“Kennismaking met Jezus”

 

een serie lessen voor zes weken in de onderbouw (met mogelijke uitbreidingen)

door Angela Zwarthoed L24 - 2003

 

praktisch, nuchter, helder
veel werk voor kinderen
Jan Engelen okt 2004

Week 1

 

Doel van de les:

De kinderen maken kennis met Jezus. We willen hen helpen zich een beeld te vormen over Jezus. Hoe leefde hij. Hoe zag zijn wereld er uit, indertijd.   

 

Materialen:

ü      De Vertelbijbel/Kijkbijbel

ü      Een grote doos met daarop in grote letters ‘Jezus’ en Jesjoea in het Hebreeuws. In deze doos stop je spullen waarmee het dagelijkse leven in Jezus tijd verbeeld kan worden. Denk hierbij aan b.v. een aardewerken beker en bord, een waterkruikje, sandalen, lappen stof, touw.

ü      Blad met daarop de verhaaltjes bij voorwerpen. (zie bijlage)

ü      Tekenmateriaal

 

Inleiding:

De kinderen zitten allemaal in de kring. Ik zeg dat ik ga vertellen over een man die heel lang geleden leefde, in een ver land. Die man heet Jezus. Vervolgens vraag ik aan de kinderen of ze wel eens van deze man hebben gehoord. De meeste kinderen zullen dit al weten, maar zeker niet iedereen (b.v. kinderen met een ander geloof).

Er kunnen ook nog andere vragen gesteld worden zoals:

“Hebben de kinderen Jezus wel eens gezien?”

“Waar?”

“Hoe denken de kinderen dat Jezus eruit ziet?”

“Kennen jullie het boek met de verhalen over Jezus?”

“Hoe denken jullie dat dit boek heet?”

 

Kern:

In het midden van de kring zet ik de doos met daarin de spullen. Ik vraag aan de kinderen om deze doos eens goed te bekijken. “Wat valt jullie op?” Ik maak zo de link naar de twee namen op de doos, in het Hebreeuws (Jesjoea) en Jezus.

Vervolgens nodig ik één voor één een aantal kinderen uit de spullen uit de doos te halen. Het moet hierbij voor de kinderen duidelijk worden dat deze spullen allemaal met Jezus te maken hebben. Bij elk voorwerp mogen de kinderen eerst zelf iets vertellen. B.v. waarvoor het gebruikt wordt en waarom?

Vervolgens vertel ik n.a.v. elk voorwerp een kort verhaaltje over Jezus. Ter verduidelijking gebruik ik hierbij de plaatjes uit de Vertelbijbel of de Kijkbijbel.

 

Afsluiting:

De kinderen kunnen een tekening maken van Jezus n.a.v. wat ze allemaal hebben gehoord, b.v. een portret, Jezus aan het werk, Jezus terwijl hij zit te eten. Dit kan je eventueel bundelen tot een klein boekje, onze eerste bijbel (de naam mogen ze zelf ook verzinnen als ze dat willen).

 

Bijlage:

Icoon van Jezus:

Over Jezus uiterlijk weten we niets zeker. De meeste mensen in zijn land hadden donker haar en donkere ogen. Mannen droegen een baard en waarschijnlijk vrij kortgeknipt haar. Dit plaatje (icoon van Jezus) laat zien hoe mensen dachten dat Jezus eruitzag.

 

Kleren en sandalen:

De mensen droegen overslagmantels en tunieken en liepen op blote voeten of sandalen. Ze hadden niet zoveel verschillende kleren als wij. Arme mensen hadden vaak maar één tuniek of hemd en één overslagmantel. De moeders en grote meisjes maakten de kleren voor de hele familie. Ze maakten meestal zelf de draden en de stof waarvan de kleren gemaakt werden, van schapenstof of van linnen.

 

Timmerspullen:

Jezus was timmerman. Hij maakte meubels en deuren, maar hielp ook bij het bouwen van huizen.

 

Ansichtkaart:

Jezus woont in Nazaret, een klein stadje. Nazaret ligt in het land Israël, dat toen Palestina werd genoemd. Dat is een warm land, met hete zomers. In de winter is het er minder heet en regent het regelmatig. De huizen hadden dikke muren en platte daken (zie Vertelbijbel). Als het erg heet was sliepen de mensen buiten, op het dak van hunhuis. Ze aten daar ook vaak. Eigenlijk was het dak een soort openlucht-huiskamer. Er was een muurtje om het dak heen gemetseld om ervoor te zorgen dat niemand naar beneden viel.

