|
Concretiseren Visualiseren Semantiseren Werken
met verhalen Bijvoorbeeld: markt, reinigen, herder Aan de slag rond de bijbelverhalen
van Johannes Drie voorstellen, gemotiveerd Wanneer je met bijbelverhalen aan het werk gaat
in je klas is het denk ik van belang de bijbelverhalen eerst te vertellen.
Niet als bijbel, maar als verhaal. Gewoon een mooi verhaal met een moraal,
een kop en een staart. Niet te ver op in gaan. Aan de hand van dat verhaal
kun je vaak heel goed filosoferen met de kinderen. Interessant, spannend
en leuk, maar niet iets om keer op keer te herhalen. Bovendien is dit
al lang en breed uitgewerkt in methodes als Trefwoord. Ik vind het vooral belangrijk dat wanneer je met
bijbelverhalen aan de slag gaat je dit doet om de verhalen te visualiseren.
Zo krijgen ze meer betekenis voor de kinderen. Het wordt bijna een soort
geschiedenis: hoe was het in die tijd? Door er kleine thema’s uit te pikken kom je al
een heel eind. De kinderen kunnen de thema’s zelf onderzoeken. Kijk
maar: wat willen ze zelf weten? Op deze manier kun je ‘bijbellessen’
ook makkelijk combineren met andere vakgebieden, bijvoorbeeld drama
en aardrijkskunde. Wanneer je goed naar de verhalen kijkt zijn er
vaak ook maatschappelijk ‘actuele’ thema’s in te ontdekken, bijvoorbeeld
over blinden en handelen. Een voor de kinderen herkenbaar thema is ‘wassen’.
Bij de lesbeschrijvingen en ideeën wordt denk ik al duidelijker wat
ik bedoel. NB: deze lessen zijn bedoeld voor midden- en bovenbouw. Ik
heb 2 lessen uitgewerkt, de rest heb ik hieronder neergezet als korte
ideeën. Idee: In Johannes 2 vers 13 trof Jezus een markt aan in een tempel. Waarom zou dat daar opgezet zijn? Hoe zag zo’n markt er vroeger uit? Wat voor handelaars had je daar? Doe eens een dramaspel waarin je het handelen in bijvoorbeeld vee na doet. Hoe ding je af? Hoe drijf je de prijs op? Vraag een gastspreker, bijvoorbeeld een veehandelaar of een marktkoopman / -vrouw om te vertellen over zijn beroep. Kan er een demonstratie gegeven worden. In het regionale museum of archief is vaak veel te vinden over de handel in vroeger tijden. Het is leuk om met de klas naar de plek te gaan waar vroeger handel gedreven werd of waar nu markt is. Laat ze vergelijken tussen het verleden en het heden. Hoe zal het in de toekomst gaan? Idee: In Johannes 3 vers 23
doopt Johannes mensen in de rivier. Een paar leerlingen hebben
een twistgesprek over reinigingskwesties. Reinigen? Wassen! Joodse en
Islamitische mensen wassen zich volgens een ritueel voordat ze gaan
bidden of een bezoek brengen aan de synagoge of moskee. Waarom zouden
ze dit doen? Hoe verloopt dit ritueel? Wanneer wassen de kinderen zichzelf?
Hoe doen zij dat? Zet een paar teiltjes met water neer (buiten op een
zonnige dag?), doe het reinigingsritueel eens na. (Als aanvulling hier
op) Je kunt het ook hebben over dopen. Idee:
Laat kinderen eens voelen hoe het is om een herder, een voorbeeld en
een leider te zijn door middel van imiteerspelletjes in de kring of
tijdens een gymles. Jezus ziet de blinde en spuugt op de grond. Hij vermengt het speeksel met aarde en dit wordt slijk. Het slijk smeert hij in de ogen van de blinde. Hij vertelt de blinde zich in een vijver te wassen. Hierna kan de blinde weer zien. Niet iedereen gelooft in het wonder. Uiteindelijk wijzen de Joden en de Farizeeën de blinde af. ‘Ze wierpen hem buiten.’ Maar daar is Jezus weer en hij helpt de blinde overeind. Idee:
Voor het maken van een
les bij dit verhaal is het het makkelijkst
om de tekst letterlijk te nemen. Je kunt het hebben over mensen die
blind zijn. Wat voor aanpassingen zijn daar voor nodig? Wat zie je op
de straat? Is er rond de school gezorgd voor bijvoorbeeld stoeptegels
met reliëf of stoplichten met een herkenbaar geluid? Kent een kind iemand
die blind is? Hoe gaat dat met braille? Doe een spel met een blinddoek:
kan het kind voelen wat het in zijn handen krijgt?Kan het aan het gezicht
voelen wie er voor hem staat? Je kunt ook ‘tik,tik,tik,
wie ben ik’ spelen; kunnen de kinderen elkaar herkennen aan hun stem?
Je kunt kijken of de kinderen elkaar m.b.v. woorden door het klaslokaal
kunnen leiden. Hoe ervaren ze dat? Hoe ervaren ze het om vooral af te
moeten gaan op het gehoor en de tastzin? Naschrift over werken
met verhalen, dus ook met bijbelverhalen door Jan Engelen. Een verhaal, ook een
bijbelverhaal, heeft veel ingangen, evenveel als er woorden en goede
ideeën zijn. Of “een zwak moment” – je weet ook bij een verhaal nooit
hoe een koe een haas vangt. Het is dus helemaal
niet nodig om het hele verhaal “uit te benen” of te overzien. Dat kan
trouwens niet. Er hoeft maar één kind een associatie of idee te hebben
– je weet hoe bijna vloeibaar kinderen kunnen zijn. Van het ene komt
zonder een spoor van moeite het andere - en het verhaal heeft weer een
groter bereik. Haal iets uit het verhaal,
zoek een sleutel voor jezelf. Door iets van een verhaal “als nieuw”
te zien wordt het hele verhaal als nieuw. Het heeft een extra lichtpuntje
gekregen. Dat lichtpuntje is de persoonlijke betrokkenheid van de onderwijsgevende
– bereikt door zelf te zoeken, voor dit verhaal en voor de kinderen
van de groep. Het blijft dus altijd
ook iets persoonlijks. Iets dat je dit jaar fascineert is je eerder
nooit opgevallen of doet er volgend jaar voor jou niet toe. Toen was
of dan ben je een ander. Is een verhaal meer
dan een “ad hoc”?, iets voorlopigs. Want het
ene verhaal roept het andere op. Een verhaal is altijd een voorbeeld
van “meer”, toekomst, dat wat je te wachten staat. Daarom is of wordt
gedenken – oude verhalen blijken tijdens het vertellen als nieuw
te zijn – en de herinnering de kern van het leven van mensen te zijn.
Neem je mensen verhalen
af dan maak je hen sprakeloos, ontneem je hen het woord. Verhalen maken
de soms harde werkelijkheid van het “gewone leven” zoet. Ze bouwen reserve en tijd in, en geven zo een vermoeden van toekomst |