12 juni 2001

afstudeerproject van SCBS

achtergrondinformatie

 Opbouw

Het project is opgebouwd uit vijf centrale thema’s. We hebben gekozen voor de volgende thema’s:

Pesten

Accepteren

Buiten sluiten

Anders durven zijn

Een beslissing durven nemen

 

 

Eerst hebben we gezocht naar een bijbelverhaal als begin. Het werd de geschiedenis van Levi (Marcus 2:13 – 17). Het verhaal over Levi sluit goed aan bij ons onderwerp. Levi wordt meegenomen door Jezus. Jezus trekt zich dus niets aan van wat de andere mensen zeggen.

Aan het einde van het project vindt U nog een serie bijbelverhalen. Die kunnen goed dienst doen als uitstapje. Even het thema loslaten (en toch niet) om daarna weer verder te gaan. Verhalen als recreatief (her-scheppend) moment.

Daarna startten we ons project met een verhaal en een centraal onderwerp (pesten) Nu nog een goede indeling voor ons project. Om eventuele uitstapjes naar andere bijbelverhalen te kunnen maken, hebben we besloten om ons project in 5 verschillende thema’s te verdelen.

 

Het eerste thema is pesten. We zijn allebei geïnteresseerd om een project over pesten in je klas te hebben. Zo kan je het er altijd bijpakken als je het nodig hebt. Op dat moment hoef je dan niet naar informatie te zoeken. Het project kan je ook gebruiken om pesten juist te voorkomen. Als je met de klas veel werkt aan sociale vaardigheden dan komt dit ten gunste van het pedagogisch klimaat. Als je met de kinderen gewerkt hebt met dit project, dan heb je vaak aan een half woord al genoeg. Een pester heet dan geen pester meer, maar je noemt hem/haar Levi. De kinderen worden dan in een woord herinnerd aan wat ze geleerd hebben tijdens het project. Het woord Levi kan hierdoor erg effectief werken.

 

Het tweede thema is accepteren. In het verhaal over Levi accepteert Jezus Levi en vraagt hem om met hem mee te gaan. Dit in tegenstelling tot de mensen die een afkeer hadden tegen Levi. Accepteren is erg belangrijk wat betreft sociale omgang met elkaar. Verschillen zijn er altijd bij mensen en die verschillen moet je accepteren. Doe je dat niet dan ontstaat er wrijving in de omgang. Je accepteert elkaar niet. Accepteren heeft ook voor een groot deel te maken met onzekerheid. Het is heel makkelijk om iemand te pesten, zodat hij niet te dicht bij je komt. Je kan afstand van hem houden.

 

Het derde thema is buiten sluiten. Buiten sluiten is eigenlijk een vervolg op niet accepteren. Door iemand niet te accepteren, sluit je hem buiten je omgang met mensen. Buiten sluiten is een hele ‘veilige’ manier voor veel mensen. Hoe minder je met iemand te maken hebt, hoe makkelijker.

 

Het vierde thema is anders durven zijn. Anders durven zijn heeft heel veel te maken met zelfverzekerd zijn. Al zit je lekker in je vel, dan kan je gewoon jezelf zijn, zonder je voortdurend vertwijfeld af te vragen wat andere mensen van je denken. Dit maakt je veel minder vatbaar voor pestgedrag. Je stelt je zeker op en dat geeft je een soort ‘schild’ voor pesters.

 

Het laatste thema is een beslissing durven nemen. Jezus durfde een beslissing te nemen en hij vroeg Levi om met hem mee te gaan. Met deze beslissing gaf Jezus zich erg bloot. Hij kwam achter zijn veilige ‘muurtje’ vandaan en durfde Levi mee te vragen waar iedereen bij was. In de klas is dit bij veel kinderen ook vaak het probleem. Kinderen willen vaak wel een beslissing nemen, maar ze durven het niet omdat ze bang zijn voor de mening van andere kinderen. Als je een beslissing durft te nemen, dan heb je veel zelfvertrouwen.

 

 

Bronnen:

Trefwoord

Kind op maandag

Samenspel, tegenspel, spel, Beatrijs Nolet, Zwijsen

In de klas, pesten, Samson

Internet

Beter omgaan met jezelf en de ander, midden- en bovenbouw

Pestmap, Riagg


Lesideeën

 

Pesten

 

Opgewacht uit school (pesten)

 

Doel:

Kinderen leren oplossingen te bedenken en vorm te geven voor een veel voorkomend probleem.

 

Werkwijze:

Oefening:

Drie kinderen staan op een rij. Een kind staat er voor. Het kind probeert door de groep te lopen. De eerste keer maakt de groep alle ruimte en laat het kind door. De tweede keer is er nauwelijks ruimte en kan het kind er net door. De derde keer staat het groepje dicht tegen elkaar aan en kan het kind er alleen door als het ze wegdrukt. Laat ze een paar keer van rol wisselen.

 

Bespreek wat voor gevoel het geeft om door het groepje te gaan. Maakt het uit hoe dicht ze bij elkaar staan? Lees het verhaaltje voor. Vraag de kinderen wat het probleem is.

 

 

AVerhaal

Samir zit in de middenbouw. Hij is nogal klein voor zijn leeftijd. Hij draagt een bril en heeft een staartje. Hij vindt het op school heel erg leuk. Vooral de hobbykring. Ja, op school heeft hij het goed naar zijn zin. Maar buiten school, nou dat is niet altijd leuk. Wat je wat een paar kinderen op de muur van zijn huis hebben geschreven? “vuile Turk” Nou dat vond hij heel naar. “Ik ben niet eens Turks, ik ben Marokkaans”, zei hij tegen zijn beste vriend Anton aan wie hij het verhaal verontwaardigd vertelde. Meestal loopt hij samen met Anton mee naar huis. Maar nu is Anton ziek, dus gaat hij alleen naar huis. Hij loopt stevig door. Hij heeft zijn moeder beloofd, dat hij zou helpen met het klaar maken van het eten. Hij loopt de straat bij de school uit. Om de hoek ziet hij een paar kinderen van zijn school lopen. Als de kinderen hem zien dan stoten ze elkaar aan. “hé” zegt Danny, “daar heb je Samir, zullen we hem eens…” De andere kinderen lachen. Ze gaan midden op het pad staan. Samir houdt zijn pas in en stopt. Wat zal hij doen? Zal hij er langs proberen te rennen? Hij weet van schrik niet goed wat hij zal doen. Nu kan Samir er niet meer door heen….

 

Deel de klas in een laat hen een toneelstukje bedenken van de oplossing. Laat de stukjes spelen voor de groep.

Afsluiting:

Bespreek de oplossingen op voor- en nadelen.

Vraag:

Wie heeft dit wel eens meegemaakt?

Wat heb je gedaan?

Zou je het nu anders doen?

 

 

Leesoefening Esmaralda

 

Doel:

Kinderen laten nadenken over mogelijke reacties op kritiek/ plagende opmerkingen/ schelden.

 

Werkwijze:

Geef de kinderen eerst de tekst van het verhaal. Vraag ze om het verhaal te lezen en af te maken. Daarna haalt u de verhalen op en deelt u de vragen lijsten uit. Die moeten de kinderen in 5 a 10 minuten invullen. De ingevulde vragenlijsten worden bij u ingeleverd. Daarna houdt u een nabespreking / kringgesprek.

 

Nabespreking:

Vraag aan de kinderen of ze dat herkennen dat iemand wordt uitgelachen om iets waar hij zelf niets aan kan doen – zoals bijvoorbeeld lange neus? Vraag wat ze daarvan vinden. En: wat zou je het beste kunnen doen of zeggen als je wordt uitgelachen of nageroepen om zoiets?

 

Drama:

Je kunt de suggesties van de kinderen in pantomime naspelen.

 

 

Tekst van de leesoefening:

Esmaralda

Esmaralda was 18 jaar. En omdat zij een prinses was, werd het tijd dat ze ging trouwen. Haar vader nodigde de ene prins na de ander uit, dan kon zijn dochter rustig kiezen. Hij nodigde er wel negen uit, de een na de ander. Maar Esmaralda zag aan iedere prins wel iets  dat haar niet beviel. Prins Jean had een lange neus, prins Karel had piekhaar, Prins Wim had teveel krullen, prins Piet was te mager en prins Leo was te dik, prins Henk had flaporen, prins Roel had van die korte benen en bij prins Ben stonden de voeten zo dat naar buiten, Toen kwam prins Paul. Esmaralda begon al te proesten toen ze hem zag binnen komen:” Ha, ha !” riep ze. “Je hebt een lange neus, piekhaar en flaporen. Van boven ben je te dik en vanonder te mager. En wat een korte beentjes! En moet je eens naar die voeten kijken!  Ze kwam haast niet meer   bij. Maar prins Paul bleef heel kalm. Hij zei: ”Oh ja….?  

