De rijke man

 

 

voor de bovenbouw

CvdWal&JS-D3-2002.

 

Om "in het verhaal binnen te komen" nemen we eerst simpel het verhaal over.

Wat ons opvalt of wat we belangrijk vinden zetten we 'dik gedrukt'.

 

 

Marcus 10, 17-27

En toen HIJ op weg ging, liep iemand op Hem toe, viel op de knieën en vroeg hem:

“Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?”

En Jezus zeide tot hem:

“Waarom noemt gij Mij goed?”

“Niemand is goed dan God alleen.”

“Gij kent de geboden:”

“Gij zult niet doodslaan,”

“Gij zult niet echtbreken,”

“Gij zult niet stelen,”

“Gij zult geen vals getuigenis geven,”

“Gij zult niets ontvreemden,”

“Eer uw vader en moeder”

Hij zeide tot Hem:

“Meester, dat alles heb ik in acht genomen van mijn jeugd af.”

En Jezus, hem aanziende, kreeg hem lief en zeide tot hem:

“Één ding ontbreekt u,”

“Ga heen,

Verkoop al was gij hebt en geef het aan de armen en

Gij zult een schat in den hemel hebben en

Kom hier

Volg Mij”

Maar zijn gelaat betrok bij dat woord en

Hij ging bedroefd heen want hij bezat vele goederen,

En Jezus, rondziende, zei tot zijn discipelen:

“Hoe moeilijk zullen zij, die geld hebben, Het Koninkrijk Gods binnengaan.”

En zijn discipelen waren zeer verbaasd over zijn woorden.

Maar Jezus antwoordde weder en zeide tot hen:

“Kinderen, hoe moeilijk is het om het Koninkrijk Gods binnen te gaan.”

“Het is gemakkelijker dat een kameel gaat door het oog ener naald, “

“Dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat.”

En zij waren nog meer verslagen en zeiden tot elkander:

“Maar wie kan dan behouden worden?”

Jezus zag hen aan en zeide:

“Bij mensen is het onmogelijk”

“Maar niet bij God, want alle dingen zijn mogelijk bij God.”

 

voor wie meer durft

of wel zou willen

 

Dit verhaal is overgenomen uit de bijbel.

We gaan het nu in de tegenwoordige tijd  schrijven.

Wat het verhaal vertelt gebeurt als het ware hier in nu.

Wij luisteren, we staan er bij.

 

De taal en het verhaal is niet toegankelijk voor kinderen.

We willen het verhaal aanpassen aan de taal van kinderen.

Het wordt dus een meer vrije en ingevulde tekst.

Hierna volgt een mogelijke versie.

Bij het verhaal zijn activiteiten gepland voor ongeveer 3 weken.

 

 

 

Een heel rijke man

 

 

Bij het meer van Galilea woont een man.

Een héél rijke man.

Hij is een goede vriend van Jezus.

En Jezus is een goede vriend van hem.

De man woont in een prachtig, groot huis.

Met grote kamers waar je heerlijk in kan rond dansen.

En een groot bad, waar je gerust water over de rand heen kunt plonzen.

De muren van de kamers zijn allemaal beschilderd.

Met groene planten waar wilde eenden tussen zitten.

De eenden zijn zo netjes geschilderd dat je denkt dat ze echt zijn.

Ook de vloer is beschilderd.

Met dolfijnen die in het water spelen.

De rijke man heeft het erg druk.

Hij heeft veel te doen.

De hele dag moet hij opletten dat er geen dieven komen.

Of dat de vloerschildering niet vies wordt.

Of dat het dak niet gaat lekken.

Ook moet hij zorgen dat zijn knechten werken en niet luieren.

En ’s avonds moet hij het geld natellen dat hij overdag heeft verdiend.

 

Soms, als hij extra veel geld verdient, gaat hij naar de straat met de bedelaars.

Aan alle bedelaars geeft hij wat geld.

De arme mensen buigen en bedanken hem.

“Wat een aardige man is hij toch”,  zeggen ze tegen elkaar.

Omdat de rijke man zoveel geld weggeeft, is iedereen vriendelijk en beleefd tegen hem.

Als voorbijgangers hem onderweg tegenkomen, buigen ze diep, en zeggen:

“Goedemorgen, rijke man”

 

Vandaag is de rijke man op bezoek bij zijn vriend Jezus.

Hij luistert graag naar de verhalen van Jezus.

Hij zou wel altijd dicht bij hem in de buurt willen zijn.

En samen met hem in het land van God willen wonen.

Naast elkaar of zo.

Dan zou hij hem elke dag zien.

De rijke man zegt tegen Jezus:

“Ik wil zo graag in het land van God wonen”

“Samen met jou”

“Wat moet ik daarvoor doen?”

