Een bekend verhaal Lukas 16,19-32met andere ogen gelezen - een les uit 1983. Het Nieuwe Testament
bestaat uit teksten van joodse auteurs. Het loont de moeite, dit gegeven
serieus te nemen. Proberen we eens één verhaal. Ieder die wil, kan zonder grote moeilijkheden een verhaal lezen uit hetgeen christenen gemakkelijk ‑ te gemakkelijk ‑ het Nieuwe Testament noemen. Neem bijvoorbeeld het verhaal over de arme Lazarus en de rijke vrek Mensen die vóór 1950 geboren zijn, blijken het verhaal te kennen. Maar ook voor jongeren in 1983 blijkt het nog een bekend verhaal te zijn. Maar er was een
rijk mens, en hij was gekleed in purper en fijn
linnen, elke dag feest. Maar er was een
arme, Lazarus genaamd. Die lag voor de
poort, vol zweren. Hij wilde eten van
de kruimels die van de tafel
van de rijke vielen. En ook kwamen de
honden zijn wonden likken. Maar het geschiedde dat de arme stierf, en hij werd door
engelen gedragen in de schoot van
Abraham. Maar ook de rijke
stierf, en werd begraven. En toen hij in de
onderwereld zij . n ogen opsloeg, terwijl hij zijn
pijn begon te voelen, zag hij Abraham
van verre, en Lazarus in zijn
schoot. En roepend zei hij.
'Vader Abraham,
wees betrokken op mij, en zend Lazarus, opdat hij het puntje van zijn vinger in water
doopt, en mijn tong nat maakt, want ik heb pijn
in deze vlam'. Maar Abraham zei:
Kind, herinner je,
hoe jij de goede
(dingen) hebt genomen tijdens je leven, en Lazarus gelijkelijk
de slechte. Maar nu vindt hij
hier troost, maar jij lijdt pijn. En bij dit alles: tussen ons en jullie is een grote kloof gemaakt, zodat degenen die dat willen, niet van hier
kunnen overgaan naar jullie, en ook kan men niet van jullie oversteken naar
ons'. Maar hij zei'Ik vraagje dus,
vader, zend hem naar het huis van mijn vader, want
ik heb vijf broers, zodat hij hun door en door getuigenis geeft,
zodat niet ook zij
komen naar deze plaats van pijn'. Maar Abraham zei:
'Zij hebben Mozes
en de profeten. Zij moeten horen
naar hen'. Maar hij zei: 'Nee, vader Abraham,
maar wanneer iemand
uit de doden optrekt naar hen, zullen zij zich omkeren'. Maar hij zei: 'Wanneer zij naar
Mozes en de profeten niet horen, zullen zij ook niet overreed worden wanneer
iemand uit de doden opstaat'. (Lucas 16, 19‑3 l; eigen vertaling) Bovenstaande tekst
laat zich niet gemakkelijk lezen. De taal is een beetje vreemd. Er
staan woordjes te veel in. Een gangbare vertaling levert die problemen
niet. Daar lees je in de regel vrij eenvoudig door heen. Daarmee loopt
de lezer evenwel ook het risico, dat hij of zij over veel woorden heen
leest, met alle gevolgen vandien. Dat is des te bedenkelijker, omdat
het verhaal niets anders is dan de woorden die er staan. Die willen
verteld worden. Daar dient de lezer aandacht voor te hebben. Een groepje twintig‑jarigen
op een pedagogische academie heeft het verhaal van de arme Lazarus
en de rijke vrek gelezen. Zij proberen er een bewerking van te maken,
de tekst aan te passen. Rob voert het woord. 'We hadden een probleem
met het verhaal. Daarom hebben we er een grondige bewerking van gemaakt'.
Dat geeft niet. Laat
maar eens horen. 'We hadden nogal wat
moeite met het woordje hemel. Wat moet een kind zich daar nu
bij voorstellen? Daar hebben we dus een situatie van geluk van gemaakt'.
Ga je gang maar. 'In onze vertelling
hebben we van de arme Lazarus een werkloze gemaakt. De man heeft van
alles en nog wat gedaan, en steeds is het niet gelukt. Uiteindelijk
komt het dan toch zo ver. Als je maar volhoudt, zal het zeker wel eens
lukken. Van de rijke vrek maakten we iemand die iedere dag feest viert.
