“Kennismaking
met Jezus” een serie
lessen voor zes weken in de onderbouw door Angela
Zwarthoed L24 - 2003 praktisch,
nuchter, helder Week 1 Doel
van de les: De
kinderen maken kennis met Jezus. We willen hen helpen zich een beeld te vormen
over Jezus. Hoe leefde hij. Hoe zag zijn wereld er uit, indertijd.
Materialen: ü
De Vertelbijbel/Kijkbijbel ü
Een grote doos
met daarop in grote letters ‘Jezus’ en Jesjoea in het Hebreeuws. In deze doos
stop je spullen waarmee het dagelijkse leven in Jezus tijd verbeeld kan worden. Denk hierbij aan b.v. een aardewerken
beker en bord, een waterkruikje, sandalen, lappen stof, touw. ü
Blad met daarop
de verhaaltjes bij voorwerpen. (zie bijlage) ü
Tekenmateriaal Inleiding: De
kinderen zitten allemaal in de kring. Ik zeg dat ik ga vertellen over een man
die heel lang geleden leefde, in een ver land. Die man heet Jezus. Vervolgens
vraag ik aan de kinderen of ze wel eens van deze man hebben gehoord. De meeste
kinderen zullen dit al weten, maar zeker niet iedereen (b.v. kinderen met een
ander geloof). Er
kunnen ook nog andere vragen gesteld worden zoals: “Hebben
de kinderen Jezus wel eens gezien?” “Waar?” “Hoe
denken de kinderen dat Jezus eruit ziet?” “Kennen
jullie het boek met de verhalen over Jezus?” “Hoe
denken jullie dat dit boek heet?” Kern: In
het midden van de kring zet ik de doos met daarin de spullen. Ik vraag aan de
kinderen om deze doos eens goed te bekijken. “Wat valt jullie op?” Ik maak zo
de link naar de twee namen op de doos, in het Hebreeuws (Jesjoea) en Jezus. Vervolgens
nodig ik één voor één een aantal kinderen uit de spullen uit de doos te halen.
Het moet hierbij voor de kinderen duidelijk worden dat deze spullen allemaal met
Jezus te maken hebben. Bij elk voorwerp mogen de kinderen eerst zelf iets vertellen.
B.v. waarvoor het gebruikt wordt en waarom? Vervolgens
vertel ik n.a.v. elk voorwerp een kort verhaaltje over Jezus. Ter verduidelijking
gebruik ik hierbij de plaatjes uit de Vertelbijbel of de Kijkbijbel. Afsluiting: De
kinderen kunnen een tekening maken van Jezus n.a.v. wat ze allemaal hebben gehoord,
b.v. een portret, Jezus aan het werk, Jezus terwijl hij zit te eten. Dit kan je
eventueel bundelen tot een klein boekje, onze eerste bijbel (de naam mogen ze
zelf ook verzinnen als ze dat willen). Bijlage: Icoon
van Jezus: Over
Jezus uiterlijk weten we niets zeker. De meeste mensen in zijn land hadden donker
haar en donkere ogen. Mannen droegen een baard en waarschijnlijk vrij kortgeknipt
haar. Dit plaatje (icoon van Jezus) laat zien hoe mensen dachten dat Jezus eruitzag.
Kleren
en sandalen: De
mensen droegen overslagmantels en tunieken en liepen op blote voeten of sandalen.
Ze hadden niet zoveel verschillende kleren als wij. Arme mensen hadden vaak maar
één tuniek of hemd en één overslagmantel. De moeders en grote meisjes maakten
de kleren voor de hele familie. Ze maakten meestal zelf de draden en de stof waarvan
de kleren gemaakt werden, van schapenstof of van linnen. Timmerspullen: Jezus was timmerman. Hij maakte
meubels en deuren, maar hielp ook bij het bouwen van huizen. Ansichtkaart:
Jezus
woont in Nazaret, een klein stadje. Nazaret
ligt in het land Israël, dat toen Palestina werd genoemd. Dat is een warm land,
met hete zomers. In de winter is het er minder heet en regent het regelmatig.
