Kerstmis voor de jongsten - een weg van 10 dagen

Bestaand materiaal is vaak heel goed te gebruiken. Door het materiaal te bewerken wordt het meer iets van jezelf. Door je meer met het materiaal te verbinden identificeer je je meer met het materiaal en met de kinderen voor wie je het maakt. Kerstmis zo voorbereiden wordt ook een "happening" waaruit volop betrokkenheid blijkt. Betrokkenheid met de kinderen van de groep, betrokkenheid van allen met het - in dit verhaal groeiende - verhaal. Wat is er in deze tijd onroerende dan samen te schuilen in een klein verhaal dat ruimte biedt aan velen
Jan Engelen, mei 2004

 


 

Kerstverhaal: Het licht in de lantaarn

Bewerkt en uitgewerkt door Maartje Mors
L34 2004 eindwerkstuk

 

Het boek ‘Het licht in de lantaarn’ vertelt het verhaal van Jozef en Maria die een lange en zware weg bewandelen voor zij in Bethlehem aankomen. De verhalen zijn hier herschreven. De bestaande versie is té moeilijk voor kleuters. Er staan té veel moeilijke woorden in.
In deze verhalen is de symboliek en de gevoeligheid daarvoor groot. Het verhaal wordt aldus meer dan alleen maar een verhaaltje.

Bij de verhalen heb ik materialen gemaakt. Deze worden per verhaal aangeboden.

Je hebt met de materialen een tafereel staan dat de beginsituatie van een verhaal toont. In het verhaal is er een verandering. Als je het verhaal hebt gelezen ga je gewoon verder met het dagdeel. Als de kinderen naar huis zijn pas je de situatie aan aan de verandering en is het voor de kinderen alsof het echt is gebeurd.

Hier volgt eerst welke materialen bij dit project horen. Daarna zal ik per verhaal aangeven wat de beginsituatie is en wat de eindsituatie is van het verhaal (de verandering vindt plaats als de kinderen er niet zijn: een wonder!) en welke materialen je bij een verhaal moet klaarzetten en gebruiken.

De hele weg heb je al uitgezet, alleen moeten de poppen nog stil staan bij iedere gebeurtenis. Ook maak je soms een stap uit het verhaal en stap je naar de stal toe waar ook voorbereidingen worden getroffen.

 

Verhaal/situatie onderweg                                                                     Bij de stal/herberg  

1             2             4             5            7             8                                    6      9      3     10

 

 

De materialen/benodigdheden:

De volgende poppen:

-          Jozef

-          Maria

-          Jezus

-          de ezel

-          de os

-          een herder (die ook als ander figuur kan worden gebruikt door bijvoorbeeld een kapje op te zetten)

-          een engeltje

-          een spinnetje

-          een eekhoorntje

-          een sparrentak

-          enkele muizen (ong.5)

 

Daarbij:

-          een kribbe

-          een stal

-          een spinnenweb (kastanje, satéprikkers en draad)

-          een lantaarntje

-          een ster

-          een rots/grot (gemaakt van grottenpapier, een kartonnen doos, en oude kranten)

-          stenen (‘scherp’ en glad)

-          blauw kleedje (water)

-          spiegeltje (ijs)

-          stro

-          huisje van de waard

-          een paar walnoten

-          kommetjes (kruiken)

-          kleedje

 

 

De start

Zet op een kast, of op een tafel (die je kan uitbreiden, verschillende tafels naast elkaar) aan het begin de eerste situatie op.

Achteraan zie je het verloop van het verhaal getekend.

 

 

Dag 1

 

Situatie 1:

Jozef, Maria, de ezel en voor hen de ‘scherpe steentjes’. Leg bij dit tafereel het verhaal dat erbij hoort.

 

Verhaal 1:

De rotsachtige weg naar Bethlehem.

 

Toelichting:

Als de kinderen binnenkomen zien zij deze situatie staan. Misschien dat de kinderen het verhaal zien staan en er iets over zeggen. Anders kan je er zelf op wijzen. Je begint ’s morgens in de kring met het verhaal voor te lezen. In het verhaal staat dat er een engel komt die de stenen veranderd in gladde en grotere stenen die licht geven.

Je zegt de kinderen dat zij goed op het tafereel moeten letten of de stenen daadwerkelijk veranderen. Zij houden dit dan goed in de gaten.

