De arme weduwe van Lukas 21,1-4

 

 

In Lukas 22 komt het verhaal over het laatste avondmaal en de arrestatie van Jezus. De weduwe uit Lukas 21 komt derhalve van vlak voor het einde van Lukas. 

 

Het voorafgaande hoofdstuk, Lukas 20, is vol dreiging. Lukas 20 volgt na de tempelreiniging, aan het einde van Lukas 19. Het schoon vegen van het tempelplein lijkt de directe aanleiding tot zijn arrestatie. "Wie denkt hij wel dat hij is!", lijken zij, de representatieve figuren van Jerusalem, te zeggen. Met die vraag begint Lukas 20.

 

"Wie heeft jou de bevoegdheid gegeven? Namens wie doe je dat?"

            Jezus beantwoordt hun vraag met een wedervraag. Over het gezag dat Johannes de Doper had. Was dat vanuit de hemel of vanuit de mensen? Zijn vraagt maakt twee alternatieven duidelijk. Gegeven Genesis 1 zijn er twee mogelijkheden. Of de hemel mandateert je, of de mensen. Daarop beginnen ze te redeneren.

"Zeggen we vanuit de hemel, dan zal hij zeggen: waarom heb je hem geen vertrouwen gegeven. Zeggen we vanuit de mensen, dan zal het volk ons stenigen." Dus zeggen ze: we weten het niet. En Jezus zegt: "Dan zeg ik het ook niet?" Is dat zoiets als:"Lekker puh!"? Dat is onwaarschijnlijk. Het gaat hier niet over onderling gekrakeel. Het gaat hier over iets heel anders.

Zij nemen geen beslissing. Ze kiezen niet. Alsof het hen niets uitmaakt waar het gezag vandaan komt.  Hen interesseert alleen de consequenties van hun uitspraak. "Zeggen we zus, dan zo, zeggen we dit, dan dat!" Dus zeggen we niks.

Ze blijken niet over het verlogen te beschikken om te oordelen. Ze menen een vraag te kunnen stellen om hem de mond te stoppen en zijn in een antwoord niet geïnteresseerd. Door geen stelling te nemen blijven zij aan de kant. Welk antwoord Jezus ook geeft: ze horen het niet. Ze luisteren niet naar hem. Ze doen alleen wat hen dient. Daarvan geeft de volgende parabel dan het gruwelijke voorbeeld.

De spanning wordt om te snijden. Maar hem arresteren lukt nog niet. (Straks zal blijken dat niet de buitenstaander desastreus is, maar Juda, een van de twaalf, een insider. De 12 zijn in Juda niet onschuldig. De leerlingen van Jezus zullen zich bij Lukas niet vrij pleiten.)

 

Dan komt het verhaaltje van de weduwe, gevolgd door de dreigende toon. Het gaat over rampen en oorlogen[1]. Zo vlak voor het einde is dat begrijpelijk. En er is meer.

 

Lukas, het evangelie, is ontstaan rond het jaar 70.

Het jaar 70 heeft geschiedenis gemaakt door de verwoesting van Jerusalem en de tempel door de Romeinen. Daarmee komen we bij een belangrijk knooppunt.

 

De dood van Jerusalem betekent de geboorte van minstens twee boeken

De dood  van Jerusalem.

Daarmee wordt bedoeld: het einde van Jerusalem. Twee keer is Jerusalem verwoest. Door Babylon in ongeveer 580 voor, door de Romeinen in 70 na het begin van de gangbare jaartelling. Daarom twee boeken.

   Waarom "minstens twee"? Daar hoort een langer verhaaltje bij. Je moet je goed realiseren, de eerste christenen zijn allemaal joodse mensen. Zij leven allemaal zoals dat gangbaar was. Ze gingen naar de synagoge en de tempel.

   De verwoesting van de tempel door de Romeinen betekent een totale ontwrichting van de gemeenschap. Het middelpunt is verdwenen, de spil er uit. Wanneer men weer op adem begint te komen is "de gemeenschap' een levensgroot probleem.

   Om alle verdere onrust te voorkomen neemt de joodse gemeenschap een beslissing die neem komt op: je bent of jood of je bent christen.

 

(Die regel geldt nu nog. Een jood die christen wordt geldt in de joodse gemeenschap als niet meer jood. Zo iemand zal zelf zeggen: mijn moeder is joods dus ik ben joods – maar dat verandert aan de problematiek niets. Een probleem dat duurt.)

 

Er ontstaat dus een afstand en verwijdering tussen joden en christenen. Voor de buitenwereld zijn ze hetzelfde, voor elkaar verschillend.

 

Dat verschil wordt nog onderstreept, zelfs desastreus, wanneer het christendom door Keizer Constantijn staatsgodsdienst wordt.