Dat kan dus niet. Als je elke dag feest viert..., dat bestaat niet.
Op het einde van het verhaal is hij nergens meer'. De docent zit naar
adem te happen, voelt zich kwaad worden, maar beseft tegelijkertijd,
dat woede niet zo leerzaam is. Hij doet daarom, alsof er niets bijzonders
aan de hand is, en vraagt: 'Dat was het?'. 'Ja, dat was wat wij
ervan konden maken'. De rest van de klas
kijkt gewoon voor zich uit. Er lijkt niets aan de hand. Jullie hadden dus een
probleem? 'Ja, we hadden een
probleem'. Wat was dat probleem
ook weer? 'Wij konden niet zo
veel doen met het woord hemel' 0 ja, jullie keken
moeilijk aan tegen het woord hemel. Dat klopt. Waar staat dat woordje?
Rob, zich nog van geen
kwaad bewust, kijkt in zijn tekst. Hij kijkt op, kijkt de docent aan,
kijkt opnieuw in de tekst, kijkt wéér op, verbaasd. Hij zegt iets tegen
zijn buurman. De rest van de klas heeft intussen ook in de tekst gekeken.
Je hoort gniffelen. 'Het staat er niet',
zegt Rob. Het staat er niet?
'Nee, het staat er
niet'. Wat staat er niet?
'Het woordje hemel
staat er niet'. Het woordje hemel
staat helemaal niet in de tekst? En daar hadden jullie het moeilijk
mee? 'Ja'. Merkwaardig, jullie
hebben problemen met een woord dat er niet staat? ... Klopt dat? Hebben
jullie moeilijkheden met een woordje dat er niet staat? Een en al verbijstering
en verbazing: 'Ja'. Meewarig schudt Rob zijn hoofd; hij is aangeslagen,
en hij weet niet waardoor. Welk woord hebben jullie
dan voor hemel aangezien? Rob kijkt terug in zijn tekst. Hij vindt
al snel de schoot van Abraham.
Op de vraag, of het zo gewoon is, de schoot van Abraham voor de
hemel aan te zien, weet hij geen antwoord. De rest van de groep blijkt
eigenlijk het zelfde gedaan te hebben. Blijkbaar ligt de identificering
voor de hand. En nu merken ze pas, hoe vreemd dat eigenlijk is. Doordat
je zo vlug, en wellicht heel vanzelfsprekend de schoot van Abraham
met de hemel gelijkgesteld hebt, heb je over die schoot niet hoeven
nadenken. En van het verhaal van de arme Lazarus en de rijke vrek heb
je een goedkoop verhaaltje gemaakt: De aanhouder wint; of.‑ Boontje
komt om zijn loontje. Als ik vraag, waar je zelf in het verhaal voorkomt,
zul je geen antwoord geven, terwijl dit gelijk duidelijk is. Maar het
blijft de vraag, of je het verhaal op deze wijze ook maar een beetje
tot zijn recht laat komen. Laten we eens beginnen
met de moeilijkheid. Wat is er met de schoot van Abraham aan de hand?
Rob blijft stil. Het is nu natuurlijk niet meer het probleem van hem
alleen. Met alle varianten zouden de anderen het zelfde gedaan hebben.
Dus de vraag is nu voor iedereen. Wat is er met de schoot van Abraham?
De groep zegt nog niets. Ja, iemand fluistert, alsof ze zichzelf niet
vertrouwt: 'Verbond?'. Wat zeg je, Willy?
'Verbond?'. Verbond ... zou kunnen,
ja. We zullen wel zien, of dat goed is. Je kunt het in elk geval zeggen.