 

In de middagpauze, als de kinderen naar huis zijn verander je het tafereel: de kleine ‘scherpe’ steentjes haal je weg en leg daarvoor wat grotere en gladdere stenen voor terug. Verder kan je bij dit tafereel het engeltje erboven hangen. De kinderen zullen direct zien dat de stenen zijn veranderd en vinden dit dan ook heel raar en bijzonder.

 

Je kunt dan één kind de poppen over de stenen laten lopen en daar halt zetten voor de volgende situatie die de volgende dag zal gebeuren.

 

Dag 2

 

Situatie 2:

Jozef, Maria en het ezeltje hebben de stenen achter zich gelaten en staan nu voor een volgend probleem. Voor ijskoud water (blauw stukje stof).

 

Verhaal 2:

Waarom het water ’s winters in ijs verandert.

 

Toelichting:

In het verhaal wordt verteld waarom het water ’s winters in ijs verandert. De poppen kunnen er zo niet overheen omdat het water veel te koud is. Als het verhaal uit is wijs je de kinderen erop te letten of het water in ijs verandert. Ook nu verander je de situatie als de kinderen naar huis zijn. Op de plaats van het stukje stof leg je een spiegeltje dat het ijs moet uitbeelden. Ook nu zullen de kinderen reageren en weer kunnen de poppen verder gaan en stilstaan bij de volgende situatie.

 

Dag 3

 

Situatie 3:

Laat de situatie van Jozef en Maria zo staan en er wordt een tussenstap gemaakt die zich afspeelt bij de kerststal. Dit aan het einde van de weg staat.

In de kerststal staat Remus de os. In of op de stal staan de muizen. Verder ligt er een hele hoop stro in zodat de stal er niet netjes uitziet. Ook hangt het Engeltje bij dit tafereel.

 

Verhaal 3:

De kerstmuizen.

 

Toelichting:

Er wordt een stap buiten het verhaal van Jozef en Maria gezet. Dit ook om te laten zien dat er dingen tegelijkertijd gebeuren (tijdens de reis wordt de stal al voorbereid).

 

De kerstmuizen ruimen de stal netjes op. Als de kinderen terug op school komen moet de stal er geordender uitzien.

 

Dag 4

 

Situatie 4:

Weer terug naar Jozef en Maria. Zij hebben heel erge honger. Zij staan nu voor een veldje met bladeren waaronder walnoten verstopt liggen. Op de bladeren zit de eekhoorn. Verderop staat ook een huisje

 

Verhaal 4:

De voorraad van het eekhoorntje.

 

Toelichting:

De noten liggen verstopt onder de bladeren. De kinderen kunnen deze zoeken en het eekhoorntje laten geven aan jozef en Maria. Hierbij hoeft het dus niet te veranderen en kun je het gelijk doen.

Als dit klaar is mogen Jozef en Maria verder lopen naar de grot.

 

Dag 5

 

Situatie 5:

De rots staat al klaar en Jozef en Maria zijn er al bij gezet. ’s Morgens staan zij in het stalletje samen met de ezel. Het spinnetje zit op de rots.

 

Verhaal 5:

Wat de spin voor Maria deed.

 

Toelichting:

Je leest het verhaaltje voor en vraagt de kinderen of zij het spinnetje zien. Die moeten zij nu goed in de gaten houden. Als de kinderen naar huis gaan zet je het spinnenweb voor de grot neer. Jozef en Maria blijven erin. Aan het einde van de middag gaat het spinnenwebje open en worden Jozef en Maria verplaatst naar de volgende situatie.

 

Dag 6

 

Situatie 6:

Tussenstap naar de stal. In het huisje staat Titus en bij hem staat een klein lantaarntje. Het huisje staat naast de opgeruimde stal met Remus erin en de kerstmuizen erboven op.

 

Verhaal 6:

Het licht in de lantaarn.

 

Toelichting:

In het verhaal gaat Titus met zijn lantaarn naar de stal toe. Dit kan een kind doen als het verhaaltje uit is. Titus gaat weer terug en laat zijn lantaarn staan.

Als de kinderen ’s middags binnenkomen brandt er licht in het lantaarntje.

 

Dag 7

 

Situatie 7:

Jozef, Maria en het ezeltje staan bij een ‘sparrenboompje (die net zo groot is als zij) maar de takken van de boom wijzen omhoog.