 

(Maak nu zelf het verhaal af)

Vragen die je eventueel over de tekst kunt stellen:

Hoeveel prinsen had Esmaralda gezien voordat Paul binnenkwam? 10, 8, 12

Wat hadden de prinsen wat Esmaralda niet mooi vond?

Etc.

 

Eigenschappen

 

Doel:

Kinderen laten ontdekken dat iedereen leuke en ook minder leuke eigenschappen heeft.

Kinderen laten ontdekken dat je die minder leuke kanten van een ander soms “voor lief” kunt nemen.

En dat iedereen dezelfde eigenschappen leuk vindt.

 

Werkwijze:

Inleiding:

 een kort verhaaltje over je eigen eigenschappen

 

Kern:

Kinderen schrijven eigenschappen van een bekend Nederlander op papier.

Op het andere vel schrijven ze eigenschappen van zichzelf op. Op de papieren van de individuele leerlingen hoeven geen namen te staan.

 

Na ongeveer 10 minuten moeten de kinderen op het vel van de bekende Nederlander aangeven wat positieve en negatieve eigenschappen zijn. Waar zullen de mensen trots op zijn? Waar zullen ze minder blij mee zijn?

Eigenschappen die er tussenin zitten krijgen een 0.

 

Kringgesprek:

Vraag aan de kinderen om een aantal positieve eigenschappen te noemen. De leerkracht noteert dit op het bord. Doe dit ook met de negatieve eigenschappen.  Vraag vervolgens:

Wat doe je als je bij jezelf een leuke eigenschap ontdekt?

Wat doe je bij jezelf als je een vervelende eigenschap ontdekt?

Wat doe je als je bij jezelf bij een ander een leuke eigenschap ontdekt? Zeg je daar wel eens wat van? Wat zou je bijvoorbeeld kunnen zeggen?

Wat doe je als je bij een ander een minder leuke eigenschap ontdekt> Zeg je daar wel eens wat van? Denk je dat die ander dat leuk zou vinden, waarom niet of waarom wel?

Hoe zou je het vinden als een ander iets zou zeggen van je leuke eigenschappen?

Hoe zou je het vinden als een ander iets zou zeggen van je vervelende eigenschappen?

 

Antipest-krant

 

Doel:

Kinderen bewust laten maken van de mogelijke effecten van pesten en met hen zoeken naar oplossingen om problemen als gevolg van het pesten de wereld uit te helpen. De mentaliteit ten aanzien van pesten te beïnvloeden.

 

Werkwijze:

Als inleiding een kort kringgesprek. Uit het gesprek moet komen dat er iets gedaan moet worden aan pesten. De leerkracht stelt voor om een krant te maken voor de hele school en de ouders. De krant moet oplossingen geven om het probleem pesten op te lossen.

 

Samen met de kinderen wordt er besproken wat er in de krant moet komen. Dat wordt op het bord genoteerd (Inhoudsopgave krant)

Vervolgens worden de taken verdeeld.

Als alles voor de krant klaar is, houdt u met de klas een “redactie- vergadering”, waarin u met de kinderen praat over vragen als:

Wat doen we precies met de krant?

Hoe vond je het om zo’n krant te maken?

Wat heb je er zelf van geleerd>?

Hoe denk je over pesten?

 

Mogelijke inhoud van de krant:

Een opstel over pesten: de hele klas schrijft een opstel, een groep kiest het meest geschikte opstel uit voor de krant;

Kinderen interviewen elkaar;

Een brief schrijven;

Tekeningen maken waarin pesten/ gepest worden tot uiting komen;

Stripverhaal maken;

Verhaaltje / foto’s uit kranten en tijdschriften verzamelen die met pesten te maken hebben;

Pestsituaties opzoeken in sprookjes/ liedjes boeken;

Anti pest recepten: hoe te reageren als je wordt gepest/ uitgescholden;

 

De krant kun je ook als een aanleiding tot een tentoonstelling gebruiken waarbij de hele school betrokken is.

 

 

Rijmen met namen

 

Doel:

Kinderen laten ontdekken dat grapjes, bijvoorbeeld een rijmpje met een  naam, niet altijd hetzelfde hoeft te zijn als pesten.

Kinderen laten ontdekken dat er leuke grapjes te bedenken zijn en minder leuke/ pijnlijke grapjes.

 

Werkwijze:

De kinderen zitten in een kring voor het bord. De hele klas zingt eerst op de wijze van “schipper mag ik overvaren”? de volgende tekst mee van het bord

“alle kinderen hebben namen

één of twee

En nu gaan we rijmen samen

Doe je mee?”

De kinderen verzinnen rijmwoorden voor diegene die naast hem zit.

Na vier kinderen wordt het lied weer opnieuw gezongen met de hele klas.

 

Afsluiting:

Er moet uitgebreid aandacht worden besteedt aan de afsluiting.  De afsluiting vindt plaats in de kring.

Vragen:

Wat vond je ervan toen er op jouw naam een rijmpje werd gemaakt?

Waarom vind je het wel (of niet leuk)?

Wat zou je kunnen terugzeggen

 

 

 

2) Accepteren

 

Waarnemingsoefeningen

 

Doel:

Deze oefeningen zijn bedoeld om de zintuiglijke waarnemingen van kinderen te stimuleren, voelen, kijken en luisteren. Ze bieden mogelijkheden om kinderen te laten wennen aan het aanraken van elkaar, naar elkaar te luisteren en te kijken. Bespreek de oefeningen na met de kinderen.

 

Voor verdere oefeningen kun je gebruik maken van:

Ogen, oren en de rest

Een boek vol speelvormen rondom zintuigen

Marie José Balme  - Jos van Hest

Meulenhof Educatief, Amsterdam

 

Luisterspelletjes voor kinderen van 3-8 jaar

Wolfgang Löscher

Intro, Nijkerk

 

Wat is er veranderd?

 

Werkwijze:

De groep zit in een halve kring. Een kind is in de opening. Alle kinderen kijken goed naar het kind. Daarna doen ze hun ogen dicht. Het kind in de opening verandert iets aan de kleding, bijvoorbeeld hij maakt een veter los van een schoen, ritst een trui helemaal dicht. De kinderen benoemen wat er veranderd is. Het aantal wijzingen kan opgevoerd worden.

 

Variant:

Kinderen zitten in twee rijen tegenover elkaar. Een rij doet de ogen dicht of draait zich om. De kinderen van de andere rij veranderen iets aan hun kleding. De kinderen doen hun ogen open en proberen te benoemen wat er is veranderd. Daarna wordt gewisseld.

 

Wie ben jij?

Werkwijze:

De kinderen zitten in de kring. Een kind in het midden wordt geblinddoekt. De kinderen in de kring wisselen van plaats. Het geblinddoekte kind loopt naar een kind toe en voelt aan het gezicht. Zegt wie het is en waarom. Wanneer het klopt gaat dat betreffende kind in de kring. Anders nog 1 keer proberen.  Let er op dat kinderen voorzichtig met elkaar omgaan. In plaats van gezicht kan ook een hand en een arm gevoeld worden.

 

Hoeveel kinderen zitten er achter je?

 

Werkwijze:

De kinderen zitten in de kring. Een kind zit in het midden met de ogen dicht. Op een teken van jou gaan een of meerdere kinderen zachtjes achter het kind in het midden zitten. Deze raadt hoeveel kinderen er achter zitten. Daarna kan het spel herhaald worden met andere kinderen.

 

Een woord doorfluisteren

 

Werkwijze:

De kinderen zitten in de kring. Een kind zegt een woord/zin in het oor van het kind dat naast hem zit. Zo gaat het de kring rond. Het laatste kind zegt wat het heeft gehoord. Het eerste kind zegt wat het heeft gezegd. Wat is er veranderd?

 

Houding veranderen

 

Werkwijze:

Deel de groep in tweeën. De helft gaat in een rij langs de wand zitten. De andere helft gaat in een rij met hun gezicht naar de aansluitende wand toe staan. Een kind wordt tegenover deze rij op een stoel gezet. Een kind van de zittende groep zet dit kind in een bepaalde houding. De  zittende kinderen krijgen de opdracht om heel goed te kijken. Op een teken van jou draait het eerste kind van de staande rij zich om. Kijkt goed naar het kind op de stoel. Dit kind gaat van de stoel af naar de kant en de kijker probeert zo goed mogelijk de houding over te nemen. Zo gaat het  verder totdat iedereen geweest is. Dan wordt het eerst kind naast het laatste kind gezet. Laat een van de kijkers zeggen welke verschillen er zijn opgestreden in houding en laat ze enkele momenten noemen waar grote veranderingen optraden. Het gaat niet om wie het fout heeft gedaan. Laat een paar kinderen van de staande rij vertellen waar ze op gelet hebben en wat ze moeilijk vonden. Vervolgens worden de rollen omgedraaid. Werk bij het overnemen van houding op tempo. Laat een kind niet te lang denken.

