Eerste Kerstdag 1998,

Diemen

Dagmis

 

Jesaja 52, 7 – 10

Hebraeën 1, 1 – 6

Joannes 1, 1 - 14

 

Kerstmis is vertrouwd van oudsher, we weten van de geboorte van het Kind, en we horen hoe de engelen hebben gezongen, in de verte naderen reeds de drie koningen, en we weten hoe Maria al deze woorden in haar hart bewaard heeft, hoe zij de woorden overwogen heeft die haar door de herders waren toevertrouwd. Maar wat dat laatste betreft, wordt dat ietwat moeilijker. Veelal blijven wij staan bij de verwondering, bij de vertedering om de Moeder en het Kind,  het Goddelijk Kind, zoals we zingen, maar hoe dat Kind  door de schriften wordt aangewezen, door de profeten wordt bezongen, hoe het Zijn plaats krijgt in het Koninklijk huis van David, is doorgaans aan onze vrome aandacht onttrokken. Hij die geboren is, is degene die getrouw zal zijn aan het onderricht van Moses met heel Zijn hart, met heel Zijn ziel, en al Zijn krachten, die trouw en die betrouwbaarheid maken zijn identiteit uit, die trouw en die betrouwbaarheid maken dat Joannes Hem de woorden in de mond kan  leggen: IK BEN de weg, de waarheid en het leven. Dat ik is: IK BEN de betrouwbare weg die ten leven voert ….    Zo is  het Woord van God temidden van ons geschiedenis geworden, zo is die belofte van God, die toezegging Gods voor ons de mogelijkheid geworden tot echte geschiedenis, en niet de zogenaamde geschiedenis van bombardementen en bombarie, van man en macht, van hanig gedrag, van mannelijke ijdelheid … Want de beloften Gods geschieden met stille overmacht. In het evangelie van vandaag horen we met grote innigheid, waartoe dat Woord Gods in staat is, wat deze belofte van God te weeg kan brengen: al degenen die deze belofte van god willen aannemen, al degenen die naar de vervulling van die beloften reikhalzen heeft Hij het vermogen gegeven om kinderen van God te worden, dat zij  die in Zijn Naam geloven, in Gods Naam!! Zij zijn niet uit de drift van het bloed, niet uit de hartstocht van het vlees, nog uit de drift van een man, maar uit God geboren!  De evangelist heeft dit alleen maar kunnen schrijven, omdat  hij het verhaal kende van Abraham en Sara, van die wonderlijke geboorte van dat kind van belofte: de zoon van Abraham: Isaäk. Omdat Abraham al zijn vertrouwen stelde op God, en niet op eigen kracht en vermogen. En zo kwam Abraham tot zijn recht, maar ook zo zijn wij te weten gekomen hoe God is, hoe God tot Zijn recht komt …. Als al degenen die in Zijn Naam geloven zich an die Naam toevertrouwen.

 

In het evangelie van Joannes staat een wonderlijke passage te lezen, uitermate geschikt om ook op de eerste kerstdag te worden voorgelezen. “En het was het feest van de vernieuwing van de tempel te Jerusalem, en het was winter; en Jesus wandelde in de tempel, in de zuilengang van Salomo. En de Joden omringden Hem, en zeiden tot Hem: ‘Hoe lang houdt gij ons nog in spanning? Indien gij de Messias zijt, zeg het ons vrijuit’” (Joes 10,22 -24) Het feest van de inwijding van de tempel is het Chanoeka feest. Het wordt tot in onze dagen in de synagoge, en in de Joodse huisgezinnen gevierd acht dagen lang, te beginnen op de 25e van de wintermaand.  Er worden geschenken gegeven, en iedere dag wordt er een kaarsje meer aangestoken, zodat op de laatste dag van het feest, er acht kaarsen branden. Dit feest gedenkt dat de tempel in Jerusalem weer in ere werd hersteld, weer aan de eredienst kon worden teruggegeven na de gruwel der verwoesting, nadat er gezongen moest worden; “O God, heidenen zijn gekomen in Uw Erfdeel, zij hebben de tempel van Uw heiligheid ontheiligd; zij hebben Jerusalem tot puinhopen gemaakt. Zij hebben de dode lichamen van uw knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees van uw gunstgenoten  aan het gedierte van het land ….” (Psalm 79,1 - 2) De Macchabaeën, de Macchabese broeders hebben die strijd gevoerd, Zij hebben het joodse volk naar de overwinning geleid, en als door een wonder werd bij de inwijding van de tempel het heilige vuur teruggevonden, en dat weêrgevonden vuur brandde met hemelse gloed acht dagen lang. Het feest viert de weer in gebruik name van de tempel, maar het verheerlijkt ook de dynastie van de Macchabaeën, die aanspraak maakten op het koningschap van Israël. We zien het voor ons. We begrijpen de onder- en de boventonen van de evangelist. Jesus, de Zoon van David, wandelt op het feest van de dynastie in de feestelijk verlichte tempel, en het was winter een tempel die zoals wij dat zouden zeggen: weer gezien mag worden! Jesus wandelt in de zuilengang van Salomo. De evangelist vermeldt dit niet alleen maar ten overvloed. We weten Salomo, de vredevorst is de zoon van de David, en Jesus is de Zoon van David …. In deze entourage omringen de Joden Hem, en zij stellen de spannende vraag. Hoe lang houd gij ons nog in spanning: als gij de Messias zijt, zeg het ons openlijk …. Ook dit verhaal is niet geschreven opdat wij aan de rand zouden kunnen blijven staan, als marginale figuren, al of niet mild belangstellend, ietwat besmuikt, hoe zou Jesus dat er af brengen … Want ook deze vraag mag ons niet gemakkelijk ter zijde plaatsen, alsof wij allang zouden weten dat Jesus de Messias is, en alsof wij derhalve niet meer in spanning hoeven te verkeren: voor ons is het immers gans en geheel helder!  Daarom lijkt het er af en toe veel (te veel!) op dat wij de vraag ternauwernood toelaten: houdt Jesus, houdt de Messias ons nog in spanning?  Of hebben wij dat in deposito gegeven, veilig opgeslagen tegen brandgevaar en diefstal … Het evangelie van Joannes vervolgt: “Jesus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, en gij hebt daarin geen vertrouwen: de werken die Ik doe in de Naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij …. “ Dat hebben we enkele dagen geleden ook nog gehoord, op de derde zondag van de advent, toen Joannes in de kerker hoorde van de werken van de Messias, en hij geboeid de vraag liet stellen: zijt Gij degene die komt, de komende, of hebben wij een andere te verwachten?  Zonder deze spannende vraag kunnen wij onze belijdenis niet gestand doen. Hij is degene die wij verwachten, maar ook wat verwachten wij,  en hoe is onze verwachting gekleurd, en wat zien onze buren ervan,  onze familieleden, onze landgenoten, waaraan merken de anderen dat wij naar Zijn stem horen?  Maar hoe zullen wij antwoord geven op deze grote vragen? We raken al in verlegenheid als we deze vragen hardop horen (te?) stellen,  en we keren ons wellicht ietwat beschaamd af als deze vragen klinken.  Maar toch deze vragen klinken, - hoelang nog houdt gij ons nog in spanning, - in een feestelijk verlichte tempel, waar de vernieuwde inwijding wordt gevierd. Zo komen we weer terug bij het evangelie van vandaag, de lezing van de eerste kerstdag.

 

We kennen allemaal de bekende tekst, we hebben die tekst ook onmiddellijk herkend: en het Woord is vlees geworden, en het heeft onder ons gewoond …. vol van genade en betrouwbaarheid. We mogen opmerken dat er niet zonder meer staat: en het woord is mens geworden. Dat wil ook zeggen het woord van God, de toezegging van God, is  tastbaar, broos en teder, geschiedenis geworden. Dat wil ook zeggen die toezegging van God maakt geschiedenis mogelijk, we hebben het al gezegd. Daarom houden wij vol spanning de adem in, wanneer zullen we dat zien  at de Gods belofte een geschiedenis realiseert zoals we nog nooit hebben gezien: eindelijk, ten einde raad: vrede in het land, vrede op de aarde onder de hemel!  Ten overvloede, als teken van overvloed voegt de evangelist er nog aan toe, en die vervulling van Gods belofte, dat Woord heeft onder ons gewoond. Dat woord en het heeft onder ons gewoond klinkt ietwat gewoontjes, te gewoontjes. In de tekst van Joannes staat een zeer geheimzinnig woord! Het is een Grieks woord, maar als je even je bijbelse phantaisie laat gaan denk je dat je een Hebreeuws woord leest. En ineens hoor je de verre klanken van de bouw van de tabernakel, van de verbondstent, en je hoort de klanken hoe God temidden van Zijn volk wil wonen, als degene die met de wolk van Zijn heerlijkheid bezit genomen heeft van de tent van het verbond. “Toen bedekte de tent der samenkomst, en de heerlijkheid des Heren vervuld de tent van het verbond … “ (Ex 40,34)  Zo, in die aanwezigheid wil de belofte Gods aan ons geschieden, zo wil Hij aanwezig zijn. Het merkwaardige woord dat hier staat, betekent letterlijk: en Hij sloeg Zijn tent onder ons op. Het moge duidelijk zijn, het gaat hier niet om een bungalowtent, of een vouwcaravan. Het gaat om het geheim van de aanwezigheid van God in Zijn heiligdom, in de tent van het verbond in de woestijn, om het hartsgeheim van de tempel in Jerusalem. Daarom heeft Joannes het verhaal verteld van het inwijdingsfeest midden in de winter. Joannes heeft het ons verteld, om ons woorden te reiken, ons van bijbelse beelden te voorzien die het ons mogelijk maken te peinzen hoe de lieve Heer bij ons zijn intrek heeft willen nemen, hoe de Hij bij ons heeft willen wonen, en hoe wij Hem plaats bereiden, want God troont op de tempelzangen van Israël, Hij troont op de psalmen die worden aangeheven …

 

 

Met Kerstmis mogen we verder peinzen, mogen we doordringen in Gods geheim met ons. Want er is meer dan alleen de ontroerende zang: er is een kindeke geboren op aard’.  We moge  ook horen: en het Woord, Gods belofte is in het vlees geschied, geschiedenis geworden, en Hij heeft bij ons Zijn verbondstent opgeslagen, een woonst als teken van Gods verbond met ons, in levende lijve!.  Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, de Heerlijkheid van de eniggeborene van den Vader. Hij is vervuld van genade en trouw, van genaderijke betrouwbaarheid. Zo wensen  wij elkander van harte een zalig Kerstmis, in vertrouwen op de betrouwbare belofte van God!  Zo geve ons God!

 

Am*dam 22 december 1998                                                                                          © Ben Hemelsoet

 

 

Tweede zondag na Epiphanie
Diemen 17 januari 1999   

Jesaja 49, 3 + 5 – 6

1 Kor 1, 1- 3

Joannes 1, 29 -34

 

