Het is helemaal niet gemakkelijk. "Reiniging van een melaatse" klinkt geheimzinnig. Het zal ook wel griezelig zijn. Maar hoe kun je dit voor kinderen aan de orde stellen. Welke mogelijkheden geeft het verhaal. Een paar studenten hebben het aangedurfd. Het is zeker een eerste en bemoedigende poging geworden. Het verhaal en de mogelijkheden ervan zijn daarmee niet uitgeput, maar "als een schaap over de dam" is ...

Ik vind het een bemoedigende eerste poging. Je moet maar durf heben. JE, 10.09.01

moet nog verder bewerkt worden

‘Reiniging van een melaatse’

 

een les uit het evangelie volgens Marcus.

Door DDCL, 2e jaar voltijdopleiding

 

 

           

 

 

Eigenlijk kun je niet zo maar een verhaaltje uit het evangelie pakken en het los vertellen. De meeste verhalen horen heel duidelijk bij andere verhalen. Tegelijkertijd lijkt het er op dat ieder verhaaltje op zijn manier een soort portret is van alle verhalen. Ieder verhaal een moment-opname van het geheel, voor het geheel. We willen dat proberen met het verhaal over de reiniging van de Melaatse. Wanneer je het verhaal een beetje een eigen plek wilt geven kun je je laten leiden door het volgende.

Voorafgaand aan dit verhaal:

Het evangelie volgens Marcus begint met het verhaal van Johannes de Doper. Johannes de Doper doopt mensen in de rivier de Jordaan om  hun zonden te vergeven.

Hij geeft aan dat er na hem iemand komt die sterker is dan hij. ‘Ik heb jullie gedoopt met water, maar Hij zal jullie dopen in de heilige Geest’. In die dagen komt Jezus uit Nazareth in Galilea naar de Jordaan. Hij laat zich dopen in de rivier de Jordaan door Johannes. Meteen als  Hij uit het water komt, ziet hij de hemel open breken en de Geest als een duif op zich neerkomen. De Geest drijft hem weg, recht de woestijn in. Hij blijft in de woestijn, veertig dagen. Veertig dagen leven op hoop van zegen. Wilde beesten en engelen zijn er voor hem, vertelt het verhaal.

Na dat alles komt Jezus terug in Galilea. Hij wil geen geheim meer maken van het goede verhaal, de boodschap voor alle tijden: ‘De tijd is rijp. De Pharao van slaven en slavernij heeft zijn tijd gehad. De manier van God, de wijze waarop hij koning is, Vrijheid en bevrijding – je zult het zien. komen binnen handbereik. De manier waarop God koning is: kijk opnieuw en laat je meenemen. Keer om! Heb vertrouwen in het verhaal van vrijheid en bevrijding.

 

Jezus vervolgt zijn weg. Hij vraagt enkele vissers met hem mee te gaan. Hij vertelt hen dat hij hen tot vissers van mensen gaat maken. Op een of andere manier zien ze daar iets in. Ze volgen hem. Jezus trekt naar Kafarnaüm. Ook daar preekt hij zijn verhaal. Allen luisterden aandachtig totdat er opeens een enorm geschreeuw losbarst. Markus vertelt: Iemand die in de greep van een onreine geest is, begint te krijsen. Jezus strafte hem af.  ‘Houdt je mond en ga weg uit hem’. De onreine geest schudt de man door elkaar en onder enorm schreeuwen – alsof er een nieuwe mens op de wereld wordt gezet - gaat hij uit hem weg. Ontzet groeperen de mensen bij elkaar. Ze vragen: ‘Wat is dat toch? Een nieuwe leer, met gezag!’ Jezus' faam ging als een lopend vuurtje rond in heel Galilea. Zijn naam begint een verhaal te worden waar mensen stil van worden, van opkijken. Hij geneest vele zieken van allerlei kwalen, en Hij dreef veel demonen uit. Jezus gaat naar de dorpen in de buurt zodat Hij ook daar kan verkondigen. Want met dat doel is Hij weggegaan.

Reiniging van een melaatse.