 

Verhaal 7:

De sparren.

 

Toelichting:

Lees het verhaal en leg Jozef en Maria onder de boom om te slapen. Als de kinderen ’s middags op school komen staat er een boom die zijn takken laat hangen en niet meer omhoog staan. De takken beschermen hen nu.

 

Dag 8

 

Situatie 8:

Er staat een mevrouw meteen kapje en een kruik. Eigenlijk is hier verder niet veel voor nodig, bijvoorbeeld een kleedje (picknickkleedje).

 

Verhaal 8:

De warme soep van de arme vrouw.

 

Toelichting:

Dit verhaal is direct uit te spelen.

 

Dag 9

 

Situatie 9:

Jozef en Maria komen aan bij de herberg van Titus. Zij staan daar nu voor de deur.

 

Verhaal 9:

De herberg in Bethlehem.

 

 

Toelichting:

Verhaal kan direct neergezet, meegespeeld worden. Je kunt er ook voor kiezen om de situatie zelf tussen de middag te veranderen en Jozef en Maria en het ezeltje zelf in het stalletje te zetten bij Remus en de kribbe.

 

 

Dag 10

 

Situatie 10:

Verhaal voor bij het kerstdiner (kerstavond op school). In de kribbe ligt Jezus al. Het licht in de lantaarn brandt. De engel is bij de stal. De kerstmuizen zijn er. Kortom. Alle figuren zet je nog even bij de stal neer. Boven de stal hangt een ster.

 

Verhaal 10:

Toen Jezus ter wereld kwam.

 

Toelichting:

Lees het verhaal voor voor het kerstdiner begint.

 


De rotsachtige weg naar Bethlehem

  

Maria en Jozef zijn op weg naar Bethlehem. Het ezeltje loopt met vrolijk hoefgetrappel voorop. Jozef heeft een goede wandelstok en loopt vlug door. Maria doet wel haar uiterste best om hem bij te houden, maar zij stoot haar voeten telkens tegen de donkere stenen en scherpe rotspunten van de weg. Zij houdt zich flink en klemt haar tanden op elkaar. Ze wil niet laten merken dat haar voeten pijn doen. Maar plotseling springen de tranen haar in de ogen. Ze kan de tranen niet meer tegenhouden.

Het ezeltje merkt er jammer genoeg niets van en Jozef ook al niet. Zij moeten goed opletten dat ze de weg niet kwijtraken. Maar de engel die met hen mee reist,  merkt wel dat Maria stilletjes huilde.

Hij buigt zich naar haar toe en zegt: ‘Lieve vrouw, waarom huil je zo? Je bent toch op weg naar Bethlehem, waar je het kerstkind ter wereld zult brengen. Ben je daar dan helemaal niet blij om?’

Maria antwoordt: ‘Ik ben heel gelukkig, dat ik de moeder van het kindje Jezus mag worden en ik wil ook niet klagen. Maar de donkere stenen en de scherpe rotspunten stoten mijn voeten stuk en daardoor is het voor mij moeilijk om verder te gaan.’

Als de engel dat hoort, kijkt hij naar de stenen met zijn lichte, stralende ogen. En wat gebeurt er?
Terwijl de engel kijkt veranderende stenen.De scherpe hoeken en randen worden glad en rond. De donkere rotsen beginnen te glanzen in allerlei kleuren. Sommige stenen worden zelfs helder als kristal. Het licht van de engel laat de stenen schitteren als sterren.
De scherpte stenen zijn een goede weg geworden. Maria kan rustig doorlopen. Op weg naar Bethlehem doen haar voeten niet meer pijn.

 

Waarom het water ’s winters in ijs verandert

 

Maria en Jozef zijn op weg waren naar Bethlehem. Op een dag komen ze bij een rivier. Die is niet zo vreselijk breed en ook niet zo vreselijk diep, maar het water was wel verschrikkelijk koud. Het is al bijna winter. Het ezeltje steekt voorzichtig één poot in het water, maar trekt hem onmiddellijk weer terug, want het water is echt vreselijk koud. Het ezeltje blijft stokstijf staan en weigert, het riviertje over te steken. Er is geen brug te zien in de omgeving, en er ligt ook geen boot in de buurt. Wat moeten ze nu doen? Jozef begint zijn kleren al op te hijsen om door het water te lopen en Maria op zijn schouders naar de overkant te dragen. Maar Maria wil niet dat hij dit doet. Zij is bang dat hij door dit koude water ziek zou worden. Dan gaat zij vlak bij het water aan de oever staan en ze begint zachtjes te zingen:

 

 

Water-golfje, doe wat ik wil, water-golfje sta nu stil,

 Help ons uit de grote nood, word een brug of word een boot! 

