zaaien 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                                  Studente XYZ

                                                        Deeltijd 2e jr (00/01)

                                           H-Ka-1

[Ter begeleiding

Het hieronder volgende materiaal is het werk van een studente van de deeltijd, tweede jaar. Het procesmatige van de hele ontwikkeling is herkenbaar beschreven is. Dit resultaat is bereikt na twee modulen "meer bijbelse katechese" en de wil om zelf met iets goeds te komen, iets dat goed is voor kinderen van de bassischool en waarin de collegestof in doorklinkt.

Van "geen idee hebben" wat je hoe moet doen naar dit resultaat is een leerweg. Als een mogelijkheid hier aangeboden. Het biedt wellicht herkenbaarheid of inspiratie – al zul je toch zelf met het materiaal moeten stoeien. - Jan Engelen, Herten maandag 7 mei 2001]

 

 

 

 

Inleiding

 

Waar moet ik beginnen? Ik geloof dat ik het nog steeds niet weet, zelfs niet op dit moment terwijl ik hier zit te werken.

 

In de lessen is er op een gegeven moment aan de orde geweest hoe je aan je werkstuk zou kunnen beginnen. Waar begin je eigenlijk, voor welk onderwerp kies je en hoe ga je verder te werk? Er werd het advies gegeven om eerst maar eens in de bijbel te gaan lezen. Een kinderbijbel bijvoorbeeld en kijk dan maar eens of daar een verhaal tussen zit wat boeit of aanspreekt. En laat het dan ook maar eens bezinken. Zo gezegd, zo gedaan.

 

In de vakantie ga ik gaan lezen in de kinderbijbel Woord voor Woord, het nieuwe testament. En zo waar na zo’n 50 bladzijden te hebben gelezen kom ik het verhaal van het mosterdzaadje tegen. Dat intrigeert mij meteen al. Ik lees verder, het boek uit. Gedurende de rest van de week laat  ik de gelezen stof ‘bezinken’. Maar dat mosterdzaadje blijft mij boeien. Het spreekt mij denk ik zo aan vanwege de beeldspraak. Uit iets kleins kan iets moois, groots voortkomen. Ik lees in mijn eigen kinderbijbel van vroeger (bijbelse verhalen voor jonge kinderen, D.A. Cramer-Schaap) en tot mijn grote teleurstelling komt dit verhaal er niet in voor. Wat vreemd. Dan pak ik maar de Willibrord vertaling. Waar kan ik het verhaal vinden.  Marcus 4, 31-33. Dat hele verhaal uit Woord voor Woord in zo’n korte tekst samengevat.

 

Ik lees Marcus 4 eens een zijn geheel en daar komen de zaadjes toch weer naar boven, alleen nu in een hele andere gelijkenis. Ik lees de tekst in de "blauwe reader". Weer die zaadjes, maar veel ervan snappen doe ik absoluut nog niet.

 

En nu? Ik kom in de les, eigenlijk heel blij dat ik eindelijk een onderwerp heb kunnen vinden dat mij aanspreekt. Ik vraag of dit een goed onderwerp is en er wordt mij gevraagd over dit onderwerp te mailen. Oh jé, wat moet ik nu weer doen?

 

Ik begin eerst maar eens met lezen en lezen en nadenken en proberen te begrijpen. En uiteindelijk heb ik vanavond de moed bij elkaar geraapt om eens wat dingen op papier te zetten en te gaan mailen. Dus daar gaat ie dan.

 

Denk-werk

Als ik begin te lezen denk ik toch echt dat Hij zich in een boot op het water begeeft en het volk langs het meer op de kant staat. Dus waarom er in de reader staat zee is mij niet duidelijk. Misschien moet ik het niet al te letterlijk opvatten en er ook niets achter zoeken. Op zich probeer je voor jezelf wel een bepaald beeld te vormen. Hij aan de ene kant op het water en de menigte aan de andere kant op het land. In de kinderbijbel staat het zo geschreven dat Hij zegt dat een ieder nu zijn eigen weg moet gaan, zonder hem. Ze moeten gaan zoals ze zijn en met mensen praten, zieke mensen helpen, verdrietige mensen troosten enz. Zegt het woord voort, het zaad kan wortel schieten, denk ik dan, terwijl Hij dit straks niet meer zal doen. Ze moeten het immers zometeen zonder hem doen. De menigte die op het land staat kan wortel schieten, en Hij daarentegen op het water (zometeen) niet meer. Zo zie ik het tenminste. Het is net alsof hij wil zeggen dat ze nu ieder een eigen weg moeten gaan en het woord door moeten vertellen, want hij is er zometeen niet meer, dus hij kan dit niet meer.

