Een drieluik compleet

uit Johannes

door Yvette O.

Deze auteur heeft eerder over Mt en Mk geschreven. Dat geeft een gevoel van tevredenheid. Je hebt een hele klim gemaakt en ziet het uitzicht.

De suggesties voor lessen zijn uitermate sober en praktisch. Ze vragen wel de aanwezigheid van de onderwijsgevende bij het onderwijs dat je geeft, bij de kinderen, de woorden. Daar, in die kleine kring speelt zich af hoe mensen aan elkaar gebonden zijn, dat wil zeggen "zijn" in het verleden, "verbonden zijn geworden", maar ook ontdekken hoe je geboden bent en je binden aan elkaar, door de woorden die je zoekt, zegt, door ogen die je aanzien. De sociale relatie, hoe wij ons verplicht voelen aan elkaar, blijkt de plaats waar onze wereld meer is dan je ooit vermoedt hebt.

Wanneer je het gevoel voor onderwijs hebt dat hier verwoord wordt, dan weet je hoe uitzonderlijk dat is - ondanks al het gewone, banale, moeilijke vaak vertederend.
Het moge duidelijk zijn dat deze lessen mij aanspreken. Misschien heb ik ook gezegd waarom.
Jan Engelen, Amsterdam 11 februari 2007

 

Deze lessenserie voor 8 weken heb ik gemaakt voor de onderbouw. Zo is voor mij het drieluik op twee vlakken compleet; de drie evangelisten - en ik heb voor alle bouwen een lessenserie ontworpen zodat ik kan terug grijpen op één van de ontwerpen die ik gemaakt heb, voor welke bouw ik ook kom te staan.

 

Ik heb twee verhalen uitgekozen die mij meteen erg aanspraken toen ik ze las; de Samaritaanse vrouw en de Blindgeborene. Voor Thomas - de tijd dringt - heb ik me beperkt tot een aanzetje.

 

De Samaritaanse vrouw.

Joh. 4 Het gesprek met de Samaritaanse vrouw. Jezus reist door Samaria en rust uit bij de bron van Jakob. Met de bron bedoelt de schrijver (Johannes) het water dat je met velen deelt. Omdat men spreekt van het zesde uur, weten we dat er iets staat te gebeuren bij de bron (het getal zeven staat centraal in de bijbel; het staat voor voltooiing). Ieder mens dat van Judea naar Galilea reisde, moet door Samaria.

Terwijl Jezus uitrust, komt er een vrouw uit Samaria water halen. Jezus en de vrouw zijn alleen en Jezus vraagt haar om water. Hij heeft zelf geen emmer om water uit de put te halen. Joden en Samaritanen leven in gescheiden werelden (Joh. 4, 10) en de vrouw zegt daarom dat zij worden geacht niet met elkaar te praten. Jezus zegt haar dat Samaritanen niet weten wat ze geloven moeten, want ze zijn het geloof in de verhalen, de Tora kwijt. Maar vanaf nu zullen jullie weer kunnen geloven, de verhalen weer lezen en leven volgens de woorden van de Tora. De vrouw zegt dat ze merkt dat Jezus een leraar is, want hij legt haar de Tora uit.

 

Doordat Jezus sprak met alle mensen vonden deze mensen God (en het geloof in God). In ieder mens schuilt een beetje God, als je met mensen om je heen spreekt, zul je God vinden.

 

 

Week 1.

Vertelling:

Er loopt een vrouw op de weg. Op haar hoofd draagt ze een grote kruik. Waar gaat ze naartoe en waarom loopt ze daar midden op de dag als het warm is en alle mensen binnen zijn om te rusten? Ze loopt verder in de hete zon, ze is op weg naar de waterput om water te halen. Maar wat ziet ze nu? Er zit iemand tegen de put geleund. Het is een man, hij ziet er moe uit. Wat zou hij daar doen midden op de dag? De vrouw tuurt naar de waterput en de man met een hand boven haar ogen. Volgens mij is het een Joodse man, denkt ze hardop.

De vrouw komt dichtbij de put. Ze wil de kruik van haar hoofd nemen om water uit de waterput te halen, als de man begint te praten.

“Geef mij wat te drinken, want ik heb dorst”, zegt de man. De vrouw kijkt verbaasd naar de man. “Maar hoe kunt u dat nou vragen? U bent een Joodse man en ik ben een Samaritaanse vrouw. U hoort niet tegen mij te praten”, zegt de vrouw.

De man kijkt haar aan en zegt: “Als je wist wie ik was zou je mij om water hebben gevraagd en ik zou je levend water hebben gegeven”. De vrouw snapt er níets van. Wat is dit een rare man!