We blijven nog in de omgeving van de Joannes,  we horen een gedeelte van zijn getuigenis. De Joden uit Jerusalem hebben priesters en Levieten gezonden om hem te vragen: wie zijt gij? Hij heeft geantwoord: Ik ben de stem van een die roept in de woestijn, maakt recht de weg des Heren, gelijk Jesaja de profeet heeft gezegd. Pharisaeën hebben hem de vraag gesteld: Waarom doopt gij dan, als gij de Messias niet zijt, noch Elia, noch de Profeet? Joannes antwoordde hun, zeggende:  “Ik doop met water maar Hij staat midden onder u die gij niet kent. Hij is het die na mij komt, die voor mij geworden is. Ik ben niet waardig om Zijn schoenriem te ontbinden. Deze dingen zijn geschied in Bethanië, over de Jordaan, waar Joannes toen doopte. Daar zet de lezing van vandaag in. Maar allereerst mogen, en moeten we weten, dat wat aan de lezing van vandaag voorafgaat ons tot de orde roept. Tot een hemelse orde. Ook als we dit horen we niet denken dat de woorden van Joannes niet tot ons gericht zouden zijn. Midden onder u staat Hij die gij niet kent …. Wij kunnen niet doen alsof dat niet voor ons zoude gelden. Alsof wij allang zouden weten wie Hij is. Om daar vragen bij te stellen is het  voldoende om aan het woord van Jesus te herinneren: wat gij aan de minste van Mijn broeders gedaan hebt, hebt gij aan Mij gedaan. De toetssteen waaraan wij kunnen herkennen of wij Jesus (willen) herkennen of niet is immers of wij Hem willen herkennen in de minste van Zijn broeders!  Met deze spanning in onze oren kunnen we verder lezen in het evangelie van Joannes. Want deze vooronderstelling van Jesus en de minste van Zijn broeders hoort bij de vooronderstelling van onze gemeenschap. We staan nog in Bethanië, aan de overzijde van de Jordaan, de grensrivier. Bethanië betekent het huis van de arme, het huis van de berooiden, het armenhuis. We staan aan de overzijde van de Jordaan, we zijn derhalve nog niet binnengegaan in het veelbelovende land, arm en haveloos als we zijn.  Ook die plaatsaanduiding is niet te verwaarlozen aanwijzing die we in alle opzichten ernstig moeten nemen. En zo vervolgt Joannes de evangelist: “De volgende dag zag Joannes Jesus tot zich komen ….”   Joannes zegt: “Zie, het lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt, dat de zonde der wereld wegdraagt”.  Ook hier moeten we alle aandacht aan de tekst geven. Joannes zegt niet: “ziedaar - eindelijk - degene die jullie nog niet kennen”.  Zo blijkt dat “Hij die na Joannes komt” niet zonder meer Jesus is. Hij is het lam Gods. Onze vrome phantaisie heeft er veel over nagedacht, we danken er het lied aan van Jesus en Sint Janneke, die speelden met hun lammeken. Maar er is hier meer in het geding dan kinderspel. Schilders hebben het geweten. Zij hebben Sint Jan afgebeeld met een lam al of niet in zijn armen. Er zijn schilders die Joannes een plaats gegeven hebben bij de aanbidding van het kind in de stal van Bethlehem. De kleine Joannes  knielt op de plaats van Joseph; Joannes heeft een wat ouwelijk gezicht, zijn hoofd iets te groot. Maar onder zijn mantel draagt hij een klein kemelsharen hemd! Joannes de Doper is ook geschilderd onder het kruis van Jesus, want daar onder het kruis kan hij met recht en reden, met grote vinger,  wijzen op de het lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt. Nee, het lied van Jesus en Sint Janneke is toch iets te klein voor de grote figuur die Joannes is. Maar als Joannes zo spreekt van het lam Gods  dan heeft hij niet een vredige pastorale, een vredig herderstafereel op het oog. Hij spreekt van het Lam Gods. Dat lam kennen we uit de profeet. In Jesaja staat het zo geschreven: “Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open” (Jes 53,7) Dat lam waar de profeet van spreekt is het lam Gods, en Joannes voegt er aan toe, ter verklaring, ter verduidelijking Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt, wegdraagt …  hebben de mensen die daar stonden dat allemaal, ineens, kunnen bevatten? Maar dat is geen goede vraag. Zo’n vraag zoude kunnen beduiden dat wij ons mogen verontschuldigen, dat wij geen moeite zouden hoeven doen om te begrijpen wat de evangelist ons hier allemaal zegt. Die eerste toehoorders van Joannes hebben het  immers ook niet helemaal begrepen! Wij echter, die de schriften kennen, wij die weten dat Jesus opgewekt is uit de doden volgens de schriften kunnen het minstens vermoeden!   Want als wij dit evangelie horen, worden we toch verondersteld van Jesus’ dood en opwekking uit de doden gehoord te hebben. Dat is immers de vooronderstelling van ons samenzijn, ook vandaag, de vooronderstelling van onze gemeenschap.  Zo horen wij vandaag al, moeten wij vandaag al horen het  wondere perspectief van Pasen, het perspectief van het Paaslam. Dat komt allemaal na Joannes, Hij komt na Joannes, dat Lam Gods komt na Joannes, want daarop is het geheel van de schriften gericht.  Alles wat geschreven staat is op de bevrijding uit de duisternis gericht, bevrijding uit de duisternis van de slavernij, bevrijding uit de duisternis van Egypte, bevrijding uit de duisternis van de dood.  Joannes vervolgt: “Ook ik kende Hem niet ….”. Het is ietwat flauw om u op te merken, maar Jesus en Sint Jan waren toch familie van elkaar, neven? De evangelist Joannes weet daar niets van. Familiebanden geven geen rechten als het om hemelse kennis gaat. Joannes is niet gekomen om Hem te herkennen!  Hij die aan Joannes de opdracht gegeven had om te dopen met water, om de wacht te betrekken bij de grenspost, bij de Jordaan, Hij had Joannes daar bij dat armenhuis geplaatst om Hem aan Israël te openbaren …. Joannes moet dopen. En dan schrijft Joannes  op een wonderlijke manier: op wie ook gij de Geest zult zien neerdalen en daarop blijven, deze is het die dopen zal met de heilige Geest.  Joannes weet het derhalve op voorhand nog niet wie de dopeling zal zijn, die dopen zal met heilige Geest. Want ook Joannes weet niet wie het al zijn, hij kent Hem niet. En daarom kan het zo geheimzinnig luiden op wie ook  …. Voor Joannes had het nog iedereen kunnen zijn die zich aanbood om door hem gedoopt te worden. Het is dienstig dat wij ons dat goed realiseren. Er zijn er nog velen die denken dat Jesus eigenlijk niet gedoopt had hoeven worden. Te veel maken wij de doop van Jesus afhankelijk van de doop die we zelf hebben ontvangen. Maar uit dit verhaal van de evangelist Joannes blijkt overduidelijk dat als Jesus  niet gedoopt zou zijn door Joannes in de Jordaan, Hij niet aan Israël zoude zijn geopenbaard!  Dat laatste schiet er bij ons menigmaal wat bij in.  Wij zijn (te) gewend geraakt om over (!) Jesus te spreken los van Israël, een Jesus losgemaakt, losgeweekt van Zijn volk Israël, een Jesus losgezongen van de belofte gedaan aan de aartsvaders Abraham, Isaäk en Jacob!  Dan komt de slotzin van het evangelie van vandaag: Ik heb het gezien, en ik heb mogen getuigen, dat deze is de Zoon van God… Ook deze zin moeten we met devote aandacht horen.  We kunnen niet te gemakkelijk zeggen dat na al de moeilijke tournures van het evangelie van deze zondag we eindelijk ons weer op bekend terrein bevinden. Alsof we nu ten laatste weer zouden weten waar Joannes het over heeft. We weten zogenaamd allemaal allang dat Jesus is de Zoon van God?! Maar we moeten ook hier wel beseffen dat we uit het evangelie van Joannes lezen, en niet uit een ons al of niet bekende Katechismus. De Zoon van God moet allereerst als een Bijbelse uitdrukking worden verstaan, de uitdrukking moet worden verstaan in het verband van Jesus’ doop. We herinneren er nogmaals aan dat Jesus wordt gedoopt temidden van vele anderen, en wel te Bethanië, het armenhuis, aan de overkant van de Jordaan. Daar op die plaats wachten de menigten om door Joannes overgezet te worden, door het water heen te worden getrokken om zo het veelbelovende land te kunnen  betreden, om zo deel te hebben aan de beloften die God aan Zijn volk Israël heeft toegezegd.  In dat land aangekomen, zal met recht en reden gezegd en beleden kunnen worden: wij waren slaven in Egypte. En daarom door het water heengegaan,  door de Jordaan heen, kan in volle glorie met een beroep op Gods beloften worden beleden: uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen….  Door gedoopt worden  door Joannes heeft Jesus in de Jordaan alle zonden van Zijn volk afgewist zoals een oude antiphoon het nog immer zingt.  Als we ons het verhaal van de drie heilige koningen herinneren, weten wat er allemaal in dit verhaal aan te pas moet komen om de geboren koning van de Joden uit de handen van de wrede koning Herodes te redden. Engelen moeten dromen binnengaan, moeten optreden in die van Joseph, de drie heilige koningen moeten van godswege worden gewaarschuwd, en Joseph moet het kind nemen en zijn moeder. Hij moet de wijk nemen naar Egypte. Heel dit verhaal is er uiteindelijk op gericht dat Mattheüs die wonderlijke zin kan schrijven: dit is geschied opdat vervuld zou worden wat geschreven is door de profeet: uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen ….  Daar ligt de oorsprong van het spreken over de Zoon van God, de geboren koning van de Joden, de zoon van David, de Zoon van Abraham, die gered is uit de duisternis van Egypte, uit de duisternis van de slavernij, uiteindelijk uit de slavernij van de duisternis van de dood! Zo getuigt ook Joannes van deze zoon. Zoals Hij het lam Gods is, zo is Hij ook DE ZOON VAN GOD, daarom onze leidsman, onze hertog, de betrouwbare weg te leven: zo geve God ….

 

Am*dam,14 januari 1999
© Ben Hemelsoet  

 

 

Derde zondag van de Vasten
Diemen 7 maart 1999

Exodus 17, 3 – 7

Romeinen 5,1 - 2 + 5 -8

Joannes 4, 4 - 42       

 

De lezing van Exodus, de eerste lezing van deze zondag, is van een spannende schoonheid. Het lijkt zo eenvoudig om deze eerste lezing als een parallel verhaal te lezen bij het verhaal van Jesus en de barmhartige Samaritaanse vrouw.  Maar het verhaal van Exodus verdient alle aandacht. De kinderen van Israël zijn ternauwernood op weg naar het veelbelovende land, zij zijn nog niet eens bij de berg Sinaï en alles wat er mis lijkt te kunnen gaan, gaat mis. Ze beginnen te murmureren tegen Moses en tegen Aäron in de woestijn. Dat staat in het voorgaande hoofdstuk van het boek van de uittocht. Ze zeggen zelfs: ach dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des Heren, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten …. (Ex 16,2 - 3). Ze hebben om zo te zeggen de klanken van het lied van Moses nog in hun oren. Ze beginnen te murmureren, een schitterend Nederlands woord, vol pruttelende stomme e’s. Ze krijgen brood uit de hemel, en het regent manna voor hun leven. Het volgende hoofdstuk is het weer raak. Ze hebben geen water, en zij twisten met Moses. Zij krijgen water uit de rots. Hier staat niet dat fameuze woord murmureren, maar twisten, en dat zal aan het eind van het verhaal worden uitgelegd, waarom hier twisten staat.  Want zo luidt het: Moses noemde die naam van die plaats Massa en Meriba, vanwege de twist van de kinderen Israëls, en omdat zij de Heer verzocht hadden, tartend op de proef hadden gesteld, zeggende: is de Heer in ons midden of niet? Wij staan er niet om bekend dat wij al te vertrouwd zijn met de psalmen. Er is een tijd geweest dat wij het zingen van de psalmen aan anderen overlieten, aan de protestanten, hoewel de psalmen toch het dagelijks gebed van Jesus zijn geweest. We hebben -  helaas, - geen psalmen leren zingen, en zelden is er op de schoonheid van de psalmen gewezen. Maar het verhaal van Exodus van deze zondag heeft zijn weg gevonden in het boek van de psalmen. In psalm 95 wordt dit verhaal dringend, indringend gezongen. Het klinkt zo:

Want Hij is onze God,

en wij zijn het volk van Zijn weide, de schapen van Zijn hand.

Heden,

zo gij Zijn stem hoort,

verhardt uw hart

gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn.

