
12 juni 2001
afstudeerproject van SCBS
|
Opbouw Het
project is opgebouwd uit vijf centrale thema’s. We hebben gekozen voor
de volgende thema’s: Pesten Accepteren Buiten sluiten Anders durven zijn Een beslissing durven nemen Eerst
hebben we gezocht naar een bijbelverhaal als begin. Het werd de geschiedenis
van Levi (Marcus 2:13 – 17). Het verhaal over Levi
sluit goed aan bij ons onderwerp. Levi wordt meegenomen door Jezus.
Jezus trekt zich dus niets aan van wat de andere mensen zeggen. Aan
het einde van het project vindt U nog een serie bijbelverhalen.
Die kunnen goed dienst doen als uitstapje. Even het thema loslaten (en
toch niet) om daarna Daarna startten we
ons project met een verhaal en een centraal onderwerp (pesten) Nu nog
een goede indeling voor ons project. Om eventuele uitstapjes naar andere
bijbelverhalen te kunnen maken, hebben we besloten om ons project in
5 verschillende thema’s te verdelen. Het
eerste thema is pesten. We
zijn allebei geïnteresseerd om een project over pesten in je klas te
hebben. Zo kan je het er altijd bijpakken als je het nodig hebt. Op
dat moment hoef je dan niet naar informatie te zoeken. Het project kan
je ook gebruiken om pesten juist te voorkomen. Als je met de klas veel
werkt aan sociale vaardigheden dan komt dit ten gunste van het pedagogisch
klimaat. Als je met de kinderen gewerkt hebt met dit project, dan heb
je vaak aan een half woord al genoeg. Een pester heet dan geen pester
meer, maar je noemt hem/haar Levi. De kinderen worden dan in een woord
herinnerd aan wat ze geleerd hebben tijdens het project. Het woord Levi
kan hierdoor erg effectief werken. Het
tweede thema is accepteren.
In het verhaal over Levi accepteert Jezus Levi en vraagt hem om met
hem mee te gaan. Dit in tegenstelling tot de mensen die een afkeer hadden
tegen Levi. Accepteren is erg belangrijk wat betreft sociale omgang
met elkaar. Verschillen zijn er altijd bij mensen en die verschillen
moet je accepteren. Doe je dat niet dan ontstaat er wrijving in de omgang.
Je accepteert elkaar niet. Accepteren heeft ook voor een groot deel
te maken met onzekerheid. Het is heel makkelijk om iemand te pesten,
zodat hij niet te dicht bij je komt. Je kan afstand van hem houden. Het
derde thema is buiten sluiten.
Buiten sluiten is eigenlijk een vervolg op niet accepteren. Door iemand
niet te accepteren, sluit je hem buiten je omgang met mensen. Buiten
sluiten is een hele ‘veilige’ manier voor veel mensen. Hoe minder je
met iemand te maken hebt, hoe makkelijker. Het
vierde thema is anders durven
zijn. Anders durven zijn heeft heel veel te maken met zelfverzekerd
zijn. Al zit je lekker in je vel, dan kan je gewoon jezelf zijn, zonder
je voortdurend vertwijfeld af te vragen wat andere mensen van je denken.
Dit maakt je veel minder vatbaar voor pestgedrag. Je stelt je zeker
op en dat geeft je een soort ‘schild’ voor pesters. Het laatste thema is een beslissing durven nemen. Jezus durfde
een beslissing te nemen en hij vroeg Levi om met hem mee te gaan. Met
deze beslissing gaf Jezus zich erg bloot. Hij kwam achter zijn veilige
‘muurtje’ vandaan en durfde Levi mee te vragen waar iedereen bij was.
In de klas is dit bij veel kinderen ook vaak het probleem. Kinderen
willen vaak wel een beslissing nemen, maar ze durven het niet omdat
ze bang zijn voor de mening van andere kinderen. Als je een beslissing
durft te nemen, dan heb je veel zelfvertrouwen. Bronnen:Trefwoord Kind op maandag Samenspel, tegenspel, spel, Beatrijs Nolet, Zwijsen In de klas, pesten, Samson Internet Beter omgaan met jezelf en de ander, midden- en bovenbouw Pestmap, Riagg Lesideeën
Pesten Opgewacht uit school (pesten) Doel:Kinderen
leren oplossingen te bedenken en vorm te geven voor een veel voorkomend
probleem. Werkwijze:
Oefening:Drie
kinderen staan op een rij. Een kind staat er voor. Het kind probeert
door de groep te lopen. De eerste keer maakt de groep alle ruimte en
laat het kind door. De tweede keer is er nauwelijks ruimte en kan het
kind er net door. De derde keer staat het groepje dicht tegen elkaar
aan en kan het kind er alleen door als het ze wegdrukt. Laat ze een
paar keer van rol wisselen. Bespreek
wat voor gevoel het geeft om door het groepje te gaan. Maakt het uit
hoe dicht ze bij elkaar staan? Lees het verhaaltje voor. Vraag de kinderen
wat het probleem is.
Leesoefening Esmaralda
Doel:Kinderen
laten nadenken over mogelijke reacties op kritiek/ plagende opmerkingen/
schelden. Werkwijze:Geef
de kinderen eerst de tekst van het verhaal. Vraag ze om het verhaal
te lezen en af te maken. Daarna haalt u de verhalen op en deelt u de
vragen lijsten uit. Die moeten de kinderen in 5 a 10 minuten invullen.
De ingevulde vragenlijsten worden bij u ingeleverd. Daarna houdt u een
nabespreking / kringgesprek. Nabespreking:Vraag
aan de kinderen of ze dat herkennen dat iemand wordt uitgelachen om
iets waar hij zelf niets aan kan doen – zoals bijvoorbeeld lange neus?
Vraag wat ze daarvan vinden. En: wat zou je het beste kunnen doen of
zeggen als je wordt uitgelachen of nageroepen om zoiets? Drama:Je
kunt de suggesties van de kinderen in pantomime naspelen. Tekst van de leesoefening:Esmaralda Esmaralda was 18 jaar. En omdat zij een prinses was, werd het tijd dat ze ging
trouwen. Haar vader nodigde de ene prins na de ander uit, dan kon zijn
dochter rustig kiezen. Hij nodigde er wel negen uit, de een na de ander.
Maar Esmaralda zag aan iedere prins wel iets
dat haar niet beviel. Prins Jean had een lange neus, prins Karel
had piekhaar, Prins Wim had teveel krullen, prins Piet was te mager
en prins Leo was te dik, prins Henk had flaporen, prins Roel had van
die korte benen en bij prins Ben stonden de voeten zo dat naar buiten,
Toen kwam prins Paul. Esmaralda begon al te proesten toen ze hem zag
binnen komen:” Ha, ha !” riep ze. “Je hebt een lange neus, piekhaar
en flaporen. Van boven ben je te dik en vanonder te mager. En wat een
korte beentjes! En moet je eens naar die voeten kijken! Ze kwam haast niet meer bij. Maar prins Paul bleef heel kalm. Hij
zei: ”Oh ja….? (Maak
nu zelf het verhaal af) Vragen
die je eventueel over de tekst kunt stellen: Hoeveel
prinsen had Esmaralda gezien voordat Paul binnenkwam? 10, 8, 12 Wat
hadden de prinsen wat Esmaralda niet mooi vond? Etc. Eigenschappen Doel:Kinderen
laten ontdekken dat iedereen leuke en ook minder leuke eigenschappen
heeft. Kinderen
laten ontdekken dat je die minder leuke kanten van een ander soms “voor
lief” kunt nemen. En
dat iedereen dezelfde eigenschappen leuk vindt. Werkwijze:Inleiding: een kort verhaaltje over je eigen eigenschappen Kern:Kinderen
schrijven eigenschappen van een bekend Nederlander op papier. Op
het andere vel schrijven ze eigenschappen van zichzelf op. Op de papieren
van de individuele leerlingen hoeven geen namen te staan. Na
ongeveer 10 minuten moeten de kinderen op het vel van de bekende Nederlander
aangeven wat positieve en negatieve eigenschappen zijn. Waar zullen
de mensen trots op zijn? Waar zullen ze minder blij mee zijn? Eigenschappen
die er tussenin zitten krijgen een 0. Kringgesprek:Vraag
aan de kinderen om een aantal positieve eigenschappen te noemen. De
leerkracht noteert dit op het bord. Doe dit ook met de negatieve eigenschappen. Vraag vervolgens: Wat
doe je als je bij jezelf een leuke eigenschap ontdekt? Wat
doe je bij jezelf als je een vervelende eigenschap ontdekt? Wat
doe je als je bij jezelf bij een ander een leuke eigenschap ontdekt?