Er komt een melaatse op hem af, die om hulp vraagt. Hij valt op zijn knieën en zegt: ‘Als U wilt, kunt U me rein maken.’ Diep ontroerd steekt Hij zijn hand uit en raakt hem aan. ‘Ik wil het, wordt rein’, zei Hij. En meteen verdween zijn melaatsheid, en hij werd rein. Bars stuurde Hij hem meteen weg, met de woorden: ‘Zorg dat u er met niemand over praat, maar ga u aan de priester laten zien en breng als offer voor uw reiniging wat Mozes voorgeschreven heeft; dat zal hun het bewijs leveren.’ Maar eenmaal vertrokken, begon hij volop te verkondigen en dit verhaal rond te vertellen, zodat Jezus niet meer openlijk in een stad kon komen, maar buiten bleef op eenzame plaatsen. En ze kwamen overal vandaan naar Hem toe.

 

 

Uitleg bij het verhaal.

Een melaatse kwam tot Hem………….

Zo vertelt Marcus in het eerste hoofdstuk van zijn evangelie.

Een melaatse mag niet zomaar naar iemand toekomen. Een melaatse moet blijven waar hij is en hoort, ergens buiten de muren, buiten de gemeenschap. Een melaatse geldt als onreine, de uitgestotene. In de wet stond immers vast. Je moet zo en zoveel meters afstand bewaren en dan de waarschuwingsroep ‘onrein, onrein!’ laten klinken. Vaak hadden ze ook een belletje bij zich. Wie het geklingel hoorde was gewaarschuwd.

 

De ziekte van de melaatse geldt in de bijbelse wereld als een dodelijke dreiging. De ziekte maakt je tot paria. Je hoort er niet meer bij, mag niet meer meedoen. De melaatse zelf wordt beschouwd als een dode. In het oosten heette melaatsheid ‘de eerstgeborene van de dood’.  Want op deze ziekte volgde vrijwel altijd de dood.

Zo’n melaatse moet zich dan ook hullen in de sfeer van de dood: gescheurde kleren en loshangend haar. Rouw kent de melaatse niet. De dood is een welkome vriend, de enige vriend die de vijandige kwaal kan verslaan. Het is uitgesloten van de melaatsheid te genezen. Maar als het onmogelijke toch gebeurt is een in de bijbel een bepaalde procedure die je moet doorlopen. Dat is het teken, het getuigenis van de echte genezing. De buitenstaander hoort er weer bij. De verstotene mag meedoen. Dat is verzoening: alles is weer goed. As er een melaatse van zijn ziekte geneest wordt die gezondmaking door de rabbijnen gelijk gesteld met  een dode die weer levend wordt. Kortom: melaatsen waren in Jezus’ dagen het symbool van verrotting en ontbinding.

 

 

Voor kinderen het verhaal van de melaatse uit: De Bijbelverhalen, door Sipke van der Land en Bert Bouman, Woord voor Woord.

 Spiegelverhaal: ‘Het leven van missionaris Jef’

Er was eens een eenvoudig boerengezin, de familie Bakkum. Deze familie woonde in een klein dorpje in de buurt van Leuven. Ze waren katholiek. In de familie waren veel kinderen. De moeder vertelde vaak uit een oud boek verhalen over heiligen. Twee meisjes gingen het klooster in. Een ouder broer, Jan, zou pater worden van de Heilige Harten. Jef, een andere zoon, moest maar graanhandelaar worden en daarom werd hij naar een handelsschool gestuurd. Met zijn studie ging het niet zo goed. ’s Nachts lag hij vaak in zijn bed te woelen en dacht na over wat hij nou eigenlijk wilde. Hij stuurde een brief naar huis en schreef daarin: ‘zou het mogelijk zijn dat ik mijn broer Jan volg?’. In een latere brief schrijft hij duidelijk: ‘God roept mij, ik moet hem gehoorzamen’. Het lukt. Jef mag samen met zijn broer Jan bij de paters in Leuven studeren. Vanaf dat moment weet hij zeker wat hij wil: hij wil priester worden!

Tijdens een kort studieverblijf in Parijs, hoorde Jef een missiebisschop uit Tahiti die aan jonge priester-leerlingen vertelde over het verre land Polynesië. Toen schreef Jef naar huis: ‘ik geloof dat deze bisschop snel terug zal gaan naar zijn missie en een van ons zal meenemen. Zouden jullie niet heel gelukkig zijn als ik dat was?’. Het lukte. Nog voordat hij priester werd gewijd kreeg hij de toestemming om te gaan. En toen hij als twintig jarige de eeuwige geloften moest afleggen, liet Jef zich Damiaan noemen, naar één van de tweeling heiligen, Cosmas en Damianus, die in 303 stierven om hun geloof en daarom later heilig verklaard werden. En zo ging pater Damiaan op weg naar de Hawaii-eilanden.

