bij
markus 4
voor
jong en ouder
|
a.
Voor jongere kinderen Eerst
zou ik het verhaal van het zaaien en het mosterdzaadje in verschillende
kinderbijbels lezen om voor mijzelf een verhaal samen te stellen. Dat
ga ik dan de kinderen vertellen. Waarom vertellen? Je hebt beter contact
met de kinderen. Je kunt meer op eigen intonatie en uitbeelden letten
(je hebt immers je handen vrij) en je kunt de kinderen beter zien. Hun
gezichten en reacties. Misschien is het wel mogelijk,
op hun reacties te reageren. Ook zou ik het verhaal in de Lente
vertellen. Daarna
een kringgesprek met vragen als: vonden jullie dit een mooi verhaal,
hebben jullie zelf ook wel eens iets gezaaid. Of papa of mama? Heb je wel eens gekeken wat er uit dat zaadje komt?
Gaat dat vanzelf of moest je er iets voor doen? Heb je gekeken wat er
uit groeit. Heb je wel eens gezien dat dingen groeien? Welke dingen
kun je opnoemen die allemaal groeien als je om je heen kijkt? Wat heb
je daar voor nodig? Kortom:
een reeks vragen. Maar ik wil wel benadrukken dat ik het voornamelijk
vanuit de kinderen wil laten komen. Het liefst heb ik dat ze zelf met
dingen komen zoals zelf zaaien en groeien. De interactie is heel belangrijk.
Ik ben er om het gesprek te leiden en uiteindelijk wil ik naar het feit
toe dat ze allemaal zelf ook eens gaan zaaien en mogen kijken wat er
gebeurt. Zelf
tuinkers zaaien op een aardappel. Snijd het onderste kapje eraf, zet
hem in een al. bakje, snijd het bovenste kapje eraf, hol iets uit en
doe er vochtige watten in of een stukje schuurspons. Zaadjes erin en
van de aardappel verder een gezichtje maken met knopen en kruidnagels.
Naam op het bakje, in de vensterbank en kijk elke dag maar wat er met
de zaadjes gebeurt.
|
![]() |
||||||
|
Met
de kinderen een bollen-tafel maken met hyacint, blauw druifje, narcissen,
tulpen, krokussen. In enkele bakken stoppen we een kartonnen strook.
Elke dag kan er een streepje gezet worden. Dan kun je zien hoeveel de
plant gegroeid is. Narcissen en tulpen lenen zich hier goed voor. We
meten niet alleen elke dag. We maken ook een tekening die elke dag een
stukje groeit. Grote betrokkenheid moet er zijn. Desnoods een schema
opstellen wie wat mag meten en tekenen. De hele klas moet erbij betrokken
zijn. Kinderen kunnen zelf ook bollen van huis meenemen. Liedje
aanleren de bolletjes, inclusief de bewegingen. Ze voelen wat het is
om te groeien. Naar
buiten, de omgeving van school. Kijk eens om je heen. Wat groeit er
allemaal? Planten, struiken, gras. Kijk eens naar de bomen die waarschijnlijk
in de knop staan. Wat groeit daaruit? Hoe hoog is die boom eigenlijk?
Wat is de hoogste boom die je kunt zien? Zou die boom ook als een zaadje
begonnen zijn. Wie leven er in zo’n boom (vogeltjes die hun nest bouwen).
Hebben wij ook wat aan die boom (schaduw, klimmen, zuurstof). Misschien
kom je nog een vijver tegen met jonge eendjes, kikkerdril. Kikkerdril
zou je ook in de klas in een bak kunnen houden met een zuurstofpompje.
Kinderen vinden het heel fascinerend om naar die groei te kijken. Na
afloop tekenen de kinderen iets wat ze buiten zijn tegengekomen. De
juf maakt met een aantal kinderen op de wand van het lokaal een levensgrote
boom met stukken groen en bruin papier. Van te voren heb ik kleurplaten
van vogeltjes, ieder kind kleurt een vogeltje en zoekt voor zijn vogeltje
in de boom een plekje. Kringgesprek
over groeien. Wat hebben we in de klas bekeken en wat hebben we buiten
bekeken. Misschien is het al ter sprake gebracht, maar zelf groei je
natuurlijk ook. Hoe groei je? Je komt bij mama uit de buik. Wat kan
je dan of nog niet? Wie zorgt er voor je? Wat heb je nodig? Zo kun je
verder praten tot de leeftijd van nu. Eventueel praten over groeien
van het haar. De kapper. Wat kun je nu allemaal? Daar groei je ook in.
Je leert van iedereen en zo groei je steeds meer. In
de klas zelf moet het onderwerp ondertussen ook gegroeid zijn. In de
leeshoeken boeken over groeien en de lente. In de zandtafel aarde zodat
ze tuintjes met plastic bloemen aan kunnen leggen. Ingesproken bandjes
met verhaaltjes over groeien, zaadjes, stempelhoek, de huishoek extra
veel aandacht voor poppenverzorging etc. Bouwhoek met voorbeeldtekeningen
van torens die je steeds hoger kunt maken (stevige basis). En elke dag
een verhaaltje voorlezen over groeien, de lente etc. Eigen
groeiboekje maken getekend of m.b.v. foto’s van thuis. Juf maakt in
ieder geval foto van kinderen nu, zodat in ieder geval iedereen een
foto van zichzelf heeft. Kringgesprek
over verder groeien in kleine groepen. Wat zou je later willen worden?
Hoe zou je er later uitzien of zijn? Wat vind je heel belangrijk? Moet
je daar iets voor doen? Dit gesprek kan uitlopen tot wat kinderen later
willen worden of hoe of wat ze later zullen zijn. Ik denk eerder het
eerste, maar ik hoop het tweede. De
interactie vind ik het belangrijkst. Ook wat er van de kinderen uit
komt. Ik werk naar de kinderen toe. Het maakt niet uit wat eruit komt,
maar we proberen rondom de gesproken woorden een heel klein poppenkastspel
op te zetten wat de kinderen voor de rest van de klas mogen uitvoeren.
