Frederick

 

   

 

 

 

 

 

Frederik en Verhalen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klas D22

Cathy Biekens

Marianne ten Veen

Stella de Vries

Betsie Neijzing


ALGEMEEN

 

De opmerking vooraf de godsdienstlessen vonden wij interessant:

 

“Gun jezelf de tijd en ruimte om te wennen. Alles wat nieuw is moet wennen. Begrip (“Ik begrijp er niets van”) is vaak een kwestie van wennen. Je hebt dan nog geen plaats en kunt dus nog niets plaatsen.

 

In de basisschool is het ook zo dat niet iedere leerling vanuit thuis kennis over de bijbel mee krijgt. Gebeurt dit wel is het nog maar de vraag of het kind begrijpt waar het over gaat. Zeker als het vanuit een traditionele manier onderricht wordt.

 

Een schone taak om de verhalen zodanig te verwoorden dat ze interessant genoeg zijn voor de leerlingen om nieuwsgierig te worden. Dit is immers de basis voor het aanleren van kennis.

 

“De bijbel is een partituur” De begeleiding kan voor verheldering en nieuwe inzichten zorgen. Laat kinderen er wel betrokken bij zijn, laat ze meegaan in de verhalen en verleidt ze om grensverleggend bezig te zijn.

 

Blijf kinderen betrekken bij de verhalen dit om te voorkomen dat “ze er niets van blijven begrijpen”. De uitdaging ligt in de manier waarop en de verwerking.

 

Elke keer blijkt weer dat de oude verhalen uit de bijbel juist over hele actuele zaken gaan, deze integratie naar het heden is interessant.

 

Wij hebben in de voorbereiding gekozen om vanuit het heden naar het verleden te kijken en omgekeerd. Wij hebben zowel teksten uit het NT als uit het OT bekeken. Zeker omdat er heel veel raakvlakken waren met ons onderwerp.

 

Wij hebben als basis het prentenboek “Frederick” genomen. Dit hebben wij als een lijst rond een schilderij of foto beschouwd. Het biedt een kader geeft een plaats. Het is de bedding voor bouwstenen.

De volgende onderwerpen komen in het boek voor:

·         Eten verzamelen,

·         goed voor elkaar zorgen,

·         delen zowel in fysieke zin

·         als in emotionele zin

·         verwondering

 

Om de kinderen optimaal erbij te betrekken hebben wij verschillende lesvormen bedacht rondom bovenstaande thema’s.

 

We hebben een aantal bijbels gebruikt om de tekst goed te lezen:

Bijbel van het Nederlands Bijbelgenootschap; Groot Nieuws voor U; Woord voor Woord; Mijn eigen boek met bijbelverhalen.

 


 

De lessenserie gaat er als volgt uit zien:

 

  • Les 1: Introductie verhaal Frederick
  • Les 2; Herhaling van het verhaal Frederick in het kringgesprek en een koppeling naar Exodus 15, 16 en 17. Een keuze uit deze verhalen (kinderbijbel) wordt voorgelezen. Na het voorlezen wordt er gesproken over de overeenkomsten tussen beide verhalen. De les wordt afgesloten met een nieuw lied dat de kinderen leren. Het lied gaat over de waardering voor de dingen zoals ze zijn. De schoonheid en de rijkdom van het simpele zijn.
  • Les 3; Opnieuw wordt het verhaal van Frederick aangeroerd. Nu sturen we het gesprek aan op het delen wat de muizen doen en de wonderlijke deling van Frederick. Het gesprek leidt ons naar Exodus 16 en 17. De les wordt afgesloten met het zelf maken van een gedicht (elfje).
  • Les 4; De volgende link wordt gelegd van het verhaal van Frederick naar

Johannes 2. De wonderlijke uitwerking van delen. Met weinig kun je veel doen.

Slechts zon, kleuren en woorden had Frederick nodig = link naar het weinige dat de jongen had.

