Zacheüs zoekt een boom

 

door MS en JS

D3_02

 

 

 

Naar aanleiding van het verhaal Zacheus de tollenaar uit Lucas 19 : 1-10 kiezen wij er voor, activiteiten te ontwikkelen die uitvoerbaar zijn in de groepen 1 t/m 4. Het betreft hier een project dat groependoorbrekend en vakoverstijgend ingezet kan worden. De klassen 1 t/m 4 kunnen gezamenlijk of per groep aan dit project werken.

 

De thema’s die bij ons naar voren kwamen nadat wij het verhaal hadden gelezen zijn:

·        Gevoelens; blijdschap, verdriet, boosheid, schaamte, angst, verbazing.

·         De boom; hoe ziet iets er uit vanuit een boom, waarom klimt iemand in een boom.

·         Visite; wat doe je als er iemand bij je op visite komt.

 

 

Amsterdam, februari 2002

 

 

 

 

 

 

Boom maken

 

Voorbereiding: verzamel twee weken van te voren zo veel mogelijk wc-rolletjes.

 

Materiaal:

·         wc-rolletjes

·         draad

·         verf

·         kwasten

·         papier in verschillende groentinten

(wanneer je deze activiteit in de herfst doet, kun je natuurlijk ook de kleuren bruin, oranje en rood gebruiken)

·         schaar

·         lijm

·         grote koker of pilaar

 

De kinderen maken als gezamenlijk werkstuk een boom. Ieder kind mag een (of meerdere) wc-rolletjes beschilderen en hieraan blaadjes plakken. Wanneer er een aantal kinderen klaar is, maak je een slinger van meerdere wc-rolletjes. Zorg ervoor dat de draad goed lang is. De uiteinden worden bevestigd aan plafond en boomstam. Als boomstam kun je een grote kartonnen koker gebruiken of een pilaar (in een gemeenschappelijke ruimte) die je omwikkelt met bruin crêpepapier. Zorg ervoor dat je lange en korte takken afwisselt en takken op verschillende hoogten bevestigt.

 

 

Boompje klimmen

 

Creëer in het speellokaal of in de gymzaal een mogelijkheid waardoor de kinderen kunnen ervaren hoe het is om in een ‘boom’ te klimmen. Hoe zien dingen er gezien vanuit de lucht er uit? Natuurlijk kun je ook met de kinderen in een echte boom klimmen als die voorhande is.

 

 

Verhaal van Zacheüs

 

De boom die we met de kinderen hebben gemaakt is de aanleiding om te praten over de ervaring van kinderen dat ze klein zijn en niet over anderen heen kunnen kijken. Maar als je in een boom klimt kan je wel alles goed zien. En zo komen we dan op het verhaal van Zacheüs.

 

Laat de uitvergrootte plaat zien van Zacheüs in de boom, en dan het verhaal voorlezen / vertellen.

Daarbij leg je de nadruk op de gevoelens (angstig, boos, nieuwsgierig, blij, schamen, jaloers) van Zacheüs en de mensen om hem heen.

 

Het verhaal:

 

Midden in de stad Jericho stond een groot, wit huis. Je zag in één oogopslag dat er rijke mensen woonden. Op de binnenplaats was het heerlijk koel. Er spoot water uit een fontein. En er stonden bakken vol bloemen. Maar de kinderen liepen het mooie huis altijd gauw voorbij. "Daar woont Zacheüs de tollenaar", fluisterden ze.

 

En het kleinste kind wist al wat een tollenaar was. Het was een man aan wie vader veel geld moest betalen. Soms stond hij ineens in de kamer. Dan begon moeder te huilen, want hij kwam een deel van vaders graanoogst halen. "Ik kan er niets aan doen", zei hij dan, "de koning moet het hebben. Die heeft mij gestuurd." Maar achter zijn rug zeiden de mensen: "Het meeste houdt de tollenaar zelf!" Daarom hielden de kinderen niet van hem. En de grote mensen ook niet. Zacheüs was oppertollenaar. Niemand zei hem op straat gedag. 

 

Zo kwam het ook dat Zacheüs helemaal niet wist dat Jezus op weg was naar Jericho. Niemand had het hem verteld. Zacheüs merkte wel dat het druk was op straat. In dichte rijen stonden de mensen te wachten. Maar waarop? Hij liet zich zijn sandalen aantrekken en ging ook naar buiten.

