Schepping
een katecheseproject 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het scheppingsverhaal

uitgepakt in zeven weken

voor kinderen uit de onderbouw,

met ‘alles is nieuw’ kijkend naar pasen

met literatuur, voorbeelden, ideeën en verwerkingen

om in te groeien

 

 

door Wies Jongejan, Hogeschool IPABO Alkmaar, 3

maart 2002

 

In het begin...
In den beginne...
Op de eerste dag...
Heel lang geleden...
Eerst maakte God...
Eens lag de aarde...
En God zag dat het goed was!

Vooraf te inleiding

Dit project is ontstaan na een paasproject voor de basisschool dat ik vorig jaar gemaakt heb. Dat was toegespitst op de midden- en bovenbouw toegespitst. Dit jaar wilde ik een aanvulling voor de onderbouw maken. Maar het Paasverhaal vond ik wel lastig voor jonge kinderen. Vandaar dat ik ben uitgeweken naar het scheppingsverhaal. Dat is een verhaal dat goed bij Pasen past.

 

Om dit project vorm te geven heb ik de vertelplaten erbij gemaakt. Omdat ik graag wil dat anderen dit project ook kunnen gebruiken staan de tekeningen ook digitaal tussen de tekst. De verhaalteksten komen uit verschillende bijbels. Iedereen kan zo zijn eigen favoriete versie uitkiezen. Mijn voorkeur gaat uit naar versie D. Die wijkt wel hier en daar iets af van het originele verhaal, maar ik denk wel dat het jonge kinderen aanspreekt.

 

Ik heb het project zo opgebouwd dat elke week steeds uit dezelfde kernactiviteiten bestaat. Natuurlijk is het niet wenselijk om alle praatopdrachten achter elkaar te doen. Je kunt er zelf een keuze uit maken en de opdrachten evenwichtig verdelen. De liedjes van de week staan per week vermeld, maar de algemene scheppingsliederen daar kan een keuze uit gemaakt worden.

 

Ik heb veel plezier beleefd aan het maken van dit project. Ik hoop dat de gebruikers dat er ook aan beleven.

 

Wies Jongejan,

maart 2002

 

 

 

 

van schepping verhalen 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Scheppingsverhalen

Ik heb uit 7 verschillende kinderbijbels het scheppingsverhaal overgenomen. Als projectgebruiker kun je kiezen voor die versie die het best bij je past.

 

Bronvermelding

A          Start Bijbel, Nederlands Bijbelgenootschap met illustraties van Anjo Mutsaars, Haarlem, ISBN 90-6126-259-3

 

B         Bijbel voor kinderen, oude testament, Marianne Busser en Ron Schröder, Pieter van Winden, met illustraties van Alex de Wolf, Van Holkema en Warendorf, ISBN 90-269-9277-7

 

C         Een ark vol verhalen, de bijbel verteld aan kleuters, Herma Vogel met illustraties van Gitta Spee, Ploegsma uitgeverij, ISBN 90-216-1652-1

 

D         Om te beginnen, bijbel voor jonge kinderen, Barbara van Pelt en Anja A. de Fluiter met illustraties van Erika Cotteleer

 

E          De bijbel, uitgekozen bijbelteksten, Tjalling Bos met illustraties van Lisbeth Zwerger, De Vier Windstreken, ISBN 90-5579-527-5

 

F          Wat de bijbel ons vertelt, deel 13, In het begin, Nederlandsch Bijbelgenootschap

met illustraties van Kees de Kort, Amsterdam, ISBN 90-6126-383-2

 

G         Het verhaal over de zeven dagen, Trefwoord 3 onderbouw 2000/2001, methode basisonderwijs, SGO Hoevelaken.

 

 

Dag 1

 

A – IN HET BEGIN

1 In het begin schiep God de hemel en de aarde. 2 De aarde was toen een woestenij, eenzaam en verlaten. Water bedekte de aarde en het was overal donker. Een stormwind joeg over de watervlakte. 3 Toen zei God: ‘Licht!’ En er kwam licht. 4 God bekeek het licht. Het was goed. Toen scheidde God het licht van het donker. 5 God noemde het licht ‘dag’ en het donker noemde hij ‘nacht’. De avond kwam en toen de morgen: dat was de eerste dag.

 

B – GOD BEGINT

Heel lang geleden was het overal donker. Ergens in dat pikkedonker lag de aarde. Verder was alleen God in het heelal. Maar God vond het niet prettig om alleen te zijn. Daarom bedacht Hij een plan. ‘Ik ga iets moois maken van de aarde,’ zei Hij. ‘Het moet werkelijk iets prachtigs worden.’ En hij begon meteen. ‘Ik wil dat het licht wordt,’ zei God. Meteen werd het licht op de aarde. Toen bedacht God nog iets. ‘Ik wil dat het na een tijdje weer donker wordt. Daarna mag het weer licht  worden. Als het licht is op de aarde, noem ik het dag. En als het donker is, noem ik het nacht.’ En God was blij met wat Hij gemaakt had.

 

C – TOEN HET NOG DONKER WAS

Heel lang geleden was het erg saai op de aarde. Er woonde niemand en het was helemaal donker. Er was geen zon en er was geen maan. Er waren geen bomen en bloemen. Er waren geen vogels en vissen. Er waren geen dieren, en er waren geen mensen. Opeens was er licht.