De les wordt verwerkt door de losse elementen uit Frederick door de kinderen te laten uitbeelden op A4 papier en die in les 6 op karton maken en gebruiken ter voorbereiding op de vertelpantomime.

  • Les 5 en 6 staan in het teken van het opmaken van de balans.(zie achterkant bord) Welke verhalen hebben we gelezen. Waar gingen die over. Waarom hebben we Frederick gelezen. De kinder beginnen een lijn waar te nemen in de verhalen. Deze lijn wordt nog duidelijker als we de klas in drie groepen verdelen. Ieder groep krijgt een lang stuk behang dat aan de wand wordt bevestigd. Het stuk behang wordt in drie delen verdeeld, ieder deel staat voor een deel van een verhaal. (aanleiding of begin, hoofdgebeurtenis of midden en gevolg/effect of eind) Elke groep krijgt een verhaal te verwerken, met verf en kwast beelden ze hun verhaal uit. De leerkracht heeft op een eigen stuk behang het verhaal van Frederick uitgebeeld (let op; niet te professioneel maar gewoon simpel) Als de opdracht klaar is kunnen de verhalen onder elkaar worden opgehangen en komen de overeenkomsten in beeld.
  • Les 6 staat in het teken van een vertelpantomime. De elementen uit het verhaal van Frederick worden op kartonnen borst boards uitgebeeld. Deze kunnen simpel over de schouders gehangen worden en van speler wisselen. Het verhaal van Frederick wordt nagespeeld.
  • Verdieping van deze activiteit is wanneer de kinderen zelf bedenken of en hoe ze de andere verhalen zouden kunnen naspelen. Ook hiervoor zijn de cruciale elementen makkelijk te maken van stukken beschilderd karton die omgehangen kunnen worden. (maak de kartonnen niet te groot zodat de bewegingsvrijheid blijft.) Hoofddeksels die iets aanduiden doen het ook goed.
  • De verhalen kunnen vervolgens voorgelezen worden terwijl de kinderen de tekst uitbeelden. Bij voldoende materialen en door kinderen zelfstandig te begrijpen teksten kan dit ook worden herhaald in een thema hoek. De borst kartonnen kunnen dan vervangen worden door kartonnen plaatjes op een stokje.

 

Het thema is ………. Delen.

 

Beginsituatie: Wij gaan uit van een blanco kennis ten aanzien van bijbelverhalen. Het is mij onduidelijk wat de groep weet met betrekking tot het geloof. Op school werken we er natuurlijk wel mee maar vaak is dit aan de zijlijn.

 

Deze lessenserie biedt een diversiteit aan werkvormen. Als uitgangspunt nemen we het verhaal Frederick en we laten de kinderen kennis maken met bijbelverhalen.

Het is bedoeld als eerste aanzet, deze lessen kunnen continue verdiept en uitgebreid worden. We starten met de serie in de middenbouw.


Les 1                   

Beginsituatie:

 

De kinderen zijn bekend met lessen waarin verhalen worden voorgelezen en dat deze later worden nabesproken. Ze zijn nog niet bekend met echte bijbelverhalen. Ze weten door Kerstmis en Pasen wel hoe die verhalen gaan maar andere verhalen zijn niet echt bekend.

 

Inleiding:

 

We gaan vandaag op een andere manier een boekje lezen. We gaan eerst eens kijken of we het verhaal wat in het boekje staat ook kunnen voorspellen door goed naar het boekje te kijken.

Samen met de kinderen bekijken we de plaatjes. De kinderen vormen hun eigen verhaal rondom de plaatjes.

De voorspellingen die de kinderen doen worden op het bord geschreven. De leerkracht laat de kinderen praten en voegt geen eigen mening toe.

Daarna wordt het boekje voorgelezen.

Deze inleiding zorgt er voor dat de kinderen een band krijgen met het verhaal en dat het gevoel wordt aangesproken. We brengen het verhaal hiermee naar het kind toe. De kinderen ervaren dat ze invulling kunnen geven aan een verhaal en dat een verhaal door samenhang een verhaal wordt.