"Dan kom ik wel te weten wat er aan de hand is", dacht hij. Hij liep dicht langs de huizen. Wat keek iedereen hem toch weer boos aan! (Boos gezicht erbij trekken - boze stem)

 

Eindelijk zag Zacheüs een kleine jongen, die niet voor hem wegliep.

"Wat is er toch te doen?", vroeg hij.

"Weet u dan niet dat ze op Jezus wachten?" zei de jongen verbaasd. (verbaasd kijken - verbaasde stem)

 

Daar keek Zacheüs van op. Jezus? Dat was toch die man die zelfs tegen tollenaars vriendelijk was? Wat zou hij die man graag eens willen zien. Maar hoe? Hij was zo klein van stuk, hij zou nooit over de schouders van die mensen heen kunnen kijken. En natuurlijk zou niemand voor hem opzij gaan.

 

Toen zag hij opeens aan de kant van de weg een wilde vijgenboom. Zonder dat iemand het merkte, klom hij erin. Daar zat hij al op een tak, verstopt tussen de bladeren. Hij kon alles prachtig zien, en niemand zag hem.

"Daar komt Hij!", werd er geroepen.

Zacheüs boog zich voorover. Hij keek. Dat was dus Jezus. Een paar mannen volgden hem. Het leken wel vissers!

 

Toen Jezus onder de boom gekomen was, stond Hij stil. Hij keek naar boven.

Toen zei Hij: " Zacheüs, kom vlug naar beneden. Vandaag wil Ik jouw gast zijn."

Had Zacheüs het wel goed verstaan? Hij begreep er niets van. Hoe wist Jezus wie hij was? En waarom wilde Hij in zijn huis komen? Dat huis waar nooit iemand op bezoek kwam?

Of hij vlug beneden was!

Blij liep hij naast Jezus, want hij moest Hem toch zijn huis wijzen. (blij gezicht - rechte rug)

Hij zag dat de mensen Jezus niet meer zo vriendelijk aankeken. (ontevreden kijken / peinzend) Jezus viel hun zeker erg tegen. Je zag ze denken: "Waarom gaat Jezus met een tollenaar mee? Hij had toch beter bij een van ons kunnen komen?"

 

Maar Jezus trok zich niets van de mensen en van wat zij dachten aan. Rustig ging hij met Zacheüs mee naar huis. En Zacheüs voelde zich dolblij. (blij) Nu schaamde hij zich voor alle oneerlijke dingen die hij had gedaan. (schouders laten zakken)  Hij moest het weer goed maken.

In zijn kamer ging hij vlak voor Jezus staan. (weer fier rechtop staan)  Hij zei: "De helft van al wat ik heb, wil ik aan de arme mensen geven. En als ik van iemand te veel geld genomen heb, wil ik hem viermaal zoveel teruggeven!"

 

Nu was het Jezus' beurt om blij te zijn. (even blij kijken) "Dank je wel, Zacheüs", zei Hij. "Vandaag wordt alles anders voor je. Daarnet begrepen de mensen niet waarom Ik nu juist met jou meeging. Maar jij bent net als zij een zoon van Abraham. Ik deed het omdat zij Mij niet nodig hebben, maar jij wel! Als een schaap wegloopt van de kudde gaat de herder eropuit om het te zoeken. Dat doe Ik ook. Ik dacht bij mezelf: "Hoe kan een kind van Abraham zo verkeerd doen als Zacheüs doet." Maar nu ken Ik je weer. Jij hoort net zo goed bij het Joodse volk als al die anderen."

 

(Uit: D.A. Cramer-Schaap, Bijbelse verhalen voor jonge kinderen, Uitgeverij Ploegsma Amsterdam - 1994)

 

 

 

Gevoelens bespreken

 

Na het verhaal bespreek je met de kinderen de diverse gevoelens van Zacheüs en van de mensen om hem heen. Je legt daarbij direct verband naar de eigen ervaringen van kinderen. Hieronder enige vragen als richtlijn om het gesprek op gang te brengen / houden.

 

 

 

-          Jezus zegt tegen Zacheüs: Ik wil bij jou komen eten. Vindt Zacheüs dat fijn? Hoe voelt hij zich dan? En hoe kijk je als je blij bent?