Daar hebben uw vaderen Mij verzocht, zij hebben Mij beproefd,

hoewel zij Mijn werken hadden gezien ….. (psalm 95, 7 - 9)

In de psalm wordt het net niet met zoveel woorden gezegd, maar we weten hoe de kinderen van Israël God op de proef hebben gesteld. Zij hebben de onmogelijke vraag gesteld: is God in ons midden of niet? (Ex 17,7) Dit is niet de vraag die eenieder wel eens stelt: waar is God nu, waar blijft Hij met Zijn wonderen? Maar het is inderdaad die tartende vraag: is God in ons midden of niet, met die onmogelijke, murmurerende ondertoon: Hij zal er toch wel niet wezen ….. en daarom eindigt de psalm zo: toen moest Ik wel zweren: zij zullen niet ingaan in de rust van het veelbelovende land (ps 95,11). Deze psalm is een waarschuwing, een opdracht, toch niet zo te doen als die murmurerende kinderen van Israël in de woestijn!  De apostel Paulus zal deze episode in de woestijn in herinnering roepen als hij schrijft: “Ik wil niet, broeders en zusters dat gij onwetend zijt. Onze  vaderen zijn allen onder de wolk geweest, en allen zij door de Rode zee heengegaan; allen zijn zij gedoopt n de wolk en in de zee. Allen hebben dezelfde  geestelijke spijs gegeten, - het manna, - en allen hebben dezelfde geestelijke drank gedronken; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die hen volgde, en die steen rots was Christus. Maar in de meesten van hen heeft god geen behagen gehad, want zij zijn  in de woestijn omgekomen. En deze dingen, zo zegt Paulus, zijn geschied als voorbeelden voor ons, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben”. (1 Kor 10, 1 - 6) Zo mogen wij de vraag niet stellen: is God in ons midden of niet, met de ondertoon; Hij zal er toch wel niet zijn! De barmhartige Samaritaanse vrouw, - wij noemen haar ook barmhartig, omdat zij barmhartigheid heeft ondervonden van Jesus. Deze vrouw komt niet op een mumurerende wijze tot haar vraag om levende water, water dat levend maakt! Integendeel. Joannes vertelt zijn verhaal zo, dat van het begin af aan het initiatief bij Jesus ligt. Jesus vraagt aan die vrouw om Hem te drinken te geven, en van uit die vraag ontspint zich het gesprek. Hoe is het mogelijk dat een Jood om drinken vraagt aan een Samaritaanse! Maar als die vrouw eens wist, als zij eens wist van de gave Gods, zoude zij Hem veeleer om drinken hebben gevraagd! Wat is dat voor een merkwaardige Jood, die zich toch ook zal  beroepen op de God van Israël! Zal die vreemde Jood, soms groter zijn dan de ware Jacob, groter dan aartsvader Jacob? Jesus stelt daarop de intrigerende vraag: ga uw man roepen, zo wordt toch weer de ware Jacob, de aartsvader in herinnering geroepen! En we horen de vraag van Jesus ook als: met wie ben jij eigenlijk getrouwd? Aan wie heb je je hart verpand? Of is je hart nog immer onrustig? Het moge duidelijk zijn, Jesus is niet op menselijke intimiteiten uit, - geen Story of Privé, - maar op het hartsgeheim van God!  Jesus heeft die vrouw in haar ziel gekeken, dieper dan de vrouw zelf heeft kunnen kijken en zo kan  die vrouw zeggen: Heer, ik zie dat gij een profeet zijt. De vrouw stelt daarop de vraag op welke plaats de ware aanbidding, het schrijnende twistpunt tussen Joden en Samaritanen haar echte plaats zal vinden, waar haar aanbiddende hart haar plaats kan vinden, rust voor haar ziel. Op de  berg Garizim of in Jerusalem. Jesus maakt duidelijk dat er een uur komt, waarop de Vader zal worden aanbieden in de Geest en in de waarheid, in de Geest van betrouwbaarheid en vertrouwen. Vol vertrouwen zullen we de vader kunnen aanbidden, juist vanwege Jesus die de betrouwbare weg naar het ware leven is, Hij, die het levend water schenkt! Het volgen van Zijn levensweg, de navolging van Zijn levensweg zal de betrouwbare eredienst zijn. Denk maar aan de maatstaf die wij bij het laatste oordeel horen: wat gij aan de  minste van broeders en zusters hebt gedaan, dat hebt gij aan Mij gedaan … (Matt 25,40) Jesus vervolgt: God is Geest, en zij die Hem aanbidden moeten Hem aanbidden in Geest en waarheid.  Daarop volgt een wonderlijke reactie van die vrouw. Zij antwoordt: Ik weet dat de Messias komt ….Voorwaar een wonderlijke reactie. Als we tegen elkander zouden zeggen: God is Geest, zouden er maar weinig christenen zijn, die zo zouden antwoorden gelijke die Samaritaanse heeft gedaan. God is Geest roept bij ons niet allereerst de reactie op Ik weet dat de Messias komt …. Toch zegt Jesus niet dat het een verkeerde reactie van die vrouw is. Ja, Jesus gaat door en zegt IK BEN die met u spreekt.   Hier moeten we weêrom uitermate omzichtig, nauwkeurig lezen!  Waarom kan die vrouw zo snel, zo ad rem antwoorden “Ik weet dat de Messias komt”?  [En waarom, en hoe, zijn wij dat kwijt geraakt, als we zouden horen God is Geest?]  De Samaritaanse vrouw kent de schriften, zij kent de toonhoogten van de psalmen, zij weet dat de Geest van God met onvermoede kracht werkt, dat Hij de wereld vernieuwt, dat alles in Zijn kracht zal worden herschapen. Als God zo Geest is, zo geconcentreerd aanwezig is, zich zo intens op deze wereld richt dat dan de Messiaanse tijden gekomen zijn, dat dan Messias aanwezig is. Als zo volledig beleden kan worden dat God Geest is, dan is Messias in ons midden. In de psalm hebben wij immers ook leren bidden: God verberg uw aangezicht niet voor mij, en neem uw Geest niet van mij weg …. (ps 51, 11 - 13) Want de Messias is toch immers  Zijn  aangezicht  dat God ons toont in kracht van de heiligende Geest. Daarom bidden wij toch dat God dat aangezicht niet voor ons verbergen zal. Zo toont God immers ons Zijn barmhartigheid, in de gloed van de heilige Geest (ps 85, 8 v.v.) In het licht van dat aangezicht des Heren, in  het licht van Zijn barmhartigheid kunnen wij met hart en vurigheid de Vader aanbidden in Geest en waarheid!  Let wel: er staat niet dat wij in de Geest de ware leer zullen kennen, wij zullen aanbidden. Wij zullen weten hoe de rechte lofprijzing, de recht orthodoxie is. Orthodoxie betekent allereerst: de recht lofprijzing. Hoe vreemd gaat de ontwikkeling van een woord! Nu noemen wij orthodoxie allereerst rechtzinnigheid, - het kan verkeren! Jesus kan zich op de Naam van God beroepen, als Hij zegt IK BEN. Want God is met ons, als Hij ons de weg van de bevrijding toont, en zo is Jesus sprekend God! IK BEN die met u spreekt (Joes 4,26) Zo zal Mijn volk Mijn Naam op die dag kennen IK Zelf BEN, die met u spreekt, zie IK BEN!  ( Jesaja 52, 6) Zo wordt de blijde boodschap verkondigd  …. (Jesaja 52,7) En zo komt het de bevrijding uit de Joden! Zo geve God!

 

Am*dam 5 maart 1999 (5759)

© Ben Hemelsoet 

 

 

 

Johannes 6,1-15

De wonderbare spijziging volgens Joannes in jaar B, het jaar van Marcus

 

 

Sinds het Tweede Varticaanse Concilie is het leesrooster in de RK. Kerk aanmerkelijk uitgebreid. Er is een A-jaar, en een B-jaar, een C-jaar eveneens. In het A-jaar wordt voornamelijk uit het evangelie van Mattheüs voorgelezen, in het B-jaar uit Marcus, en in het C -jaar uit Lucas. Toch wordt officieel deze verdeling en toebedeling van het jaar A, B, en C niet helemaal volgehouden. Er moet immers ruimte zijn om  ieder jaar - bijvoorbeeld met Kerstmis - zowel uit Mattheüs als uit Lucas te kunnen voorlezen. En ter voorbereiding op Pasen wordt er voor Joannes ruimte ingeruimd. Ook op de zondagen na Pasen is dat het geval.

 

Een merkwaardige rol wordt Joannes toebedeeld in de zomer van het jaar B. De doorgaande lezing van het evangelie volgens Marcus gaat door tot en met de zestiende zondag door het jaar (Marcus 6,30 - 34) om op de zeventiende zondag door het jaar  onderbroken te worden door Joannes 1,6 -15. De lezing van Marcus wordt op de twee en twintigste zondag door het jaar weer hernomen met Marcus  7,1-8+14-15+21-23. De aandachtige lezer kan zich afvragen wat de reden is dat Joannes de doorgaande lezing van Marcus mag onderbreken. Is de vertelling van de wonderbare spijziging van Marcus ineens niet goed genoeg? [De tweede wonderbare broodvermenigvuldiging volgens Marcus 8, 1 - 10 heeft ook geen plaats gekregen in het leesrooster, en is niet vervangen door een andere pericope van Joannes.] De overschakeling op het evangelie van Joannes, de omschakeling naar Joannes is vreemd temeer daar het verhaal van Joannes 6, 1- 15 toch een duidelijk feestelijke, zo niet liturgische aanduiding bevat: en nabij was Pasen, het feest van de Joden. In de oude liturgie werd dit evangelie dan ook voorgelezen op zondag Laetare, halfvasten, de vierde zondag van de veertigdagentijd, statio ad S.Crucem In Ierualem. 

 

Het is niet zozeer het verhaal van de spijziging die de keuze op Joannes heeft laten vallen, alswel de uitleg van die spijziging die zo uitvoerig in het evangelie van Joannes te lezen staat. Joannes heeft dan wel geen instellingsverhaal bij het laatste avondmaal van Jesus met Zijn leerlingen, een diepgaande uitleg van Jesus’gebaren bij de wonderbare spijziging, een verklaring van het brood kan hem niettemin niet worden ontzegd. Om de wonderbare spijziging op het niveau te brengen van een bepaalde eucharistische interpretatie, wordt Joannes in het jaar B ingelijfd in het evangelie volgens Marcus, dienstbaar gemaakt aan wat Marcus eigenlijk had moeten zeggen, en bovendien om te zeggen wat zelfs niet gezegd wordt in het verhaal van het laatste avondmaal en  de instelling van de Eucharistie volgens de synoptici.

 

De invoeging van Joannes 6 op deze plaats in het evangelie van Marcus heeft alles te maken wat ook te lezen staat in de voetnoot van de Willibrordvertaling 1995 bij Joannes 6,51: “ en het brood dat Ik zal geven  .... Omdat vanaf hier, duidelijker  dan in het voorafgaande”, een sacramentele klank te beluisteren valt, ziet men in deze woorden meestal een overgang naar een nieuw gedeelte dat over de Eucharistie zou handelen. Veeleer vormen de woorden ’leven van de wereld’, die beantwoorden aan v.33, de afronding van het eerste deel van de broodrede. Een nieuw element in v.51b is de verwijzing naar de zelfgave van Jesus in de dood (vgl. 10,17; 11,51-52; 12,34.32) Door zo te spreken van een sacramentele klank in dit gedeelte van de broodrede, kan een merkwaardige, eenzijdige toespitsing ontstaan, die meer vanuit theologische vooronderstellingen kan worden verklaard, dan met de tekst van Joannes is gegeven.

In vers 6,52 luidt het: toen er ontstond er onder de Joden een discussie, hoe kan Hij ons Zijn vlees te eten geven ... “ Een gemakkelijke, al te gemakkelijk  interpretatie kan voor de hand liggen. De Joden vragen zich af, hoe dat kan; omdat zij zo die vraag stellen, een ontkenning suggererend, ligt de uitleg zogenaamd voor de hand. De Joden zeggen het kan niet, derhalve moeten wij wel zeggen het kan wel! Zo lijkt het of de gehele broodrede daarop uit moet lopen. Deze discussie, en de daarop stoelende vooronderstelling, maakt dat hetgeen Joannes schrijft ternauwernood meer nauwkeurig wordt gelezen, het pleit is immers al beslecht. Voordat aandacht aan de tekst zelf gegeven wordt doet men alsof er staan zou: deze (eucharistische) spijs is waarlijk Mijn vlees. Maar Joannes zegt dat niet: hij laat Jesus zeggen: Mijn vlees is waarlijk spijs! Dat is het vlees zoals daar over gesproken is in de eerste zinnen van de het evangelie (Joes 1,14) en spijs zoals dat beschreven staat in Joes 4,34.

