|
Studente XYZ Deeltijd 2e
jr (00/01) H-Ka-1 [Ter
begeleiding Het
hieronder volgende materiaal is het werk van een studente van de deeltijd,
tweede jaar. Het procesmatige van de hele ontwikkeling is herkenbaar
beschreven is. Dit resultaat is bereikt na twee modulen "meer bijbelse
katechese" en de wil om zelf met iets goeds te komen, iets dat
goed is voor kinderen van de bassischool en waarin de collegestof in
doorklinkt. Van "geen idee hebben"
wat je hoe moet doen naar dit resultaat is een leerweg. Als een
mogelijkheid hier aangeboden. Het biedt wellicht herkenbaarheid of inspiratie
– al zul je toch zelf met het materiaal moeten stoeien. Inleiding
Waar
moet ik beginnen? Ik geloof dat ik het nog steeds niet weet, zelfs niet
op dit moment terwijl ik hier zit te werken. In
de lessen is er op een gegeven moment aan de orde geweest hoe je aan
je werkstuk zou kunnen beginnen. Waar begin je eigenlijk, voor welk
onderwerp kies je en hoe ga je verder te werk? Er werd het advies gegeven
om eerst maar eens in de bijbel te gaan lezen. Een kinderbijbel bijvoorbeeld
en kijk dan maar eens of daar een verhaal tussen zit wat boeit of aanspreekt.
En laat het dan ook maar eens bezinken. Zo gezegd, zo gedaan. In
de vakantie ga ik gaan lezen in de kinderbijbel Woord voor Woord, het
nieuwe testament. En zo waar na zo’n 50 bladzijden te hebben gelezen
kom ik het verhaal van het mosterdzaadje tegen. Dat intrigeert mij meteen
al. Ik lees verder, het boek uit. Gedurende de rest van de week laat
ik de gelezen stof ‘bezinken’. Maar dat mosterdzaadje blijft
mij boeien. Het spreekt mij denk ik zo aan vanwege de beeldspraak. Uit
iets kleins kan iets moois, groots voortkomen. Ik lees in mijn eigen
kinderbijbel van vroeger (bijbelse verhalen voor jonge kinderen, D.A.
Cramer-Schaap) en tot mijn grote teleurstelling komt dit verhaal er
niet in voor. Wat vreemd. Dan pak ik maar de Willibrord vertaling. Waar
kan ik het verhaal vinden. Marcus 4, 31-33. Dat hele verhaal uit Woord voor Woord in zo’n korte
tekst samengevat. Ik
lees Marcus 4 eens een zijn geheel en daar komen de zaadjes toch weer
naar boven, alleen nu in een hele andere gelijkenis. Ik lees de
tekst in de "blauwe reader". Weer die zaadjes, maar veel
ervan snappen doe ik absoluut nog niet. En
nu? Ik kom in de les, eigenlijk heel blij dat ik eindelijk een onderwerp
heb kunnen vinden dat mij aanspreekt. Ik vraag of dit een goed onderwerp
is en er wordt mij gevraagd over dit onderwerp te mailen. Oh jé, wat
moet ik nu weer doen? Ik
begin eerst maar eens met lezen en lezen en nadenken en proberen te
begrijpen. En uiteindelijk heb ik vanavond de moed bij elkaar geraapt
om eens wat dingen op papier te zetten en te gaan mailen. Dus daar gaat
ie dan. Denk-werk
Als
ik begin te lezen denk ik toch echt dat Hij zich in een boot op het
water begeeft en het volk langs het meer op de kant staat. Dus waarom
er in de reader staat zee is mij niet duidelijk. Misschien moet ik het
niet al te letterlijk opvatten en er ook niets achter zoeken. Op zich
probeer je voor jezelf wel een bepaald beeld te vormen. Hij aan de ene
kant op het water en de menigte aan de andere kant op het land. In de
kinderbijbel staat het zo geschreven dat Hij zegt dat een ieder nu zijn
eigen weg moet gaan, zonder hem. Ze moeten gaan zoals ze zijn en met
mensen praten, zieke mensen helpen, verdrietige mensen troosten enz.
Zegt het woord voort, het zaad kan wortel schieten, denk ik dan, terwijl
Hij dit straks niet meer zal doen. Ze moeten het immers zometeen zonder
hem doen. De menigte die op het land staat kan wortel schieten, en Hij
daarentegen op het water (zometeen) niet meer. Zo zie ik het tenminste.
Het is net alsof hij wil zeggen dat ze nu ieder een eigen weg moeten
gaan en het woord door moeten vertellen, want hij is er zometeen niet
meer, dus hij kan dit niet meer. Dan
begint Hij in een gelijkenis te praten. Hij vertelt over de zaaier die
gaat zaaien en noemt vier verschillende mogelijkheden waar het zaad
terecht kan komen en wat er dan met het zaad gebeurt. De laatste, vierde
keer valt het in goede aarde, groeit het uit en levert het vrucht op.