 

Dan begint Hij in een gelijkenis te praten. Hij vertelt over de zaaier die gaat zaaien en noemt vier verschillende mogelijkheden waar het zaad terecht kan komen en wat er dan met het zaad gebeurt. De laatste, vierde keer valt het in goede aarde, groeit het uit en levert het vrucht op. Overigens zou hier het spreekwoord ‘in goede aarde vallen’ vandaan komen?

In de reader wordt gesproken over vier hoekpunten die een chiasme vormen. Vier maal klinkt het woord aarde in de betekenis van akkergrond. In vs 5 tweemaal geen goede aarde, in vs 1 de menigte op de aarde en in vs 8 valt het zaad in de goede aarde. Maar waarom zo geschreven ? In vs 5 is dan wel twee keer geen goede diepe aarde genoemd, maar het gaat over één voorbeeld van zaad dat als het ware in verkeerde aarde valt. Ik zou het liever zo bekijken dat het begint met de menigte die zich op de aarde begeeft, dit kan als positief gezien worden, iets vruchtbaars. Vervolgens komen er drie voorbeelden van zaad dat geen goede aarde treft en als laatste wordt er weer geëindigd met de goede aarde. Het niet goede wordt als het ware omsloten door het goede.

Bovendien is Hij op dat moment de zaaier en is hij aan het zaaien.

 

Vervolgens ben ik ontzettend lange bezig mij af te vragen waarom er in gelijkenissen wordt verteld. Als zelfs zijn metgezellen en de Twaalf de gelijkenissen nog niet snappen en hij deze aan hen moet uitleggen, wat zal die menigte dan van die gelijkenissen begrijpen ? Of is dat misschien niet de bedoeling ? Ze horen ze aan maar ze verstaan ze niet staat er in Markus, tenzij ze zich zullen bekeren en vergeving vinden.

 

Ik denk dat het de bedoeling is dat zijn leerlingen uiteindelijk het woord voort zullen zeggen en dat het voor hen dus heel belangrijk is dat zij de gelijkenissen begrijpen. Zij vragen zelf om uitleg en weten, denk ik, dat er wel een boodschap achter zal zit. Zij kennen Hem en hebben waarschijnlijk ook een bepaald verwachtingspatroon van Hem. Maar wat is dan het nut dat deze verhalen aan de menigte worden verteld. Of is het misschien juist wel als boodschap voor ons bedoeld. Wanneer wij dit nu lezen wordt ons het één en ander duidelijk gemaakt. Aan de andere kant denk ik even heel simpel. Wanneer ik aan kinderen een sprookje ga vertellen over het goed en kwaad  kunnen kinderen vaak feilloos aanvoelen waar het verhaal over gaat. Zou dit bij de menigte ook niet een bepaald gevoel teweeg brengen ? Als ik het goed begrijp alleen de mensen die zich kunnen bekeren en vergeving zullen vinden.

 

Ik neem aan dat zijn leerlingen meer verstand hebben van de Tora dan de menigte. Bovendien denk ik dat het zo is dat wanneer je ze zich kunnen bekeren en vergeving kunnen vinden dat ze dan zien wat er ook te zien valt. Ze verstaan wat er te horen valt. Daar scheppen ze als het ware zelf ruimte voor. Ze hebben het vermogen om te zien. En misschien moet je wanneer Hij aan het vertellen is in gelijkenissen juist wel afwachten waar het zaadje valt en dat degene die ook verstaat wat hij hoort en dus bekeert is en vergeving kan vinden, kan ontkiemen en wortelen.

 

Tot slot volgt dan nog een gelijkenis met betrekking tot het koninkrijk van God en een mosterdzaadje. Ook hier zit ik lang over na te denken. Het mosterdzaadje is volgens mij helemaal niet het kleinste zaadje van alle zaden op aarde. Maar als het gezaaid is wordt het groter dan alle andere struiken en krijgt het grote takken zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen nestelen. Dat kleinste zaadje biedt als reuzenboom plek aan de vogels van de hemel, verbindt de aarde van dit verhaal met de hemel.

 

Eerste conclusie

Kortom er zijn diverse thema’s die je op de basisschool kunt behandelen met betrekking tot bovengenoemd verhaal. Op de volgende pagina’s probeer ik een en ander uit te werken. Het moeilijkste is het, alles op een rijtje te zetten. Ik heb wel diverse ideeën in mijn hoofd, maar hoe breng ik daar ordening in?

 

Het wordt wel een echt werk. Ik ben er al met al zeker zo’n 35 uur mee bezig. Het uitzoeken van een onderwerp, het laten bezinken van diverse verhalen en dan met name het verhaal over het zaaien en het mosterdzaadje, het lezen over dit onderwerp, en het verwerken van dit alles.

