Ruth
zelfstudiemodule katechese verkorte deeltijd
deze pagina is nog in opbouw
door HvM V2_2002
Bij het selecteren van een bijbeltekst heb ik gezocht
naar een verhaal dat mij inhoudelijk aanspreekt, en dat ook voor kinderen
herkenbaar is. Mijn oog viel op Ruth: vriendschap, trouw en de omgang
met vreemdelingen staan in dit boek centraal.
Het
boek Ruth heeft 4 hoofdstukken; het verhaal speelt zich af rond 1100 voor
Christus (de tijd van de Rechters).
Het
volk Israël is in Kanaän (het Beloofde Land) komen wonen, maar de verwachtingen
over het goede leven in het Beloofde Land lijken niet uit te komen: er heerst
hongersnood.
Elimelek
en zijn vrouw Noömi en hun zonen Machlon en Chiljon verlaten Kanaän en wijken
uit naar het buurland Moab (een heidens gebied ten oosten van de Dode Zee).
Elimelek sterft, en Noömi blijft achter met haar twee zonen. Machlon en Chiljon
trouwen beiden met een Maobitische vrouw, Orpa en Ruth. Als na ongeveer tien
jaar haar beide zonen sterven, wil Noömi terug naar het land Kanaän. Samen
met haar schoondochters Orpa en Ruth gaat Noömi op weg. Noömi dringt erop
aan dat Orpa en Ruth in hun eigen land Moab blijven. Orpa verlaat Noömi, maar
Ruth wil bij Noömi blijven: Waar u gaat, ga ik; waar u blijft, blijf ik. Uw
volk is mijn volk, uw God is mijn God. Waar u sterft wil ik sterven en daar
wil ik ook begraven worden (1;16). Noömi en Ruth reizen samen verder en komen
aan in Betlehem bij het begin van de gerste-oogst.
In
het Beloofde Land gelden regels die de armen en vreemdelingen beschermen.
In Leviticus (23;22) is te lezen: Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt,
dan zult gij de rand van uw veld bij de oogst niet geheel afmaaien, en wat
van de oogst is blijven liggen, zult gij niet oprapen; dat zult gij voor de
arme en de vreemdeling laten liggen.
Ruth
maakt gebruik van dit recht en komt terecht op de akker van Boaz, een bloedverwante
van Elimelek. Boaz heeft gehoord dat Ruth Noömi is trouwgebleven, en helpt
en beschermt haar: hij geeft haar te eten en te drinken, en geeft zijn knechten
de opdracht om Ruth aren te laten rapen. Ruth hoort van Noömi dat Boaz familie
is van Elimelek, en dat hij daarom verplichtingen heeft tegenover hen. Boaz
maakt die verplichtingen meer dan waar: hij koopt de grond van Elimelek (om
het stuk land in de familie te houden) en hij trouwt met Ruth (om de naam
en het erfdeel van de overledenen te kunnen doorgeven).
Ruth
en Boaz krijgen een zoon: Obed. Noömi wordt gezien als de grootmoeder van
dit kind. Obed krijgt een zoon (Isaï), die op zijn beurt vader wordt van (Koning)
David. Ruth, de Moabitische vrouw, wordt dus de stammoeder van de Messias
(Jezus), die uit het geslacht David geboren zal worden.
De
namen in dit verhaal hebben een bijzondere betekenis:
-
Betlehem
= broodhuis;
-
Elimelek
= God is koning;
-
Noömi
= lieflijke;
-
Machlon
= ziekelijke;
-
Chiljon
= zwakke;
-
Ruth
= vriendin, gezellin;
-
Orpa
= afvallige;
-
Boaz
= in hem is kracht;
-
Obed
= vereerder van God.
Het
boek Ruth biedt vele mogelijkheden voor lessen op de basisschool. Onderstaande
lessen zijn bedoeld voor kinderen van ongeveer 10 jaar (groep 6/7). De lessen
zijn zó opgebouwd, dat er variatie is in werkvormen en activiteiten, zodat
er voor alle kinderen aantrekkelijke elementen in de lessenserie zitten. Tegelijkertijd
is de volgorde van de lessen zó gekozen, dat er gaandeweg steeds meer verdieping
komt: er wordt vanuit oriëntatie en verkenning van het verhaal toegewerkt
naar de kern van de lessenserie in de lessen 6, 7 en 8. De lessen die daarop
volgen zijn te beschouwen als verwerking en afronding. In de laatste les wordt
gewerkt aan een presentatie/tentoonstelling.