En verbond is toch al iets minder gefixeerd dan hemel. Maar houd het eens
gemakkelijk. Stel je voor: dáár zit Abraham. Er zit daar iemand in of
op zijn schoot. Wie is dat dan? Iemand oppert voorzichtig:
'Isaak?'. Ja, Isaak! Tenminste,
als je lang genoeg wacht. Hoe lang moest Abraham wachten voordat hij
Isaak op schoot kon nemen? Daar heeft de groep
geen moeilijkheden mee: 'Honderd jaar'. Juist! Als je kijkt naar de
schoot van Abraham, zie je heel lang niets. Pas na honderd jaar zit
daar Isaakje. Dat is dus een zaak van heel lange adem. Eerst moet blijken,
dat Abraham zelf eigenlijk niet kan. Het lukt hem niet, een zoon te
krijgen. Dan is er die geschiedenis met Ismaël, opgezet door Sara bij
Hagar. Kijk maar in Genesis 16. We gaan daar nu niet op in. Duidelijk
wordt, dat het bij Abraham niet op de gewone manier gaat. Abraham kan
zijn eigen toekomst niet veilig stellen. Hij heeft af te wachten. Hij
zal wel moeten. Zo komt Genesis 18 aan de beurt. Abraham is een heer
voor zijn gasten. Er zal een zoon geboren worden. Abraham heeft nauwelijks
enige notie van wat hij hoort. Maar hij heeft wel vertrouwen. Zo wordt
Isaakje geboren. Wie is in het verhaal
van de arme Lazarus en de rijke vrek nu Isaak? Nogal verbaasd, maar
tegelijk vrij vanzelfsprekend, zegt de groep: 'De arme Lazarus'. Ja,
dat is heel merkwaardig. Als zou de arme Lazarus de rol van Isaak spelen.
De arme Lazarus komt in ieder eeval ol) de Dlek die Isaak vanouds toekomt. Waar komt die arme
vandaan? Geen antwoord. Je moet niet diepzinnig doen, en ook niet vragend
het plafond aanstaren. Als je wilt weten, waar de arme Lazarus vandaan
komt, kun je alleen maar in de tekst kijken. Vertelt de tekst daar iets
over? 'Ja'. Goed, waar is de arme Lazarus aan het begin van het verhaal?
'In de poort'. Wat denk je van die plaats? 'Hoezo?'. Gewoon, wat denk
je van iemand die in de poort ligt? Is dat een plek? Lig je daar binnen
of buiten? 'Er tussenin, maar meer buiten dan binnen'. Klaarblijkelijk
was dit niet zo'n groot probleem. Het gaat dus in het verhaal over iemand
die niet mag meedoen, iemand die er niet bij hoort, een buitenstaander.
Wat gaat er nu met hem gebeuren in het verhaal? 'Hij komt op een belangrijke
plaats'. Precies! De buitenstaander, de arme Lazarus, komt op een heel
belangrijke plaats in het verhaal. Hij komt in de schoot van Abraham,
op de plaats van Isaak, of op de plaats waar Isaak thuis is ‑
Isaak, de zoon van de vader. Hoe heet trouwens de
rijke vrek? ... Geen antwoord. 0 ja, die heeft geen naam. Juist! De
rijke heeft in het verhaal geen naam. Hij mag geen naam hebben. Over
wie gaat het nu in het verhaal? Zo ging de les verder. In Lucas 16, 19‑31
is het opmerkelijke, dat het verhaal twee rollen omkeert. De insider
wordt buitenstaander, al blijft hij met 'binnen' te maken hebben. En
degene die niet meedoet, niet mee mag doen, de arme bedelaar,
vol zweren die door de honden gelikt worden ‑ door en door
onrein ... die arme komt ongeveer op de centrale plaats terecht. Opvallend is verder,
dat het verhaal nauwelijks iets vertelt over de arme buitenstaander.
Hij sterft. Met het meest vanzelfsprekende gebaar komen de engelen hem
halen om hem te brengen naar waar hij volgens het verhaal thuishoort:
in de schoot van Abraham. Alle moeite en tijd van het verhaal is verder
te besteden aan de rijke. De rijke is duidelijk
binnen. Wanneer men enige malen peinzend de woorden laat vallen, waarmee
hij beschreven wordt, groeit er een merkwaardig beeld. Rijk ... gekleed
in purper en fijn linnen, elke dag feest. Welk beeld krijgt de lezer
dan voor ogen? Bij wie, of waar, is het in de Schrift elke dag feest?