Overigens zou hier het spreekwoord ‘in goede aarde vallen’ vandaan komen?
In
de reader wordt gesproken over vier hoekpunten die een chiasme vormen.
Vier maal klinkt het woord aarde in de betekenis van akkergrond. In
vs 5 tweemaal geen goede aarde, in vs 1 de menigte op de aarde en in
vs 8 valt het zaad in de goede aarde. Maar waarom zo geschreven ? In
vs 5 is dan wel twee keer geen goede diepe aarde genoemd, maar het gaat
over één voorbeeld van zaad dat als het ware in verkeerde aarde valt.
Ik zou het liever zo bekijken dat het begint met de menigte die zich
op de aarde begeeft, dit kan als positief gezien worden, iets vruchtbaars.
Vervolgens komen er drie voorbeelden van zaad dat geen goede aarde treft
en als laatste wordt er weer geëindigd met de goede aarde. Het niet
goede wordt als het ware omsloten door het goede. Bovendien
is Hij op dat moment de zaaier en is hij aan het zaaien. Vervolgens
ben ik ontzettend lange bezig mij af te vragen waarom er in gelijkenissen
wordt verteld. Als zelfs zijn metgezellen en de Twaalf de gelijkenissen
nog niet snappen en hij deze aan hen moet uitleggen, wat zal die menigte
dan van die gelijkenissen begrijpen ? Of is dat misschien niet de bedoeling
? Ze horen ze aan maar ze verstaan ze niet staat er in Markus, tenzij
ze zich zullen bekeren en vergeving vinden. Ik
denk dat het de bedoeling is dat zijn leerlingen uiteindelijk het woord
voort zullen zeggen en dat het voor hen dus heel belangrijk is dat zij
de gelijkenissen begrijpen. Zij vragen zelf om uitleg en weten, denk
ik, dat er wel een boodschap achter zal zit. Zij kennen Hem en hebben
waarschijnlijk ook een bepaald verwachtingspatroon van Hem. Maar wat
is dan het nut dat deze verhalen aan de menigte worden verteld. Of is
het misschien juist wel als boodschap voor ons bedoeld. Wanneer wij
dit nu lezen wordt ons het één en ander duidelijk gemaakt. Aan de andere
kant denk ik even heel simpel. Wanneer ik aan kinderen een sprookje
ga vertellen over het goed en kwaad
kunnen kinderen vaak feilloos aanvoelen waar het verhaal over
gaat. Zou dit bij de menigte ook niet een bepaald gevoel teweeg brengen
? Als ik het goed begrijp alleen de mensen die zich kunnen bekeren en
vergeving zullen vinden. Ik
neem aan dat zijn leerlingen meer verstand hebben van de Tora dan de
menigte. Bovendien denk ik dat het zo is dat wanneer je ze zich kunnen
bekeren en vergeving kunnen vinden dat ze dan zien wat er ook te zien
valt. Ze verstaan wat er te horen valt. Daar scheppen ze als het ware
zelf ruimte voor. Ze hebben het vermogen om te zien. En misschien moet
je wanneer Hij aan het vertellen is in gelijkenissen juist wel afwachten
waar het zaadje valt en dat degene die ook verstaat wat hij hoort en
dus bekeert is en vergeving kan vinden, kan ontkiemen en wortelen. Tot
slot volgt dan nog een gelijkenis met betrekking tot het koninkrijk
van God en een mosterdzaadje. Ook hier zit ik lang over na te denken.
Het mosterdzaadje is volgens mij helemaal niet het kleinste zaadje van
alle zaden op aarde. Maar als het gezaaid is wordt het groter dan alle
andere struiken en krijgt het grote takken zodat de vogels van de hemel
in zijn schaduw kunnen nestelen. Dat kleinste zaadje biedt als reuzenboom
plek aan de vogels van de hemel, verbindt de aarde van dit verhaal met
de hemel. Eerste conclusie
Kortom er zijn diverse
thema’s die je op de basisschool kunt behandelen met betrekking tot
bovengenoemd verhaal. Op de volgende pagina’s probeer ik een en ander
uit te werken. Het moeilijkste is het, alles op een rijtje te zetten.
Ik heb wel diverse ideeën in mijn hoofd, maar hoe breng ik daar ordening
in? Het wordt wel een
echt werk. Ik ben er al met al zeker zo’n 35 uur mee bezig. Het uitzoeken
van een onderwerp, het laten bezinken van diverse verhalen en dan met
name het verhaal over het zaaien en het mosterdzaadje, het lezen over
dit onderwerp, en het verwerken van dit alles. Kern 1: Zaaien Het gaat met het
Rijk Gods als met iemand die zaad op zijn land heeft gestrooid. Hij
slaapt en hij waakt, dag na dag en nacht na nacht en het zaad ontkiemt.