De huizen hadden dikke muren en platte daken (zie Vertelbijbel). Als het erg heet
was sliepen de mensen buiten, op het dak van hunhuis. Ze aten daar ook vaak. Eigenlijk
was het dak een soort openlucht-huiskamer. Er was een muurtje om het dak heen gemetseld
om ervoor te zorgen dat niemand naar beneden viel. Etenswaren
en gebruiksvoorwerpen: Veel
dingen die wij eten bestonden niet in het land van Jezus. Mensen aten brood en
geroosterd graan, groeten (b.v. uien), fruit (b.v. vijgen en dadels) kwark en
kaas en peulvruchten, zoals linzen. Ze gebruikten veel olijfolie. Ze aten vooral
vlees van schapen en geiten. Varkensvlees aten ze niet. De mensen van het volk
van Jezus, de joden, en mensen die geloven in Allah eten dat nog steeds niet.Suiker
bestond niet, honing wel. Bij feesten hoorden speciale gerechten, b.v. plat brood
(matzes). Mensen dronken vooral water, melk en wijn. Ze aten met een lepel en
met hun handen, vorken bestonden nog niet. Week 2 Doel:
De
kinderen knutselen en/of tekenen verschillende spulletjes uit de tijd van Jezus.
Het maken
van een hoek met alle (zelfgemaakte) spulletjes uit de tijd van Jezus. Materiaal: ü
Schoenendoos ü
Verf ü
Scharen ü
Stevig papier
of karton ü
Lijm ü
Transparant
papier ü
Zitkussens ü
Olielampje ü
Verkleedspullen ü
Kosteloos materiaal Inleiding: Tijdens de inleiding haal ik nog eens de spulletjes
uit de ‘Jezus’ doos en bespreken deze kort, omdat we het hier vorige week al langdurig
over het gehad. Ik
laat ook nog eens de plaatjes zien uit de Vertelbijbel en/of Kijkbijbel, zodat
de kinderen een goed beeld hebben van hoe het eruitzag in de tijd van Jezus. Kern: Daarna
vertel ik dat we samen een Jezus hoek gaan maken. In deze hoek komen allemaal
spulletjes te staan, die met Jezus en de bijbel te maken hebben. Hiervoor mogen
ze ook spulletjes van huis meenemen. Voor het maken van de spulletjes mogen de
kinderen gebruik maken van allerlei verschillende soorten materialen. Ze mogen
vouwen, schilderen, tekenen. Knippen/plakken. Ze mogen zelf een keuze maken. Als
je kinderen dit niet zelf kunnen, kan je ze een opdracht geven of je helpt ze
een eindje op weg. Dit kan je doen door het geven van verschillende suggesties.
Als
alles duidelijk is kunnen de kinderen aan de slag. Afsluiting: Aan
het einde van de week zullen ongetwijfeld alle spulletjes af zijn. De kinderen
krijgen dan de kans om met de spulletjes een toneelstukje op te voeren. Door dit
toneelstukje zal duidelijk worden hoe het beeld van de kinderen is over de tijd
waarin Jezus leefde. Week 3: Doel: De
kinderen maken een collage over het land van de spoken en het land van God. Materiaal: ü
Grote vellen
papier ü
Reclamefolders ü
Oude tijdschriften ü
Schaartjes ü
Lijm ü
Kosteloos materiaal ü
Gekleurd papier ü
Verhaal: “De
Gekke man.” Inleiding: Met
de kinderen bekijken we de ‘Jezus’ tafel en praten daar nog even over. Terwijl
we de tafel bekijken vraag ik ze het volgende: “Maar wat deed Jezus eigenlijk?”
Daarop aansluitend vertel ik het verhaal over de gekke
man (zie bijlage). Kern: N.a.v.
het verhaal gaan de kinderen een collage maken over het land van de spoken en
geesten en over het land van God. Hiervoor moeten we eerst samen bedenken hoe
het er in die landen uitziet. Hierbij stel je vragen als: “Welke kleuren zie je
er, welke dieren? Zullen er ook kinderen wonen?” Ook
wil ik proberen samen met de kinderen een antwoord te zoeken op de vraag: “Waarom
de spoken niets van god willen weten. Afsluiting: Alle
collages worden opgehangen rond de ‘Jezus’ tafel en deze gaan we vervolgens samen
bekijken en bespreken.
Bijlage:
De
Gekke man (naar Marcus 1,21-34) De
zon hangt als een rode bal aan de hemel. Hij zakt steeds lager. Bijna raakt hij
de grond. In het stadje Kafarnaum is het vol met mensen.
Ze lopen haastig door de straten. Als de zon straks ondergaat, sluiten de winkels.
Dan begint de sabbat en is iedereen vrij. In de huizen hoor je de kinderen lachen.
Je hoort het gespetter van water. Dat is omdat iedereen zich wast. Straks, als
de zon weg is, komen de mensen bij elkaar. Om te zingen en verhalen te vertellen.
Als
alle kinderen schonen kleren aan hebben, lopen ze naar een groot huis, de synagoge,
waar ze op de sabbat allemaal samenkomen. De meeste mensen zitten al bij elkaar
op de grond. In de hoek, ver weg van de andere mensen, zit de gekke man. Die zit daar altijd. Zijn armen om zijn hoofd heen.