Jezus zegt:

“Je kent de geboden”

“Bega geen moord”

Blijf trouw aan je kinderen en je vrouw

“Steel niet”

Leg geen valse verklaringen af”

“Doe niemand te kort”

“Heb eerbied voor je vader en je moeder”

 

De rijke man zegt:
”Aan al die geboden
houd ik me van jongs af aan.

Jezus kijkt hem aan. Hij is ontroert.

Hij zegt:

“Één ding heb je nog niet gedaan”

Ga naar huis en verkoop alles wat je hebt”

Geef het geld aan de armen en je zult een schat hebben in de hemel”

Kom dan terug en volg mij”

“Je zult arm zijn en de vriend worden van alle andere mensen die arm zijn”

“Je zult geen zorgen meer hebben en

“Je zult belangrijke dingen leren”

 

Als de rijke man dat hoort betrekt zijn gezicht.

Hij wordt heel verdrietig en bang.

Hij denkt aan zijn prachtige huis,

Zijn prachtige schilderingen met eenden en bloemen, die net echt lijken.

Hij denkt aan de vloerschilderingen met dolfijnen, die zo mooi zijn.

En hij denkt aan het bad, waar je zo lekker in kan plonzen.

Dan kijkt hij naar Jezus.

En dan naar alle vrienden en vriendinnen van Jezus, die altijd bij hem in de buurt zijn.

Die ene, die visser is, die smakt als hij soep eet

En die ander, die zulke rare vlekken heeft in zijn gezicht.

Hij kijkt naar hun kleren

Heel gewone kleren.

De rijke man denkt aan zijn eigen mooie kleren.

Hij denkt aan zijn zachte bed.

En  aan alle belangrijke mensen die hem groeten, omdat hij zo rijk is.

Nu weet hij het zeker.

Hij wil liever rijk zijn dan met Jezus meegaan.

“Ik ga niet mee”, zegt hij tegen Jezus.

“Ik ga niet mee naar jouw land van God”

Verdrietig loopt hij vervolgens weg.

Jezus kijkt rond in de kring van zijn leerlingen. Hij zegt:

Voor rijke mensen is het moeilijk om te begrijpen dat God je koning is, je zekerheid.

 

Zijn leerlingen zijn verbijsterd over die uitspraak.

Maar Jezus herhaalt:

Kinderen, wat is het moeilijk het Koninkrijk van God binnen te komen."

Hij glimlacht.  

"Voor een kameel is het makkelijker door het oog van een naald te kruipen

dan voor een rijke het Koninkrijk van God binnen te komen.

Maar de leerlingen kijken sip. Ze zeggen tegen elkaar:

“Wie kan dan nog gered worden?”

 

Jezus kijkt hen aan en zegt:

“Bij mensen is het onmogelijk, maar bij God niet”

“Want bij God is alles mogelijk”

Wij hebben alles opgegeven om u te volgen

Jezus zegt:

“En ik verzeker jullie, iedereen, die zijn huis, broers, zusters, moeder, vader en kinderen of akkers opgeeft, omwille van mij en mijn boodschap, krijgt het nú, in deze wereld al, honderdmaal zoveel aan huizen, broers, zusters, moeders, kinderen en akkers maar dan niet zonder vervolgingen,

en in de wereld die komt, ontvangt hij eeuwig leven

Maar velen die nu de eersten zijn, zullen dan de laatsten zijn

en velen laatsten de eersten”

 

De rijke man loopt terug naar huis.

Hij laat zijn bad vollopen.

Een beetje stilletjes zit hij in het water.

Want in lekker plonzen heeft hij vandaag geen zin.

 

 

 

 

 
   

Groepen en werkzaamheden:

 

1:      klassikaal:

Discussie over “zekerheid”

 

2:      individueel:

A4tje maken: Wanneer voel jij je zeker?”

 

3:      klassikaal:

informatief verhaal over Galilea: hoe mensen er wonen en werken. Visserij/boerenleven, schaapskuddes.

 

4:      groepjes

Belangrijke plaatsen zoeken rond Galilea. Welke rol spelen die plaatsen.

Kijken in een atlas van de bijbel.

 

5:      groepjes:

Welk klimaat heeft het land Israël

 

6:      klassikaal:

Vertel het verhaal beeldend. Sluit aan bij de gegevens die kinderen al gevonden hebben uit eerdere opdrachten.

  

7:      groepjes:

Plaquette maken van papier-maché: laagland, bergen, steden, dorpen, meer van Galilea, de Jordaan.

 

8:      groepjes:
Werken aan contrast: de rijke man uit het verhaal kleurrijk afbeelden t.o.v. de boerenen vissers uit het dorp die somber afgebeeld worden.

 

9:      groepjes:

Zelfportretten bestuderen en daarna portret van verdrietige, rijke man tekenen met houtskool.

