Het doet er niet toe, maar
b
Lessen naar aanleiding van verhalen van markus
Een
stem roept in de woestijn.
bij
Marcus 1, 1-8
Een stem roept in de woestijn. Dat is de zin waar
de les om gaat draaien. Die zet ik op het bord. Ik zou beginnen met het voorlezen
van de tekst aan de kinderen. Wat roept hij op, waar denk je aan, etc?
Waar denk je aan bij zo’n stem in de woestijn.
Hoe zal dat klinken?
Waar denk je aan bij de woestijn. Trefwoorden op
het bord schrijven.
Mijzelf doet het denken aan stilte. Roepen in
de stilte. Eenzaamheid. Niet gehoord worden. Als er iemand is die luistert valt er veel te horen, want dan is het geluid
van die stem het enige wat je hoort.
Ik denk aan leegte, hitte, kou. Verdwaald zijn.
Op weg zijn.
Na een gesprek hierover,
over deze zin, nodig ik de kinderen uit om te luisteren
naar de stilte en de geluiden in de stilte. Ze gaan rustig zitten met de handen
open op de schoot. Ogen gesloten. (Degene die niet willen
de ogen open en ogen gericht op een punt)
Ik vraag hen een aantal keer rustig adem te halen
en de spieren in hun gezicht en lijf te ontspannen. Daarna laat ik ze luisteren
naar de geluiden die ze buiten horen. Dan de geluiden binnen in de school.
In het lokaal en dan in zichzelf. Hun ademhaling, hartslag, bloed in de oren
eventueel.
We praten daarna over wat ze hoorden. Hoeveel geluiden
te horen blijken te zijn in stilte.
Daarna mogen de kinderen in
groepjes een klank- of juist stiltespel voorbereiden. De bedoeling
is te experimenteren met klank en stilte. Een
klank in een kakofonie van klanken, een klank die stilte verbreekt. Ze krijgen
hiervoor instrumenten zoals woodblock, ritselinstrumenten, een trommel etc.
(eventueel kunnen kinderen zelf een instrument maken, zoals een regenbuis,
waarmee het geluid van de regen nagebootst kan worden) Verschillende groepjes
bedenken waarmee ze aan de slag willen gaan. Geluiden
van de woestijn, de nacht in de woestijn misschien, de wind, ristelende slang,
etc. Anderen gaan aan de slag
met zoveel mogelijk geluid en laten hierin een stem klinken. Weer anderen
met stilte en juist maar enkele klanken.
Een trom die een slag laat horen in de stilte. Anderen gaan misschien aan
de slag met fluisteren en roepen. Hoe hard kan je roepen alleen, tegelijk,
hoe zacht of hard kan je fluisteren en wie hoort je nog.
Waar precies aan gewerkt wordt hangt ook af van wat tijdens het eerste gesprek naar
voren komt en de ervaringen in de meditatie. Het zou kunnen dat ideeën voor
klankspelen op het bord worden gezet en dat ze kiezen waar ze aan willen werken.
Misschien juist van tevoren ingedeelde groepjes dit hangt af van wat de klas
aankan.
Wat me zelf helemaal mooi
lijkt is als de gymzaal gebruikt zou kunnen worden
voor het presenteren van de klankspelen. Dan kan je nog meer ervaren van de
ruimte van de woestijn. De groep toeschouwers, luisteraars, zou in het midden
van de zaal kunnen zitten. Gesloten ogen. Liefst geblinddoekt. Zo worden de
oren nog meer geactiveerd
De spelers zouden op deze manier nog meer gebruik
kunnen maken van de ruimte. Geluiden dichtbij, ver weg.
Eindigen met een gesprek. Reacties op de presentaties.
Wat vond je spannend? Wat viel je op, etc.
Eventueel terugkomen op de zin. Wat doet die nu
met je? Wat zegt het je nu na deze ervaringen.
Waar ook nog op ingegaan kan worden natuurlijk
is: wanneer voel je je als een roepende in de woestijn? Wie kent dat, wie
heeft dat gehad? Wie verwacht je die antwoord geeft?
Kan je je een roepende in een de woestijn voelen
tussen heel veel mensen?
Hierbij zou ik me ook nog kunnen voorstellen dat
je hier ieders persoonlijke beeld, ervaring, bij gaat zoeken en hier een schilderij
van laat maken. Individueel, of gezamenlijk in de vorm van een soort drieluiken
van drie kinderen die ideeën hebben die bij elkaar passen aanvullend of tegengesteld.
Hij
bleef in de woestijn, veertig dagen, op de proef gesteld door de satan. Hij
was in gezelschap van wilde dieren, en de engelen stonden hem ten dienste.
