GODSDIENST MJ_ D2 Om te
beginnen: op de Hogeschool IPABO heet dit vakgebied katechese.
Dat woord is al eeuwenlang een erkend woord voor het bestuderend en
leren bezig zijn met de tradities van het christendom (oorspronkelijk
in een vooral grieks sprekende wereld). Katechese is afgeleid van Katecheoo.
Het betekent echoën, weerklinken, meeklinken, resonare. Het woord is
nogal individueel. Het gaat immers om de echo van mijn stem, mijn woord
of antwoord. Tegelijkertijd is de echo ook een klank ten gevolge van
wat anderen doen, dus enigermate sociaal georiënteerd. (Ik geloof
staat nooit los van wij geloven, ook al is geloven altijd persoonlijk.
MJ schrijft:
Hier zijn mijn 3 verhalen over Lukas. Ik heb creatieve lessen verzonnen met een inhoud. De inhoud is afgeleid van de 3 verhalen uit het evangelie van Lukas. De meeste lessen kunnen gegeven worden in groep 3 en 4. Aan het begin van zijn optreden was Jezus ongeveer dertig jaar. In zijn stamboom was hij de zonen van wel meer dan 30 vaders. Een stamboom, was is nu precies een stamboom, welke informatie vind je daarin, hoe kun je dat lezen en hoe kun je er zelf een maken? *Voordat de kinderen leren hoe ze een stamboom moeten lezen, gaan we ze eerst de namen van de familieleden leren. Vraag aan de kinderen om een familiefoto mee naar school te nemen. Je kunt aan de kinderen vragen waar is deze foto gemaakt? Welke familieleden staan er allemaal op? Vraag aan de kinderen wie er allemaal bij een familie horen. Begin eerst met het gezin, daarna met de directe familie en tot slot de aangetrouwde familie. Je kunt hier ook een spelletje van maken, door vragen te stellen als: noem iemand van je familie. Wie is dat? (mijn zus, mijn oom, mijn nichtje). Vraag daarna welke familienamen er nog meer zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan ouders die voor de tweede keer getrouwd zijn(halfbroer, stiefvader) en aan verre familieleden (achterneef, oudoom). De kinderen gaan hierna een tekening maken van hun hele familie. Onder elk familielid zetten ze de roepnaam en de relatie tot die persoon, bijvoorbeeld: mijn broer Hans. Als iedereen klaar is met tekenen worden de verschillende tekeningen besproken. De kinderen kunnen dan vragen stellen over elkaars familieleden. Laat hen daarbij ook kort vertellen welke rol de verschillende familieleden hebben. Is er iemand die altijd de tafel moet dekken of moet afwassen? Enz. *Nu weten de kinderen hoe een familie in elkaar zit, we gaan nu een stamboom maken. Teken een stamboom op het bord. Je kunt daarvoor zelf een stamboom bedenken, een bestaande stamboom nemen. Vertel de kinderen dat je op deze manier duidelijk kunt maken hoe een familie in elkaar zit. Laat hen kort de stamboom uitleggen en reageren op elkaar. Laat de kinderen de verschillende familieleden spelen. Een aantal kinderen kiezen een andere naam. Vervolgens wijs ik twee kinderen aan en vraag: hoe heten jullie en wat zijn jullie van elkaar? (broer en zus, oom en neefje, vader en zoon, enzovoort). Hierna lezen de kinderen de stamboom zelfstandig. Elk kind kiest een naam uit de stamboom. Daarna schijven de kinderen zoveel mogelijk informatie over zijn of haar familie op een blaadje. Bijvoorbeeld: Ik ben Kim. Mijn man heet Piet. Ik heb twee kinderen: Birgit en Katja. Ik heb twee broers, Kees en Ralf, en een zus Debbie. Ik heb ook nog een zwager Mark en een schoonzus Maria. Mijn neefjes zijn Joost, Freek en Theo. Na afloop mogen enkele kinderen hun familieverhaal voorlezen. De andere kinderen controleren of alles klopt met de getekende stamboom. Wanneer je nog voldoende tijd hebt, kunnen de kinderen proberen een eigen stamboom van hun familie te tekenen. Laat ze hierbij dezelfde vorm kiezen als de stamboom op het bord, dus ze moeten beginnen met hun eigen oma en opa. Beste
MJ. Het is wonderlijk dat een lijst van namen meteen leidt tot een concept
over stambomen. Jij vindt dat blijkbaar heel aardig. Je begint uitgebreid
een boom op te zetten over stambomen, inclusief alle complicaties die
tussen en in families. mogelijk zijn. Maar is dat de enige manier om
die namen te lezen? Let
wel: ik heb er niets tegen om met kinderen dit werk te verzetten. Het
kan heel goed zijn om een tipje op te lichten van de sluier die hangt
over bij wie hoor je? Ik bedoel:
het zoeken naar stambomen gaat nooit over het afstammen van – tenzij
wanneer een erfenis in geding is – maar altijd om het horen bij. Voor
de kinderen ga je na bij wie ze kunnen horen. Lukas geeft zo'n lijst
van namen om aan te geven bij wie Jezus hoort. Hij vertelt dat precies
nadat bij de Jordaan duidelijk geworden is hoe over hem heen de hemel
open gaat – en dus iets verteld wordt over dat en hoe hemel en
aarde bij elkaar horen. Die
Jezus van dertig jaar heeft dus wat te maken met Jozef die in Genesis
41,46, aan het begin van zijn loopbaan in Egypte ook 30 is. David is
ook 30 als hij koning wordt in 2Sam 5,4. Zelf
denk is dat al die namen ons niet zoveel zeggen. Pas bij Abraham kom
ik op bekend terrein. En Seth vind ik ook spannend. Dat is de nieuwe
zoon na Kaïn en Abel. Abel is dan al gestorven en Kaïn is zwerver geworden.