 

Na eerst een aantal jaren gewerkt te hebben op het eiland Hawaï, begon Damiaan aan wat zijn eigenlijke werk zou worden: leven en werken tussen de melaatsen op het leprozen eiland Molokai. Op Hawaï kwam de gevreesde melaatsheid ook voor en in 1865 vaardigde de koning van de Hawaï-eilanden een opdracht uit, dat alle mensen die misschien de ziekte lepra hadden, zich moesten melden. De ongeneeslijk zieke mensen werden overgebracht naar het eiland Molokai.

            Naar dit pesthol, naar deze hel, vertrok pater Damiaan in 1873. Hij was nu drieëndertig jaar oud en kerngezond. Met niets anders dan alleen zijn brieven van thuis en een extra hemd ging hij erheen, “in Gods naam!”.

 

Het is laat in de avond van 10 mei 1873, wanneer Damiaan op het eiland onder een pandanusboom uitrust (omdat hij nog geen goed verblijf heeft). Hij kon daar onder die boom, vlakbij het enige kapelletje op het eiland, maar moeilijk in slaap komen. Hij had al zoveel vreselijke indrukken opgedaan, dat hij daar steeds aan bleef denken en dus niet kon slapen. De wanhoop van vijftig zieke mensen die tegelijk met hem op het eiland aankwamen en de nieuwsgierigheid van de andere zieke mensen die al op het eiland waren en kwamen kijken. De vreselijke beelden van hun misvormde lichamen en gezichten. Bij klaarlichte dag die vreselijke nachtmerrie. Het gebaar van zijn bisschop: ‘Gij kunt nog met mij terug.’ Zijn weigering: ‘ik blijf!’

 

 

Het schip vertrok zonder hem en hij bleef eenzaam achter, misschien wel voorgoed.

Zijn eerste wandeling was door het dorp van de melaatsen (wat omringd was door rotsen, zodat ze goed geïsoleerd van de gezonde eilandbewoners waren). De zieke mensen woonden in eenvoudige houten hutjes. Toen kwam er een melaatse op hem af en bood hem wat vruchten aan, hij moest moeite doen om niet te laten zien dat hij de vertoning van deze man walgelijk vond (hij zag er zo misvormd uit), en toch zijn dankbaarheid te tonen.

Een paar dagen later was hij al leider bij de eerste begrafenis. Vier melaatsen die moeizaam het lijk van een vijfde, in een rieten mat gewikkeld, naar de modderige dodenkuil droegen.

Slaap maar eens na zo’n dag. Slaap maar eens onder zo’n boom, waarvan de blootliggende wortels als een hard matras dienst doen. Slaap maar eens, wanneer allerlei tropisch ongedierte om je heen kruipt en je wakker houdt en wanner je telkens weer opschrikt door allerlei geluiden uit de hutjes die niet ver weg stonden: gejammer van zieken en van gekken, gekrijs van kinderen en van dronken mensen, die hun verdriet weg drinken met eigengemaakte alcohol.

 

Toch begon hij zich er al snel thuis te voelen. Hij deed wat hij kon voor de mensen van het eiland. Ondertussen blijft hij brieven sturen naar zijn baas, hij vraagt daarin of ze dingen naar hem op willen sturen zoals bijvoorbeeld: altaarwijn, gebedenboeken, studieboeken, rozenkransen, hemden, broeken, een zak meel en een klok. Hij vraagt ook om hout zodat hij zijn eigen hut kan bouwen en niet langer onder een boom hoeft te wonen.

Zijn afkeer van de melaatsen is verdwenen. Zo is Damiaan begonnen, en zo is hij doorgegaan. Zo heeft hij liefgehad tot het einde.

Naast missionaris ontwikkelde hij zich in deze afschuwelijke plaats tot verpleger en tot arts.

Hij heeft zichzelf beloofd dat hij zolang hij kon elke melaatse eens per week te bezoeken.

De ergste gevallen, de honderd die in het hospitaal op de verlossende dood lagen te wachten, bezocht hij het trouwst. Hij verzorgde zijn zieken, omdat niemand anders het deed, de middelen toe, die hun lijden nog iets verzachtten, hij veegde de vloer voor hen aan, waste hun vervuilde lakens en weigerde niet, wanneer zij hem vroegen de maaltijd met hen te delen.