Hier
volgt eerst in het kort de inhoud van de lessen. Verderop komen ze uitgebreid
aan de orde.
Les 1: Het verhaal over Ruth wordt verteld. Naar aanleiding van het vertelde
verhaal maken de kinderen een tekening.
Les 2: De tekeningen worden klassikaal bekeken en besproken. Het gaat hierbij
vooral om de keuzes van de kinderen (en dus niet om een waardering voor hun
tekenkunst!).
Les 3: De kinderen luisteren naar een muziekfragment en relateren de tekst
van dit nummer aan de thematiek van het verhaal over Ruth.
Les 4: M.b.v. een kaartje, een atlas en een wandkaart in de klas oriënteren
de kinderen zich op de gebieden waar het verhaal van Ruth zich afspeelt.
Les 5: De betekenissen van namen worden besproken.
Les 6: Er wordt een kringgesprek gevoerd over ervaringen als “vreemdeling”.
Les 7: Er wordt met de hele groep een kringspel over “vreemdelingenvrees” gespeeld.
Hierbij wordt tevens een lied aangeleerd.
Les 8: “Sociale wetten” in de klas: n.a.v. de lessen 6 en 7 wordt besproken
hoe de groep en de individuele kinderen anderen zouden kunnen helpen, en er
wordt een “wetboek” gemaakt.
Les 9: Er wordt gewerkt met gerst- en korenhalmen, en de kinderen malen hun
eigen meel.
Les 10: Stelopdracht: de kinderen schrijven een brief of e-mail naar een denkbeeldige
vriend die is vertrokken naar het buitenland.
Les 11: De klas schildert/schrijft met elkaar een stripverhaal over het boek
Ruth. Het gezamenlijke resultaat wordt in de school tentoongesteld.
Dit
is een lessenserie n.a.v. het boek Ruth. In het boek staan de thema’s vriendschap,
trouw en de omgang met vreemdelingen centraal. Deze thema’s sluiten aan bij
de belevingswereld van kinderen. De tekst is hierboven beschreven, evenals
een beknopte omschrijving van de lessen-serie voor kinderen van basisschoolgroep
6 en/of 7. In deze handleiding wordt achtergrond-informatie gegeven bij de
lessen.
De
lessen zijn zó opgebouwd, dat er (door variatie in werkvormen en activiteiten)
voor alle kinderen aantrekkelijke elementen in de lessenserie zitten (differentiatie).
De volgorde van de lessen is zó gekozen, dat er gaandeweg steeds meer verdieping
komt: er wordt vanuit oriënta-tie en verkenning van het verhaal toegewerkt
naar de kern van de lessenserie in de lessen 6, 7 en 8. De lessen die daarop
volgen zijn te beschouwen als verwerking en afronding.
Niet
alle kinderbijbels bevatten het verhaal van Ruth. In “Om te beginnen”
van B. van Pelt en A. de Fluiter is het verhaal wel opgenomen, maar wellicht
vindt de leerkracht het taal-gebruik voor zijn/haar klas te kinderachtig om
voor te lezen. Toch is het verhaal in deze kinderbijbel zeer compleet. Het
is aan te raden om deze tekst als leidraad te nemen bij de vertelling. Het
vertellen (i.p.v. voorlezen) biedt tevens de mogelijkheid meer met
de tekst te “spelen”, waardoor de kinderen nog meer betrokken zullen zijn
bij het verhaal.
Na
de vertelling kiezen de kinderen zélf (individueel) het fragment dat hen het
meeste aan-spreekt, en maken daar een tekening over. Alle tekeningen
worden in de klas opgehangen.
Benodigdheden: A4-tekenpapier, (kleur-)potloden, viltstiften. Zorg voor
voldoende ruimte om alle tekeningen bij elkaar op te hangen.
Klassikale
nabeschouwing en nabespreking van de tekeningen. Ook de motivatie
van de kinderen bij hun keuze voor het fragment komt ter sprake n.a.v. vragen
als: Wat heb jij getekend; waarom heb je voor dat gedeelte van het verhaal
gekozen? Wat vind je mooi, zielig, goed, … aan dat deel van het verhaal?