 

10:     groepjes:
Tamponneren van sjablonen, nadat kinderen ze eerst zelf gemaakt hebben: dolfijnen en eenden (voor de muur en vloer van villa rijke man)

 

11:     individueel:

Kleien van muntstukken met Romeinse cijfers erop.

 

12:     klassikaal:

Discussie over een stelling uit het verhaal: “de rijke man”

 

13:     individueel:

Ontwerp en maken van een vissersboot van karton en doosjes.

 

14:     individueel:

Mozaïeken (afbeeldingen) bestuderen ( boeken) en vervolgens zelf een mozaïek afbeelding maken. Voorstelling naar eigen keuze.

 

15:     klassikaal:
Gesprek over de stelling: “wat zou je met zoveel geld doen?”

 

16:     klassikaal:
Verhaalfragmenten door kinderen laten tekenen.

Verhaalfragmenten door kinderen laten uitspelen in tableaus

 

Foto’s maken van de tableaus, vergroot laten afdrukken en de foto’s nabespreken. Foto’s gebruiken om in een zelfgemaakte boek te plakken.

 

 
   
   

Uitvoering, meer in detail

 

1. Klassikaal: over zekerheid

 

Nog vóór dat het verhaal verteld willen we proberen de kinderen tot een gesprek te laten komen over (het gevoel van) zekerheid. We doen dat naar aanleiding van vragen als:

      Wanneer kun je zeker van iets of iemand zijn?

      Wanneer ben jij zeker van een zaak?

      Bestaat zekerheid eigenlijk wel?

      En zekerheid voor de toekomst, bestaat dat? Hoezo?”

 

Laat kinderen opnoemen wat hen zekerheid biedt en laat dit motiveren.
Schrijf de punten die kinderen noemen op het bord zodat je een lijstje krijgt. Probeer, áls er discussies ontstaan, met kinderen hierover te discussiëren. Nodig de kinderen uit, hun uitspraken en meningen te motiveren of toe te lichten, te onderbouwen.
Laat kinderen vervolgens een keuze maken uit de genoemde aandachtspunten. Misschien komt dat op het bord te staan.

 

 

 

2. Individueel: Verwerking n.a.v. de discussie:

 

De kinderen schrijven (individueel) een verslag schrijven van maximaal 1 A4tje. Aan de orde komt:

      Wanneer voel jij je zeker?

      Heb je wel eens een situatie meegemaakt waarin jij je zeker voelde en hoe kwam dat?

      Kun je dat verklaren?

 

Belangrijk is dat kinderen wederom motiveren waarom ze zich toen zeker voelden óf dat ze een situatie beschrijven waarin ze dénken dat ze zich daarmee zeker voelen.
Laat de verslagen illustreren met een tekening die de kern van hun verhaal weergeeft. Laat kinderen nagaan wat de kern van hun verhaaltje is en dat in één tekening weergeven.
De tekeningen en verslagen worden verzameld en in een map. Titel:“Onze zekerheden (?)”

 

 

 

3. Klassikaal. Een geschiedenisles.

Vertel een informatief verhaal. Het is belangrijk de zaken concreet voor te stellen: platen/ afbeeldingen die het verhaal ondersteunen zullen goede diensten bewijzen.

Ook een kaart van Israël in zijn omgeving en de plaatsen erop die genoemd worden in het verhaal. Dat kan bijvoorbeeld een uitwerking van de volgende tekst zijn:

 
Het verhaal gaat over Galilea, dat vooral bekend is doordat Jezus er het grootste deel van zijn leven heeft doorgebracht.
Een deel van Galilea werd bewoond. In sommige streken woonden maar weinig mensen. (Waarom? Dat mogen de kinderen zelf uitvinden. Komt in een van de opdrachten terug.) In de tijd van Jezus liggen er veel dorpen rondom het Meer van Galilea.  De meeste bestaan niet meer. Maar ze zijn er nog wel en laten iets zien van de wereld waar Jezus in leefde. Ook heeft men ruïnes gevonden van vroegere dorpen.
In Galilea lagen enkele steden en dorpen en er liep een drukke weg. Deze lag tussen Egypte en Damascus langs de oevers van het Meer van Galilea. (wordt in de bijbel ook wel Meer van Kinneret genoemd)

 

Boerenleven/ hoeden van een kudde. In Jezus’ tijd keken de mensen uit Judea neer op die van Galilea.  Ze maakten grapjes over de boerse Galileeërs.
In de tijd dat Jezus er kwam waren de Romeinen er de baas. Die hadden zelfs het recht om willekeurige voorbijgangers te vragen om hun bepakking voor één mijl te dragen. Ook kwam je er Pelgrims tegen op weg naar heiligdommen in Caesarea Fillippi. Mensen dachten dat dit vroeger een heilig oord was, een plaats waar goden woonden. Ze hakten nissen uit in de rots om er godenbeelden in op te stellen.  De andere kant op ging je naar Tiberias toe, waar je kon genezen van verschillende ziekten in de warme zoutwaterbaden in de buurt van de stad.
 