 

 

Gevoelens

 

Introductie gevoelens

 

Doel:

De kinderen leren de belangrijkste gevoelens en worden gestimuleerd om over eigen gevoelens te praten en te spelen.

 

Werkwijze:

Vertel dat jullie een les gaan doen over gevoelens. Jij gaat situaties uit jouw leven spelen die een gevoel laten zien. Daarna stel je de kinderen er vragen over. Voorafgaand aan de les bedenk je vier situaties die jij gaat spelen voor de klas. Elk personage laat een gevoel zien: blij, boos, verdrietig en bang. Bedenk voor elk personage een attribuut, bijvoorbeeld een hoed, een tas, een bril.

 

Vertel de kinderen voordat je gaat spelen dat ze echt zijn gebeurd en wanneer dit is gebeurd.

 

Inhoud:

Loop naar een hoek van de klas, bijvoorbeeld achter het bord en daar doe je je attribuut op. Kom terug als een boos persoon en speel deze. Loop boos, praat boos, kijk boos en vertel vanuit deze rol waarom je boos bent. Loop naar de hoek waar de attributen liggen en leg je attribuut terug. Vraag aan de kinderen:

Weten jullie waarom hij boos was?

Waaraan kon je dat zien?

Wie is er ook wel eens zo boos geweest?

 

Herhaal dezelfde procedure met een bang, een verdrietig en een blij persoon.

 

Verdeel de klas in groepjes van 4 kinderen. Elk groepje kiest een gevoel uit en bedenkt er een situatie bij die ze wel eens hebben meegemaakt.

Ze bedenken:

Wie waren er?

Waar was het?

Welk gevoel stond centraal?

Wat gebeurde er?

 

De kinderen maken hier een kort toneelstukje van dat begint met een tableau.

De stukjes worden achter elkaar gespeeld.

 

Afsluiting:

De toneelstukjes worden kort nabesproken. Over welke gevoelens gingen ze? Waren het verschillende gevoelens? Zijn er gevoelens waar je niet zo gemakkelijk over praat?

 

Na deze les kunnen de kinderen een werkblad maken over gevoelens.

De vragen die daarbij gesteld worden zijn:

Wanneer voelde jij je wel eens…?

Hoe kwam dat?

Wat gebeurde er toen?

etsen, techniek: droge naald,

Gerda Smit, Eindhoven

 

Waar ben ik goed in?

 

Lesdoel:

Kinderen leren na te denken in welke dingen ze goed zijn, positief te denken over de activiteiten die ze ondernemen.

Kinderen kunnen dit naar andere kinderen onder woorden brengen.

 

Inhoud:

Schrijf in grote letters op het bord: Waar ben ik goed in?

Voer hierover een kort gesprek. Vertel je weleens aan iemand waar je goed in bent? Over welke dingen vertel je dan? Aan wie vertel je het? Vertelt iemand jou wel eens waar jij goed in bent? Schrijf wat de kinderen noemen in twee kolommen op het bord.

Kolom A: wat vertel je?

Kolom B: aan wie vertel je het?

 

Laat een werkblad zien dat je vooraf hebt ingevuld.

 

Deel de werkbladen uit. In elk vakje kunnen kinderen een of meer tekeningen maken. Stimuleer ze zo gedetailleerd mogelijk te tekenen. Per tekening schrijven ze onder aan een kernzin. Bij het vakje talen gaat het alleen om schrijven.


  een formulier vind je hier

 

 Afsluiting:

Laat de kinderen een vakje uitkiezen waar ze iets over willen vertellen aan de anderen. Om de beurt laten ze hun tekening zien en vertellen hierover. Terwijl ze vertellen kunnen ze eventueel hun verhaal ondersteunen door stukjes uit te beelden.

 

Een gevoel van mij

 

Doel:

Kinderen leren een eigen gevoel uit te beelden en onder woorden te brengen.

 

Werkwijze:

Zet in de kringopening 2 stoelen. Ga op een van de stoelen zitten. Druk door middel van houding en gezichtsuitdrukking een gevoel uit. Vraag een kind naast je te komen zitten en precies hetzelfde te doen. Je verlaat je stoel. Het kind neemt een andere uitdrukking en houding aan, iemand neemt dit weer over, enz.

 

Op een lijstje schrijven de kinderen de gevoelens op die ze hebben gezien. Ze strepen een gevoel aan.

In tweetallen vertellen ze aan elkaar:

Wanneer ze dat gevoel wel eens hebben gehad;

Wie er bij waren;

Wat er gebeurde.

 

Over het gevoel wordt een tekst geschreven. Doe dit klassikaal en geef de volgende opdrachten:

Schrijf waar je was.

Schrijf wat je aan had.

Schrijf wat je deed.

Schrijf wat er gebeurde en hoe het verder ging.

Schrijf hoe je je voelde.

 

Afsluiting:

Hou een voorleesronde. Achter elkaar worden de teksten voorgelezen. Bespreek kort na:

Hoe ging het schrijven van de tekst?

Zijn er verschillende gevoelens uit gekomen?

 

 

 

3) Buiten sluiten

 

Welke vriendjes heb ik (gehad)?

 

Doel:

Kinderen worden zich bewust van hun vriendschappen.

 

Werkwijze:

Vertel een dag of enkele dagen vooraf dat de groep een les over vriendschap gaat doen. Vraag of zij op een gekleurde strook een lijstje willen maken van vriendjes/vriendinnetjes. Het mag ook gaan over vriendjes van vroeger.

 

Bespreek in de kring de lijstjes als voorbereiding op het invullen van het werkblad. Doe dit door de kinderen vragen te stellen.

Wie heeft op de lijst een vriend van vroeger?

Wie een vriend van school?

Wie een vriend die heel ver weg woont?

Wie heeft een vriend die je ergens anders van kent? Waar van?

 

Laat het werkblad aan de groep zien. Onderzoek of er kinderen zijn die de vertalingen kunnen lezen. De kinderen vullen het werkblad in. Afhankelijk van het niveau van de groep geef je de opdracht per rubriek een tekening en/of een tekst te schrijven. Bij het invullen kunnen de kinderen gebruik maken van hun lijstje.

 


 

 


Afsluiting:

Laat de kinderen bij elkaar langs de tafels lopen en de werkbladen van elkaar bekijken. Bespreek daarna in de kring:

Hoe vond je het om het verschil in te vullen?

Wat was moeilijk? Wat was makkelijk?

 

Vrienden/innen maken

 

Doel:

Kinderen worden zich bewust hoe ze een vriendschap beginnen, welke rol zij spelen en welke de ander speelt. Door meerdere ervaringen te zien krijgen kinderen ideeën over andere manieren van vriendschap maken.

 

Werkwijze:

Vertel dat deze les gaat over het begin van een vriendschap en lees het volgende verhaal voor:

 

 

 

Nadia en Zehra worden vriendinnen

Zebra huppelde door het park.

“Goh”, dacht ze, “wat een leuk park. En wat is het groot.”

Ze was heel blij dat haar nieuwe huis zo dicht bij het park stond. Ze had nog geen vriendin. “He, daar zit een meisje op een bankje. Wat kijkt ze verdrietig.”

 

Op het bankje zat Nadia. Ze voelde zich inderdaad droevig. Want ze had niemand om mee te spelen. Ze zag opeens een meisje dat langs kwam huppelen. “Met haar zou ik wel willen zijn” dacht ze. Maar ze durfde niet goed. Zou dat meisje wel willen? Ze stond op, maar ging weer zitten. Ze vond het zo eng. Toen dacht ze: “ik probeer het toch.” Ze sontd op en friemelde aan haar jas. “Wat zal ik tegen haar zeggen?” dacht ze. Nadia zei: “Hallo” Nadia was opgelucht dat het meisje haar zo aardig antwoordde. Ze vroeg: “Hoe heet jij?” “Zehra” zei het andere meisje, “en hoe heet jij?” “Ik heet Nadia.” Zehra zei: “zZullen we samen spelen?” “Oke”, zei Nadia. Samen gingen ze spelen. Ze werden dikke vriendinnen.

 

Vraag de kinderen uit hun werkblad (van de les welke vriendjes heb ik (gehad)? Een kind te kiezen over wie ze willen vertellen en uitbeelden hoe vriendschap begon. Wanneer de kinderen iemand weten, dan vraag je de kinderen hun ogen dicht te doen. Je houdt een geleide associatie. Denk aan het moment dat je je vriend/innetje voor het eerst ontmoette. Waar was dat? Buiten, binnen. Welke tijd van het jaar was het? Hoe zag het er precies uit? Welke kleuren waren er en hoe rook het er? Hoe begon het contact? Begon jij of die ander? Hoe voelde je je toen? En hoe denk je dat de ander zich voelde? Hoe verliep het contact?

 

De kinderen doen hun ogen weer open. Hoe was het om je ogen dicht te doen?

