Herderskoningen
Er was een tijd in de geschiedenis,
waarin het aantal schapen dat men bezat, maatgevend was voor iemands
rijkdom en een bron van macht. Een tijd van herderskoningen, die enorme
kudden bezaten. Latijnse woorden pecus = vee en pecunia = geld, hebben
dezelfde oorsprong. In de Bijbel, onder Spreuken
27; 23, 24 staat geschreven: “Draag zorg voor uw kudden, want rijkdom
is niet blijvend”. door mevr. TA – van Deeltijd-2, 2001, (na 2 modules katechese)
InhoudLiteratuur
Hoofdstuk 1.
Hoezo dit onderwerp? Hoofdstuk 2.
|
![]() |
Het
paasfeest in Exodus 12 waarin wordt verteld dat op de tiende van deze
maand, iedere familie een lam moet uitkiezen, ieder huis een lam. Het
lam moet gaaf zijn, van het mannelijk geslacht en eenjarig. De dieren
moeten vastgehouden worden tot de 14e van de maand en dan
moeten ze geslacht worden in de avondschemering. Vervolgens moet het
bloed uitgestreken worden over de beide deurposten en over de bovenbalk
van de deur van alle huizen waar het lam gegeten wordt.
Die
nacht zal de Heer door Egypte gaan en alle eerstgeborenen van Egypte,
zowel mensen als dieren, slaan. Het bloed aan de huizen zal een teken
zijn dat u daar woont, als ik het bloed aan uw huizen zie, zal ik aan
u voorbijgaan.
Het
slachten van het paaslam moet als plechtigheid in ere gehouden en steeds
opnieuw herhaald worden als paasoffer voor de Heer, omdat hij in Egypte
de huizen van de Israëlieten voorbij is gegaan terwijl Hij de Egyptenaren
sloeg.
Alleen
als eerst alle mannelijke leden van een familie zich hebben laten besnijden
mogen ze het Paasfeest vieren, omdat je dan als een geboren Israëliet
geldt.
In
Leviticus 3 wordt gesproken over het aanbieden van een slachtoffer aan
de heer. Wil je een schaap of een geit offeren dan mag het een vrouwelijk
of mannelijk schaap zijn, als het maar gaaf is. Biedt hij een schaap
aan, dan brengt hij het dier voor het aangezicht van de Heer, legt het
de hand op de kop en slacht het bij de tent van samenkomst. Het bloed
wordt over het altaar gesprenkeld en alleen het vet wordt als offergave
aangeboden. Al het vet laat de priester op het altaar in rook opgaan,
als spijs, als geurige gave voor de Heer. Als blijvende bepaling voor
alle generaties, waar u ook woont, geldt: nuttig nooit vet of bloed.
De herders gaan op zoek
Schrijver: D. Bruna: Kerstmis
Het
gebeurde in een donkere nacht, heel lang geleden, dat er herders in
het veld waren, die de wacht hielden over hun schapen. Zij stonden net
wat met elkaar te praten, toen ze plotseling een licht zagen. Dat licht
was zo mooi en zo helder, dat het leek alsof het dag werd. Maar dat
werd het niet.
Het
licht kwam van een engel. Een engel, die een boodschap kwam brengen
van God. “Wees maar niet bang”, zei de engel, want de herders waren
wel een beetje geschrokken. Ik kom jullie iets heel fijns vertellen,
luister maar:
In
Bethlehem is een kindje geboren, dat Jezus heet en dat alle mensen gelukkig
maken zal. Ga maar kijken, het is in doeken gewonden en het ligt in
een kribbe. Toen de engel dat gezegd had, kwam er nog een engel, en
daarna nog één en nog één, net zo lang tot de lucht vol was met engelen.
En
allemaal samen zongen ze een lied. Dat klonk zo prachtig dat de herders
en de schapen in het veld heel stil stonden te luisteren. Ere zei God,
zongen zij, ere zij God in den hoge en vrede op aarde.
Toen
het lied uit was, verdwenen de engelen weer. O, wat was dat mooi, zeiden
de herders teen elkaar. Laten we gauw naar Bethlehem gaan, dan kunnen
we zien wat de engel ons verteld heeft. En zij gingen op weg. Nadat
ze een tijdje gelopen hadden, kwamen ze bij een stal. Het was een witte
stal met groene houten deuren en een raam, dat niet dicht kon omdat
er geen luik was.