In dit stadium van kennismaken met bijbelverhalen is dit een belangrijk onderwerp. Let er op dat de kinderen iets doen met het verhaal en zich niet alleen de plaatjes laten aanleunen.

 

Kern:

 

Kloppen onze voorspellingen? Hebben we de plaatjes goed begrepen? Waar ging dit verhaal over. Aan de hand van de voorspellingen en het echte verhaal wordt over de inhoud van het verhaal gepraat. De voorspellingen geven een ingang naar een ruimere vertolking van het verhaal. Kennelijk heeft niet iedereen hetzelfde beeld bij de plaatjes. Ook hier ben je bezig met kinderen voorbereiden op bijbelverhalen. Immers in het nieuwe testament zie je ook dat men ieder op zijn eigen wijze naar een verhaal (gebeurtenis) kijkt. Als dit onderwerp later aan bod komt kun je teruggrijpen op de didactiek van deze les. (“weet je nog hoe ieder van jullie een eigen verhaal had bij de plaatjes van Frederick?”)

Er is een gesprek over het verhaal maar ook over andere mogelijkheden in het verhaal.

Het verhaal wordt vanuit deze multi perspectiviteit  benaderd.

 

Afsluiting:

 

Wat is het aller aller belangrijkste uit het verhaal. Waar gaat het om. De kinderen leren de boodschap uit een verhaal te lezen. Dit is in de lagere groepen nog erg moeilijk dus leg de lat niet te hoog. Een implicatie uit een verhaal halen is wel de essentie van het lezen van een bijbel. Het is dus belangrijk dat kinderen al op jonge leeftijd en in simpele vorm kennis maken met deze strategie.

De aanpak van deze les moet gezien worden in een groter verband dan dat deze lessenserie biedt. Het is een aanloop naar verdere ontwikkeling en verdient ook een vervolg.


Les 2                    Lied

  • Les 2; Herhaling van het verhaal Frederick in het kringgesprek en een koppeling naar Exodus 15. Een keuze uit deze verhalen (kinderbijbel) wordt voorgelezen. Na het voorlezen wordt er gesproken over de overeenkomsten tussen beide verhalen. De les wordt afgesloten met een nieuw lied dat de kinderen leren. Het lied gaat over de waardering voor de dingen zoals ze zijn. De schoonheid en de rijkdom van het simpele zijn.

 

Koppel terug naar de vorige les. Herhaal de essentie van het verhaal van Frederick en breng het begrip “verhaal” in de cyclus. Wat is een verhaal. Kennen alle mensen de zelfde verhalen. Ook hier werk je aan het fundament waarop je straks met deze kinderen dieper kunt ingaan op verhalen, hun herkomst en hun uitwerking. Blijf er niet te lang bij stilstaan. De kracht zit in het herhalen. Immers iets wat herhaald wordt zal wel belangrijk zijn en blijft van nature hangen.

Leidt het gesprek dat er ook andere verhalen zijn die over vertrouwen, en delen en verwondering gaan. Leidt het gesprek naar de bijbel. (leg bijvoorbeeld voor in de klas een aantal verschillende kinderbijbel en gewone bijbel exemplaren op een tafel)

Kies een verhaal en lees het voor. Zorg ervoor dat je het verhaal eerst meerdere keren zelf gelezen hebt zodat je weet en voelt welke delen in het verhaal van belang zijn en een andere intonatie behoeven. De kinderen zijn afhankelijk van jou als verteller om het verhaal verder te dragen in de les.

 

Exodus 15: 22-27

 


Dorst;

Toen de Farao en zijn mannen verdronken waren, begonnen de Israëlieten te zingen en te dansen. Ze waren blij. Eindelijk voelden ze zich veilig. Mirjam, de zuster van Mozes, pakte haar tamboerijn en liet de belletjes rinkelen. Alle vrouwen dansten achter haar aan. Het werd een prachtige rijdans tussen de kampvuren door.

