Verzoening
- een notitie Intro Over
verzoening is al zoveel te doen geweest. Congressen, artikelen, discussies.
Het kan nauwelijks meer zin kan hebben, daar nog aan toe te voegen.
Maar wie weet. De teksten van Emmanuel Levinas blijken
de kunst te verstaan, bekende woorden in een onverwacht licht te plaatsen.
Dat intrigeert. Je wordt betrokken bij een kwestie, een queeste, een
vraag. Als hetzelfde anders is, hoe zit het dan? Met betrekking tot
verzoening kan het toch niet zo zijn dat 2000 jaar christendom iets
vergeten heeft dat er wezenlijk toe doet? Onderstaande
zou het vermoeden kunnen doen ontstaan, dat er mogelijk een blinde vlek
is, een te weinig geziene verbinding van zaken. De tekst opent met een
citaat in een weergevende vertaling. Voor de oorspronkelijke tekst,
zie Emmanuel Levinas, Autrement qu’ëtre ou au-delà de l’essence, Den Haag 1974, p.151. Ab Kalshoven geeft in
Anders dan zijn (Baarn, 1991) deze paginering
aan. Twee
opmerkingen vooraf. De
frase: “Ik is een ander” wekt de indruk te vergeten, dat “ik” eerste
persoon enkelvoud is. Het zal “ik ben” moeten zijn. Bij nader toezien
blijkt de geciteerde dichter het te hebben over ik in de derde persoon.
Het gaat over Ik als "me" (het Zelf). Bij wijze van spreken:
ik kom mezelf tegen. Het
citaat eindigt met enige opmerkingen waarin de verhouding tussen het
Ene en het goede aan de orde wordt gesteld – een klassiek wijsgerig
thema. "Wat is het goede?" zal leiden tot
Wie is de goede?" Levinas reikt hier tal van omschrijvingen
aan. Een fascinerende parafrase is: …
le mieux que l’être, c'est-à-dire le Bien: wat meer is dan zijn,
dat wil zeggen het goede (23). Het
citaat “Ik
is een ander” – maar niet in de zin van de poëtische vervreemding die
Rimbaud beschrijft. “Ik is een ander”. Het ik is niet te plaatsen, valt
buiten iedere plaats. Het Ik is dat wat voorafgaat aan het zichzelf
autonoom voor het voetlicht brengen (auto-affectie). Het ik gaat ook
vooraf aan de identiteit die in zichzelf tot rust komt. Passief draagt
het Ik het gewicht. Het draagt de/het Andere. Uitgerekend dat maakt
het Ik uniek. Subject zijn betekent hier: geen deel meer uitmaken van
de bestaande orde waarin het onderscheid actief /passief nog betekenis
heeft. Hier dient men te spreken over verzoening. Identiteit en anders-zijn komen hier bijeen. Ik in de zin van Me, is niet een zijnde
dat “over het vermogen beschikt”, verzoening te doen voor de anderen.
Het is die
oorspronkelijke verzoening zelf - onvrijwillig. Onvrijwillig, want
die keuze is voorafgegaan aan het initiatief van het willen, voorafgegaan
aan mijn initiatief, mijn oorsprong. De eenheid en uniciteit van het
Ik wordt als het ware bepaald door het gewicht van de ander op zich
te nemen. Het Zich is in die zin het goede. Het ziet af van ieder hebben,
van ieder van mij of voor mij. Dit
voert tot en met het: plaats maken voor de ander, substitutie. Het Goede
is het enige attribuut dat, onderscheiden van het Ene, geen vermeerdering
van het Ene, het subject tot stand brengt. Door zich aan de ene te laten
zien zou zij in hem niet meer het goede zijn. Het goede legt beslag
op mij wanneer ik gehoor geef aan het Goede dat verborgen is."
(Autrement ... p. 151. De
vetgedrukte woorden zijn door de auteur van deze notitie meer centraal
geplaatst.) De
notitie Zijn
wij er niet van overtuigd, dat alle mensen gelijk zijn? Ik ben een mens
als ieder ander. Dat is herkenbaar. Als ik huil komen er tranen, anderen
hebben dat ook. Als ik honger heb … enz.