 

Het water geeft antwoord. Dat klink als een heel zacht geklingel van klokjes. Daarna houdt de rivier plotseling op met stromen en wordt een brug. Zo doorschijnend als glas is hij,  maar toch zó stevig dat Maria, Jozef en het ezeltje er alledrie overheen kunnen lopen naar de overkant. Sindsdien bevriest al het water ’s winters en wordt het ijs. Want als Maria met haar kind over de aarde gaat, moet zij veilig en ongehinderd overal heen kunnen gaan.

 



Het licht in de lantaarn

 

Titus, de herbergier, neem zijn lantaarn in de hand, want buiten is het donker geworden. Hij wil naar de stal gaan om vers hooi te spreiden voor de Os Remus. Hij steekt het lichtje aan en merkt dat er nog maar weinig kaars over is. ‘Nu ja’, mompelt hij, ‘net genoeg voor dit kleine eindje naar de stal’, en hij gaat de deur uit.

Het zachte kaarslicht maakt het donker wat lichter. In de stal hangt Titus de lantaarn aan een haak in de zoldering en gaat aan het werk. Hij is juist bezig het mooie verse hooi in de krib te doen, als hij geroezemoes bij het huis hoort.

Zij vrouw roept hem: ‘Titus, waar ben je? Er zijn gasten gekomen!’

De herbergier laat het hooi vallen en pakt de lantaarn. Maar op datzelfde ogenblik flakkerde het licht nog één keer op en gaat uit. ‘Geeft niet’, bromde Titus. Hij laat de lantaarn boven de voederkrib hangen en haast zich door het donker naar huis.

De volgende dag is Titus de lantaarn helemaal vergeten. ’s Avonds heeft hij hem nodig. Hij zoekt overal. Dan herinnert hij zich dat hij hen in de stal boven de krib had laten hangen. Hij haalt een nieuw kaarsje te voorschijn om dat op het oude stukje kaars in de lantaarn te zetten.

Als hij de deur uit komt en over het erf loopt, ziet hij door het raampje in de stal een zacht licht stralen. Verbaasd krabt de herbergier zich op zijn hoofd. Wie heeft dat licht daar nu aangestoken? Hij heeft gisteren toch zelf gezien dat de kaars opgebrand was. Titus roept zijn vrouw; zij moet ook komen kijken naar dat wonderlijke licht. Terwijl zij de stal binnen gaan, bromt hij: ‘Gek, hè, dat brandt hier gewoon vanzelf.’ De vrouw antwoordt: ‘Waarom zou dat licht niet uitgaan? Dat heeft vast een reden. Laten we er maar niets aan doen, tot het vanzelf uitdooft.’

Zo komt het, dat de stal al door dit milde licht wordt verlicht wanneer Jozef en Maria met het ezeltje op kerstavond onderdak zoeken. Het licht brandt door tot het Jezuskind is geboren. Dan hoeft het niet in het donker ter wereld te komen. Nu willen jullie vast wel weten, wat dat voor een wonderlijk licht was, dat daar zo ijverig scheen in de lantaarn en er niet over dacht om uit te gaan? Dat is natuurlijk geen gewone kaars.

Ik zal jullie het geheim verklappen: er was wat sterrenlicht in de lantaarn naar binnen geglipt. Dat mocht er heel dicht bij zijn als het kerstkind geboren zou worden. Daarom was het stilletjes in de lantaarn gekropen en verspreidde het daar zo’n vriendelijk licht. Als Titus, de herbergier, goed had gekeken, dan had hij het ook gezien.


De sparren

Als God de bomen maakt, gaf hij ze wortels om stevig mee in de aarde te wortelen, maar ook takken om naar de hemel omhoog te strekken. Want de hemel is het land waar ze vandaan gekomen waren, en dat mogen ze niet vergeten.

Daarom staan hun takken omhoog. Het is alsof ze stil bidden.