Geen vlak gebied….Galilea is geen vlak gebied. (hoe wel, dat  mogen de kinderen straks zelf uitzoeken door een bijbelatlas te hanteren) Landbouw is van oudsher belangrijk in deze streek en al in de oudheid heeft men op hellingen van heuvels terrassen aangelegd.  Waar de grond ongeschikt was voor akkerbouw zoals op hogere heuvels van Galilea, konden schapen en geiten nog voldoende voedsel vinden. Herders leidden hun kuddes naar geschikte plekken en schapen liepen achter de herder aan. Overdag moesten de herders ervoor zorgen dat de dieren niet afdwaalden en ze behoeden voor gevaarlijke dieren.
 
Meer van Galilea Het Meer van Galilea is een zoetwatermeer, ongeveer 21 bij 11 km groot. Het ligt in een diep dal, 206 meter beneden de zeespiegel. Vanuit heuvels in het oosten en het westen kan plotseling een storm opsteken die golven opstuwt. Verschillende leerlingen van Jezus waren eerst visser op het meer van Galilea. Gevangen vis werd verkocht en de rest werd gezouten of gedroogd. Zo kon vis vervoerd worden naar verderaf gelegen streken zonder dat hij bedierf.
 
Vissersboten. De vissers gebruikten kleine, houten boten. Toen in 1985 de waterspiegel van het meer heel laag was, ontdekte men de resten van een vissersboot uit de tijd van Jezus, die daar eens was gezonken. De boot was 8,2 bij 2,35 meter. Het was van eikenhout en cederhout gemaakt. Het was een soort open roeiboot misschien voorzien van mast en zeil.
Mensen vingen vissen  soms met een speer maar vaker met een linnen net. Een rond werpnet om in het water te gooien of een sleepnet dat vanaf een boot door het water werd getrokken.
Bij helder weer kun je vanaf het Meer van Galilea in het noorden de berg Hermon zien, herkenbaar aan zijn met sneeuw bedekte top. De Jordaan, een rivier, stroomt aan de
noordkant van het Meer van Galilea. In het zuiden van het meer verlaat deze het  meer in de richting van de Dode Zee.
 
De Dode Zee: In plaats van weg te stromen verdampt het water. Door de hitte ( wel 43 graden in de zomer) gaat dit heel snel verdampen. Wat niet verdampt is het zout in het water. Dat blijft achter. Al duizenden jaren wordt dit meer zouter en zouter.
Aan de ondiepe zuidkant van de Dode Zee is de zoutlaag zo dik en wit dat het wel een ijslaag lijkt. Ook zie je zoutrotsen: door een laag zout zien de rotsen er eng uit.
 
Zoutpilaar: er zijn veel hoge pilaren langs de weg naast de dode Zee. Deze worden in verband gebracht met het bijbelverhaal over de ondergang van Sodom en Gomorra. Lot woonde met zijn familie in Sodom. God wilde een einde maken aan de misdaden van de mensen in dit gebied. Een vreselijke natuurramp volgde. Op tijd gewaarschuwd vluchtte Lot met zijn gezin. Maar zijn vrouw draaide zich om en veranderde in een zoutpilaar. Zij werd het slachtoffer van de zoutregen die samen met de aardbevingen en het hemelvuur de hele streek vernietigde!.

 

 

4. Groepswerk: Aardrijkskunde.

Je kunt deze activiteit combineren met de volgende.
Kinderen kunnen in groepjes met behulp van een atlas of een bijbelatlas belangrijke plaatsen rondom Galilea opzoeken en bekijken waarom die plaatsen zo belangrijk waren/zijn. Laat kinderen een collage maken van de belangrijke plaatsnamen en ze erbij noteren waarom ze zo belangrijk waren. Hang ze vervolgens op in de klas.

We denken aan bijvoorbeeld de volgende plaatsen:

Caesarea Filippi: een plaats omgeven door heiligdommen, versierd met godenbeelden. Jezus vroeg hier aan zijn leerlingen wie ze dachten dat hij was. Temidden van de afgodsbeelden verklaarde Petrus dat Jezus de Messias was: de zoon van de levende God.
Hasor: een van de belangrijkste en grootste Kanaänitische steden. In de bijbel kun je lezen dat er twee keer om wordt gestreden: de eerste keer onder Jozua, de tweede keer onder Debora en Barak. Later werd Hasor door Salomo herbouwd tot een van zijn vestigingssteden.
Galilea: bekend geworden doordat Jezus er de grootste deel van zijn leven heeft doorgebracht.
Nazareth:  Waar Jezus opgroeide en het beroep van zijn vader leerde: bouwvakker en timerman. Nazareth is tegenwoordig een drukke marktstad.
Tiberias: een Romeinse stad die door Herodes Antipas, vorst van Galilea werd gesticht. Beroemd door zijn warmwaterbaden. Het is nu een belangrijke toeristisch centrum.
Magdala: een vissersplaats aan de west oever van het Meer van Galilea. Een van Jezus beste vriendinnen kwam uit deze plaats; Maria Magdalena. Zij was de eerste die Jezus na zijn opstandig ontmoette en herkende.
Kafarnaüm:  een stad waar Jezus’ leerling Petrus woonde. Het was een vissersstad met een grote synagoge. ruïnes zijn teruggevonden.
Meer van Galilea: bekend omdat verschillende leerlingen van Jezus eerst visser op het meer van Galilea waren geweest.
Jericho:  ligt tussen het meer van Galilea en de Dode Zee. Het is de oudste stad op aarde.

 

 

 

5. Groepswerk: Aardrijkskunde

 

Een andere groep kinderen kan tegelijkertijd, wanneer er een groepje is dat bekende plaatsnamen opzoekt, kijken naar het land en klimaat. Dat kan afgelezen worden uit een gewone atlas en/of bijbelatlas.

Wat kinderen kunnen ontdekken is bijvoorbeeld:
Langs de kust van Israël ligt een vlakte die door het Karmelgebergte wordt onderbroken. Dus bergen.
Handelswegen liepen van kust door het laagland ( dus verschil in hoogten) waar nu steden liggen als Gaza, Asdod en Tel Aviv.
Het Karmelgebergte ligt vlak aan de Middellandse Zee. ( op een kalkstenen klif aan de westkant van dit gebergte zag de knecht van de profeet Elia “een wolkje zo groot als een handpalm” Een voorbode van een enorme stortregen die een einde maakte aan een lange hongersnood.)
Galilea is voor een deel een gebergte waar weinig mensen woonden. In lager gelegen delen (hellingen)  lagen steden en dorpen: Nazareth bijv. De steden lagen rondom het meer van Galilea. De mensen die er woonden waren meestal boer of visser. Nazareth lag temidden van heuvels (heuvelland) die niet bedekt waren met zand. Overal zag je keien. Op de  hogere heuvels van Galilea, was het land ongeschikt voor akkerbouw, dus ging men er schapen/geiten hoeden. Bij het Meer van Galilea viste men.
Klimaat:
Er heerst niet één klimaat in Israël. In lage rivierdalen en in het zuiden is het klimaat heet/droog. In het heuvelland naar het noorden toe is het koeler/vochtiger. Het klimaat bepaalt ook welke planten er in het gebied groeien.
Winter:Groot deel van Israël kent zachte winters. Oktober: eerste regen ( bijbel noemt het “vroege regen”) In November is er zware regenval. Beken die droog stonden vullen zich. Dan komen er stortbuien die vloedgolven doen ontstaan. Temperatuur daalt. Sneeuw komt op heuveltoppen voor.
Lente: Maart: temperatuur stijgt. Gewassen en wilde bloemen groeien. Landschap is kleurrijk en het weer buiig. Het wordt in de bijbel de “late regen” genoemd. Het wordt warmer. De wind waait vanuit het zuiden ( hete droge woestijnwind)
Herfst & zomer: Na april valt er weinig regen. Lange hete zomerdagen beginnen. Wilde planten worden bruin;  graan dat was gezaaid voor de winter kan worden geoogst. Granaatappels, vijgen en druiven worden rijp. Veel joodse feesten zijn verbonden aan de oogsten van het jaar.
Laat kinderen op een kaart (kopie) aangeven waar de verschillende zones liggen die het klimaat bepalen.

 

 

 

6. Klassikaal. Het verhaal

 

Het verhaal kan nu beeldend verteld worden door de leerkracht.

De informatie die de kinderen gevonden hebben over Galilea, de belangrijke plaatsen, het landschap en het klimaat meenemen in zijn verhaal. Dáár speelt het verhaal zich af.

 

Een begin zou kunnen zijn: naast de boeren die in Galilea woonden en de vissers die visten in het Meer van Galilea woonde er ook een man. Niet zomaar een man, maar een hele rijke man die alles had. Luister maar……
Vertelt het verhaal. Naar aanleiding van dit verhaal kunnen de kinderen:

 

 

 

7. Werken in Groepjes (zie ook 8 en 9):

 

Kinderen hebben gekeken in een atlas naar het land Israël, waarin Galilea ligt. Het is geen vlak land maar met veel heuvels, bergen, laagland, steden en dorpjes, een meer en een rivier. Dat gaan we proberen na te maken.