Maar er zijn ook andere zaken in het geding, waar door de liturgische invoeging van Joes 6, in de voortgaande lezing van Marcus geen rekening mee wordt gehouden; waarmee vanuit de vooronderstellingen geen rekening meer gehouden kan worden. Allereerst vertelt Joannes dat Jesus wegging naar de overzijde van zee van Galilea, van Tiberias. Hoe indrukwekkend het mozaïek van Tabgha ook moge zijn, hoe idyllisch die plaats ook moge liggen, de schildering van die plaats lijkt geen geschikte uitleg voor het verhaal van Joannes, het ligt aan deze zijde van het meer van Galilea. Joannes vertelt een ander verhaal dan Marcus, ondanks de overeenstemming met de getallen. ”Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen aanschouwden, die Hij deed aan de zieken. Jesus ging op naar de berg, en daar zetelde Hij met Zijn leerlingen, en nabij was het Pascha het feest van  de Joden”.  Jesus is de grenzen van het land te buiten. Hij gaat de berg op. De attente Bijbellezer zou nu eerder een bergrede verwachten dan de nu beschreven broodvermenigvuldiging. In plaats van het onderricht wordt het verhaal verteld van de wonderbare spijziging. Het onderricht en de spijziging liggen niet zo ver uiteen. Staat er niet geschreven in Deuteronomium: “En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man dat gij niet kendet, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des Heren mond gaat” (Deut 8,3). Moses beslist in familie-aangelegenheden, bepaalt wie er tot een familie behoort op grond van de hoeveelheid Manna aangetroffen voor de deur van de tent (Ginzburg, The legends of the Yews, Vol III Moses in the wilderness, Philadelphia 1964 p. 46 v.v.)  In de  traditie is nog overgeleverd: “Toen vele eeuwen later Jeremia zijn tijdgenoten aanspoorde Thora te studeren, antwoorden zij op zijn aanmoedigingen, zeggende, ‘hoe zullen wij ons zelf dan onderhouden?’ De profeet bracht de kruik met Manna te voorschijn, en sprak tot hen, zeggende: ’O generatie, zie het woord van de Heer; zie wat het was wat jullie vaderen tot voedsel diende toen zij zichzelf wijdden aan de studie van Thora. Ook jullie zal God ondersteunen op dezelfde wijze als jullie je wijdden aan de studie van Thora” (Mekh., Va-Yassa 6 geciteerd door Ginzburg, o.c. p.48).

Daarom is het ook belangrijk  te onderstrepen dat Jesus met de talrijke schare naar de overkant gaat.

Hij verlaat in de gebruikelijke zin van het woord het land. Hij begeeft zich naar een plaats waar geen voldoende brood aanwezig is. Niet alleen het gebrek aan brood is een van de motieven van dit verhaal, maar ook de aangewezen plaats: door de beweging van Jesus naar de overkant. Nabij is Pasen het feest van de Joden, en zo wordt de indruk gewekt dat het verhaal van de uittocht in herinnering wordt geroepen, door de beweging van Jesus,  bibliodrama avant la lettre. Een bibliodrama met verstrekkende perspectieven. (In dit verband is het opmerkelijk dat de pericope Joannes 6,16 -23 niet in de liturgie gelezen wordt. Deze pericope immers onderstreept het Paasgeheim! Het water kan Jesus niet meer deren - vgl de doortocht door de Rode Zee, de overgang van de Jordaan, - er kan slechts gegist worden waarom deze pericope wordt overgeslagen: ob rationem psychologicam?)

 

In de synagoge van Kapharnaüm houdt Jesus de rede die de lezer eigenlijk had verwacht nadat Jesus de berg was opgegaan. Nu mag de lezer deze rede horen nadat Jesus op wonderbaarlijke wijze in het land is gekomen.  Dat deze rede in de Synagoge van Kapharnaüm wordt gehouden hoort de lezer après coup. Zo blijkt dat de rede van Jesus Zijn hoorders wil verzamelen in die synagoge; zo is immers wat over blijft na de spijziging ook verzameld ...

 

De inzet van de rede van Jesus dat Zijn toehoorders geen werk moeten maken van vergankelijk spijs, maar van “de spijs die blijft tot in het betrouwbare eeuwige leven, dat de Zoon des Mensen u zal geven”. De vraag van Jesus’ toehoorders wat moeten wij doen klinkt als de vraag van de rijke jongeling (vgl. Marc 10,17) of als de vraag aan Joannes de Doper gesteld (Luc 3,10) of als de vraag die aan Petrus wordt gesteld op Pinksteren. (Hand 2,37). Het antwoord heeft betrekking op de weg van de geboden, op de weg die mag worden gegaan door iemand die zich wil laten dopen, en die zo het veelbelovende land kan binnengaan, het land dat God heeft toegezegd. De weg die gegaan mag worden is in het geding. In het evangelie van Joannes weten we immers dat Jesus zegt Ik ben de weg de betrouwbaarheid en het leven. (Joes 14,6) Deze driedeling kan in één zin worden samengevat: IK BEN de betrouwbare weg die ten leven voert. Jesus belichaamt in Zijn weg de trouw aan Moses en zijn onderricht. Deze levensweg van Jesus zelf is in het geding, voor al eer er gesproken zou kunnen worden over de gaven die Jesus ons ter hand heeft gesteld. Wij worden opgeroepen deze weg te vertrouwen. De gemeenschap van de leerlingen die in Jesus hun vertrouwen stellen is toch de gemeenschap van al diegene die door de doop van Jesus, met Zijn doop zijn verbonden. Door Zijn doop heeft Jesus/Josua immers toegang verschaft tot het veelbelovende land.  Daarom wordt gevraagd dat wij in Jesus geloven die God heeft gezonden.

Het verhaal van het Manna dat regent voor hun leven in de woestijn wordt niet vervangen door het verhaal van het laatste avondmaal, integendeel. Jesus zal met grote nadruk zeggen IK BEN HET BROOD DES LEVENS. Jesus zelf is in het geding, op die weg naar het veelbelovende land. Het misverstand ligt voor het grijpen.  De Joden murmureren omdat Jesus zegt IK BEN (met alle connotaties van Exodus 3, 12 -14) het brood dat uit de hemel is nedergedaald, even bevrijdend als het nederdalen Gods (zie Ex 3,8). De Joden zijn hier de murmurerende aangevers: dit is toch de zoon van Joseph, waarvan wij de vader en de moeder kennen? Maar als deze kennis alleen in het geweer wordt gebracht, hoe wordt dan de profeet miskend, die gezegd heeft en allen zullen theodidacten zijn, geen autodidacten. Overigens dit alles wordt nog steeds tot ons gezegd. Er kan geen wig gedreven worden tussen de Joden van toen, en degenen die het vandaag mogen horen! Zo is Jesus zelf het brood om van te leven.

 

Het lijkt te snel om in de broodrede van Jesus een interpretatie van het laatste avondmaal te lezen. De (christelijke) traditie heeft het ons wat dat  betreft niet gemakkelijk gemaakt. Als de Joden onder elkander strijden: hoe kan Hij ons Zijn vlees te eten geven, zijn wij gemakkelijk, al te gemakkelijk geneigd om te denken: de Joden zeggen hoe kan dat, in welhaast ontkennende zin; daarom zeggen wij: dat kan juist wel.  Maar dan vergeten we gemakshalve dat Jesus ook gezegd heeft: Mijn spijs is het de wil te doen van de Vader die Mij gezonden heeft. Als Jesus vlees echte spijs is, dan mag bedacht worden - zoals reeds gezegd,  - dat het om dat vlees gaat, waarvan Joannes heeft geschreven en het woord geschiedde: vlees (Joannes 1,14)

 

Is er dan geen uitleg mogelijk van de verhalen van het laatste avondmaal? Wis ende certijn!  Maar niet direct en onmiddellijk het verhaal dat sommigen zo graag zouden willen horen, over de aard van de tekenen, over de aard van de presentie in de tekenen. Niet dat daar niet over mag worden nagedacht, niet dat dat geen onderdeel zou uitmaken van de christelijke traditie van eeuwen, maar die traditie mag andere zaken niet uit het oog doen verliezen. Door de hier gegeven uitleg van Joannes gaat het goed van de traditie niet verloren, integendeel. Onmiddellijk na de zgn instellingswoorden schrijft Lucas dat er onder de leerlingen een twist ontstond, gelijkhebberij, wie van hen de grootste zou zijn (Luc 22,24) En bij Mattheus en Marcus wordt de instelling onmiddellijk gevold door het huiveringwekkende: deze nacht zullen jullie allemaal ten val komen ....Dit huiveringwekkende maakt duidelijk hoe in de Eucharistie de gemeenschap gevaar loopt als niet in het oog gehouden wordt dat het om de overlevering van Jesus gaat, die zich daarmee ook overlevert, en uitlevert aan Zijn gemeenschap. Die gelijkhebberij is zelden of nooit betrokken bij de uitleg van de avondmaalswoorden. Maar deze uitleg, deze toespitsing is Joannes zo veel waard geweest, dat hij, - ook om andere redenenen, - tijdens het laatste avondmaal van Zijn leerlingen de voeten wast. Zo geeft Hij een exempel van wat het zeggen wil Zijn leven afleggen, en Zijn leven weer opnemen ... 

Een merkwaardige vermenging van de eigen aard van de onderscheiden evangelisten, is te lezen in een van de tafelgebeden van de RK. Kerk: “Jesus in het bewustzijn dat Hij van de Vader was uitgegaan, en naar de Vader zou terugkeren, in het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen gegeven had (Joannes 13,3) ...”  de liturgische tekst vervolgt: nam Hij brood in Zijn handen ... In het evangelie van Joannes volgt dan: “stond Hij van tafel op, legde Zijn bovenkleed af, omgordde zich met een linnen doek om Zijn middel ...” Dat de voetwassing uitleg is van de Eucharistie gaat zo in de oren van vermoedelijk velen verloren. De - wederom - bekende uitleg is: Joannes heeft toch niet de inzettingswoorden? Maar wellicht om die vraag te pareren heeft Joannes op deze plaats de voetwassing beschreven. Joannes heeft wel de voetwassing, opdat wij zouden horen: “een dienstkecht is niet groter dan zijn heer, noch een gezant groter dan wie hem gezonden heeft. Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij indien  gij ze doet.  Ik zeg niet van u allen: Ik weet welke Ik heb uitverkoren, maar dit geschiedt: opdat de Schrift vervuld worde: die met Mij brood heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven” (Joannes 13,16 - 18) Misschien mag dit nu ook gezegd worden, juist als uitleg van de overlevering van de Zoon des Mensen, en als waarschuwing tegen de gelijkhebberij van de leerlingen (Lucas 22,24). Als er naar een uitleg van de instellingswoorden wordt gezocht is die te vinden in hetgeen Lucas schrijf over de gelijkhebberij van de leerlingen. Joannes zelf geeft zijn interpretatie van het laatste avondmaal door het verhaal te geven van de voetwassing.

 

Am*dam15 augustus1997

© Ben Hemelsoet

(Tekst uit de nalatenschap. Gevonden 160100. De tekst was nauwelijks  gecorrigeerd)

 

 

 

Twaalfde zondag na Pinksteren, negentiende door het jaar

HH Martelaren 10 augustus 1997

1 Kon 19, 4 – 8

Ephese 4,30 - 5,2

Joannes 6,41 – 51

 

Een kleine, maar gewichtige episode uit het leven van de profeet Elia horen we vandaag als eerste lezing. Elia is op de vlucht voor Jezebel, de koningin. Hij laat zijn knecht achter in Beerseba, zelf trekt de profeet de woestijn in, een dagreis ver. Hij wordt gesterkt door een bode Gods, door de engel des Heren, tot twee maal toe. Hij at en dronk en in de kracht van die spijs ging hij voort veertig dagen en veertig nachten tot aan de berg Gods, de Horeb. Een voor de hand liggend verklaring zou kunnen zijn dat we hierin een beeld zouden kunnen zien van de Eucharistie.  In een bedreigde situatie, worden we gesterkt door de engel des Heren, worden we gevoed met een hemelse spijze. Daar is niet al te veel op af te dingen, maar er is met deze tekst meer gegeven dan in een toegespitste eucharistische verklaring te horen is. Elia maakt  in veertig dagen en veertig nachten de reis naar de Berg Gods, de Horeb. De lezer van de schriften weet dat die berg Gods, de Horeb voor de allereerste maal genoemd is in het verhaal van het brandende braambos. Moses heeft in dat verhaal de kudde  van zijn schoonvader geleid  achter de woestijn. Een zeer merkwaardige aanduiding. Want zo is hij immers met zijn kudde de woestijn voorbij, hij is in het veelbelovende land, in het heilig land, in het land dat door Gods beloften, door Gods Naam geheiligd zal zijndoor Gods belofte . Als Moses de woestijn voorbij is, komt hij bij de berg Gods, de Horeb. De naam Horeb  is meer een herkenningsteken voor bijbellezers dan een indicatie voor geografen. Daarom komt de naam Horeb ook voor in het fragment uit de verhalen van Elia dat we hebben voorlezen.  Elia komt bij de berg God, de Horeb, de berg van het visioen, het visioen van Moses.