 

 

 

Kern 1: Zaaien

 

Het gaat met het Rijk Gods als met iemand die zaad op zijn land heeft gestrooid. Hij slaapt en hij waakt, dag na dag en nacht na nacht en het zaad ontkiemt. Vervolgens schiet het op zonder dat hij weet hoe. Er klinkt iets in van dat de mens niet voor alles verantwoordelijk kan zijn. Zoals de boer het zaad uitstrooit, maar het ontkiemen van het zaad en de groei van het gewas heeft hij niet in de hand. Zon en regen zijn nodig, maar hij heeft dat niet in de hand.

Geloofsopvoeding kun je eigenlijk ook zien als het zaaien van de boer. Je kunt het zaaien, zo vaak als je wilt, maar het zaad moet je zijn eigen werk laten doen. Vertrouw erop dat het zaad zal ontkiemen, wanneer de tijd er rijp voor is.

En eigenlijk geldt dit bij al onze inspanningen voor mens en wereld. Je probeert je kinderen een veilige omgeving te bieden, en biedt ze een goede opvoeding aan. Je zet je ook in voor het geluk van anderen. We proberen naar het ideaal van recht en vrede te streven. Soms zie je de vruchten van de inspanning ten dele, soms helemaal niet. Maar laat je vooral niet uit het veld slaan.

 

Mensen hebben dromen en visioenen nodig om naar uit te kijken, of om het leven vol te houden. Het Rijk van God zou zo’n visioen kunnen zijn. Een ideaal waar mensen die geloven hun leven op baseren. In je eentje houd je dat niet vol. Daar heb je anderen bij nodig die je kunnen helpen. Kinderen hebben ook dromen. Ze dromen ‘s nachts, maar kunnen ook dromen over wat ze later willen worden, hoe ze eruit zullen zien en wat ze allemaal zouden willen hebben.

 

 

Lessuggesties bij zaaien: Dromen en toekomst.

 

Met kinderen uit de onderbouw zou je het tijdens een kringgesprek kunnen hebben over dromen. Dromen ze wel eens, waarover, was het een leuke droom of een enge droom ? Misschien kunnen ze ook wel een tekening maken over hun droom. Je kunt verhalen voorlezen uit het boek de Droomtweeling, Jan-Simon Minkema en Philip Hopman. Het boek gaat over Joep en Joris die op elkaar lijken als twee druppels water. Ze hebben allebei blond haar en blauwe ogen. Dat ze op elkaar lijken is eigenlijk niet zo bijzonder, want dat heb je nou eenmaal als je een tweeling bent. Maar er is wel iets anders dat heel bijzonder is aan deze twee broers. Joep en Joris kunnen namelijk heel goed dromen. Ze zijn de kampioendromers van Nederland, maar niemand weet dat. Joep en Joris hebben samen een heel slim spelletje bedacht. Voordat ze in bed stappen, verzinnen ze al waar ze van willen dromen. En dat leidt tot heel spannende avonturen.

Met kinderen uit de middenbouw kun je ook over dromen praten. Maar dit wordt dan een gesprek op een ander niveau. En je kunt een beginnetje maken of ze wel eens over hun toekomst dromen, hoe die eruit zou kunnen zien. Een droom kun je ook tekenen. Laat ze hun eigen droom eens tekenen in stripvorm. Vervolgens kun je ze nog een liedje aanleren over de droomboom (zie bijlage) en hun eigen droomboom laten tekenen.

In de bovenbouw kun je verder ingaan op die toekomst. Wat wil je later worden, wat wil je bereiken. Wat zou je daarvoor moeten doen, heb je dat zelf in de hand ? Van welke wereld droom jij, hoe zou de wereld eruit moeten zien, vrede voor iedereen bijvoorbeeld ? Je kunt hier ook een groepsopdracht van maken door ze bijvoorbeeld per groep een stripverhaal te laten maken over hun droom van de wereld of van de toekomst.

 

De wereld van vandaag is eigenlijk wel heel groot voor kinderen. Je hebt de wat oudere kinderen laten nadenken over hoe ze die wereld zouden willen zien. Misschien hebben ze wel nagedacht over vrede voor de hele wereld, iedereen voldoende te eten en te drinken, geen ongeneeslijke ziektes meer zoals aids en kanker, een gezond milieu, veiligheid, geen criminaliteit. Dit zijn natuurlijk vrij zware onderwerpen, die je kunt terugbrengen naar iets kleins. Vrede in de wereld begint eigenlijk al een stukje bij jezelf. Je begint bij vrede in de klas. Geen pesten, heb iets over voor je medeklasgenoot, maar ook het respect naar oudere mensen zoals ouders, leerkrachten etc. Veiligheid, dat kun je ook al dicht in de buurt vinden. Veilig naar school lopen, veilig in het verkeer. Hoe doe je dat, wat heb je daarvoor nodig.