Waar zie je ‑ bijbels gesproken ‑ de mensen in purper en
fijn linnen gekleed gaan? In een groep kleuterleidsters, ter bijscholing
bijeen, begint er opeens iemand te lachen. Op de vraag, waarom
ze lacht, groeit een rode kleur. Eerst wil ze niets zeggen. Maar na
enig aanhouden komt dan toch te voorschijn: 'Het doet mij denken aan
het Vaticaan'. Nu lijkt dat onwaarschijnlijk, tenminste in de historische
context. Maar het bijbelse Vaticaan bestaat natuurlijk wél. Dat moet
dan gezocht worden in en rond de tempel in Jeruzalem. De rijke man moet men
niet onmiddellijk zien in het licht van een hoge bankrekening. In Lucas
16 speelt het begrip al geruime tijd. In Lk. 16, 1 is er een rijke man
die een onrechtvaardige rentmeester heeft. Door zijn schuldenaren
te vergeven weet hij zich op het laatste moment nog in een gunstig
en aan te bevelen daglicht te plaatsen. Daarna, in vers 13, blijkt
men God te kunnen dienen óf de mammon. De Farizeeën blijken dan liefhebbers
van geld te zijn. Sinds het evangelie gepreekt wordt, wil ieder Gods
koningschap binnengaan. Dat heeft blijkbaar alles te maken met het
feit dat er geen tittel van de Tora zal vergaan ‑ vers 17. Echtbreuk
‑ profetisch thema bij uitstek aangaande het verbond in de meest
netelige omstandigheden ‑ hoort in het evangelie niet tot de mogelijkheden
‑ vers 18. En dan pas, in vers 19, is er die rijke man, duidelijk
niet de zelfde als in vers 1. Maar het verhaal tot nu toe heeft de lezers
gebracht tot in het hart van het verbond. Men mag erover nadenken, welke
plaats in Jeruzalem dan aangewezen of aan te wijzen is, zeker wanneer
men rekening houdt met het begin van het evangelie volgens Lucas, waar
het gaat om het heiligdom van alle verhalen. Het vreemde van de
rijke mens is, dat hij in zeer oude handschriften een naam blijkt te
hebben. Hij heet dan Neuès. Bij
de christenen in Egypte, de Kopten, heet de man Nineveh
(Nineuès). Neuès zou dan
een eenvoudige schrijffout kunnen zijn, die teruggaat op een oude traditie.
Nineve mag gelden als tegenvoeter van Jeruzalem. Joodse tradities wijzen
er wel op, dat Jona gelijk heeft gehad met zijn weigering naar Nineve
te gaan. Want wat is het vervelende van Nineve? In Nineve zal blijken,
dat de volkeren die van de God van Israël niet weten, wél te bekeren
zijn. De ‑ in het verhaal Jona vrij eenvoudige ‑ bekering
van Nineve (de hoofdstad van de afschuwwekkende Assyriërs, die met
de verovering en verwoesting van Samaria een einde hebben gemaakt
aan het bestaan van de tien stammen) zou een les zijn voor Jeruzalem.
Zij zou aangeven, dat God het blijkbaar moeilijk heeft met Jeruzalem.
Met dat verhaal zou Jona het moeilijk gehad hebben. Net zo als het Jeruzalem
van Matteüs 2 door toedoen van Herodes op Egypte lijkt (denk aan de
moord op de jongetjes), en Egypte de enige plaats is waar de geboren
koning van de joden redelijk veilig kan leven, zoals dus Egypte daar
een soort Jeruzalem lijkt, zo lijkt de rijke mens van Lucas 16 ook op
Jeruzalem, maar dan een omgekeerd Jeruzalem. Zo kunnen er tradities
zijn, die hem Nineve noemen. De buitenstaander,
onrein en al, wordt tot insider gemaakt, komt in het hart van het verbond,
in de schoot van Abraham. De naam Lazarus is
in het kader van Mozes en de prof?ten geen onbekende. In het boek Jozua
(24, 29‑33) is de dood van Lazarus / Eleazar gekoppeld aan de
dood van Jozua. De naam Jozua / Jehosjoea is Hebreeuws. In het Grieks
wordt die vertaald met Jèsoes / Jezus. Wanneer in het verhaal de dood
van Lazarus genoemd wordt, dan is daarmee ook de mogelijkheid gegeven,
iets te verwachten aangaande Jozua / Jezus, aangaande zijn dood en ...
nee, niet begrafenis. Ook Lazarus wordt in Lucas 16 niet begraven. Lucas
16 kent zoiets als Abrahams schoot. Wie daar onvoldoende belang aan
hecht, kan Lucas 16 niet lezen. Even belangrijk is het, alle mogelijke
aandacht te geven aan de namen. Mozes en de profeten reiken daartoe
aan, wat in het kader van de Schriften nodig is. Het verhaal over de
arme Lazarus en de rijke vrek is met dit alles een geheel ander verhaal
geworden. Is dat belangrijk? Dat hangt ervan af, wat men weten en wegen
wil. Het verhaal confronteert
degene die het leest met Abraham en iemand als zijn zoon, zoals in Lucas
15, 11 en volgende verzen gesproken wordt over iemand met twee zonen.