 

D – OP JE PLAATSEN ALLEMAAL

In het begin was er niets helemaal niets. Er was geen hemel en geen aarde. Er was geen licht, er was geen donker. Er was geen gisteren en geen vandaag. En geen morgen. Er was geen mens te vinden. Alleen God was er. En opeens, zomaar opeens waar niemand bij was, maakte God de hemel en de aarde. Dat was het begin. De aarde was een modderpoel. Aardedonker was het er. Tot er iets gebeurde. Het was God die riep: ‘Licht!’ En kijk er was licht. ‘Dat ziet er goed uit,’ sprak God. ‘Licht, jou noem ik voortaan dag.’ Toen keek God naar het donker. ‘Dat donker daar moet niet denken dat het de baas kan spelen.’ En God commandeerde: ‘Donker, jij daar, op je plaats. Jij heet nacht.’ Dat was dag één.

 

E – DE SCHEPPING VAN DE WERELD

Eerst maakte God de hemel en de aarde. De aarde was nog leeg en woest. Overal was water en het was helemaal donker. Boven het water zweefde de geest van God. Toen zei God: “Er moet licht zijn.” En er wás licht. God zag het en was tevreden. Daarna scheidde God het licht van het donker. Het licht noemde hij dag, en het donker nacht. Het werd avond, en dat was het eind van de eerste dag.

 

F – IN HET BEGIN

God maakte in het begin de hemel en de aarde. De aarde was nog leeg en donker. Toen riep God: LICHT! En het werd licht. … en God zag dat het goed was. Dat was de eerste dag.

 

G – HET VERHAAL OVER DE ZEVEN DAGEN

In het begin was alles donker. Je kon niks zien. Dat vond God niet leuk. Daarom zei God: ‘Ik wil dat het licht wordt. Licht! Kom!’ En het licht kwam en God vond het licht mooi. En God kon precies zien  wat er allemaal op de aarde was. Zo licht was het. Toen zei God: ‘Als het licht is, noem ik dat dag. En als het donker is, noem ik dat nacht.’ Toen werd het donker. Heel donker. Het was avond. De allereerste avond op de wereld. Maar het werd ook weer licht. Het was de allereerste dag.

 


Dag 2

 

A – 6 Toen zei God: ‘Er moet een koepel zijn die het water in tweeën splits.’ En zo gebeurde het. 7 God maakte de koepel en splitste het water in tweeën: water onder de koepel en water er boven. 8 God noemde de koepel ‘hemel’. De avond kwam en toen de morgen: dat was de tweede dag.

 

B – De volgende dag ging God verder met Zijn werk. De wereld bestond namelijk alleen uit water. Waar je ook keek. Daarom zei God: ‘Ik wil land zien.’ Toen begon het water te bewegen. Grote stukken land kwamen langzaam boven drijven. Nu waren er ook droge gebieden op de aarde. Er ontstonden heuvels en bergen. En God vond dat het mooi geworden was.

 

C - …

 

D – Overal waar je keek was water. Water, water en nog eens water. God stopte het water boven in de wolken. Daaromheen maakte Hij de lucht. ‘Jou noem Ik hemel,’ riep Hij tegen de lucht. Dat was de tweede dag.

 

E – Toen zei God: “Er moet een scheiding zijn tussen de wateren.” En hij maakte een gewelf. Zo werd het water onder het gewelf gescheiden van het water erboven. God noemde het gewelf de hemel. Het werd avond, en dat was het eind van de tweede dag.

 

F – Op de tweede dag maakte God de blauwe hemel en de wolken, … en God zag dat het goed was.

 

G – God kon alles zien. Hij zei: ‘Ik zie dat alles door elkaar ligt. Zo kun je er niet leven. Ik ga het mooi maken. Ik wil dat er iets boven de aarde is. Een dak om onder te schuilen. Hemel! Kom!’ En de hemel kwam. Een rond blauw dak. En in de hemel, in die hoge blauwe lucht, kwamen de wolken. En God was in de wolken en vond de hemel mooi. Toen werd  de hemel donker want het werd avond. En na de avond werd het weer morgen. De tweede dag.

 


Dag 3

 

A – 9 Toen zei God: ‘Het water dat onder de hemel is moet naar één plaats stromen. Dan kan het droge te voorschijn komen.’ En zo gebeurde het. 10 God noemde het droge ‘land’ en het water noemde hij ‘zee’. God bekeek wat hij gemaakt had. Het was goed. 11 Toen zei God: ‘Er moet van alles groeien op het land: planten die zaad vormen en bomen met vruchten.’ En zo gebeurde het. 12Op het land kwamen verschillende soorten planten en vruchtbomen. God bekeek wat hij gemaakt had. Het was goed. 13 De avond kwam en toen de morgen: dat was de derde dag.

 

B – Op de derde dag bekeek God wat Hij gemaakt had. ‘Het is nog een beetje kaal,’ zei Hij. ‘Ik zou er graag planten en bomen bij hebben.’ De kale zandvlakten veranderden. Er begon gras te groeien en overal kwamen planten, bomen en struiken uit de grond. God bedacht bloemen voor de planten en vruchten voor de bomen. De wereld zag er schitterend uit. Er groeiden zelfs planten in de het water van de zee. ‘Zo is het goed,’ zei God tevreden.

 

C – Er was zee, zand en aarde.

 

D – Beneden was alles nog hetzelfde. Nat, nat en nog eens nat! Dat is niks, dacht God. Hij goot al het water in sloten en rivieren en zeeën. Daaromheen droogde het op. ‘Dat droge,’ riep God, ‘dat noem ik aarde.’ De aarde begon te bloeien. Het gras kwam op, de struiken groeiden en de bomen werden groot. Dat was dag drie.