Opmerking: Zorg ervoor dat iedereen alle tekeningen goed kan zien. Maak
bijvoorbeeld een grote halve cirkel rond de wand waar alle tekeningen hangen.
Geef geen waarde-oordeel over de tekenkunst van de kinderen, en sta niet toe
dat de kinderen hun eigen of elkaars werk beoordelen in termen van mooi, lelijk,
goed of minder goed gelukt!
Les 3
Muziek: laat
het eerste couplet en het refrein horen van het nummer “Vriendschap” van de
groep Het Goede Doel. Na het beluisteren krijgen de kinderen de tekst
op papier (bijlage 1), waarna nogmaals geluisterd wordt naar het nummer. In
de nabespreking staat de vraag centraal wat de tekst temaken heeft
met het verhaal over Noömi en Ruth.
Benodigdheden: cassettebandje met het eerste
couplet en het refrein van het nummer “Vriendschap” van Het Goede Doel, cassetterecorder,
voor ieder kind een kopie van de tekst (bijlage 1).
Opmerking: in de bespreking moet aan de orde
komen dat Ruth trouw blijft aan Noömi. Een echte vriend(in) laat je niet in
de steek.
Les 4
Aardrijkskunde: Geef
de kinderen de kaart (bijlage 2) en laat hen zich m.b.v. de atlas oriënteren.
(Egypte is een duidelijk oriëntatiepunt.) Waar liggen de landen Kanaän en
Moab? Hoe worden deze landen tegenwoordig genoemd? Kun je aangeven waar Betlehem
ligt? Hang in de klas de wereldkaart (grote wandkaart) op en geef m.b.v. plakfiguren
aan waar Ruth en Noömi leefden.
Benodigdheden: voor ieder kind een kaartje (bijlage 2), per twee kinderen
één atlas, een grote wandkaart van de wereld, plakfiguurtjes om op de wandkaart
te plakken.
Les 5
Vertel
de kinderen over de betekenis van de namen uit het verhaal van Ruth
(Elimelek = God is koning; Noömi = lieflijke; Machlon = ziekelijke; Chiljon
= zwakke; Ruth = vriendin, gezellin; Orpa = afvallige; Boaz = in hem is kracht;
Obed = vereerder van God). Iedereen heeft een naam gekregen; weten de kinderen
waarom hun ouders hebben gekozen voor déze naam? Laat het hen thuis navragen,
en bespreek het later in de klas. Ook m.b.v. een voornamen-woordenboek kunnen
de kinderen de betekenis van hun naam opzoeken.
Benodigdheden:
diverse voornamen-woordenboeken.
Opmerking:
Laat de kinderen hun ouders thuis vragen naar de betekenis van hun naam. De
les wordt dus op een later moment afgerond (door elkaar te vertellen over
de betekenis van de namen).
In
een kringgesprek wordt aangestuurd op het vertellen van ervaringen
als “vreemdeling”. Leid deze les in door nog eens te vertellen dat
Noömi met haar man en kinderen naar een vreemd land ging, met een andere cultuur
en andere gewoontes. Ook Ruth verliet haar eigen land. Laat de (allochtone)
kinderen vertellen uit eigen ervaring en/of n.a.v. wat ze van hun ouders en/of
grootouders hebben gehoord over de verhuizing naar een ander land. Bespreek
de taalproblemen, verschillen in gewoontes zoals het eten, familiebezoek,
feesten, vrije dagen, bezoek aan kerk, moskee, synagoge,…, verschillen m.b.t.
huizen, (huis-)dieren, het weer,…
Opmerking: Ook voor Nederlandse kinderen is dit thema herkenbaar: denk
aan een verhuizing, verandering van school en vakanties in een vreemde omgeving…
Deze les kan nog meer inhoud krijgen als de kinderen er thuis over spreken.
Laat de kinderen er dan in een volgende les over vertellen. In dat geval bestaat
deze les dus uit twee afzonderlijke lesmomenten.