Ooit groeide de spar ook zo. Hij strekte zijn lange en breed uitgestrekte takken nog hoger dan de andere bomen omhoog. Nu is dat heel anders. Hoe komt dat? Ze vertellen:

Maria en Jozef hebbden weer geen onderdak gevonden voor de nacht, want ze zijn in een eenzame streek gekomen waar niemand woont. Zo moeten ze midden in een bos met hoge, slanke sparren gaan slapen. Maar ze kunnen niet in slaap komen. Ze hebben heel veel last van de kou en de wind. En, het begon ook nog eens te sneeuwen. Eerst heel zachtjes, en langzaam aan steeds harder en harder. Jozef en Maria kruipen dicht tegen de stam van een boom aan, maar dat gaf maar weinig beschutting.

In deze nood vat Maria moed. Ze aait lief met haar hand over de boom en vraagt: ‘Ik stoor je niet graag in je stille gebed, waardoor je takken naar de hemel wijzen. Maar luister toch. In mijn buik zit het Kerst kind. Het kindje heeft jou hulp nodig!’

Maria heeft de woorden nog maar net uitgesproken of de boom begint te beven. Langzaam, heel langzaam laat hij zijn takken naar beneden zakken, zo laag, dat er een beschuttend dak ontstond. En hoewel de spar zijn groene naalden in de herfst al verloren had, net zoals alle andere bomen, nu komen er weer nieuwe naalden tevoorschijn. En sindsdien vallen de naalden in de herfst niet meer af. Zo vonden Jozef en Maria onder de takken van de spar een veilige plek voor de nacht.

Omdat de spar zijn stille gebed voor God heeft gestopt, krijgt hij voortaan een grote eer. Hij mag met Kerstmis op zijn uitgespreide takken de lichtjes dragen en voor God en de mensen stralen.

 


Wat de spin voor Maria deed

Op een avond hebben Maria en Jozef onderdak gevonden in een rotshol. Als ze daar naar binnen gaan, loopt er juist een spin over het pad. Jozef wil hem wegjagen met zijn wandelstaf, maar Maria zegt vriendelijk: ‘Ach Jozef, laat dat beestje toch. Ik ben niet bang voor deze spin; hij is toch ook gemaakt door God en hier is plaats genoeg voor ons allemaal.’ Daarna gaan ze liggen slapen.

In de nacht steekt een harde wind op. Die wil nog snel alle sterren aan de hemel schoonvegen vóór het Kerstkind geboren gaat worden. Dan kunnen zij met Kerstmis hun gouden glans verspreiden. De wind blaast ook ijzig koud naar binnen in het hol, zodat Maria geen ook dicht kan doen. Ze wikkelt zich stevig vast in haar mantel, maar het helpt niets. De wind blaast er dwars doorheen. Jozef is al ingeslapen. Hij merkt niet hoe koud zij het heeft.

Maar er was iemand die het wel merkt. Dat is het spinnetje. Het heeft de vriendelijke woorden van Maria gehoord en is daar zo gelukkig mee, dat het graag iets terug wil doen. De spin gaat aan het werk en weeft voor de ingang van het hol een prachtig fijn dicht web. De spin overtreft zichzelf. Je denkt misschien dat een spinnenweb de wind niet kan tegenhouden, maar daar vergis je je in! Dit web is zo dik als een stevig gordijn. Nu kan Maria lekker slapen.

De volgende morgen zieg Maria het fijngeweven spinnenweb voor de ingang van het hol en ze begrijpt wie haar zo goed geholpen heeft om in slaap te komen. Maria bedankt het spinnetje hartelijk, ook al kon ze het nergens vinden. Het spinnetje heeft zich verstopt in een rotsspleet en luistert. Het verheugt zich over de vriendelijke woorden.


De kerstmuizen

   

Er is in Bethlehem een oude vervallen stal en daarin woont een Os die Remus heette. Op de grond ligt stro uitgespreid en in de hoek staat een voederkrib voor het hooi dat Remus altijd vreet. In deze stal zal het Kerstkind geboren worden. Als de engel Gabriël daar naar  binnen kijkt, slaat de schrik hem om het hart. Hij roept uit: ‘In deze vuile rommel kan het Kerstkind toch niet ter wereld komen! Remus, doe er wat aan, ruim eens wat op en maak de stal schoon!’ Maar de os kijkt de engel met zijn grote ronde ogen peinzend aan en vreet behaaglijk door. Het ziet er in de stal net zo uit als anders en wat hem betreft kan het zo blijven. Wat moet de engel Gabriël nu doen?
Het liefst steekt hij zelf zijn handen uit de mouwen om flink op te ruimen. Maar dat kan hij niet. Zijn handen zijn te licht. Wie kan u  hem helpen?