-          De mensen vinden Zacheüs een nare / gemene man. Hoe kijken zij als ze Zacheüs zien? En hoe kijk jij als je boos bent?

-          Denk je dat Zacheüs het leuk vindt dat de mensen steeds boos naar hem kijken? Hoe voelt hij zich dan? Kan je eens voordoen hoe Zacheüs er dan uitziet?

 

-          Wanneer ben jij blij? Wat doe je dan?

-          Wanneer ben jij verdrietig? Wat doe je dan?

-          Wanneer ben jij boos? Ben je dan boos op iemand? Wat doe je dan?

-           Is er wel eens iemand boos op jou? Wat doet hij/zij dan? Hoe voel jij je dan? Wat doe jij dan?

-          Ben je ook wel eens jaloers? Wanneer? Wat voel je dan? Wat doe je dan?

 

(Vragen voor groep 4)

-          De mensen denken: waarom gaat Jezus met die gemene man mee? Hij had toch beter bij een van ons kunnen komen? Vind jij het goed dat Jezus met Zacheüs meegaat? Waarom?

-          Zacheüs schaamt zich om de slechte dingen die hij heeft gedaan. Hij wil het goed maken. Wat doet Zacheüs dan? Hoe voelt Zacheüs zich daarna?

 

 

Verwerkingsactiviteiten over gevoelens

 

Na het verhaal en het gesprek in de grote kring, kiezen de kinderen één van de volgende vier verwerkingsactiviteiten over gevoelens: een elfje (gedichtje) maken, een verzamelopdracht, een verhaal schrijven of tekenen.  

 

A.      elfjes maken / schrijven: een gedichtje van elf woorden over de gevoelens blij, verdrietig, of  boos.

 

Ter info: de opbouw van een elfje is als volgt:

1 woord

2 woorden

3 woorden

4 woorden

1 woord

 

Vertel het kind / de kinderen dat ze een gedichtje gaan maken / schrijven over een gevoel.

Stel ze daarbij 5 vragen - de antwoorden daarop worden de regels van het gedicht.

 

Vraag 1: Over welk gevoel gaat het gedicht?

Schrijf dat in 1 woord op.

 

Vraag 2: Wie heeft dat gevoel?

Schrijf dat in 2 woorden op.

 

Vraag 3: Hoe komt dat, of wat doet/voelt diegene dan?

Schrijf dat in 3 woorden op.

 

Vraag 4: Wat kan je er nog meer over zeggen?

Schrijf dat in 4 woorden op.

 

Nu lees je de 4 regels van het gedicht hardop (voor).

 

Vraag 5: je mag nog één woord opschrijven / zeggen - wat vind je dat er nog bij jouw gedicht past? (Bijvoorbeeld: een herhaling van het gevoel van de eerste regel van het gedicht, of een oplossing, een uitroep, of een andere woord dat je bij het gevoel vindt passen.)

 

Begeleiding:

Bij de kleuters en in het eerste half jaar van groep 3 is het mogelijk om met telkens één of twee kinderen tegelijk een elfje te maken (tijdens de speelwerktijd). Dit is een intensief werkje; ga ervan uit dat je op een dagdeel met maximaal 4 kinderen een elfje kan maken. 

In de tweede helft van groep 3 en in groep 4 kunnen de kinderen wat zelfstandiger met het elfje aan de slag. Je kunt maximaal 6 kinderen (in een groepje) tegelijk begeleiden.

 

 

verzamelopdracht:

gezichten uit tijdschriften verzamelen en opplakken op twee vellen - een vel met blije gezichten, en het andere vel met verdrietige gezichten.

 

Voor een groepje van 4 tot 6 kinderen.

 

Materiaal:

·         twee grote vellen gekleurd papier met bovenaan 'blij' en 'verdrietig'

·         tijdschriften

·         lijm

·         scharen

 

 

(Voor de vlottere schrijvers in groep 3 en voor groep 4:)

een verhaaltje schrijven

over "ik ben blij, verdrietig of boos".

 

Kinderen kunnen schrijven over wat ze doen als ze blij, verdrietig of boos zijn; of  waar ze blij, verdrietig of boos van worden.

 

 

een tekening maken

over blij, verdrietig of boos.