Met
de hele groep wordt een kringspel (“Het volk van Eigenland”) gespeeld
(zie bijlage 3). Het is een spel over “vreemdelingenvrees” en sluit
goed aan bij de vorige les. Leer de kinderen eerst het lied aan en
bespreek de tekst kort met elkaar. Vervolgens wordt snel overgestapt naar
de kern van deze les: het kringspel. Bij een grote groep kan ervoor worden
gekozen om twee kinderen tegelijk de rol van de vreemdeling te geven. Dan
kan iedereen aan de beurt komen en ervaren hoe het is om buitenstaander te
zijn t.o.v. een gesloten groep.
Na
het spelen wordt het spel nabesproken: Wat is de betekenis van de “geschenken”?
(het waardevolle dat iedereen in zich draagt; uiteindelijk blijkt dat alle
geschenken samen ervoor kunnen zorgen dat de gesloten kring open breekt, en
dat er ruimte komt voor iedereen.) Bespreek ook hoe dit spel het leven van
alledag cq de maatschappij symboliseert. Verwijs hierbij expliciet naar de
verhalen die de kinderen bij les 6 hebben verteld/gehoord.
Benodigdheden: voldoende ruimte (bijv. de gymzaal of het speellokaal),
voor ieder kind een kopie van de tekst en een puzzelstuk (bijlage 3).
Opmerking: Neem voldoende tijd voor deze les: laat ieder kind de rol van
de vreemdeling spelen (evt. in duo’s), en zorg dat er voldoende tijd is voor
de nabespreking! Bespreek de betekenis van de “geschenken”, het effect van
de (gesloten) cirkel en de uiteindelijke oplossing van het probleem (slinger
i.p.v. kring). Leg voorzichtig de link naar de maatschappelijke problematiek
(wees evenwel voorzichig met het ventileren van eigen politieke opvattingen!!!)
“Sociale wetten” in de klas: in Kanaän gold de wet dat de armen en de vreemdelingen
moesten worden geholpen. Bespreek in een kringgesprek de volgende vraag:
Als er in onze klas iemand hulp nodig heeft, wat zou je dan kunnen
doen? (bijv. een kind dat nieuw in de klas komt; een kind dat zich bezeert;
een kind dat wordt gepest; een kind dat niet zo goed kan leren,…).Wat kun
je in je eentje voor zo’n kind doen, en wat doe je als groep? Laat een groepje
kinderen de “wetten” op het bord schrijven (rol van griffier in de
rechtbank), en laat een ander groepje deze “wetten” op de computer uitwerken
tot een boekje (het wetboek van de klas). Natuurlijk worden deze democratisch
opgestelde wetten vanaf nu ook nageleefd!
Benodigdheden: een schoon bord, voldoende bordkrijt, een computer en printer,
papier om een mooi wetboek te kunnen maken.
Opmerking:
Zorg voor een veilige sfeer, waarbij iedereen zich prettig en gehoord voelt.
Geef beurten om te zorgen dat iedereen zijn zegje kan doen. Kies een zódanige
opstelling, dat iedereen het bord goed kan zien (halve cirkel). Kies de griffiers
en de wetboekmakers zo mogelijk democratisch, of kies hiervoor de kinderen
die bij het kringgesprek niet zo uit de verf kwamen. Geef het “wetboek” een
plaats in de klas, en zie erop toe dat de “wetten” worden nageleefd.
In
deze les staat het oogsten centraal. De kinderen werken met gerste-
en korenhalmen: ze maken er schoven van en malen de graankorrels tussen platte
stenen zelf tot meel. Dit zelfgemalen meel wordt de basis van zelfgebakken
broodjes.
Benodigdheden: halmen van diverse soorten graan (gerst, koren, rogge,…),
binddraad, voor ieder kind twee platte stenen (zelf laten zoeken, schoonboenen
en meenemen), meel uit de winkel om het zelfgemalen meel aan te vullen, gist,
zout,… (zie recept op de pakken meel), oven om de broodjes in te bakken.