Plotseling hoort hij zacht gepiep. Hij kijkt in de stal om zich heen en ziet een muisje dat vanuit zijn holletje naar hem kijkt. Als de muis de engel had gezien, roept hij zijn kinderen. Hij wil dat die de engel ook kunnen zien. Nu richt Gabriël zich tot de muizen en vraagt: ‘Willen jullie de stal niet helpen opruimen, zodat het hier netjes is als het kind Jezus met Kerstmis wordt geboren?’

De muizen laten het zich niet twee keer zeggen. Ze komen vlug uit hun holletje, grijpen ieder een strohalm en haasten zich ermee weg. Even later komen zij terug om verder op te ruimen en binnen de kortste keren ziet de stal er schoon en opgeruimd uit. Het bevalt zelfs de os beter dan tevoren.

De engel Gabriël prijst de muizen en spreekt: ‘Jullie hebben zo hard geholpen, dat jullie voortaan kerstmuizen genoemd zullen worden. En als het kind Jezus met Kerstmis geboren zal worden, zullen jullie één van de eersten zijn die het mogen zien.’

Dat vinden de muizen prachtig. Ze poetsen hun velltje mooi glanzend en wachten vol verlangen tot het Kerstmis zal worden.

 

De voorraad van het eekhoorntje

Het eekhoorntje heeft in de herfst ijverig noten verzameld. Zo hier en daar heeft het een voorraadhol in orde gemaakt en na afloop alles keurig met bladeren, takjes en aarde bedekt. Nu zijn al die heerlijke hapjes goed beschermd was. Niemand zal ze kunnen vinden. Maar, omdat de eekhoorn op die manier al zijn noten zo goed heeft opgeborgen, kan hij ze zelf ook niet meer vinden. En als de winter komt en er in de natuur nauwelijks meer iets te eten te vinden is, moet het eekhoorntje honger lijden – met al zijn voorraden. Dat is me ook wat! Nu moet hij iets doen waar hij niet zoveel zin in heeft. Het eekhoorntje moet voedsel gaan zoeken op het erf van een boerderij.

Zo gebeurt het, dat het eekhoorntje moet toezien hoe twee arme mensen aankloppen bij een huis en om een beetje eten vragen. Ze worden door een kattige mevrouw met scheldwoorden weggejaagd. Dat is niet leuk. Als de eekhoorn het treurige gezicht van de mensen ziet, krijgt hij heel erg medelijden. Hij wil dat hij ze kan helpen. Als hij nu kan bedenken waar zijn notenvoorraden zijn!

Snel springt hij het bos in om nog eens te zoeken. En kijk eens aan, het is opeens heel makkelijk geworden. Het is niet zo, dat het eekhoorntje zich opeens kon herinneren waar zijn noten zijn gebleven, maar overal waar hij ze verstopt heeft, schijnt op de grond een klein lichtje. Dat wijst hem waar hij moet graven. Hij begint te krabben en te graven en vult zijn wangzakken met noten.

Dan rent hij de arme zwervers achterna. Hij is wel een beetje bang, maar als hij de vriendelijke ogen van Maria en Jozef ziet, krijgt hij moed. Hij huppelt dapper naar hen toe en legt voor allebei twee noten op het pad.

Nu denken jullie misschien, dat zoiets maar weinig is voor een lege maag, maar iets dat uit liefde gegeven wordt, is altijd meer dan het lijkt. Maria en Jozef bedanken het kleine makkertje en eten de noten op. En werkelijk, de ergste honger is nu gestild.

Het gaat voortaan heel goed met het eekhoorntje. Altijd als hij op zoek gaat naar zijn notenvoorraad, wijzen de lichtjes op de grond hem waar hij wezen moet. Hij hoeft nu niet meer vergeefs te graven.


