Groei en bloei

bij markus 4

voor jong en ouder

door K, 2e jaar Deeltijd 2001

 

 

a. Voor jongere kinderen

 

Eerst zou ik het verhaal van het zaaien en het mosterdzaadje in verschillende kinderbijbels lezen om voor mijzelf een verhaal samen te stellen. Dat ga ik dan de kinderen vertellen. Waarom vertellen? Je hebt beter contact met de kinderen. Je kunt meer op eigen intonatie en uitbeelden letten (je hebt immers je handen vrij) en je kunt de kinderen beter zien. Hun gezichten en reacties. Misschien is het wel mogelijk,  op hun reacties te reageren. Ook zou ik het verhaal in de Lente vertellen.

 

Daarna een kringgesprek met vragen als: vonden jullie dit een mooi verhaal, hebben jullie zelf ook wel eens iets gezaaid. Of papa of mama? Heb je wel eens gekeken wat er uit dat zaadje komt? Gaat dat vanzelf of moest je er iets voor doen? Heb je gekeken wat er uit groeit. Heb je wel eens gezien dat dingen groeien? Welke dingen kun je opnoemen die allemaal groeien als je om je heen kijkt? Wat heb je daar voor nodig?

Kortom: een reeks vragen. Maar ik wil wel benadrukken dat ik het voornamelijk vanuit de kinderen wil laten komen. Het liefst heb ik dat ze zelf met dingen komen zoals zelf zaaien en groeien. De interactie is heel belangrijk. Ik ben er om het gesprek te leiden en uiteindelijk wil ik naar het feit toe dat ze allemaal zelf ook eens gaan zaaien en mogen kijken wat er gebeurt.

 

Zelf tuinkers zaaien op een aardappel. Snijd het onderste kapje eraf, zet hem in een al. bakje, snijd het bovenste kapje eraf, hol iets uit en doe er vochtige watten in of een stukje schuurspons. Zaadjes erin en van de aardappel verder een gezichtje maken met knopen en kruidnagels. Naam op het bakje, in de vensterbank en kijk elke dag maar wat er met de zaadjes gebeurt.

droge naald etsen van Gerda Smit, Eindhoven
 

 

Met de kinderen een bollen-tafel maken met hyacint, blauw druifje, narcissen, tulpen, krokussen. In enkele bakken stoppen we een kartonnen strook. Elke dag kan er een streepje gezet worden. Dan kun je zien hoeveel de plant gegroeid is. Narcissen en tulpen lenen zich hier goed voor. We meten niet alleen elke dag. We maken ook een tekening die elke dag een stukje groeit. Grote betrokkenheid moet er zijn. Desnoods een schema opstellen wie wat mag meten en tekenen. De hele klas moet erbij betrokken zijn. Kinderen kunnen zelf ook bollen van huis meenemen.

 

Liedje aanleren de bolletjes, inclusief de bewegingen. Ze voelen wat het is om te groeien.

 

Naar buiten, de omgeving van school. Kijk eens om je heen. Wat groeit er allemaal? Planten, struiken, gras. Kijk eens naar de bomen die waarschijnlijk in de knop staan. Wat groeit daaruit? Hoe hoog is die boom eigenlijk? Wat is de hoogste boom die je kunt zien? Zou die boom ook als een zaadje begonnen zijn. Wie leven er in zo’n boom (vogeltjes die hun nest bouwen). Hebben wij ook wat aan die boom (schaduw, klimmen, zuurstof). Misschien kom je nog een vijver tegen met jonge eendjes, kikkerdril. Kikkerdril zou je ook in de klas in een bak kunnen houden met een zuurstofpompje. Kinderen vinden het heel fascinerend om naar die groei te kijken. Na afloop tekenen de kinderen iets wat ze buiten zijn tegengekomen. De juf maakt met een aantal kinderen op de wand van het lokaal een levensgrote boom met stukken groen en bruin papier. Van te voren heb ik kleurplaten van vogeltjes, ieder kind kleurt een vogeltje en zoekt voor zijn vogeltje in de boom een plekje.