Zeg je daar wel eens wat van? Wat zou je bijvoorbeeld kunnen zeggen? Wat
doe je als je bij een ander een minder leuke eigenschap ontdekt>
Zeg je daar wel eens wat van? Denk je dat die ander dat leuk zou vinden,
waarom niet of waarom wel? Hoe
zou je het vinden als een ander iets zou zeggen van je leuke eigenschappen? Hoe
zou je het vinden als een ander iets zou zeggen van je vervelende eigenschappen? Antipest-krant Doel:Kinderen
bewust laten maken van de mogelijke effecten van pesten en met hen zoeken
naar oplossingen om problemen als gevolg van het pesten de wereld uit
te helpen. De mentaliteit ten aanzien van pesten te beïnvloeden. Werkwijze:Als
inleiding een kort kringgesprek. Uit het gesprek moet komen dat er iets
gedaan moet worden aan pesten. De leerkracht stelt voor om een krant
te maken voor de hele school en de ouders. De krant moet oplossingen
geven om het probleem pesten op te lossen. Samen
met de kinderen wordt er besproken wat er in de krant moet komen. Dat
wordt op het bord genoteerd (Inhoudsopgave krant) Vervolgens
worden de taken verdeeld. Als
alles voor de krant klaar is, houdt u met de klas een “redactie- vergadering”,
waarin u met de kinderen praat over vragen als: Wat
doen we precies met de krant? Hoe
vond je het om zo’n krant te maken? Wat
heb je er zelf van geleerd>? Hoe
denk je over pesten? Mogelijke inhoud van de krant:Een opstel over pesten: de hele klas schrijft
een opstel, een groep kiest het meest geschikte opstel uit voor de krant; Kinderen
interviewen elkaar; Een
brief schrijven; Tekeningen
maken waarin pesten/ gepest worden tot uiting komen; Stripverhaal
maken; Verhaaltje
/ foto’s uit kranten en tijdschriften verzamelen die met pesten te maken
hebben; Pestsituaties
opzoeken in sprookjes/ liedjes boeken; Anti
pest recepten: hoe te reageren als je wordt gepest/ uitgescholden; De
krant kun je ook als een aanleiding tot een tentoonstelling gebruiken
waarbij de hele school betrokken is. Rijmen met namen Doel:Kinderen
laten ontdekken dat grapjes, bijvoorbeeld een rijmpje met een naam, niet altijd hetzelfde hoeft te zijn als
pesten. Kinderen
laten ontdekken dat er leuke grapjes te bedenken zijn en minder leuke/
pijnlijke grapjes. Werkwijze:De
kinderen zitten in een kring voor het bord. De hele klas zingt eerst
op de wijze van “schipper mag ik overvaren”? de volgende tekst mee van
het bord “alle
kinderen hebben namen één
of twee En
nu gaan we rijmen samen Doe
je mee?” De
kinderen verzinnen rijmwoorden voor diegene die naast hem zit. Na
vier kinderen wordt het lied weer opnieuw gezongen met de hele klas. Afsluiting:Er
moet uitgebreid aandacht worden besteedt aan de afsluiting. De afsluiting vindt plaats in de kring. Vragen: Wat
vond je ervan toen er op jouw naam een rijmpje werd gemaakt? Waarom
vind je het wel (of niet leuk)? Wat
zou je kunnen terugzeggen 2) Accepteren Waarnemingsoefeningen
Doel:Deze
oefeningen zijn bedoeld om de zintuiglijke waarnemingen van kinderen
te stimuleren, voelen, kijken en luisteren. Ze bieden mogelijkheden
om kinderen te laten wennen aan het aanraken van elkaar, naar elkaar
te luisteren en te kijken. Bespreek de oefeningen na met de kinderen.
Voor
verdere oefeningen kun je gebruik maken van: Ogen,
oren en de rest Een
boek vol speelvormen rondom zintuigen Marie
José Balme - Jos van Hest Meulenhof
Educatief, Amsterdam Luisterspelletjes
voor kinderen van 3-8 jaar Wolfgang
Löscher Intro,
Nijkerk Wat is er veranderd?
Werkwijze:De
groep zit in een halve kring. Een kind is in de opening. Alle kinderen
kijken goed naar het kind. Daarna doen ze hun ogen dicht. Het kind in
de opening verandert iets aan de kleding, bijvoorbeeld hij maakt een
veter los van een schoen, ritst een trui helemaal dicht. De kinderen
benoemen wat er veranderd is. Het aantal wijzingen kan opgevoerd worden. Variant:Kinderen
zitten in twee rijen tegenover elkaar. Een rij doet de ogen dicht of
draait zich om. De kinderen van de andere rij veranderen iets aan hun
kleding. De kinderen doen hun ogen open en proberen te benoemen wat
er is veranderd. Daarna wordt gewisseld. Wie ben jij?
Werkwijze:De
kinderen zitten in de kring. Een kind in het midden wordt geblinddoekt.
De kinderen in de kring wisselen van plaats. Het geblinddoekte kind
loopt naar een kind toe en voelt aan het gezicht. Zegt wie het is en
waarom. Wanneer het klopt gaat dat betreffende kind in de kring. Anders
nog 1 keer proberen. Let er op dat kinderen voorzichtig met elkaar
omgaan. In plaats van gezicht kan ook een hand en een arm gevoeld worden.
Hoeveel kinderen zitten er
achter je?
Werkwijze:De
kinderen zitten in de kring. Een kind zit in het midden met de ogen
dicht. Op een teken van jou gaan een of meerdere kinderen zachtjes achter
het kind in het midden zitten. Deze raadt hoeveel kinderen er achter
zitten. Daarna kan het spel herhaald worden met andere kinderen. Een woord doorfluisteren
Werkwijze:De
kinderen zitten in de kring. Een kind zegt een woord/zin in het oor
van het kind dat naast hem zit. Zo gaat het de kring rond. Het laatste
kind zegt wat het heeft gehoord. Het eerste kind zegt wat het heeft
gezegd. Wat is er veranderd? Houding
veranderen
Werkwijze:Deel
de groep in tweeën. De helft gaat in een rij langs de wand zitten. De
andere helft gaat in een rij met hun gezicht naar de aansluitende wand
toe staan. Een kind wordt tegenover deze rij op een stoel gezet. Een
kind van de zittende groep zet dit kind in een bepaalde houding. De
zittende kinderen krijgen de opdracht om heel goed te kijken.
Op een teken van jou draait het eerste kind van de staande rij zich
om. Kijkt goed naar het kind op de stoel. Dit kind gaat van de stoel
af naar de kant en de kijker probeert zo goed mogelijk de houding over
te nemen. Zo gaat het verder totdat iedereen geweest is. Dan wordt
het eerst kind naast het laatste kind gezet. Laat een van de kijkers
zeggen welke verschillen er zijn opgestreden in houding en laat ze enkele
momenten noemen waar grote veranderingen optraden. Het gaat niet
om wie het fout heeft gedaan. Laat een paar kinderen van de staande
rij vertellen waar ze op gelet hebben en wat ze moeilijk vonden. Vervolgens
worden de rollen omgedraaid. Werk bij het overnemen van houding op tempo.
Laat een kind niet te lang denken.
|
|
Gevoelens Introductie gevoelens Doel:De
kinderen leren de belangrijkste gevoelens en worden gestimuleerd om
over eigen gevoelens te praten en te spelen. Werkwijze:Vertel
dat jullie een les gaan doen over gevoelens. Jij gaat situaties uit
jouw leven spelen die een gevoel laten zien. Daarna stel je de kinderen
er vragen over. Voorafgaand aan de les bedenk je vier situaties die
jij gaat spelen voor de klas. Elk personage laat een gevoel zien: blij,
boos, verdrietig en bang. Bedenk voor elk personage een attribuut, bijvoorbeeld
een hoed, een tas, een bril. Vertel
de kinderen voordat je gaat spelen dat ze echt zijn gebeurd en wanneer
dit is gebeurd. Inhoud:Loop
naar een hoek van de klas, bijvoorbeeld achter het bord en daar doe
je je attribuut op. Kom terug als een boos persoon en speel deze. Loop
boos, praat boos, kijk boos en vertel vanuit deze rol waarom je boos
bent. Loop naar de hoek waar de attributen liggen en leg je attribuut
terug. Vraag aan de kinderen: Weten
jullie waarom hij boos was? Waaraan
kon je dat zien? Wie
is er ook wel eens zo boos geweest? Herhaal
dezelfde procedure met een bang, een verdrietig en een blij persoon. Verdeel
de klas in groepjes van 4 kinderen. Elk groepje kiest een gevoel uit
en bedenkt er een situatie bij die ze wel eens hebben meegemaakt. Ze
bedenken: Wie
waren er? Waar
was het? Welk
gevoel stond centraal? Wat
gebeurde er? De
kinderen maken hier een kort toneelstukje van dat begint met een tableau. De
stukjes worden achter elkaar gespeeld. Afsluiting:De
toneelstukjes worden kort nabesproken. Over welke gevoelens gingen ze?