“Meneer, u heeft geen emmer of kruik, hoe kunt u mij dan water geven? De put is diep hoor, daar kun je niet zomaar water uit halen met je blote handen.”.

De man zegt: “Nou….als je van het water uit de put drinkt krijg je weer dorst. Maar als je van het water drinkt dat ik je geef, zul je nooit meer dorst hebben. En je hart zal een fontein zijn waarvan het water altijd blijft stromen”.

“Dan wil ik wel wat van dat water!”, zegt de vrouw.

De man vraagt of ze haar man wil gaan halen. Maar de vrouw heeft geen man. Eerlijk gezegd heeft ze ook geen vrienden. Daarom is ze bij de put om water te halen als er niemand is. Want als alle andere vrouwen water halen, kletsen ze met elkaar en wisselen nieuwtjes uit. De vrouw mag nooit meepraten want de andere vrouwen hebben allemaal een man en ze zijn bang dat deze vrouw hún man wil hebben. Ze is een beetje alleen en woont af en toe bij een man, maar steeds een andere.

De man zegt dat hij weet dat ze geen man heeft. Nu snapt de vrouw dat deze meneer een bijzondere meneer moet zijn. Want wat hij zegt is niet wat je hoort. Hij bedoelt iets anders dan hij zegt als hij praat.

De man vertelt dat hij een profeet is, de messias zelfs.

De leerlingen van Jezus komen weer terug. De vrouw staat snel op, ze wil graag vertellen in het dorp wat ze heeft beleefd. Zo gaat zo snel weg, dat ze helemaal haar kruik vergeet! Aan iedereen die het horen wil vertelt ze wat er gebeurd is. Mensen gaan met haar mee zodat ze kan laten zien welke man het was die zoveel over haar wist. De vrouw hoort er even helemaal bij voor de mensen. Ze brengt de mensen naar de messias, en hij vertelt over zijn reis. Hij vertelt over God en over wat hij allemaal al heeft beleefd. De mensen geloven hem. Niet meer om wat de vrouw heeft verteld, maar om wat Jezus hen heeft verteld.

 

Na het vertellen van het verhaal maken de kinderen een tekening of kleuren een kleurplaat in waarop een vrouw bij een waterput staat. Bij de waterput zit een man met een doek op zijn hoofd (zoals de Arabieren het nu nog dragen).

 

We bespreken het verhaal dat ik verteld heb. Wat wist Jezus veel over die vrouw, hè? Hoe zou dat nou komen? Weten de kinderen veel over alle klasgenootjes? Als je meer wilt weten over iemand, vraag je dat natuurlijk gewoon. Wat voor vragen zou je dan kunnen stellen?

De kinderen krijgen de opdracht voor een interview. Bedenk vragen die je aan een klasgenootje zou willen stellen. Wat wil je altijd al weten van deze persoon? Je weet vast wel iemand waar je minstens vijf vragen aan zou willen stellen. Het gaat niet om dat wat deze persoon het beste kan (zoals voetballen of zingen) maar wat je wilt weten van deze mens persoonlijk. Deze vragen schrijf je op. Alle namen van de kinderen in de klas gaan in een busje, ik trek er steeds twee uit. Deze twee kinderen gaan elkaar de vragen stellen die ze hebben bedacht. Zo leer je een klasgenoot op een heel andere manier kennen. De antwoorden schrijf ik op, net als de namen van de klasgenoten waarmee dit interview is gedaan. Wist je alles van je klasgenoot?

 

Week 1, Les 2.

Een vertelopdracht.

Gedeelde smart is halve smart. Als je iets hebt waar je heel erg mee zit, met wie deel je dit dan? Ik praat met de kinderen over vertrouwen hebben en geven in de kring.

Vertel eens aan wie je problemen kwijt kunt of met wie je alles kan bespreken. Is deze persoon te vertrouwen? Heeft hij of zij je vertrouwen wel eens beschaamd? Ben je zelf te vertrouwen? Dit gesprekje voer ik met ieder kind. Ik kies er bewust voor dit niet in de kring te doen, omdat het erg confronterend kan zijn je ziel open te leggen ten overstaan van alle kinderen.

 

Week 2, Les 3.

Ik vertel het verhaal nog eens kort.

De vrouw in het verhaal was helemaal alleen. Omdat ze steeds met een andere man woonde en trouwde, vonden de andere vrouwen haar niet aardig. De andere vrouwen waren een beetje bang voor haar, ze hoorde er niet bij. Ze was anders. Wie weet er iets dat hier op school anders is dan thuis? Hoe is jouw mamma anders dan andere moeders? Ken je ook mensen die anders zijn? Waarom zijn ze dan anders? Praat je wel eens met iemand die je anders vindt?