 

Etenswaren en gebruiksvoorwerpen:

Veel dingen die wij eten bestonden niet in het land van Jezus. Mensen aten brood en geroosterd graan, groeten (b.v. uien), fruit (b.v. vijgen en dadels) kwark en kaas en peulvruchten, zoals linzen. Ze gebruikten veel olijfolie. Ze aten vooral vlees van schapen en geiten. Varkensvlees aten ze niet. De mensen van het volk van Jezus, de joden, en mensen die geloven in Allah eten dat nog steeds niet.Suiker bestond niet, honing wel. Bij feesten hoorden speciale gerechten, b.v. plat brood (matzes). Mensen dronken vooral water, melk en wijn. Ze aten met een lepel en met hun handen, vorken bestonden nog niet.

 

 

Week 2

 

Doel:

De kinderen knutselen en/of tekenen verschillende spulletjes uit de tijd van Jezus.

Het maken van een hoek met alle (zelfgemaakte) spulletjes uit de tijd van Jezus.

 

Materiaal:

ü      Schoenendoos

ü      Verf

ü      Scharen

ü      Stevig papier of karton

ü      Lijm

ü      Transparant papier

ü      Zitkussens

ü      Olielampje

ü      Verkleedspullen

ü      Kosteloos materiaal

 

Inleiding:

Tijdens de inleiding haal ik nog eens de spulletjes uit de ‘Jezus’ doos en bespreken deze kort, omdat we het hier vorige week al langdurig over het gehad.

Ik laat ook nog eens de plaatjes zien uit de Vertelbijbel en/of Kijkbijbel, zodat de kinderen een goed beeld hebben van hoe het eruitzag in de tijd van Jezus.

 

Kern:

Daarna vertel ik dat we samen een Jezus hoek gaan maken. In deze hoek komen allemaal spulletjes te staan, die met Jezus en de bijbel te maken hebben. Hiervoor mogen ze ook spulletjes van huis meenemen. Voor het maken van de spulletjes mogen de kinderen gebruik maken van allerlei verschillende soorten materialen. Ze mogen vouwen, schilderen, tekenen. Knippen/plakken. Ze mogen zelf een keuze maken.

Als je kinderen dit niet zelf kunnen, kan je ze een opdracht geven of je helpt ze een eindje op weg. Dit kan je doen door het geven van verschillende suggesties.

Als alles duidelijk is kunnen de kinderen aan de slag.

 

Afsluiting:

Aan het einde van de week zullen ongetwijfeld alle spulletjes af zijn. De kinderen krijgen dan de kans om met de spulletjes een toneelstukje op te voeren. Door dit toneelstukje zal duidelijk worden hoe het beeld van de kinderen is over de tijd waarin Jezus leefde.

 

 

Week 3:

 

Doel:

De kinderen maken een collage over het land van de spoken en het land van God.

 

Materiaal:

ü      Grote vellen papier

ü      Reclamefolders

ü      Oude tijdschriften

ü      Schaartjes

ü      Lijm

ü      Kosteloos materiaal

ü      Gekleurd papier

ü      Verhaal: “De Gekke man.”

 

Inleiding:

Met de kinderen bekijken we de ‘Jezus’ tafel en praten daar nog even over.

Terwijl we de tafel bekijken vraag ik ze het volgende: “Maar wat deed Jezus eigenlijk?” Daarop aansluitend vertel ik het verhaal over de gekke man (zie bijlage).

 

Kern:

N.a.v. het verhaal gaan de kinderen een collage maken over het land van de spoken en geesten en over het land van God. Hiervoor moeten we eerst samen bedenken hoe het er in die landen uitziet. Hierbij stel je vragen als: “Welke kleuren zie je er, welke dieren? Zullen er ook kinderen wonen?”

Ook wil ik proberen samen met de kinderen een antwoord te zoeken op de vraag: “Waarom de spoken niets van god willen weten.

 

Afsluiting:

Alle collages worden opgehangen rond de ‘Jezus’ tafel en deze gaan we vervolgens samen bekijken en bespreken.

 

 

 

Bijlage:

De Gekke man (naar Marcus 1,21-34)

De zon hangt als een rode bal aan de hemel. Hij zakt steeds lager. Bijna raakt hij de grond. In het stadje Kafarnaum is het vol met mensen. Ze lopen haastig door de straten. Als de zon straks ondergaat, sluiten de winkels. Dan begint de sabbat en is iedereen vrij. In de huizen hoor je de kinderen lachen. Je hoort het gespetter van water. Dat is omdat iedereen zich wast. Straks, als de zon weg is, komen de mensen bij elkaar. Om te zingen en verhalen te vertellen.