Waren het verschillende gevoelens? Zijn er gevoelens waar je niet zo
gemakkelijk over praat? Na
deze les kunnen de kinderen een werkblad maken over gevoelens. De
vragen die daarbij gesteld worden zijn: Wanneer
voelde jij je wel eens…? Hoe
kwam dat? Wat
gebeurde er toen?
Waar ben ik goed in? Lesdoel:Kinderen
leren na te denken in welke dingen ze goed zijn, positief te denken
over de activiteiten die ze ondernemen. Kinderen
kunnen dit naar andere kinderen onder woorden brengen. Inhoud:Schrijf
in grote letters op het bord: Waar ben ik goed in? Voer
hierover een kort gesprek. Vertel je weleens aan iemand waar je goed
in bent? Over welke dingen vertel je dan? Aan wie vertel je het? Vertelt
iemand jou wel eens waar jij goed in bent? Schrijf wat de kinderen noemen
in twee kolommen op het bord. Kolom
A: wat vertel je? Kolom
B: aan wie vertel je het? Laat
een werkblad zien dat je vooraf hebt ingevuld. Deel
de werkbladen uit. In elk vakje kunnen kinderen een of meer tekeningen
maken. Stimuleer ze zo gedetailleerd mogelijk te tekenen. Per tekening
schrijven ze onder aan een kernzin. Bij het vakje talen gaat het alleen
om schrijven. Laat
de kinderen een vakje uitkiezen waar ze iets over willen vertellen aan
de anderen. Om de beurt laten ze hun tekening zien en vertellen hierover.
Terwijl ze vertellen kunnen ze eventueel hun verhaal ondersteunen door
stukjes uit te beelden. Een gevoel van mij Doel:Kinderen
leren een eigen gevoel uit te beelden en onder woorden te brengen. Werkwijze:Zet
in de kringopening 2 stoelen. Ga op een van de stoelen zitten. Druk
door middel van houding en gezichtsuitdrukking een gevoel uit. Vraag
een kind naast je te komen zitten en precies hetzelfde te doen. Je verlaat
je stoel. Het kind neemt een andere uitdrukking en houding aan, iemand
neemt dit weer over, enz. Op
een lijstje schrijven de kinderen de gevoelens op die ze hebben gezien.
Ze strepen een gevoel aan. In
tweetallen vertellen ze aan elkaar: Wanneer
ze dat gevoel wel eens hebben gehad; Wie
er bij waren; Wat
er gebeurde. Over
het gevoel wordt een tekst geschreven. Doe dit klassikaal en geef de
volgende opdrachten: Schrijf
waar je was. Schrijf
wat je aan had. Schrijf
wat je deed. Schrijf
wat er gebeurde en hoe het verder ging. Schrijf
hoe je je voelde. Afsluiting:Hou
een voorleesronde. Achter elkaar worden de teksten voorgelezen. Bespreek
kort na: Hoe
ging het schrijven van de tekst? Zijn
er verschillende gevoelens uit gekomen? 3) Buiten sluiten Welke vriendjes heb ik (gehad)? Doel:Kinderen
worden zich bewust van hun vriendschappen. Werkwijze:Vertel
een dag of enkele dagen vooraf dat de groep een les over vriendschap
gaat doen. Vraag of zij op een gekleurde strook een lijstje willen maken
van vriendjes/vriendinnetjes. Het mag ook gaan over vriendjes van vroeger. Bespreek
in de kring de lijstjes als voorbereiding op het invullen van het werkblad.
Doe dit door de kinderen vragen te stellen. Wie
heeft op de lijst een vriend van vroeger? Wie
een vriend van school? Wie
een vriend die heel ver weg woont? Wie
heeft een vriend die je ergens anders van kent? Waar van? Laat
het werkblad aan de groep zien.
Onderzoek of er kinderen zijn die de vertalingen kunnen lezen. De kinderen
vullen het werkblad in. Afhankelijk van het niveau van de groep geef
je de opdracht per rubriek een tekening en/of een tekst te schrijven.
Bij het invullen kunnen de kinderen gebruik maken van hun lijstje. Afsluiting:Laat
de kinderen bij elkaar langs de tafels lopen en de werkbladen van elkaar
bekijken. Bespreek daarna in de kring: Hoe
vond je het om het verschil in te vullen? Wat
was moeilijk? Wat was makkelijk? Vrienden/innen maken Doel:Kinderen
worden zich bewust hoe ze een vriendschap beginnen, welke rol zij spelen
en welke de ander speelt. Door meerdere ervaringen te zien krijgen kinderen
ideeën over andere manieren van vriendschap maken. Werkwijze:Vertel
dat deze les gaat over het begin van een vriendschap en lees het volgende
verhaal voor: Nadia en Zehra worden
vriendinnen Zebra
huppelde door het park. “Goh”,
dacht ze, “wat een leuk park. En wat is het groot.” Ze
was heel blij dat haar nieuwe huis zo dicht bij het park stond. Ze had
nog geen vriendin. “He, daar zit een meisje op een bankje. Wat kijkt
ze verdrietig.” Op
het bankje zat Nadia. Ze voelde zich inderdaad droevig. Want ze had
niemand om mee te spelen. Ze zag opeens een meisje dat langs kwam huppelen.
“Met haar zou ik wel willen zijn” dacht ze. Maar ze durfde niet goed.
Zou dat meisje wel willen? Ze stond op, maar ging weer zitten. Ze vond
het zo eng. Toen dacht ze: “ik probeer het toch.” Ze sontd op en friemelde
aan haar jas. “Wat zal ik tegen haar zeggen?” dacht ze. Nadia zei: “Hallo”
Nadia was opgelucht dat het meisje haar zo aardig antwoordde. Ze vroeg:
“Hoe heet jij?” “Zehra” zei het andere meisje, “en hoe heet jij?” “Ik
heet Nadia.” Zehra zei: “zZullen we samen spelen?” “Oke”, zei Nadia.
Samen gingen ze spelen. Ze werden dikke vriendinnen. Vraag
de kinderen uit hun werkblad (van de les welke vriendjes heb ik (gehad)?
Een kind te kiezen over wie ze willen vertellen en uitbeelden hoe vriendschap
begon. Wanneer de kinderen iemand weten, dan vraag je de kinderen hun
ogen dicht te doen. Je houdt een geleide associatie. Denk aan het moment
dat je je vriend/innetje voor het eerst ontmoette. Waar was dat? Buiten,
binnen. Welke tijd van het jaar was het? Hoe zag het er precies uit?
Welke kleuren waren er en hoe rook het er? Hoe begon het contact? Begon
jij of die ander? Hoe voelde je je toen? En hoe denk je dat de ander
zich voelde? Hoe verliep het contact? De
kinderen doen hun ogen weer open. Hoe was het om je ogen dicht te doen? Deel
de groep in, in drietallen en geef de opdracht aan elkaar te vertellen
over het begin van de vriendschap. Loop de groepjes langs en geef per
groepje de volgende opdracht: Kies een ervaring uit waarover de kinderen
een toneelstukje gaan maken. Afsluiting:Bespreek
met de kinderen: Heb
je nieuwe manieren gezien van het maken van vriendschap? Wat
is een prettige manier? Alleen zijn Doel:Alleen
zijn wordt bespreekbaar gemaakt. Kinderen
leren dat alleen zijn fijn en naar kan zijn. Kinderen
krijgen de kans hun gevoelens uit te drukken. Werkwijze:Begin
te vertellen dat de groep vandaag elfen gaat maken. Nee, het zijn geen
sprookjesfiguren, hoewel? Het
is toveren met woorden. Vertel dat het gedichten zijn met 11 woorden.
Er worden gedichten gemaakt over alleen zijn. Schrijf
op het bord het woord alleen (regel 1) Vraag
de kinderen een plaats te noemen waar ze wel eens alleen zijn. In
twee woorden schrijf je het eronder (regel 2). Dan vraag je iets wat
je op die plek doet. Dat schrijf je op in 3 woorden (regel 3). Dan:
hoe voel je je? In vier woorden opschrijven (regel 4). Daarna weer een
woord (regel 5) Mag herhaling zijn van het eerste woord. Kan ook een
nieuw woord zijn. De
kinderen gaan nu zelf een elf maken. Begeleid regel voor regel, help
en controleer. Afsluiting:Na
het schrijven hou je een voorleesronde.