Want hij si bang. Bang voor het blafspook dat in zijn hoofd zit. Iedere keer als
hij zich teveel beweegt, blaft het: ‘Ik zal je pakken, ik zal je pakken!’ Hij
is ook bang voor de plaaggeest in zijn hoof die zegt: ‘Jij mag niet meedoen. Want
jij ben stom!’ En het allerbangst is de gekke
man voor het slokopmonster dat brult: ‘Ik zal je opeten!’. Als
iedereen binnen is, wordt er voorgelezen. Verhalen over God. En er wordt gezongen.
De mensen bedanken God. Voor het mooie weer en voor van alles waar ze Hem voor
willen bedanken. Dan
staat Jezus op. Hij begint te praten. Hij praat over het land van God. Iedereen
luistert. Want iedereen zou er wel willen wonen. Omdat niemand er wordt gepest
en iemand bij je wegloopt als je dat niet wilt. De gekke
man luistert ook naar Jezus. Maar alle monsters, spoken en geesten in zijn hoofd
beginnen te brullen en te roepen.Het slokopmonster brult. ‘Ik ken jou wel, Jezus.
Jij komt van God.’ Jezus kijkt naar de gekke man. Hij
heeft zijn armen weer om zijn hoofd geslagen. Jezus ziet de spoken en monsters
in zijn hoofd. Hij begint tegen ze te roepen ‘Hou je
koest! Kom eruit!’ Het spook en het monster en de geest komen eruit. Ze vluchten
weg, zo snel ze maar kunnen. De gekke man schudt met
zijn hoofd. Ze zijn weeg! Helemaal weg! Er is niemand meer die roept: ‘Jij mag
niet meedoen.’ Of : ‘Ik zal je opeten!’ De
man staat op. Hij lacht. Hij gaat bij de anderen zitten. Hij kijkt de mensen aan.
Hij is helemaal niet bang meer. Iedereen praat erover: ‘Heb je dat gezien? Alle
enge monsters zijn uit zijn hoofd verdwenen. Jezus heeft
ze er gewoon uitgepraat.’ De mensen gaan naar huis om te eten. Iemand vraagt aan
de man: ‘Blijf je bij ons eten?’ En daar heeft de man best zin in. Doel: Naar
aanleiding van het verhaal “De gekke man” bedenken de
kinderen hun eigen monsters en spoken en laten deze met een speciaal ritueel verdwijnen.
Aanleren
van een leuk liedje “Spook verdwijn!”. Materiaal: ü
Wc-rolletjes ü
Verf ü
Gekleurd papier
en karton ü
Lijm ü
Strookjes ü
Touw etc. ü
Grote doos
of wasmand ü
Verhaal: “De
Gekke man.” ü
Liedje “Spook
verdwijn!” Inleiding: Het
verhaal van vorige week herhaal ik en we bespreken het verhaal en de collages
nog eens kort. Op deze collages zullen ongetwijfeld monster en/of spoken voorkomen.
Kern:
Tijdens
de kern vraag ik aan de kinderen of ze nog meer monsters en spoken kunnen bedenken.
Wat doen ze, wat zeggen ze? Wat gebeurt er als je naar die monster luistert? Hoe kun je ze weg krijgen? Vervolgens
vertel ik de kinderen dat ze van wc-rolletjes, verf, gekleurd papier en andere
materialen hun eigen blafspook, plaaggeest of misschien wel een
slokmonsters gaan maken. Deze naam mogen ze zelf verzinnen. Afsluiting De
kinderen gaan met hun zelfgemaakte monstertjes in de kring zitten. Zet de doos
of mand in het midden. Dit is de grote-monster-verdwijnkist.