 

De warme soep van de arme vrouw

  

Rebekka is de armste vrouw van het dorp. Het enige dat zij heeft zijn de kleren die ze aanheeft en dat is niet best, want haar rok en bloes zijn gescheurd en haar kousen en schoenen zijn vol gaten. Iedereen kent haar en Rebekka kent alle mensen in het dorp en weet precies bij wie ze kan aankloppen, als ze honger heeft of als ze onderdak zoekt als het te koud wordt om buiten te slapen.

Het is een armoedig leven maar Rebekka is niet anders gewend en kan zich ook geen ander leven voorstellen.

In de winter waarin ons verhaal zich afspeelt heerst er grote honger in het land. De mensen hebben zelf nauwelijks genoeg te eten en geven de bedelares dus ook veel minder dan eerst. Ze moet aan heel wat deuren kloppen voor ze een kleine maaltijd bij elkaar gescharreld heeft.

Op een middag heeft Rebekka wat warme soep gekregen. Haar kruik is maar net halfvol. Wanneer ze daarmee aan de kant van de weg gaat zitten om te eten, ziet ze een man, een vrouw en een ezeltje aan komen lopen.
Jullie hebben het al begrepen: het zijn Jozef en Maria, op weg naar Bethlehem. De man ziet er somber uit en het gezicht van de jonge vrouw is zo wit en weggetrokken, dat zelfs Rebekka medelijden met haar krijgt. ‘Hé, mensen’, roept ze, ‘waarom zien jullie er zo somber en treurig uit? Wat is er aan de hand?’

Jozef kijkt haar zonder een woord te zeggen aan. Zijn blik blijft bij de kruik met soep hangen. Maria antwoordt zacht: ‘Wij hebben niets te eten en dat maakt onze tocht zeer zwaar.’

‘Ja, waarom kopen jullie dan niets?’

‘Wij hebben geen geld om eten te kopen’, luidt het antwoord. En waarom gaan jullie dan niet bedelen?’ wil Rebekka weten.

‘Dat hebben wij geprobeerd’, geeft Maria verlegen toe, ‘maar niemand wilde ons iets geven.’

‘Tja, ja’, zegt de arme Rebekka. Ze knikt begrijpend, ‘het zijn slechte tijden. De mensen hebben zelf ook niets. Kijk eens hoe weinig ze mij gegeven hebben!’ En ze wijst naar haar halfvolle kruik met soep.

Maar plotseling schiet er een heel onverwachte gedachte door haar heen. Aan zoiets heeft ze haar leven lang nog niet gedacht. Ze vraagt bedachtzaam: ‘Hebben jullie iets bij je om soep in te doen?’

Dat hedden Jozef en Maria. Ze hedden net zo’n kruik als Rebekka.

‘Laten we eerlijk delen’, besluit de bedelares, ‘ieder de helft.

Jozef pakt de kruik uit en Rebekka giet er zoveel in als zij meent te kunnen missen. En daarna giet ze de andere helft er ook nog bij. Nu is haar eigen kruik leeg, maar ze houdt hem zo vast dat Jozef en Maria het niet merkten. Als de bedelares de beide hongerige mensen ziet eten, voelt ze zich gelukkiger dan ze ooit tevoren was geweest. Een ogenblik lang vergeet ze helemaal haar eigen honger. Het duurt maar een paar minuten en dan is de soep al op.

 

Maria en Jozef zetten hun tocht voort. Rebekka kijkt hen nog een hele tijd na. Ze vloet zich blij dat ze die mensen wat heeft kunnen geven. Ze bukt zich ten slotte om haar lege kruik op te tillen, maar ze ziet dat haar kruik tot aan de rand gevuld is met heerlijke warme, krachtige soep. Ze zal geen honger over houden.

 

De herberg in Bethlehem

  

Eindelijk, eindelijk hebben Maria en Jozef na hun lange moeizame tocht Bethlehem bereikt. Ze zijn moe van de reis en zelfs het ezeltje laat zijn kop uitgeput hangen. Maar waar moeten ze een herberg vinden, een kamer om in te wonen en een bed om in te slapen? Ze gaan van de ene deur naar de andere, kloppen overal aan en vragen bij iedere waard om onderdak, maar niemand wil hen binnenlaten, omdat Jozef te arm is om te betalen voor een overnachting. ‘Ga maar verder’, zeggen de mensen steeds, ‘in mijn huis is geen plaats voor jullie.’