Ik zou me voor kunnen stellen dat je hier in de middenbouw en in de bovenbouw goed mee kunt werken. In de middenbouw kun je de klas in groepjes verdelen en ieder groepje een toneelstukje laten maken over die kleine droombeelden . De bovenbouw zou ook kunnen werken aan de droombeelden dicht bij huis, maar die zouden dit kunnen doen door droombeelden uit te beelden, bijvoorbeeld per groepje van twee, terwijl de rest van de klas raadt wat er wordt uitgebeeld.

 

 

Kern 2: Groeien.

 

Eigenlijk is alles wat groot is in het klein begonnen. Kijk maar eens naar een simpele ruzie. Je kunt een hele vervelende ruzie met iemand hebben en als je dan uiteindelijk na gaat waar het eigenlijk allemaal om draaide, blijkt het dat het vaak om iets heel kleins begonnen is. Maar als je dat ‘kleins’ maar aan laat sudderen en er nooit over praat, wordt het steeds groter en soms weet je niet eens meer waar het allemaal om draait.

Eigenlijk gaat het nu over iets wat als klein begonnen is, dat is gaan groeien en uiteindelijk groot geworden. Als eenmaal iets gaat groeien, kan die groei onvoorstelbaar zijn. Langzaam werken we hier naar het thema groeien toe. Iets kan uitgroeien tot iets moois, maar het kan ook uitgroeien tot iets lelijks. En wat heb je allemaal nodig voor die groei, heb je die groei in de hand ?

 

Jezus maakt gebruik van de beelden uit de wereld om hem heen. Zoals het beeld van het werken van een boer op de akker. ‘Met het koninkrijk van God gaat het als met iemand die zaad op zijn land heeft gestrooid. Hij slaapt en waakt nacht na nacht en dag na dag, en het zaad ontkiemt en schiet op, zonder dat hij weet hoe.’ Je moet het dus kunnen loslaten en in vertrouwen de ontwikkeling kunnen afwachten.

De boer heeft geploegd, hij heeft het zaad zo goed mogelijk verdeeld over zijn land. Hij heeft het geëgd zodat het zaad in de grond terecht kwam en er niet bovenop bleef liggen. Hij heeft alles gedaan wat nodig was. Dan gaat de boer naar huis en moet hij afwachten wat er opgroeit, hij moet het overlaten en kijken wat er gebeurt. Hij moet vertrouwen hebben. Net als bij het Rijk van God. Daar kun je een deel zelf doen en de rest moet je loslaten. Dat geheim van de groei zonder dat je weet wat of hoe, is het geheim van het Koninkrijk van God. Een mens die Jezus volgt is niet iemand, die wordt iemand. Elke keer groeit hij of zij en is hij of zij meer. Het is dus geen toestand maar een proces en dan nog een proces met perspectief.  Eigenlijk komt dit alles ook tot uitdrukking in de opvoeding: je best doen en tegelijkertijd ok durven loslaten en vertrouwen, ook dit is een proces.

 

 

Lessuggesties bij groeien.

 

Over het thema groeien kun je het in alle bouwen uitgebreid hebben. Vooral het werken met concreet materiaal zal de kinderen aanspreken.

 

In de onderbouw kun je bijvoorbeeld goed in de lente beginnen met de bolletjes en de kinderen laten zien dat alles groeit en bloeit. De kinderen kunnen kijken hoe de narcissen, blauwe druifjes, tulpen, hyacinthen groeien en bloeien. Ze kunnen door middel van het aangeven van streepjes op een strook, bekijken hoeveel de bloembollen bijvoorbeeld per week gegroeid zijn. Je kunt ook een aardappel pakken, daar het kapje vanaf snijden, watten erop leggen met water en daarop weer tuinkerszaadjes. Dit groeit vrij snel, bovendien kunnen ze daarna van de aardappel een gezicht maken en de tuinkers stelt dan het haar voor.

Je kunt de kinderen het liedje aanleren ‘de bolletjes’ (zie bijlage) Dit in combinatie met drama. De kinderen zitten verspreid in het lokaal als bolletjes in elkaar gedoken op de grond. De leerkracht zingt het lied en loopt als ‘lentefee’ tussen de kinderen door. Op de tekst ‘wakker worden’ tikt hij of zij twee kinderen aan die langzaam uitgroeien tot een bloem. De gewekte kinderen zingen het liedje mee. Later kan een kind ook voor ‘lentefee’spelen.

In de middenbouw kunnen de kinderen ook bezig zijn met groeien en zaaien. Ze kunnen bijvoorbeeld een boon planten en goed bijhouden hoe deze groeit. Zowel in bewoordering als in tekening. De kinderen kunnen in het begin van het schooljaar op een lange strook, bijvoorbeeld op de deur van het klaslokaal,  aftekenen hoe lang ze zijn. Eén maal per maand kunnen ze bijhouden of en hoeveel ze gegroeid zijn. Ook kunnen ze bezig zijn met het verschil tussen elkaar.