Per keer 4 kinderen. Ze mogen ook een tekening maken van wat ze later
willen worden. Ter
afsluiting zou ik het verhaal van Jezus weer oppakken en nog een keer
vertellen in een ietwat andere bewoording.
Wat zei Jezus nu precies? Je kunt steeds meer zonder hulp. Kunnen
wij nu ook al mensen helpen? Je wordt steeds groter, je kunt steeds
meer. Wat kunnen wij nu al voor elkaar doen? Kunnen wij elkaar nu al
helpen? Waarmee dan? Zullen we dat eens proberen ?
|
||||||
|
Voor
oudere kinderen Ook
hier zou ik weer beginnen met het vertellen van het verhaal om dezelfde
reden als bij de jongere kinderen. En in de Lente. Eerst
de kinderen in groepjes met elkaar over het verhaal laten discussiëren.
Ik loop langs de groepjes om hier en daar iets op te werpen. Dan
een kringgesprek over wat er in de groepjes is besproken. Ik zou willen
weten in hoeverre kinderen dit verhaal kennen of dat het totaal nieuw
voor ze is. Zo ja, weten ze er iets meer over. Zo nee, wat zou dit verhaal
kunnen betekenen. Wat voor een gevoel of idee hebben ze erbij. Indien
er niets uitkomt verder blijven vragen over groeien. Wat groeit er?
Hoe groeit het? Wat heb je ervoor nodig en heb je het in de hand. Klas
in groepen van ongeveer 4 kinderen per groep verdelen. Bonen poten in
verschillende situaties: in het licht, in het donker, op droge watten,
op vochtige watten, in de aarde. Welke groeien? Hoe komt dat? Groei
bijhouden in schrift met woorden en tekeningen. Als
ze met de schooltuinen bezig zijn extra aandacht besteden aan de zaden
en de groei. Je kunt ze ook zonnebloempitten in de tuinen laten zaaien.
Thuis zou ik van tevoren uitproberen in hoeverre het mogelijk is om
zelf mosterdzaad te planten. Ik wil het sowieso aan ze laten zien. Frits
de tuinman in Amsterdam Noord zou ik een les over zaden laten geven.
Ik wil hem ook zelf wel geven, maar dan zal ik mij eerst door hem goed
laten informeren. Door middel van loepen zou ik ze zaden laten bekijken
en analyseren. Wat zit er in? Doe dat ook eens bij een pinda en snijd
nu ook eens een appel open. Vervolgens
maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het voortplantingsverhaal
te vertellen van bijvoorbeeld de appel. Waarom planten ze zich voort
(voorkoming uitsterving ras). De bevruchting, het uitgroeien tot de
vrucht, met daarin weer de zaden en opnieuw de zaadverspreiding. Kringgesprek
over de groei van niet alleen de natuur maar ook de mens. Ook wij groeien.
Hoe zijn we zo gegroeid? Heb je dat in de hand? Wie heb je er wel of
niet bij nodig? Hoezo nodig? Groei je alleen lichamelijk? Kun je ook
groeien in kunnen? Of innerlijk groeien – waar kun je dan aan denken? Kinderen
eigen groeiboekje laten maken m.b.v. foto’s van thuis. Bij elke foto
schrijven ze een stukje over het uiterlijk, (bijvoorbeeld tanden wisselen)
en over hun kunnen op dat moment, voor zover ze dit nog weten. Dan
gaan we het hebben over het innerlijke groeien en de groei van de wereld.
Daarmee bedoel ik te zeggen hou ziet de wereld er nu uit. Is er overal
vrede. Hoe zou dat komen denk je. En wanneer je in je eigen kleine wereldje
kijkt is daar dan overal vrede. Zo niet kun je daar iets aan veranderen.
|
![]() |
||||||
![]() |
Krantenknipsels
mee laten nemen van conflicten en oorlogen in de wereld. Deze op de
wereldkaart prikken (meteen een stukje topografie van de wereld). Liedje
aanleren: uit Eigenwijs pag. 314, Strangest dream. Een engels liedje
over een droom van nergens meer oorlog in de wereld, geen geweren, zwaarden
en uniformen meer. Stelopdracht
geven. Ik en mijn toekomst. Hoe zien zij de toekomst van zichzelf eventueel
in oog staand met de wereld? Enkele door de kinderen zelf voor laten
lezen (niet dwingen) In
groepen van 5 tot 6 kinderen, het verhaal uit de kinderbijbel en een
‘gewone ‘bijbel eens laten bekijken. Zijn er verschillen en overeenkomsten.
Staat er hetzelfde en hoe wordt dit anders gezegd. Zouden ze een beetje
kunnen komen tot wat het verhaal wil vertellen (Noem dat niet te vlug
de "moraal".) Leren op twee manieren naar een tekst te kijken.
Ter
afsluiting drama. Klas in groepen verdelen en elke groep maakt een toneelstukje
naar aanleiding van een opdracht op een kaartje. (Hoe ziet de wereld
er nu uit in je nabije omgeving? Hoe ziet de wereld er nu uit in een
breder gezichtsveld? Hoe zou je willen dat de wereld er over
30 jaar uit zou zien? Hoe ziet de wereld er over 30 jaar uit denk
je? Diverse
momenten worden er gegeven om toneelstuk voor te bereiden. Ook een les
besteden aan rekwisieten. En
misschien wel helemaal tot slot die excursie naar de mosterdfabriek
! |
Bloemen: Verbena Bonariensis. JEN.