 

E – Toen zei God: “Het water onder het hemelgewelf moet naar één plaatst stromen, zodat het land tevoorschijn komt.” Zo gebeurde het. En God noemde het land aarde, en het water zee. God zag het en was tevreden.

Toen zei God: “De aarde moet jong groen voortbrengen, allerlei soorten planten en bomen, die zaden en vruchten met zaden dragen.” Zo gebeurde het. De aarde bracht jong groen voort, allerlei soorten planten met zaden, en bomen met vruchten die zaden bevatten. God zag het en was tevreden. Het werd avond, en dat was het eind van de derde dag.

 

F – Op de derde dag maakte God het strand met aan de ene kant de zee en aan de andere kant het land. Op het land liet Hij bomen groeien en planten en bloemen, … en God zag dat het goed was.

 

G – Toen zei God: ‘Ik zie overal water. Alleen maar water. Het klotst alle kanten op. Het is nergens draag en dat wil ik niet. Al het water moet naar één plaats. Water! Kom!’ En het water kwam. Uit alle hoeken van de aarde. Het kwam netjes bij elkaar. En God noemde het water de zee en waar het droog was noemde Hij het land. Op het land liet Hij bomen groeien en planten met mooie bloemen. Want de aarde moest groen worden. en God vond de zee en het land mooi. Toen werd het donker boven de zee en het land, want het werd avond. En na de avond werd het weer morgen. De derde dag.

 



Dag 4

 

A – 14 Toen zei God: ‘Er moeten lichten komen aan de hemel om verschil te maken tussen dag en nacht. Zij moeten laten zien welke dag en welk jaar het is. 15 Zij moeten aan de hemel staan om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde het. 16 God maakte twee grote lichten: de zon voor de dag en de maan voor de nacht. Ook maakte hij de sterren. 17 God plaatste ze aan de hemel om licht te geven op de aarde, 18 overdag en ’s nachts. God bekeek wat hij gemaakt had. 19 De avond kwam en de toen de morgen: dat was de vierde dag.

 

B – De vierde dag keek God naar het licht. ‘Het licht is mooi,’ zei God, ‘maar ik zou het graag nóg mooier willen maken.’ Daarom bedacht God de zon, zodat die overdag kon schijnen. En voor de nacht bedacht God de sterren en de maan. Nu zou het nooit mee zo donker zijn als in het begin. God zag hoe de zon straalde en ’s avonds onderging. Dan maakte ze plaats voor de maan en de sterren, Die versierden de nacht, alsof het feest was.

 

C – Er was een zon en een maan.

 

D – Nu nog wat lampen erbij. God maakte de zon en zei: ‘Zon, jij schijnt over de dag.’ En de zon scheen over de dag. Daarna maakte hij de maan en de sterren. ‘Luister goed,’ zei Hij, ‘jullie zijn de lichten in de nacht.’ De maan en de sterren gingen op hun plaatsen staan. En ze schenen over de nacht. Dat was dag vier.

 

E – Toen zei God: “Aan de hemel moeten lichten komen, die dag en nacht van elkaar scheiden. Het zullen tekens zijn om de dagen, feesten en jaren te bepalen. En ze moeten de aarde verlichten.” Zo gebeurde het. God maakte twee grote lichten, het grootste als heerser over de dag en het kleinste voor de nacht, met daarbij ook nog een heel leger van sterren. God plaatste ze aan de hemel om de aarde te verlichten, over de dag en de nacht te heersen, en licht en donker te scheiden. God zag het en was tevreden. Het werd avond, en dat was het einde van de vierde dag.

 

F – Op de vierde dag maakte Hij de zon voor overdag. Voor de nacht maakte Hij de maan en de sterren, … en God zag dat het goed was.

 

G – God keek naar alles wat er al was. Naar de hemel en de aarde. Naar de wolken en het water. En hij zei: ‘Ik wil de dag nóg mooier maken. En de nacht? Die is veel te donker. Er moeten lichten komen. Een licht voor de dag en lichten voor de nacht. Lichten! Kom! Ga in de hemel staan. Schijn je licht op het land en het water.’ Toen kwam de zon voor de dag. Een grote lamp. En de maan voor de nacht. Een kleine lamp. ‘En er moeten ook sterren komen,’ zei God. ‘Zoveel sterren dat niemand ze kan tellen.’ God vond de zon, de maan en de sterren mooi. Toen zag je het licht van de zon niet meer en het werd avond. Hoog in de lucht gaf de maan licht. Samen met duizenden kleine sterren. En na de avond werd het weer morgen. De vierde dag.



Dag 5

 

A –20 Toen zei God: ‘Het water moet vol vissen en andere dieren zijn en in de lucht moeten vogels vliegen.’ En zo gebeurde het. 21 God schiep de grote zeevissen en alle andere dieren waar het water vol van is. Ook schiep hij de vogels. God bekeek wat hij gemaakt had. Het was goed. 22 God zegende ze en zei: ‘Jullie moeten jongen krijgen. Zorg ervoor dat de zee vol dieren komt en dat er op aarde veel vogels zijn.’ 23 De avond kwam en toen de morgen: dat was de vijfde dag.