Deel de groep in, in drietallen en geef de opdracht aan elkaar te vertellen over het begin van de vriendschap. Loop de groepjes langs en geef per groepje de volgende opdracht: Kies een ervaring uit waarover de kinderen een toneelstukje gaan maken.

 

Afsluiting:

Bespreek met de kinderen:

Heb je nieuwe manieren gezien van het maken van vriendschap?

Wat is een prettige manier?

 

Alleen zijn

 

Doel:

Alleen zijn wordt bespreekbaar gemaakt.

Kinderen leren dat alleen zijn fijn en naar kan zijn.

Kinderen krijgen de kans hun gevoelens uit te drukken.

 

Werkwijze:

Begin te vertellen dat de groep vandaag elfen gaat maken. Nee, het zijn geen sprookjesfiguren, hoewel?

Het is toveren met woorden. Vertel dat het gedichten zijn met 11 woorden. Er worden gedichten gemaakt over alleen zijn.

 

Schrijf op het bord het woord alleen (regel 1)

Vraag de kinderen een plaats te noemen waar ze wel eens alleen zijn.

In twee woorden schrijf je het eronder (regel 2). Dan vraag je iets wat je op die plek doet. Dat schrijf je op in 3 woorden (regel 3). Dan: hoe voel je je? In vier woorden opschrijven (regel 4). Daarna weer een woord (regel 5) Mag herhaling zijn van het eerste woord. Kan ook een nieuw woord zijn.

 

De kinderen gaan nu zelf een elf maken. Begeleid regel voor regel, help en controleer.

 

Afsluiting:

Na het schrijven hou je een voorleesronde.

 

 ik voelde me

 

 


Wat zou je doen als…

 

Doel:

Kinderen leren oplossingen te bedenken voor alledaagse problemen.

 

Werkwijze:

Vertel aan de kinderen een eigen situatie waarbij je niet wist wat je moest doen. Vraag aan de kinderen: Wat zouden jullie doen als jullie in mijn situatie zaten?

Laat enkele kinderen reageren.

 

Maak strookjes papier met stellingen erop, bijvoorbeeld:

Wat zou je doen als….je met iemand wil spelen en een ander vriendje vind dat niet goed?

Wat zou je doen als…je wordt uitgelachen omdat je met gymen niet over het paard durft te springen?

Wat zou je doen als…iemand je broertje uitscheldt, omdat hij een bril draagt?

 

Van alle kaartjes maak je 6 stapeltjes. Geef elk stapeltje een nummer 1-6. De kinderen gooien om de beurt met de dobbelsteen. Het nummer wat ze gooien hoort bij een stapel kaartjes. Ze pakken een kaartje en lezen deze voor. Ze denken na over wat zij in die situatie zouden doen. Vervolgens bespreek je met elkaar de verschillende oplossingen.

 

 

Afsluiting:

Is het moeilijk/makkelijk een oplossing te bedenken?

Herkennen kinderen de geformuleerde problemen?

 

Met de kaartjes kan je vervolglessen maken. Je kan bijvoorbeeld een kaartje nemen en daarmee een tableau maken. Ook kan je een bordtekening door de kinderen laten maken en daar over gaan praten. Wat gebeurt er? Wat zou jij doen? Enz. Je kan een toneelstukje maken rond een stelling. Als je eerst de stukjes helemaal uit laat spelen, dan kan je daarna het stukje nog een keer laten spelen waarbij er kinderen kunnen inspringen om de afloop te veranderen. Ook kan je het spel met de dobbelsteen nog een keer spelen, maar dan met stellingen die door de kinderen zelf zijn gemaakt.

 

 

 


3) Anders durven zijn

 

Kleding dragen

 

Bij kleding dragen kan aan alles gedacht worden. Wat is de mode? Waarom draag je dat wel of niet? Wat vind je mooi? Wat vind je minder mooi? Er kan met de kinderen een collage worden gemaakt. Daarbij kunnen de reclamefolders die de kinderen hebben meegenomen worden gebruikt.

 

Er kan ook aandacht worden besteed aan kleding in verschillende culturen. Wat zien de kinderen hiervan nog op straat? Zouden de mensen hun kleding mogen dragen? Hoe vind jij de kleding?

 

Lesomschrijving:

Naar aanleiding van een verhaal wordt een tableau gemaakt van het probleem. Van de oplossingen wordt een tableau gemaakt. Deze worden besproken.

 

Lesdoelen:

Kinderen durven anders te zijn en durven voor hun mening uit te komen.

Kinderen proberen een oplossing voor het probleem te verzinnen.

 

Inhoud

De kinderen maken een tableau van het probleem. Wanneer je tevreden bent over de opstelling dan laat je een kind vertellen wat het ziet (wie, wat waar)

 

Bespreek het probleem:

Waarom zou Mergül een hoofddoek dragen?

Waarom vinden andere kinderen het raar dat ze een hoofddoek draagt?

Hoe zou Mergül zich voelen?

 

Verdeel de groep in kleine groepjes en laat ze een oplossing bedenken. De oplossing zetten ze in tableau. Hierna worden er foto’s van de tableaus gemaakt.

De tableaus worden aan elkaar gepresenteerd.

Daarna worden de verschillende oplossingen met elkaar besproken.

 

 

Mergül draagt en hoofddoek

Mergül is een Turks meisje. Ze woont al heel lang in Nederland. Ze is zeven jaar. Haar vader wil graag dat ze een hoofddoek omdoet, als ze naar buiten gaat. En dat doet ze. In de gang doet ze haar hoofddoek om. Ze kijkt wat de goede kant is van haar hoofddoek. Want ze wil hem niet binnenstebuiten om? Ze slaat hem om. Om te zorgen dat de hoofddoek niet afwaait, zet ze hem met een speld vast. Zo, ze is klaar. Ze gaat naar school. Het is rustig op straat. Er zijn niet veel auto’s in de wijk van Mergül. Ze ziet een paar kinderen uit haar klas. Mirjam, Shirley en Carla. Ze rent naar hen toe, blij om hen te zien. Misschien kunnen ze samen maar school verder lopen. Maar halverwege het rennen gaat ze langzamer lopen. Ze kijken raar. Helemaal niet aardig. Mirjam heeft een gemeen lachje om haar mond. Ze lopen dreigend op haar af. “Hé, doe jij dat stomme hoofddoekje eens af, ”zegt Carla. Mergül kijkt hen aan. Ze voelt dat haar buik zeer doet.  “Je hebt zeker een kale kop” zegt Schirley. Mergül buik doet nog zeerder, Aarzelend zegt ze:”Nee, ik heb…….” Maar ze krijgt geen kans om haar zin af te maken. “Je moet dat achterlijke ding afzetten.” Ze lopen dreigend op haar af. Mergül weet niet goed wat ze zal doen. “Als je hem afdoet mag je er langs”, zeggen de meisjes.

 

Nog meer lesideeën:

 

Kernwoorden:

Dialect

Beroepen (je wilt vuilnisman worden en iedereen keurt dat af wat doe je dan?)

Haarkapsels

Gevoelens

 

In een drama les kunnen de kinderen zich helemaal uitleven, maar durf je ook anders te zijn. Aan de hand van een aantal klassikale opdrachten bespreken we de gevoelens. De onderstaande verhaaltjes kunnen worden uitgebeeld. Daarna kan ik een gesprek naar voren komen wanneer de leerlingen blij, verdrietig, boos en angstig zijn. Dit mogen de kinderen proberen uit te spelen maar dat hoeft niet.

 

Blij

Hoi hoi morgen ben ik jarig!

Vanmiddag ga ik met papa naar de winkels.

Ik mag een cadeau uitzoeken.

Dan wil ik een politie auto.

 

Boos

Papa wil eerst de treintjes kijken.

Maar ik wil eerst naar de kast, met de auto’s.

Kom nou mee papa!

Ik mocht toch een cadeau!

“Eerst even bij de treinen kijken, zeg ik toch”,

zegt papa.

Stomme papa

Stomme pap kijk jij dan maar!

Gil ik woedend kom mee!

 

Verdrietig

Daar zit pap bij de treintjes.

Hij vergeet mijn cadeau.

En ik wilde zo graag een politieauto.

Maar papa vindt de treintjes veel mooier!

Straks is die auto verkocht!

Dan neemt dat meisje die auto mee,

dan heb ik geen cadeau!

 

Angstig

Weet je wat?

Ik ga de auto vast pakken!

Als ik mijn arm uitsteek kan ik er niet bij.

Boiing!! Oei de auto is van de plank gevallen….

Ooh! Hij is stuk, het zwaailicht is eraf.

Ojé, daar komt een mevrouw aan….

Wat nu? Heeft ze het gezien?

 

Een verhaal afmaken

 

Doel:

Kinderen de kans geven zich te uiten over hun eigen emoties rond pesten

Signaalfunctie: Nagaan of het pesten (met name het schelden of het belachelijk maken) Bij de kinderen leeft als probleem of niet?