Mozes zong een lied over Gods macht en kracht. Mozes dankte God dat hij hen veilig en wel uit Egypte had geleid.

Maar het werd tijd om verder te trekken. Ze volgden weer het teken van God: de kolom van vuur en rook.

Drie dagen trokken ze door de woestijn. Al die tijd konden ze nergens water vinden om te drinken. Ze hielden halt bij een poel met brak water. Als ze daarvan zouden drinken werden ze ziek. Aan de rand van een watertje staan en weten dat je niet kunt drinken: daar krijg je pas echt dorst van!

Twee miljoen mensen begonnen te morren. Weer kreeg Mozes de schuld. “Wat heb je ons aangedaan? Daar zitten we nu, midden in de woestijn. We vergaan van de dorst. We hadden veilig thuis kunnen zitten, in Egypte. Daar hadden we tenminste water en fruit en vis. Hier hebben we niets!” De mensen waren alweer vergetendat God belooft had voor hen te zorgen.

Mozes riep God aan. De Heer gaf hem een stuk hout. Mozes gooide het hout in de poel. Meteen werd het water helder en fris. Mensen sprongen erin, spetterden rond en lachten. Nu konden ze net zoveel drinken als ze wilden.

Mozes zei tegen het volk: “Onthou nu goed dat de Heer voor ons zal zorgen.” Als om dat te bewijzen leidde God de mensen naar een plek waar op twaalf plaatsen water uit de grond kwam. Er groeiden palmbomen en in de schaduw daarvan zetten zij hun tenten op. De Heer had hen weer gered.


 

(Mara en Elim 15:22-27)

 

Voor deze verhalen kun je verschillende kinderbijbels raadplegen.

Zoek kinderbijbelverhalen die passen bij de samenstelling van je groep maar ook die jou als leerkracht aanspreken. Het is belangrijk dat je in het voorlezen van deze verhalen de verwondering kunt laten doorklinken.

De kinderen maken met deze verhalen kennis met het hebben van vertrouwen en verwondering wanneer blijkt dat de dingen niet altijd zijn zoals ze lijken. Het zien van mogelijkheden en het delen met en zorgen voor elkaar.

(suggestie; Wanneer je groep daarvoor geschikt is kun je ter illustratie ook de “volwassen” bijbel voorlezen naast het kinderverhaal.)

 

Kijk in de boeken;

¨       Bijbel voor kinderen (bijbelverhalen opnieuw verteld door Anne de Graaf, BSN)

¨       De nieuwe kinderbijbel (Nico ter Linden)

¨       "Mijn eigen boek met bijbelverhalen" uitgeverij Lanno Callenbach

     "Bijbel" Het nederlandsch bijbelgenootschap 1976

¨       “De weg van het licht” (nt en ot) van M. A. M. Renes-Boldingh

 

Verwerking:

We gaan op zoek naar de vergelijking tussen het verhaal van Frederick en het bijbelverhaal. Zien de kinderen overeenkomsten. Wat valt hen op. (let op dat je de kinderen geen dingen opdringt, het is een gesprek over hun beleving van de verhalen) Schrijf de opmerkingen op de achterzijde van het bord en probeer het kind te laten reflecteren op de keuze.

Doe dit niet te lang. Haal kernwoorden naar boven zodat het ook voor iedereen duidelijk blijft. De meeste kinderen zullen ook letten op overeenkomst in woorden en onderwerpen. De implicatie is in dit ontwikkel stadium nog erg moeilijk en vraagt om sturing.

 

Aanvulling.

Wij presenteren deze les als een onderdeel van onze lessen serie. Het beperkt je tot 1 verhaal per les. Je kunt er ook voor kiezen om een serie verhalen in te lassen en hier een week of langer over te doen. Of juist 1 verhaal en er meerder activiteiten aan verbinden. Met de verhalen creëer je een wereld in de klas, die zich afspeelt in de verhalen.