 

Er is nog meer dat aan Moses doet denken. Er is sprake van veertig dagen en veertig nachten. We kennen die veertig dagen en veertig nachten van de bekoring van Jesus in de woestijn, maar het zijn ook de veertig dagen en de veertig nachten die Moses doorbrengt op de berg Gods, hij at niet en hij dronk niet. De schriften vertellen ons hoe Moses die veertig dagen en veertig nachten heeft doorgebracht: hij schrijft de schrift, opnieuw die God hem heeft gegeven nadat de eerste tafelen gebroken zijn. Met zijn vinger tekent Moses de letters na, een voor een, verwijlend bij de geheimen die die letters  koesteren. Op weg naar de berg Gods veertig dagen en veertig nachten heeft Elia die geheimen van de schriften in zijn hart bewaard en overwogen, de  woorden op de tong geproefd, ruminando, smakenderwijs, kouwenderwijs, zoals de heilige Bernard placht te zeggen. Elia gaat naar de berg Horeb, en zo wordt de herinnering aan de berg Gods levendig gehouden.  Die berg staat ook voor de berg Gods, die op het einde van de dagen hoog boven alle bergen zal uitstijgen, wanneer uiteindelijk wij zullen zijn ontstegen aan de lange weg door de woestijn,  Over die lange weg, op de weg naar de berg Gods, naar het huis des Heren wordt in dat lange hoofdstuk 6 van Joannes gemediteerd. Uit dat hoofdstuk hebben we horen voorlezen. Deze meditatie, is naar aanleiding van de wonderbare spijziging van zoveel duizendenen, de wonderbare broodvermenigvuldiging, als het tegen Pasen loopt, en Jesus aan de ander  zijde van het meer van Galilea, de berg is opgegaan ... Als er twaalf korven met brokken zijn overgebleven, en zij alleen zijn verzadigd,  herkennen de scharen in H Jesus de profeet. Jesus wist dat zij Hem tot Koning wilden uitroepen, trekt zich weer terug op de berg, Hij alleen .... Jesus keert weer in het land, na een wonderlijke tocht over het water, de watervloed kan hem niet deren, en de leerlingen menen een spook te zien. Zo landt Jesus weer in het land, -het blijkt Kapharnaum te zijn,- en daar wordt doorgedacht over het wonder van het brood uit de hemel. We zijn nu zover gevorderd, dat we horen: de Joden murmureerden over Hem omdat Hij gezegd had, Ik ben het brood dat uit de hemeis nedergedaald. Dat woord murmureren is typisch een woord dat alle vermoeienissen van de woestijn met zich voert; een woord waarin alle teleurstelling,  alle ontevreden misnoegen in te horen is. De Joden hebben zo al gemurmuereerd tijdens hun tocht door de woestijn. Ze waren het Manna zat, iedere dag weer opnieuw, dat flauwe, laffe brod, en waartoe? Zullen we ooit dat veelbelovende land aanschouwen, och, dat we maar gestorven waren in de woestijn, of erger, laten we weerkeren naar Egypte. Dit moeten we blijven beenken om de teksten van Joannes goed te kunnen horen. Jesus heeft gezegd: IK BEN het brood dat uit de hemel is nedergedaald.   Jesus  zegt dit met grote nadruk, Hij zegt IK BEN  voluit. Door het zo te zeggen worden we herinnerd aan hetgeen in het visoen van Moses is te horen, worden we herinnerd aan het visioen van het brandende braambos. Dar zegt de lieve Heer Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak, de God van Jacob, Ik ben nedergedaald om Mijn volk te bevrijden uit de slavernij, uit de duisternis van de slavernij, uit de duisternis van de dood. Ik ben degene die Ik ben, Ik ben met u op de wijze waarop Ik met u ben, Ik zal er zijn, zoals Ik beloofd heb dat Ik er zijn zal, als degene die u bevrijdt, kortom IK BEN, Ik ben met u. Zo zegt Jesus dat Hijzelf de bevrijdende spijs is, in kracht waarvan het volk voort kan gaan op de weg naar het veelbelovende land.  Hijzelf is degene die zij brood en boordnodig hebben, broodnodig als de spijs voor onderweg, op die lange weg. De spijs waarvan Jesus zegt dat het zijn spijs is de wil te doen van de hemelse vader die hem deze opdracht gegeven heeft.  De Joden zeggen; maar dat is toch Jesus, de zoon van Joseph, wij kennen toch zijn vader en zijn moeder? Dit hebben we al eens eerder gehoord. In het eerste hoofdstuk van het evangelie van Joannes staat het zo geschreven, wanneer Philippus Natanael vindt, en hem zegt: Wij hebben degen gevonden waarvan Moses in het onderricht geschreven heeft, en ook de profeten, Jesus , de zoon van Joseph, uit Nazaret. Het antwoord van Natanael is bekend, kan er iets goed komen uit Nazaret. En Philippus zeide: Kom, en zie ... Maar hier is niets meer te horen van iets wat lijken zoude op “Kom, en zie ...” Jesus zegt: murmureert niet onder elkander - zij hebben van dat brood gegeten, -  niemand kan immers tot Mij komen tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem getrokken ...en Ik zal hem opwekken op de jongste dag.  Hier is voorzichtigheid, omzichtigheid geboden. Hier moeten we heel weloverwogen te werk gaan. Met deze teksten in de hand kunnen we niet eenvoudig zeggen is gewoon zo. Wederom moeten we in herinnering roepen dat het hier gaat om een overweging naar aanleiding van de wonderbare spijziging, aan de overzijde. Het liep tegen Pasen, het feest van de Joden. Er is sprake van een bibliodrama in optima forma. Ze spelen het verhaal van de exodus, van de uittocht en de doortocht, ze spelen het verhaal van de woestijn, om het uitzicht, het perspectief op het beloofde land niet te verspelen. Maar tijdens de uitleg daarvan, gaan de Joden zich weer gedragen als destijds in de woestijn. Als we hier zeggen de Joden, moeten wij heel voorzichtig zijn. Wij zitten niet op de eerste rang te kijken naar een toneelstuk, waarbij wij buitenstaanders zouden zijn.  Buitenstaanders die het niet hoeft te raken wat hier gezegd wordt. Nee, het raakt ons ook, en wij worden als Joden toegesproken, omdat ook wij niet gevrijwaard zijn, als wij ook niet zouden kunnen murmureren, ontevreden zouden kunnen pruttelen. Het gaat ons aan. Het troostende  is, dat Jesus zegt dat niemand tot Hem komen kan als de Vader hem niet getrokken heeft. Wij hebben derhalve geen enkele reden om ons te pochen, er groots op te gaan, dat wij tot Jesus zijn gekomen. Wij zijn niet tot Hem gekomen, wij getrokken door de Vader. Dan gaat Jesus door: en Ik zal hem opwekken op de jongste dag. Dat klinkt vreemd. Ineens wordt er gesproken over de opwekking van de doden op de jongste dag. Jesus spreekt erover dat Hij het levende boord is dat uit de hemel is nedergedaald; Hij zelf is het brood dat leven geeft in die barre woestenij, Hijzelf is degenen die de betrouwbare weg ten leven is, Hij zelf gaat die weg, en voert ons zo het veelbelovende land binnen, de betrouwbare rust van het veelbelovende land. Dat er zo ver gesproken kan worden heeft ook alles te maken met Moses heeft mogen horen in dat brandende visioen van het braambos. Daar heeft god immers gezegd, we hebben het gehoord, Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak, de God van Jacob, Ik ben nedergedaald om Mijn volk te bevrijden, Ik ga doen wat Ik aan de vadeen heb beloofd: zij zullen ingaan in het veelbelovende land. I d voetsporen van Jesus zullen wij het veelbelovende land kunnen betreden: Hij zal ons opwekken op de jongste dag. Dat kunnen we vanuit onszelf allemaal niet bevatten, dat Jesus zo onze weg ten leven is, betrouwbaar tot in eeuwigheid kunnen we niet bedenken. Jesus zal het ook zeggen. Wij zijn geen autodidacten, die het allemaal zelf moeten uitvinden en uitproberen. We mogen, zo zegt het evangelie, weten dat wij Theodidacten zijn, door God geleerd. Let wel: door God geleerd,  - niet alleen maar Godgeleerd. Het evangelie heeft dit wonderlijke woord bij de profeet gehoord. Het staat te lezen bij de profeet Jesaja, als de profeet zingt: Zing vrolijk gij onvruchtbare, gij die niet hebt gebaard, of -  gij die zijt verwoest, gij die troosteloos zijt, gij die geen uitweg meer ziet ....  Gij verdrukte, al uw kinderen zullen van de Heer geleerd zijn, theodidacten, en de vrede, de voltooiing, de verzoening van uw kinderen zal groot zijn. (Jes 54,1. 13). Ieder die het van de Vader gehoord heeft ... Hier horen we weerde wonderlijke klank van de palm: heden, zo gij Zijn stem hoort, wilt uw harten niet verharden gelijk ten dage van Massa en Meriba inde woestijn, daar hebben uw vaderen Mij verzocht, op de proef gesteld, toe moest Ik wel zweren: zij zullen niet ingaan in de rust van het beloofde land, in die betrouwbare, eeuwige rust ....  Zo is Jesus op zijn levensweg, onze levensweg, zo maakt Hij Zijn weg begaanbaar voor ons, omdat wij door Zijn Vader worden getrokken, Zijn levensweg is de spijs, zijn spijs, dat is  de wil te doen van de hemelse Vader die Hem heeft gezonden. Het evangelie heeft heel intens, heel concreet, de levensweg van Jesus op het oog, de navolging,  treden in Zijn voetsporen; omdat die weg van Jesus betrouwbaar is, omdat Jesus betrouwbaar is geweest aan het onderricht van Moses, met heel Zijn hart, met heel Zijn ziel, en al Zijn krachten. Deze Jesus is brood ten leven, deze Jesus hebben wij brood en broodnodig. Om daarvan te getuigen, om zo van God geleerd te  zijn, zijn wij hier bijeen, ter wille van deze gemeenschap, ter wille van de wereld, waarin wij leven, een wereld die wij door onze levenswandel zouden moeten meeslepen op die wonderlijke weg: zo geve God!

Am*dam 4 augustus 1997

© Ben Hemelsoet

 

 

 

Dertiende Zondag na Pinksteren, twintigste door het jaar,

Spaarndam 17 augustus 1997

Spreuken 9,1-6

 Ephese 5,15-20

Joannes 6,51-58

 