 

Werkwijze:

Het verhaal “de nieuwe kleren van de keizer” wordt gedeeltelijk aan de kinderen verteld. Het maakt niet uit of het verhaal al bekend is. De kinderen moeten vooraf een papier en pen voor zich hebben liggen. De kinderen moeten zich heel goed inleven in de hoofdfiguur, de keizer.

 

Als het verhaal is voorgelezen, vraagt u de kinderen om het verhaal op hun eigen manier af te maken. Vraag hun te beschrijven:

Wat de mensen op straat riepen

Hoe de keizer daarop reageerde

En wat er toen gebeurde

 

Het is niet de bedoeling dat ze het sprookje navertellen ze als ze het kennen, ze mogen er hun eigen sprookje van maken.

 

Nabespreking:

De verhalen worden gebruikt tijdens een kring over het onderwerp pesten. Daarbij kan centraal staan: de keizer geeft zelf alle aanleiding om uitgelachen te worden. Hij doet gewoon ontzettend dom. Overkomt dat jullie ook wel eens?

 

Verhaal: De kleren van de keizer

Er was eens een keizer die beslist de allermooiste en de meest opvallende kleren van het hele land wilde dragen Hij was zelf namenlij niet zo groot en ook nogal mager, hij moest het dus van zijn kleren hebben. Hij wou niet zo maar een broek of zo maar een jas, nee het moest werkelijk heel bijzonder zijn. Na lang zoeken vond hij een paar beroemde kleermakers. Die konden voor hem heel bijzondere kleren ontwerpen waarin de keizer zich geweldig zou voelen. Dat zeiden ze tenminste en de keizer, die niet alleen klein en mager was maar ook niet zo heel erg slim, geloofde ze.

De kleermakers werkten dag en nacht – aan niets! Ze deden ook net of ze zaten te spinnen en weven, maar niemand kon zien wat ze precies aan het maakten. Niemand durfde er ook iets van te zeggen want de kleermakers hadden verteld: “ iedereen die onze kleren niet ziet is echt verschrikkelijk dom!’ En wie wil er nou dom lijken?

Uiteindelijk trokken ze de keizier de kleren aan. Ze deden gewoon alsof. En de keizer deed alsof hij het helemaal prachtig vond, want hij wou ook niet dom lijken.

Zo ging de keizer de straat op, helemaal zonder kleren. Er liepen die dag veel mensen door de stad. Toen ze de keizer zo zagen, begonnen ze hard te lachen. Ze riepen……

 

 

 

5) Een beslissing durven nemen

 

Kaas (uit het vuistje)

 

Doel:

‘Oog om oog, tand om tand’ is meestal geen goede reactie. Maar het andere uiterste is dat je het kaas van je brood laat eten en zo zelf slachtoffer wordt.

Door het volgende verhaal kan je dit aan kinderen duidelijk maken.

 

Werkwijze:

Lees het verhaal voor van de kater Floris.

Korte samenvatting:

De kater Floris denkt dat twee muizen wel bang voor hem zijn. Maar het omgekeerde gebeurt. De muizen laten de kater doen wat zij graag willen: hun de weg wijzen naar de kaas. De twee muizen laten zich niet tot slachtoffer maken.

 

Afsluiting:

Je praat met de kinderen over het verhaal. Wat wil het verhaal duidelijk maken?

 

Met gelijke munt terug betalen

 

Doel:

De kinderen leren wat de uitdrukking betekent. Ze denken na of ze zelf wel eens iemand mat gelijke munt hebben terugbetaald. Wat was het effect hiervan? Wanneer kan het wel en wanneer kan het niet zo goed werken?

 

Werkwijze:

Je leest het verhaal voor van Cato.

Korte samenvatting:

Cato probeert de hele dag anderen met gelijke munt terug te betalen. Maar of dat nou wel zo’n geweldig idee was?

 

Afsluiting:

Gesprek:

Waarom worden alle mensen in het verhaal van Cato geïrriteerd en boos?

Waarom kunnen zij daar niet tegen?

Heb je dit zelf ook wel eens gedaan bij iemand? Hoe reageerde die?

Cato was moe. Hoe komt dat?

 

Gelijk spel

 

Doel:

Kinderen denken na over fair play spelen met voetbal. Hoe zouden zij reageren in zo’n situatie? Hebben ze het al een keer meegemaakt?

 

Werkwijze:

Je leest het verhaal voor.

Korte samenvatting:

Wat doe je als je door een speler van Rood-Wit onderuit wordt gehaald? En jouw ploeg het winnende doelpunt niet kan maken? De trainer grijpt in en voorkomt escalatie. Het is voor de benadeelde ploeg moeilijk om het beginsel van ‘fair play’ dan nog vol te houden, maar het lukt hen.  Op het einde blijkt hoe ook de tegenstander op een eigen manier fair gespeeld heeft door op creatieve wijze het gemene optreden van de eigen speler te wreken.

 

Afsluiting:

Is de gemene trap van ‘die lange’ van Rood-Wit voldoende bestraft?

Trainer Hans zegt dat hij trots is op de jongens. Waarom?

Wat vind je van de straf die “die lange’ krijgt van zijn eigen medespelers?

De eerste spontane reactie in zo’n situatie is vaak: dit krijg je terug!

Wanneer is het voor Eric pas echt “gelijk spel”? Wat vind je daarvan?

 

Wolf en de lammetjes

 

Doel:

De kinderen leren wat de uitdrukking wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in betekent. De kinderen denken na of ze dit zelf wel eens doen.

 

Werkwijze:

Lees het verhaal voor

Wolf en lammetjes, korte samenvatting:

Een wolf bedenkt een slim plan om lammetjes te vangen. Hij graaft een kuil en probeert ze met wolvengehuil naar de kuil te jagen. In plaats van bang te zijn, worden de lammetjes juist nieuwsgierig. Ze slaan helemaal niet op de vlucht. Dan besluit de wolf het zelf voor te doen. Hij laat een angstaanjagend gehuil horen en rent razendsnel naar de andere kant van de weide. Het probleem alleen is dat hij niet meer weet waar hij zijn eigen kuil gegraven heeft…

 

Afsluiting:

Weten de kinderen een uitdrukking die bij het verhaal past? (Wie een kuil…)

 

Gebed

 

God,

Er zijn zoveel momenten

dat we wraak willen nemen:

als we geslagen worden,

als we uitgescholden worden.

Als ons onrecht wordt aangedaan,

als we gepest worden.

 

Help ons

om met wraakgevoelens om te gaan.

Geef ons de kracht

om niet meteen te roepen

‘Dat zet ik je betaald!’

Leer ons het geduld op te brengen

naar andere oplossingen uit te kijken.

Zet mensen op onze weg

die ons daarbij helpen.

Maak ons vrije mensen.

Dank u wel.

 

God,

Soms zijn we boos en opstandig tegelijk.

Vooral als we slachtoffer zijn.

Als we worden gepest, getreiterd.

Als iemand ons vernederd of in een hoek trapt.

Wij willen dan eigen rechter spelen:

“Dat zet ik je betaald!!!” roepen we dan.

Daar hebben we deze week over

gesproken en samen nagedacht.

 

Maar het gebeurt niet alleen bij ons.

Over de hele wereld zijn mensen op de vlucht.

Miljoenen mensen.

Zij zijn slachtoffers van het geweld in hun land.

 

 

Wij bidden u

dat gevoelens van haat en wraak

niet te sterk worden,

En dat mensen blijven geloven

in de kracht van de liefde.

Help ons daarbij.

 

Lesideeën:

 

Schoolkeuze

Wat wil je later worden? Er liggen op school vier denkbeeldige scholen. De scholen zijn verschillend in uiterlijk en grootte.  School 1 is klein en is in een klein kasteel gelegen. Er zijn weinig kantine mogelijkheden. School 2 : Is klein en staat in midden in de stad. School drie is super groot. Het is net een fabriek. School 4 is een grote school met een uitgebreide kantine, leerkrachten die bij de leerlingen betrokken zijn. In een kringgesprek wordt over de scholen gepraat. Er moet een beeld van de scholen worden geschept. Kernwoorden op bord kunnen helpen om de stof voor de leerlingen te ordenen. Hierna kiezen de kinderen een school. Ze schrijven in het kort waarom ze voor een bepaalde school hebben gekozen. Hierna maken ze een tekening van de school. Ze mogen de school idealiseren.

 

Werkstukken op school

De kinderen werken een eigen project uit. Ze krijgen daarvoor 5 vuistregels.

Maak een woordweb. Schrijf alle woorden die in je opkomen op, over het onderwerp.

Zoek naar informatie over je onderwerp.

Maak drie of vier hoofdstukjes

Schrijf waarom je voor een dit onderwerp hebt gekozen

Schrijf na het schrijven van je werkstuk hoe je aan het werkstuk gewerkt hebt.