 

B – De vijfde dag brak aan. God keek naar het water. ‘Vandaag moet de zee nog meer gaan leven,’ zei Hij. En God maakte de mooiste vissen die Hij kon bedenken. Kleine en grote vissen, dikke, dunne, paarse en gele. De zee was nu vol leven. Maar de lucht was nog leeg. ‘Laat ik ook vogels maken,’ riep God. Hij liet schitterende vogels rondvliegen, in allerlei kleuren. ‘Jullie moeten nesten gaan bouwen en eieren leggen,’ zei Hij. ‘Uit die eieren zullen baby’tjes komen. Zo zullen er altijd vogels op de wereld zijn. En ook de vissen zullen jonge visjes krijgen.’

 

C – De vogels zongen en de bijen zoemden. In de zee sprongen dolfijnen en spartelden vissen.

 

D – God maakte de vogels. Rode en groene, gele en blauwe vogels maakte Hij. ‘Vlieg maar uit,’ riep Hij. En de lucht werd vol van hun gekwetter. Toen maakte God de vissen. ‘Zwemmen!’ riep Hij. En de vissen zwommen de rivieren af. Je zag het water spetteren. Zo’n haast hadden ze om alle zeeën te vullen. Dat was dag vijf.

 

E – Toen zei God: “Het water moet wemelen van de het leven, en in de lucht moeten vogels vliegen.” Zo maakte God de grote zeedieren en alle andere waterdieren, en ook alle soorten vogels en gevleugelde dieren. God zag het en was tevreden. En God zegende zijn schepselen en zei: “Krijg jongen en vul de zeeën, en laten er steeds meer vogels komen op de aarde.” Het werd avond, en dat was het eind van de vijfde dag.

 

F – Op de vijfde dag maakte Hij de vissen die in het water zwemmen, heel grote en heel kleine, en Hij maakte de vogels die boven de aarde vliegen, … en God zag dat het goed was.

 

G – God keek naar de zee en dacht: ‘Het water heeft nu een eigen plekje. Het stroomt en klotst en het golft. Maar er zijn geen dieren in het water.’ Toen zei God: ‘Vissen! Kom! De grote en de kleine. De dikke en de dunne. De gekleurde en de zwarte. Jullie mogen allemaal in het water zwemmen. Leef en krioel door elkaar. Zorg dat de zee vol wordt met vis, want daar horen jullie thuis.’ En de vissen kwamen van alle kanten en de zee was er vol van. Toen keek God naar de lucht. Naar de blauwe hemel. En naar de witte wolken die dag en nacht voorbijdreven. En God zei: ‘Vogels! Kom! Jullie horen thuis in de lucht, wnat jullie kunnen vliegen. Sla je vleugels uit. Zweef op de wind. Geniet van de vrijheid.’ En de vogels kwamen. De gekleurde en de zwarte. De gladde en de donzige. Ze kwetterde en tsjilpten door elkaar. Het klonk als een lied. En God luisterde naar het lied en vond het mooi. Het werd avond. De zon ging onder. De maan en de sterren kwamen. En na de avond werd het weer morgen. De vijfde dag.



Dag 6

 

A – 24 Toen zei God: ‘Ook op het land moeten dieren komen: tamme en wilde, grote en kleine.’ En zo gebeurde het. 25 God maakte de wilde en de tamme, de grote en de kleine dieren. God bekeek wat hij gemaakt had. Het was goed. 26 Toen zei God: ‘Nu wil ik mensen maken, mensen die op mij lijken. Zij zullen de baas zijn over de vissen in de zee, over de vogels in de lucht en over alle tamme en wilde, grote en kleine dieren op het land.’ 27 En God schiep mensen, mensen die op hem leken. Hij schiep een man en een vrouw. 28 God zegende hen en zei: ‘Jullie moeten kinderen krijgen. Zorg ervoor dat het overal op aarde mensen zijn. Jullie zullen de baas zijn over de aarde, over de vissen in de zee, over de vogels in de lucht en over alle dieren op het land.’ 29 Verder zei God: ‘Ik geef jullie alle planten en vruchtbomen op de aarde: jullie mogen daar van eten. 30 Maar aan de vogels en de dieren op het land geef ik het gras en de bladeren: zij mogen daarvan eten.’ En zo gebeurde het. 31 God bekeek alles wat hij gemaakt had. Het was heel goed. De avond kwam en toen de morgen: dat was de zesde dag.

 

B – De zesde dag zei God: ‘Gisteren heb ik de vissen bedacht. Zij zwemmen in de zee. Ik heb de vogels bedacht. Die vliegen in de lucht. Nu ga ik de dieren maken die op het land mogen leven.’ Toen maakte God de dieren: olifanten, nijlpaarden, giraffen en beren. Maar ook muizen, mieren en kikkers en allerlei andere dieren. Tevreden zag God hoe ze over de aarde liepen. Hij was er heel blij mee. Toch is het nog niet af, dacht God. De aarde is nu zo mooi, daar wil ik niet alléén van genieten. Ik zal mensen maken die op Mij lijken. Mensen die voor de aarde kunnen zorgen. En God maakte een mens. Het was een man en Hij noemde hem Adam. Omdat God van alle dieren mannetjes en vrouwtjes geschapen had, maakte Hij nóg een mens. Dat was een vrouw. En de vrouw noemde Hij Eva. ‘Zorg goed voor deze wereld,’ zei God tegen Adam en Eva. ‘Jullie zullen kinderen krijgen, zodat er steeds meer mensen komen. Al die mensen samen mogen genieten van wat Ik heb gemaakt.’