Het
was een stal waarin de dieren mochten slapen als het buiten te koud
was.
Zou
het hier zijn? Vroegen de herders aan elkaar. Zou Jezus in een stal
geboren zijn? De engel had gezegd, dat ze hem zouden vinden, gewonden
in doeken en liggend in een kribbe. En een kribbe is een bak, waar de
dieren uit eten. Laten we maar naar binnen gaan, zeiden de herders.
En ze vonden een kindje, dat in doeken gewikkeld was en in een kribbe
lag, net zoals de engel gezegd had. Naast de kribbe stonden Maria en
Jozef. Zachtjes kwamen de herders dichterbij. O, wat waren ze blij dat
ze Jezus gevonden hadden. En aan Maria en Jozef vertelden ze de boodschap,
die de engel gebracht had.
Er
kwamen altijd veel mensen naar Jezus luisteren Ook allerlei mensen die
niet zo goed bekend stonden. Een groot aantal Joden, de Farizeeën bijvoorbeeld,
vonden dat schandalig en zeiden: “Die man gaat om met tollenaars, met
allerlei mensen die er niet bij horen; en hij eet met ze”. Toen vertelde
Jezus hun deze gelijkenis:
Iemand heeft honderd schapen en opeens is er één verdwenen. Dan laat hij de negenennegentig andere schapen achter waar ze aan het grazen zijn, om dat ene schaap te gaan zoeken tot hij het vindt. En als hij het heeft teruggevonden neemt hij het dolblij op zijn schouders. Hij gaat naar huis, roept zijn vrienden en buren en zegt: “Laten we samen feestvieren, want ik heb het schaap teruggevonden dat ik kwijt was”.
Ook zei Jezus het volgende
tegen de mensen:
“Ik
ben de goede Herder. Voor mijn kudde wil ik mijn leven even. Als iemand
niet door de poort op het erf komt waar de schapen zijn, dan is hij
een dief en een rover. Maar hij die door de poort naar binnen gaat is
de herder van de schapen. Hij roept zijn schapen bij de naam één voor
één, en zij volgen hem naar buiten. Als ze allemaal buiten zijn loopt
hij voor hen uit. De schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen. Maar
ze zullen geen onbekende achterna gaan. Omdat ze zijn stem niet zullen
herkennen.
Ik
ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.
Als iemand alleen maar op de schapen past om geld te verdienen, en als
de schapen niet van hem zijn, dan zal hij zijn schapen in de steek laten
en er vandoor gaan zodra hij de wolf ziet komen. En dan jaagt de wolf
de kudde uit elkaar en sleurt de schapen weg. Ik ben de goede herder,
ik ken mijn schapen, en mijn schapen kennen mij.

Ik zet mijn leven
op het spel voor mijn kudde. Nog andere schapen heb ik die niet uit deze
kooi zijn. Ook voor hen wil ik een goede herder zijn en zij zullen naar
mijn stem luisteren. Alle mensen zullen samen één kudde van God zijn.
Zij zullen maar één herder hebben, de goede herder”.
In
Mattheüs 9 vers 35 staat dat Jezus onder de indruk was van de mensenmenigte
die naar hem kwam luisteren en dat ze geplaagd en gebroken waren omdat
ze waren als schapen zonder herder.
Hij gaf zijn twaalf leerlingen de macht om onreine geesten uit te
drijven en elke ziekte en elke kwaal te genezen. Zij kregen onderricht
van hem maar vooral moesten ze op zoek gaan naar de verloren schapen
van het huis Israël.
Zij
worden de arbeiders van Jezus. Hij stuurt ze als schapen tussen de wolven.

Op de achtergrond is een vel opgespannen op een raam.
Een schraapmes ligt erbij.
Uiterlijk
Schapen zijn familieleden van de runderen. Ze hebben horens bestaande uit een stuk been op de kop, bekleed met aan de buitenkant verhoornde huid.
Schapen
behoren tot dezelfde groep dieren als geiten. Allebei zijn het bergdieren,
maar de schapen leven in vlakkere delen van het gebergte, terwijl de
geiten echte klauteraars zijn die zich langs steile hellingen thuis
voelen.
Het
ons bekende huisschaap geeft eigenlijk geen goede indruk. Schapen worden
meestal voor de wol gekweekt. Ze hebben daardoor in de loop der tijden
veel zwaardere vachten gekregen dan ze in de natuur hadden.