Vooral de lente is bij uitstek een goed moment om te kijken wat er allemaal gaat groeien en bloeien. Niet alleen de bloembollen, maar ook de bomen krijgen weer knoppen en blaadjes, de vogels leggen eieren, er worden veel jonkies geboren en alles gaat groeien. Allemaal weer nieuw leven. Rond de school kun je een speurtocht opzetten naar alles wat groeit en bloeit. Welke groeistadia zijn er te ontdekken. Eigenlijk is er zelfs een cyclus in te ontdekken. Je kunt een werkblad maken te verdelen in vieren, voor elk seizoen 1 vak. In elk vak kun je een boom tekenen die bij het juiste seizoen hoort. En zo ontdekken dat er steeds weer nieuw leven komt, afscheid en nieuw begin in de natuur.

 

In de bovenbouw kun je de kinderen ook laten zaaien. Je kunt ze verschillende situaties laten creeëren, door bijvoorbeeld in de ene zaaibak de zaadjes elke dag veel water te geven, in de andere zaaibak de zaadjes helemaal geen water te geven en in een derde bak elke dag een beetje water. Dit kun je ook doen met de hoeveelheid licht. Een bak volledig afgesloten van het licht, eentje in de felle zon en eentje met voldoende licht. Laat de kinderen ontdekken wat het verschil is en in hoeverre ze hierop invloed kunnen uitoefenen. En ook in hoeverre een boer hierop invloed zou kunnen uitoefenen. Mislukken er wel eens oogsten en wat is het gevolg hiervan ?

Bovendien kun je het met deze kinderen hebben over de groei van hunzelf maar dan meer met betrekking tot hun kennis, het steeds wijzer worden.

Verder kom je de woorden zaaien, zaad en eventueel mosterd tegen. Welke uitdrukkingen en gezegdes kennen ze en wat betekent het (zie bijlage).

 

 

Kern 3: Mosterdzaadje

 

Waarmee zullen we het koninkrijk van God vergelijken, of met welke gelijkenis geven we het weer ? Het is als een mosterdzaadje dat in de aarde gezaaid wordt. Het is het kleinste van alle zaden op aarde, maar als het gezaaid is, komt het op en wordt het groter dan alle andere struiken en het krijgt grote takken, zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen nestelen.

Nu was het mij al opgevallen dat een mosterdzaadje echt niet het kleinste zaad der zaden is. En ik vroeg mij toen af waarom dan toch het voorbeeld van het mosterdzaadje. Leuk vond ik het dat ik een stukje tegenkwam over de struik van de zwarte mosterd. Deze zijn wel drie tot vier meter hoog en het kleine, zwarte zaad is inderdaad heel klein als je dit vergelijkt met bijvoorbeeld een veel grotere tarwekorrel, waaruit slechts een aar van een meter hoog komt. Bij het mosterdzaad draait het echter niet alleen om het proces, maar ook om het resultaat, namelijk dat de struik schaduw biedt aan de …..vogeltjes, terwijl je misschien wel zou verwachten dat de struik een grote hoeveelheid zwarte mosterd zou opbrengen. Dus dit is nogal verrassend, vind ik.

In een klein zaadje zit alles al. Het is in de kiem, in de kern al aanwezig. Zo is het ook met de wording van het Rijk van God. Ik denk dat Jezus het ons ook duidelijk wil maken hoe het met de mens en de wereld kan gaan. Uit zo’n heel klein zaadje kan iets moois en prachtigs groeien, terwijl al die eigenschappen al in dat kleine zaadje zijn opgeslagen. Alle mogelijkheden zijn dus al aanwezig. Zo ook bij ieder mens. Kwaliteiten die straks misschien wel bijdragen tot een betere wereld.

 

 

Lessuggesties bij het mosterdzaadje:

 

Ik las ergens een mooie uitdrukking: “Een kind met pit.” Wat zit er in je, welke kwaliteiten bezit je? Kinderen hebben ook kwaliteiten in zich. Kennen ze die van zichzelf. Kunnen zij straks bescherming bieden aan anderen ? Kunnen zij zorgen voor de dieren en de planten ? Of kunnen zij open staan voor het verdriet van een ander. Elkaar helpen om door een moeilijke periode te komen ? In alle bouwen kun je hierover praten.

 

In de onderbouw begint het heel simpel, met wie kan zichzelf al aankleden of zijn schoen veteren. Terwijl je in de midden- en de bovenbouw  erbij kunt betrekken dat je lang niet alles in je eentje op kunt lossen. Maar misschien zijn er wel dingen mogelijk met anderen. En sommige dingen zullen ook best heel veel tijd vergen, maar heb vertrouwen dat het weer goed komt.