Probeer achtergrond informatie boven tafel te krijgen over hoe leefden de mensen toen. Hoe woonden ze?  Wat voor kleding droegen die mensen? Wat aten en dronken de mensen? Waar haalden ze het eten vandaan? Hoe zag het landschap eruit? Was het kaal, dun bevolkt? Al deze informatie kun je in de klas hangen zodat de klas een representatie wordt van de wereld waarin de kinderen nu aan het werk zijn.

 

Afsluiting

Aanleren van een lied;

 

Aanvullende lessugestie

Geef mij maar jou

-Luisterliedje.

-Schilderopdracht: laat het liedje een aantal keren horen, terwijl kinderen schilderen over wat ze horen.

-Zoekopdracht in de kring: de zon is geel: wat is er nog meer geel in de klas/kring?

                                      de lucht is blauw: wat is er nog meer blauw in de klas/kring? Etc.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De melodie staat in het boek “prentenboekenliedjesboek”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Les 3                    Gedicht

  • Opnieuw wordt het verhaal van Frederick aangeroerd. Nu sturen we het gesprek aan op het delen wat de muizen doen en de wonderlijke deling van Frederick. Het gesprek leidt ons naar Exodus 16. De les wordt afgesloten met het aanleren van een gedicht

 

In deze les geef je het vervolg op les 2.

We richten ons nu op Exodus 16:1-36

 


Honger;

Het werd tijd om te vertrekken. Het duurde niet lang of de mensen begonnen weer te mopperen. Zij vonden het te heet in de zon. Zij vonden het niet prettig dat er niet genoeg water en niet genoeg eten was. De baby’s huilden, de vrouwen kreunden, en de mannen morden.

Toen de Israelieten twee maanden lang door de woestijn hadden getrokken, raakte het eten op. Weer begonnen ze tegen Mozes te keer te gaan. “Wat heb je ons aangedaan? Er groeit hier niets. Nu zulle we allemaal doodgaan. Het is jouw schuld!”

Mozes zei: “God zal voor jullie zorgen. Vertrouw op hem!” Maar ze luisterden niet. Ze waren koppig en vol zelfmedelijden.

Toen sprak de Heer tot Mozes. “Ik zal Mijn volk ’s morgens brood geven en ’s avonds vlees. Ik zal hen geven wat zij nodig hebben. Daar kun je op rekenen. Zo zullen ze leren vertrouwen te hebben.

De volgende morgen was de grond wit van de dauw. Toen de zon opkwam en de dauw wegtrok, zagen de mensen kleine witte vlokken brood op de grond liggen.

’s Avonds streek een zwerm kwartels neer op de plaats waar ze hun tenten hadden opgeslagen. De mensen konden net zoveel vogels vangen als ze nodig hadden. Ze roosterden de kwarteltjes en aten ze op. Dank zij God zouden de mensen op hun tocht door de woestijn altijd genoeg te eten hebben.


 

(Het manna – De sabbat 16:1-36)

 

Beginsituatie: De kinderen hebben in de vorige les Exodus 15 verwerkt. Ze kennen inmiddels het verhaal van Frederick en de opzet van de lessen. De bedoeling van de lessen wordt steeds meer hun eigen ding. De kinderen denken mee.

 

Inleiding: Grijp weer terug op het verhaal van Frederick en laat de kinderen kijken naar het element vertrouwen in iets hebben. Praat kort met de kinderen hierover. Schrijf de opmerkingen die ze maken op de achterkant van het bord. Gebruik kernwoorden en verdeel de woorden naar gelijkenis met Frederick)

 

Kern: In Exodus 16 handelt het wederom om vertrouwen en delen. Het volk reageert op wat hen voor de voeten komt en redeneert niet op basis van vertrouwen.

Vertel het verhaal van de Manna. Trek de vergelijking naar wat de kinderen al eerder hebben gezegd in de voorbespreking, op basis van Frederick. Frederick geeft je de ingang tot het begrip van wat er misschien gaande is in het bijbelverhaal. De kinderen zullen misschien nog niet direct snappen wat je bedoelt maar het gaat er om dat ze er mee bezig zijn en er over nadenken.