 

In groepjes van vier: proberen een plaquette te maken van papier-maché waarop de bergen en laaglanden te zien zijn, het Meer van Galilea, De Middellandse zee, de Jordaan, de Dode Zee, de berg Hermon, Karmelgebergte aan de kust van Israël, heuvels met enkele steden daartussen als: Nazareth, Kana, Kafarnaüm, Damascus, Tiberias, Magdala, Jericho, Hasor, Caesarea Filippi.
Meer van Galilea en de Jordaan kan blauw geverfd worden, de steden aangegeven met een rode stip en de bergen met bruine verf. Heuvels kunnen groen geschilderd worden. Sneeuw op de berg Hermon kan wit geverfd worden.

 

 

 

8. Tegelijk ook in groepjes:

 

Er wonen boeren en vissers in Galilea. Mensen uit Judea keken op hen neer: het waren boerse Galileeërs. In het verhaal komt een rijke man voor, die woont in een groot huis met alles erop en eraan. Het contrast gaan we proberen weer te geven in een tekening.

 

Andere kinderen kunnen werken in een groepje aan een tekening met contrast erin. Ze krijgen een A3 vel papier dat ze in tweeën vouwen. Vervolgens maken ze het papier weer open. Op de ene helft tekenen ze een grote villa ( van de man in het verhaal) met kleurrijk, geverfde muren en een tuin, aan de andere kant tekenen de kinderen met sombere kleuren een boerendorpje/ vissersdorpje.

 

 

9. Tegelijk ook in groepjes:

 

De man is heel verdrietig als hij besluit niet met Jezus mee te gaan en zijn huis en geld weg te geven. Het hebben van geld en huisraad geeft hem zekerheid. Hij kan dus niet met Jezus mee. Daarom is hij heel verdrietig.

 

Een groep kinderen  tekent een portret van een man die heel verdrietig is. Daarvoor bestuderen ze eerst portretten van verzamelde foto’s, tijdschriften. Wat zie je aan een gezicht dat verdrietig is? Hoe staan de ogen? Hoe de mond? Welke lijnen zie je in het gezicht? Hoe staan de wenkbrauwen? Nadat dit bestudeerd is gaat dit groepje het portret tekenen met houtskool.

 

 

 

10. Ook voor een groepje. Sjablonen

 

De man heeft een prachtige, beschilderde muur (van wilde eenden) en een mooie vloer van dolfijnen die net echt lijken…..

Deze gaan we ook maken:

Kinderen gaan in een groepje sjablonen knippen van dolfijnen én van wilde eenden en groene planten. Dat doen zij door: eerst een dolfijn te tekenen en uit te knippen ( of een eend of plant). Vervolgens nemen zij stevig wit papier en trekken de dolfijn om op dit papier. Ze knippen de dolfijn uit, zodat er een gat in het papier ontstaat. Op een pastelkleurige papier gaan ze nu de dolfijn enkele malen tamponneren met kwast en verf. (door herhaling ontstaat dan een patroon, zoals de rijke man aan de wand heeft) Beide sjablonen mogen gebruikt worden ( de positieve en de negatieve)

 

 

11. Individueel werk: munten maken

 

De man verdiende veel geld en hád veel geld. Hij deelde wel eens wat uit aan de bedelaars en arme mensen in de buurt…. De muntstukken kunnen door kinderen nagemaakt worden van klei. Eerst bespreken hoe die muntstukken er uitzagen…..

Wat staat er op die muntstukken? (de Romeinen waren in die tijd de baas. Wie kent enkele Romeinse cijfers?)
De kinderen proberen na te gaan hoe die muntstukken eruit gezien kunnen hebben. Lijken ze op onze euro ’s van nu? Waren ze ook rond? Hierover gaat de leerkracht eerst praten met de klas.Vervolgens gaan de kinderen individueel de muntstukken, die de rijke man had in het verhaal, maken van klei. Elk kind maakt voor zichzelf enkele muntstukken met Romeinse cijfers erop.

 

 

12. Klassikaal. Een discussie

 

In het verhaal dat verteld werd door de leerkracht staat:

En áls hij extra veel geld verdiend heeft, gaat hij de straat op naar de bedelaars…. Hij geeft dan geld aan hen en hij wordt daar voor bedankt. Mensen buigen voor hem, vinden hem vriendelijk en beleefd…..

Met de kinderen kan gediscussieerd worden over de vraag hoe dit bedoeld is: is het een lieve, gulle man die wel iets kan missen? Of kun je het ook zó interpreteren: áls hij vindt dat hij zélf genoeg heeft dán kan hij wat missen, maar dat wil niet zeggen dat hij zomáár iets zal weggeven. Hij overweegt het steeds weer, lijkt het.
Wat vinden kinderen hiervan?

 

 

13. Individueel:

Hierboven werd gezegd ( in punt 3) dat er gevist werd op het Meer van Galilea, waar het verhaal van  “de rijke man” zich afspeelt.