 

In de bovenbouw kun je ook nog verder praten over het zaad en de groei tot de vrucht, waar uiteindelijk dan weer zaad in zit. Dat zaad kan vervolgens weer opnieuw gebruikt worden. Neem als voorbeeld een appel. Dat spreekt hen aan.

 

Tot slot misschien is het zelfs wel leuk om een excursie te organiseren naar een mosterdfabriek. Op internet kun je dit terugvinden.

Hoe gaat dat hele proces nou precies in zijn werk.

 

Kortom er zijn legio mogelijkheden.

 

 

 

Bijlage 1

 

De droomboom

 

In onze achtertuin daar staat een hele hoge boom.

Die is niet als de andere zo heel gewoon.

Want aan het hoogste takje,

daar groeit een klein gebakje.

Als ik dat zie dan denk ik dat ik droom.

 

Refrein:

Heel voorzichtig in mijn droom

klim ik langzaam in die boom.

Ben ik boven wat een pret

krak boem, naast mijn bed.

 

In onze achtertuin daar staat een hele hoge boom.

Die is niet als de andere zo heel gewoon.

Want in het hoogste topje

Daar groeit wel eens een dropje.

Als ik dat zie dan denk ik dat ik droom.

 

Refrein

 

In onze achtertuin daar staat een hele hoge boom

Die is niet als de andere zo heel gewoon

Want naast het hoogste blaadje

Groeit een chocolaatje

Als ik dat zie dan denk ik dat ik droom

 

Refrein

 

 

De bolletjes

 

Er liggen bolletjes in de grond te slapen, te slapen.

Er liggen bolletjes in de grond, overal in ‘t rond.

Wakker worden, wakker worden, alle vogeltjes zingen.

Alle vogeltjes fluiten, zet de bloemetjes buiten.

 

Spreekwoorden en gezegdes

 

Het heeft veel voeten in de aarde

Het kost veel moeite

 

Dat valt in goede aarde

Dat valt in de smaak

 

Op zwart zaad zitten

Zonder geld zitten

 

Eens zien of er nog zaad in ‘t bakje is

Kijken of er geld in kas is

 

Als er zaad in ‘t bakje zit kan het vogeltje pikken

Als men geld heeft kan men wat kopen

 

Iemand op zwart zaad zetten

Iemand uit zijn betrekking ontslaan

 

Iemand zijn zaad geven

Iemand een pak slaag of een uitbrander geven

 

Iemand door de mosterd halen

Iemand over de hekel halen

 

Dat ruikt naar mosterd

Dat is dure waar

 

Dan zou je ook van de mosterd eten

Dat zou je geld kosten

 

Hij heeft er mosterd aan gegeten

Hij heeft het te duur gekocht

 

Dat is mosterd na de maaltijd

Gezegd van iets dat te laat komt om nog dienst te doen

 

Zo fijn als gemalen mosterd

Zeer fijn

 

Zo sterk als mosterd

Erg sterk

 

Hij weet waar Abraham de mosterd haalt

Hij weet er alles van

 

Het is beter hesp (ham) zonder mosterd dan mosterd zonder hesp

Van twee kwaden moet men het kleinste kiezen

 

 

Nog eens:

Jonge kinderen

 

Allereerst zou ik het verhaal van het zaaien en het mosterdzaadje in verschillende kinderbijbels lezen en voor mijzelf een verhaal samenstellen dat ik dan aan de kinderen ga vertellen. Waarom vertellen? Je hebt beter contact met de kinderen, kunt meer op eigen intonatie en uitbeelden letten (je hebt immers je handen vrij) en je kunt de kinderen veel meer zien. Hun gezichten, reacties en misschien is het soms wel mogelijk, afhankelijk van de groep, om tussendoor op reacties te reageren. Bovendien zou ik het verhaal in de Lente vertellen.

 

Daarna een kringgesprek met vragen als: vonden jullie dit een mooi verhaal, hebben jullie zelf ook wel eens iets gezaaid of papa of mama, heb je wel eens gekeken wat er uit dat zaadje kwam, ging dat vanzelf of moest je er iets voor doen, heb je gekeken wat er ook uitgroeide, of heb je wel eens gezien dat dingen groeien, welke dingen kun je opnoemen die allemaal groeien als je om je heen kijkt, wat heb je daar voor nodig. Dit zijn zo een reeks vragen, maar ik wil benadrukken dat ik het voornamelijk vanuit de kinderen wil laten komen. Het liefst heb ik dat ze zelf met dingen komen zoals zelf zaaien en groeien. De interactie is heel belangrijk. Ik ben er om het gesprek te leiden en uiteindelijk wil ik naar het feit toe dat ze allemaal zelf ook eens gaan zaaien en mogen kijken wat er gebeurt.