 

Kringgesprek over groeien. Wat hebben we in de klas bekeken en wat hebben we buiten bekeken. Misschien is het al ter sprake gebracht, maar zelf groei je natuurlijk ook. Hoe groei je? Je komt bij mama uit de buik. Wat kan je dan of nog niet? Wie zorgt er voor je? Wat heb je nodig? Zo kun je verder praten tot de leeftijd van nu. Eventueel praten over groeien van het haar. De kapper. Wat kun je nu allemaal? Daar groei je ook in. Je leert van iedereen en zo groei je steeds meer.

 

In de klas zelf moet het onderwerp ondertussen ook gegroeid zijn. In de leeshoeken boeken over groeien en de lente. In de zandtafel aarde zodat ze tuintjes met plastic bloemen aan kunnen leggen. Ingesproken bandjes met verhaaltjes over groeien, zaadjes, stempelhoek, de huishoek extra veel aandacht voor poppenverzorging etc. Bouwhoek met voorbeeldtekeningen van torens die je steeds hoger kunt maken (stevige basis). En elke dag een verhaaltje voorlezen over groeien, de lente etc.

 

Eigen groeiboekje maken getekend of m.b.v. foto’s van thuis. Juf maakt in ieder geval foto van kinderen nu, zodat in ieder geval iedereen een foto van zichzelf heeft.

 

Kringgesprek over verder groeien in kleine groepen. Wat zou je later willen worden? Hoe zou je er later uitzien of zijn? Wat vind je heel belangrijk? Moet je daar iets voor doen? Dit gesprek kan uitlopen tot wat kinderen later willen worden of hoe of wat ze later zullen zijn. Ik denk eerder het eerste, maar ik hoop het tweede.

De interactie vind ik het belangrijkst. Ook wat er van de kinderen uit komt. Ik werk naar de kinderen toe. Het maakt niet uit wat eruit komt, maar we proberen rondom de gesproken woorden een heel klein poppenkastspel op te zetten wat de kinderen voor de rest van de klas mogen uitvoeren. Per keer 4 kinderen. Ze mogen ook een tekening maken van wat ze later willen worden.

 

Ter afsluiting zou ik het verhaal van Jezus weer oppakken en nog een keer vertellen in een ietwat andere bewoording.  Wat zei Jezus nu precies? Je kunt steeds meer zonder hulp. Kunnen wij nu ook al mensen helpen? Je wordt steeds groter, je kunt steeds meer. Wat kunnen wij nu al voor elkaar doen? Kunnen wij elkaar nu al helpen? Waarmee dan? Zullen we dat eens proberen ?

Voor oudere kinderen

 

Ook hier zou ik weer beginnen met het vertellen van het verhaal om dezelfde reden als bij de jongere kinderen. En in de Lente.

 

Eerst de kinderen in groepjes met elkaar over het verhaal laten discussiëren. Ik loop langs de groepjes om hier en daar iets op te werpen.

Dan een kringgesprek over wat er in de groepjes is besproken. Ik zou willen weten in hoeverre kinderen dit verhaal kennen of dat het totaal nieuw voor ze is. Zo ja, weten ze er iets meer over. Zo nee, wat zou dit verhaal kunnen betekenen. Wat voor een gevoel of idee hebben ze erbij. Indien er niets uitkomt verder blijven vragen over groeien. Wat groeit er? Hoe groeit het? Wat heb je ervoor nodig en heb je het in de hand.

 

Klas in groepen van ongeveer 4 kinderen per groep verdelen. Bonen poten in verschillende situaties: in het licht, in het donker, op droge watten, op vochtige watten, in de aarde. Welke groeien? Hoe komt dat? Groei bijhouden in schrift met woorden en tekeningen.