 

(Einde van het verhaal. Dit niet vertellen aan het begin van de les, maar pas op het allerlaatste als bekendmaking van het werkelijke einde van het verhaal.)

 

Het kon niet uitblijven. Pater Damiaan werd zelf ook melaats. Melaats onder de melaatsen. Toch bleef hij doorwerken, tot hij niet meer kon. Het laatste leed dat hij dragen moest was het ergste:

‘Als door een wonder waren de toppen van zijn vingers vrijwel tot het laatst onaangetast gebleven, zodat hij, al was hij al een keer bij de trappen van het altaar neergevallen, nog altijd de mis kon opdragen. Nu was ook dat gedaan, tenen en vingers, handen en voeten begonnen ook bij hem te verdwijnen. Zijn lichaam was helemaal aangetast. Hij was negenenveertig toen hij niet meer rechtop kon staan. Liggend op zijn bed wachtte hij tot hij doodging.

Op 31 maart 1889 werd hem door pater Wendelin de sacramenten der stervenden toegediend, en op 15 april stierf hij. Melaatsen, niets dan melaatsen geleidden hem naar zijn graf onder de boom waar hij zestien jaar geleden zijn eerste nachten op Molokai had doorgebracht. Melaatsen, niets dan melaatsen, strompelend, maar voor op de schetterende fanfare, door Damiaan opgericht en die elke begrafenis begeleidde, om dat immers de dood tegelijk opstanding was tot het leven. Dat heet Pasen!

 

 

Woordenlijst:

Heilige Harten: Een religieuze congregatie. Een groep paters. De katholieke kerk kent Ordes en Congregaties. De ordes zijn meestal ouder. De congregaties zijn vaak opgericht met een concreet doel, bijvoorbeeld onderwijs of verzorging van zieken. In het bovenstaande verhaal gaat het over de Congregatie van de Heilige Harten.

Missiebisschop: Een bisschop wordt gezien als opvolger van de leerlingen van Jezus. Hij heeft als taak de verhalen van en over Jezus door te geven. Als zodanig is hij de leider van een geloofsgemeenschap. Een bisschop van een geloofsgemeenschap in oprichting wordt een missiebisschop genoemd.

De Missie is hetzelfde als wat in de protestantse gemeenschap de Zending heet. Missionarissen of zendelingen verlaten huis en haart en stellen hun leven in dienst van de kleine kerken ver weg. Ze houden zich bezig met het verkondigen van het evangelie. Dat gaat natuurlijk niet over woorden alleen. Onderwijs en ziekenzorg (denk aan Medische Missie Aktie of Memisa) horen daar al snel en lang bij.

Wijden – wijding in de katholieke kerk. Een bisschop neemt iemand aan als priester. Daartoe legt hij iemand de handen op zijn hoofd. Zo wijdt hij iemand tot priester.

Melaatsheid: de ziekte melaatsheid. Deze ziekte is besmettelijk en verminkt het hele lichaam. De ziekte is ongeneeslijk.

Geïsoleerd. Isoleren is afschermen van de buitenwereld.

Afkeer. Als je ergens een afkeer van hebt, ben je er vies van. Het stoot je af.

Sacramenten der stervende. Wanneer in de katholieke gemeenschap iemand ernstig ziek is, dan kan hij of zij de laatste sacramenten ontvangen. Een pater zalft de zieke. Met daartoe gezegende olie zalft hij de handen, voeten, en het voorhoofd. Met de duim raakt hij de ogen, oren, mond aan. De zieke wordt als ware als teken van horen bij de gemeenschap van de gelovigen tot lichaam gemaakt, tot iemand die er bij hoort. Dit sacrament wordt vaak sacramenten der stervenden genoemd, maar de eigenlijke naam en bedoeling is sacrament der zieken. Een oude bekende naam is het Heilig Oliesel.

Een les over het verhaal uit het evangelie volgens Marcus.

Beginsituatie:

We gaan ervan uit dat de verhalen voorafgaande aan het verhaal ‘Reiniging van een melaatse’ al behandeld zijn, zodat de kinderen op de hoogte zijn van de daden van Jezus. Is dat niet het geval – hierboven staat een suggestie. Je kunt je ook goed laten leiden door het evangelie zelf. De tekst is niet moeilijk. Het is een oude tekst. Je neemt de kinderen mee, een oud verhaal in.