Wat zou je doen als… Doel:Kinderen
leren oplossingen te bedenken voor alledaagse problemen. Werkwijze:Vertel
aan de kinderen een eigen situatie waarbij je niet wist wat je moest
doen. Vraag aan de kinderen: Wat zouden jullie doen als jullie in mijn
situatie zaten? Laat
enkele kinderen reageren. Maak
strookjes papier met stellingen erop, bijvoorbeeld: Wat
zou je doen als….je met iemand wil spelen en een ander vriendje vind
dat niet goed? Wat
zou je doen als…je wordt uitgelachen omdat je met gymen niet over het
paard durft te springen? Wat
zou je doen als…iemand je broertje uitscheldt, omdat hij een bril draagt? Van
alle kaartjes maak je 6 stapeltjes. Geef elk stapeltje een nummer 1-6.
De kinderen gooien om de beurt met de dobbelsteen. Het nummer wat ze
gooien hoort bij een stapel kaartjes. Ze pakken een kaartje en lezen
deze voor. Ze denken na over wat zij in die situatie zouden doen. Vervolgens
bespreek je met elkaar de verschillende oplossingen. Afsluiting:Is
het moeilijk/makkelijk een oplossing te bedenken? Herkennen
kinderen de geformuleerde problemen? Met
de kaartjes kan je vervolglessen maken. Je kan bijvoorbeeld een kaartje
nemen en daarmee een tableau maken. Ook kan je een bordtekening door
de kinderen laten maken en daar over gaan praten. Wat gebeurt er? Wat
zou jij doen? Enz. Je kan een toneelstukje maken rond een stelling.
Als je eerst de stukjes helemaal uit laat spelen, dan kan je daarna
het stukje nog een keer laten spelen waarbij er kinderen kunnen inspringen
om de afloop te veranderen. Ook kan je het spel met de dobbelsteen nog
een keer spelen, maar dan met stellingen die door de kinderen zelf zijn
gemaakt. |
|
3) Anders durven zijn Kleding dragen Bij
kleding dragen kan aan alles gedacht worden. Wat is de mode? Waarom
draag je dat wel of niet? Wat vind je mooi? Wat vind je minder mooi?
Er kan met de kinderen een collage worden gemaakt. Daarbij kunnen de
reclamefolders die de kinderen hebben meegenomen worden gebruikt. Er
kan ook aandacht worden besteed aan kleding in verschillende culturen.
Wat zien de kinderen hiervan nog op straat? Zouden de mensen hun kleding
mogen dragen? Hoe vind jij de kleding? Lesomschrijving:Naar
aanleiding van een verhaal wordt een tableau gemaakt van het probleem.
Van de oplossingen wordt een tableau gemaakt. Deze worden besproken. Lesdoelen:Kinderen
durven anders te zijn en durven voor hun mening uit te komen. Kinderen
proberen een oplossing voor het probleem te verzinnen. InhoudDe
kinderen maken een tableau van het probleem. Wanneer je tevreden bent
over de opstelling dan laat je een kind vertellen wat het ziet (wie,
wat waar) Bespreek
het probleem: Waarom
zou Mergül een hoofddoek dragen? Waarom
vinden andere kinderen het raar dat ze een hoofddoek draagt? Hoe
zou Mergül zich voelen? Verdeel
de groep in kleine groepjes en laat ze een oplossing bedenken. De oplossing
zetten ze in tableau. Hierna worden er foto’s van de tableaus gemaakt.
De
tableaus worden aan elkaar gepresenteerd. Daarna
worden de verschillende oplossingen met elkaar besproken. Mergül draagt en hoofddoek Mergül
is een Turks meisje. Ze woont al heel lang in Nederland. Ze is zeven
jaar. Haar vader wil graag dat ze een hoofddoek omdoet, als ze naar
buiten gaat. En dat doet ze. In de gang doet ze haar hoofddoek om. Ze
kijkt wat de goede kant is van haar hoofddoek. Want ze wil hem niet
binnenstebuiten om? Ze slaat hem om. Om te zorgen dat de hoofddoek niet
afwaait, zet ze hem met een speld vast. Zo, ze is klaar. Ze gaat naar
school. Het is rustig op straat. Er zijn niet veel auto’s in de wijk
van Mergül. Ze ziet een paar kinderen uit haar klas. Mirjam,
Shirley en Carla. Ze
rent naar hen toe, blij om hen te zien. Misschien kunnen ze samen maar
school verder lopen. Maar halverwege het rennen gaat ze langzamer lopen.
Ze kijken raar. Helemaal niet aardig. Mirjam heeft een gemeen lachje
om haar mond. Ze lopen dreigend op haar af. “Hé, doe jij dat stomme
hoofddoekje eens af, ”zegt Carla. Mergül kijkt hen aan. Ze voelt dat
haar buik zeer doet. “Je hebt zeker een kale kop” zegt Schirley.
Mergül buik doet nog zeerder, Aarzelend zegt ze:”Nee, ik heb…….” Maar
ze krijgt geen kans om haar zin af te maken. “Je moet dat achterlijke
ding afzetten.” Ze lopen dreigend op haar af. Mergül weet niet goed
wat ze zal doen. “Als je hem afdoet mag je er langs”, zeggen de meisjes. Nog meer lesideeën: Kernwoorden:Dialect Beroepen
(je wilt vuilnisman worden en iedereen keurt dat af wat doe je dan?)
Haarkapsels Gevoelens In
een drama les kunnen de kinderen zich helemaal uitleven, maar durf je
ook anders te zijn. Aan de hand van een aantal klassikale opdrachten
bespreken we de gevoelens. De onderstaande verhaaltjes kunnen worden
uitgebeeld. Daarna kan ik een gesprek naar voren komen wanneer de leerlingen
blij, verdrietig, boos en angstig zijn. Dit mogen de kinderen proberen
uit te spelen maar dat hoeft niet. Blij Hoi
hoi morgen ben ik jarig! Vanmiddag
ga ik met papa naar de winkels. Ik
mag een cadeau uitzoeken. Dan
wil ik een politie auto. Boos Papa
wil eerst de treintjes kijken. Maar
ik wil eerst naar de kast, met de auto’s. Kom
nou mee papa! Ik
mocht toch een cadeau! “Eerst
even bij de treinen kijken, zeg ik toch”, zegt
papa. Stomme
papa Stomme
pap kijk jij dan maar! Gil
ik woedend kom mee! Verdrietig Daar
zit pap bij de treintjes. Hij
vergeet mijn cadeau. En
ik wilde zo graag een politieauto. Maar
papa vindt de treintjes veel mooier! Straks
is die auto verkocht! Dan
neemt dat meisje die auto mee, dan
heb ik geen cadeau! Angstig Weet
je wat? Ik
ga de auto vast pakken! Als
ik mijn arm uitsteek kan ik er niet bij. Boiing!!
Oei de auto is van de plank gevallen…. Ooh!
Hij is stuk, het zwaailicht is eraf. Ojé,
daar komt een mevrouw aan…. Wat
nu? Heeft ze het gezien? Een verhaal afmaken Doel:Kinderen
de kans geven zich te uiten over hun eigen emoties rond pesten Signaalfunctie:
Nagaan of het pesten (met name het schelden of het belachelijk maken)
Bij de kinderen leeft als probleem of niet? Werkwijze:Het
verhaal “de nieuwe kleren van de keizer” wordt gedeeltelijk aan de kinderen
verteld. Het maakt niet uit of het verhaal al bekend is. De kinderen
moeten vooraf een papier en pen voor zich hebben liggen. De kinderen
moeten zich heel goed inleven in de hoofdfiguur, de keizer. Als
het verhaal is voorgelezen, vraagt u de kinderen om het verhaal op hun
eigen manier af te maken. Vraag hun te beschrijven: Wat
de mensen op straat riepen Hoe
de keizer daarop reageerde En
wat er toen gebeurde Het
is niet de bedoeling dat ze het sprookje navertellen ze als ze het kennen,
ze mogen er hun eigen sprookje van maken. Nabespreking:De
verhalen worden gebruikt tijdens een kring over het onderwerp pesten.
Daarbij kan centraal staan: de keizer geeft zelf alle aanleiding om
uitgelachen te worden. Hij doet gewoon ontzettend dom. Overkomt dat
jullie ook wel eens? Verhaal: De kleren van de keizerEr
was eens een keizer die beslist de allermooiste en de meest opvallende
kleren van het hele land wilde dragen Hij was zelf namenlij niet zo
groot en ook nogal mager, hij moest het dus van zijn kleren hebben.