Het is avond geworden en Maria en Jozef lopen nog steeds straat in, straat uit en het ezeltje gaat stapvoets achter hen aan. Het verbaast zich dat ze nog nergens een plek om te rusten hebben gevonden. Ten slotte is er nog maar één herberg aan de rand van de stad. Een klein huis met een vervallen stal op het erf. Moedeloos klopt Jozef ook hier aan.

Als de waard open doet, zien ze al direct dat de kamer vol mensen zit. Ze durven niet eens om onderdak te vragen. Titus, de waard, kijkt hen vol medelijden aan. Hij ziet dat ze uitgeput zijn en het is duidelijk dat ze niet verder kunnen gaan. Ze moeten bij hem overnachten. Hij krabt op zijn hoofd en bromt: ‘Wat nu? Twee vermoeide mensen met een ezel, die hebben toch een plek nodig om te slapen. En dit hier is een herberg om vermoeide mensen op te nemen, maar nu is het vol. De mensen slapen zelfs op banken.

Peinzend kijkt hij over zijn erf. Dan klaart zijn gezicht ineens op en hij roept uit: ‘Daar aan de overkant brandt de lantaarn al. Wie weet of die niet op jullie gewacht heeft. Loop maar achter mij aan, mensen. Ik heb een huisje voor jullie alleen – en voor de ezel. Het is niet groot en ook niet zo mooi ingericht, maar jullie hebben daar tenminste een dak boven jullie hoofd en stro om op te slapen.’

En waar brengt de waard hen naar toe? Dat weten jullie al: naar de stal van Remus, de os, die door de kerstmuizen zo keurig was opgeruimd en waar het sterrenlicht in de lantaarn de gasten wil verwelkomen.

Daar vinden ze ten slotte onderdak, Maria, Jozef en ook het ezeltje dat de hele weg naar Bethlehem zo dapper meegestapt heeft. Remus de os vind het allemaal best. Het gezelschap bevalt hem wel.

Het was een lange, zware tocht geweest, maar nu zijn ze dan toch eindelijk aangekomen. Nu kan het dan toch werkelijk Kerstmis worden.


 

 

Jezus wordt geboren

Als de belangrijke nacht aanbeekt wordt het volkomen stil op de aarde. Het lijkt alsof de aarde zijn adem inhoud. Zelfs Remus de os stopt met het kauwen op zijn hooi. Hij ziet dat het Kerstkind geboren wordt.

Maria legt het kind in een deken neer zodat het kindje warm zal worden. En de kribbe waar Remus uit eet werd later het bedje waarin Jezus komt te liggen.

Buiten klink er gezang. De engelen zingen een prachtig lied. Zij zijnn blij dat het Kerstkind eindelijk op de aarde is gekomen.

Ook engel Gabriël is erbij. Hij is blij dat de stal er netjes uitziet. Dat hebben de muizen goed gedaan. Hij kijkt eens goed of hij ze ergens kan vinden. En wat denk je? De kerstmuizen zitten met de hele familie, keurig op een rijtje, het Kerstkind te bewonderen.

Jozef en Maria zijn heel erg blij en ook Jezus heeft stralende oogjes. De lantaarn, die Titus had laten hangen in de stal, begint nog harder te stralen. De sterren die erin zitten doen nog harder hun best.

Zelfs buiten schijnt er licht. Niet omdat het ochtend wordt. Nee, er straalt een hele grote ster boven de stal, zodat iedereen de weg naar het Kerstkind zal kunnen vinden.

 

Wij kunnen die weg nu niet meer vinden, dat is al veel te lang geleden. Maar wij kunnen wel met Kerstmis aan het Kerstkind Jezus denken, met zijn stralende ogen. Dat licht halen wij dan in huis, door kaarsjes aan te steken in een lantaarn en door lampjes in de kerstboom. Zo denken wij nog ieder jaar aan dat Jezus ter wereld komt.

 


Het originele boek

 

Het licht in de lantaarn

Een adventskalender in verhalen

Georg Dreissig

90 6238 385 8

Christofoor, Zeist

 

Het origineel bevat meer verhalen. Sommigen heb ik weggelaten omdat deze te moeilijk zijn. De gedachte achter het boek is hoe de natuur, de dieren en de mensen zich voorbereiden op de komst van het kerstkind.