 

Verwerking: Je biedt de kinderen de gelegenheid om het gegeven te verwerken op eigen niveau door met de klas een Elfje te maken. Je begeleidt de kinderen door heel gericht vragen te stellen die tegelijkertijd betrekking hebben op de les die geweest is.

 

Afsluiting: Presenteren van de gedichtjes. De kinderen geven het gedicht een mooie omlijsting en plakken het op een groter vel. De gedichten komen aan de muur te hangen en worden nu en in de dagen die volgen, voorgelezen.

 

Werkwijze Elfje
 
Elfje

Gedicht dat uit elf woorden bestaat. Versvorm die geschikt is om het dichten te leren maar ook om gedachten op een simpele korte manier weer te geven..

Voorbeeld:


Delen                                                                                                          

Met elkaar                                                              

Woorden en daden
Licht, kleur, woorden, warmte                                                                          

Overal


De regels ervoor luiden:

Eerste
regel: één woord.
Het woord roept een bepaalde sfeer op.

VB; Stel de vraag; Wat doen de muizen met het eten (delen)

Tweede regel: twee woorden (vb een zelfstandig naamwoord en een bijvoeglijk naamwoord)
Het ene woord zegt iets over het andere.

VB; Stel de vraag; met wie delen ze (met elkaar)

Derde regel: drie woorden; mogelijkheid: ( ...
- werkwoordsvorm - ...)

VB; Stel de vraag; wat deelt Frederick (woorden en daden)

Vierde regel: vier woorden
Er wordt iets van een conclusie getrokken.
Dit kan met een gevoel, een indruk, een beeld etc. te maken hebben.

VB; en wat nog meer (licht, kleur, woorden, warmte)

Vijfde regel: één woord

VB; Stel de vraag; waar zijn al die dingen (overal)

 

 

Bereid je les voor door alvast vragen te maken met betrekking tot de les. Het maken van een elfje kun je meerdere keren herhalen in de loop van de week. Je laat de kinderen dan op een later tijdstip de beste gedichten uitkiezen en presenteren. Laat de kinderen ook vertellen waarom ze een elfje uitkiezen.

 

 

  

Les 4                    Beeldende vorming

  • Les 4; De volgende link wordt gelegd van het verhaal van Frederick naar

Johannes 6. De wonderlijke uitwerking van delen. Met weinig kun je veel doen.

Slechts zon, kleuren en woorden had Frederick nodig = link naar het weinige dat de jongen had.

De les wordt verwerkt door de losse elementen uit Frederick door de kinderen te laten uitbeelden op A4 papier t.b.v. les 6.

                   

Beginsituatie: De kinderen kennen nu het verhaal van Frederick en weten wat de bedoeling met dit verhaal is. In de voorgaande lessen is het verhaal van Frederick gekoppeld aan de eigen beleving en aan bijbelverhalen die raken met de kern van het Frederick verhaal.

 

Inleiding: In deze les wordt Johannes 6 gebruikt.

 

Kern:


Johannes 6

De jongen die zijn maaltijd deelde;