De kinderen krijgen de opdracht na te denken over de vraag hoe deze boten eruit hebben gezien. Genoemd werd al een soort zeilboot of roeiboot, misschien met mast en zeil.

 

Van karton en doosjes krijgen de kinderen de opdracht een boot te construeren. Vooraf wordt aan de kinderen gevraagd na te denken over de vraag hoe die boot eruit zou hebben gezien.
Daarvoor verzamelen kinderen eerst platen van verschillende boten. Die knippen ze uit en verzamelen ze. Op basis daarvan gaan ze hun eigen boot ontwerpen, schetsen op papier, zoals zij denken dat die boot eruit zou hebben gezien. Tenslotteproberen ze deze boot na te maken van karton en doosjes.

 

 

 

14. Individueel:

 

Er is een mozaïek (voorstelling van een boot) terug gevonden. Het werd op het plaveisel in Magdala bij het Meer van Galilea aangetroffen en dateert uit de Romeinse tijd. 

 

De leerkracht laat verschillende mozaïekafbeeldingen zien aan de kinderen.
De platen kunnen uit boeken gehaald worden ( in de bieb bij kunstboeken bijvoorbeeld)
Hij vertelt dat er ook een mozaïek gevonden is dat een boot voorstelt, en dat dit dateert uit de Romeinse Tijd.
Een aanleiding om met de kinderen ook een mozaïekfiguur te gaan maken: fantasie of een afbeelding die de kinderen zelf bedenken.
Geef de kinderen hiervoor allemaal verschillende soorten kleine stukjes steen, die ze op mogen plakken met sterke houtlijm op een ondergrond van stevig triplex.

 Mosaiken vis, vogel, paard, een godheid.
(De afbeeldingen zijn overgenomen uit: De Levant, Geschiedenis en archeologie in het Nabije Oosten.)

 

15. Klassikaal.

 

Het verhaal van de rijke man kan nogmaals terug gehaald worden. Nog een keer voorlezen bijvoorbeeld. Vervolgens kan de volgende vragen gesteld worden:

 

      Wat zou jij doen met zoveel geld?
      Schrijf eens op wat je wensen zijn?
      Denk je dat zoveel geld je zal veranderen?
      Zo ja, hoe dan?
      Zou jij je gelukkiger voelen met zoveel geld?
      Zou jij materialistischer worden wanneer je rijk zou zijn?

 

 

 

16. Klassikaal.

 

Als afsluiting van het verhaal zou de klas het verhaal in beeld kunnen brengen, bijvoorbeeld door:

 

Fragmenten uit het verhaal te tekenen en achter elkaar te plakken.
Belangrijk is dan het verhaal met de klas goed te bespreken om die fragmenten er uit te halen die belangrijk zijn.
Je kunt ook het verhaal in scène zetten, in tableaus. De kinderen zijn dan standbeelden, spreken niet maar spelen achter elkaar situaties uit het verhaal na. Achter elkaar gezet zie je het verhaal dan terug.
Weer is het belangrijk om het verhaal goed te bespreken en die fragmenten die er toe doen eruit te pikken.
Voordeel is daarvan is dat je van de fragmenten een foto kunt maken. Achteraf is het verhaal dan ook nog aanwezig. De foto’s kunnen vergroot worden en in een  zelfgemaakt boek geplakt worden met tekst eronder. Ook kunnen de foto’s nogmaals goed bekeken worden om te analyseren:
      Wat maakt een tableau nou zo goed?
      Wie staat er goed op, is sterk aanwezig en hoe komt dat?
      Wat is de betekenis van een bepaalde houding? En de mimiek? 

 

 

 

 

 
   
   
   

                     Draaiboek voor bij verhaal:

                   “het zekere voor het onzekere”

Week 1:

Maandag:

De leerkracht voert klassikaal de discussie over "zekerheid”. De kinderen krijgen de opdracht een verslag te schrijven over de vraag: wanneer voel je je zeker?

 

Dinsdag:

Geschiedenisles: informatief verhaal over Galilea: hoe mensen er woonden, werkten, visserij/ boerenleven/ schaapskuddes enz.

De klas in twee groepen verdelen voor een Aardrijkskundeles.

Één groep gaat m.b.v. een bijbelatlas belangrijke plaatsen en meren zoeken die rondom Galilea liggen. Waarom zijn of waren deze belangrijk? Wat was er zo bijzonder aan?

Andere groep gaat in een gewone atlas kijken naar het klimaat en landschap van Israël. Is het een vlak land? Zijn er bergen? Hoe warm is het er? Is de temperatuur overal gelijk?  Hoe leven de mensen er? Waarvan leven ze? Hoe komt dat?