Toch, het samenvallen met anderen dat daarvan uitgaat blijkt
om bijstelling te vragen. Het ik valt uiteindelijk niet samen met de/het
andere. Het ik valt buiten ieder begrip, buiten ieder concept. De klassieke
theologie leert dat. Ieder mens is een schepping apart, een uitzondering.
Daar is geen algemene noemer. Mensen zijn als appels en peren: ze zijn
niet optelbaar. Daarom ook is het spreken over “mannen” en “vrouwen”
te zeer een generalisatie om enige betekenis te hebben. Ieder weet dat.
Vraag
wordt derhalve: waar moet ik “het ik” dan zoeken? Ietwat vereenvoudigd
zegt Levinas: nergens. Wat er ook door anderen of door mij over mij
gezegd wordt: ik ben eigenlijk nergens onder te brengen, steeds anders.
Ik ga vooraf aan alles wat over mij gezegd is of kan worden. Meer dan
gezegde ben ik immers degene die zelf zegt. Zodra
de wereld ophoudt, zodra de ander mijn wereld op losse schroeven zet,
de grond onder mijn voeten weghaalt, mij roept, - begin ik. Mijn spreken
en kunnen spreken mag historisch dan wel resultaat van een geschiedenis
zijn, maar nu ik spreek, spreek ik. Heden. Ontheemd (zie Ps 119,19)
vind ik eerst plaats voor het aangezicht, het verschijnen van de ander.
Nu, achteraf gezien, bleek ik eerst enkel te kunnen wat in mijn vermogen
lag; voor het aangezicht van de ander doe ik een stap terug, of een
stap vooruit. Deze stap overschrijdt immers mijn mogelijkheden. In mijn
antwoord ontstaat er zoiets als een richting, een doel. Het
verschijnen van de ander interrumpeert mijn vanzelfsprekendheid. Voor
de ander maak ik plaats. Levinas noemt dit de substitutie. De gangbare
Nederlandse vertaling plaatsvervanging
gaat te gemakkelijk de richting op van wat
jou overkomt, overkomt mij, plaatsvervangend lijden, enz. Het subject,
het zich, het onvoorwaardelijke, eigenlijke ik dat ademt, in-ademt (vgl
Gen 2), is het sub-jectum, het er onder gelegde,
het er onder geworpene, degene die op wie voor het aangezicht van de
ander het gewicht van de wereld neerkomt. (Autrement…,
bijv. p.147 of 208 … zich,
substitutie voor de ander, subject-zijn in de zin van ondergeschikt
– onderworpen - zijn aan alles, in de zin van helemaal
dragen en het allemaal verdragen. Het verschijnen van de ander met al
zijn gewicht (hebr. Kabood)
brengt mij tot spreken. Ik moet wel. Toch is dit spreken geen vervreemding.
De Ander in het Zelf is mijn substitutie ten overstaan van de ander.
Dit is mijn verantwoordelijkheid, mijn eerste en eigenlijke
spreken. Gedagvaard, verantwoordelijk gemaakt, ben ik onvervangbaar,
uniek. Door de ander, voor de ander, maar zonder vervreemding; geïnspireerd.
Geïnspireerd-zijn, psychè zijn, ik. (Autrement
146.) Al sprekend overschrijd ik de grenzen
van mijn status quo. Het verschijnen van de ander, mijn spreken, brengt
betekenis tot stand. In bijvoorbeeld “na U” of “gaat uw gang” eerbiedig
ik het verschijnen van de ander. Het proces dat betekenis tot stand
brengt, het spreken, is de ethische
bevrijding van het Zich. Ten overstaan van de ander substitueer ik mij.