Vervolgens schiet het op zonder dat hij weet hoe. Er klinkt iets in
van dat de mens niet voor alles verantwoordelijk kan zijn. Zoals de
boer het zaad uitstrooit, maar het ontkiemen van het zaad en de groei
van het gewas heeft hij niet in de hand. Zon en regen zijn nodig, maar
hij heeft dat niet in de hand. Geloofsopvoeding
kun je eigenlijk ook zien als het zaaien van de boer. Je kunt het zaaien,
zo vaak als je wilt, maar het zaad moet je zijn eigen werk laten doen.
Vertrouw erop dat het zaad zal ontkiemen, wanneer de tijd er rijp voor
is. En eigenlijk geldt
dit bij al onze inspanningen voor mens en wereld. Je probeert je kinderen
een veilige omgeving te bieden, en biedt ze een goede opvoeding aan.
Je zet je ook in voor het geluk van anderen. We proberen naar het ideaal
van recht en vrede te streven. Soms zie je de vruchten van de inspanning
ten dele, soms helemaal niet. Maar laat je vooral niet uit het veld
slaan. Mensen hebben dromen
en visioenen nodig om naar uit te kijken, of om het leven vol te houden.
Het Rijk van God zou zo’n visioen kunnen zijn. Een ideaal waar mensen
die geloven hun leven op baseren. In je eentje houd je dat niet vol.
Daar heb je anderen bij nodig die je kunnen helpen. Kinderen hebben
ook dromen. Ze dromen ‘s nachts, maar kunnen ook dromen over wat ze
later willen worden, hoe ze eruit zullen zien en wat ze allemaal zouden
willen hebben. Lessuggesties
bij zaaien: Dromen en toekomst.
Met
kinderen uit de onderbouw zou je het tijdens een kringgesprek
kunnen hebben over dromen. Dromen ze wel eens, waarover, was het een
leuke droom of een enge droom ? Misschien kunnen ze ook wel een tekening
maken over hun droom. Je kunt verhalen voorlezen uit het boek de Droomtweeling,
Jan-Simon Minkema en Philip Hopman. Het boek gaat over Joep en Joris
die op elkaar lijken als twee druppels water. Ze hebben allebei blond
haar en blauwe ogen. Dat ze op elkaar lijken is eigenlijk niet zo bijzonder,
want dat heb je nou eenmaal als je een tweeling bent. Maar er is wel
iets anders dat heel bijzonder is aan deze twee broers. Joep en Joris
kunnen namelijk heel goed dromen. Ze zijn de kampioendromers van Nederland,
maar niemand weet dat. Joep en Joris hebben samen een heel slim spelletje
bedacht. Voordat ze in bed stappen, verzinnen ze al waar ze van willen
dromen. En dat leidt tot heel spannende avonturen. Met kinderen uit
de middenbouw kun je ook over dromen praten. Maar dit wordt dan een
gesprek op een ander niveau. En je kunt een beginnetje maken of ze wel
eens over hun toekomst dromen, hoe die eruit zou kunnen zien. Een droom
kun je ook tekenen. Laat ze hun eigen droom eens tekenen in stripvorm.
Vervolgens kun je ze nog een liedje aanleren over de droomboom (zie
bijlage) en hun eigen droomboom laten tekenen. In
de bovenbouw kun je verder ingaan op die toekomst. Wat wil
je later worden, wat wil je bereiken. Wat zou je daarvoor moeten doen,
heb je dat zelf in de hand ? Van welke wereld droom jij, hoe zou de
wereld eruit moeten zien, vrede voor iedereen bijvoorbeeld ? Je kunt
hier ook een groepsopdracht van maken door ze bijvoorbeeld per groep
een stripverhaal te laten maken over hun droom van de wereld of van
de toekomst. De wereld van vandaag
is eigenlijk wel heel groot voor kinderen. Je hebt de wat oudere kinderen
laten nadenken over hoe ze die wereld zouden willen zien. Misschien
hebben ze wel nagedacht over vrede voor de hele wereld, iedereen voldoende
te eten en te drinken, geen ongeneeslijke ziektes meer zoals aids en
kanker, een gezond milieu, veiligheid, geen criminaliteit. Dit zijn
natuurlijk vrij zware onderwerpen, die je kunt terugbrengen naar iets
kleins. Vrede in de wereld begint eigenlijk al een stukje bij
jezelf. Je begint bij vrede in de klas. Geen pesten, heb iets over voor
je medeklasgenoot, maar ook het respect naar oudere mensen zoals ouders,
leerkrachten etc. Veiligheid, dat kun je ook al dicht in de buurt vinden.