 

Inleiding:

Lees of vertel het verhaal ‘de reiniging van een melaatse’in de klas. Je mag het ook aan de hand van de tekst met eigen woorden vertellen. Belangrijk hierbij is het gebruik van begrijpelijke taal voor de kinderen. Na het voorlezen of vertellen van het verhaal ontstaat een klein gesprekje met de kinderen over het verhaal.

Vragen om te beginnen zouden zijn: Waarom reinigt Jezus de melaatse? Wat zou deze daad betekenen? Waarom was iedereen huiverig voor een melaatse?, etc.Hierbij komt dus aan de orde (zie ook bijlage):

  • Waar gaat het verhaal over?
  • Wat is melaatsheid en wat betekende het in die tijd?
  • Waarom spreekt de melaatse Jezus aan?
  • Wat gebeurt er met de melaatse nadat Jezus hem aanspreekt en aanraakt?
  • Wat is de betekenis van dit verhaal?

 

 

Kern:

Als verwerking bij dit verhaal hebben wij gekozen voor een spiegelverhaal.

Dit spiegelverhaal wordt uitgedeeld aan de kinderen. Zij lezen dit verhaal eerst zelf.

Daarna wordt het verhaal gezamenlijk gelezen.

Een korte bespreking van het verhaal volgt (zie ook bijlage):

  • Waar gaat het verhaal over?
  • Wie komen er in het verhaal voor?
  • Wat is de betekenis van dit verhaal?

 

Verwerking:

Als verwerkingsopdracht moeten de kinderen het spiegelverhaal afmaken.

Dat wil zeggen dat de kinderen dus een drama-activiteit uitvoeren.

Zij gaan in groepjes van drie á vier kinderen uiteen en maken het verhaal van Jef, de missionaris, af. Als eerste schrijven ze het einde van het verhaal op. Vervolgens verdelen zij de rollen en maken er een kort toneelstukje van. Als afsluiting van deze opdracht presenteren de kinderen hun stukjes aan elkaar. Na deze presentatie praat men over de verschillende aflopen van het verhaal:

  • Welke aflopen heb je gezien?
  • Welke afloop sprak je het meeste aan en waarom?
  • Waarom hebben jullie voor een bepaalde afloop gekozen?

Vervolgens vertelt de leerkracht het werkelijke eind van het verhaal.

 

 

De volgende verwerkingsopdracht bij het verhaal ‘Reiniging van een melaatse’ en het spiegelverhaal ‘Het leven van missionaris Jef’ is een vergelijking tussen deze twee verhalen.

De kinderen zoeken eerst weer in groepjes de verschillen tussen de twee verhalen en de overeenkomsten.(zie ook bijlage). Tot slot worden ook deze verschillen en overeenkomsten weer besproken in de klas.

 

Afsluiting:

Ter afsluiting van deze les maken de kinderen een tekening met wasco. Het maakt niet uit wat zij tekenen, als het maar te maken heeft met het verhaal ‘Reiniging van een melaatse’. Op deze manier kunnen de kinderen zelf uiting geven van hun gevoelens en gedachten bij dit verhaal en de behandeling dit verhaal.

De resultaten kun je eventueel nog bespreken met de klas, maar je kunt de resultaten ook voor zich laten spreken.

 


Bijlage

 

Antwoorden bij de inleiding en verwerking:

 

Inleiding:

Vragen naar aanleiding van het verhaal ‘Reiniging van een melaatse’:

·        Waar gaat het verhaal over?

In dit verhaal stapt een melaatse man op Jezus af en vraagt Hem om genezing. Jezus spreekt tot de man en raakt hem aan, hierop volgt de genezing.

De nu gezonde man gaat weg en vertelt overal wat Jezus voor hem gedaan heeft.

 

·        Wat is melaatsheid en wat betekende het in die tijd?

Melaatsheid is een ziekte die het lichaam verminkt. Bepaalde lichaamsdelen rotten als het ware weg. Melaatsheid is besmettelijk en niet te genezen.

In die tijd werden mensen met melaatsheid daarom gemeden. Ze leefden buiten de stadsmuren en mochten niet in het openbaar komen. Ze werden gezien als het uitschot van de samenleving, hun ziekte werd dan ook gezien als een straf voor de zonde die ze begaan hadden.