Onder het zingen van het liedje, “Spook verdwijn!” (zie
bijlage), laten ze de monsters verdwijnen. Eerst
oefen ik het liedje een aantal keren samen met de kinderen. Daarna mag telkens
een kind met zijn spook (of iets dergelijks) om de verdwijnkist heen lopen, terwijl
er gezongen wordt. Bij de laatste woordjes van het liedje stopt het kind het monster
in de kist. Dit herhaalt ik een paar keer met verschillende
monsters. Wanneer iedereen geweest is wordt de doos goed dichtgemaakt met touw,
plakband en eventueel lijm. Deze wordt in de hoek gezet. Het liedje kan je op
de doos plakken. Bijlage:
Lied: “Spook verdwijn!” (melodie:
Deze vuist op deze vuist) Blafspook… (of plaaggeest, of monster) in je kist, verdwijn. Bij ons hoor je niet te zijn. Het land van God is niet voor jou. Dat is voor alle mensen. Week 5: Doel: De
kinderen maken kennis met de familie van Jezus en we vragen ons af: “Wat betekent familie voor Jezus?” Materiaal: ü
Voor ieder
kind een pollepel ü
Verf ü
Viltstiften ü
Lijm ü
Lapjes stof
of crêpepapier ü
Breigaren in
allerlei kleurtjes ü
Verhaal: “De
familie van Jezus.” Inleiding: Ik
zit met de kinderen in de kring. Ik praat met de kinderen over hun familie en
ze mogen daar ook iets over vertellen. We praten over hoeveel broers en zussen
ze hebben en hoe die heten. Wie hun vader en moeder zijn. Op deze manier leg ik
weer de link naar de vader en moeder van Jezus. “Want Jezus had ook familie.”
Zijn vader heette Jozef en zijn moeder Maria. Zijn vader Jozef was al dood toen
Jezus volwassen was. Jezus had vier broers en een paar zussen. We weten hoe zijn
broers heetten: Jakob, Jozef, Juda, en Simon (zie marcus 6,1-5) We weten niet hoe zijn zussen heetten,
want dat staat niet in de bijbel. Kern: Tijdens
de kern lees ik het verhaal, “De familie van Jezus” (zie bijlage), voor.
Ik onderbreek dit verhaal op de aangegeven plaatsen. Bij dit verhaal moet je er
rekening houden dat het een heleboel vragen zal oproepen. Bespreek ook goed met
de kinderen hoe je het verhaal kunt uitspelen. “Wat
bedoelt Jezus eigenlijk? Is zijn familie opeens zijn familie niet meer? Houdt
hij niet meer van zijn moeder, zijn broers en zijn zussen?” Ik
probeer de kinderen te laten vertellen hoe ze hierover denken, maar ik stel hen
ook gerust. Ik vertel dat Jezus nog steeds van zijn familie houdt. Maar
waarom noemt hij die andere mensen dan zijn broers of moeder en zussen?…. Het
antwoord hierop laat ik door de kinderen bedenken. Hierbij moet ook gedacht worden
aan het gebruik in veel landen om tegen vriend ‘broer’ te zeggen, of aan de kerk
waarin iedereen aangesproken wordt als: “broeders en zusters”. Afsluiting: De
kinderen maken portretten van Jezus’ familieleden in de vorm van poppetjes. De
kinderen kiezen een persoon uit het verhaal. Ze verven de lepel, met stift tekenen
ze het gezicht. Van breigaren kunnen ze de haren en b.v. een snor maken. Voor
de zussen van Jezus kunnen hoofddoekjes geknipt worden. Zet de poppetjes in een
rekje of een bak zand op de ‘Jezus’ tafel. Bijlage: De
familie van Jezus (naar Marcus 3, 20-35) Maria
woont in Nazaret, met haar grote kinderen. Alleen de
oudste, Jezus, is niet meer in het stadje. Hij is maanden geleden weggegaan en
woont nu bij vrienden in kafaraum, ver van Nazaret. Zijn moeder en broers en zussen hebben al die tijd
niets van hem gehoord. Zou Jezus nog verder gereisd zijn? Naar Jeruzalem bijvoorbeeld?
Vandaag is er iemand uit Kafarnaum in nazaret gekomen. Jezus woont daar
nog steeds, hij heeft gezegd. En toen is hij gaan vertellen
over Jezus. Midden op het dorpsplein, zodat iedereen het kon horen. Dat Jezus
zieke mensen beter maakt en spoken wegjaagt uit het hoofd van gekke mensen. Dat hij op bezoek gaat bij mensen die nooit bezoek
krijgen en dat hij verhalen verteld over het land van God. Maria en haar kinderen
hebben de reiziger ook horen praten. Jakob is niet blij met wat hij heeft gehoord.’Dacht
ik het niet,’ moppert hij. ‘Jezus is altijd een bijzonder
kind geweest. Altijd anders dan anderen. Altijd dwars. Volgens mij is er een steekje
aan hem los. Als dat maar goed afloopt.’ Juda zucht: ‘Wat moet hij daar in Kafarnaum?
We hebben hem hier nodig. Er ligt zoveel werk te wachten in de timmerwerkplaats.
Dat kan ik niet meer alleen.’ ………..(Verzin
hier samen de naam van een zus) schaamt zich een beetje.