 

Beroepen

Een dramales waarin beroepen centraal staan. Er wordt als inleiding een verhaal voorgelezen over Elsje die totaal niet weet wat ze wil worden. In het verhaal komen allerlei beroepen naar voren. Hierna wordt er overgegaan op de kern van de les. Er staat in de kring een denkbeeldige doos. In de doos zitten allerlei attributen (denkbeeldig). De kinderen kiezen een attribuut en spelen hiermee een beroep uit. De kinderen moeten zelf een keuze maken voor het beroep. Als ze niet weten welk beroep ze moeten kiezen, kiezen ze een beroep van een familielid.

 

Vakanties

Rond de vakantie tijd komen er allemaal folders in huis over vakanties. Wat is voor de kinderen een ideale vakantie? In de introductie kan hier met de kinderen over worden. Wat vinden de kinderen belangrijk op vakantie? Wat zouden ze willen doen? Wat moet er aanwezig zijn om een leuke vakantie te krijgen? Na het kringgesprek gaan de kinderen in groepjes een ideale vakantie verzinnen. Er worden een aantal kernwoorden opgeschreven. In dezelfde tijd wordt het liedje zand op je boterham aan de kinderen aangeleerd. De kinderen moeten proberen om een volgende les de tekst van dit liedje te veranderen in hun ideale vakantie.

 

De weg van huis naar school (verkeerssituaties)

De kinderen leggen elke dag een weg af van school naar huis. De kinderen moeten een plattegrond tekenen waarbij ze de weg naar school schetsen. Als de kinderen klaar zijn, verteld de leerkracht zijn weg van huis naar school. Hij geeft aan op welke punten hij keuzes moet maken. Bijvoorbeeld bij het oversteken, het voorsorteren op de weg, welke weg zou ik nemen een lange of een korte weg, wat betekenen de verkeersborden. Hierna gaan de leerlingen op de achtergrond van de plattegrond aangeven voor welke keuzen ze staan. Er kan ook worden gedacht aan de keuze voor het ophalen van een vriendin, of de plaats waar je met andere leerlingen afspreekt.

 

Vriendinnen

(Met wie wil je wel omgaan? Waarom wel en niet? Wat doen jullie samen en wat niet? Wat vertel je wel en niet?)

Gesprekken in groepen van zes kinderen.

 

Agenda maken

 We gaan met de leerlingen een maand lang een agenda bijhouden. Eerst moet de agenda ontworpen worden. Er kan uitgebreid aandacht worden besteed aan de indeling van de agenda. Bijvoorbeeld werken in kolommen waarbij onderschei kan worden gemaakt tussen hobby’s en werk. De kinderen moeten zich bewust worden van het feit dat ze keuzes maken. Soms komt het voor dat je meerdere dingen op een dag hebt, je moet dan een keuze maken. Ook kan er in de klas een denkbeeldige dag worden behandeld de kinderen moeten dan aangeven wat ze zouden doen op zo’n dag. De activiteiten op deze denkbeeldige dag: eten, voetballen, handballen, naar Duinrell, op bezoek bij oma, spelen met je vriend of vriendin, TV kijken, computeren, uit eten met de familie, werken bij de supermarkt etc (wat wil je wel en niet doen? Hobby’s, afspraken noteren)

Mening over krantenartikel:

De kinderen houden een week lang de krant in de gaten. Elke dag knippen ze een artikel uit de krant. Na een week nemen de kinderen de artikelen mee naar de klas. Er wordt eerst een onderscheid gemaakt tussen het soort artikelen. Van welke pagina kwamen de artikelen? (sportpagina, voorpagina, Pagina plus). Zijn de artikelen in te delen. Bijvoorbeeld kijken naar het soort informatie. Kunnen de kinderen daarom verwoorden waarom ze voor een bepaald artikel hebben gekozen. Van de artikelen wordt een collage gemaakt. Bij de artikelen moeten de kinderen schrijven waarom ze voor een bepaald artikel hebben gekozen. Ook de belangrijkheid van de artikelen van de kinderen moet naar voren komen.

 

Meningen over stellingen

De stellingen kunnen worden gehaald uit de actualiteit. Of uit de bijbel verhaal van Levi de poortwachter. De kinderen moeten zich formeren in een NEE en JA groep. De kinderen krijgen dan ieder twee minuten de kans om argumenten te noemen. Na een eerste ronde mogen de kinderen in discussie gaan. Er moet daarbij worden afgesproken dat je naar elkaar luistert en dat je elkaar laat uitpraten.

 

Reclames: Welke producten koop je en waarom? Kies een eigen product en maak daar de reclame van.

 

In de klas staan vijf merken van hondenbrokken. Er worden geen prijskaartjes bij gehangen. De kinderen moeten door middel van de omschrijving op de pakken bekijken welke reclame product ze zouden kiezen. Daarna mogen de kinderen zelf uit reclames folders producten uitkiezen en daar zelf een reclame voor schrijven.

 

 

 

 

 

Bijbelverhalen en ons project

 

De onderstaande verhalen kunnen worden gebruikt als kleine uitstapjes naast de lessen. De verhalen kunnen op het einde van een thema aan de orde komen. De verhalen kunnen dan bijvoorbeeld naar de actualiteit verplaatst worden. De verhalen zijn niet bedoeld als start van een thema. 

 

Jozefs zijn dromen, Genesis 37:1-11

 

Jozef heeft dromen over zijn broers. Zijn broers zullen ooit eens voor hem buigen. Zijn broers vinden Jozefs zijn dromen maar raar. Sowieso vinden ze Jozef maar een verwend nest. Hij hoeft niet te werken. Van zijn vader leert hij schrijven. Zijn broers accepteren hem niet.

 

Dit gedeelte van het verhaal past bij het thema accepteren, anders durven zijn.

 

De broers vinden Jozef maar vreemd. Ze zien niet in dat hij speciale gaven heeft. Ze accepteren niet dat hij anders is. Hij heeft dromen en eigenlijk willen de broers de dromen helemaal niet horen. Jozef heeft niet door dat zijn broers hem anders vinden. Hij merkt wel eens dat hij andere dingen moet doen dan zijn broers. Hij doet er niets aan. Hij durft dus anders te zijn.

 

Jozef naar Egypte verkocht, Genesis 37

 

De broers van jozef willen jozef lasten verdwijnen. Ze vinden hem vervelend, verwend en willen meer aandacht van hun vader. De broers willen Jozef doodslaan. Dat durven ze niet. Ze beslissen om hem in een put te gooien. Jozef schreeuwt om hulp. Geen enkele broer reageert hierop. Alleen Ruben die denkt bij zichzelf. “Jozef ik kon je er zo wel uittrekken”. Ruben die rent heel ver weg. Ondertussen komt er langs de put een handelskaravaan met kamelen langs. Juda krijgt een geweldig idee. We kunnen Jozef verkopen. Alle broers zijn het ermee eens en nemen de beslissing om Jozef te verkopen. Als Ruben terugkomt merkt hij dat Jozef weg is. Zijn broers doodde een dier en doen het bloed van het dier op de mantel van Jozef.

 

Dit verhaal past bij het gedeelte een beslissing nemen, buiten sluiten

 

De broers zijn het zat om Jozef te accepteren zoals hij is. Ze willen hem weg hebben. Ze nemen de beslissing om hem in een put te gooien. Ze sluiten hiermee Jozef af van zijn familie.

 

 

Jozef in het huis van Potifar, Genesis 39

 

De vrouw van Potifar vindt slaaf Jozef wel erg interessant. Jozef werkt zich op als slaaf. Op een gegeven moment krijgt hij steeds meer mensen onder zich. Op een dag wil de vrouw van Potifar dat Jozef lief is. Jozef weigert dit. De vrouw scheurt de mantel van Jozef van zijn lijf. Jozef rent weg. Op dat moment bedenkt de vrouw een listig plan. Ze gaat schreeuwen en zegt tegen haar man dat Jozef haar heeft aangeraakt. Jozef wordt hiervoor gestraft.

 

Dit verhaal past het beste bij een beslissing durven nemen, buiten sluiten

 

De vrouw van Potifar neemt de beslissing dat Jozef aardig en lief voor haar moet zijn. Ze denkt dat ze dat met haar positie wel kan bewerkstelligen. Jozef is trouw aan Potifar en weigert lichamelijk contact met de vrouw. Beide personen in het verhaal nemen een beslissing. Het vervolg kan worden uitgelegd door het feit dat Potifar Jozef buiten sluit. Jozef wordt opgesloten en moet wederom onterecht boete voor iets waar hij niets aan kan doen.