Heel interessant vind ik dan dat Lukas in een adem door zegt: zoon van Adam, zoon van God. Waarom is dat interessant? Om die vraag te beantwoorden moet je natuurlijk zoeken naar wat wij volgens het verhaal met Adam te maken hebben. Zegt dit iets over ons? Jezus gaat met een stel vrienden in een bootje het meer op. Al snel viel Jezus in slaap. Op een gegeven moment komen er donkere wolken. De golven werden hoog en het begon te stormen. Er kwam allemaal water in de boot. Ze konden niets meer doen. De vrienden werden bang maar Jezus niet, die bleef rustig door slapen. De vrienden maakten Jezus wakker. Toen Jezus wakker werd, riep hij: Dat mag niet. Zo makkelijk mag dat water ons niet hebben. Laten die golven ophouden! Vooruit! De storm woei over de boot heen en ging steeds verder weg. Je stijl
vind ik mooi. Je woordkeus maakt een tempo hoorbaar, een energie. Dat
neemt je op in die boot en laat je mee wiebelen, dreigend. Zoals de
film Ennemy at the gates je in de eerste tien minuten in een
trein laat meedeinen, je vol schrik laat meekijken naar exploderende
boten op de Wolga voor Leningrad om je uit de trein te jagen, de boot
in, naar de overkant. Vliegtuigen duiken schietend, opspattend bloed.
Mensen proberen te vluchten in het water en worden neergeschoten. In
tien minuten kun je via de media veel meemaken. Zo ook in dit verhaal,
zeker wanneer je het zo vertelt. Wat is storm, hoe ziet dat eruit? *Vraag de kinderen waaraan ze denken bij het woord “storm”. Laat ze kort enkele dingen noemen. Schrijf midden op het bord het woord “water”. Vertel aan de kinderen dat ze om de beurt een woord op het bord mogen schrijven dat met storm te maken heeft. Tijdens het schrijven mogen ze niets zeggen, zodat iedereen rustig kan nadenken. De kinderen schrijven woorden op het bord die met storm te maken hebben. Ze schrijven die rond het woord “storm”dat in het midden van het bord staat. Het is duidelijker wanneer de kinderen kleurkrijtjes gebruiken. Als alle kinderen een woord op het bord hebben geschreven, kun je het woordveld aanvullen door te vragen of de kinderen nog meer woorden weten. Bespreek het woordveld door de kinderen te vragen wat de woorden met storm te maken hebben. Op die manier maken ze ongemerkt een inventarisatie van het ontstaan van een storm. Vul het woordveld zo nodig zelf aan, door de woorden: wind, golven, bomen, boten, onweer enz. Als afsluiting maken de kinderen een tekening van een flinke storm. Bijvoorbeeld: een boot op zee in de storm of een bos in de storm. *Tijdens een storm regent het ook altijd. Je kunt met de kinderen een regenmeter maken. Vraag de kinderen wanneer het voor het laatst heeft geregend. Viel er veel regen? Regende het hard? Regende het lang? Vraag hoeveel regen er toen is gevallen. Laat een blikje of potje zien om dat te kunnen schatten. Vraag of het helemaal vol geregend zou zijn. Laat de kinderen schatten hoeveel regen er in een uur valt en noteer dat op het bord. Laat de kinderen op een regendag enkele legen blikje of potjes buiten zetten. Als je over maatbekers beschikt, is dat nog handiger. Na een uur laat je de kinderen de regenmeters opmeten of naar binnen halen. Kijk met de kinderen hoeveel regen erin zit en noteer dat op het bord. Vergelijk de gegevens met de voorspellingen van de kinderen. Herhaal dit enkele malen om een reëel beeld te krijgen. Noteer eventueel op het bord of het hard of zacht regende, of het voortdurend regende of met tussenpozen enzovoort. Concludeer na diverse regenmetingen hoeveel regen er gemiddeld per uur naar beneden komt. Vraag ook waar het regenwater blijft en waar het in de bodem naartoe gaat. MJ. Je bent consequent.