Als alle kinderen schonen kleren aan hebben, lopen ze naar een groot huis, de synagoge, waar ze op de sabbat allemaal samenkomen. De meeste mensen zitten al bij elkaar op de grond. In de hoek, ver weg van de andere mensen, zit de gekke man. Die zit daar altijd. Zijn armen om zijn hoofd heen. Want hij si bang. Bang voor het blafspook dat in zijn hoofd zit. Iedere keer als hij zich teveel beweegt, blaft het: ‘Ik zal je pakken, ik zal je pakken!’ Hij is ook bang voor de plaaggeest in zijn hoof die zegt: ‘Jij mag niet meedoen. Want jij ben stom!’ En het allerbangst is de gekke man voor het slokopmonster dat brult: ‘Ik zal je opeten!’.

Als iedereen binnen is, wordt er voorgelezen. Verhalen over God. En er wordt gezongen. De mensen bedanken God. Voor het mooie weer en voor van alles waar ze Hem voor willen bedanken.

Dan staat Jezus op. Hij begint te praten. Hij praat over het land van God. Iedereen luistert. Want iedereen zou er wel willen wonen. Omdat niemand er wordt gepest en iemand bij je wegloopt als je dat niet wilt. De gekke man luistert ook naar Jezus. Maar alle monsters, spoken en geesten in zijn hoofd beginnen te brullen en te roepen.Het slokopmonster brult. ‘Ik ken jou wel, Jezus. Jij komt van God.’ Jezus kijkt naar de gekke man. Hij heeft zijn armen weer om zijn hoofd geslagen. Jezus ziet de spoken en monsters in zijn hoofd. Hij begint tegen ze te roepen ‘Hou je koest! Kom eruit!’ Het spook en het monster en de geest komen eruit. Ze vluchten weg, zo snel ze maar kunnen. De gekke man schudt met zijn hoofd. Ze zijn weeg! Helemaal weg! Er is niemand meer die roept: ‘Jij mag niet meedoen.’ Of : ‘Ik zal je opeten!’

De man staat op. Hij lacht. Hij gaat bij de anderen zitten. Hij kijkt de mensen aan. Hij is helemaal niet bang meer. Iedereen praat erover: ‘Heb je dat gezien? Alle enge monsters zijn uit zijn hoofd verdwenen. Jezus heeft ze er gewoon uitgepraat.’ De mensen gaan naar huis om te eten. Iemand vraagt aan de man: ‘Blijf je bij ons eten?’ En daar heeft de man best zin in.

 

 

Week 4

 

Doel:

Naar aanleiding van het verhaal “De gekke man” bedenken de kinderen hun eigen monsters en spoken en laten deze met een speciaal ritueel verdwijnen.

Aanleren van een leuk liedje “Spook verdwijn!”.

 

Materiaal:

ü      Wc-rolletjes

ü      Verf

ü      Gekleurd papier en karton

ü      Lijm

ü      Strookjes

ü      Touw etc.

ü      Grote doos of wasmand

ü      Verhaal: “De Gekke man.”

ü      Liedje “Spook verdwijn!”

 

Inleiding:

Het verhaal van vorige week herhaal ik en we bespreken het verhaal en de collages nog eens kort. Op deze collages zullen ongetwijfeld monster en/of spoken voorkomen.

 

Kern:

Tijdens de kern vraag ik aan de kinderen of ze nog meer monsters en spoken kunnen bedenken. Wat doen ze, wat zeggen ze? Wat gebeurt er als je naar die monster luistert? Hoe kun je ze weg krijgen?

Vervolgens vertel ik de kinderen dat ze van wc-rolletjes, verf, gekleurd papier en andere materialen hun eigen blafspook, plaaggeest of misschien wel een slokmonsters gaan maken. Deze naam mogen ze zelf verzinnen.

 

Afsluiting

De kinderen gaan met hun zelfgemaakte monstertjes in de kring zitten. Zet de doos of mand in het midden. Dit is de grote-monster-verdwijnkist. Onder het zingen van het liedje, “Spook verdwijn!” (zie bijlage), laten ze de monsters verdwijnen.

Eerst oefen ik het liedje een aantal keren samen met de kinderen. Daarna mag telkens een kind met zijn spook (of iets dergelijks) om de verdwijnkist heen lopen, terwijl er gezongen wordt. Bij de laatste woordjes van het liedje stopt het kind het monster in de kist. Dit herhaalt ik een paar keer met verschillende monsters. Wanneer iedereen geweest is wordt de doos goed dichtgemaakt met touw, plakband en eventueel lijm. Deze wordt in de hoek gezet. Het liedje kan je op de doos plakken.

 

 

Bijlage:

Lied: “Spook verdwijn!”