Hij wou niet zo maar een broek of zo maar een jas, nee het moest werkelijk
heel bijzonder zijn. Na lang zoeken vond hij een paar beroemde kleermakers.
Die konden voor hem heel bijzondere kleren ontwerpen waarin de keizer
zich geweldig zou voelen. Dat zeiden ze tenminste en de keizer, die
niet alleen klein en mager was maar ook niet zo heel erg slim, geloofde
ze. De
kleermakers werkten dag en nacht – aan niets! Ze deden ook net of ze
zaten te spinnen en weven, maar niemand kon zien wat ze precies aan
het maakten. Niemand durfde er ook iets van te zeggen want de kleermakers
hadden verteld: “ iedereen die onze kleren niet ziet is echt verschrikkelijk
dom!’ En wie wil er nou dom lijken? Uiteindelijk
trokken ze de keizier de kleren aan. Ze deden gewoon alsof. En de keizer
deed alsof hij het helemaal prachtig vond, want hij wou ook niet dom
lijken. Zo
ging de keizer de straat op, helemaal zonder kleren. Er liepen die dag
veel mensen door de stad. Toen ze de keizer zo zagen, begonnen ze hard
te lachen. Ze riepen…… 5) Een beslissing durven nemen Kaas (uit het vuistje) Doel:‘Oog
om oog, tand om tand’ is meestal geen goede reactie. Maar het andere
uiterste is dat je het kaas van je brood laat eten en zo zelf slachtoffer
wordt. Door
het volgende verhaal kan je dit aan kinderen duidelijk maken. Werkwijze:Lees
het verhaal voor van de kater Floris. Korte
samenvatting: De
kater Floris denkt dat twee muizen wel bang voor hem zijn. Maar het
omgekeerde gebeurt. De muizen laten de kater doen wat zij graag willen:
hun de weg wijzen naar de kaas. De twee muizen laten zich niet tot slachtoffer
maken. Afsluiting:Je
praat met de kinderen over het verhaal. Wat wil het verhaal duidelijk
maken? Met gelijke munt terug betalen Doel:De
kinderen leren wat de uitdrukking betekent. Ze denken na of ze zelf
wel eens iemand mat gelijke munt hebben terugbetaald. Wat was het effect
hiervan? Wanneer kan het wel en wanneer kan het niet zo goed werken? Werkwijze:Je
leest het verhaal voor van Cato. Korte
samenvatting: Cato
probeert de hele dag anderen met gelijke munt terug te betalen. Maar
of dat nou wel zo’n geweldig idee was? Afsluiting:Gesprek: Waarom
worden alle mensen in het verhaal van Cato geïrriteerd en boos? Waarom
kunnen zij daar niet tegen? Heb
je dit zelf ook wel eens gedaan bij iemand? Hoe reageerde die? Cato was moe. Hoe komt dat? Gelijk spel Doel:Kinderen
denken na over fair play spelen met voetbal. Hoe zouden zij reageren
in zo’n situatie? Hebben ze het al een keer meegemaakt? Werkwijze:Je
leest het verhaal voor. Korte
samenvatting: Wat
doe je als je door een speler van Rood-Wit onderuit wordt gehaald? En
jouw ploeg het winnende doelpunt niet kan maken? De trainer grijpt in
en voorkomt escalatie. Het is voor de benadeelde ploeg moeilijk om het
beginsel van ‘fair play’ dan nog vol te houden, maar het lukt hen.
Op het einde blijkt hoe ook de tegenstander op een eigen manier
fair gespeeld heeft door op creatieve wijze het gemene optreden van
de eigen speler te wreken. Afsluiting:Is
de gemene trap van ‘die lange’ van Rood-Wit voldoende bestraft? Trainer
Hans zegt dat hij trots is op de jongens. Waarom? Wat
vind je van de straf die “die lange’ krijgt van zijn eigen medespelers? De
eerste spontane reactie in zo’n situatie is vaak: dit krijg je terug! Wanneer
is het voor Eric pas echt “gelijk spel”? Wat vind je daarvan? Wolf en de lammetjes Doel:De
kinderen leren wat de uitdrukking wie
een kuil graaft voor een ander valt er zelf in betekent. De kinderen
denken na of ze dit zelf wel eens doen. Werkwijze:Lees
het verhaal voor Wolf
en lammetjes, korte samenvatting: Een
wolf bedenkt een slim plan om lammetjes te vangen. Hij graaft een kuil
en probeert ze met wolvengehuil naar de kuil te jagen. In plaats van
bang te zijn, worden de lammetjes juist nieuwsgierig. Ze slaan helemaal
niet op de vlucht. Dan besluit de wolf het zelf voor te doen. Hij laat
een angstaanjagend gehuil horen en rent razendsnel naar de andere kant
van de weide. Het probleem alleen is dat hij niet meer weet waar hij
zijn eigen kuil gegraven heeft… Afsluiting:Weten
de kinderen een uitdrukking die bij het verhaal past? (Wie een kuil…) Gebed God, Er
zijn zoveel momenten dat
we wraak willen nemen: als
we geslagen worden, als
we uitgescholden worden. Als
ons onrecht wordt aangedaan, als
we gepest worden. Help
ons om
met wraakgevoelens om te gaan. Geef
ons de kracht om
niet meteen te roepen ‘Dat
zet ik je betaald!’ Leer
ons het geduld op te brengen naar
andere oplossingen uit te kijken. Zet
mensen op onze weg die
ons daarbij helpen. Maak
ons vrije mensen. Dank
u wel. God, Soms
zijn we boos en opstandig tegelijk. Vooral
als we slachtoffer zijn. Als
we worden gepest, getreiterd. Als
iemand ons vernederd of in een hoek trapt. Wij
willen dan eigen rechter spelen: “Dat
zet ik je betaald!!!” roepen we dan. Daar
hebben we deze week over gesproken
en samen nagedacht. Maar
het gebeurt niet alleen bij ons. Over
de hele wereld zijn mensen op de vlucht. Miljoenen
mensen. Zij
zijn slachtoffers van het geweld in hun land. Wij
bidden u dat
gevoelens van haat en wraak niet
te sterk worden, En
dat mensen blijven geloven in
de kracht van de liefde. Help
ons daarbij. Lesideeën:
SchoolkeuzeWat
wil je later worden? Er liggen op school vier denkbeeldige scholen.
De scholen zijn verschillend in uiterlijk en grootte.
School 1 is klein en is in een klein kasteel gelegen. Er zijn
weinig kantine mogelijkheden. School 2 : Is klein en staat in midden
in de stad. School drie is super groot. Het is net een fabriek. School
4 is een grote school met een uitgebreide kantine, leerkrachten die
bij de leerlingen betrokken zijn. In een kringgesprek wordt over de
scholen gepraat. Er moet een beeld van de scholen worden geschept. Kernwoorden
op bord kunnen helpen om de stof voor de leerlingen te ordenen. Hierna
kiezen de kinderen een school. Ze schrijven in het kort waarom ze voor
een bepaalde school hebben gekozen. Hierna maken ze een tekening van
de school. Ze mogen de school idealiseren. Werkstukken op schoolDe
kinderen werken een eigen project uit. Ze krijgen daarvoor 5 vuistregels. Maak
een woordweb. Schrijf alle woorden die in je opkomen op, over het onderwerp. Zoek
naar informatie over je onderwerp. Maak
drie of vier hoofdstukjes Schrijf
waarom je voor een dit onderwerp hebt gekozen Schrijf
na het schrijven van je werkstuk hoe je aan het werkstuk gewerkt hebt. BeroepenEen
dramales waarin beroepen centraal staan. Er wordt als inleiding een
verhaal voorgelezen over Elsje die totaal niet weet wat ze wil worden.
In het verhaal komen allerlei beroepen naar voren. Hierna wordt er overgegaan
op de kern van de les. Er staat in de kring een denkbeeldige doos. In
de doos zitten allerlei attributen (denkbeeldig). De kinderen kiezen
een attribuut en spelen hiermee een beroep uit. De kinderen moeten zelf
een keuze maken voor het beroep. Als ze niet weten welk beroep ze moeten
kiezen, kiezen ze een beroep van een familielid. VakantiesRond
de vakantie tijd komen er allemaal folders in huis over vakanties. Wat
is voor de kinderen een ideale vakantie? In de introductie kan hier
met de kinderen over worden. Wat vinden de kinderen belangrijk op vakantie?