Die ochtend hadden Jezus en zijn vrienden besloten om uit te rusten. De laatste tijd waren ze veel te druk bezig geweest. Dus roeiden ze bij zonsopgang het meer over om aan de overkant een stil plekje te vinden. Maar iemand had hen gezien. Het duurde niet lang of een grote menigte liep het hele meer rond om Jezus aan de overkant op de kunnen wachten. Jezus was moe, maar hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om de mensen weg te sturen. Daarom begon hij tegen hen te praten. En als Jezus vertelde, vloog de tijd om. Het begon laat te worden. Niemand had iets gegeten sinds het ontbijt. Iedereen had honger. Maar op het platteland, ver van elke stad, was niet genoeg eten te krijgen voor vijfduizend mensen. Eindelijk merkte een van Jezus vrienden op: Het is al laat. Nu duurt het niet lang meer voor het donker wordt. Stuur de mensen weg om eten te kopen. Dat kunnen we niet doen, zei Jezus. We moeten hen iets geven voor ze naar huis gaan. Maar waar kunnen we genoeg te eten halen om al die mensen te voeden? Wierp Filippus tegen. Dat kost ons een fortuin. Laten we eerst eens kijken wat we hebben, ze Jezus. Niemand had iets bij zich, behalve één jongen, die van zijn moeder vijf kleine broodjes en twee vissen had gekregen. De jongen had erg veel trek. Als hij zijn maaltijd zou delen, zou hij niets overhouden. Toch gaf hij alles aan Jezus. Zeg tegen de mensen dat ze op het gras moeten gaan zitten, zei Jezus. Daarna nam hij het voedsel van de jongen aan en dankte God ervoor. Jezus brak de broodjes in stukken en verdeelde de vissen. Zijn vrienden gaven het aan de mensen. Tot hun grote verbazing had iedereen meer dan genoeg. Toen ze de resten verzamelden, hadden ze zelfs twaalf manden over. De jongen was erg blij dat hij zijn maaltijd had gedeeld. Toen de mensen de volgende dag terugkwamen, vertelde Jezus hen over een ander soort brood. Ik ben het levende brood, ze hij. Iedereen die in mij gelooft zal nooit meer honger hebben.


 

(De spijziging van de vijfduizend 6:1-15)

 

Verwerking: zie beeldende vorming (1)

Afsluiting: overgang naar de

verwerkingsopdracht

 

            

 

 

 

 

 

 

Beeldende vorming (1)

 

Frederick We gaan uit van het boek Frederick

 

 

Beginsituatie: De kinderen zijn gewend om in groepjes creatieve activiteiten uit te voeren.

De kinderen weten dat de delen uit het verhaal van Frederick uitgebeeld gaan worden om uiteindelijk te gebruiken in een vertel pantomime.

 

Inleiding:

Bekijk samen met de kinderen nogmaals de platen uit het boek van Frederick.

Benoem de dingen die Frederick verzamelt.

Laat eventueel meer beeldmateriaal zien omtrent verschillende technieken om deze onderwerpen uit te beelden.

Vraag de kinderen hoe zij de verschillende dingen die Frederick verzamelt kunnen uitbeelden

Bekijk samen welke materialen daarvoor gebruikt kunnen worden en maak een keus.

Biedt zoveel materiaal en technieken aan als er onderwerpen zijn. Dus per uit te beelden onderwerp 1 techniek met mogelijk twee verschillende soorten materiaal. 

 

Kern:. 

Alle dingen die Frederick verzamelt worden door de kinderen in groepjes uitgebeeld volgens een van te voren gekozen techniek.

 

1* Verzamelen van zonnestralen

2* verzamelen van woorden

3* verzamelen van kleuren

 

Verwerking: 

De klas wordt in drie groepen gedeeld.

 

Groep 1:maakt zonnestralen van stevig papier die op kartonnen zijn geplakt. Ze kunnen gedragen worden door ze aan de bovenkant te verbinden met touw. Het materiaal waarmee ze werken is gekleurd sits of crêpe papier in verschillende tinten geel en oranje om de warmte goed te kunnen weergeven.

 

Groep 2: maakt borden met allerlei soorten woorden erop die te maken hebben met het verhaal van Frederick. Ze maken gebruik van letters die ze uit tijdschriften knippen.

 

Groep 3: maakt borden met alle kleuren van de regenboog erop. Ze werken met natgemaakt papier en waterverf zodat de kleuren mooi in elkaar kunnen overvloeien.

 

Afsluiting:

We bekijken de gemaakte werkstukken van elkaar en geven daarbij uitleg en commentaar. Van te voren maken we daarover de afspraak dat we elkaar op een positieve manier aanspreken.