 

Kinderen kunnen tekenen  hoe ze eruit zien als ze blij, verdrietig of  boos zijn; of ze kunnen tekenen waar ze blij, verdrietig of  boos van worden.

 

 

Een andere dag in de week kunnen de kinderen nog eens A, C of D doen. 

En een groepje krijgt nu een nieuwe opdracht:

 

verzamelopdracht:

objecten in de klas zoeken, waar je blij of verdrietig van wordt.

 

Een groepje van 2 of 3 kinderen zoeken voorwerpen in de klas die hun een blij of verdrietig gevoel geven. Ze maken daarvan twee verzamelingen op een tafeltje of een plank.

Later kunnen andere kinderen hieraan nog voorwerpen toevoegen die ze van thuis meenemen. Kinderen die dat willen, kunnen in de kring vertellen waarom ze een bepaald object hebben gekozen - waarom ze daar blij of verdrietig van worden.

 

 

 

Muziek die gevoelens uitdrukt

 

Klankspel

Kies om te beginnen bijvoorbeeld de klank ‘oei’ en zeg het geluid met een pijnuitdrukking in de stem. Dezelfde klank laat je later horen met een stemuitdrukking van boosheid, verdriet, blijdschap en angst (achtereenvolgens).

Vervolgens vraagt je aan een van de kinderen om hetzelfde te doen. De kinderen raden welke emotie uitgedrukt wordt. Stimuleert de kinderen om zelf een geluid te kiezen. Om de kinderen te helpen kunt je afspreken dat het gaat om twee of drie heel duidelijke emoties, bijvoorbeeld boosheid of blijdschap. Later kun je dit uitbreiden.

 

Het maken van bewegingen versterkt de expressiviteit. De bewegingen roepen het geluid op en ook het omgekeerde is waar. Bijvoorbeeld: vuisten ballen en een boos geluid maken; handen voor het gezicht en een geluid maken alsof je bang bent en handen in de lucht en een geluid maken alsof je blij bent.

 

Stampen of in je handen wrijven (groep 1-2)

Inleiding

Zeg:

Ben je boos, pluk een roos

ben je blij, klap met mij.

 

Als je bent uitgesproken, klap je in je handen alsof je blij applaudisseert. De kinderen zullen vanzelf meeklappen, totdat u een stopteken maakt door de handen rechtop stil voor u uit te houden, zoals een verkeersagent. De kinderen nemen dit teken over. Herhaal de tekst en het klappen. Sluit weer af met het stopteken.

 

Kern

Vraag: ’Ben je boos of blij?’

Stamp met de voeten op de grond en laat door houding en mimiek zien dat u boos bent. Verschillende kinderen mogen nu alten zien wat zij doen als ze boos zijn. Enkele mogelijkheden:

-stampen met een voet (hard geluid)

-stampen met twee voeten (hard geluid)

-een deur dichtslaan (hard geluid)

-met de vuist op tafel slaan (hard geluid)

-stilletjes in een hoekje gaan zitten mopperen (zacht geluid)

-ellebogen op tafel en het hoofd op de vuisten laten rusten (zacht geluid, stilte).

Herhaal enkele geluiden met de kinderen. Laat ze het verschil tussen hard en zacht ervaren.

 

Vraag: ‘Wat doe je als je blij bent?’

Enkele kinderen laten zien wat zij doen als zij blij zijn, bijvoorbeeld:

-juichen en zwaaien met de armen (hard geluid)

-in de handen wrijven (zacht geluid)

-lachen (hard geluid)

-een glimlach waarbij nauwelijks geluid wordt gemaakt (zacht geluid, stilte)

Herhaal enkele geluiden met de kinderen.

 

Een zacht geluid: wrijven

Leg alleen de linkerhand op de knie. ‘Mijn hand ligt te slapen. Ik ga hem wakker maken.’ Wrijf met de rechterhand met langzame bewegingen over de linkerhand, totdat de hand wakker is. Zo ontstaat er een zacht geluid. Maak daarna het stopteken.

‘Kunnen jullie ook j hand laten slapen en weer wakker maken?’

Samen met de kinderen maak je de linkerhanden wakker. Laat ook de rechterhand een keer slapen en wakker worden. Varieer door kortere en langere periodes van wrijven en stiltes te maken.

 

Lied met beweging

Vertel de kinderen dat zij naar een lied gaan luisteren over vrolijk (blij) zijn en woedend (boos) zijn.