(melodie: Deze vuist op deze vuist)

Blafspook… (of plaaggeest, of monster)

in je kist, verdwijn.

Bij ons hoor je niet te zijn.

Het land van God is niet voor jou.

Dat is voor alle mensen.

 

 

Week 5:

 

Doel:

De kinderen maken kennis met de familie van Jezus en we vragen ons af:

 “Wat betekent familie voor Jezus?”

 

Materiaal:

ü      Voor ieder kind een pollepel

ü      Verf

ü      Viltstiften

ü      Lijm

ü      Lapjes stof of crêpepapier

ü      Breigaren in allerlei kleurtjes

ü      Verhaal: “De familie van Jezus.”

 

Inleiding:

Ik zit met de kinderen in de kring. Ik praat met de kinderen over hun familie en ze mogen daar ook iets over vertellen. We praten over hoeveel broers en zussen ze hebben en hoe die heten. Wie hun vader en moeder zijn. Op deze manier leg ik weer de link naar de vader en moeder van Jezus. “Want Jezus had ook familie.” Zijn vader heette Jozef en zijn moeder Maria. Zijn vader Jozef was al dood toen Jezus volwassen was. Jezus had vier broers en een paar zussen. We weten hoe zijn broers heetten: Jakob, Jozef, Juda, en Simon (zie marcus 6,1-5) We weten niet hoe zijn zussen heetten, want dat staat niet in de bijbel.

 

Kern:

Tijdens de kern lees ik het verhaal, “De familie van Jezus” (zie bijlage), voor. Ik onderbreek dit verhaal op de aangegeven plaatsen. Bij dit verhaal moet je er rekening houden dat het een heleboel vragen zal oproepen. Bespreek ook goed met de kinderen hoe je het verhaal kunt uitspelen.

“Wat bedoelt Jezus eigenlijk? Is zijn familie opeens zijn familie niet meer? Houdt hij niet meer van zijn moeder, zijn broers en zijn zussen?”

Ik probeer de kinderen te laten vertellen hoe ze hierover denken, maar ik stel hen ook gerust. Ik vertel dat Jezus nog steeds van zijn familie houdt.

Maar waarom noemt hij die andere mensen dan zijn broers of moeder en zussen?….

Het antwoord hierop laat ik door de kinderen bedenken. Hierbij moet ook gedacht worden aan het gebruik in veel landen om tegen vriend ‘broer’ te zeggen, of aan de kerk waarin iedereen aangesproken wordt als: “broeders en zusters”.

 

Afsluiting:

De kinderen maken portretten van Jezus’ familieleden in de vorm van poppetjes. De kinderen kiezen een persoon uit het verhaal. Ze verven de lepel, met stift tekenen ze het gezicht. Van breigaren kunnen ze de haren en b.v. een snor maken. Voor de zussen van Jezus kunnen hoofddoekjes geknipt worden. Zet de poppetjes in een rekje of een bak zand op de ‘Jezus’ tafel.

 

 

 

 

 

Bijlage:

De familie van Jezus (naar Marcus 3, 20-35)

Maria woont in Nazaret, met haar grote kinderen. Alleen de oudste, Jezus, is niet meer in het stadje. Hij is maanden geleden weggegaan en woont nu bij vrienden in kafaraum, ver van Nazaret. Zijn moeder en broers en zussen hebben al die tijd niets van hem gehoord. Zou Jezus nog verder gereisd zijn? Naar Jeruzalem bijvoorbeeld? Vandaag is er iemand uit Kafarnaum in nazaret gekomen. Jezus woont daar nog steeds, hij heeft gezegd. En toen is hij gaan vertellen over Jezus. Midden op het dorpsplein, zodat iedereen het kon horen. Dat Jezus zieke mensen beter maakt en spoken wegjaagt uit het hoofd van gekke mensen. Dat hij op bezoek gaat bij mensen die nooit bezoek krijgen en dat hij verhalen verteld over het land van God. Maria en haar kinderen hebben de reiziger ook horen praten. Jakob is niet blij met wat hij heeft

gehoord.’Dacht ik het niet,’ moppert hij. ‘Jezus is altijd een bijzonder kind geweest. Altijd anders dan anderen. Altijd dwars. Volgens mij is er een steekje aan hem los. Als dat maar goed afloopt.’ Juda zucht: ‘Wat moet hij daar in Kafarnaum? We hebben hem hier nodig. Er ligt zoveel werk te wachten in de timmerwerkplaats. Dat kan ik niet meer alleen.’

………..(Verzin hier samen de naam van een zus) schaamt zich een beetje. Wat zullen de buren wel niet zeggen, nu ze weten waar Jezus mee bezig is?