 

·        Waarom spreekt de melaatse Jezus aan?

De melaatse heeft gehoord van Jezus en zijn daden. De enige oplossing die hij kan vinden voor zijn ziekte is een bezoek brengen aan Jezus. De vergeving van zijn zonde die zal plaats vinden als hij geneest is belangrijker dan het verbod dat hij heeft om zich in het openbaar te vertonen.

 

·        Wat gebeurt er met de melaatse als Jezus hem aanspreekt en aanraakt?

De melaatse geneest. Jezus geeft hem de opdracht een offer te brengen en met niemand over dit voorval te praten, maar de man gaat heen en verkondigt tegenover iedereen het wonder dat gebeurt is zodat Jezus overal gewild is.

 

·        Wat is de betekenis van dit verhaal?

Het verhaal illustreert de wonderlijke daden van Jezus. Deze wonderlijke verhalen illustreren de betekenis van Jezus toen en nu. De melaatse moet zich aan de priester laten zien "hun tot een getuigenis". Met andere woorden: Jezus leeft met de Tora, de Joodse traditie. Die traditie leert hen dat een mens hart moet hebben voor alles en iedereen, ongeacht wat.

 

Kern:

Vragen naar aanleiding van het spiegelverhaal ‘Het leven van missionaris Jef’:

·        Waar gaat het over?

Dit verhaal gaat over een Jef, een jongen van eenvoudige komaf. Hij volgt zijn roeping en komt uiteindelijk terecht op een eiland waar melaatsen leven. Daar verzorgt hij de melaatsen tot hun dood. Naast de verzorging van de melaatsen is hij ook arts, zorgt voor de medicijnen, begrafenissen en huishouding.

 

·        Wie komen er in voor?

Jef, de hoofdpersoon van dit verhaal.

Jan, de broer van de hoofdpersoon.

Bisschop uit Tahiti, met deze bisschop gaat Jef mee naar het eiland voor melaatsen.

Pater Wendeling, deze pater is ook werkzaam op het eiland voor melaatsen.

De melaatsen op het eiland.

 

·        Wat is de betekenis van het verhaal?

Melaatsheid werd ook in de 17e eeuw nog beschouwd als iets onreins. De mensen met deze ziekte werden gewoon verbannen. Op deze manier negeerde de samenleving deze mensen.

De mensen die de melaatsen wel verzorgden gingen er uiteindelijk ook zelf aan dood, maar zij zorgden wel goed voor de melaatsen in hun laatste dagen. Op deze manier hadden deze mensen toch nog een beetje leven, ondanks dat ze door alles en iedereen verstoten waren.

 

Verwerking:

De overeenkomsten tussen de verhalen ‘Reiniging van een melaatse’ en ‘Het leven van missionaris Jef:

·        In beide verhalen bevinden de hoofdpersonen, respectievelijk Jezus en Jef, zich tussen de melaatsen. Terwijl in die tijd de melaatsen gemeden werden. Dit omdat het een zeer besmettelijke ziekte was.

·        In beide verhalen worden de mensen die melaatsheid hebben gemeden. Ze worden gezien als uitschot van de samenleving. De mensen zijn niet welkom tussen de gezonde mensen. In het verhaal van Jezus en de melaatse wonen de melaatsen buiten de stadsmuren. Zij werden beschouwd als onrein. Als straf voor hun zonden hadden ze deze ziekte gekregen.

In het verhaal van Jef worden de melaatsen weggestuurd naar een eiland, zodat ze geen contact hebben met andere gezonde mensen. De samenleving negeert hen. De hoofdpersoon van beide verhalen ontfermen zich over de zieken.

 

De verschillen tussen deze twee verhalen:

·        In beide verhalen komen gezonde mensen in aanraking met melaatsen. Het verschil is alleen dat Jezus niet ziek wordt, terwijl Jef uiteindelijk wel ziek wordt. De ziekte is besmettelijk, maar raakt Jezus niet.

·        In beide verhalen helpen gezond mensen de zieke mensen. In het verhaal van Jezus kan Hij de zieke mensen genezen, maar in het verhaal van Jef kan Jef hen niet genezen.

Jezus geneest mensen en Jef kan alleen maar zorgen voor zieke mensen en hun lijden een beetje draaglijk maken.