Bij het eerste couplet doen de kinderen de bewegingen mee zoals de tekst het aangeeft:

-een blij gezicht maken

-handen zwaaien

-huppelen met de voeten op de plaats.

Bij het tweede couplet doen de kinderen de bewegingen mee zoals de tekst het aangeeft:

-een boos gezicht zetten

-stampvoeten

-mopperen

Herhaal de activiteit.

 

Afsluiting

Een kind komt in de kring en maakt een hard of zacht geluid. De andere kinderen mogen raden: blij of boos.

De kinderen gebruiken alleen de termen boos of blij door te luisteren naar het verschil in klanksterkte van de geluiden.

 

 

Ik voel me vrolijk, verdrietig of bang (groep 3-4)

Inleiding

Schrijf op het bord de woorden: bang, vrolijk, verdrietig.

Vraag: ‘Waaraan denk je als je de woorden op het bord ziet?’ Laat de kinderen rond de woorden op het bord een woordveld maken. Kinderen die dat willen, schrijven een woord waaraan zij denken bij een van de drie woorden op het bord. Natuurlijk kunt u dit als leerkracht ook zelf opschrijven. Geef hen hiervoor vijf minuten de tijd.

Kies daarna vijf kinderen uit die kort gaan vertellen waarom zij het woord op het bord hebben geschreven. Past het woord bij bang, vrolijk of verdrietig en waarom?

Na het praten over de drie gevoelens gaan enkele kinderen deze gevoelens uitbeelden.

 

Kern

Laat achtereenvolgens drie kinderen de drie gevoelens uitbeelden.

-Bang: je bent bang en kruipt weg omdat je alleen in het donker bent, of omdat je je vader of moeder niet meer kunt vinden.

-Vrolijk: je bent blij omdat je jarig bent of omdat je bij een tekenwedstrijd een prachtige prijs hebt gewonnen.

-Verdrietig: je bent verdrietig en hebt nergens meer zin in omdat je poes of hond net is doodgegaan, of omdat je op school erg gepest wordt.

 

Kies drie kinderen uit. Geef hun elk een van de schrijfblaadjes met daarop de woorden bang, vrolijk en verdrietig. Geef de opdracht: ’Beeld op jouw manier het woord uit dat op het blaadje staat.’ Na afloop vertelt de groep welk woord werd uitgebeeld en waaraan ze dat duidelijk konden zien.

Bij de volgende twee luisteractiviteiten is het belangrijk dat de kinderen ontdekken dat je vrolijk, verdrietig en bang kunt zijn en dat muziek bij die gevoelens kan passen.

Zet op het bord een cirkel om de woorden vrolijk en verdrietig. Vertel dat je twee muziekjes laat horen. De muziekjes klinken vlak na elkaar. Vraag: ’Welk gevoel (vrolijk of verdrietig) past volgens jou het best bij het eerste muziekje en welk gevoel past het best bij het tweede muziekje?’

Bespreek na afloop de keuze van de kinderen.

Zet op het bord een cirkel om de woorden vrolijk en bang. Haal de cirkel om het woord verdrietig weg. Vertel dat je twee muziekjes laat horen. De muziekjes klinken vlak na elkaar. Vraag: ’Welk gevoel (vrolijk of bang) past volgens jou het best bij het eerste muziekje en welk gevoel past het best bij het tweede muziekje?’

Bespreek na afloop de keuze van de kinderen.

 

Afsluiting

Vertel aan de kinderen dat alle muziek die ze hebben gehoord bij een film horen.

-Het eerste muziekje: bang. In deze film hangt er een dreigende sfeer rondom een oud kasteel. Het is midden in de nacht. Er lijkt iets spannends te gaan gebeuren.

-Het tweede muziekje: vrolijk. Beren vieren feest. Een beer is jarig. Alle beren dansen volop met elkaar. Het is een fantastisch feest. Ze hebben de grootste lol.

-Het derde muziekje: verdrietig. Er is een stad waar veel mensen in armoede leven. De kinderen hebben geen kleren, alleen maar vodden. Ze zoeken in vuilnisbakken naar etensresten. Ze stelen om eten te kunnen kopen. De mensen in deze stad zijn erg verdrietig.