Les 10
Laat nog eens het eerste
couplet en het refrein horen van het nummer “vriendschap” van Het Goede Doel
(zie les 3 en bijlage 1). Vervolgens wordt de stelopdracht ingeleid: Stel
je voor dat je beste vriend(in) verhuist naar een ander land. Natuurlijk spreken
jullie af dat je elkaar zult schrijven/mailen. Jij bent heel benieuwd hoe
het dáár is, maar je vriend(in) wil natuurlijk ook weten hoe het híer verder
gaat. Wat schrijf je? Schrijf je over alle dagelijkse dingen of juist alleen
over de bijzonderheden? Bespreek dit met de groep (zijn er eigen ervaringen?),
alvorens de kinderen aan deze stelopdracht te zetten: Maak een brief
of e-mail aan een goede vriend die is verhuisd naar een ander land. Bespreek
de brieven met de groep na: Wie wil zijn brief voorlezen? Wat zou de ontvanger
van deze brief vinden? Krijgt hij/zij een beeld van hoe het hier gaat? Wat
zou hij/zij nog meer willen weten?
Benodigdheden: cassetterecorder en cassette
met het muziekfragment, verschillende soorten (post-) papier.
Opmerking: geef de kinderen de gelegenheid
om een idee te laten rijpen! Laat hen niet “hier en nu” direct een brief schrijven.
Geef hen bijv. een week de tijd om het voor te bereiden en te laten “ontstaan”.
Geef ook de ruimte om hun eigen materiaal te kiezen, zoals eigen briefpapier
of een computerprint (e-mail). Maak van tevoren duidelijk dat je alle brieven
wilt lezen; laat de kinderen echter wel zelf bepalen of ze hun brief in de
klas willen voorlezen. Bespreek de brieven na (en/of “beoordeel” ze) vanuit de rol van de ontvanger.
Les 11
We bekijken nog eens de
tekeningen uit de 1e les, waarbij verschillende fragmenten van
het verhaal over Ruth in beeld zijn
gebracht. Laat de kinderen aan de hand van deze tekeningen het verhaal vertellen.
Als we het verhaal weer helder voor ogen hebben, wordt in deze laatste les
het hele verhaal als stripverhaal geschilderd. Er wordt in duo’s gewerkt;
het verhaal wordt gezamenlijk in (visualiseerbare) fragmenten verdeeld, en
ieder duo schildert op A2-formaat één fragment. Van tevoren moeten er afspraken
worden gemaakt over bijv. kleding, zodat alle schilderijen samen één geheel
vormen. Het resultaat wordt met zijn allen geëvalueerd en gezamenlijk wordt
besloten wat voor teksten er bij komen (tekstballoons met merkstift laten
beschrijven en in de schilderijen laten plakken). Het uiteindelijke resultaat
wordt in de gang van de school op ooghoogte opgehangen.
Benodigdheden: per twee kinderen een vel
A2-schilderpapier, potloden, kwasten, verschillende kleuren verf, A4-papier
(tekstballoons), scharen, merkstiften, expositieruimte op de gang (evt. pijlen
om de route en volgorde aan te geven).
Opmerking: Zorg dat er duidelijke afspraken
zijn m.b.t. kleding etc, zodat de
schilderijen een samen-hangend geheel vormen. Schrijf deze afspraken op het
bord, en wijs de kinderen er af en toe op.
Zorg ervoor dat alle kinderen de tijd hebben
om hun werk met zorg af te maken. Het belangrijkste is dat iedereen tevreden
is over z’n eigen werk, en dat de kinderen het gevoel hebben dat ze samen
iets hebben gemaakt.
Bijlagen:
1: bij
les 3
2: bij
les 4
3: bij
les 7
Bronnen:
-
De bijbel. Willibrordvertaling Schooleditie, uitgave
1995
-
T. de Vries: Om te beginnen. (Callenbach, 1985)
-
B. van Pelt en A. de Fluiter: Om te beginnen. (NZV,
1997)
-
K. Eykman: Als er een God is. (Piramide, 1998)
-
F. Walton : Op ontdekkingstocht door de bijbel.
(Benjamin, 1994)
-
Internet: www.kinderkerk.nl
Bijlage 1 (bij les 3)
Vriendschap (Het
Goede Doel)
Als
kind had ik een vriend waarmee ik alles deed:
Als
hij begon te vechten, dan vocht ik met hem mee.
Als
ik in het water sprong, dook hij er achteraan.
Een
mooiere vriendschap, kon er in mijn ogen niet bestaan.
Totdat
hij verhuisde naar een andere stad;
Ik
heb als ik het goed heb nog één kaart van hem gehad.
Eén
keer trek je de conclusie:
Vriendschap
is een illusie,
Vriendschap
is een droom,
Een
pakketje schroot en een dun laagje chroom!