Vrijwel
alle haren die bij een schaap het lichaam bedekken zijn wolharen. Alleen
aan kop en poten zit nog gewoon haar.
Vandaar
dat een wild schaap, zoals de moeflon, door veel mensen niet zo gauw
als een schaap herkend wordt. De moeflon heeft een normale beharing
en in de winter een vacht, die niet zo zwaar is als die van de gewone
huisschapen. In het voorjaar valt de wol uit en maakt plaats voor een
gewoon haarkleed. Dat zou bij een huisschaap ook gebeuren als de schapenscheerder
er niet aan te pas kwam, maar het verharen gaat bij een schaap wel moeizaam.
Het dier zou, als het niet geschoren werd, een groot deel van de zomer
met de resten van de wintervacht blijven rondlopen. Overigens is dat
niet de reden waarom schapen geschoren worden: het gaat natuurlijk om
het verkrijgen van de wol.

Het scheren van de schapen
In
de loop van de tijden zijn schapen heel veel gaan afwijken van de oorspronkelijke
dieren. Men zegt wel een: zo mak als een lammetje.
Schapen
zijn hun natuurlijke voorzichtigheid kwijtgeraakt. Dat betekent dat
ze zich in het wild beslist niet meer kunnen redden. Als ze niet onder
toezicht worden gehouden terwijl ze grazen, vallen ze gemakkelijk ten
prooi aan allerlei gevaren. Vandaar dat men schaapskudden vaak laat
oppassen door een herder, geholpen door de herdershond.
Het
is zeker dat het schaap al sinds onheuglijke tijd getemd is. Het was
de voornaamste bron van rijkdom van de herdersvolken. Het is wel zeker
dat het temmen de instincten van het schaap heeft uitgedoofd. Want het
schaap heeft geen scherpe zintuigen meer en het mist de nervositeit
van aanverwante soorten. Niet zo zeer door zijn beweeglijkheid, maar
door zijn evenwichtsgevoel is het schaap in staat te grazen op ontoegankelijke
terreinen.
Zijn
gang is traag en zwaar en van aard is het lui en schuw.
Het
is een typisch kuddedier en door het leven in de “massa” is bij hem
al het initiatief uitgedoofd. Wanneer schapen gevaar vermoeden, verspreidt
de hele kudde zich zonder enig doel.
In
de bergen van Azië leeft een zeer oud soort wild schaap, dat wordt gezien
als een van de voorouders van het tamme schaap: de
argali. Evenals het huisschaap gaat zijn voorkeur uit naar schaars
begroeide weiden.
Het bergschaap is de enige levende vertegenwoordiger
van de Amerikaanse wilde schapen. Het bergschaap is bij de wet beschermd.
Men was uit op zijn vlees, bont en zijn duurzame huid.
De moeflon is het enige wilde schaap
in Europa. De meeste wilde schapensoorten leven in Azië. Sinds het midden
van de vorige eeuw heeft men moeflons in verschillende Midden-Europese
landen uitgezet, voornamelijk als jachtwild.
De
moeflon kwam veel voor in alle berggebieden op de eilanden rond de Middellandse
Zeelanden. Door de jacht, die
er sinds het Oude Rome op hem gemaakt werd, heeft hij alleen nog maar
weten te overleven op de oostkust van Sardinië en op Corsica. Moeflons
hebben scherpe zintuigen en zijn vrij snel en beweeglijk in vergelijking
tot andere schapen.
Als
het mooi weer is blijven de schapen ook ’s nachts buiten maar in de
winter slapen de dieren in een stal: de
schaapskooi. Een schaapskooi is meestal van hout gemaakt. Het is
belangrijk dat er voldoende frisse lucht in de kooi kan komen. Het mag
er niet vochtig zijn want dan worden de schapen ziek.
(In
de bijbelse tijd is de schaapskooi een wal van opgegooide
Als
een herder wil dat de kudde een stukje door moet lopen gebruikt hij
zijn schepersschep. Met die schep schept de herder een kluit aarde op.
Die gooit hij vlak voor het voorste schaap. Van schrik gaat het dier
lopen! De andere dieren volgen vanzelf. Aan de steel van de schepersschep
zit een krul. Als het nodig is kan de herder daarmee een schaap bij
de poot grijpen. Soms ziet de herder dat één van de schapen wat moeilijk
loopt. Het schaap heeft een takje of steentje tussen zijn hoeven gekregen.