 

Zelf tuinkers zaaien op een aardappel. Snijd het onderste kapje eraf, zet hem in een al. bakje, snijd het bovenste kapje eraf, hol iets uit en doe er vochtige watten in of een stukje schuurspons. Zaadjes erin en van de aardappel verder een gezichtje maken met knopen en kruidnagels. Naam op het bakje, in de vensterbank en kijk elke dag maar wat er met de zaadjes gebeurt.

 

Met de kinderen bollentafel maken met hyacinth, blauw druifje, narcissen, tulpen, crocussen. In enkele bakken stoppen we een kartonnen strook, waarop elke dag een streepje gezet kan worden, hoeveel de plant gegroeid is. Narcissen en tulpen lenen zich hier goed voor. We meten niet alleen elke dag, maar daarnaast maken we een tekening die ook elke dag een stukje groeit. Grote betrokkenheid moet er zijn. Desnoods een schema opstellen wie wat mag meten en tekenen. De hele klas moet erbij betrokken zijn. Kinderen kunnen zelf ook bollen van huis meenemen.

 

Liedje aanleren de bolletjes, inclusief de bewegingen. Ze voelen wat het is om te groeien.

 

Naar buiten, de omgeving van school. Kijk eens om je heen. Wat groeit er allemaal, planten, struiken, gras, kijk eens naar de bomen die waarschijnlijk in de knop staan, wat groeit daaruit, en hoe hoog is die boom eigenlijk, wat is de hoogste boom die je kunt zien, zou die boom ook als een zaadje begonnen zijn. Wie leven er in zo’n boom (vogeltjes die hun nest bouwen), hebben wij ook wat aan die boom (schaduw, klimmen, zuurstof). Misschien kom je nog een vijver tegen met jonge eendjes, kikkerdril. Kikkerdril zou je ook in de klas in een bak kunnen houden met een zuurstofpompje. Kinderen vinden het heel fascinerend om naar die groei te kijken. Na afloop tekenen de kinderen iets wat ze buiten zijn tegengekomen. De juf maakt met een aantal kinderen op de wand van het lokaal een levensgrote boom met stukken groen en bruin papier. Van te voren heb ik kleurplaten van vogeltjes, ieder kind kleurt een vogeltje en zoekt voor zijn vogeltje in de boom een plekje.

 

Kringgesprek over groeien. Wat hebben we in de klas bekeken en wat hebben we buiten bekeken. Misschien is het al ter sprake gebracht, maar zelf groei je natuurlijk ook. Hoe groei je, je komt bij mama uit de buik, wat kan je dan of nog niet, wie zorgt er voor je, wat heb je nodig, en zo verder pratend tot de leeftijd van nu. Eventueel praten over groeien van het haar, de kapper.Wat kun je nu allemaal, daar groei je ook in. Je leert van iedereen en zo groei je steeds meer.

 

In de klas zelf moet het onderwerp ondertussen ook gegroeid zijn. In de leeshoeken boeken over groeien en de lente, in de zandtafel aarde zodat ze tuintjes met plastic bloemen aan kunnen leggen, ingesproken bandjes met verhaaltjes over groeien, zaadjes, stempelhoek, de huishoek extra veel aandacht voor poppenverzorging etc., bouwhoek met voorbeeldtekeningen van torens die je steeds hoger kunt maken (stevige basis). En elke dag een verhaaltje voorlezen over groeien, de lente etc.

 

Eigen groeiboekje maken getekend of m.b.v. foto’s van thuis. Juf maakt in ieder geval foto van kinderen nu, zodat in ieder geval iedereen een foto van zichzelf heeft.

 

Kringgesprek over verder groeien in kleine groepen. Wat zou je later willen worden, hoe zou je er later uitzien of zijn. Wat vind je heel belangrijk. Moet je daar iets voor doen. Dit gesprek kan uitlopen tot wat kinderen later willen worden of hoe of wat ze later zullen zijn. Ik denk eerder het eerste, maar ik hoop het tweede. De interactie vind ik het belangrijkst en wat van de kinderen uitkomt. Ik werk naar de kinderen toe. Het maakt niet uit wat eruit komt, maar we proberen rondom de gesproken woorden een heel klein poppenkastspel op te zetten wat de kinderen voor de rest van de klas mogen uitvoeren. Per keer 4 kinderen. Ze mogen ook een tekening maken van wat ze later willen worden.

 

Ter afsluiting zou ik het verhaal van Jezus weer oppakken en nog een keer vertellen in een ietwat andere bewoording.  Wat zei Jezus nu precies, je kan steeds meer zonder hulp, kunnen wij nu ook al mensen helpen, je wordt steeds groter, je kunt steeds meer. Wat kunnen wij nu al voor elkaar doen. Kunnen wij elkaar nu al helpen, waarmee dan, zullen we dat eens proberen ?

