Vissen: een dramales bij Johannes 21 Een idee van
Sabine Niekel L2-2003 Het verhaal in het kort:
Bij de zee van Tiberias, een vissersplaats, laat Jezus zich
zien aan zijn leerlingen. Simon Petrus zegt: ‘ik ga weg, ik trek op,
om te vissen’. De anderen blijken daar alles voor te voelen. Ze vangen
de hele nacht. De hele nacht loopt uit op niks.
Terwijl het nog vroeg is staat Jezus aan de kant. De leerlingen herkennen
hem niet. De vreemdeling vraagt of ze iets te eten hebben. Dat hebben
ze niet. Alsof de beste stuurman aan wal staat zegt Jezus: ‘Gooi het
net over de andere kant, gooi het over een andere boeg.’ Het net heeft
nog niet het water geraakt of al die visjes springen er in. Zwaar, topzwaar
is het net. Dat begrijpt een van de leerlingen dat het Jezus is. Vissen, hoe ging dat vroeger en hoe gaat dat nu?
Daar kun je een leuke les bij bedenken! Dramales bij ‘vissen’Inleiding
en Introductie
Doe dan een brainstorm met de kinderen. Dit kan op een speelse manier door steeds een bal over te gooien. Het kind dat de bal vangt moet het eerste zeggen wat in ‘m op komt. De kinderen moeten hierbij ‘doorfantaseren’ op dat wat het vorige kind gezegd heeft. Het woord waar je mee begint is: vissersplaats. Om de kinderen op gang te helpen zou je kunnen vragen: wat zullen ze in een vissersplaats hebben? Woorden die ze zouden kunnen zeggen: netten, boten, een haven, een viswinkel, vissers, hengel, schippers, loods, botenbouwer. Deze woorden schrijf je op het bord. Ook schrijf je ze op kleine briefjes, die doe je in een bak. Zet de bak even opzij. Je gaat met alle kinderen even staan en doet een
warming-up. Beeld met z’n allen vissen uit:
loop slingerend door het lokaal met je handen gevouwen voor je uit.
Maak ‘blub,blub’
geluiden door je lippen te tuiten en je mond open en dicht te doen.
Beeld met z’n allen vissers uit die hele grote vissen aan hun hengels
hebben. Ga in een kring staan en doe alsof je met z’n
allen een net vast heb vól met vis. Laat het net los (we kunnen het
niet houden: oh jee, alle vis is weg!) en ga in de kring op de grond
zitten. Een rustmoment. Vertel het verhaal van Johannes 21. Verdeel de klas in groepjes. Maak evenveel groepjes
als er woorden op het bord staan. Ieder groepje krijgt een nummer en
mag een briefje uit de bak trekken. Kern
en Afsluiting
Het woord dat op het briefje staat moeten
ze in het groepje uitbeelden in een klein toneelstukje m.b.v. mime.
Laat
de groepjes 10 minuten oefenen. Dan roep je de klas bij elkaar en mogen
de groepjes na elkaar hun stukje laten zien. De groepen die kijken mogen
raden welk woord het spelende groepje uit beeld. Als leerkracht stel
je de vragen: welk woord beelden ze uit? Welke rol had (persoon)? Hoe
zag je dat het dat woord was? Vraag de kinderen aan het einde van de
les naar hun spelervaring tijdens de les. Hoe was het om te vissen?
Vonden ze het moeilijk om iets uit te beelden? Als verwerking- / vervolgles
kun je de kinderen een klein verhaal laten schrijven n.a.v. de begrippen
op het bord en de toneelstukjes die ze bedacht hebben.
|