Marcus 1, 9-15
Een les aan de vorige gekoppeld (of los hiervan)
zou kunnen gaan over het stukje hierna.
Voor mij gaat het over in eenzaamheid zijn,
jezelf tegenkomen, gekweld door je eigen angsten, pijn, ego. In gezelschap
van wilde dieren. Dus in liefde. Met liefde komen de wildste dieren bij je
en doen je geen kwaad. En de engelen staan hem ten dienste.
Boodschappers van God. Liefde, vreugde.
Op mijn pad in mijn woestijn, mijn zoektocht naar
pure goddelijke liefde in mijzelf, staan zij mij werkelijk bij, met licht
en liefde. Om mij te helpen mijzelf volledig lief te hebben. Om mij steeds
de boodschap van liefde te laten herinneren.
Ik zou dan in deze les(sen) vooral in willen gaan
op de engelen. En beginnen met de kinderen op een papiertje op te laten schrijven
hoe een engel er uit ziet, een plaatje
in woorden, kort. Dit wordt opgevouwen
en opgeborgen tot het einde van de les.
Een gesprek. Een uitwisseling.
Wat is een engel? Een boodschapper van God. Voor
mij is God liefde. Een Engel heeft dus een boodschap van liefde, van vreugde.
Hoe zien de kinderen dat? De kinderen
herinneren zich misschien engelen uit het kerstverhaal. Wat zijn hun ideeën
beelden hierbij?
Mensen noemen elkaar soms engel. Heeft iemand dat
wel eens tegen jou gezegd? Wat deed je toen?
Hoe kan jij een engel zijn voor een ander in het
leven? Wat kan jij voor een ander doen dat vreugde zou brengen.
Ik denk nu aan een les met toneel als mogelijkheid om hiermee te spelen. Een krantenbericht, advertentie:
ENGELEN
Voor
parttime baan
Goed
te combineren
met
andere werkzaam-
heden
en hobby's
Beloning
altijd hoog.
Kinderen mogen gaan solliciteren
naar een baan als engel. Ze morgen hier zelf invulling aan geven. Dit
kan door iemand dit te laten lezen in de krant en wat daar op volgt. Het mag
ook de sollicitatie zijn etc. Het mogen ook komische stukjes worden waarbij
de engelen misschien wel hele gekke dingetjes zouden doen om plezier in iemands
leven te brengen. Een les zou al kunnen zijn om dit in meerdere groepjes te
laten uitwerken, ze dus alleen die advertentie te geven en daarmee aan de
slag te laten gaan.
Ik kan me ook voorstellen dat als er een veilige
sfeer is dat het meer gaat in de richting
van wat iemand echt heel graag
zou willen doen voor iemand. Misschien een kind dat iemand kent
die erg ziek is bijvoorbeeld. Wat zou jij als engel willen kunnen doen? Wat
kan je doen?
Eventueel ook als kinderen snel in de materie gaan
zoeken, gaan geven in spullen, etc. Dan
kan je met ze filosoferen over de waarde hiervan.
Welke boodschap wil je het liefste dat een engel
jou brengt?
Of stel je voor dat je in de woestijn bent, misschien
wel verdwaald, hoe zou voor jou een engel er dan uitzien? Iemand die je de
weg wijst? Richting geeft? Met vleugels, dat je mee kan vliegen? Of is het
dan je moeder? Of iemand die water brengt, etc.
Eventueel kan met beeldend materiaal vorm gegeven
worden aan een engel. Dit na dit gesprek, als de stereotype beelden van de
engel een beetje losgeweekt zijn en de kinderen meer contact hebben met hun persoonlijke beeld van hun engel.
Ik kan me voorstellen dat hiermee in groepjes gewerkt
zou worden. Verschillende opdrachten.
¨
¨
Een toneelstukje (eventueel n.a.v.
de genoemde advertentie of n.a.v. van een ander stuk van het gesprek)
¨
¨
Gezamenlijk driedimensionaal beeld
maken in vorm van een engel. Gemaakt van waardeloos materiaal en ijzerdraad.
Met symbolische waarde, wat de kinderen erbij voorstellen. Hierbij ook veel
samenwerking. Wat heeft zo'n engel bij zich, etc.
¨
¨
Een beeldend werk in het platte vlak,
bijvoorbeeld met vloeipapier, gescheurd, een collage van jouw engel in de
woestijn. (individueel)
¨
¨
Een brief naar aanleiding van
de advertentie waarin het kind solliciteert naar de baan en vertelt wat hij
te bieden heeft als engel. Hij verkoopt zichzelf als engel.
¨
¨
Iets maken voor
iemand waar je hem een plezier mee zou doen. (Dit als dit naar aanleiding
van het gesprek behoefte wordt van een kind.)