Wie daar niet het verhaal over Isaak met Esau en Jakob meeleest, heeft
toch te weinig gelezen. In het Lucas‑evangelie
is Jezus vanaf 9, 51 met zijn gelaat naar
Jeruzalem gekeerd, onderweg naar die stad. In 13, 22 wordt de lijn
van die reis uitdrukkelijk opnieuw opgenomen. Lucas 13, 33 en volgende
verzen krijgen het in de oorspronkelijke Griekse tekst klaar, drie keer
de naam Jeruzalem te noemen ‑ met alles wat een lezer dan overwegen
en voelen kan. Klaarblijkelijk is die stad van doorslaggevend belang,
is zij de enige die teleurstellen kan, ware het niet dat God al
zijn hoop op haar gevestigd heeft (vergelijk 16, 18!). Aan Hem zal
het niet liggen. Hij kan zijn lief niet opgeven. Wie nu in Lucas 16,
19 op de wijze van het verhaal meegaat naar het huis
van een rijk mens, mag weten waar hij of zij is binnengekomen ‑
ook al is het het verhaal van Jezus, en over Jezus, dat hem of haar
daar gebracht heeft. Men neme de tijd om rond te kijken in dit huis.
Het verhaal neemt de lezer terstond weer mee naar buiten, naar het portaal.
Daar ligt Lazarus, degene wiens kracht de Heer is, van God en mens verlaten,
naar het lijkt. Honden likken de zweren. Geen kruimel voor hem. De arme
buitenstaander sterft. Niemand binnen, niemand van degenen wier kleren
ruisen van schoonheid en welvaart, niemand van de feestelingen merkt
iets van het sterven van deze arme. Maar engelen komen uit het decor
van het verhaal het toneel op. Zij dragen de arme wiens kracht God (El-azar)
is, naar Abrahams schoot. Die blijkt als het ware voor hem geschapen.
In de rest van het verhaal zal Lazarus het woord niet nemen. Het blijkt
voldoende, dat hij ‑ stom voor zijn scheerders ‑ er alleen
maar is, geweest is, en iemand‑die‑blijven‑zal geworden
is. In het verhaal blijkt
geen tijd nodig om ook de rijke te laten sterven. Geen engel komt eraan
te pas, geen boodschap, geen bericht, geen verhaal over hem. Hij zal
zelf alle stof doen opwaaien voor de rest van het verhaal. Het gaat niet goed
met de rijke. Zo ver als Lazarus verwijderd was van zijn feest, zo
ver van de schoot van Abraham is de rijke terechtgekomen. Wel is het
hem nog mogelijk, zijn stem te laten doorklinken bij Abraham. Die erkent
hem als kind. Hij zegt: 'Herinner je . . .' Dat kan geen moeilijkheid
zijn. Israël leeft voortdurend van de herinnering. Maar deze rijke,
die een zoon is, kan zich alleen herinneren hoe goed hij het gehad
heeft. De kloof is onoverbrugbaar geworden. Dan herinnert de rijke
zich het huis van zijn vader ‑ een merkwaardige wending tegenover onze vader
Abraham. Maar goed: het huis van de vader. Daar blijken nog vijf broers
te zijn. Zij moeten gewaarschuwd worden. Vijf. Is vijf niet
gekoppeld aan twee? Is het niet minstens een‑ mogelijkheid? Ook
in dit verhaal geeft het ruimte. Vijf broers plus deze
rijke ‑ zes. Als vader Abraham (Lucas 16, 24) niet meer in huis
is, had de arme Lazarus nummer zeven kunnen zijn. Dan had ieder
daar in 'Huize Broederschap' een couplet kunnen zingen uit het scheppingsverhaal
van de zeven dagen. Is op de vijfde dag ook niet de duif geschapen,
wiens naam je in het Hebreeuws als Jona schrijft? Ieder kan zonder al
te veel moeite een verhaal lezen. Sla de Bijbel maar open. Alleen, er
is iets mee. Elk verhaal hoort in verhalen thuis, ademt de echo's van
vele verhalen, draagt die aan, laat die mee‑horen. Hoe kun je
het leren, die te horen? In feite is die vraag