Veilig naar school lopen, veilig in het verkeer. Hoe doe je dat, wat
heb je daarvoor nodig. Ik zou me voor kunnen
stellen dat je hier in de middenbouw en in de bovenbouw goed mee kunt
werken. In de middenbouw kun je de klas in groepjes verdelen en ieder
groepje een toneelstukje laten maken over die kleine droombeelden .
De bovenbouw zou ook kunnen werken aan de droombeelden dicht bij huis,
maar die zouden dit kunnen doen door droombeelden uit te beelden, bijvoorbeeld
per groepje van twee, terwijl de rest van de klas raadt wat er wordt
uitgebeeld. Kern 2: Groeien. Eigenlijk
is alles wat groot is in het klein begonnen. Kijk maar eens naar een
simpele ruzie. Je kunt een hele vervelende ruzie met iemand hebben en
als je dan uiteindelijk na gaat waar het eigenlijk allemaal om draaide,
blijkt het dat het vaak om iets heel kleins begonnen is. Maar als je
dat ‘kleins’ maar aan laat sudderen en er nooit over praat, wordt het
steeds groter en soms weet je niet eens meer waar het allemaal om draait.
Eigenlijk
gaat het nu over iets wat als klein begonnen is, dat is gaan groeien
en uiteindelijk groot geworden. Als eenmaal iets gaat groeien, kan die
groei onvoorstelbaar zijn. Langzaam werken we hier naar het thema groeien
toe. Iets kan uitgroeien tot iets moois, maar het kan ook uitgroeien
tot iets lelijks. En wat heb je allemaal nodig voor die groei, heb je
die groei in de hand ? Jezus
maakt gebruik van de beelden uit de wereld om hem heen. Zoals het beeld
van het werken van een boer op de akker. ‘Met het koninkrijk van God
gaat het als met iemand die zaad op zijn land heeft gestrooid. Hij slaapt
en waakt nacht na nacht en dag na dag, en het zaad ontkiemt en schiet
op, zonder dat hij weet hoe.’ Je moet het dus kunnen loslaten en in
vertrouwen de ontwikkeling kunnen afwachten. De
boer heeft geploegd, hij heeft het zaad zo goed mogelijk verdeeld over
zijn land. Hij heeft het geëgd zodat het zaad in de grond terecht kwam
en er niet bovenop bleef liggen. Hij heeft alles gedaan wat nodig was.
Dan gaat de boer naar huis en moet hij afwachten wat er opgroeit, hij
moet het overlaten en kijken wat er gebeurt. Hij moet vertrouwen hebben.
Net als bij het Rijk van God. Daar kun je een deel zelf doen en de rest
moet je loslaten. Dat geheim van de groei zonder dat je weet wat of
hoe, is het geheim van het Koninkrijk van God. Een mens die Jezus volgt
is niet iemand, die wordt iemand. Elke keer groeit hij of zij en is
hij of zij meer. Het is dus geen toestand maar een proces en dan nog
een proces met perspectief. Eigenlijk
komt dit alles ook tot uitdrukking in de opvoeding: je best doen en
tegelijkertijd ok durven loslaten en vertrouwen, ook dit is een proces. Lessuggesties
bij groeien.
Over
het thema groeien kun je het in alle bouwen uitgebreid hebben. Vooral
het werken met concreet materiaal zal de kinderen aanspreken. In
de onderbouw kun je bijvoorbeeld goed in de lente beginnen met
de bolletjes en de kinderen laten zien dat alles groeit en bloeit. De
kinderen kunnen kijken hoe de narcissen, blauwe druifjes, tulpen, hyacinthen
groeien en bloeien. Ze kunnen door middel van het aangeven van streepjes
op een strook, bekijken hoeveel de bloembollen bijvoorbeeld per week
gegroeid zijn. Je kunt ook een aardappel pakken, daar het kapje vanaf
snijden, watten erop leggen met water en daarop weer tuinkerszaadjes.
Dit groeit vrij snel, bovendien kunnen ze daarna van de aardappel een
gezicht maken en de tuinkers stelt dan het haar voor. Je
kunt de kinderen het liedje aanleren ‘de bolletjes’ (zie bijlage) Dit
in combinatie met drama. De kinderen zitten verspreid in het lokaal
als bolletjes in elkaar gedoken op de grond. De leerkracht zingt het
lied en loopt als ‘lentefee’ tussen de kinderen door. Op de tekst ‘wakker
worden’ tikt hij of zij twee kinderen aan die langzaam uitgroeien tot
een bloem. De gewekte kinderen zingen het liedje mee. Later kan een
kind ook voor ‘lentefee’spelen. In
de middenbouw kunnen de kinderen ook bezig zijn met groeien en zaaien.
Ze kunnen bijvoorbeeld een boon planten en goed bijhouden hoe deze groeit.