 

 

 

Poppen maken en met de poppen het verhaal naspelen

 

Voorbereiding:
Zorg voor twee decors op A-3 formaat met als voorstelling:

- Het huis van Zacheus: de binnenplaats en de eetkamer

- Een weg met een grote boom ernaast, en mensen die langs de kant staan te kijken (neutrale uitdrukking op de gezichten)

 

 

Poppen maken

 

Met 3 kinderen maak je eerst 3 poppen. Het worden van klein naar groot: het jongetje, Zacheus en Jezus.

Let op de kleding van de poppen: Zacheus heeft donkere kleren, het jongetje heeft één of meer vrolijke kleurtjes en Jezus' kleding is wit. En let ook op dat de uitdrukking op de gezichten (ongeveer) neutraal moet zijn.

 

Materiaal:

·         3 wc-rollen, al afgesneden op 6, 8 en 10 cm.

·         een krant

·         stof : voor het hoofd: elastisch katoen - wit of crème (3 x 15 / 15 cm)

·         voor de kleertjes: wit, een donkere kleur en twee felle / vrolijke kleuren

·         kleine stukjes vilt: rood, bruin, crème

·         wol (voor de haren)

·         lijm

 

Maak van een halve krantenpagina een prop en span daar een stuk elastisch katoen om. De losse stukjes katoen duw je in de wc-rol. Dan plak je de bol op de wc-rol vast. Je hebt nu al het lijf en het hoofd. Op het hoofd plak je ogen en een mond van vilt.

Knip 10 draadjes wol van ongeveer 10 cm af en plak die als haren op het hoofd.

 

Knip het stof voor de kleertjes dubbel:

De hoogte van de kleertjes is hetzelfde als de hoogte van de wc-rollen: 6, 8 en 10 cm

De breedte van de mouwen is 16 cm en de hoogte 3 cm

De breedte van het lijf is 10 cm

 Plak de kleertjes op de wc-rol, zorg ervoor dat de voor- en achterkant van de mouw op elkaar geplakt worden: dit zijn de armen. Eventueel kunnen aan de armen kunnen nog handjes van vilt geplakt worden.

 Als de drie poppen klaar zijn kan het verhaal nagespeeld worden.


Poppenspel

 

Materiaal:

·         de twee decors van het huis van Zacheus, en van de weg met de boom

·         de drie zelf gemaakte poppen (Zacheus, het jongetje en Jezus)

·          een tafel, bordjes en kopjes en eventueel etenswaren uit een poppenhuis

 

Vertel de eerste keer / keren het verhaal terwijl de kinderen met de poppen spelen.

Dit kan zowel in de grote kring als in een klein groepje. Daarna kunnen de kinderen het verhaal zelfstandig naspelen. De kinderen mogen voor publiek spelen als ze dat willen - maar ze kunnen er ook voor kiezen om alleen voor zichzelf het verhaal te spelen.

 

 

Scène 1:

Achtergrond: Het huis van Zacheus: de binnenplaats en de eetkamer

 

Zacheus is op de binnenplaats van zijn huis.

Hij hoort buiten allemaal vrolijke mensen.

Zacheus is een beetje bozig - hij moppert over het lawaai van die mensen.

Maar hij is ook nieuwsgierig.

Hij gaat naar buiten om te zien wat er gebeurt.

 

Scène 2:

Achtergrond: De weg met de grote boom en mensen die staan te kijken

 

Zacheus kan niets zien. Hij moppert dat hij niets kan zien.

Dan vraagt hij aan een jongetje wat er is. Het jongetje zegt dat Jezus komt. Dat wil Zacheus wel eens zien.

Hij klimt in de boom en dan heeft hij een goed uitzicht.

Als Jezus er aan komt, kijkt hij omhoog en ziet Zacheus. Jezus vraagt hem om uit de boom te komen.

Zacheus klimt uit de boom.

Dan vraagt Jezus of hij bij Zacheus mag komen eten.

Zacheus is heel blij - dat Jezus bij hem wil eten.

Hij neemt Jezus mee.

 

Scène 3:

Achtergrond: Het huis van Zacheus: de binnenplaats en de eetkamer

 

Jezus en Zacheus zijn in de eetkamer.

Zacheus geeft Jezus lekker eten en drinken.

En dan belooft Zacheus dat hij ook aardiger zal zijn voor de andere mensen.