Met de krul van de schep trekt de herder het schaap naar zich toe. Hij
peutert voorzichtig het takje tussen de hoef vandaan.

Herder met schepersschep
Het
volk van Israël was een volk van herders.
Het klimaat en de omgeving leenden zich ervoor. Hun kudden waren van
levensbelang. De schapen zorgden o.a. voor vlees, melk, wol, kleding
(huiden).
Het
slachten van het paaslam,
het offeren van een lam toen
Abraham op de proef gesteld werd, waarom dit dier?, gewoon omdat het
voor handen was, denk ik.
Jezus werd geboren in een stal.
Er waren schapen en lammetjes, in de streken rond Betlehem moeten dus
schaapskudden zijn geweest, de herders waren in de buurt om als eersten
een bezoek te brengen aan het kind en zijn ouders.
Schaapherders
hoefden niet geteld te worden,
alleen hun schapen werden geteld!
Jezus
vergelijkt ons met de kudden. Zelf noemt hij zich de Herder, die zorg
draagt voor zijn schapen. Iedereen telt, arm of rijk, goed of slecht.
Zoals
het schaap zijn natuurlijke voorzichtigheid is kwijtgeraakt omdat het
deel uitmaakt van een kudde, die beschermd wordt en geleid wordt door
een herder die ze brengt naar plaatsen waar het goed voor ze is, waar
voedsel is, zo maken wij deel uit van Zijn kudde. Je hoeft
niet bang te zijn, want er wordt op je gelet.
Zoals
elk schaap belangrijk is voor de herder, zo zijn wij dat ook voor Hem.
Ieder
mens wil meegeteld worden, aanvaard worden door anderen zoals hij/zij
is, zonder zich te hoeven bewijzen, gewoon om wie je bent.
Dwalen
we van het rechte pad dan moeten we erop vertrouwen dat we geholpen
worden om, net als de schapen, weer bij de Herder terug te komen.
Als
je gelooft ben je een volgeling. In blind vertrouwen volg je hetgeen
of degene in wie je gelooft, zoals een schaap zijn herder volgt.
Ook
vertrouwen in de mensheid houd je op de goede weg. De steun die je kunt
hebben door te geloven in God, is in mijn leven van grote waarde.
Bijbels kennen is verbonden zijn met, een zijn met. Wat iemand
die je kent overkomt dat voel je aan of mee alsof het jezelf overkomen
is. Denk maar aan het kind in de praktijkklas dat blij is wanneer een
"moeilijke" opgave gelukt is. Haar of zijn vreugde voel je
als onderwijsgevende helemaal mee.
2.
In het paasverhaal van Johannes
2.
De herder loopt in de bijbelse traditie altijd voorop. Hij is de voorganger
- niet opdat de anderen kunnen blijven zitten uiteraard, maar om hen
ook te laten gaan. Let my people go.
Voor de bovenbouw:
Spreekwoorden
en gezegden waarin het woord schaap of lam voorkomt
Gesprek
over mond- en klauwzeer bij schapen
Project:
Licht in de winter (Alkmaar)
Liedjes:
Zeg eens herder


Terugblik en weging (bij module DH-Ka-1).
Voor
het maken van dit werkstuk heb ik me nog weer eens door bepaalde stukken
van de Bijbel heen gelezen. Dat het onderwerp, schapen en hun herder,
zo door alles heen is verweven en steeds en belangrijke plaats inneemt,
heb ik me tot nu toe eigenlijk nooit gerealiseerd. Ik lees nu in de
Bijbel met andere ogen dan daarvoor.
Opmerking:
Omdat het een opdrcht is in het kader van een studie ga je aan het werk. Opeens komen woorden dichterbij en verhalen. Omdat je zelf zoekt vind je ook. Je betrokkenheid vertaalt zich in resultaat. Je hebt gevonden. Voor iemand met ervaring in het onderwijs kan het nietmoeilijk zijn, het gevondene om te zetten in speel- leersituaties voor kinderen, onderzoek, avontuur. proberen, en tot je verwondering zien wat je eigenlijk kunt. Het werkstuk is daar een geschikt voorbeeld van. Jan Engelen, 19 augustus 2001.