 

De grootste in het Koninkrijk en het verloren schaap, Matteüs 18:1-14

 

Kinderen willen er graag bij horen. Ze willen graag groot zijn. Kinderen hebben dan het gevoel dat ze iets zijn. Jezus loopt in het dorp rond en verteld de kinderen dat God vertrouwen in ze heeft. De volwassene moeten niet lelijk tegen de kinderen zijn. Geen kind mag verloren gaan.

 

Dit verhaal vinden wij passen bij accepteren en buiten sluiten.

Het is weer een heel ander soort verhaal. Kinderen zijn zoals ze zijn. Iedere leeftijd heeft zo zijn voor en nadelen. Kinderen worden vaak niet als vol aangezien en worden bijvoorbeeld buiten gesloten van feestjes, vergaderingen etc. Volwassene denken dat kinderen geen mening hebben. Kinderen worden steeds meer verantwoordelijk voor hun daden. Ze hebben eigen argumenten.  Kinderen moeten worden geaccepteerd zoals ze zijn. Kinderen met problemen, handicaps krijgen steeds meer te maken met een maatschappij. De maatschappij accepteert niet dat kinderen anders zijn.

 

 

 

Buigen voor Haman? Nooit! Ester 3

 

Haman, de opper- minister van Koning Agasvoeros, krijgt last van grootheidswaan Hij wil dat iedereen voor hem buigt en knielt. Mordekai, de rechtvaardige, weigert. Hij buigt en knielt alleen voor zijn God. Nu is er een conflict Haman voelt zich herkent en zit op wraak.

 

Dit verhaal past goed bij de thema anders durven zijn. Mordekai accepteert niet dat hij voor Haman opper- minister moet buigen, Hij buigt alleen voor zijn god. Hij durft hierin dus een keuze te maken. Haman geeft hierop het bevel dat op de 13e van de 12e maand alle joden moeten worden vermoord.

 

Ester waagt haar leven, Ester 4

 

Mordekai laat het oordeel van Haman niet zomaar over zich heenkomen, Letterlijk ‘in zak en as’  gaat hij naar de poort, maar niet in de slachtofferrol, maar om op deze manier Ester duidelijk te maken dat er iets vreselijk aan de hand is. Tenslotte weet hij Ester zover te krijgen dat zij iets gaat ondernemen, Hoe gevaarlijk dat ook is voor haarzelf

 

Dit verhaal past goed bij het thema een beslissing durven nemen. Ester neemt de beslissing om voor haar oom de koning (haar man) om genade te smeken.

Ester doet dit door de koning te vragen om een feestmaal samen met Haman. Ze waagt daarbij haar eigen leven. Wat ze wil vragen tijdens dit feestmaal wordt nog niet verteld.

 

Haman wordt ontmaskerd, Ester 5-8

 

Haman wordt ontmaskerd en gedood en Mordekai wordt in zijn plaats opper minister. Hij krijgt zijn eigen plaats als een boemerang terug. Hij krijgt zijn eigen als een boemerang terug. Maar dan ligt er nog steeds dat bevel dat Haman namens de koning heeft uitgevaardigd, dat bevel dat alle joden gedood zullen worden, en dat is een wet van Meden en Pezen, dus dit bevel kan niet ongedaan gemaakt worden.

 

In het verhaal worden de rollen omgedraaid. Haman bedenkt een leuk plan omdat hij denkt dat de koning hem wil eren. Bij de maaltijden van Ester wil ester en constant over beginnen. Ze neemt op een gegeven moment de beslissing om haar vrees tegen de koning te zeggen. De koning reageert hierop door eerst weg te lopen. Hij ziet later dat de Haman wat met zijn vrouw doet. Hij neemt de beslissing om hem te laten doden.

 

Alleen op pad, Markus 6,3-13

 

Jezus stuurt zijn leerlingen alleen op pad. Hij heeft de beslissing genomen dat de leerlingen in tweetallen de droom van God over kunnen brengen op de ander mensen. Alle dorpen moeten bezocht worden. De leerlingen moeten op dit moment accepteren dat ze anders zijn. Ze moeten een droom aan de mensen vertellen.

 

De droom van God

 

Jezus praat met zijn leerlingen. Petrus is heel verdrietig want hij heeft vandaag twee kinderen zien ruzie maken. ook heeft hij gezien dat een verlamde man door de mensen genegeerd wordt. Niemand schenkt de man aandacht en het is net of hij geen vrienden heeft. Jezus vertelt Petrus dat als mensen goed voor elkaar zijn dat Gods droom is.

 

Het verhaal wil vertellen dat Petrus graag wil dat het anders gaat. Hij wil dat mensen geen ruzie maken en hij wil ook dat de mensen de verlamde man helpen. Wij vinden dit verhaal bij het thema accepteren passen. De man heeft geen vrienden omdat de mensen hem raar vinden. Hij wordt niet gezien als vol. Dit gedeelte van het verhaal zou je bij accepteren kunnen voegen omdat Petrus graag wil zien dat het anders zou zijn.

 

Als God worden, Genesis 3

 

Eva laat zich verleiden door de slang. Want het is aantrekkelijk om net als God te worden. Daarin vindt God het beter dat ze het paradijs verlaat.

 

In dit verhaal luistert Eva naar een slang. Ze durft hiermee anders te zijn. Ze wil namelijk op God lijken. Dit verhaal kan bij het thema anders durven zijn voorgelezen worden. Ook kan er gepraat worden over hoe God hierop reageert.

 

De man met een leger namen, Marcus 5, 1-20

 

Jezus laat zien dat de angst voor iemand die ‘anders’ is, een aangeprate angst is. Je kunt dat niet overwinnen door ervoor weg te lopen. Misschien kun je er iets aan doen.

 

Dit verhaal vinden we passen bij het thema anders durven zijn. Jezus laat zien dat hij niets aantrekt van wat er gezegd is. Hij laat de man vertellen en praat met deze man. Dan komen Jezus en zijn leerlingen erachter dat de man helemaal niet woest is. Jezus en zijn leerlingen accepteren dus dat de man anders is.

 

 

 

Achtergrondinformatie Pesten

 

Werken met eigen ervaringen

Het is belangrijk dat kinderen over hun ervaringen kunnen vertellen, ze kunnen verwerken, erop reflecteren en ze uitwisselen met anderen. Daarvan leren de kinderen. Ze worden zich meer bewust van hun eigen denken en handelen. Dat niet elk onderwerp is gemakkelijk om over te praten. Kinderen kunnen het moeilijk vinden om te vertellen hoe ze denken en hoe ze voelen als de sfeer in de klas niet veilig genoeg is of omdat het onderwerp in de taboe sfeer ligt. Spel geeft vaak mogelijkheden om op een veilige manier op zulke ervaringen in te gaan.

 

Een definitie van “pesten”

 

Pesten is gedrag dat min of meer bewust is gericht op één of meer kinderen en dat tot doel én dat tot gevolg heeft dat degene die gepest wordt, zich gekwetst, geraakt, vernederd, afgewezen en /of buitengesloten voelt.

 

Bij pesten kan een onderscheid worden gemaakt tussen:

Incidenteel pesten: een enkele opmerking, steek of sneer, een enkele duw, een enkele keer een voet uitsteken….

Structureel pesten: sommige leerlingen zijn continu het slachtoffer van pesten- wat ze ook doen, wat ze ook zeggen, wat voor kleding ze ook dragen, het is “nooit goed: sommige andere leerlingen gedragen zich continu als pestkoppen: het lijkt wel of ze geen andere manier van omgaan met medeleerlingen kennen!

 

Enkele vormen van pestgedrag

Schelden / scheldnamen geven

Stukmaken/ afpakken/ verstoppen van eigendommen

Naroepen/ uitlachen/ belachelijk maken

Fysiek geweld

Nadoen, imiteren

Uitsluiten van groepsspel en sportactiviteiten

 

NB: Het pesten vindt bijna altijd stiekem plaats, buiten de waarneming van leerkrachten en ouders., Dat het gebeurt, is lang niet altijd zichtbaar.

 

 

Pesten: de oorzaken

Wat veroorzaakt het pesten? Wat zorgt ervoor dat sommige leerlingen zich “ontpoppen” tot ware treiteraars en pestkoppen

De Noorse onderzoeker Dan Olweus heeft in een grootschallig onderzoek blijkt dat pesten niet veroorzaakt wordt door:

De grootte van de klas of school

Het falen op school

Fysieke afwijkingen/ afwijkende kleding

 

Wat er wel mee samenhangt zijn onder meer:

Sociale omstandigheden: zoals laag inkomen, laag opleidingsniveau van de ouders

En de opvoedingsstijl die de ouders hanteren: negativisme van de ouders, gebruik van geweld en machtsmiddelen in de opvoeding en het toleren van agressief gedrag

Wat de slachtoffers/ de zondebokken betreft: Zij kenmerken zich door lage zelfwaardering, hoge mate van sociale angst en fysieke zwakte.