Wat zouden ze willen doen? Wat moet er aanwezig zijn om een leuke vakantie
te krijgen? Na het kringgesprek gaan de kinderen in groepjes een ideale
vakantie verzinnen. Er worden een aantal kernwoorden opgeschreven. In
dezelfde tijd wordt het liedje zand op je boterham aan de kinderen aangeleerd.
De kinderen moeten proberen om een volgende les de tekst van dit liedje
te veranderen in hun ideale vakantie. De
weg van huis naar school (verkeerssituaties) De
kinderen leggen elke dag een weg af van school naar huis. De kinderen
moeten een plattegrond tekenen waarbij ze de weg naar school schetsen.
Als de kinderen klaar zijn, verteld de leerkracht zijn weg van huis
naar school. Hij geeft aan op welke punten hij keuzes moet maken. Bijvoorbeeld
bij het oversteken, het voorsorteren op de weg, welke weg zou ik nemen
een lange of een korte weg, wat betekenen de verkeersborden. Hierna
gaan de leerlingen op de achtergrond van de plattegrond aangeven voor
welke keuzen ze staan. Er kan ook worden gedacht aan de keuze voor het
ophalen van een vriendin, of de plaats waar je met andere leerlingen
afspreekt. Vriendinnen(Met
wie wil je wel omgaan? Waarom wel en niet? Wat doen jullie samen en
wat niet? Wat vertel je wel en niet?) Gesprekken
in groepen van zes kinderen. Agenda maken We gaan met de leerlingen een maand lang een
agenda bijhouden. Eerst moet de agenda ontworpen worden. Er kan uitgebreid
aandacht worden besteed aan de indeling van de agenda. Bijvoorbeeld
werken in kolommen waarbij onderschei kan worden gemaakt tussen hobby’s
en werk. De kinderen moeten zich bewust worden van het feit dat ze keuzes
maken. Soms komt het voor dat je meerdere dingen op een dag hebt, je
moet dan een keuze maken. Ook kan er in de klas een denkbeeldige dag
worden behandeld de kinderen moeten dan aangeven wat ze zouden doen
op zo’n dag. De activiteiten op deze denkbeeldige dag: eten, voetballen,
handballen, naar Duinrell, op bezoek bij oma, spelen met je vriend of
vriendin, TV kijken, computeren, uit eten met de familie, werken bij
de supermarkt etc (wat wil je wel en niet doen? Hobby’s, afspraken noteren) Mening over krantenartikel:De
kinderen houden een week lang de krant in de gaten. Elke dag knippen
ze een artikel uit de krant. Na een week nemen de kinderen de artikelen
mee naar de klas. Er wordt eerst een onderscheid gemaakt tussen het
soort artikelen. Van welke pagina kwamen de artikelen? (sportpagina, voorpagina, Pagina plus). Zijn de artikelen in te delen. Bijvoorbeeld
kijken naar het soort informatie. Kunnen de kinderen daarom verwoorden
waarom ze voor een bepaald artikel hebben gekozen. Van de artikelen
wordt een collage gemaakt. Bij de artikelen moeten de kinderen schrijven
waarom ze voor een bepaald artikel hebben gekozen. Ook de belangrijkheid
van de artikelen van de kinderen moet naar voren komen. Meningen over stellingenDe
stellingen kunnen worden gehaald uit de actualiteit. Of uit de bijbel
verhaal van Levi de poortwachter. De kinderen moeten zich formeren in
een NEE en JA groep. De kinderen krijgen dan ieder twee minuten de kans
om argumenten te noemen. Na een eerste ronde mogen de kinderen in discussie
gaan. Er moet daarbij worden afgesproken dat je naar elkaar luistert
en dat je elkaar laat uitpraten. Reclames:
Welke producten koop je en waarom? Kies een eigen product en maak daar
de reclame van. In
de klas staan vijf merken van hondenbrokken. Er worden geen prijskaartjes
bij gehangen. De kinderen moeten door middel van de omschrijving op
de pakken bekijken welke reclame product ze zouden kiezen. Daarna mogen
de kinderen zelf uit reclames folders producten uitkiezen en daar zelf
een reclame voor schrijven. Bijbelverhalen en ons project De
onderstaande verhalen kunnen worden gebruikt als kleine uitstapjes naast
de lessen. De verhalen kunnen op het einde van een thema aan de orde
komen. De verhalen kunnen dan bijvoorbeeld naar de actualiteit verplaatst
worden. De verhalen zijn niet bedoeld als start van een thema. Jozefs zijn dromen, Genesis 37:1-11 Jozef
heeft dromen over zijn broers. Zijn broers zullen ooit eens voor hem
buigen. Zijn broers vinden Jozefs zijn dromen maar raar. Sowieso vinden
ze Jozef maar een verwend nest. Hij hoeft niet te werken. Van zijn vader
leert hij schrijven. Zijn broers accepteren hem niet. Dit
gedeelte van het verhaal past bij het thema accepteren, anders
durven zijn. De
broers vinden Jozef maar vreemd. Ze zien niet in dat hij speciale gaven
heeft. Ze accepteren niet dat hij anders is. Hij heeft dromen en eigenlijk
willen de broers de dromen helemaal niet horen. Jozef heeft niet door
dat zijn broers hem anders vinden. Hij merkt wel eens dat hij andere
dingen moet doen dan zijn broers. Hij doet er niets aan. Hij durft dus
anders te zijn. Jozef naar Egypte verkocht, Genesis 37 De
broers van jozef willen jozef lasten verdwijnen. Ze vinden hem vervelend,
verwend en willen meer aandacht van hun vader. De broers willen Jozef
doodslaan. Dat durven ze niet. Ze beslissen om hem in een put te gooien.
Jozef schreeuwt om hulp. Geen enkele broer reageert hierop. Alleen Ruben
die denkt bij zichzelf. “Jozef ik kon je er zo wel uittrekken”. Ruben
die rent heel ver weg. Ondertussen komt er langs de put een handelskaravaan
met kamelen langs. Juda krijgt een geweldig idee. We kunnen Jozef verkopen.
Alle broers zijn het ermee eens en nemen de beslissing om Jozef te verkopen.
Als Ruben terugkomt merkt hij dat Jozef weg is. Zijn broers doodde een
dier en doen het bloed van het dier op de mantel van Jozef. Dit
verhaal past bij het gedeelte een beslissing nemen, buiten sluiten De
broers zijn het zat om Jozef te accepteren zoals hij is. Ze willen hem
weg hebben. Ze nemen de beslissing om hem in een put te gooien. Ze sluiten
hiermee Jozef af van zijn familie. Jozef in het huis van Potifar, Genesis 39 De
vrouw van Potifar vindt slaaf Jozef wel erg interessant.
Jozef werkt zich op als slaaf. Op een gegeven moment krijgt hij steeds
meer mensen onder zich. Op een dag wil de vrouw van Potifar dat Jozef
lief is. Jozef weigert dit. De vrouw scheurt de mantel van Jozef van
zijn lijf. Jozef rent weg. Op dat moment bedenkt de vrouw een listig
plan. Ze gaat schreeuwen en zegt tegen haar man dat Jozef haar heeft
aangeraakt. Jozef wordt hiervoor gestraft. Dit
verhaal past het beste bij een beslissing durven nemen, buiten sluiten De
vrouw van Potifar neemt de beslissing dat Jozef aardig en lief voor
haar moet zijn. Ze denkt dat ze dat met haar positie wel kan bewerkstelligen.
Jozef is trouw aan Potifar en weigert lichamelijk contact met de vrouw.