 

 

Visite

 

Voorbereiding: vul een koffer met benodigdheden om een tafel feestelijk te versieren. Denk hierbij aan een tafelkleedje, kunstbloemen, een vaasje, servetten, twee bordjes, twee bekertjes, een kaarsje.

 

Materiaal:

·         koffer

·         bijbelverhaal

 

In een kringgesprek wordt nog even een stuk van het verhaal herhaalt. Het verhaal vertelt dat Jezus op bezoek gaat bij Zacheus. Alle mensen zijn verbaasd en teleurgesteld dat Jezus nu juist bij hem langs gaat, hij die als zondig man leeft. Terwijl zij altijd goede gelovigen zijn geweest en bij hen komt hij niet langs.

Naar aanleiding van dit stukje tekst kun je nog even met de kinderen praten over waarom Jezus bij Zacheus langs gaat en niet bij hen (groep 3-4). Daarna kun je overschakelen op het onderwerp visite.

·         wanneer krijg je visite?

·         vind je het leuk als er visite komt?

·         wat doe je/doen pappa en mamma wanneer er visite komt/is?

 

Pak de koffer er bij. Deze koffer is gevuld met spullen waarmee je een tafel feestelijk kunt versieren. Laat de kinderen dingen opnoemen die in de koffer zouden kunnen zitten en versier samen met hen een tafel. Nadat je dit hebt gedaan ga je met de kinderen aan de slag. Zij gaan nu zelf een aantal dingen maken die je nodig hebt om je huis mooi te maken wanneer er visite komt.

 

Slingers

Slinger van vouwblaadjes

 

Materiaal:

·         vouwblaadjes van dun Engels karton

·         schaar

·         lijm

 

Vouw het blaadje vier keer door het midden, verticaal, horizontaal en 2x diagonaal (zie tekening A). Vouw het steeds weer open. Vouw het blaadje nu steeds weer dubbel zonder het weer open te leggen (zie tekening B) en knip de driehoekjes in. Plak de verschillende onderdelen van de slinger aan elkaar.

 

tekening A

           

tekening B

 

 

 

Ringen-slinger

 

Materiaal:

·         Engels karton (140 grams) in verschillende kleuren

·         schaar

·         lijm

 

Voorbereiding: snijd stroken van 3 cm breed en ongeveer 46 cm lang in verschillende kleuren.

 

Vouw de stroken twee of drie keer dubbel. Op de vouwlijn en aan de zijkant knip je kleine stukjes en figuurtjes weg.

Vouw de strook op en knip hem in tweeën. Nu heb je twee stukjes van ongeveer 23 cm. Probeer verschillende dingen uit. Je kunt allerlei patronen knippen. Daarna plak je de ringen aan elkaar. Wissel de kleuren af, dat ziet er het leukste uit.

 

Bloemen

Biedermeierboeketje

 

Materiaal:

·         gekleurd crepepapier

·         wit papier

·         schaar

·         lijm

·         bloementape

·         verf en kwasten

·         pijpenragers

 

Voorbereiding: knip stukken van 7 cm breed van een rol gekleurd crepepapier. Neem een rol groen crepepapier en knip de in drie gelijke stukken. Knip de pijpenragers in stukjes van ongeveer 12 cm. Maak witte papieren rondjes ter grootte van een ontbijtbord. Bedek de tafel met kranten en zet verf klaar.

 

Neem een stuk gekleurd crepepapier en knip daar met de schaar aan een kant een paar bogen in. Vervolgens schilder je met een contrasterende kleur verf een randje verf aan de kant met de bogen. Dit doe je door de kwast tegen de uiteinden van het papier te duwen. Rol nu voorzichtig de strook uit en hang hem met een wasknijper te drogen. Dit uitrollen moet zo snel mogelijk gebeuren anders droogt de verf en plakt het papier aan elkaar. Leg een strook gekleurd en geverfd crepepapier open en breng aan de onderkant een randje lij op. Nu rol je de strook op, om het pijpenragertje. Maak minimaal vijf bloemen voor een boeketje. Als de bloemen klaar zijn plak je de steeltjes bij elkaar door middel van bloementape en plakband. Knip nu een stuk groen crepepapier in, zodat er langwerpige bladeren ontstaan. Rol daar stukjes van om het boeketje. Knip van het witte papieren rondje een kanten kleedje met een gat in het midden dat om het boeketje gaat.

