Lukas 3,1-20

 

voordat je aan onderstaande tekst begint heb je natuurlijk de tekst van Lukas gelezen

 

 

Johannes wekt de indruk niet bepaald vriendelijk te zijn. Adderengebroed in vers 7 komt agressief over. Broedsel van adders, van slangen. Uitgelopen slangeneieren. Wanneer Lukas met deze woorden bezig is moeten zijn herineringen zijn blijven haken aan genesis 3. De slang. De duivel.

Waarom wordt die slang ingezet als de boze? Waarom heeft genesis daar geen konijntje of kanarie voor genomen? Gespleten tong, zegt men. Dat glibberige, plotselinge. Zelfs een fallisch symbool weet iemand. Waarom zit de slang in dat verdomhoekje?

Omdat men in de regel nooit een dode slang tegenkwam. Je kunt een slang wel doden, maar uit zichzelf lijkt het dier niet te sterven. Wel kwam men slangenvellen tegen. De slang vervelt. De slang leek wel een dier dat z'n hoofd had gezet op eeuwig leven. Een soort goddelijk anti-goddelijk dier. Dus een concurrent voor God: de duivel.

Spelen slangen een rol in onze wereld. Sommigen beweren beslist van niet. "Al eens ooit een auto van een arts gezien? Of binnengegaan in een apotheek? O ja, de aesculaap. Die slang die zich rond een staf slingert als teken van de medische stand. Het schijnt afkomstig te zijn van Pergamum (Perkament!), langs de westkust van het tegenwoordige Turkije. Daar was in de oude tijd al een therapeion, soort "geneesinrichting", een Kurort waar mensen met velerlei ziekten terecht konden. Een therapie was een schriktherapie. Plotseling schoten slangen uit de gaten in de muren van een donkere gang.

Johannes richt zich niet tot iedereen. Hij spreekt tot de mensen die zijn uitgelopen (exodus?) om zich door hem te laten dopen. Hij zegt uitgelopen slangeneieren tegen die mensen en voegt er aan toe: wie heeft jullie getipt dat je ontkomen kunt. Wie heeft je gezegd dat je de dans kunt ontspringen nu de beslissing valt. Hoe kom je erbij te denken, dat je op het uur van de waarheid geen beslissing hoeft te nemen.

Vreemd, allemaal. Waar gaat dat eigenlijk over?

            En beeld je niet in dat je bij jezelf kunt zeggen: wij hebben Abraham tot vader. Je kunt je niet verschuilen achter Abraham. Je kunt niet zeggen: ik ben een kind van Abraham, ik zit wel goed, mijn verleden is zuiver. Nu, in het uur van de beslissing, zo zegt Johannes, gaat het niet over je verleden. En er is meer.

            Wie kan zich een kind van Abraham noemen. Wie om te beginnen? Dat zal toch wel Isaak zijn. En als Isaak naar Abraham opkijkt en zegt:"Jij bent mijn pappa", wat zal Abraham dan zeggen? Hij zal iets zeggen van nog net. Ik heb het net gehaald. Meer dan kind van Abraham is Isaak kind van de belofte, kind van het woord. Isaak is voor Abraham nooit een berekenbare factor maar altijd onverwacht, een bron van stilte en verwondering.

            Als je op je borst klopt en trots beweert: mijn vader is Abraham, dan heb je van het vader zijn van Abraham niets begrepen, dan lijk je niet zijn kind. Genealogisch is dat vaderschap zeer gerelativeerd. (Misschien daarom in 3,32-38, zoon van…)

 

Het gaat niet over je verleden, het gaat over hier en nu. Breng vruchten voort die bij ommekeer horen, die aan ommekeer beantwoorden. Laat zien wat het betekent dat je van "het kan anders, het kan beter". Laat zien dat je leven niet volstrekt identiek is aan of opgaat in dit moment als fixatie, cel, hok. Laat zien dat het nu pas eigenlijk en echt gaat beginnen, dat iets nieuws begonnen is, dat hier en nu niet vooral het resultaat van het verleden is.