Substitutie voltrekt zich als verzoening ten overstaan van de ander
… Bevrijding op zich. Een Ik is wakker geworden is uit zijn imperialistisch
dromen, uit zijn alles overstijgend imperialisme. Wakker geworden en
tot zichzelf gekomen, duldzaam in de zin van ondergeschikt zijn aan
alles. Spiritualiteit. De Oneindige gaat voorbij. Dit voorbijgaan is
ouder dan de tijd van de herinnering, dan ik mij heugen kan. Diachronie,
van alle tijden, zonder geheugen en zodoende buiten alle tijd. Verzoening
voor de ander … (Autrement,
209) Enkele
afrondende opmerkingen. Traditionele
theologische begrippen blijken kleuren. Zij kunnen een rol spelen in
het portret van de mens. Ecce Homo. Deze begrippen horen derhalve niet
expliciet tot een jargon. Zij reiken hier en nu betekenis aan. Vanuit
hier en nu mogen en moeten zij dan ook verstaan en geijkt worden. Hier
en nu vindt openbaring plaats. Misschien
beschrijft het begrip verzoening een intrige waarin autobiografische
basiselementen op te sporen zijn. Het woord verzoening beschrijft het
proces dat voorafgaat aan iedere kwestie van schuld en boete. Verzoening
is meer een synoniem voor hier
ben ik, zich niet ontrekken aan. Menig verhaal uit de bijbelse traditie
gaat hier open. (Vergeet daarbij niet het gedrag van Isaäk in Gen 22
volgens de Midrasj: sacrifice
sans réserve, offer zonder voorbehoud. (Autrement
18. Zie ook in de discussie met Kant: de ruimte als het opene dat niet
bedekt. Levinas cursiveert (226): het niet-beschermen.
Voor Isaäk, zie Bereishis/Genesis, vol II, Mesorah Publications, Brooklyn,
New York, 1978, p. 799. Zie ook Genesis Rabbah 56:8. Op de eerste dag
van Rosj Hasjanah (Joods Nieuwjaar) leest de synagoge Gen 21, de geboorte
van Isaäk. De tweede dag Gen 22.) Nergens
in Autrement schrijft Levinas
over verzoening met de ander. Wel voor
de ander (p. 179, 209). Dat
is iets geheel anders. Verzoening, transitief begonnen, blijkt uiteindelijk
intransitief, kent geen lijdend of meewerkend voorwerp. Levinas
noteert enkele keren, dat zijn teksten geen theologie bieden. Blijkbaar
realiseert hij zich dat zijn werk theologische mogelijkheden heeft.
Onze plaats is inderdaad onzeker wanneer het Oneindige zich afspeelt
op de plaats waar wij leven. De Torah spreekt in haar aanhef dan weer
over hemel en aarde. Dat is toch iets anders dan hemel en kerk. Het
mysterium tremendum ac fascinosum
is dan niet meer elders maar hier en nu. Denk daarbij aan staan
voor het aangezicht (Elia, 1 Kon 19: 11 vgl Ex 33,11) en Heden,
indien gij mijn stem hoort (in de woestijn, Ps 95:7). Het
zou kunnen zijn dat het een vertaalprobleem is. Het Franse expiation betekent boete(doening),
verzoening (Van Dale). A.Kalshoven geeft in zijn vertaling soms
beide woorden. Soms volstaat hij met boetedoening.
Zie eventueel Autrement 17-19,
141, 148, 150-152, 161, 179, 185, 187v, 209. Maar ook boeten betekent op de eerste plaats herstellen, verbeteren, goed maken. Bij
verzoening gaat het niet exclusief of primair over: ik vergeef jou.
Ware dat wel zo, de plaats waar mensen leven is dan enkel een slagveld
van feodale machten en krachten. Ieder die een kind heeft of het geluk
heeft gehad, zelf kind te mogen zijn, weet dat het in werkelijkheid
geheel anders gaat. Dat mensen er ook willen zijn – als Noach, Abraham,
als Mozes, als Samuël. Enkel door eronder te gaan staan geschiedt het
woord – gerechtigheid. Ook bij de Jordaan klinkt dit als aanhef. Verzoening.
In Roermond is Christoffel, ondanks het wantrouwen van de historische
verantwoording, de patroon van
de kathedraal. Zijn naam is een programma, iets dat men dient te lezen,
een legenda. Christoffel is de veerman die
zonder het te weten het kind, Christus droeg. Er zijn. Je niet onttrekken.
De oude kerk kent als zodanig de theotokos
en de prodromos, de Moeder
Gods en de Voorloper van de Heer. Daarom staan Maria en Johannes op
iedere iconenwand in de oosterse kerken. In tal van personen en plaatsen
keren deze functionele namen terug. Er is genegenheid in herkend, verzoening.
Verzoening is zeggen (kunnen, durven, de moed hebben om te, of simpel
zeggen): hier ben ik. ©
Jan Engelen, Roermond, 18 augustus 1998.
|