Vanuit Markus: lessen voor de bovenbouw

door jmkvh v1, 2001

Opmerking: de aanpak is methodisch en helder.
Het is ook productief, efficiënt en mag exemplarisch genoemd worden.
Voor klassikaal en groepswerk! Proficiat, Jan Engelen 100901

Tekst: Markus 4, 3 – 20

 

Kern

Moet je horen. Jezus vertelt een verhaal over een zaaier. Deze zaaier zaait - maar het zaad valt op plekken waar het niet kan groeien. Het wordt opgegeten door vogels, het verdort, wordt verstikt. Maar als het zaad in goede aarde valt, ontwikkelt het zich en levert vrucht in overvloed, zelfs honderdvoudig.

Zijn leerlingen begrijpen achteraf het verhaal niet goed en Jezus legt het hen uit: het zaad is het woord. De aarde zijn de mensen bij wie het woord wel of geen gehoor vindt.

 

Wat reikt de tekst aan in enkele woorden?

Zaaien van het woord. In goede aarde vallen. Wie oren om te horen heeft, hoor.

 

Waar doet het mij aan denken, eventueel de kinderen?

Je moet open staan voor wat anderen te zeggen hebben. Niet alleen horen wat jij horen wilt.

 

Wij kiezen deze keer als kern:

Les 1: Horen en luisteren.

Les 2: Beeldend uitwerken van  de tekst

Les 3: Zaaien, voorspellen en ontdekken

Les 4: Het woord en de mensen, het verhaal ondergaan en ervaren.

Les 5: Nabeschouwing

 

De hoofdles:

Les 1: vanuit die les ontstaan de verschillende werkvormen.

 

Voorwaarden:

We starten het werken klassikaal. Van daar uit werken we soms in groepjes om te voorkomen dat iedereen hetzelfde idee krijgt. Het resultaat wordt altijd centraal besproken om de ideeën met zijn allen te bekijken en erover na te denken.

 

Afsluiting:

De laatste les is een korte nabeschouwing.

 

Les 1: Het verhaal.

De les begint in de kring: de klas komt bij elkaar om te luisteren naar een verhaal.

We vertellen het verhaal over de zaaier: maar eerst….. “Wie oren heeft om te horen, hij luistere….”

Een klein stukje van het  verhaal vertellen terwijl de kinderen hun handen over hun oren houden, oren afdekken. Daarna bespreken we het met de groep. Het gessprek gaat alleen over: Wat heb je gehoord, wat denk je dat er gezegd is?

Luister nu eens met je oren open:

En het verhaal wordt nog een keer verteld:

Eens, zo zei Jezus, ging een boer zaad zaaien. Bij het zaaien viel er wat zaad op de weg. Daar werd het vlug opgegeten door de vogels. Sommige zaadjes vielen op rotsachtige plekken waar niet veel aarde lag. Daar kwam het wel vlug op, maar zodra de zon er op scheen, verdorde het omdat het niet genoeg wortel had. Weer andere zaadjes vielen tussen het onkruid en daar verstikten ze. Maar het zaad dat in goede aarde viel, groeide goed en leverde een rijke oogst op.

Jezus vertelde zijn leerlingen uit wat dit verhaal betekent. Het zaad, zo zei hij, is het Woord van God. Die op de weg – waar het woord gezaaid wordt, dat zijn de mensen die het wel horen, maar voordat het hun hart bereikt heeft, komt de satan en neemt het weer weg. Zo gaat het ook bij hen die er eerst blij mee zijn, maar die blijdschap duurt niet zo lang. Zodra hun geloof op de proef wordt gesteld, bezwijkt het, omdat het geen diepe wortels heeft. Die tussen distels en onkruid gezaaid worden, hebben het woord wel gehoord, maar wanneer de zorgen van de wereld en het verlangen naar rijkdom bij hen binnendringen, wordt het woord verstikt. Die in goede aarde zijn gezaaid, ja dat zijn de mensen die het woord horen en ook vasthouden. Bij hen zal het vrucht dragen.