De zeven zuilen van de Wijsheid, The seven Pillars of Wisdom, zo goed geworteld, zo wel gefundeerd is het huis dat de Wijsheid heeft gebouwd.  Daar heeft zij haar slachtvee geslacht, daar heeft zij haar tafel toegericht. Het is duidelijk hier wordt niet de menukaart gegeven van de maaltijd die de Wijsheid voor ons heeft aangericht. Het is een wijsheid van spreken, een wijze van spreken. Maar eenieder die weet van de geneugten van een tafel wordt zo in de stemming gebracht, waarin wij kunnen spreken hoe goed het onderricht smaakt van de wijsheid, en wat we kunnen proeven als wij dat onderricht mogen horen. We weten immers van de wijsheid van spreken, van de wijze van spreken in onze eigen tal, in onze eigen omgeving. We weten waar we het over hebben als we spreken van de hogere kringen. Dan denken we niet aan een samenstel van cirkels op de blanke top der duinen. top van een duinen. En iemand die ons uit de hoogte toe spreekt mag best een toontje lager zingen, ook al heeft hij of zij nog nooit kunnen zingen. En we weten zelfs in de zomer kunnen we een scheve schaats rijden, en terwijl we in een gesprek verwikkelt zijn, kunnen we te kort door de bocht gaan, of zelfs het spoor bijster raken. Deze wijsheid vans preken, deze wijze van spreken is - gelukkig - ons aller deel. De schriften staan er ook vol  van, en zowel in de schriften als in onze eigen taal zouden we raar staan te kijken als we ineens, plotseling alle woorden zo letterlijk zouden nemen als ze gezegd zijn. Zouden er wel geschikte parapluies zijn als het pijpestelen regent, - in het engels cats & dogs. Dit mogen we ons herinneren als we aan de moeilijk passage van Joannes beginnen, die we vandaag hebben horen voorlezen, hoeveel speelruimte geven we Joannes, en ook: hoe willen we de woorden van zijn evangelie wikken en wegen, om zo de verborgen, ingetogen suggesties van zijn taal op het spoor te kunnen komen. In het evangelie van vandaag staat die wonderlijke zin: “Mijn vlees is waarlijk spijs, en Mijn bloed is waarlijk drank”. Deze woorden klinken, zwaar en gewichtig, met gewicht.  ...  Omdat die woorden zo zwaar, en vol gewicht klinken zijn we eerder geneigd om er eerbiedig omheen te lopen, dan om die woorden proberen tot ons te nemen. Ze lijken zo gewichtig, zo overduidelijk gewichtig, dat we er wellicht maar liefst het zwijgen aan toe zouden doen. Het zijn woorden die door Jesus gezegd worden in de Synagoge van Kapernaum, na de wonderbare spijziging, na de wonderbare broodvermenigvuldiging.  Jesus is aan de overkant, toen het tegen Pasen liep, de berg opgegaan, en daar heef Hij het verhaal van de tocht door de woestijn in herinnering geroepen door de scharen op een wonderbaarlijke wijze te spijzigen. Zo heeft Jesus het verhaal van Exodus aanschouwelijk gemaakt. Jesus is weer aan deze zijde van het meer geland. Hij heef een wonderlijke tocht over het meergemaakt, het water kon hem niet deren, en de leerlingen meenden een spook te zien .... Jesus legt uit wat er is geschiedt. Er is immers gebeurd dan dat alleen de honger zouden zijn gestild van zoveel duizenden. Die wonderbare spijziging is ook geschied opdat wij zouden kunnen vermoeden wie Jesus is. Het verhaal wordt verteld ter wille van onze verhouding, onze relatie met Hem die de betrouwbare weg ten leven is, Ik ben de weg, de waarheid en het leven; degene die voor ons de weg baant tot in het veelbelovende land.   Het verhaal wordt verteld ter wille van onze toekomst, dat wat op ons van Godswege  toekomt. Vanuit dat vooruitzicht, vanuit dat perspectief klinken de woorden die wij hebben gehoord. .In het gedeelte van deze zondag komen voor de eerste maal in Joannes 6 de woorden vlees en bloed  voor. Maar ook horen we nog het woord spijs  Joannes  gebruikt dat woord heel spaarzaam, welgeteld drie maal in zijn evangelie. De eerste keer horen we spreken van spijs, als de leerlingen bij Jesus komen nadat zij inkopen gedaan hebben in Samaria. Ondertussen heeft Jesus het gesprek gevoerd met de Samaritaanse vrouw. “Ondertussen vroegen Hem de leerlingen, zeggende: Rabbi, eet. Maar Hij zeide tot hen: Ik heb een spijs om te eten die gij niet kent. De leerlingen zeiden tegen elkander: Heeft soms iemand Hem te eten gebracht? Jesus zeide tot hen: Mijn spijs is het dat Ik de wil doe van Degene, die Mij gezonden heeft, en dat ik Zijn werk voltrekke ...” (Joes 4,31 v.v.) Duidelijk klinkt het hier dat het niet gaat om de spijs, de etenswaren die de leerlingen hebben gekocht.  De tweede keer wordt er zo van “spijs” gesproken: Werkt niet om de spijs die vergaat, maar om de spijs die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des Mensen u geven zal, want op Hem heeft de vader, God, zijn zegel gedrukt. (Joes 6,27) En ten derde male horen we het hier: “Mijn vlees is waarlijk spijs, Mijn bloed is waarlij drank” Ook hier is geduldige aandacht geboden. De woorden “mijn vlees” zijn het onderwerp van deze zin. Het woord “spijs” is hier niet het onderwerp. Jesus zegt niet “deze spijs is waarlijk mijn vlees”. ook ier moeten wij, alvorens verder te gaan, even bij verwijlen. We weten hoe Joannes inhet begin van het evangelie getuigt: en het Woord is vlees geworden, het woord is geschied: vlees. Als Jesus spreekt van Zijn vlees dan spreekt hij over zichzelf als degene in wie het Woord van God tastbaar, vlees, zichtbaar is. Datgene waarvan Joannes in zijn eerste brief zal schrijven: Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met eigen ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen hebben getast van het Woord des levens ... (1 Joes 1,1 v.v.). Dit woord des levens, zo tastbaar, zo zichtbaar, is een en al gericht op het doen van de wil van de Vader, zo betrouwbaar. Het doen van die wil is werkelijk spijs: mijn vlees is betrouwbaar die spijs ....  Het gaat allereerst om het doen van de wil van de Vader. Weer kan de psalm geciteerd worden, de psalm die zo indrukwekkend het verhaal van de tocht door de woestijn formuleert: Heden, zo gij Zij stem hoort, - om daar gehoor aan te geven, om daar gehoorzaam aan te zijn, - wilt uw harten niet verharden, gelijk te Massa en Meriba, daar hebben uw vaderen Mij verzocht - is God wel in ons midden of niet -toen moest Ik wel zweren zij zullen niet ingaan in de belofte an Mijn rust, in de rust van het veelbelovende land.  Met het oog op de tocht naar het veelbelovende land heeft Jesus het teken gesteld van de wonderbare spijziging. Omdat we alleen maar de weg naar het veelbelovende land kunnen gaan, als we de weg gaan van de wil van de Vader.  Bij die twee laatste keren dat het wooird “spijs” genoemd wordt, horen we ook de glorieuze titel “Zoon des Mensen”. Het kan niet toevallig zijn, dat met het woord “spijs” ook de titel “Zoon des Mensen” is verbonden. De Zoon des Mensen is immers degen die de weg gaat van de wil van God, de Zoon des Mensen is degene die niet de weg gaat van hetgeen de mensen willen. Het is de weg van degen waaraan de mensen gedaan hebben al wat zij maar wilden. De Zoon des Mensen is degen die gekleineerd wordt, en vernederd,   die in de bloedsporen treedt van die allereerste Zoon des Mensen, Zoon van Adam, die het onderspit delft, slachtoffer van broedermoord, Abel ... Zo blijkt dat kin hemde wil geschiedt van degene die Hem heeft gezonden.  maar omdat deze Zoon des Mensen door God gerechtvaardigd is, omdat deze Zoon des Mensen opgewekt is uit de doden, - zo is Hem alle macht gegeven inde hemel en op de aarde - daarom kan Hij degene opwekken op de jongste dag die die spijs gegeten heeft, en de betrouwbare drank gedronken heeft, eten en drinken. Zo is de wil van God eten en drinken, spijs en drank. Op deze wijze probeert Jesus uit e leggen aan ons, aan de Joden wat het beduidt: Hoe kan deze ons Zijn vlees te eten geven. De Joden, die alle recht van spreken hebben, worden hier opgevoerd als degenen die het niet begrepen hebben. Joannes vermeldt dat zij het niet begrepen hebben, dat doet hij om het nog eens te kunnen uitleggen. de gelegenheid om het nogmaals uit te leggen, en zo te onderstrepen om welke spijs het gaat:: dat is de wil te doen van degene die Hem gezonden heeft.  Het is merkwaardig dat het er alle schijn van heeft dat wij de uitleg doorgaans lijken te laten voor wat hij is. Ook wij lijken ons  vast te bijten in de opmerking van de Joden: hoe kan deze ons [zijn] Vlees te eten geven.  De Joden moeten het wel bij het verkeerde eind hebben ... en zo lijkt het erop dat wij menen niet eens verder te hoeven lezen. Maar het is die spijs, de wil te doen van degene die Hem gezonden heeft, die voert tot de uiterste consequentie van het leven van Jesus. Die wil is eten en drinken voor Jesus, en voor al degenen die met Hem willen gaan, die met Hem willen wandelen. De weg die Jesus gegaan is, is hier in het geding, de navolging van Jesus, zo zullen wij kunnen leven tot in eeuwigheid. Het is niet voor niets dat we nu pas oren dat Jesus deze dingen gezegd heeft in de Synagoge van Kapharnaum. Had de evangelist dat niet eerder kunnen zeggen? Waarom doet hij het nu pas? Zou het niet kunnen zijn dat nu duidelijk blijkt hoe de Synagoge rondom Jesus wordt geformeerd, hoe wij samen tezamen komen daar waar we kunnen horen aangaande de wil van de hemelse Vader. Het hele leven van Jesus is daardoor getekend,   is daardoor bepaald,  Jesus is de belichaming van het Woord, dat God gesproken heeft, vlees geworden onderricht. Daarop mogen wij vertrouwen, daarin is ons geloof en vertrouwen verankerd. Ons vertrouwen in hem en in elkaar, die ene gemeenschap die wij in broze vaten, in vele tastbare tekenen met elkander dlen, in woord en sacrament in de navolging van Jesus; zo geve God!

 

Am*dam 12 augustus 1997

© Ben Hemelsoet

 

 

 

Passiezondag

Diemen 29 maart 1998

 

Jesaja 43,16 – 21

Phil 3,8 – 14

Joannes 8,1 – 11

 