 

 

Oudere kinderen

 

Ook hier zou ik weer beginnen met het vertellen van het verhaal om dazelfde reden als bij de jongere kinderen. En in de Lente.

 

Eerst de kinderen in groepjes met elkaar over het verhaal laten discussieren. Ik loop langs de groepjes om hier en daar iets op te werpen.

Dan een kringgesprek over wat er in de groepjes is besproken. Ik zou willen weten in hoeverre kinderen dit verhaal kennen of dat het totaal nieuw voor ze is. Zo ja, weten ze er iets meer over. Zo nee, wat zou dit verhaal kunnen betekenen. Wat voor een gevoel of idee hebben ze erbij. Indien er niets uitkomt verder blijven vragen over groeien, wat groeit er, hoe groeit het, wat heb je ervoor nodig en heb je het in de hand.

 

Klas in groepen van ongeveer 4 kinderen per groep verdelen. Bonen poten in verschillende situaties: in het licht, in het donker, op droge watten, op vochtige watten, in de aarde. Welke groeien, hoe komt dat, groei bijhouden in schrift met woorden en tekeningen.

 

Als ze met de schooltuinen bezig zijn extra aandacht besteden aan de zaden en de groei. Je kunt ze ook zonnebloempitten in de tuinen laten zaaien. Thuis zou ik van tevoren uitproberen in hoeverre het mogelijk is om zelf mosterdzaad te planten. Ik wil het zowieso aan ze laten zien.

 

Frits de tuinman in Amsterdam Noord zou ik een les over zaden laten geven of ik zou hem zelf geven, nadat hij mij goed geinformeerd had. Door middel van loepen zou ik ze zaden laten bekijken en analyseren. Wat zit erin, maar doe dat ook eens bij een pinda en snijd nu ook eens een appel open.

 

Vervolgens maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het voortplantingsverhaal te vertellen van bijvoorbeeld de appel. Waarom planten ze zich voort(voorkoming uitsterving ras) De bevruchting, het uitgroeien tot de vrucht, met daarin weer de zaden en opnieuw de zaadverspreiding.

 

Kringgesprek over de groei van niet alleen de natuur maar ook de mens. Ook wij groeien. Hoe zijn we zo grgroeid, heb je dat in de hand, wie heb je er wel of niet bij nodig. Groei je alleen lichamelijk, of groeien in kunnen of innerlijk groeien.

 

Kinderen eigen groeiboekje laten maken m.b.v. foto’s van thuis. Bij elke foto schrijven ze een stukje over het uiterlijk, (bijvoorbeeld tanden wisselen) en over hun kunnen op dat moment, voor zover ze dit nog weten.

 

Dan gaan we het hebben over het innerlijke groeien en de groei van de wereld. Daarmee bedoel ik te zeggen hou ziet de wereld er nu uit. Is er overal vrede. Hoe zou dat komen denk je. En wanneer je in je eigen kleine wereldje kijkt is daar dan overal vrede. Zo niet kun je daar iets aan veranderen.

 

Krantenknipsels mee laten nemen van conflicten en oorlogen in de wereld. Deze op de wereldkaart prikken (meteen een stukje topografie van de wereld).

 

Liedje aanleren: uit Eigenwijs pag. 314, Strangest dream. Een engels liedje over een droom van nergens meer oorlog in de wereld, geen geweren, zwaarden en uniformen meer.

 

Stelopdracht geven Ik en mijn toekomst. Hoe zien zij de toekomst van zichzelf eventueel in oog staand met de wereld. Enkele door de kinderen zelf voor laten lezen (niet dwingen)

 

In groepen van 5 tot 6 kinderen, het verhaal uit de kinderbijbel en een ‘gewone ‘bijbel eens laten bekijken. Zijn er verschillen en overeenkomsten. Staat er hetzelfde en hoe wordt dit anders gezegd. Zouden ze een beetje kunnen komen tot een moraal. Leren op twee manieren naar een tekst te kijken.

 

Ter afsluiting drama. Klas in groepen verdelen en elke groep maakt een toneelstukje naar aanleiding van een opdracht op een kaartje. (hoe ziet de wereld er nu uit in je nabije omgeving, hoe ziet de wereld er nu uit in een breder gezichtsveld, hoe zou je willen dat de wereld er over 30 jaar uit zou zien, hoe ziet de wereld er over 30 jaar uit denk je.

Diverse momenten worden er gegeven om toneelstuk voor te bereiden. Ook een les besteden aan rekwisieten. 

 

En misschien wel helemaal tot slot die excursie naar de mosterdfabriek !

 

 

Een suggestie

Misschien moet je de volgorde omdraaien. Eerst dat groeien en bloeien enz. Alles is dan "ingang" om dat vreemde, nuchtere & poetische verhaal op het spoor te komen.
Terug naar markus