Zowel in bewoordering als in tekening. De kinderen kunnen in het begin
van het schooljaar op een lange strook, bijvoorbeeld op de deur van
het klaslokaal, aftekenen hoe lang ze zijn. Eén maal per maand kunnen ze bijhouden
of en hoeveel ze gegroeid zijn. Ook kunnen ze bezig zijn met het verschil
tussen elkaar. Vooral
de lente is bij uitstek een goed moment om te kijken wat er allemaal
gaat groeien en bloeien. Niet alleen de bloembollen, maar ook de bomen
krijgen weer knoppen en blaadjes, de vogels leggen eieren, er worden
veel jonkies geboren en alles gaat groeien. Allemaal weer nieuw leven.
Rond de school kun je een speurtocht opzetten naar alles wat groeit
en bloeit. Welke groeistadia zijn er te ontdekken. Eigenlijk is er zelfs
een cyclus in te ontdekken. Je kunt een werkblad maken te verdelen in
vieren, voor elk seizoen 1 vak. In elk vak kun je een boom tekenen die
bij het juiste seizoen hoort. En zo ontdekken dat er steeds weer nieuw
leven komt, afscheid en nieuw begin in de natuur. In
de bovenbouw kun je de kinderen ook laten zaaien. Je kunt ze
verschillende situaties laten creeëren, door bijvoorbeeld in de ene
zaaibak de zaadjes elke dag veel water te geven, in de andere zaaibak
de zaadjes helemaal geen water te geven en in een derde bak elke dag
een beetje water. Dit kun je ook doen met de hoeveelheid licht. Een
bak volledig afgesloten van het licht, eentje in de felle zon en eentje
met voldoende licht. Laat de kinderen ontdekken wat het verschil is
en in hoeverre ze hierop invloed kunnen uitoefenen. En ook in hoeverre
een boer hierop invloed zou kunnen uitoefenen. Mislukken er wel eens
oogsten en wat is het gevolg hiervan ? Bovendien
kun je het met deze kinderen hebben over de groei van hunzelf maar dan
meer met betrekking tot hun kennis, het steeds wijzer worden. Verder
kom je de woorden zaaien, zaad en eventueel mosterd tegen. Welke uitdrukkingen
en gezegdes kennen ze en wat betekent het (zie bijlage). Kern 3: Mosterdzaadje
Waarmee
zullen we het koninkrijk van God vergelijken, of met welke gelijkenis
geven we het weer ? Het is als een mosterdzaadje dat in de aarde gezaaid
wordt. Het is het kleinste van alle zaden op aarde, maar als het gezaaid
is, komt het op en wordt het groter dan alle andere struiken en het
krijgt grote takken, zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen
nestelen. Nu
was het mij al opgevallen dat een mosterdzaadje echt niet het kleinste
zaad der zaden is. En ik vroeg mij toen af waarom dan toch het voorbeeld
van het mosterdzaadje. Leuk vond ik het dat ik een stukje tegenkwam
over de struik van de zwarte mosterd. Deze zijn wel drie tot vier meter
hoog en het kleine, zwarte zaad is inderdaad heel klein als je dit vergelijkt
met bijvoorbeeld een veel grotere tarwekorrel, waaruit slechts een aar
van een meter hoog komt. Bij het mosterdzaad draait het echter niet
alleen om het proces, maar ook om het resultaat, namelijk dat de struik
schaduw biedt aan de …..vogeltjes, terwijl je misschien wel zou verwachten
dat de struik een grote hoeveelheid zwarte mosterd zou opbrengen. Dus
dit is nogal verrassend, vind ik. In
een klein zaadje zit alles al. Het is in de kiem, in de kern al aanwezig.
Zo is het ook met de wording van het Rijk van God. Ik denk dat Jezus
het ons ook duidelijk wil maken hoe het met de mens en de wereld kan
gaan. Uit zo’n heel klein zaadje kan iets moois en prachtigs groeien,
terwijl al die eigenschappen al in dat kleine zaadje zijn opgeslagen.
Alle mogelijkheden zijn dus al aanwezig. Zo ook bij ieder mens. Kwaliteiten
die straks misschien wel bijdragen tot een betere wereld. Lessuggesties
bij het mosterdzaadje:
Ik
las ergens een mooie uitdrukking: “Een kind met pit.” Wat zit er in
je, welke kwaliteiten bezit je? Kinderen hebben ook kwaliteiten in zich.
Kennen ze die van zichzelf. Kunnen zij straks bescherming bieden aan
anderen ? Kunnen zij zorgen voor de dieren en de planten ? Of kunnen
zij open staan voor het verdriet van een ander. Elkaar helpen om door
een moeilijke periode te komen ? In alle bouwen kun je hierover praten.
In
de onderbouw begint het heel simpel, met wie kan zichzelf al
aankleden of zijn schoen veteren. Terwijl je in de midden- en de bovenbouw erbij kunt betrekken dat je lang niet alles
in je eentje op kunt lossen. Maar misschien zijn er wel dingen mogelijk
met anderen. En sommige dingen zullen ook best heel veel tijd vergen,
maar heb vertrouwen dat het weer goed komt. In
de bovenbouw kun je ook nog verder praten over het zaad en de
groei tot de vrucht, waar uiteindelijk dan weer zaad in zit.