Beide groepen maken pamfletten waarop de gegevens genoteerd worden. Gegevens worden klassikaal besproken

 

Woensdag:

De gegevens worden besproken die kinderen verzameld hebben. De onderwijsgevende vertelt het verhaal.

Gebruikt de gegevens die kinderen verzameld hebben in zijn verhaal.

 

Donderdag:

Klas in groepen verdelen. Een groep: plaquette maken (papier mache) van Galilea en omgeving: met belangrijkste steden en rivieren zoals besproken is in vorige opdrachten. Ook heuvels, gebergten, rivieren, moeten weergegeven worden.

Andere groep gaat werken met contrast: met wasco en ecoline de rijke man uit het verhaal kleurrijk afbeelden en de boeren en vissers uit het dorp met potlood ( grijs) Contrast: arm en rijk.

 

 

Vrijdag:

Kinderen werken aan plaquette.

Klas verder in groepjes verdelen:

Een groep werkt aan het bestuderen van zelfportretten en tekenen de verdrietige, rijke man. (houtskool)

Andere groep gaat sjablonen maken en  de muur en vloer van de rijke man maken op papier door tamponeren (dolfijnen en wilde eenden) Accent: herhaling.

 

Week 2:

Maandag:

De kinderen werken aan plaquette, starten zonodig met verven. Geven aan waar de belangrijkste plaatsen/rivieren liggen.

De anderen kinderen gaan in groepjes de opdrachten van vrijdag doen: maar dan wel van opdracht wisselen.

Dinsdag:

Klassikaal: gesprek over geld, ook geld van de Romeinen. Leerkracht laat muntstukken zien (boeken evt) Kinderen gaan individueel muntstukken kleien met Romeinse cijfers erop.

 

Woensdag:

Discussie omtrent de stelling uit het verhaal. De rijke man.

Speelt de man niet voor GOD? Is hij wel zo aardig Kinderen proberen een stelling in te nemen en te motiveren.

 

Donderdag:

Kinderen werken aan plaquette:maken vissers-boten en heuvels met schapen, boeren en vissers bij het meer van Galilea. De klas gaat werken aan het ontwerpen van een vissersboot die ze vervolgens gaan maken van karton en doosjes.

Vooraf een gesprek: hoe zouden die vissersboten eruit hebben gezien? Leerkracht laat platen zien van bootjes uit die tijd.

 

 

Vrijdag:

Kinderen maken de plaquette af. De andere kinderen bestuderen met de leerkracht mozaïek afbeeldingen.  Denk aan ramen van een kerk. Kinderen gaan vervolgens zelf een ontwerp maken voor een mozaïek.

Ze maken eerst een schets. (ontwerp) Vervolgens maken ze zelf een mozaïek afbeelding van stukjes steen of gekleurd glas.

GA VOORZICHTIG TE WERK!!!

 

Week 3:

Maandag:

Kinderen maken mozaïekafbeelding af.                                  

Discussie over de stelling: wat zou je met zoveel geld doen? Bedenk eens of zoveel geld gelukkiger maakt. Wanneer ben je echt gelukkig? In hoeverre speelt geld dan een rol?

 

Dinsdag:

De leerkracht verteld het verhaal nog eens.

De kinderen halen fragmenten uit het verhaal en tekenen deze op A4tjes.

Deze worden achter elkaar geplakt.

 

Woensdag:

Er wordt met kinderen gesproken over de vraag hoe je het verhaal kunt uitspelen.

Welke fragmenten zijn belangrijk? Deze gaat de leerkracht verzamelen.

                                     

Donderdag: 

Drama: De onderwijsgevende benoemt de fragmenten die uitgekozen zijn. Hoe kun je de fragmenten in beeld brengen? Met de onderwijsgevende gaan kinderen de rollen verdelen en fragmenten in tableaus uitproberen .

Enkele leerlingen  maken van de tableaus foto’s

Hiervan wordt later een boek gemaakt.

                                     

Vrijdag:

Als de foto’s, die vergroot zijn afgedrukt er zijn, deze in een boek plakken met teksten van kinderen eronder. Nu hebben ze hun eigen klassenboek met het verhaal dat centraal stond.

Deze opdracht kan ook naar maandag verschoven worden als de foto’s nog niet ontwikkeld zijn.

                                     

 

 

Gebruikte literatuur:

 

 

Bijbel

 

Het toneel van de bijbel. Kijk op de bijbel.

Israël en de landen rondom. Nigel Hepper ISBN: 90 6126 557 6

 

Om te beginnen. Door Bara van Pelt, Anja A. de Fluiter

Illustraties van Erica Cotteleer. ISBN: 90 266 0907 8

 

De tijd van de Bijbel. De geschiedenis in beeld.

Een panoramisch kijk op de landen en volkeren uit de bijbel.

Amanda O’ Neil, ISBN: 90 366 0802 3