Je pakt een verhaal om naar het weer toe te gaan. Ik merk dat ik dat
niet eerlijk zeg. Om een of andere reden blijft het beeld van die storm
op het meer bij je hangen en je doet er iets mee. Je ziet het als een
trein die je brengt bij storm en andere aanverwante dingen om te onderzoeken.
Dat is didactisch
en verkooptechnisch slim. Maar ik zou daar gewoon mee beginnen. Daarna
overstappen naar het verhaal. Waarom worden wind en water hier stug gemobiliseerd om die arme jongens in dat miezerige
bootje de doodschrik op het lijf te jagen? Terwijl Jezus simpel slaapt!
Hij heeft er helemaal geen erg in. Om even heel snel
te gaan: Heeft dat te maken met alles wat in het verhaal nog komen gaat?
Aandacht vangt ook:
hij hoeft maar een woord te zeggen en het is afgelopen. O nee, het begint
pas: Wie is deze!? Dat is dé vraag. Wie is dit! (Waarom een uitroepteken
achter dé vraag?) Na het voorafgaande
ben ik benieuwd wat je met het volgende gaat doen. 24,13
Pasen Het
paasfeest. Met Pasen vieren wij de verrijzenis, de opstanding uit de dood, van Jezus. Het is het feest van de overwinning op de machten van de dood en de zonde. De herdenking van het lijden van Jezus komt vooral tot uiting in de week voorafgaand aan het paasfeest. Deze week heet de goede of heilige week. Op palmpasen, de zondag voor Pasen, wordt de intocht van Jezus in Jeruzalem herdacht. De mensen wijden palmtakjes, meestal buxustakken, in de kerk. Ze nemen de takken mee naar huis en wijden op die manier hun huis. Witte Donderdag is de dag waarop het laatste avondmaal door Jezus en zijn apostelen herdacht wordt. Goede Vrijdag staat in het teken van het daadwerkelijke lijden en sterven van Jezus. Paaszaterdag is de dag van de grafrust en op zondag wordt de verrijzenis gevierd, het blijde paasfeest. Eerste paasdag valt altijd op een zondag en tweede paasdag altijd op een maandag. Op welke zondag Pasen valt, hangt af van de maan. Het is eerste paasdag op de eerste zondag na de eerste volle maan na 21 maart. Weten de kinderen wat Pasen is en hoe dat gevierd wordt? *Vertel de kinderen dat het binnenkort Pasen is. Vraag of ze weten wat voor dag dat is. Vraag hierna wat de kinderen thuis op die dag vieren. Dit zal, afhankelijk van de kinderen van de groep, verschillende antwoorden opleveren. Probeer het gesprek zo te leiden dat je na afloop antwoord kunt geven op de onderstaande vragen. Deze vragen dienen slechts als leidraad. Stel ze niet op deze manier aan de kinderen. De vraag die je steeds aan de kinderen stelt, is steeds: wat wordt bij jullie thuis op die dag gevierd? -Bij wie wordt het christelijke paasfeest gevierd? Hoe wordt dat gevierd? Thuis, in de kerk of allebei? Wat gebeurt er in de kerk met Pasen? Wat voor verhaal wordt er verteld of voorgelezen? Hoe lang duurt Pasen? Wat wordt er thuis gedaan? (lijdensverhaal van Jezus, paasboodschap van de paus op televisie, eieren zoeken enz.) -Bij wie wordt niet speciaals gevierd? Wat doen de kinderen dan met Pasen? (eieren zoeken, familiebezoek, enz.) -Is er wel eens iemand jarig met Pasen? Is dat elk jaar zo? Vertel als conclusie dat Pasen op verschillende manieren gevierd wordt: sommige mensen gaan naar de kerk of naar de synagoge, andere blijven gewoon thuis. Vertel ook dat Pasen elk jaar op een andere datum valt. Daarom zijn er kinderen (en volwassenen) die het ene jaar wel met Pasen jarig zijn en het andere jaar niet. Laat de kinderen tot slot een tekening maken over hoe bij hen thuis Pasen wordt gevierd. *De rebus Je vindt hier de poort van Jeruzalem. Om de verborgen boodschap op de muur van de poort van Jeruzalem te vinden, moeten alle stenen die meer dan vijf keer voorkomen roodbruin gekleurd worden. De letters die overblijven vormen samen een tekst uit de Bijbel. Het is jammer dat ik de rebus niet gekregen heb. Je draagt hier elementen
bij elkaar die duidelijk gaan in de richting van het verhaal. Bij de
eerste twee teksten ga je uit het verhaal, hier omgekeerd. Laat het nog even groeien.
Gun het wat tijd. En als je meer commentaar wil: vragen en volhouden. Fijne feestdagen en
gegroet. Jan Engelen, 24 december
rond een uur of zes. |