Dat zaad kan vervolgens weer opnieuw gebruikt worden. Neem als voorbeeld
een appel. Dat spreekt hen aan. Tot
slot misschien is het zelfs wel leuk om een excursie te organiseren
naar een mosterdfabriek. Op internet kun je dit terugvinden. Hoe
gaat dat hele proces nou precies in zijn werk. Kortom
er zijn legio mogelijkheden. Bijlage 1 De droomboom
In onze achtertuin
daar staat een hele hoge boom.
Die is niet als
de andere zo heel gewoon. Want aan het
hoogste takje, daar groeit een
klein gebakje. Als ik dat zie
dan denk ik dat ik droom. Refrein: Heel voorzichtig
in mijn droom klim ik langzaam
in die boom. Ben ik boven
wat een pret krak boem, naast
mijn bed. In onze achtertuin
daar staat een hele hoge boom. Die is niet als
de andere zo heel gewoon. Want in het hoogste
topje Daar groeit wel
eens een dropje. Als ik dat zie
dan denk ik dat ik droom. Refrein In onze achtertuin
daar staat een hele hoge boom Die is niet als
de andere zo heel gewoon Want naast het
hoogste blaadje Groeit een chocolaatje Als ik dat zie
dan denk ik dat ik droom Refrein De bolletjes
Er
liggen bolletjes in de grond te slapen, te slapen. Er
liggen bolletjes in de grond, overal in ‘t rond. Wakker
worden, wakker worden, alle vogeltjes zingen. Alle
vogeltjes fluiten, zet de bloemetjes buiten. Spreekwoorden en gezegdes Het heeft veel
voeten in de aarde
Het kost veel moeite Dat valt in goede aarde
Dat valt in de smaak Op zwart zaad
zitten Zonder geld zitten Eens zien of er nog zaad in ‘t
bakje is
Kijken of er geld
in kas is Als er zaad in ‘t bakje zit kan
het vogeltje pikken
Als men geld heeft
kan men wat kopen Iemand op zwart
zaad zetten Iemand uit zijn
betrekking ontslaan Iemand zijn zaad geven
Iemand een pak slaag
of een uitbrander geven Iemand door de mosterd halen
Iemand over de hekel
halen Dat ruikt naar mosterd
Dat is dure waar Dan zou je ook van de mosterd eten
Dat zou je geld
kosten Hij heeft er mosterd aan gegeten
Hij heeft het te
duur gekocht Dat is mosterd na de maaltijd
Gezegd van iets
dat te laat komt om nog dienst te doen Zo fijn als gemalen mosterd
Zeer fijn Zo sterk als
mosterd Erg sterk Hij weet waar Abraham de mosterd
haalt
Hij weet er alles
van Het is beter hesp (ham) zonder
mosterd dan mosterd zonder hesp
Van twee kwaden moet men het kleinste
kiezen
Nog
eens:
Jonge
kinderen
Allereerst zou ik
het verhaal van het zaaien en het mosterdzaadje in verschillende kinderbijbels
lezen en voor mijzelf een verhaal samenstellen dat ik dan aan de kinderen
ga vertellen. Waarom vertellen? Je hebt beter contact met de kinderen,
kunt meer op eigen intonatie en uitbeelden letten (je hebt immers je
handen vrij) en je kunt de kinderen veel meer zien. Hun gezichten, reacties
en misschien is het soms wel mogelijk, afhankelijk van de groep, om
tussendoor op reacties te reageren. Bovendien zou ik het verhaal in
de Lente vertellen. Daarna een kringgesprek
met vragen als: vonden jullie dit een mooi verhaal, hebben jullie zelf
ook wel eens iets gezaaid of papa of mama, heb je wel eens gekeken wat
er uit dat zaadje kwam, ging dat vanzelf of moest je er iets voor doen,
heb je gekeken wat er ook uitgroeide, of heb je wel eens gezien dat
dingen groeien, welke dingen kun je opnoemen die allemaal groeien als
je om je heen kijkt, wat heb je daar voor nodig. Dit zijn zo een reeks
vragen, maar ik wil benadrukken dat ik het voornamelijk vanuit de kinderen
wil laten komen. Het liefst heb ik dat ze zelf met dingen komen zoals
zelf zaaien en groeien. De interactie is heel belangrijk. Ik ben er
om het gesprek te leiden en uiteindelijk wil ik naar het feit toe dat
ze allemaal zelf ook eens gaan zaaien en mogen kijken wat er gebeurt. Zelf tuinkers zaaien
op een aardappel. Snijd het onderste kapje eraf, zet hem in een al.
bakje, snijd het bovenste kapje eraf, hol iets uit en doe er vochtige
watten in of een stukje schuurspons. Zaadjes erin en van de aardappel
verder een gezichtje maken met knopen en kruidnagels. Naam op het bakje,
in de vensterbank en kijk elke dag maar wat er met de zaadjes gebeurt. Met de kinderen
bollentafel maken met hyacinth, blauw druifje, narcissen, tulpen, crocussen.