 

C – Leeuwen en tijgers brulden in het bos. Honden blaften en poezen miauwden. En er liepen twee mensen rond. Ze heetten Adam en Eva.

 

D – Daarna maakte God de andere dieren. De koeien en de schapen, de giraffen en de olifanten. En de zebra. Die trappelde van ongeduld. Was God nou nog niet klaar? ‘Ja, ja,’ bromde God, ‘Ik weet wel: je bent ongeduldig. Maar je mist nog drie strepen.’ Toen God klaar was, riep Hij: ‘Rennen jij!’ Maar de zebra hoorde het niet meer. Hij was al weggesprongen. De wijde wereld in. God keek hem na en dacht: Hij is precies goed! Toen begon God aan zijn meesterwerk. Hij maakte de mensen. Een man en een vrouw. En Hij maakte ze zoals Hij er zelf uitzag. ‘Wat ben Ik blij dat jullie er zijn,’ riep Hij. ‘Kijk eens naar alles wat Ik heb gemaakt: het licht, de hemel en de aarde, en de dieren. Ik geef het jullie allemaal cadeau. Zorg er goed voor.’ God keek naar alles wat Hij die dag had gemaakt. ‘Wat een werk,’ zei Hij, ‘maar het is prachtig geworden, al zeg Ik het zelf.’ Dat was dag zes.

 

E – Toen zei God: “De aarde moet leven voortbrengen, alle soorten vee en wilde dieren en alles wat op de aarde kruipt.” Zo gebeurde het. God maakte de wilde dieren en het vee, en alles wat op de bodem kruipt, alle verschillende soorten. God zag het en was tevreden.

Toen zei God: “Nu wil ik mensen maken, die op mij lijken. Ze zullen heersen over de vissen in de zee over de vogels in de lucht, over het vee en alle dieren op de aarde, en over alles wat op de bodem kruipt.” Zo maakte God de mensen als zijn eigen evenbeeld. Hij maakte ze naar het beeld van God, en als man en vrouw. En God zegende de mensen en zei tegen hen: “Krijg kinderen, bevolk de hele aarde en neem hem in bezit. Jullie zijn de heersers over de vissen in de zee, de vogels in de lucht en alle dieren die op aarde leven, en ik vertrouw ze aan jullie toe.” En God zei ook nog tegen de mensen: “Om te eten geef ik jullie de zaden van de planten en de vruchten die aan de bomen groeien, op de hele aarde. Maar aan de landdieren en vogels en alles wat op de bodem kruipt, aan alle schepselen waarin leven is, geef ik de grassen en de bladeren als eten.” Zo gebeurde het. God zag alles wat hij had gemaakt en was heel tevreden. Het werd avond, en dat was het eind van de zesde dag.

 

F – Op de zesde dag maakte Hij alle dieren die op het land leven, … en God zag dat het goed was. Toen maakte Hij de mens, man en vrouw, … en God zag dat het heel goed was.

 

G – Toen God naar de aarde keek, dacht hij: ‘Wat is er al veel! Er zijn vissen in de zee en vogels in de lucht. Maar nu wil ik nog dieren op het land. Dieren! Kom!’ En de dieren kwamen. De grote, grijze olifanten en de kleine, witte muizen.  De glibberige slangen en de zachte konijnen.  De kriebelende spinnen, de lieveheersbeestjes en ook de dikke koeien. De hele aarde was vol met dieren. En God vond het mooi. ‘Nu ben ik bijna klaar. Ik wil alleen nog mensen. Mensen die op mij lijken. Ze horen bij mij en ik hoor bij de mensen. Ze mogen op de aarde wonen. Zij kunnen goed voor de aarde zorgen. Voor de vissen in de zee, de vogels in de  lucht en de  dieren op het land. Zo kunnen ze mij helpen om de aarde mooi te houden.’ Toen maakte God twee mensen. Een man en een vrouw. En Hij zei tegen de mensen: ‘Jullie horen bij elkaar. Jullie krijgen kinderen. Daar mogen jullie voor zorgen. Als een goede vader en een goed moeder. En kijk eens goed om je heen? Vind je de aarde niet mooi? Alles wat je ziet is voor jullie. De groen blaadjes, de tarwe op het land, de kersen de pruimen in de bomen. Het is allemaal voor jullie.’ De mensen keken om zich heen en zagen de zon ondergaan. Het werd avond. De grote en de kleine dieren gingen slapen. En ook de mensen deden hun ogen dicht. En na de avond werd het weer morgen. De zesde dag.


Dag 7

 

A – 1 Zo werden de hemel en aarde en alles wat daarbij hoort, gemaakt. 2 Op de zevende dag was God klaar met al zijn werk en kon hij ophouden. 3 God zegende de zevende dag. Hij maakte van die dag een bijzondere dag. Want op die dag was God klaar met zijn schepping en rustte hij uit van zijn werk. 4 Dit was het verhaal van de schepping van de hemel en de aarde.

 

B – god zag dat Zijn werk nu helemaal af was. Het is mooi geworden, dacht Hij. Bijna te mooi om waar te zijn. Toen zei God: ‘Ik heb nu zes dagen achter elkaar gewerkt. Morgen is het de zevende dag. Op de zevende dag werk Ik niet. Dan is het tijd om uit te rusten. Laten we afspreken dat iedereen zes dagen mag werken. En dat de zevende dag een rustdag is. Die zevende dag moet een bijzondere dag zijn.’