(De nieuwe Kinderbijbel)

Waar gaat het verhaal over, wat heb jij gehoord. Heb je dat ook wel eens dat je een alleen dat hoort wat jij horen wilt? Welke woorden zijn je opgevallen, welke zinnen vond jij belangrijk? Waarom zijn die zinnen of woorden voor jouw belangrijk?

De klas splitst zich in groepjes en deze maken een woordvel met daarop de woorden en zinnen die zij belangrijk vinden.

Deze woordvellen hangen we in de klas, om te bekijken en over na te denken.

Doel: laten zien/horen dat je goed moet luisteren en dat je dan kunt bepalen wat voor jou belangrijk is. Woordvel als associatie in de klas ophangen. Denkstof voor komende lessen.

Les 2: Beeldend aan het werk.

Deze les begint weer in de kring. De klas bespreekt de uitkomsten op de woordvellen: wat vind jij goed, wat spreekt jou aan?

Daarna splitst de klas zich weer op in groepjes om de woordvellen uit te werken.

Op een beeldende werkwijze worden de woorden in beeld gebracht. Dat kan met verf, potlood, stiften e.d. Het moeten sprekende collages worden die ook weer in de klas opgehangen worden.

Doel: de woorden uitbeelden betekent ook erover nadenken. Zo krijgen de woorden bij de kinderen echt betekenis en worden ze deel van henzelf.

Les 3: Zaaien.

We gaan het verhaal uitvoeren: de leerlingen worden de zaaier zelf.

De klas splitst zich in groepjes en gaat zaadjes van tuinkers zaaien (dat heeft snel resultaat). Er zijn voor iedere groep bakjes met zand, grind, grond met onkruid, potgrond.

De kinderen doen ook een voorspelling: waar komt het zaad op, en waar niet? Waarom niet? Wat is er nodig om zaad goed te laten groeien?

Deze voorspellingen schrijven ze op een werkblad en de resultaten van het groeien worden die week bijgehouden.

Na een periode dat het zaad de kans heeft gekregen om te groeien worden de voorspellingen en de resultaten besproken.

Doel: nadenken over de betekenis van het verhaal. Het levend maken van de woorden, ervaringen opdoen zodat de kinderen verbanden kunnen gaan leggen, vergelijkingen kunnen maken.

Les 4: Drama.

Dramaverwerking: iets valt in goede aarde.

De klas bedenkt in de kring manieren om het verhaal op een voor hen betekenisvolle wijze uit te beelden.

Een voorzet kan gegeven worden aan de hand van het volgende voorbeeld:

Iemand heeft een geschenkje (klein maar voor de persoon heel waardevol).

Gaat langs bij verschillende mensen om het te geven.

dieven pakken het weg

iemand ontvangt het maar vergeet het en laat het liggen

iemand met een kamer vol andere cadeautjes, zodat het verdwijnt in de berg

iemand die jarig is en helemaal blij is met een cadeautje speciaal voor hem. Het maakt zijn hele dag goed, feest.

Deze scène kan gespeeld worden, er kunnen ook eigen verhalen uitgewerkt en gespeeld worden. Elk groepje kan een eigen verhaal bedenken en spelen dat voor hen de essentie van de parabel van de zaaier weergeeft.

Doel: het verhaal naspelen, je invoelen in de situatie, het verhaal herkenbaar en hedendaags maken.

Les 5: Nabeschouwing.

Een korte nabeschouwing: de kinderen in de klas hebben nu het verhaal op een aantal manieren bekeken. Ze zijn er mee bezig geweest en hebben er over nagedacht.

In de kring worden de woordvellen van de eerste les nog eens bekeken: wat blijft nog steeds staan? Moet er iets anders? Wat zou je nu opschrijven?

Individuele verwerking: Kies het voor jouw meest belangrijke woord. Schrijf of teken het woord op een mooi vel papier en zorg voor een mooie omlijsting.

Doel: Reflectie en evaluatie van de lessen. Het verhaal, de woorden persoonlijk maken.