even moeilijk te beantwoorden als de vraag, hoe een mens kan leren
lopen, of zwemmen, of luisteren en spreken. Zo is de volwassenen‑katechese
er gekomen: een oud woord voor iets nieuws. Enkele jaren. geleden hoorde
men er in kerkelijke kringen nauwelijks over spreken. Vandaag is het
als thema aan de orde van de dag. Ook volwassenen kunnen lerend en
leerzaam bezig zijn met hun geloven. Nooit is een mens te oud om te
leren, nooit zelfs te oud om van omhoog geboren te worden,
vanuit de verhalen, vanuit God die daarboven ziet, hoort en kent wat
hier beneden gebeurt (Exodus 2, 24). Verhalen willen mensen
iets wijs maken, wijzen op het feit dat de God van alle verhalen een
boodschap heeft aan zijn mensen. Ze willen doen horen waar wij, hoe‑dan‑ook‑gelovigen,
verhaal op hebben. En allen ‑ zo verschillend als mensen zijn
‑ worden bijeengebracht in de ban(d) van de verhalen. Ook brood
en wijn zijn daar teken van. Lange tijd hebben christenen
het zonder verhalen gesteld. Wij namen stenen voor brood, trachtten
het met de waarheid in denken en doen te kunnen. Intussen zijn wij onze
hand opnieuw gaan ophouden. Nog zijn er vertellers. Nog is er een Boek
vol verhalen. Nog kan de lezing opnieuw beginnen. In woord en wederwoord
raken wij thuis in verhalen. De Schrift blijkt onderwerp te worden,
een stem te kunnen vinden bij wie lezen wil, en geheel en al woord te
zijn. Ook het Getuigenis‑opnieuw wordt vernomen, waar Mozes en
de profeten het woord krijgen. Oude verhalen blijken nieuw ‑
als mosterdzaad (Lucas 13, 19) een schuilplaats voor vogels. Alleen
wie begint, kan beginnen: met andere ogen lezen, alsof je van Mozes
en de profeten weet. Is op de vijfde dag
niet ook de taxi 'Grote Vis' geschapen, die Jona ‑ gejonast ‑nodig
zal hebben om toch weer met beide voetjes op de grond gezet te worden,
en wel bij Nineve? En zou vijf ook niet voldoende zijn om de boeken
van Mozes te tellen? De vijf dienen gewaarschuwd
te worden. Waarom? Ze hebben Mozes en de profeten toch? Maar naar hen
zullen ze misschien niet luisteren. Laat er iets ongelooflijks gebeuren.
Laat de broeder Lazarus verrijzen uit de doden (vergelijk Lucas 15,
32 na 15, 24)! Dan geeft Abraham een
wonderlijk antwoord. Als je niet luistert naar Mozes en de profeten,
zul je je ook niet laten gezeggen door iemand die uit de doden opstaat.
In de gangbare lezing is aldus Boontje om zijn loontje gekomen. Maar
de lezer, een verhaal rijker geworden, dient behoedzaam te zijn. Iemand
die uit de doden opstaat,
is het onderwerp van het evangelie! Als je niet luistert naar Mozes
en de proféten..., zul je dan wel verstaan wat iemand‑die‑uit‑de‑doden‑opstaat
zegt? Lucas' verhaal over
de arme Lazarus en de rijke vrek is een wonderlijk verhaal. Er is veel
meer verteld dan een anekdote, opgetekend uit de mond van iemand die
klaarblijkelijk van verhalen leefde, die wist waar Hij verhaal op had,
die van schrijven wist. Wie het verhaal leest of hoort, kan nauwelijks
aanleiding tot leedvermaak hebben. Bezorgdheid past, en aandacht, opnieuw.
Want Mozes en de profeten zijn voor veel christenen slechts een gesloten
boek. Alsof daar niet geleerd kan worden, wat het
betekent, uit de doden op te
staan. Tegelijkertijd laat het verhaal horen, hoe de mens in het
voorportaal, de arme, verzekerd is van zijn plaats, en alle aandacht
vinden zal. Uit: jan engelen, joods (?) christelijk, over afstand en nabijheid,
Gooi & Sticht, Hilversum, 1983 |