Beide personen in het verhaal nemen een beslissing. Het vervolg kan
worden uitgelegd door het feit dat Potifar Jozef buiten sluit. Jozef
wordt opgesloten en moet wederom onterecht boete voor iets waar hij
niets aan kan doen. De grootste in het Koninkrijk en het verloren schaap, Matteüs 18:1-14 Kinderen
willen er graag bij horen. Ze willen graag groot zijn. Kinderen hebben
dan het gevoel dat ze iets zijn. Jezus loopt in het dorp rond en verteld
de kinderen dat God vertrouwen in ze heeft. De volwassene moeten niet
lelijk tegen de kinderen zijn. Geen kind mag verloren gaan. Dit
verhaal vinden wij passen bij accepteren en buiten sluiten. Het
is weer een heel ander soort verhaal. Kinderen zijn zoals ze zijn. Iedere
leeftijd heeft zo zijn voor en nadelen. Kinderen worden vaak niet als
vol aangezien en worden bijvoorbeeld buiten gesloten van feestjes, vergaderingen
etc. Volwassene denken dat kinderen geen mening hebben. Kinderen worden
steeds meer verantwoordelijk voor hun daden. Ze hebben eigen argumenten. Kinderen moeten worden geaccepteerd zoals ze
zijn. Kinderen met problemen, handicaps krijgen steeds meer te maken
met een maatschappij. De maatschappij accepteert niet dat kinderen anders
zijn. Buigen voor Haman? Nooit! Ester 3 Haman, de opper- minister van Koning
Agasvoeros, krijgt last van grootheidswaan Hij wil dat iedereen voor
hem buigt en knielt. Mordekai, de rechtvaardige, weigert. Hij buigt
en knielt alleen voor zijn God. Nu is er een conflict Haman voelt zich
herkent en zit op wraak. Dit
verhaal past goed bij de thema
anders durven zijn. Mordekai accepteert niet dat hij voor
Haman opper- minister moet buigen, Hij buigt alleen voor zijn god. Hij
durft hierin dus een keuze te maken. Haman geeft hierop het bevel dat
op de 13e van de 12e maand alle joden moeten worden
vermoord. Ester waagt haar leven, Ester 4 Mordekai
laat het oordeel van Haman niet zomaar over zich heenkomen, Letterlijk
‘in zak en as’ gaat hij naar
de poort, maar niet in de slachtofferrol, maar om op deze manier Ester
duidelijk te maken dat er iets vreselijk aan de hand is. Tenslotte weet
hij Ester zover te krijgen dat zij iets gaat ondernemen, Hoe gevaarlijk
dat ook is voor haarzelf Dit
verhaal past goed bij het thema een beslissing durven nemen.
Ester neemt de beslissing om voor haar oom de koning (haar man) om genade
te smeken. Ester
doet dit door de koning te vragen om een feestmaal samen met Haman.
Ze waagt daarbij haar eigen leven. Wat ze wil vragen tijdens dit feestmaal
wordt nog niet verteld. Haman wordt ontmaskerd, Ester 5-8 Haman wordt ontmaskerd en gedood en
Mordekai wordt in zijn plaats opper minister. Hij krijgt zijn eigen
plaats als een boemerang terug. Hij krijgt zijn eigen als een boemerang
terug. Maar dan ligt er nog steeds dat bevel dat Haman namens de koning
heeft uitgevaardigd, dat bevel dat alle joden gedood zullen worden,
en dat is een wet van Meden en Pezen, dus dit bevel kan niet ongedaan
gemaakt worden. In
het verhaal worden de rollen omgedraaid. Haman bedenkt een leuk plan
omdat hij denkt dat de koning hem wil eren. Bij de maaltijden van Ester
wil ester en constant over beginnen. Ze neemt op een gegeven moment
de beslissing om haar vrees tegen de koning te zeggen. De koning reageert
hierop door eerst weg te lopen. Hij ziet later dat de Haman wat met
zijn vrouw doet. Hij neemt de beslissing om hem te laten doden. Alleen op pad, Markus 6,3-13 Jezus
stuurt zijn leerlingen alleen op pad. Hij heeft de beslissing genomen
dat de leerlingen in tweetallen de droom van God over kunnen brengen
op de ander mensen. Alle dorpen moeten bezocht worden. De leerlingen
moeten op dit moment accepteren dat ze anders zijn. Ze moeten een droom
aan de mensen vertellen. De
droom van God Jezus
praat met zijn leerlingen. Petrus is heel verdrietig want hij heeft
vandaag twee kinderen zien ruzie maken. ook heeft hij gezien dat een
verlamde man door de mensen genegeerd wordt. Niemand schenkt de man
aandacht en het is net of hij geen vrienden heeft. Jezus vertelt Petrus
dat als mensen goed voor elkaar zijn dat Gods droom is. Het
verhaal wil vertellen dat Petrus graag wil dat het anders gaat. Hij
wil dat mensen geen ruzie maken en hij wil ook dat de mensen de verlamde
man helpen. Wij vinden dit verhaal bij het thema accepteren passen.
De man heeft geen vrienden omdat de mensen hem raar vinden. Hij wordt
niet gezien als vol. Dit gedeelte van het verhaal zou je bij accepteren
kunnen voegen omdat Petrus graag wil zien dat het anders zou
zijn. Als God worden, Genesis 3 Eva
laat zich verleiden door de slang. Want het is aantrekkelijk om net
als God te worden. Daarin vindt God het beter dat ze het paradijs verlaat. In
dit verhaal luistert Eva naar een slang. Ze durft hiermee anders
te zijn. Ze wil namelijk op God lijken. Dit verhaal kan bij het
thema anders durven zijn voorgelezen worden. Ook kan er gepraat worden
over hoe God hierop reageert. De man met een leger namen, Marcus 5, 1-20 Jezus
laat zien dat de angst voor iemand die ‘anders’ is, een aangeprate angst
is. Je kunt dat niet overwinnen door ervoor weg te lopen. Misschien
kun je er iets aan doen. Dit
verhaal vinden we passen bij het thema anders durven zijn. Jezus
laat zien dat hij niets aantrekt van wat er gezegd is. Hij laat de man
vertellen en praat met deze man. Dan komen Jezus en zijn leerlingen
erachter dat de man helemaal niet woest is. Jezus en zijn leerlingen
accepteren dus dat de man anders is. Achtergrondinformatie Pesten Werken
met eigen ervaringen Het
is belangrijk dat kinderen over hun ervaringen kunnen vertellen, ze
kunnen verwerken, erop reflecteren en ze uitwisselen met anderen. Daarvan
leren de kinderen. Ze worden zich meer bewust van hun eigen denken en
handelen. Dat niet elk onderwerp is gemakkelijk om over te praten. Kinderen
kunnen het moeilijk vinden om te vertellen hoe ze denken en hoe ze voelen
als de sfeer in de klas niet veilig genoeg is of omdat het onderwerp
in de taboe sfeer ligt. Spel geeft vaak mogelijkheden om op een veilige
manier op zulke ervaringen in te gaan. Een definitie van “pesten” Pesten
is gedrag dat min of meer bewust is gericht op één of meer kinderen
en dat tot doel én dat tot gevolg heeft dat degene die gepest wordt,
zich gekwetst, geraakt, vernederd, afgewezen en /of buitengesloten voelt. Bij
pesten kan een onderscheid worden gemaakt tussen: Incidenteel
pesten: een enkele opmerking, steek of sneer, een enkele duw, een enkele
keer een voet uitsteken…. Structureel
pesten: sommige leerlingen zijn continu het slachtoffer van pesten-
wat ze ook doen, wat ze ook zeggen, wat voor kleding ze ook dragen,
het is “nooit goed: sommige andere leerlingen gedragen zich continu
als pestkoppen: het lijkt wel of ze geen andere manier van omgaan met
medeleerlingen kennen! Enkele vormen van pestgedragSchelden
/ scheldnamen geven Stukmaken/
afpakken/ verstoppen van eigendommen Naroepen/
uitlachen/ belachelijk maken Fysiek
geweld Nadoen,
imiteren Uitsluiten
van groepsspel en sportactiviteiten NB:
Het pesten vindt bijna altijd stiekem plaats, buiten de waarneming van
leerkrachten en ouders., Dat het gebeurt, is lang niet altijd zichtbaar. Pesten: de oorzaken
Wat
veroorzaakt het pesten? Wat zorgt ervoor dat sommige leerlingen zich
“ontpoppen” tot ware treiteraars en pestkoppen De
Noorse onderzoeker Dan Olweus heeft in een grootschallig onderzoek blijkt
dat pesten niet veroorzaakt wordt door: De
grootte van de klas of school Het
falen op school Fysieke
afwijkingen/ afwijkende kleding Wat
er wel mee samenhangt zijn onder meer: Sociale
omstandigheden: zoals laag inkomen, laag opleidingsniveau van de ouders En
de opvoedingsstijl die de ouders hanteren: negativisme van de ouders,
gebruik van geweld en machtsmiddelen in de opvoeding en het toleren
van agressief gedrag Wat
de slachtoffers/ de zondebokken betreft: Zij kenmerken zich door lage
zelfwaardering, hoge mate van sociale angst en fysieke zwakte. Pesten : de gevolgen
Pesten
en gepest worden heeft verstrekkende
gevolgen voor zowel de pestkop als de zondebok De mogelijke gevolgen voor de pestkop:lagere
schoolprestaties hoge
kans op criminaliteit De mogelijke gevolgen voor de zondeboknegatief
zelfbeeld lage zelfwaardering onzekerheid
in sociale relaties, eenzaamheid en isolement verhoogde
kans op het ontwikkelen van ernstige psychische problemen kans
op het ontwikkelen van antipathie tegen school schoolverzuim met als
gevolg kans op vroegtijdige schoolverlaten Het pedagogisch klimaat De
rol van de leerkracht is heel belangrijk voor de sfeer in de groep.