 

Les 5   Beeldende vorming (2)

  • Les 5 en 6 staan in het teken van het opmaken van de balans.(zie achterkant bord) Welke verhalen hebben we gelezen. Waar gingen die over. Waarom hebben we Frederick gelezen. De kinder beginnen een lijn waar te nemen in de verhalen. Deze lijn wordt nog duidelijker als we de klas in drie groepen verdelen. Ieder groep krijgt een lang stuk behang dat aan de wand wordt bevestigd. Het stuk behang wordt in drie delen verdeeld, ieder deel staat voor een deel van een verhaal. (aanleiding of begin, hoofdgebeurtenis of midden en gevolg/effect of eind) Elke groep krijgt een verhaal te verwerken, met verf en kwast beelden ze hun verhaal uit. De leerkracht heeft op een eigen stuk behang het verhaal van Frederick uitgebeeld (let op; niet te professioneel maar gewoon simpel) Als de opdracht klaar is kunnen de verhalen onder elkaar worden opgehangen en komen de overeenkomsten in beeld.

 

Beginsituatie: Uit de lessen zijn 3 verhalen naar voren gekomen.(exodus 15, 16, en Johannes 6) De kinderen weten de inhoud van deze verhalen.

 

Inleiding:

De kinderen gaan de verhalen in 3 verschillende groepen uitbeelden op stukken behang.

De stukken behang zijn in 3 gelijke delen verdeeld. Elk verhaal heeft een begin, een midden en een eind. Deze indeling maak je om chaos te voorkomen.

De verhalen worden uitgebeeld met behulp van kwast en plakkaatverf. De stukken behang worden ter verwerking aan de muur gehangen zodat de kinderen ook echt een idee van een muurschildering krijgen.

 

Kern:

Als de verhalen geschilderd zijn worden ze onder elkaar gehangen. De leerkracht heeft van het verhaal van Frederick ook een opzet gemaakt. Deze hangt bovenaan. Bij een goede indeling hangen de drie delen van de verhalen precies boven elkaar waardoor de overeenkomsten en verschillen aanschouwelijk gemaakt worden

 

Afsluiting:

De kinderen beschouwen het werk

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Les 6                          Vertelpantomime

 

Beginsituatie:

De kinderen kennen inmiddels het verhaal van Frederick.

In de klas zijn er omhang borden gemaakt van de hoofd elementen uit het verhaal. Ieder kind kan een element uit het verhaal spelen.

 

Inleiding:

Leg aan de klas uit dat het verhaal vandaag nagespeeld gaat worden. Om het verhaal met de hele klas te kunnen naspelen heb je de ruimte nodig. Een speellokaal of gymzaal is daarbij aan te bevelen.

De kinderen krijgen allemaal een rol toebedeeld. Dit kan de rol zijn van het element dat zij zelf hebben gemaakt maar het kan ook een element van iemand anders zijn.

Praat met de kinderen nog even de hoofdlijnen van het verhaal door. Vergeet daarbij niet de nadruk te leggen op de verschillende gevoelens die in het verhaal aan bod komen.

 

Kern:

De kern van deze activiteit is dat de kinderen zich daadwerkelijk verplaatsen in het verhaal. Zij geven op hun eigen wijze uiting aan wat zij bij het verhaal ervaren.

 

Verwerking

Het verhaal wordt door de kinderen gespeeld op het voorlezen van de tekst uit het boek. De kinderen beelden uit wat er wordt voorgelezen.

 

Nabespreking (optioneel):

Aan het einde van de les bespreek je even kort na wat er allemaal heel goed ging. Minder goed gelukte dingen krijgen in dit stadium van drama nog geen aandacht. De kinderen moeten zich eerst veilig voelen met dit gegeven.

 

Verdieping

 

Dezelfde werkwijze kan gehanteerd worden met de bijbelverhalen Exodus 12, 16 en Johannes 6. De hoofdelementen uit deze verhalen kunnen op vergelijkbare wijze beeldend worden weergegeven en omgehangen om vervolgens te worden uitgebeeld.