Wat zullen de buren wel niet zeggen, nu ze weten waar Jezus mee bezig is? ·
De kinderen
bedenken en spelen wat de nadere broers en zus(sen)
zeggen over Jezus. Dan
staat Maria op. ‘Ik maak me zorgen, zegt ze. ‘Gaat het wel goed met jezus, daar in Kafarnaum?
Hij kan beter maar weer hier komen wonen, dicht bij ons. Kinderen, ik vind dat
we hem zo snel mogelijk naar huis moeten halen. We gaan op reis. Met zijn allen.
Vandaag nog.’ Snel
zoeken Jozef en Simon spullen voor onderweg. En dan vertrekken ze. Na een paar
dagen lopen komen ze bij het huis waar Jezus woont. Het zit er vol mensen. Buitenspelen
een paar kinderen. Maria wenkt een meisje en vraagt: ‘Wil jij iets voor ons doen?
Wil je naar binnen gaan en tegen Jezus zeggen dat zijn moeder en zijn broers en
zussen buiten op hem wachten? Zeg maar dat we hem willen spreken.‘ Het meisje
gaat naar binnen. Maar het is zo druk dat ze niet bij Jezus kan komen. ‘Kunnen
jullie iets doorgeven?’ vraagt ze aan de mensen. Dat doen ze. De mensen zeggen
tegen Jezus: ‘je moeder en je broers en zussen staan buiten. Ze vragen naar je.’
·
De kinderen
geven deze boodschap aan elkaar door ‘Mijn
moeder en mijn broers en zussen?’ zegt Jezus. ‘Wie zijn dat?’ Hij kijkt de kring
rond, naar alle mensen die om hem heen zitten. ‘Hier zitten mijn moeder en mijn
broers en zussen,’ zegt hij. ‘Want weet je wanneer je mijn broer of mijn zus of
mijn moeder bent? Als je doet wat God van je wil.’ ·
Wat zou Maria
doen? Wat doen de zussen en broers? Zijn ze boos of verdrietig? Gaan ze weg of
gaan ze bij de andere mensen in de kring zitten? Gaat Jezus mee naar Nazaret?
Week 6 Doel: Jezus
en zijn familie voelen zich verbonden met elkaar. Jezus voelt zich ook verbonden
met de andere mensen. Door middel van drama leven de kinderen zich in, in deze
twee manieren van verbondenheid. Materiaal: ü
Verkleedspullen ü
Eigengemaakte
pollepelpoppen ü
Verhaal: “De
familie van Jezus.” Inleiding: Vorige
week hebben we het verhaal van Jezus en zijn familie langdurig besproken en we
hebben pollepelpoppen gemaakt bij het verhaal. Dit bespreken we nog eens even
kort na. “Waar ging het verhaal over? En wat vonden we ervan?” Kern: Tijdens
de kern spelen de kinderen het verhaal uit. Het verhaal wordt twee keer uitgespeeld.
Eén keer met de pollepelpoppen en één keer zonder. Kinderen
met verkleedspullen: à Terwijl
ik (de leerkracht) het verhaal vertel spelen de kinderen. Het kan ook dat de kinderen
het toneelstuk helemaal zelf willen uitvoeren, zonder het verhaal van de leerkracht.
Dat mag natuurlijk ook. De kinderen mogen zelf beslissen, als ze er toe in staat
zijn. De
pollepelpoppen in een “poppen”kast: à Dit
is voor het onzekere kind vaak een uitstekend middel om over te drempel te komen
bij drama. De andere kinderen kunnen ze niet zien, alleen horen. Dit is vaak een
stuk minder eng voor deze kinderen. Afsluiting: Tijdens
deze afsluiting wil ik met de kinderen praten over hun beleving bij het vak katechese.
“Wat vonden ze ervan? Wat vonden ze leuk? Of juist niet! Wat vonden ze moeilijk?
Etc…. Uit
ervaring heb ik gemerkt dat dit in de onderbouw weinig gevraagd wordt naar de
mening van de kinderen, terwijl dit ook voor het jonge kind erg belangrijk is.
Op deze manier kan hun eigen inzicht verder ontwikkeld worden. Week 7 Vorige
week hebben we het thema “Kennismaking met Jezus” afgerond. Het leek mij daarom
leuk om de ‘Jezus’ hoek naar de gang te verplaatsen, zodat de ouders van de kinderen
ook het werk van de kinderen kunnen bekijken en lezen. Ik
zet ook lezen erbij, omdat je ook een soort weekboek
kan bijhouden, waarin je opschrijft hoe de les(sen)
verliepen, een soort wandfries. De ouders of verzorgers zien zo wat de kinderen
zoal geleerd hebben op het gebied van Katechese en kunnen er over praten met hun
kind(eren). |