 

Als ze met de schooltuinen bezig zijn extra aandacht besteden aan de zaden en de groei. Je kunt ze ook zonnebloempitten in de tuinen laten zaaien. Thuis zou ik van tevoren uitproberen in hoeverre het mogelijk is om zelf mosterdzaad te planten. Ik wil het sowieso aan ze laten zien.

 

Frits de tuinman in Amsterdam Noord zou ik een les over zaden laten geven. Ik wil hem ook zelf wel geven, maar dan zal ik mij eerst door hem goed laten informeren. Door middel van loepen zou ik ze zaden laten bekijken en analyseren. Wat zit er in? Doe dat ook eens bij een pinda en snijd nu ook eens een appel open.

 

Vervolgens maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het voortplantingsverhaal te vertellen van bijvoorbeeld de appel. Waarom planten ze zich voort (voorkoming uitsterving ras). De bevruchting, het uitgroeien tot de vrucht, met daarin weer de zaden en opnieuw de zaadverspreiding.

 

Kringgesprek over de groei van niet alleen de natuur maar ook de mens. Ook wij groeien. Hoe zijn we zo gegroeid? Heb je dat in de hand? Wie heb je er wel of niet bij nodig? Hoezo nodig? Groei je alleen lichamelijk? Kun je ook groeien in kunnen? Of innerlijk groeien – waar kun je dan aan denken?

 

Kinderen eigen groeiboekje laten maken m.b.v. foto’s van thuis. Bij elke foto schrijven ze een stukje over het uiterlijk, (bijvoorbeeld tanden wisselen) en over hun kunnen op dat moment, voor zover ze dit nog weten.

 

Dan gaan we het hebben over het innerlijke groeien en de groei van de wereld. Daarmee bedoel ik te zeggen hou ziet de wereld er nu uit. Is er overal vrede. Hoe zou dat komen denk je. En wanneer je in je eigen kleine wereldje kijkt is daar dan overal vrede. Zo niet kun je daar iets aan veranderen.

Krantenknipsels mee laten nemen van conflicten en oorlogen in de wereld. Deze op de wereldkaart prikken (meteen een stukje topografie van de wereld).

 

Liedje aanleren: uit Eigenwijs pag. 314, Strangest dream. Een engels liedje over een droom van nergens meer oorlog in de wereld, geen geweren, zwaarden en uniformen meer.

 

Stelopdracht geven. Ik en mijn toekomst. Hoe zien zij de toekomst van zichzelf eventueel in oog staand met de wereld? Enkele door de kinderen zelf voor laten lezen (niet dwingen)

 

In groepen van 5 tot 6 kinderen, het verhaal uit de kinderbijbel en een ‘gewone ‘bijbel eens laten bekijken. Zijn er verschillen en overeenkomsten. Staat er hetzelfde en hoe wordt dit anders gezegd. Zouden ze een beetje kunnen komen tot wat het verhaal wil vertellen (Noem dat niet te vlug de "moraal".) Leren op twee manieren naar een tekst te kijken.

 

Ter afsluiting drama. Klas in groepen verdelen en elke groep maakt een toneelstukje naar aanleiding van een opdracht op een kaartje. (Hoe ziet de wereld er nu uit in je nabije omgeving? Hoe ziet de wereld er nu uit in een breder gezichtsveld? Hoe zou je willen dat de wereld er over 30 jaar uit zou zien? Hoe ziet de wereld er over 30 jaar uit denk je?

Diverse momenten worden er gegeven om toneelstuk voor te bereiden. Ook een les besteden aan rekwisieten. 

 

En misschien wel helemaal tot slot die excursie naar de mosterdfabriek !

 

Kinderen in Anatolië (Oost-Turkije)
Bloemen: Verbena Bonariensis. JEN.

Kamelen in Maretanië, deel van foto uit: Yann Arthus-Bertrand, De Aarde gezien vanuit de hemel, lannoo Tielt 1999.