op aarde zonde te vergeven. Let op waar het accent
dient te vallen. De mensenzoon troont volgens Daniel op de wolken des
hemels (vgl Mt 26,64). Daar, in de hemel, onttrokken aan onze zichtbaarheid
kan hij tronen als een koning. Nu zegt de tekst: op aarde
zonde te vergeven. Het blijkt een van de geheimen van het evangelie dat
wij niet meer alleen aan elkaar overgeleverd zijn.
In die woorden keert hij zich tot de lamme. Hij wordt tot
onderwerp gemaakt. Voortaan zal het zijn alsof hij benen heeft om te gaan.
Hij moet zijn bed, zijn plaats tot nu, zijn tot hier en niet verder, op
zich nemen en naar zijn huis te gaan. Let op het volmaakte privé-karakter,
het volstrekt bijzondere, particuliere van de tekst. Naar zijn
huis. (Hoe speelt de tekst met ‘huis’ vanaf 8,14!) Volstrekt persoonlijk.
Waarom deze concentratie op het individu?
De menigte verheerlijkt God die zult een macht heeft gegeven
aan mensen. Welke macht? De macht om op te staan en aar huis te gaan.
Dat wij thuis thuis zijn prijs de tekst als een gave. Als een geschenk.
God geeft is in vergriekst Hebreeuws mattan-ya, Mattheüs.
En vandaar verder gaande ziet Jezus iemand bij het tolhuis zitten. Mattheüs.
Bij het tolhuis - een afgeschrevene. Een tollenaar pacht van de romeinse
bezetter het recht om belasting te heffen. Hij heult met de vijand en
buit de anderen uit. Zo zit Mattheüs, te kijk gezet bij het tolhuis. Niemand
die naar hem om zal kijken. Niemand? Toch. Hij laat zich iets zeggen:
volg mij. En opstaande volgt hij. Dit verhaal over de volgeling is snel
verteld. Geen wonden worden open gereten, geen voorwaarden worden gesteld.
Volgen maakt opstaan mogelijk. Zie je in die woorden ook de verlamde omhoog
komen?
In het huis - heel die concentratie op het huis vindt nu
zijn beslag. Een maaltijd. Tollenaars en zondaars en Jezus en de leerlingen.
Het lijkt wel heel de kerk in alle oorspronkelijkheid. Het blijkt een
provocatie. Waarom? Hij en Hen. Waarom. Ook hier is het antwoord simpel.
Niet degenen die hebben, maar degenen die van ontbreken weten, die dat
merken, hebben een geneesheer nodig. Denk bij de geneesheer ook aan ex
15,26. Exodus en het op je nemen van de bevrijding is te waarderen als
een genezingsproces.
Aan tafel blijkt het gezelschap bont. Jezus en de leerlingen
horen bij tollenaars en zondaars. Het geheim daarvan heet barmhartigheid.
Heden ten dage zouden wij dat meer vertalen als betrokkenheid. De barmhartige
is degene die als een hoogzwangere gericht is op het kind dat komt. Betrokkenheid.
Het is de eerste eigenschap van God in ex 34,6 - een tekst om te wikken
en te wegen, een zeldzaam programma: Barmhartigheid.
6.3. Blinden
Het vasten van de leerlingen van Johannes en hun vraag (waarom wij en
de Farizeeën wel, en jouw leerlingen niet?) brengt naar voren wat in de
tekst voortdurend aandringt. Jezus en de leerlingen dient men te zien
als de bruidegom en zijn vrienden. Het is de tijd van de vreugde. Maar
dat is het einde niet. De tijd van de vreugde is enkel, zo lijkt het wel,
een voorbereiding op de donkere hoofdstukken die nog komen gaan. En ook
die hebben het laatste woord niet. De dochter van Jairus maakt dit duidelijk.
Jezus gaat dat doodshuis in. Het meisje slaapt. De treurders lachen hem
uit. Zij worden naar buiten gegooid. Hij treedt naderbij, grijpt haar
bij de hand - zoals Michel-Angelo God ziet doet bij Adam. Het meisje staat
op.
Hij ging naar binnen. Het verhaal komt naar buiten. Stad
en land is vol van dit uitzonderlijke verhaal. Blinden krijgen het woord.