We houden een kringgesprek.

 

 

 

Week 3, les 4.

Wie van de kinderen mag zelf uitkiezen wat hij of zij graag aan wil? Van welk kindje kiest mamma of pappa welke kleding je vandaag draagt? Hoe vind je dat, als iemand anders bedenkt wat je aan mag trekken? En vind je altijd mooi wat mamma of pappa uitkiest?

Vandaag kiezen de kinderen plaatjes of stukjes van plaatjes uit tijdschriften. Ze kiezen kleuren en knippen dit uit. Op een stevig vel papier heb ik een paspop meisje of jongen (vorm) getekend. De kinderen plakken alle kleuren op de paspopjongen of –meisje.

 

Week 3, les 5.

Als de collages droog zijn, bespreken we er een paar. We praten in de kring over mooie en lelijke kleuren. De nadruk hierbij ligt op een eigen mening. Wat jíj mooi vindt, kan een ander lelijk vinden. We praten over mooie en lelijke kleren.

 

Reflectie bij de Samaritaanse vrouw

DE bron: een bron is de ontmoetingsplek voor mensen uit de buurt. Hier worden gesprekken gevoerd, nieuwtjes uitgewisseld; het sociale leven vindt plaats rondt de bron. Vreemd dat deze vrouw hier nu alleen is. Waarom gaat ze niet naar DE bron op een tijdstip dat anderen ook gaan? Ze spreken elkaar alléén; ze zijn sámen. Tijdens dit gesprek is er een verbond tussen twee mensen, twee werelden. De Samaritaanse en de Joodse wereld zijn korte tijd verbonden.

 

De blindgeborene.

Tijdens de reis van Jezus ontmoet hij een man die vanaf zijn geboorte blind is. Jezus helpt deze man, hij kan weer zien. De blinde wordt de ogen geopend. De leerlingen die Jezus heeft geloven dat de blinde man een zonde heeft begaan, Jezus gelooft dat de blinde man is gezonden om een boodschap uit te dragen.

De weer ziende man legt uit wat er gebeurd is aan zijn naasten, aan de Farizeeën (die niet in Jezus geloven) een verkorte versie. Hij probeert de mensen niet te overtuigen maar legt uit. De mensen denken echter wel dat hij probeert te overtuigen dat ze niet in Mozes maar in Jezus moeten geloven. Jezus heeft volgens de mensen iets onvergeeflijks gedaan; hij heeft gewerkt op de dag van de sabbat. Hij heeft niet gewerkt maar hij heeft een mens in nood geholpen. De (voorheen blinde) man wordt verstoten.

De ongelovigen (t.o.v. Jezus) vragen het nog na bij zijn ouders. Zijn ouders willen zich er niet mee bemoeien omdat ze niet verstoten willen worden. Maar ze willen ook hun zoon niet afvallen. Daarom zeggen ze dat hun zoon als blinde is geboren, maar nu weer kan zien. Om te weten hoe dat kan, leggen ze de verantwoording volledig bij hun zoon; hoe dat kan, moet je hem zelf maar vragen.

Jezus treft de man en vraagt hem of hij vertrouwen heeft in de zoon van de mensen? De zoon van Adam; Kaïn, de mensenzoon die stierf. De man herkent Jezus niet en vraagt hem wie hij is. Jezus antwoord dat ze elkaar al eerder gezien hebben. Soms zie je als blinde meer omdat je gezichtsveld niet afleidt (je gaat meer af op wat je hoort). De blinde is de ogen geopend omdat hij open stond voor een idee van een ander. De Farizeeën blijven blind omdat ze niet openstaan voor nieuwe dingen (zij blijven in zonde), ze denken dat je hen niets meer hoeft te vertellen.

 

Jezus en zijn leerlingen hebben een gesprek over wat zonde nou eigenlijk is. En wat zijn gevolgen van een zonde? Is een handicap een straf van God, of heeft de persoon met een handicap een boodschap meegekregen bij de geboorte en is het zijn/haar lot deze uit te dragen?