 

C – God had deze hele wereld gemaakt. En hij vond dat het goed geworden was.

 

D – Op de laatste dag stond God op en Hij riep: ‘Goedemorgen zevende dag. Jou noem Ik sabbat. Jij wilt zeker weten wat Ik vandaag ga doen? Spits je oren! Vandaag ga Ik niks doen. Helemaal niks. Want vandaag ga Ik van mijn nieuwe uitzicht genieten.’ Dat was de zevende dag.

 

E – Zo ontstonden de hemel en de aarde, met alles wat leeft. Op de zevende dag was God klaar met zijn werk. Hij rustte uit van zijn inspanningen. En God zegende de zevende dag. Hij verklaarde hem tot een heilige dag, die aan God toebehoort. Want op die dag rustte God uit, nadat hij zijn schepping had voltooid. Dit het verhaal over het ontstaan van hemel en aarde. Zo heeft God ze gemaakt.

F - Op de zevende dag rustte God uit van al Zijn werk.

 

G – Toen kwam de zon weer op. Het werd licht op de aarde en God keek zijn ogen uit. ‘Wat is de aarde toch mooi. Alles heeft nu zijn eigen plekje. De dag en de nacht. De zon, de maan en de sterren. De wolken en de lucht. Het water en het land. De vissen en de vogels. De grote en de kleine dieren. En de mens die voor alles mag zorgen. Ik ben klaar. Het is heel mooi! Vandaag ga ik uitrusten. Het is een vrije dag voor mij en voor de mensen.’ En toen rustte God uit, want Hij had hard gewerkt en alles een eigen plekje gegeven.

 

 


 

 

 

Liederen algemeen en specifiek

 

1 – Scheppingslied (bron jongerenkoor Parachiegemeenschap Schalkwijk)

Op de eerste dag schiep God het licht

En het licht was goed in zij ogen.

Op de tweede dag flitst de bliksemschicht

In de hemelbogen.

            Prijs de Heer voor de dag en het licht

            Prijs de Heer in de hoge

            Prijs de Heer voor de bliksemschicht

            En voor de hemelbogen.

 

Op de derde dag kreeg zee en land

Voor het eerst van God al hun namen.

Op de vierde penseelt Hij het firmament

Zon en maan en sterrenbanen.

            Prijs de Heer voor zee en land

            Prijs de Heer alle dagen

            Prijs de Heer voor het firmament

            En voor de zonnewegen.

 

Op de vijfde dag zag vogel en vis

Al wat roert in zeeën en luchten.

En het dierenrijk speelt in wildernis

Voor het eerst hun dolle kluchten.

            Prijs de Heer voor het dierenrijk

            Prijs de Heer allewegen

            Prijs de Heer, eer hem wijd en zijd

            Om al het nieuwe leven.

 

Op de zesde dag schiep God de mens

Als het beeld van god mocht hij leven.

Als een man en vrouw boetseert God de mens

Als een hulp elkaar gegeven.

            Prijs de Heer voor deze dag

            Prijs de Heer gij man en vrouw

            Prijs Hem gij mensenkind

            Prijs Hem – alle leven.

 

Prijs Hem, gij mensen, man en vrouw

Prijs Hem voor heel het sterrenbedrijf,

Prijs Hem voor land, prijs Hem voor zee,

Voor vogels vissen en bloemen.

            Voor boom en blad, voor berg en dal

            Voor land en stad, voor regenval,

            Voor zomer en winter, lente en herfst,

            Prijs de Heer, wil Hem roemen.

 

2 – In het begin

Tekst: Hanna Lam

Muziek: Gerard van Amstel

Uit: Vertellend zingen, bijbelverhalen voor de jeugd in vers en melodie.

Uitgeverij: Callenbach, Nijkerk 1991

ISBN 90-266-0265-0

 

3 – Het lied van het begin

Tekst: Hanna Lam

Muziek: Wim ter Burg

Uit: Alles wordt nieuw

Uitgeverij: Callenbach, Nijkerk, 1983

ISBN 90-266-0358-4

 

4 – Scheppingslied

Tekst: Hanna Lam

Muziek: Wim ter Burg

Uit: Alles wordt nieuw

Uitgeverij: Callenbach, Nijkerk, 1983

ISBN 90-266-0358-4

 

5 – Zie, het is goed

Tekst: Thomas Nordt

Muziek: Eveline Stern

Uit: Zing het woord, liedboek voor kinderen

Uitgeverij: Nederlansche Zondagsschool Vereeniging, Amsterdam, 1972

 

6 – De oorsprong van leven en licht

Tekst: René van Loenen

Melodie: Christiaan Winter, Willem Vogel

Uit: Zingend geloven, kerklied voor kinderen, deel 7

Uitgeverij: Boekencentrum, Zoetermeer, 2000

ISBN: 90-239-1974-2

 

7 – Een, twee, drie

Tekst: Tom Naastepad

Muziek: Klaas Bartlema

Uit: Zingend geloven, kerklied voor kinderen, deel 7

Uitgeverij: Boekencentrum, Zoetermeer, 2000

ISBN: 90-239-1974-2

 

8 – De aarde zingt een prachtig lied

Tekst: Bette Westera en Mies Westera-Franke

Muziek: Rien Westera

Uit: Met de muziek mee, speelse bijbelliedjes voor kinderen van 3 tot 12 jaar.