In enkele bakken stoppen we een kartonnen strook, waarop elke dag een
streepje gezet kan worden, hoeveel de plant gegroeid is. Narcissen en
tulpen lenen zich hier goed voor. We meten niet alleen elke dag, maar
daarnaast maken we een tekening die ook elke dag een stukje groeit.
Grote betrokkenheid moet er zijn. Desnoods een schema opstellen wie
wat mag meten en tekenen. De hele klas moet erbij betrokken zijn. Kinderen
kunnen zelf ook bollen van huis meenemen. Liedje aanleren
de bolletjes, inclusief de bewegingen. Ze voelen wat het is om te groeien. Naar buiten, de
omgeving van school. Kijk eens om je heen. Wat groeit er allemaal, planten,
struiken, gras, kijk eens naar de bomen die waarschijnlijk in de knop
staan, wat groeit daaruit, en hoe hoog is die boom eigenlijk, wat is
de hoogste boom die je kunt zien, zou die boom ook als een zaadje begonnen
zijn. Wie leven er in zo’n boom (vogeltjes die hun nest bouwen), hebben
wij ook wat aan die boom (schaduw, klimmen, zuurstof). Misschien kom
je nog een vijver tegen met jonge eendjes, kikkerdril. Kikkerdril zou
je ook in de klas in een bak kunnen houden met een zuurstofpompje. Kinderen
vinden het heel fascinerend om naar die groei te kijken. Na afloop tekenen
de kinderen iets wat ze buiten zijn tegengekomen. De juf maakt met een
aantal kinderen op de wand van het lokaal een levensgrote boom met stukken
groen en bruin papier. Van te voren heb ik kleurplaten van vogeltjes,
ieder kind kleurt een vogeltje en zoekt voor zijn vogeltje in de boom
een plekje. Kringgesprek over
groeien. Wat hebben we in de klas bekeken en wat hebben we buiten bekeken.
Misschien is het al ter sprake gebracht, maar zelf groei je natuurlijk
ook. Hoe groei je, je komt bij mama uit de buik, wat kan je dan of nog
niet, wie zorgt er voor je, wat heb je nodig, en zo verder pratend tot
de leeftijd van nu. Eventueel praten over groeien van het haar, de kapper.Wat
kun je nu allemaal, daar groei je ook in. Je leert van iedereen en zo
groei je steeds meer. In de klas zelf
moet het onderwerp ondertussen ook gegroeid zijn. In de leeshoeken boeken
over groeien en de lente, in de zandtafel aarde zodat ze tuintjes met
plastic bloemen aan kunnen leggen, ingesproken bandjes met verhaaltjes
over groeien, zaadjes, stempelhoek, de huishoek extra veel aandacht
voor poppenverzorging etc., bouwhoek met voorbeeldtekeningen van torens
die je steeds hoger kunt maken (stevige basis). En elke dag een verhaaltje
voorlezen over groeien, de lente etc. Eigen groeiboekje
maken getekend of m.b.v. foto’s van thuis. Juf maakt in ieder geval
foto van kinderen nu, zodat in ieder geval iedereen een foto van zichzelf
heeft. Kringgesprek over
verder groeien in kleine groepen. Wat zou je later willen worden, hoe
zou je er later uitzien of zijn. Wat vind je heel belangrijk. Moet je
daar iets voor doen. Dit gesprek kan uitlopen tot wat kinderen later
willen worden of hoe of wat ze later zullen zijn. Ik denk eerder het
eerste, maar ik hoop het tweede. De interactie vind ik het belangrijkst
en wat van de kinderen uitkomt. Ik werk naar de kinderen toe. Het maakt
niet uit wat eruit komt, maar we proberen rondom de gesproken woorden
een heel klein poppenkastspel op te zetten wat de kinderen voor de rest
van de klas mogen uitvoeren. Per keer 4 kinderen. Ze mogen ook een tekening
maken van wat ze later willen worden. Ter afsluiting zou
ik het verhaal van Jezus weer oppakken en nog een keer vertellen in
een ietwat andere bewoording. Wat
zei Jezus nu precies, je kan steeds meer zonder hulp, kunnen wij nu
ook al mensen helpen, je wordt steeds groter, je kunt steeds meer. Wat
kunnen wij nu al voor elkaar doen. Kunnen wij elkaar nu al helpen, waarmee
dan, zullen we dat eens proberen ? Oudere
kinderen
Ook hier zou ik
weer beginnen met het vertellen van het verhaal om dazelfde reden als
bij de jongere kinderen. En in de Lente. Eerst de kinderen
in groepjes met elkaar over het verhaal laten discussieren. Ik loop
langs de groepjes om hier en daar iets op te werpen. Dan een kringgesprek
over wat er in de groepjes is besproken. Ik zou willen weten in hoeverre
kinderen dit verhaal kennen of dat het totaal nieuw voor ze is. Zo ja,
weten ze er iets meer over. Zo nee, wat zou dit verhaal kunnen betekenen.