En later een presentatie van deze dingen.
Eventueel ook rouleren zodat alle kinderen de verschillende
opdrachten gedaan hebben. Dan wordt het (nog meer) een project.
Ik zou eindigen met hoe is je beeld van een engel
veranderd na hiermee gewerkt te hebben. Je eerste plaatje van een engel teruglezen
en kijken hoe dat verandert is.
Opdat
ze met hun ogen kijken en niet zien, en met hun oren horen en niet verstaan
Gelijkenis van het zaaien. Marcus 4,1-20
Ik krijg steeds meer bodem. Ik herken ook de rotsbodem.
Ik neem het vreugdevol en gretig aan, maar ben nog niet echt geworteld. Het
kan niet groeien, sterft.
Een boek leg ik weer weg als ik er geen wortels
voor heb. Nog niet. Sommige van mijn ideeën, mijn levensvisie gooi ik op het
pad, sommige op de rotsgrond, sommige tussen de distels, en gelukkig ook sommige
op een vruchtbare grond. Daar waar iemand er iets mee kan, de zaadjes pakt
die voor hem zijn, die bij hem kunnen groeien en vreugde brengen. Zoals ze
bij mij kwamen, pasten grond vonden, groeiden en vreugde brachten.
Kijken en niet zien. Horen en niet verstaan.
Daar wil ik met de kinderen op ingaan.
En dan vooral op dat je iets verschillends kan
horen in hetzelfde. Iets anders dan de ander.
Eerst in de tekst even. En een gesprek hierover,
wie herkent dat. Dat je geniet van iets, een liedje bijvoorbeeld, maar de ander hoort niet hetzelfde.
Verder zou ik hiermee aan de slag willen met muziek.
Een aantal verschillende muziekfragmenten laten horen. De kinderen laten opschrijven
wat ze horen. Eventueel in de vorm van een “elfje”.
GedichtElf woordenKlinken in muziekZachte pijn, teder, blij(z) elf
Ik zoek dan muziekfragmenten die verschillende
emoties kunnen oproepen. In een stuk, zoals Sibelius, Rakavasta op.14, die
zoveel verschillende emoties bij mij oproept of juist een stuk wat waarschijnlijk
door iedereen als hetzelfde zal worden ervaren, bijvoorbeeld vrolijk.
Bijvoorbeeld drie stukken. Drie elfjes. En daarover
uitwisselen. Elfjes voorlezen. Vergelijken. Wie hoorde iets heel anders. Waarin
zit dat? Waar doet het je aan denken, een herinnering etc. Hoe komt dat dat
je andere dingen hoort? Wat kleurt de ervaring van mensen. Kan je helemaal
objectief zijn? Kan je iets helemaal alleen zien zoals het is? Diepe filosofische
vragen om mee aan de slag te gaan.
De elfjes kunnen in de klas worden opgehangen.
Gelijkenis van het zaaien. De kinderen
zaaien hun woorden in de klas. En iedereen verstaat daar weer het zijne in…
Ook leuk lijkt me om te werken met een tekst, een
dialoog, waar door verschillende groepjes een stukje van wordt neergezet,
een toneelstukje of hoorspel. Eventueel een groepje twee versies laten maken
van een tekst. En dit voor elkaar presenteren.
Afhankelijk van de toneelervaring van de kinderen
kan eventueel geholpene worden door allerlei plekken of toestanden op het
bord te zetten die van invloed kunnen zijn op hoe je de tekst interpreteert.
(Bijvoorbeeld: op een feest, in de verte, huilend, geblinddoekt, in de woestijn….J)
Of de kinderen krijgen per groepje een kaartje waar zo'n woord, emotie of
plek op staat die zij dan moeten gebruiken.
Een idee voor een tekst:A: halloB: halloA: waar ben je, ik bedoel: wie ben je?B: ik ben hierA: Hier? Oh ben jij het
(Vrij naar: Toon Tellegen, Misschien wisten zij
alles.)
Ook hier kan weer nabesproken worden net als bij
de muziekopdrachten. Wat zag je? Wat gebeurde er? Wat hadden de spelers bedacht.
De tekst kan zo spannend blijven, dat je te maken krijgt eerst met de interpretatie,
de gedachten van het groepje en dan natuurlijk ook nog met de associaties
van het publiek. Zeker als niet al te vast wordt uitgespeeld wie of waar ze
zijn en alleen de tekst met een bepaalde intentie, intonatie, beweging, etc
wordt gespeeld.
Dan kan nog gesproken worden over wat wilde je
laten zien, wat dachten jullie bij de tekst, wat zagen wij? Zagen wij allemaal
hetzelfde of was hier ook weer verschil
in, hoe zou dat komen etc.