Zij roepen om barmhartigheid, betrokkenheid. Zoon van David, alsof dromen
waar worden en armen het evangelie van Gods koningschap verstaan (vgl
Mt 5,3 met 4,17 en 11,4-5).
Blinden gaan in hoger beroep: zoon van David. De blinden van Mattheüs
maken het mogelijk, van 9,27 naar 20,30 te gaan. Zij brengen ons tot voor
Jerusalem.
7. Leerlingen
Jezus trekt rond door alle steden en dorpen (9,35). Dat blijkt
zijn antwoord op de twee reacties op het voorafgaande. De menigten zijn
verwonderd. Nog nooit, zeggen ze. Maar de Farizeeën vermoeden een
complot met de overste van de demonen. Zij maken er een soort spirituele
homeopathie van: het kwaad met het kwaad bestrijden.
De menigten maakt Jezus tot betrokkene. Hij ziet, hoe afgejakkerd
de mensen zijn, hoe uitgevloerd, als schapen zonder herder. Die schapen
zonder herder roepen Num 27,17 in herinnering. Zal hij de man zijn die
voor hun aangezicht uitgaat en ingaat. Zal hij hen doen uittrekken en
weer terugbrengen? Numeri heet in het hebreeuws b’midbar, in de
woestijn. Numeri vervolgt: En de Heer zegt tegen Mosjeh: neem Jehosjoea/Jèsoes/Jezus/de/Heer-bevrijdt
de zoon van Noen/Oogst, een man vervuld van geest, van hemel en
aarde toch één.
(Voor hen uitgaan en ingaan. Daarmee is het volk onderweg
en het binnentrekken van het veelbelovende land aan de orde (vgl NumR
XXI,15). Mozes zal immers het land niet ingaan. Zie Num 20,12. Waarom
niet? Zie Num 20,10. De rabbijnen zeggen: omdat hij een slecht getuigenis
heeft gegeven over het volk.
Bij Josjoea wijzen de rabbijnen op Spr 27,18: Wie de vijgenboom
onderhoudt zal de vrucht er van eten. Waarom wordt de Tora vergeleken
met een vijgenboom? De vruchten van de meeste andere bomen worden allemaal
tegelijk geoogst. Denk aan de olijf, de druif, de dadel. Maar de vijgenboom
wordt beetje bij beetje geoogst. Zo is het ook met de Tora. Vandaag leer
je een beetje minder, morgen leer je een beetje meer. Vgl
Num XXI,15.)
Jezus ziet de scharen. We horen hoe hij hen ziet. Dan klinkt
het schriftcitaat. Dan zegt hij tot zijn leerlingen: oogst is er
veel, maar arbeiders zijn er weinig. Vraag dus de heer van de oogst, arbeiders
uit te sturen naar zijn oogst. Ligt het dan aan die Heer. Heeft hij de
sleutels tot het binnenhalen van de oogst in handen. Of geeft Mattheüs
hier aan, hoe het volgende verstaan dient te worden en hoe men Jezus zelf
dient te verstaan.
Hoe het ook zij: leerlingen worden geroepen. Namen worden genoemd. Zij
zullen de preek van Jezus en van Johannes door moeten geven: nabij is
de wijze waarop God koning is - niet als een pharao ten koste van zijn
slachtoffers, maar als hij die bevrijdt.
7.1. Volgen
Het zal beslissend worden. Vaak blijken studenten moeite te hebben met
de harde taal, over het onverzoenlijke en onverzoenbare, over de haat
tegen ouders en kinderen. Toch dient men te bedenken dat het hier niet
over ratio. Hier is de betrokkenheid aan het woord, de emotie. In de opdracht
van de bevrijding kan alles als alibi gebruikt worden, maar geen excuus
mag tellen. zeker niet wanneer de eigen intimiteit en de intimiteit van
het eigene in het geding is. De plaats van de leerling is achter mij.
Dat betekent niet op de tweede plaats, maar in het spoor van. Iemand gaat
voor. Petrus zal daar in 16,23 meer over horen. Maar hij zal ook volharden
tot het einde toe (10,22 vgl 26,58).
|