            Aan vruchten herken je bomen. Zonder vruchten zijn bomen blijkbaar geen bomen. Dan gaan ze voor de bijl. Sommigen vinden dat niet aardig. Misschien vind je dan troost bij die boom die van de heer moet worden omgehakt. Maar de tuinman wil zich over hem ontfermen, Die boom heeft iemand die zich voor hem buigt. Hier gaat Johannes de doper volgens Lukas daar niet van uit.  En de mensen begrijpen dat. In groepen komen ze vragen wat ze moeten doen. Hun ommekeer blijkt terdege. Delen blijkt urgent, delen van je overvloed, en billijk zijn, rechtvaardig, tevreden. Count your blessings.

            Het is dus nogal veel tamtam, daar, bij de Jordaan, waar Johannes probeert de mensen wakker te maken, bij de tijd (van zijn verhaal) te brengen. Gaan we nu terug naar het begin van de tekst.

 

Ook in 1,5 en 2,1 dateert Lukas. Maar dat dateren daar lijkt kinderspel in vergelijking met wat we in 3,1 horen. Achtereenvolgens passeren daar Rome, Judea, Galilea, het gebied daaromheen, om daarna terug te gaan naar Jerusalem. Keizer, koningen en koninkjes, hoe kleiner in feite, hoe groter in eigen ogen natuurlijk. En Annas en Cajafas dat klopt niet. Er is maar een hogepriester. Dit tweetal speelt onder ้้n hoedje. Schoonvader en schoonzoon. Straks, in het lijdensverhaal hebben we hen nodig. Evenals Pontius Piliatus. (Was Tiberius niet de opvolger van Augustus? Ten tijde van keizer Augustus zijn de poorten van de Marstempel in Rome enkele jaren gesloten geweest. Enkele jaren was er officieel geen oorlog.)

            Je ziet ook de namen van Herodes – niet dezelfde maar familie – en Philippus die uitdrukkelijk zijn broer wordt genoemd. De vrouw van broer Philippus heeft het hart van Herodes veroverd. Broeflief staat in de weg en moet dan maar het veld ruimen. Zo kan Herodes zijn kans nemen.

Herodes heeft Johannes gevangen genomen. Maar hij durft hem niets te doen. Hij praat zelfs graag met zijn gevangene, dat geeft hem – volgens Markus 6 – een goed gevoel. Hij, Johannes, zit bij Herodes veilig denk je. Totdat. Totdat dochter Salome, de dochter van Herodias die nu vrouw van Herodes is, na een buitengewoon fraai dansje voor haar vader met zijn bobo's, een wens mag doen. Kort overleg met haar moeder maakt de wens simpel: het hoofd van Johannes. Je merkt dus dat er niet veel voor nodig is om iemand van het leven te beroven. Ook dat zit in de aanhef van het evangelie. Dreiging.

 

Het woord Gods komt tot Johannes in de woestijn. Maak dus je tafel leeg. Dat is de woestijn. Links en recht weet je respectievelijk Egypte (slavernij) en Veelbelovend (wellicht beter dan beloofde door het accent op wat komen gaat) Land. Wat komt er midden op de tafel te liggen: het woord Gods. Hoe stel je je dat voor?

            Het woord Gods: dan moet je altijd denken aan Tora. Je kunt je niet zo gemakkelijk op een woord Gods beroepen buiten de Tora om. Het moet verifieerbaar zijn, democratisch, controleerbaar. Als iemand zegt: "God zegt" of "Je moet" mag je vragen: "Waar staat dat?"

            En bij woestijn moet je niet denken aan aardrijkskunde of geschiedenis. Bij woestijn moet je denken aan: geen wegen, zelf zoeken, zelf proberen, verkennen, in try and error. Alles wat persoonlijk is gaat door onontgonnen gebied, is daarom moeilijk. Alles wat nieuw is, is moeilijk.

            Zelf zoeken kom je anderen tegen die ook zoeken. De weg (hodos) wordt dan een weg die je samen (metha in het griek) gaat, een methode.

            De woestijn ligt tussen vroeger, toen je nog alles wist, en dat wat aan de horizon daagt. In de woestijn wordt het woord, de Tora gegeven. Midbar heet dat in het hebreeuws. Midbar betekent woestijn. Maar je kunt het ook vertalen als: "vanwaar het woord". Mindabar, midbar.

 

Wat mag bij Lukas achter de horizon van het vermoeden liggen? Waar is hij op uit. Hij zegt op die na hem komt. Er is nog meer.

Jan Engelen

Herten 251202