De overspelige vrouw heeft wat rond moeten zwerven aleer zij rust heeft kunnen vinden in het evangelie van Joannes. Zij heeft een tijdje haar plaats gehad in het evangelie van Lucas, - de evangelist van de mildheid van Jesus, - maar daar bij Lucas werd haar geen rust gegund. Nu is haar een plaats gegeven in het evangelie van Joannes, maar een erg royale plaats is het niet, zij staat er wat ingeklemd geklemd, ietwat benauwd, ietwat gewrongen, verlegen tussen de grote teksten van het Loofhuttenfeest, tussen de ceremonie van het water en het licht. Toch  eist haar verhaal op dat feest aandacht op, en het lijkt haar niet te deren dat zij de samenhang van het Loofhuttenfeest ietwat teloor doet gaan .... Haar plaats is ongemakkelijk gebleven, maar haar verhaal blijft ontroeren, tenminste als we ons richten op haar visie van het verhaal. Op Jesus vraag: Vrouw, waar zijn deze u beschuldigers? Heeft niemand u veroordeeld? Kam zij zeggen: niemand, Heer! Maar vooraleer wij dat uit haar mond mogen horen is er wel het een en ander te vertellen, en de evangelist heeft/moet ons ook wel iets uit te leggen. Want ook dit verhaal levert zijn geheim niet zonder meer prijs. De evangelist wikt en weegt de woorden, doet ons dromen en peinzen, en de vraag stellen; waarom zegt hij het zoals hij zegt, had hij niet meer moeten zeggen, had hij het niet duidelijker kunnen zeggen. want hoe klinken zijn woorden in onze oren, oren die toch met bepaalde zinswendingen van de evangeliën vertrouwd zijn. Het verhaal begint: Jesus ging naar de Olijfberg. We horen deze woorden en we weten dat deze woorden ook klinken in de nacht van Pasen, als Jesus het Paasfeest heeft gevierd, de bevrijding heeft herdacht uit Egypte, in die nacht waarin heel Israël moet waken, die nachtwake is een eeuwige inzetting in Israël, van geslacht op geslacht. Voor de herinnering aan de bevrijding uit de slavernij uit Egypte mag je wakker blijven, moet je wakker blijven, mag je niet slapen. ‘s Morgens vroeg komt Jesus wederom naar de Tempel. Het is dus anders als in de nacht van Pasen. Jesus komt wederom in de Tempel. Hij wordt niet geboeid naar het paleis van de Hogepriester gebracht.  Hij gaar naar het heiligdom, daar waar God, de Heer der Heirscharen troont, Hij het land vult met Zijn heerlijkheid. Daar zetelt Hij om te leren, om onderricht te geven. De schriftgeleerden en de Farizeeën brengen tot Hem een vrouw op overspel betrapt, op heterdaad. Tot zover is het allemaal voorstelbaar, kunnen wij het ons allemaal voorstellen. Want in zulke situaties laten wij ons geen détail ontgaan! Het is van alle tijden. Wat nu? Zij plaatsen die vrouw in het midden, in het centrum van de aandacht, en ook dat is geen groot nieuws. En wat volgt ook nog niet: Moses heef ons in de Wet geboden, dat de zulken moeten worden gestenigd. Maar gij, wat zegt gij? En daar, door die vraag neemt het verhaal zijn keer, zijn wending. Want zo zegt de evangelist, dit vroegen zij om Hem op deproef te stellen, om  Hem te verzoeken. Om iets te hebben om Hem te beschuldigen. Merkwaardig, de aandacht in het verhaal wordt verplaatst. De aandacht verschuift van die overspelige vrouw naar Jesus. De beschuldiging van die vrouw, met een beroep op het onderricht van Moses, wordt een poging, een verzoeking om Jesus te  beschuldigen. Niet de vrouw is in het geding, maar Jesus zelf. Zijn trouw aan Moses, en aan het onderricht van Moses staat op het spel, in de tempel. De aandachtige hoorder van dit verhaal kan/moet zich afvragen, waarom de schriftgeleerden en Farizeeën  daarvoor een vrouw van node hebben, op heterdaad op overspel betrapt? Als zij erop uit zijn om Jesus te beschuldigen, in de tempel, waarom hebben zij uitgerekend deze aanleiding gezocht. Ze hadden toch ook de vraag aangaande de belasting kunnen stellen? Maar er is meer in het geding, dit geding  legt principes bloot, raakt de grondslagen van Jesus en Zijn verhouding met de tempel. Op de beschuldigende aanklacht antwoordt Jesus met geen woord. Jesus bukt zich terneer, en schrijft in de aarde, met Zijn vinger, Hij schrijft op het land. Deze geste van Jesus is als een verre echo van een tekst van Jeremia, de profeet. Bij deze profeet staat immers te lezen: O Heer, Israëls verwachting! Allen die U verlaten zullen beschaamd worden, en die van mij afwijken zullen in de aarde geschreven worden; want zij verlaten de Heer, de springader van de levende wateren. Genees mij heer, zo zal ik genezen worden; behoud mij zo zal ik behouden worden; want gij zijt mijn lof, gij zijt mijn psalmgezang. Ziet zij zeggen tot mij: waar is het woord des heren? Laat het nu komen! (Jer 17,13 v.v.). Jesus buigt, maar bezwijkt niet onder de last van de beproeving om hem aan te kunnen klagen.  Schriftgeleerden en Farizeeën, hebben Hem, Degene die trouw is aan Moses, willen tarten met een beroep op Moses. Jesus zegt niets, de evangelist tekent alleen van Jesus een zwijgend gebaar ...  Er zijn vertalingen die vertalen dat Jesus geschreven heeft in het stof, - we kunnen ons immers niet voorstellen dat er geen welgeplaveide vloer lag in de tempel ... Maar waarom schrijft Joannes dan dat Jesus in de “aarde”? En bovendien waarom wordt er geschreven dat Jesus met Zijn vinger schreef .... Degenen die vertrouwd zijn met de schriften weten van de vinger Gods, staat er niet geschreven, dat de Heer aan Moses de twee stenen tafelen der getuigenis gegeven heeft, twee stenen tafelen beschreven door de vinger Gods (Ex 31,18; 32,16 vgl Deut 9,10). Het geheim van datgene wat op de stenen tafelen geschreven is, - de twee stenen tafelen die de Heer aan Moses heeft gegeven, is hier in het geding. Jesus buigt zicht, maar schrijvenderwijs, met Zijn vinger, herinnert Hij eraan, dat wat in de hemel geschreven is, op de aarde te lezen gegeven is. Wee degenen die alleen maar in de aarde geschreven staat, als de aarde niet meer beschermd wordt door de hemel. Als in het boek van de uittocht gesproken wordt: zie de vinger gods is hier, dan mogen we weten dat dat wat geschiedt in overeenstemming is met het onderricht van Moses zoals dat door God geschreven is. (Ex 8,19) Jesus buigt zich onder het juk van de geboden en schrijft ze als een teken op aarde, ten teken dat het de gebden uit de hemel zijn. Dat is het gebaar van Jesus!  Maar er is meer. Er is al opgemerkt dat het niet meer - allang niet meer, - gaat om die vrouw op heterdaad betrapt. Jesus in de tempel daar gaat het om! Nu moeten we ook weten dat daar waar in de schriften, bij de profeten gesproken wordt over overspel we altijd mogen, moeten denken aan afgoderij; we moeten denken aan de ontrouw ten opzichte van God, we meten denken hoe het volk achterlijke goden achterna gegaan is, in plaats van haar enige Minnaar. We hoeven alleen maar te denken  hoe in het eerste hoofdstuk van de profeet Hosea, de afgoderij van het volk wordt geschilderd. Het wordt heel drastisch verteld. De profeet moert zich een hoer nemen, om zo aanschouwelijk te maken hoe het volk zich gedragen heeft: overspelig, als een afgodendienaar. Schriftgeleerden en Farizeeën hebben dit geweten, en in het hart van de tempel stellen zij Jesus op de proef, verzoeken zij Hem, in een fundamentele bekoring hoe het gesteld is met Zijn trouw, Zijn aanhankelijkheid aan God, zal Hij zich scharen onder de schare van de overspelige afgodendienaren. En Jesus schrijft in de aarde, want er is geen wig te drijven tussen de hemel en de aarde. Zo komen ook de woorden van de profeet Hosea tot hun recht, want de profeet mag verkondigen aan zijn broeders Ammi: dat is: Mijn Volk, en hij mag zeggen tot zijn zusters Rachuma: dat is: Over haar heeft Hij zich erbarmd (Hos 1,12).  De schriftgeleerden zijn hardnekkig, zij blijven vragen, en dan pas richt Jesus zich op: en dan horen we het woord dat we allemaal kennen: wie van u zonder zonden is werpe de eerste steen op haar. En weêrom buigt Jesus zich, en schrijft weêrom in de aarde, om zo de laten zien dat de eer Gods gelijkelijk geldt in de hemel en op de aarde, dat Zijn onderricht moet worden gedaan op de aarde. Anders gezegd niemand mag tot zondebok gemaakt worden, en het onderricht is geheel en ongedeeld, geen yota of tittel kan eraan gemist worden als wij Gods barmhartigheid deelachtig willen worden. Wij mogen geen overtredingen uitzoeken,  waaraan alleen anderen zich schuldig zouden maken, -.wij niet .... Alsof die anderen uitgesloten, uitgestoten, gestenigd zouden moeten worden, - want wij doen immers zulke dingen niet ... Heel fijntjes merkt de evangelist op dat zij allen afdropen, een voor een,  beginnende bij de oudsten, allemaal. Dat maakt het ook overbodig om te vragen: als er een overspelig vrouw is geweest, dan moet er toch ook een overspelige man zijn geweest. Maar juist hier staan ze, een voor een, allemaal, van de oudste tot de jongste, want allemaal zijn ze ontrouw geweest waar het de trouw aan God betreft.  Allemaal zijn zij aangetast door die zonde van de afgoderij, door die zonde die vraagt, gelijk in de woestijn: is God wel in ons midden of niet, met de ondertoon van: Hij zal er toch wel niet zijn. En zo aan het eind is die vrouw het middelpunt van het verhaal, maar degenen die haar in het middelpunt hebben geplaatst, zijn verdwenen. En zo roept die vrouw nieuwe omstanders op! Jesus zal haar niet veroordelen. De vrouw krijgt alleen te horen ga heen en zondig niet meer. Dat is: hecht je met hart en ziel, en al je krachten aan de Ene unieke Heer, die trouw houdt tot in eeuwigheid, en die niet varen de werken van Zijn vingeren .... Zo geve God!

 

Am*dam 26 maart 1998

© Ben Hemelsoet

 

 

 

 

Laetare Jerusalem
Diemen, 14 maart 1999

1 Sam 16, 1b + 6 - 7 + 10 - 13a

Eph 4, 8 – 14

Joannes 9,1 - 41

 

Deze zondag kennen we onder de veelzeggende naam Laetare Jerusalem. Veelzeggend want de rol van Jerusalem kunnen niet genoeg overdrijven. De lof van Jerusalem kunnen we niet genoeg bezingen,  haar lof moet klinken in het rond.  Met onze nuchtere ogen, gewend aan het gedempte ;licht van de polder, en de grijze trage regen knipperen we ietwat verbaasd met onze oogleden als we dit horen. We zijn geneigd om te zeggen: kan het niet wat minder, ietwat rustiger, minder uitbundig. Maar  uit de verte klinkt het dan: gij dwaalt en kent de schriften niet, noch de kracht Gods … Want God heeft Jerusalem verkoren. In de Paasnacht zullen we het uitbundig zingen als we het lied van Moses aanheffen. Het visioen wordt bezongen dat ons met de bevrijding uit de duisternis van de slavernij wordt getoond. Dat visioen mogen de bevrijde slaven voor ogen hebben: Gij zult uw volk inbrengen, en hen planten op de berg van uw erfdeel, op de plaats Heer, welke gij gemaakt hebt tot uw woning, het heiligdom dat Uw handen hebben gesticht! De Heer zal Koning zijn en koninklijk regeren voor eeuwig en altoos!(Ex 15,17 - 18). En zo zouden we kunnen zingen met de psalm: o Jerusalem, zo ik u ooit zou vergeten, mijn rechterhand verdorre  eer. (ps 137, 5) Op de feestkalender van de Synagoge staat het feest van de Loofhutten hoog aangeschreven. De evangelist Joannes besteed ruim drie hoofdtukken aan dit feest van Loofhutten (Joes 7,1 - 10,21) Op het loofhuttenfeest werd de toch door de woestijn  in gedachtenis gehouden, en werd in  het land, onder loofhutten, uitbundig de vervulling van het visioen van Gods bevrijdende vrede tegemoet gezien. We horen vandaag het evangelie van de genezing van de geboren blinde, en o vreugde, in het evangelie van Joannes is het nog steeds Loofhutten feest, het feest van Water en Vuur, van stromend water en laaiend licht. Op dat feest stroomt water uit de tempel (Ez 47,1 Vidi aquam, egredientem de templo ….) feest Deze blinde heeft in het evangelie geen naam gekregen. Het zou een koud kunstje voor de evangelist geweest zijn om voor deze man een naam te bedenken. De schrijver heeft het per slot van rekening voor het zeggen. Toch heeft Joannes het niet gedaan. Daarom mag er vandaag gesproken worden over de geboren blinde. Het evangelie vermeldt meer dan alleen maar een wonder. Het evangelie vertelt een teken. Want door die geboren blinde geen naam te geven maakt de evangelist ruimte voor de lezer, de hoorder van zijn evangelie. Allemaal waren we toch eerst kinderen van de duisternis, verstoken van het licht; we hadden Jesus als het licht van de wereld nog niet kunnen ontwaren, nog niet kunnen zien! Wij allen hebben het licht mogen zien. Niet op grond van onze opvoeding, onze staat of stand, onze eigen wijsheid, maar omdat Jesus ons in het voorbijgaan heeft gezien, en ons Zijn barmhartigheid heeft bewezen.  Jesus ziet die man aan. Maar er gaat iets vooraf. Zo lezen: De Joden dan zeiden gij zijt nog geen vijftig jaar, en gij meent la gezien te hebben wat Abraham heeft gezien? - Abraham heeft moeten wachten tot hij de vervulling van Gods beloften mocht aanschouwen toen hij honderd jaar was.  In de ogen van de Joden kan Jesus zich nog niet op Abraham beroepen, hij is immers nog niet eens halverwege …. - Jesus zeide tot hen: voorwaar, voorwaar Ik zeg, eer Abraham was ben ik. Jesus beroept zich op Gods Naam, de Naam van God is zijn instantie van beroep. Zij, de Joden dan, om Hem te stenigen. Maar Jesus maakte zich onzichtbaar en Hij ging uit de tempel (Joes 8,57 - 59) En het verhaal gaat door, waar wij vandaag zijn begonnen “en zo terwijl Hij langs hen heen ging, Hij liet hen links liggen, zag Hij een mens blind vanaf zijn geboorte. Alle aandacht is geboden bij het lezen van dit verhaal. Jesus ziet die mens. Van deze mens wordt niet verteld, dat hij zat te bedelen, evenmin dat hij roept Eleison, Jesus Zoon van David!  De leerlingen volgen de blikrichting van Jesus, en zij vragen naar de oorzaak van deze verblinding. Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze of zijn ouders dat hij blind geboren is. In het geheel van dit verhaal klinkt dit hoogst merkwaardig! De leerlingen hebben Jesus horen zeggen Ik ben het licht der wereld , wie Mij  volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het Licht des levens hebben  (Joes 8,12) - [Het zijn de regels ook waarmee het beroemde boek van Thomas à Kempis, “De Navolging van Christus” inzet] Maar blijkbaar kijken de leerlingen toch niet in de goede richting. Zij volgen niet de richting die Jesus gaat, zij volgen Hem niet, en derhalve dwalen ze in het duister met hun insinuerende vraag: Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders … Het is me de vraag wel die de leerlingen stellen. We kennen die vraag maar al te goed! Heb je zijn moeder gekend? Zijn vader wilde ook al niet deugen! Ja, wat wil je ook iemand uit zo’n gezin! En zeg nu niet dat wij zulke opmerkingen nog nooit gehoord hebben,  nog nooit hebben gemaakt. Want moraliseren kunnen we maar al te goed. In onze streken spreken we over het opgeheven vingertje, en we zijn nu eenmaal graag de schoonmoeder van Europa, zo niet van de ganse wereld. Maar Jesus wijst ons op iets anders, op iets gans anders: noch heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar opdat de werken Gods in de hem zouden worden geopenbaard! De grote werken van God, waarvan de psalm zingt (ps 111,2): magna opera Domnini, exquisita in omnibus voluntatibus eius, groot zijn de werken des Heren exquis in al hun welgevallige bewegingen, of in een nader vertaling: groot zijn de werken des Heren, de moeite van het onderzoeken waard door allen die lust hebben ze te doorvorsen. De leerlingen, die die psalm toch hebben gekend, laten zich niet door die psalm leiden. Hun vraag suggereert dat zij het al bij voorbaat weten!  In Jesus worden de werken Gods openbaar. Hij moet werken zolang het dag is. Dat betekent meer dan alleen de prozaïsche veronderstelling dat je in het donker niets ziet, en dus niet kan werken. Jesus doelt op die wonderlijke dag één, die principiële dag van de eerste bladzijde van schriften: God sprak er zij licht,, en er was licht. Het werd avond en morgen dag één. Dat daar staat dag één is geen vergissing van de schrijver. Heel nadrukkelijk onderstreept hij het unieke karakter van die dag één waarop het licht zichtbaar wordt, het licht wordt geopenbaard! (Gen 1,3).  Daarom kan Jesus met nadruk zeggen. Zolang Ik in de wereld ben Ik ben het licht der wereld, vervul Ik dag één.  Jesus spuwt op de grond. Maakt slijk met dat speeksel, en strijkt dat slijk op de ogen van de geboren blinde. Let wel de blinde heeft nog steeds niets, maar dan ook niets gezegd; hij laat met zich begaan. Jesus is aan het woord. Hij zegt hem: ga u wassen in het badwater Siloam. Jesus zegt niet simpel; ga u wassen, maar heel nadrukkelijk: ga u wassen in het badwater Siloam. Joannes geeft de uitleg erbij. Siloam betekent zoiets als de gezondene. De blinde moet zich gaan wassen in het water dat alle trekken draagt van Jesus’ zending.  Nuchterder dan de evangelist kan hetgeen nu volgt niet verteld worden. Hij da ging heen, waste zich, en kwam ziende (terug). Het zal niemand verwonderen dat dit zgn. genezingsverhaal van ouds gelezen is - in de vasten, - als voorbereiding op de doopplechtigheid. Daarom staat het ook nog steeds in onze liturgie van de vasten. Voor Vaticanum II werd dit evangelie voorgelezen op Woensdag na Zondag Laetare. Men wilde toch dit evangelie niet in de vergetelheid laten verzinken van de doordeweekse dag, vandaar dat het nu op deze zondag wordt voorgelezen, om ons zo ook aan onze doop te herinneren. Als intrede zang werd in de oude liturgie de tekst gezongen van de profeet Ezechiël: Als ik geheiligd zal zijn temidden van u, dan zal Ik u bijeenbrengen uit alle landen, en Ik zal over u uitstorten zuiver water, en gij zult gereinigd zijn van al uw ongerechtigheden, en Ik zal u een nieuwe Geest geven (Ez 36,23 v.v.) Deze tekst van de profeet werd gedragen door psalm (34,2) Ik zal de Heer zegenen te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn …Dat zal de opdracht moeten zijn van al degenen die gedoopt zijn, en die derhalve worden toegelaten tot de lofzang Gods!  “Geduriglijk: dat wil zeggen, op de tijden van het morgenoffer en het avondoffer, op het rhytme van de getijden. Want door de lofzang Gods wordt Zijn gemeenschap op aarde getypeerd. In de Kerk van het Oosten wordt het doopsel “verlichting” genoemd vanwege het Licht van Jesus dat over ons is komen stralen toen we werden gedoopt. Toen hebben wij het licht ontvangen, wij hebben het licht van Christus  ontvangen, en van dat moment af aan mogen wij horen: gij zijt het licht der wereld!  Zo zullen wij het ook zingen in de Paasnacht: Lumen Christi, Licht van Christus als de paaskaars is ontstoken, en dat licht zal stralen in de duistere kerk waar de gemeenschap vergadert is. Door ons doopsel hebben gij verlichte ogen, hebben wij ogen om het visioen te zien waarvan wij door het doopsel hebben gehoord. Wij hebben van het visioen gehoord van het hemelse Jerusalem, waarvan de hymne zo schoon zingt: Coelestis urbs Jerusalem, beatae pacis visio, Hemels Jerusalem, zalig visioen van vrede!  Vandaar verheugen wij ons reeds op deze dag met Jerusalem, Jerusalem verblijd u met haar, al degenen die haar liefhebben. Wees vrolijk over haar met vreugde, al degenen die bedroefd zijn  geweest over haar. (Jes 66,10). Daarom kan de psalm die daarbij hoort ook vol jubel worden aangeheven: Ik was verheugd toen men mij zeide, wij rekken op naar ‘s Heren huis. … Jerusalem is immers een stad die wel aanééngesmeed is door de broederschap, wel gebroederd! Bid om de vrede o Jerusalem, bidt om de vrede, de vervulling van dat visioen van Jerusalem. Zo geve  God!