·        De kinderen bedenken en spelen wat de nadere broers en zus(sen) zeggen over Jezus.

Dan staat Maria op. ‘Ik maak me zorgen, zegt ze. ‘Gaat het wel goed met jezus, daar in Kafarnaum? Hij kan beter maar weer hier komen wonen, dicht bij ons. Kinderen, ik vind dat we hem zo snel mogelijk naar huis moeten halen. We gaan op reis. Met zijn allen. Vandaag nog.’

Snel zoeken Jozef en Simon spullen voor onderweg. En dan vertrekken ze. Na een paar dagen lopen komen ze bij het huis waar Jezus woont. Het zit er vol mensen. Buitenspelen een paar kinderen. Maria wenkt een meisje en vraagt: ‘Wil jij iets voor ons doen? Wil je naar binnen gaan en tegen Jezus zeggen dat zijn moeder en zijn broers en zussen buiten op hem wachten? Zeg maar dat we hem willen spreken.‘ Het meisje gaat naar binnen. Maar het is zo druk dat ze niet bij Jezus kan komen. ‘Kunnen jullie iets doorgeven?’ vraagt ze aan de mensen. Dat doen ze. De mensen zeggen tegen Jezus: ‘je moeder en je broers en zussen staan buiten. Ze vragen naar je.’

·        De kinderen geven deze boodschap aan elkaar door

‘Mijn moeder en mijn broers en zussen?’ zegt Jezus. ‘Wie zijn dat?’ Hij kijkt de kring rond, naar alle mensen die om hem heen zitten. ‘Hier zitten mijn moeder en mijn broers en zussen,’ zegt hij. ‘Want weet je wanneer je mijn broer of mijn zus of mijn moeder bent? Als je doet wat God van je wil.’

·        Wat zou Maria doen? Wat doen de zussen en broers? Zijn ze boos of verdrietig? Gaan ze weg of gaan ze bij de andere mensen in de kring zitten? Gaat Jezus mee naar Nazaret?

 

 

Week 6

 

Doel:

Jezus en zijn familie voelen zich verbonden met elkaar. Jezus voelt zich ook verbonden met de andere mensen. Door middel van drama leven de kinderen zich in, in deze twee manieren van verbondenheid.

 

Materiaal:

ü      Verkleedspullen

ü      Eigengemaakte pollepelpoppen

ü      Verhaal: “De familie van Jezus.”

 

Inleiding:

Vorige week hebben we het verhaal van Jezus en zijn familie langdurig besproken en we hebben pollepelpoppen gemaakt bij het verhaal. Dit bespreken we nog eens even kort na. “Waar ging het verhaal over? En wat vonden we ervan?”

 

Kern:

Tijdens de kern spelen de kinderen het verhaal uit. Het verhaal wordt twee keer uitgespeeld. Eén keer met de pollepelpoppen en één keer zonder.

Kinderen met verkleedspullen: à

Terwijl ik (de leerkracht) het verhaal vertel spelen de kinderen. Het kan ook dat de kinderen het toneelstuk helemaal zelf willen uitvoeren, zonder het verhaal van de leerkracht. Dat mag natuurlijk ook. De kinderen mogen zelf beslissen, als ze er toe in staat zijn.

De pollepelpoppen in een “poppen”kast: à

Dit is voor het onzekere kind vaak een uitstekend middel om over te drempel te komen bij drama. De andere kinderen kunnen ze niet zien, alleen horen. Dit is vaak een stuk minder eng voor deze kinderen.

 

Afsluiting:

Tijdens deze afsluiting wil ik met de kinderen praten over hun beleving bij het vak katechese. “Wat vonden ze ervan? Wat vonden ze leuk? Of juist niet! Wat vonden ze moeilijk? Etc….

Uit ervaring heb ik gemerkt dat dit in de onderbouw weinig gevraagd wordt naar de mening van de kinderen, terwijl dit ook voor het jonge kind erg belangrijk is. Op deze manier kan hun eigen inzicht verder ontwikkeld worden.

 

 

Week 7

 

Vorige week hebben we het thema “Kennismaking met Jezus” afgerond. Het leek mij daarom leuk om de ‘Jezus’ hoek naar de gang te verplaatsen, zodat de ouders van de kinderen ook het werk van de kinderen kunnen bekijken en lezen.

Ik zet ook lezen erbij, omdat je ook een soort weekboek kan bijhouden, waarin je opschrijft hoe de les(sen) verliepen, een soort wandfries. De ouders of verzorgers zien zo wat de kinderen zoal geleerd hebben op het gebied van Katechese en kunnen er over praten met hun kind(eren).

meer themata
meer teksten

home