 

 

Pesten : de gevolgen

Pesten en gepest  worden heeft verstrekkende gevolgen voor zowel de pestkop als de zondebok

 

De mogelijke gevolgen voor de pestkop:

lagere schoolprestaties

hoge kans op criminaliteit

 

De mogelijke gevolgen voor de zondebok

negatief zelfbeeld lage zelfwaardering

onzekerheid in sociale relaties, eenzaamheid en isolement

verhoogde kans op het ontwikkelen van ernstige psychische problemen

kans op het ontwikkelen van antipathie tegen school schoolverzuim met als gevolg kans op vroegtijdige schoolverlaten

 

 

 

Het pedagogisch klimaat

 

De rol van de leerkracht is heel belangrijk voor de sfeer in de groep. De leerkrachten en de klas maken echter deel uit van een groter geheel. De volgende invloeden zijn heel belangrijk voor het pedagogisch klimaat:

 

Werkresultaten:

Een te grote nadruk op de schoolprestaties kan heel erg negatief uitpakken. De spanning in een klas kan hoog oplopen indien een leerkracht onder druk ‘van bovenaf’ koste wat kost bepaalde resultaten blijft najagen.

 

Werklast:

De werklast moet goed onder de leerkrachten verdeeld zijn. De leerkracht met een grote combinatieklas en met relatief veel moeilijke leerlingen moet bijvoorbeeld wat ontzien worden bij het invullen van algemen schooltaken. Het scheppen van een goede sfeer in de klas vereist naast enthousiasme en goede wil ook voldoende energie. De werkdruk mag niet te hoog oplopen, anders bestaat de kans dat de leerkracht ongeduldig en geïrriteerd gaat reageren. Ook zal er dan minder tijd zijn om informele contacten met de leerlingen te onderhouden en om nieuwe activiteiten te organiseren.

 

Contacten met de ouders:

Veel problemen kunnen worden voorkomen indien er op school een goed systeem van contacten met ouders is opgebouwd. Door een soepele communicatie met ouders leren we de kinderen beter te begrijpen en kunnen we doelgerichter reageren. Ook zal het kind zich op school beter op zijn gemakt voelen wanneer het weet dat er een goed contact is tussen de school en zijn ouders.

 

Buitenschoolse activiteiten en vieringen:

Buitenschoolse activiteiten en vieringen bevorderen in het algemeen een gezond pedagogisch klimaat. Door het ‘wij-gevoel’ dat erdoor ontstaat zal het kind zich oop school meer thuis voelen. Uiteraard heeft dit een positieve uitstraling op de sfeer in de klas.

 

Regels:

Het is belangrijk dat redelijke en duidelijk gestelde regels door het gehele team actief bewaakt worden. Zo kan bijvoorbeeld intensief surveilleren op de speelplaats veel narigheid in de klas voorkomen.

 

Steun van het team:

Wanneer een leerkracht worstelt met een moeilijke klas of een moeilijk kind, dan moet hij bij het team steun kunnen vinden. Een problematische klas is niet slechts het individuele probleem van de klassenleerkracht. Ook moet voorkomen worden dat een bepaalde klas een negatief stem krijgt en houdt. Zo’n stempel werkt verbetering van de situatie tegen.

 

Een goed klassenklimaat is voorwaarde voor effectief leren. Er wordt ontspannen en dus beter gewerkt en er gaat minder tijd verloren aan correcties van individuen en de groep. Een goed klassenklimaat is ook motiverend voor jezelf. Je gaat nooit net tegenzin de klas in en je krijgt en houdt energie voor leuke activiteiten. Het klassenklimaat vergt preventieve actie. Dat betekent dus dat je actief moet worden voordat het mis loopt. Het is nodig veel tijd en aandacht te investeren in een goed klassenklimaat. Dan komt er niet vanzelf. Je zult dus intensief aan de slag moeten. Als het klassenklimaat van doorslaggevend belang is voor het werkplezier en daarmee voor de ontwikkeling van de kinderen, dan kan het dus niet zo zijn dat er geen tijd is om aan verbetering van het klassenklimaat te werken, omdat bijvoorbeeld ‘het programma anders niet afkomt’ Omgaan met elkaar moet je leren. Voor dat leerproces is nodig: bewustwording, oefening en verbetering of evaluatie.

 

Suggesties voor verbetering van het pedagogisch klimaat

 

Investeer vooral de eerste weken veel energie in het verbeteren van het klassenklimaat. Je kunt beter de eerste weken wat moe zijn dan de rest van het jaar.

Zorg voor een goede organisatie. Je moet zelf precies weten wat je wilt met de les, de kinderen moeten dat weten en je moet ervoor  zorgen dat voldoende materialen beschikbaar zijn als de les begint.

Instrueer en oefen voorafgaand aan groepsmomenten. Ga vooraf met de groep overleggen over het proces: hoe pak je het samen aan? Laat een groepje aan de klas demonstreren hoe er samengewerkt kan worden. Bespreek dat met de klas en laat de kinderen vervolgens aan het werk gaan. Wees actief aanwezig als de groepen aan het werk gaan, loop rond, stimuleer en wijs op goede situaties. Zorg dat je geen tijd hoeft te besteden aan andere zaken, zoals niet beschikbare materialen of kapotte hulpmiddelen.

Af op dezelfde manier aan de gang als je tijdens de gymles in circuit wilt werken. Zorg ervoor dat de kinderen weten wat van ze verwacht wordt: wat kan gedaan worden en hoe gaan we aan het werk?

Houdt thematische kringgesprekken. Thema's: ruzie, de ander, helpen en geholpen worden, wie wil de baas zijn, drift en woede, fouten maken en toegeven. Laat kinderen ontdekken hoe ruzies kunnen ontstaan (begin buiten school) en wat nodig is om ruzies op te lossen. Probeer kringgesprekken te houden rond meer 'individuele' onderwerpen als: angst, verlegenheid, eenzaamheid, schaamte, fouten toegeven. Leer de kinderen zich in te leven in de gevoelens van anderen. Probeer zo sociale vaardigheden te ontwikkelen. Als de kringgesprekken goed lopen, heeft dat zeker een gunstige uitwerking op de sfeer in de groep. Stop gewoon met een kringgesprek als je merkt dat het moment verkeerd gekozen was. Stop dan vooral gewoon, zonder theater of verwijten, zonder commentaar.

Zorg ervoor dat je niet zelf de competitiesfeer en de tegenstellingen versterkt. Geef vooral een leerling of een groepje leerlingen niet de schuld van de slechte sfeer.

Maak werk van het gedrag op het plein. Voorkom dat na elke pauze tijd besteed moet worden aan het uitpraten en bespreken van ruzie, storend gedrag of onverdraagzaamheid.

Houd je aan eigen afspraken en toezeggingen. Houd je ook aan je eigen voornemens en planningen. Laat je niet door de klas overhalen iets te doen of te laten wat je niet van plan bent, want dan zullen de pogingen je te beïnvloeden alleen maar toenemen.

Creëer bewust prettige en ontspannende momenten.

Om de onderlinge verhoudingen van de kinderen te meten kan je als leerkracht een kleine enquête houden. Voorbeeld:

 

Ben jij een jongen of een meisje?

jongen

meisje

Omcirkel bij elke vraag de letter die volgens jou het juiste antwoord is.

 

Hoe vaak hebben andere kinderen jou sinds het begin van dit schooljaar gepest?

ik ben dit schooljaar niet gepest

ik ben maar een of twee keer gepest

ik ben regelmatig gepest

ik ben ongeveer een keer per week gepest

ik ben verschillende keren in de week gepest

 

Hoe vaak heb je zelf meegedaan met het pesten van andere kinderen op school sinds het begin van dit schooljaar?

ik heb dit schooljaar geen kinderen gepest

een of twee keer

regelmatig

ongeveer een keer per week

verschillende keren per week

 

Schrijf de namen van klasgenootjes op die sinds het begin van dit jaar regelmatig door andere leerlingen gepest worden op school.

Niemand wordt regelmatig gepest.

…………………………………..

…………………………………..

………………………………….

 

Schrijf de namen van klasgenootjes op die sinds het begin van dit schooljaar regelmatig andere kinderen pesten op school.

Niemand pest andere kinderen regelmatig.

…………………………………..

………………………………….

………………………………….

 

Tot slot:

Een goede sfeer in een klas krijg je niet cadeau. De leerkracht moet zich ervan bewust zijn dat hij of zij persoonlijk een sterke invloed heeft op die sfeer. Ook moet de leerkracht het belang van een goede sfeer inzien en niet redeneren in de trant van 'gezelligheid komt later wel, we zijn nu hier om flink te werken'. En tenslotte moet de leerkracht daadwerkelijk aan het werk om een goede sfeer in zijn groep te veroveren. Dat betekent o.a.: goed observeren, evalueren, plannen maken, experimenteren en van kinderen blijven genieten. Bij dit alles is de ondersteuning van maatregelen op schoolniveau onontbeerlijk.