Uitgeverij: Narratio, Gorinchem, 1997

ISBN: 90-5263-196-4

9 – Kijk eens naar de wolken

Tekst: Bette Westera en Mies Westera-Franke

Muziek: Rien Westera

Uit: Met de muziek mee, speelse bijbelliedjes voor kinderen van 3 tot 12 jaar.

Uitgeverij: Narratio, Gorinchem, 1997

ISBN: 90-5263-196-4

 

10 – Het zeven-dagenlied

Tekst en muziek: Eveline Stern

Uit: Het lied van Israël, 64 bijbelliedjes Oude Testament

Uitgeverij: Gooi en Sticht, Hilversum, 1987

ISBN: G&S-34-71-276

 

11 – Het scheppingslied

tekst: Gerard van Midden en Greet Brokerhof-van der Waa

Muziek: Gerard van Amstel

Uit: Trefwoord onderbouw nr.3

Uitgeverij: SGO Hoevelaken, 2000/2001

 

12 – Hoe is het begonnen

Tekst: Gerard van Midden

Muziek: Gerard van Amstel

Uit: Trefwoord middenbouw nr. 3

Uitgeverij: SGO Hoevelaken, 2000/2001

 

13 – God zag dat het goed was

Tekst: Gerard van Midden

Muziek: Gerard van Amstel

Uit: Zitten of opstaan, deel 3

Uitgeverij: SGO Hoevelaken, 1998

 

14 – Waar is het licht?

Tekst: Gerard van Midden

Muziek: Gerard van Amstel

Uit: Trefwoord middenbouw nr. 3

Uitgeverij: SGO Hoevelaken, 2001/2002

 

15 – Water is zo oud en wijs

Herkomst: Jeugdkoor Parochiegemeenschap Schalkwijk

 

16 – De droomboom

Herkomst: Jeugdkoor Parochiegemeenschap Schalkwijk

 

17 – Met vleugels

Herkomst: Jeugdkoor Parochiegemeenschap Schalkwijk

 

 


Week 1

het licht…

 

Het eerste deel van het verhaal is het eerste begin van de schepping. Deze week ga ik het met de kinderen over beginnen hebben. Maar ook over het licht en het donker.

Dit alles aan de hand van de grote plaat.

 

Vertellen:

is dat puntje van voren.

En die lelletjes zijn

het begin van je oren.

 

Een verhaaltje begint

met iets kleins als een woord.

Het begin van een lied

is een toon die je hoort.

Het begin van een boek

is die bladzij vooraan.

En de vrede begint

als je ophoudt met slaan.

 

Het begin van een storm

is een klein beetje wind.

Maar een dropveter, tja…

waar die nou begint?

 

Die begint aan twee kanten.

En het einde is dus

waar de monden gaan botsen:

Het begin… van een kus.                       Greet Brokerhof - van der Waa

 

Praten:

 

 

 

Maken:

 

Doen:

 

Bidden:

We voelen ons alleen.

Het water van de zee

Spoelt angstig om ons heen.

God, u ziet ons zitten,

U haalt ons uit de nacht.

We voelen vaste bodem.

Het licht straalt onverwacht.

 

Zingen:

·                     Waar is het licht? (Bijlage 14)

 

 


Week 2

het water…

 

Deze week gaat helemaal over water. Wat je er mee te maken hebt, maar ook worden er proefjes gedaan. Dit alles aan de hand van de tweede grote plaat. De platen blijven hangen in de klas, zodat er telkens een plaat bijkomt.

 

Vertellen:

Alle dingen stromen met het water mee.

Kom maar op het droge, ’t water komt tot hier.

Water, water, kleddernat plezier.

 

Water in de wolken, water in de plas.

Regendruppels vallen op mijn regenjas.

Regen in het slootje, dat wordt een rivier.

Water, water, kleddernat plezier.

 

Water voor de planten, water voor in bad.

Alle eendjes drijven, maar hoe doen ze dat?

Zwemmen met een bandje, vissen kom maar hier.

Water, water, kleddernat plezier.

 

Water met een rietje, water in een glas,

Lekker bellen blazen, als het zeepsop was.

Soep van water maken, echt op mijn manier.

Water, water, kleddernat plezier.

 

Praten:

 

Maken:

 

Doen:

 

Bidden:

Zonder lekker helder water gaan de plantjes dood.

Water voor de limonade, water voor de thee.

En wat dacht je van het water voor de vissen in de zee?

 

Water kan ook eng zijn als er wind waait over zee.

Huizenhoge golven trekken alles met zich mee.

Water klettert op de ramen, water stroomt op straat.

Nou, dan kruip ik in mijn kussen, want het water lijkt wel kwaad

           

            God het water op de wereld heeft u ooit gemaakt

            Maar ik snap vaak niet waar dat geraas op slaat.

            Ik zou het water liever toch wat rustig zien

            Kunt U dat voor mij regelen, misschien?

 

Zingen:

 

 


Week 3

Het land en de bomen

 

Deze week gaat het over de natuur. Dit alles aan de hand van de derde grote plaat.

 

Vertellen:

Dag lief plantje, heb je dorst?

Neem een slokje uit mijn gieter

Maar pas op dat je niet morst

Nu ga ik weer verder spelen

Nu krijg je geen water meer

Dag lief plantje in je potje

Morgenochtend kom ik weer

 

Praten:

 

Maken:

 

Doen:

 

 


Bidden:

Wat is de aarde stevig en sterk!

Plek waar je staan kunt.