 

Vaas met bloemen

 

Materiaal voor vaas:

·         melkpakken

·         tijdschriften

·         lijm

·         kwasten

 

Knip de bovenkant van het melkpak af. Ga in tijdschriften op zoek naar een stukjes van papier van een kleur (verschillende schakeringen). Wanneer je genoeg snippers hebt verzameld smeer je het pak in met lijm. Beplak het melkpak met deze snippers. Als dit gebeurt is kan het pak nog worden afgelakt, dan glimt het mooi!

 

Materiaal voor bloemen:

·         groen karton

·         gekleurd cellofaan

·         schaar

·         lijm

·         nietapparaat

 

Knip de blaadjes van de bloemen met een stukje steel eraan. Deze blaadjes plak je op een strook. Daarna plak je de ander strook erop waarvan je de bovenkant een stukje los laat zitten. Le twee stukjes folie op elkaar en frommel ze in het midden bij elkaar en draai er een puntje aan. Dit puntje plak je aan de bovenkant tussen de stroken. In plaats van plakken kan de bloem ook vast geniet worden.

Je kunt de bloemen inknippen, zodat er sprietjes ontstaan. Zo kunnen verschillende bloemen gemaakt worden door kleuren steeds anders met elkaar te combineren. Zet dit boeket in de vaas.

 

Lichtjes

Glazen potje versieren

 

Voorbereiding: verzamel enkele weken van te voren kleine glazen potje waarin een waxinelichtje past.

 

Materiaal:

·         glazen potjes

·         sterke lijm

·         glitters

·         gekleurd papier

·         schaar

 

Geef de kinderen de opdracht om het potje te versieren met verschillende materialen. Zeg ze dat er een waxinelichtje in komt en dat e bovenkant vrij moet blijven.

 

Tafellichtje

 

Voorbereiding: verzamel enkele weken van te voren deksels van glazen potjes.

 

Materiaal:

·         velletjes koperfolie

·         prikvilt

·         prikpen

·         nietapparaat

·         dekseltjes

·         verf

·         kwast

·         schaar

 

Prik in het folie figuren, je naam, etc. Hierdoor komt het licht naar buiten. Knip de bovenkant met een gewone of kartelschaar in een leuke vorm. De leerkracht niet de uiteinden van de strook weer aan elkaar. Verf het deksel in een mooie kleur. Hierop komt het waxinelichtje te staan.

 

Uitnodigingen

 

Materiaal:

·         gekleurd karton

·         gekleurd papier

·         tijdschriften

·         schaar

·         lijm

 

Laat de kinderen hun eigen uitnodiging ontwerpen. Hiervoor kunnen ze gebruik maken van eigen versiersels maar ook materiaal uit tijdschriften. Laat de kinderen uit groep 1 en 2 samen met jou een tekst bedenken die je voor ze opschrijft. Ook kunnen ze woorden stempelen. De kinderen uit groep 3 en 4 kunnen hun eigen tekst schrijven.

 

Koekjes bakken

 

Materiaal:

·         recept koekjes

·         vormpjes

·         oventjes

 

Deze activiteit is leuk om als laatste te doen. De hele klas is nu als het goed is versierd met slinger, bloemen, lichtjes en uitnodigingen. Maak met de kinderen koekjes en laat ze deze versieren. Bak ze af in de oven en eet ze samen onder het genot van een lekker glas limonade op aan hun mooi versierde tafel.

 

 


Literatuursuggesties:

 

·         Je gevoelens als je bedroefd bent; Brian Moses & Mike Gordon

·         Je gevoelens als je jaloers bent; Brian Moses & Mike Gordon

·         Je gevoelens als je boos bent; Brian Moses & Mike Gordon

·         Je gevoelens als je bang bent; Brian Moses & Mike Gordon

·         Visite, Ziezo; Annie M.G. Schmidt

·         Op visite, Jip en Janneke; Annie M.G. Schmidt

·         Theevisite, Jip en Janneke; Annie M.G. Schmidt

 

 

Bronnen:

 

·         Bijbel

·         Handenarbeid met kinderen van 6-9 jaar; Ineke Hoekstra

·         De speeldoos: voor 4-8 jaar