Wat voor een gevoel of idee hebben ze erbij. Indien er niets uitkomt
verder blijven vragen over groeien, wat groeit er, hoe groeit het, wat
heb je ervoor nodig en heb je het in de hand. Klas in groepen
van ongeveer 4 kinderen per groep verdelen. Bonen poten in verschillende
situaties: in het licht, in het donker, op droge watten, op vochtige
watten, in de aarde. Welke groeien, hoe komt dat, groei bijhouden in
schrift met woorden en tekeningen. Als ze met de schooltuinen
bezig zijn extra aandacht besteden aan de zaden en de groei. Je kunt
ze ook zonnebloempitten in de tuinen laten zaaien. Thuis zou ik van
tevoren uitproberen in hoeverre het mogelijk is om zelf mosterdzaad
te planten. Ik wil het zowieso aan ze laten zien. Frits de tuinman
in Amsterdam Noord zou ik een les over zaden laten geven of ik zou hem
zelf geven, nadat hij mij goed geinformeerd had. Door middel van loepen
zou ik ze zaden laten bekijken en analyseren. Wat zit erin, maar doe
dat ook eens bij een pinda en snijd nu ook eens een appel open. Vervolgens maak
ik meteen van de gelegenheid gebruik om het voortplantingsverhaal te
vertellen van bijvoorbeeld de appel. Waarom planten ze zich voort(voorkoming
uitsterving ras) De bevruchting, het uitgroeien tot de vrucht, met daarin
weer de zaden en opnieuw de zaadverspreiding. Kringgesprek over
de groei van niet alleen de natuur maar ook de mens. Ook wij groeien.
Hoe zijn we zo grgroeid, heb je dat in de hand, wie heb je er wel of
niet bij nodig. Groei je alleen lichamelijk, of groeien in kunnen of
innerlijk groeien. Kinderen eigen groeiboekje
laten maken m.b.v. foto’s van thuis. Bij elke foto schrijven ze een
stukje over het uiterlijk, (bijvoorbeeld tanden wisselen) en over hun
kunnen op dat moment, voor zover ze dit nog weten. Dan gaan we het
hebben over het innerlijke groeien en de groei van de wereld. Daarmee
bedoel ik te zeggen hou ziet de wereld er nu uit. Is er overal vrede.
Hoe zou dat komen denk je. En wanneer je in je eigen kleine wereldje
kijkt is daar dan overal vrede. Zo niet kun je daar iets aan veranderen. Krantenknipsels
mee laten nemen van conflicten en oorlogen in de wereld. Deze op de
wereldkaart prikken (meteen een stukje topografie van de wereld). Liedje aanleren:
uit Eigenwijs pag. 314, Strangest dream. Een engels liedje over een
droom van nergens meer oorlog in de wereld, geen geweren, zwaarden en
uniformen meer. Stelopdracht geven
Ik en mijn toekomst. Hoe zien zij de toekomst van zichzelf eventueel
in oog staand met de wereld. Enkele door de kinderen zelf voor laten
lezen (niet dwingen) In groepen van 5
tot 6 kinderen, het verhaal uit de kinderbijbel en een ‘gewone ‘bijbel
eens laten bekijken. Zijn er verschillen en overeenkomsten. Staat er
hetzelfde en hoe wordt dit anders gezegd. Zouden ze een beetje kunnen
komen tot een moraal. Leren op twee manieren naar een tekst te kijken.
Ter afsluiting drama.
Klas in groepen verdelen en elke groep maakt een toneelstukje naar aanleiding
van een opdracht op een kaartje. (hoe ziet de wereld er nu uit in je
nabije omgeving, hoe ziet de wereld er nu uit in een breder gezichtsveld,
hoe zou je willen dat de wereld er over 30 jaar uit zou zien,
hoe ziet de wereld er over 30 jaar uit denk je. Diverse momenten
worden er gegeven om toneelstuk voor te bereiden. Ook een les besteden
aan rekwisieten. En misschien wel
helemaal tot slot die excursie naar de mosterdfabriek !
Een suggestie Misschien
moet je de volgorde omdraaien. Eerst dat groeien en bloeien enz. Alles
is dan "ingang" om dat vreemde, nuchtere & poetische verhaal
op het spoor te komen.
|