 

 

 

 

Vertelling:

Dylan is een leerling van Jezus. Hij reist met Jezus mee en onderweg leert hij van alles van Jezus. Op een dag lopen ze door een stadje. Daar ziet Dylan zijn oom langs de kant van de weg zitten. ‘Hoi, oom Henk!’, roept Dylan. Oom Henk kan niets zien, hij is blind en zo is hij geboren. Dylan vraagt aan Jezus of oom Henk misschien iets verkeerd heeft gedaan. Omdat hij nooit heeft mogen zien hoe mooi de wereld is. Oom Henk houdt zo van het geluid van vogels, het is jammer dat hij ze nooit zal kunnen zien… Of hebben zijn ouders iets verkeerd gedaan en zijn daarom gestraft door een blinde zoon te krijgen? Oom Henk vindt het maar niets, dat Dylan zoveel vraagt. Straks zegt die andere man bij wie Dylan in de leer is nog, dat hij écht iets verkeerds heeft gedaan. Maar de man die Dylan Jezus noemt, zegt: “Nee hoor, jouw oom heeft niets verkeerd gedaan. En zijn vader en moeder ook niet. Maar hij is blind geboren omdat hij een boodschap heeft, die hij veel mensen moet gaan vertellen. Opeens spuugt de leraar van Dylan op de grond, roert met een stokje de spuug en wat aarde door elkaar en smeert dit op de ogen van de oom van Dylan. “Oom Henk, je moet je nu gaan wassen in het meer hier vlak bij. De plek die ze Siloam noemen”, zegt de leraar van Dylan. Oom Henk vindt het allemaal wel erg vreemd. Wie is die rare man? Maar ach, denkt hij, ik heb niets beters te doen dus waarom zou ik het niet proberen?

Oom Henk loopt naar het water en wast zich eens uitgebreid. Als hij kopje onder gaat en een stukje onder water zwemt, komt hij weer boven en wat ziet hij? Hij ziet alles! Hij ziet vogels, prachtige bloemen in bloei, hij ziet groene bomen en blauw water! Wat een mooie kleuren heeft de wereld, zo mooi kon hij het niet verzinnen toen hij nog blind was! Oom Henk loopt gillend van blijdschap weer terug naar het stadje en vertelt meteen aan zijn ouders wat er is gebeurd. De buren van oom Henk komen op het lawaai af; wat is er gebeurd, Henk? Oom Henk vertelt wat er gebeurd is. De mensen vragen waar die man nu is, die een beetje blubber op de ogen van Henk heeft gesmeerd. “Ik weet het niet”, zegt oom Henk. De buren van oom Henk vinden het zo’n mooi verhaal. Ze vinden dat hij het moet gaan vertellen aan de mensen die heel veel weten. Dat doet oom Henk, zijn buren nemen hem mee. De weg duurt best lang, want oom Henk blijft overal staan. Hij vertelt wel tien keer wat hem gebeurd is, en hij vindt alles prachtig om te zien!

De wijze mannen horen het verhaal van oom Henk. Ze zijn niet allemaal even blij als oom Henk. Sommige zeggen; maar het is vandaag een rustdag, dan mag je helemaal niet werken! Nou, dat maakt oom Henk niets uit. Hij kan nu zien en daar is hij heel blij mee. Dan vraagt er opeens een man aan oom Henk of hij wel echt blind was. “Zit je niet te jokken, Henk?’, vraagt er één.

“Vraag maar aan mijn ouders, als je me niet gelooft”, zegt Henk. Dat doen ze. Maar de vader en moeder van oom Henk zijn een beetje bang voor die wijze mannen. Ze zeggen, dat hij wel altijd blind was, maar dat ze niet weten waarom hun zoon nu weer kan zien.

“Wat denk je zelf dat er is gebeurd?”, vragen ze aan oom Henk. “Ik denk dat hij een profeet is!’, zegt oom Henk. De wijze mannen krijgen ruzie met elkaar. Want welke profeet werkt er nu op een rustdag? Maar als hij écht een profeet is, moet hij toch mensen helpen waar hij maar kan? Ze komen er niet uit. En dan worden ze boos op oom Henk. “Jij, met je mooie verhaal! Je hebt ervoor gezorgd dat we ruzie krijgen. Je mag niet meer in de kerk komen”. Daar is oom Henk wel een beetje verdrietig om.

Jezus hoort wat er gebeurd is en zoekt oom Henk op. Hij vraagt of oom Henk zelf geloofde in het verhaal dat hij vertelt. “Natuurlijk. Het is alleen jammer dat ik de man niet kan bedanken”, zegt oom Henk. Hij heeft Jezus natuurlijk niet herkend, hij had hem nog nooit gezien. Dan vraagt Jezus of hij naar Siloam is geweest. En dan hoort oom Henk aan zijn stem dat het Jezus is, de man die ervoor gezorgd heeft dat hij weer kan zien. Hij is blij en vraagt of hij ook mag leren van de profeet Jezus, net als Dylan. Dat vindt Jezus goed.