 

Binnen de joodse gemeenschap is er de angst dat met het wegvallen van Jerusalem en de tempel ook de mondelinge tradities verloren zullen gaan. Zo nemen zij het besluit, de joodse mondelinge traditie op te gaan schrijven. Daarvoor deden zij dat niet. Want wat geschreven is dat maakt de indruk dat het vast ligt. Wat opgeschreven is verandert langzaam. Nu wordt de mondelinge traditie opgeschreven. Dat wordt de Talmoed.

Binnen de christelijke gemeenschap wordt ook de noodzaak duidelijk om de gegroeide verhalen vast te leggen. Zodoende ontstaan de 4 evangeliën. Markus kort voor 70 waarschijnlijk, Mattheüs Lukas vrij kort daarna en Johannes iets later. Let wel: de verhalen bestaan al langer. De tijd tussen 30 en 70 is mondeling overbrugd door groeiende tradities. Wat gegroeid is wordt nu vastgelegd, min of meer vaststaand.

Zodoende begint hier wat later het zogenoemde Nieuwe Testament wordt.

 

De verwoesting van Jerusalem betekent dat het, de geschiedenis, niet vanzelf doorgaat. De verwoesting van de tempel en alles daaromheen wordt een alles bepalende zwarte vlek. Jodendom en Christendom gaan uiteen.

           

Wanneer de evangelisten in de buurt van hun eigenlijke[2] onderwerp komen, het lijden, sterven en verrijzen komen, dan komt alles bij elkaar. De dreiging van Jezus sterven maakt ook de dreiging voor Jerusalem dominant. Kortom: wanneer het verhaal afscheid neemt van Jezus onderweg, neemt het ook afscheid van Jerusalem. Zo wordt het einde van het evangelie altijd gelezen in samenhang met het einde van Jerusalem.

 

 

Dat dreigende verhaal wordt voorafgegaan door een heel kort simpel verhaaltje.over de weduwe die een paar muntjes offert.

 

Waar heel het volk verzameld is, verzamelen zich ook de grote heren die gezien moeten worden. Een soort systeemneurose is dat: goede sier maken. Grote gebaren, grote gewaden, grote plaatsen, onmisbaar voor het oog, vooraan. Je hoeft niet eens te kijken. Je weet zo wat er gebeurt wanneer het volk verzameld is.

 

Opkijkend

Opkijkend zegt hij. Wie "hij"? We krijgen te horen wie "hij" is. Het isa degene die zo kijkt, die zo spreekt. Die zich zo kennen laat en te kennen geeft.

Je ziet de rijken hun gaven werpen in de offerkist. Als dat gebeurd is zie je de behoeftige weduwe. Het arme mens. Een weduwe is iemand die het verbond kent. Nu haar man gestorven is weet ze wat ze mist. Zij leeft in het gemis, als gemis. En daar komt ze met haar twee muntjes. Weg.

Hij, de opmerker, blijkt anders te rekenen dan de rekenkunde suggereert[3]. Die paar muntjes blijken meer te zijn dan wat deze allen geleverd hebben. Haar habbekrats vertaalt hij in hapanta ton bion¸ haar hele leven. Uit haar gebrek geeft zij haar hele leven. Daarin lijkt zij op hem, vlak voor zijn lijden en sterven. Hij identificeert zich met haar en zijn legt uit wat hij gaat doen.

 

En er is meer.

Dat bemerk je als je verder leest. De weduwe is ook een beeld van de verlaten stad, van het arme volk. Jerusalem, de opgegeven stad – met de verwoesting voor ogen – is de stad waarmee hij zich identificeert. Met heel zijn leven is het zijn stad. De stad waarheen hij in 19,28 voor gaat, op naar Jerusalem. Alle leerlingen zeggen daar: Gezegend hij die komt, de koning, in de naam van de Heer; in de hemel vrede[4] en eer in de hoogste hemel (Lukas 19,38).

God zal zich in die stad ontfermen over haar koning, ontfermen over zijn volk.

 

 

 



[1] Deze teksten worden altijd in november gelezen, met het oog op het jaar als aflopende zaak, rond het einde van het kerkelijk jaar. Vanaf vier weken voor Kerstmis gaan de kerken weer lezen naar Kerstmis toe. Het zijn de vier weken van de advent (komst). Met het einde van het jaar voor ogen bedenken we nog eens, dat alle zaken nogal tijdelijk van aarde zijn. Het is zaak een gewaarschuwd mens te zijn.

[2] Het eigenlijke onderwerp van het evangelie is waar de verhalen naar toe willen, dat wat hen bepaalt en afsluit, de geschiedenis van Jezus in Jerusalem, veroordeeld door de mensen, bevrijd door God. Op de vraag:"Wie is die Jezus" zijn alle voorafgaande hoofdstukken geschreven. Daarom is de vraag:"Wie is hij?" een prima vraag. Ze maakt het verhaal mogelijk.

[3] Een bijdehandje merkt op: hier moet je procentsommen maken!

[4] Als je niet oppast denk je op palmzondag dat het kerstmis is.