Plaats waar je gaan kunt.

Bodem voor wortels.

Grond die je houdt.

Grond die je steun geeft

En waar je op bouwt.

 

God, onze God,

U bent als de aarde.

U heeft haar geschapen met heel Uw ziel.

Wij hopen dat U ons net zo wilt dragen.

Draag ons leven. Houdt ons vast,

Dank U wel.

 

Zingen:

 

 


Week 4

De zon, de maan en de sterren

 

De vierde grote plaat komt erbij te hangen. Erop staan de lichten van de dag en de nacht. Hier gaan we deze week dan ook mee aan de slag.

 

Vertellen:

en blij in de donkere nacht.

Ze staan aan de heldere hemel

en stralen zo mooi en zo zacht.

 

Praten:

 

Maken:

 

Doen:

 

Bidden:

Dank u wel, voor de zon en de maan

en voor de sterren

die elke nacht aan de hemel staan.

Zij geven mij warmte in koude dagen

En licht om het donker te kunnen verdragen.

Help mij Vader, houdt mijn ogen open

Zodat ik zonnig door het leven kan lopen.

 

Zingen:

Het is niet echt geschikt om zelf te zingen, maar luisteren en meezingen in het refrein kan wel.

 

 

 

 


Week 5:

De vogels en de vissen

 

Deze week gaat het over de ‘vliegers’ en de ‘zwemmers’.

De vijfde grote plaat komt erbij, het wordt nu al een mooi geheel.

 

Vertellen:

Zwem maar lekker rond

Daar word je groot van

En heel gezond

En als je het koud hebt

Zeg het dan gauw

Dan brei ik snel

Een trui voor jou

 

Praten:

 

Maken:

 

Doen:

 

 

 

Bidden:

Er is leven in de lucht

Er is leven in de zee,

Maar wij domme mensen

Doen daar niet zo zuinig mee.

Help ons Vader in de hemel

U staat zorgzaam om ons heen

Geef dat wij het juiste kiezen

Zoals U is er geen één.

U maakte de vogels

U maakte de vissen

Met heel mijn hart

Zou ik ze niet willen missen.

Help ons Vader in de hemel

Dat we eens wat zuinig doen

En niet zo het milieu verpesten

Wat dan voel ik mij een oen.

 

Zingen:

 

 

 

 


Week 6

De dieren en de mensen

 

Deze week gaat het voornamelijk over de dieren.

Ook de zesde grote plaat komt erbij te hangen, er is nog één plekje over.

 

Vertellen:

Grijs en stug en onbewogen

staart de klei, zo’n klomp mij aan:

‘Als je iets van mij wilt maken,

moet je kneden, knijpen, slaan,

met je vuisten, met je vingers,

duw en rol met al je kracht,

rek me uit en vouw me dubbel

tot ik soepel ben en zacht.

Dan pas kun je mij boetseren,

toveren in elke vorm:

kom of kikker of kabouter

of een hele lange worm.’                  A. Ooms

 

Praten:

 

Maken:

 

Doen:

 

Bidden:

U heeft de aarde geschapen:

de dag en de nacht,

de hemel en de wolken,

de zee en het strand,

de bloemen en de bomen,

de zon en de maan,

de vogels in de lucht,

de vissen in de zee

en de dieren groot en klein.

 

U heeft de mensen geschapen:

een man en een vrouw.

 

U heeft van de chaos

een prachtige tuin gemaakt

waar mensen goed kunnen leven.

 

U heeft ons zo laten zien

waarvoor de aarde bedoeld is.

 

Goede God,

U wilt dat wij op U lijken.

Laten we daarom zorgen,

dat de aarde

En alles wat daarop groeit en bloeit,

net zo mooi wordt

als in het begin.

 

Zingen:


Week 7

onze wereld

 

De laatste grote plaat wordt aan de lijn gehangen. Nu is de serie compleet.

Deze week kijken we terug op het project. We hebben veel dingen gemaakt en we kunnen er nu van genieten.

 

Vertellen:

 

Praten:

 

Maken:

 

Doen:

 

Bidden:

Dank U wel voor uw schepping.

Voor alles wat er is.

De bloemen in duizend kleuren.

De dieren groot en klein.

De mensen met zoveel verschillende kanten.

Dank u wel voor al dat moois.

 

Help ons om elkaar niet te beoordelen

op hoe we er uit zien,

maar op wie we zijn.

Geef ons een open oog

om van de verschillen te genieten.

Geef ons een open oor

om elkaars taal te kunnen verstaan.

Geef ons de kracht

om op te staan,

om uit onze muren te breken

en op reis te gaan

om uw ongelooflijke wereld

te ontdekken.

Om te genieten

van alle wonderen

die in Uw schepping zijn meegegeven.

U hebt ons de aarde gegeven

en ons gevraagd

om in vrijheid en vrede

met elkaar te leven.

 

Wij bidden U

voor de kinderen

die geplaagd worden;

voor de mensen

die door andere mensen

kwaad worden gedaan.

 

Wij bidden U

voor die plekken op aarde

waar het steeds weer mis gaat,

waar ruzie is en oorlog.

 

Wij bidden U

voor alle keren

dat we weten dat het verkeerd gaat,

maar dat we niets doen,

en het gewoon laten gebeuren.

 

U hebt ons de aarde gegeven

en ons gevraagd

om in vrijheid en vrede

met elkaar te leven.

 

Help ons

om het goed te houden

met elkaar.