 

Week 4, Les 6.

Kringgesprek. Wie heeft er wel eens iemand ontmoet die helemaal blind is? Wat betekent het als je blind bent? Hoe zie je dat iemand blind is? En wat is kleurenblind dan?

Hierna maken de kinderen twee tekeningen waar een blinde man op staat. Eén tekening waarbij alleen (donkergrijs) potlood gebruikt mag worden, en één tekening waarbij alleen kleurpotloden gebruikt mogen worden. Als ze klaar zijn bepreken we beide tekeningen kort. Welke verschillen zie je? Welke tekening vind je mooier? Waarom vind je dat?

 

Week 5, Les 7.

Ik heb een mal gemaakt van een masker waarop de ogen gesloten zijn. De kinderen maken hier haren op met watten, katoendraad of wol, kleuren de huid en versieren met oorbellen, ketting of piercings. Als het kind het masker voorheeft, stelt het een blinde voor. Dit masker gebruiken we in de volgende les.

 

Week 6, Les 8

We spelen blindemannetje met het masker dat we zelf hebben gemaakt. Kun je de ander vertrouwen? Wat vind je eng? Waarom vind je dat eng? Hoe is het om te zien wie jouw heeft rondgeleid?

Ieder kind dat het wil krijgt in het speellokaal een blinddoek om. Er liggen een paar matjes op de grond. Ik vertel de kinderen dat dit diepe gaten in de grond zijn. Als je iemand leidt, mag je die niet de afgrond in laten vallen! Je houdt je handen vlak terwijl je ze voor je uitsteekt. De blinde legt de handen bovenop die van jouw. Je mag elkaar handen niet vast houden, maar je moet zorgen dat de blinde jouw handen wél blijft voelen.

Eerst doet één tweetal het voor. Daarna mogen kinderen in tweetallen elkaar leiden en begeleid worden (afhankelijk van de ruimte die beschikbaar is kunnen alle kinderen dit tegelijk uitvoeren of stel ik een maximaal aantal tweetallen die dit tegelijk uitvoeren).

 

-De ongelovige Tomas: een speelles in het bewegingslokaal. Eén kind ontvangt een blinddoek. Een ander kind gaat voor hem/haar staan en de geblinddoekte voelt aan kleding en haren van de ander. Nu raden wie het is. Is de persoon dezelfde als die je dacht het is? Geloof je het als een ander (kind of leerkracht) een naam zegt of onderzoek je toch verder tot je dit zeker weet?

 

 

Reflectie bij de blindgeborene

Je hoeft God niet persoonlijk te ontmoeten; als je mensen spreekt en openstaat voor ideeën en opvattingen, ontmoet je God. God is mensen. De blinde man is een man in nood. Hij heeft geen strafblad, hij is niet zielig. Hij kan alleen niet zien. Jezus smeert een zalfje van modder en speeksel op de ogen en zegt de man naar Siloam te gaan en zich daar te wassen. De man staat open voor dit idee en probeert het. De ogen worden hem geopend (was hij spreekwoordelijk blind?

Wie is blind? Hij die niet een andere wereld ziet.

Wie is doof? Hij die de ander niet hoort.

Wie is stom? Hij die niet te zijner tijd iets liefs kan zeggen.

Misschien was hij blind voor anderen en werden hem de ogen geopend doordat iets dat gezegd werd hem raakte) en de man vertelt wat hem is overkomen aan zijn naasten. Zij vragen zich af of de man nu werkelijk het licht heeft gezien of dat hij zomaar wat roept. Ze geloven zijn verhaal niet omdat het onbekend is, en onbekend maakt onbemind.

 

Eindreflectie

Als je ieder kind (mens) bij de naam noemt geef je het een identiteit, een reden van bestaan. Je bevestigd dat dit kind (mens) er mag zijn. Als leerkracht leid ik de kinderen onder mijn hoede de schaapskooi binnen en er weer uit. Ik tel de kinderen (zijn we compleet?) en ik noem ze bij naam. Ze luisteren naar mijn stem en vertrouwen mij. Ze gaan blindelings op me af; wat juf zegt is waar. Als ik iets zeg geloven ze me, maar als ik net nieuw ben in de klas zeg ik iets waarbij ze zich afvragen of het wel klopt wat ik zeg. Ze zullen me eerst moeten leren vertrouwen. Een enkeling staat open voor mijn ideeën, daardoor word ik gehoord. De andere kinderen zullen moeten leren vertrouwen op mijn stem.