De leerkrachten en de klas maken echter deel uit van een groter geheel.
De volgende invloeden zijn heel belangrijk voor het pedagogisch klimaat: Werkresultaten:Een
te grote nadruk op de schoolprestaties kan heel erg negatief uitpakken.
De spanning in een klas kan hoog oplopen indien een leerkracht onder
druk ‘van bovenaf’ koste wat kost bepaalde resultaten blijft najagen.
Werklast:De
werklast moet goed onder de leerkrachten verdeeld zijn. De leerkracht
met een grote combinatieklas en met relatief veel moeilijke leerlingen
moet bijvoorbeeld wat ontzien worden bij het invullen van algemen schooltaken.
Het scheppen van een goede sfeer in de klas vereist naast enthousiasme
en goede wil ook voldoende energie. De werkdruk mag niet te hoog oplopen,
anders bestaat de kans dat de leerkracht ongeduldig en geïrriteerd gaat
reageren. Ook zal er dan minder tijd zijn om informele contacten met
de leerlingen te onderhouden en om nieuwe activiteiten te organiseren.
Contacten met de ouders:Veel
problemen kunnen worden voorkomen indien er op school een goed systeem
van contacten met ouders is opgebouwd. Door een soepele communicatie
met ouders leren we de kinderen beter te begrijpen en kunnen we doelgerichter
reageren. Ook zal het kind zich op school beter op zijn gemakt voelen
wanneer het weet dat er een goed contact is tussen de school en zijn
ouders. Buitenschoolse activiteiten en vieringen:Buitenschoolse
activiteiten en vieringen bevorderen in het algemeen een gezond pedagogisch
klimaat. Door het ‘wij-gevoel’ dat erdoor ontstaat zal het kind zich
oop school meer thuis voelen. Uiteraard heeft dit een positieve uitstraling
op de sfeer in de klas. Regels:Het
is belangrijk dat redelijke en duidelijk gestelde regels door het gehele
team actief bewaakt worden. Zo kan bijvoorbeeld intensief surveilleren
op de speelplaats veel narigheid in de klas voorkomen. Steun van het team:Wanneer
een leerkracht worstelt met een moeilijke klas of een moeilijk kind,
dan moet hij bij het team steun kunnen vinden. Een problematische klas
is niet slechts het individuele probleem van de klassenleerkracht. Ook
moet voorkomen worden dat een bepaalde klas een negatief stem krijgt
en houdt. Zo’n stempel werkt verbetering van de situatie tegen. Een
goed klassenklimaat is voorwaarde voor effectief leren. Er wordt ontspannen
en dus beter gewerkt en er gaat minder tijd verloren aan correcties
van individuen en de groep. Een goed klassenklimaat is ook motiverend
voor jezelf. Je gaat nooit net tegenzin de klas in en je krijgt en houdt
energie voor leuke activiteiten. Het klassenklimaat vergt preventieve
actie. Dat betekent dus dat je actief moet worden voordat het mis loopt.
Het is nodig veel tijd en aandacht te investeren in een goed klassenklimaat.
Dan komt er niet vanzelf. Je zult dus intensief aan de slag moeten.
Als het klassenklimaat van doorslaggevend belang is voor het werkplezier
en daarmee voor de ontwikkeling van de kinderen, dan kan het dus niet
zo zijn dat er geen tijd is om aan verbetering van het klassenklimaat
te werken, omdat bijvoorbeeld ‘het programma anders niet afkomt’ Omgaan
met elkaar moet je leren. Voor dat leerproces is nodig: bewustwording,
oefening en verbetering of evaluatie. Suggesties voor verbetering van het pedagogisch klimaat Investeer
vooral de eerste weken veel energie in het verbeteren van het klassenklimaat.
Je kunt beter de eerste weken wat moe zijn dan de rest van het jaar. Zorg
voor een goede organisatie. Je moet zelf precies weten wat je wilt met
de les, de kinderen moeten dat weten en je moet ervoor
zorgen dat voldoende materialen beschikbaar zijn als de les begint. Instrueer
en oefen voorafgaand aan groepsmomenten. Ga vooraf met de groep overleggen
over het proces: hoe pak je het samen aan? Laat een groepje aan de klas
demonstreren hoe er samengewerkt kan worden. Bespreek dat met de klas
en laat de kinderen vervolgens aan het werk gaan. Wees actief aanwezig
als de groepen aan het werk gaan, loop rond, stimuleer en wijs op goede
situaties. Zorg dat je geen tijd hoeft te besteden aan andere zaken,
zoals niet beschikbare materialen of kapotte hulpmiddelen. Af
op dezelfde manier aan de gang als je tijdens de gymles in circuit wilt
werken. Zorg ervoor dat de kinderen weten wat van ze verwacht wordt:
wat kan gedaan worden en hoe gaan we aan het werk? Houdt
thematische kringgesprekken. Thema's: ruzie, de ander, helpen en geholpen
worden, wie wil de baas zijn, drift en woede, fouten maken en toegeven.
Laat kinderen ontdekken hoe ruzies kunnen ontstaan (begin buiten school)
en wat nodig is om ruzies op te lossen. Probeer kringgesprekken te houden
rond meer 'individuele' onderwerpen als: angst, verlegenheid, eenzaamheid,
schaamte, fouten toegeven. Leer de kinderen zich in te leven in de gevoelens
van anderen. Probeer zo sociale vaardigheden te ontwikkelen. Als de
kringgesprekken goed lopen, heeft dat zeker een gunstige uitwerking
op de sfeer in de groep. Stop gewoon met een kringgesprek als je merkt
dat het moment verkeerd gekozen was. Stop dan vooral gewoon, zonder
theater of verwijten, zonder commentaar. Zorg
ervoor dat je niet zelf de competitiesfeer en de tegenstellingen versterkt.
Geef vooral een leerling of een groepje leerlingen niet de schuld van
de slechte sfeer. Maak
werk van het gedrag op het plein. Voorkom dat na elke pauze tijd besteed
moet worden aan het uitpraten en bespreken van ruzie, storend gedrag
of onverdraagzaamheid. Houd
je aan eigen afspraken en toezeggingen. Houd je ook aan je eigen voornemens
en planningen. Laat je niet door de klas overhalen iets te doen of te
laten wat je niet van plan bent, want dan zullen de pogingen je te beïnvloeden
alleen maar toenemen. Creëer
bewust prettige en ontspannende momenten. Om
de onderlinge verhoudingen van de kinderen te meten kan je als leerkracht
een kleine enquête houden. Voorbeeld: Ben
jij een jongen of een meisje? jongen meisje Omcirkel
bij elke vraag de letter die volgens jou het juiste antwoord is. Hoe
vaak hebben andere kinderen jou sinds het begin van dit schooljaar gepest? ik
ben dit schooljaar niet gepest ik
ben maar een of twee keer gepest ik
ben regelmatig gepest ik
ben ongeveer een keer per week gepest ik
ben verschillende keren in de week gepest Hoe
vaak heb je zelf meegedaan met het pesten van andere kinderen op school
sinds het begin van dit schooljaar? ik
heb dit schooljaar geen kinderen gepest een
of twee keer regelmatig ongeveer
een keer per week verschillende
keren per week Schrijf
de namen van klasgenootjes op die sinds het begin van dit jaar regelmatig
door andere leerlingen gepest worden op school. Niemand
wordt regelmatig gepest. ………………………………….. ………………………………….. …………………………………. Schrijf
de namen van klasgenootjes op die sinds het begin van dit schooljaar
regelmatig andere kinderen pesten op school. Niemand
pest andere kinderen regelmatig. ………………………………….. …………………………………. …………………………………. Tot
slot: Een
goede sfeer in een klas krijg je niet cadeau. De leerkracht moet zich
ervan bewust zijn dat hij of zij persoonlijk een sterke invloed heeft
op die sfeer. Ook moet de leerkracht het belang van een goede sfeer
inzien en niet redeneren in de trant van 'gezelligheid komt later wel,
we zijn nu hier om flink te werken'. En tenslotte moet de leerkracht
daadwerkelijk aan het werk om een goede sfeer in zijn groep te veroveren.
Dat betekent o.a.: goed observeren, evalueren, plannen maken, experimenteren
en van kinderen blijven genieten. Bij dit alles is de ondersteuning
van maatregelen op schoolniveau onontbeerlijk.
|