 

Am*dam 13 maart 1999
© Ben Hemelsoet

 

 

 

 

Witte Donderdag

Diemen 9 april 1998

 

Exodus 12,1 – 20

1 Corinthe 11,23 – 32

Joannes 13,1 – 15

 

Het gedenken van de bevrijding uit de duisternis van de slavernij, uit de duisternis vs Egypte, ja, de bevrijding uit de duisternis van de dood, wordt gemarkeerd door een bijzondere ingetogenheid. Deze dag, - luid de schriften, - deze avond die bij het feest hoort, zal u wezen tot gedachtenis, gij zult hem de Heer vieren als een feest; gij zult hem vieren van geslacht tot geslacht, een eeuwige inzetting ... en even verder: Dat wordt herhaald en herhaald, tot driemaal toe (Ex 12,14.17 en 24 v.v.) Onderhoudt dit voorschrift tot een inzetting voor u en voor uw kinderen tot in eeuwigheid. En het zal geschieden, als gij in dat land komt dat de Heer u geven zal gelijk Hij heeft gesproken heeft, zo zult gij deze eredienst onderhouden, koesteren. En het zal geschieden, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: wat houdt gij daar voor een eredienst: zo zult gij zeggen: dit is de Heer een paasoffer, Die voor de huizen van de kinderen Israëls voorbij ging in Egypte, toen Hij de Egyptenaren sloeg, en onze huizen bevrijdde ... Het laatste avondmaal is het laatste paasfeest dat Jesus met Zijn leerlingen vierde. Jesus heeft Pasen gevierd van jongs af aan, dertig jaar lang. Hij ooit de jongste geweest in het gezelschap van degenen die Pasen hebben gevierd, en toen heeft Jesus ook de vraag mogen stellen, die morgenavond uit zo vele jonge Joodse kelen klinken zal: waarom is deze nacht anders dan alle andere nachten? Wij hebben het Paasfeest verdeeld over drie dagen, het triduum sacrum, het geheiligd drietal. Maar daardoor lopen wij het gevaar dat we de grote beweging van het Paasfeest in drie afzonderlijke dagen scheiden. Het zou er op kunnen lijken dat wij vanavond e instelling van de eucharistie vieren, en morgen het bitter lijden van onze Heer overwegen, en in de paasnacht van Zaterdag op Zondag Zijn opwekking uit de doden zouden gedenken. Zo zouden wij vergeten dat wij  liturgisch gedenken. In de liturgie immers, door de liturgie zijn wij deelgenoten aan het mysterie; wij in liturgicis deelgenoten, zo zijn wij met Jesus verenigd, zo volgen wij hem in Jerusalem. .Maar vanavond gedenken wij het paasfeest, vieren wij het Paasfeest, op de avond voor Zijn lijden, en vanavond zullen wij plechtig memoreren: dat is heden! Ook wij vieren de gedachtenis van de bevrijding uit de slavernij. Ook wij kunnen voortaan zeggen: wij waren slaven in Egypte, maar de machte hand van onze God heeft ons bevrijd. Ik ben de Heer uw God, die uit Egypte, uit het slavenhuis heb bevrijd ..... Die eredienst verrichten wij, en zullen wij verrichten totdat Hij komt in heerlijkheid ....

 

Het is een nacht van bidden en waken voor de Heer, het is de nacht waarin de eerstgeborenen van Israël werden gespaard, want het mag verkondigd worden: uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen. Maar het ontstellende is nu dat heel Israël de bevrijding gedenkt, en dat dat uitgerekend ogenschijnlijk niet geldt voor de uitverkoren Zoon, de veelgeliefde, in Wie God Zijn welbehagen heeft gesteld. Er gebeuren nog meer dingen die niet te rijmen lijken met dd voorschriften van Pasen. het is een nacht van bidden en waken voor de Heer, maar drie van Jesus’ geliefde leerlingen vallen in slaap. Kunnen die dan niet waken in de nacht? En wat moeten we denken van die bende soldaten, die optrekken om Jesus te grijpen, om Hem te boeien, Hem te voeren tot voor de hogepriester: uitgerekend in deze nacht die tot gedachtenis van de bevrijding van alle kinderen van Israël is ingesteld! Toch mag dit ontstellende ons niet afhouden van de viering van het Paasfeest: want de bevrijding van Jesus zal geschieden, Zijn Vader zal Hem niet laten in de strikken van de dood ....

 

Het staat allemaal wat geconcentreerd opgetekend in de evangeliën. Van die geconcentreerde  Paasviering zijn wij gaan spreken als van de  instellingswoorden. Daardoor lopen wij de kans de boven- en de ondertonen niet meer te horen.  Bij dat Paasfeest, heeft Jesus het brood genomen, en met dat brood in Zijn handen heeft Hij ook gezegd, wat tot op de dag van Pasen, dat is heden  in alle Joodse gezinnen wordt gezegd: Dit is het brood der ellende dat onze vaderen hebben gegeten in het land van Egypte, laat ieder die honger heeft komen en eten. laat allen die in nood zij komen en het Paasfeest vieren. Na de verwoesting van Jeruzalem is eraan toegevoegd: dit jaar nog hier, het volgend jaar in het land Israël dit jaar nog niet bevrijd, het volgend jaar als vrije mensen ..... Over deze tekst heen heeft Jesus zegt, over het woord: dit is brood der ellende dat onze vaderen in Egypte hebben gegeten, zegt Jesus: dit is Mijn Lichaam. Zo identificeert Hij zich geheel en al met de ellende van het volk in de duisternis van de slavernij, in de duisternis van de dood. Hoe innig, hoe huiveringwekkend vereenzelvigt Jesus zich met de gedachtenis van dàt Paasfeest, de bevrijding uit Egypte Bij dat feest in de nacht van de duisternis, in de duisternis van de dood van Egypte wordt nog wijn geschonken, de wijn zal het volk pas smaken in het land, want de wijnstok is de eersteling waarmee de verspieders terugkomen van hun ontdekkingsreis door het veelbelovende land. Daarom staat er ook geschreven in onze liturgie, en na de maaltijd nam Hij de beker. De beker die uitzicht geeft op dat goede land, dat overvloeit van melk en honing, dat land dat ons is toegezegd krachtens de belofte die de Heer gedaan heeft aan Abraham, en Isaak en Jacob, krachtens het verbond dat Hij gesloten heeft met de aartsvaders, een verbond dat bezegeld zal worden in het vergoten bloed van Jesus. Daarom schrijven de evangelist er bij dat Jesus niet drinkt van de beker aleer Hij die opnieuw zal drinken in het Koninkrijk van God ...(Marc 14,25) En zo horen wij de spanning in dat laatste Paasmaal van Jesus. Jesus en Zij leerlingen eten van het brood der ellende, maar Jesus zelf zal pas drinken van de vrucht van de wijnstok in het Koninkrijk van God. Het gaat van de duisternis van de dood in Egypte, tot het licht van Gods Koninklijke heerschappij. Het gaat van brood tot wijn: dat is het geheim van de onze liturgie, en dat geheim wordt door Jesus gang van dood naar leven gedragen.  Zo is Jesus de betrouwbare weg die te leven voert. Voor deze  levensweg van brood tot wijn staat het sacrament, het laatste avondmaal, het laatste Paasfeest van Jesus garant .... Zo wordt het in onze gemeenschap van Zondag tot Zondag in ere gehouden, gekoesterd. Lucas voegt er een heel saillant verhaal aan toe. na de viering van de Paasmaaltijd is er twist onder de leerlingen wie van hen wel de grootste zou zijn. Maar Jesus zegt hun: de koningen der volkeren zij heer over hen, en zij die macht over hen uitoefenen worden weldoeners genoemd. Gij echter niet zo! De grootste onder u moet de kleinste worden, en de leider als een die dient. Want wie is de grootste, hij die aanligt of hij die dient? Toch hij die aanligt! Ik ben in uw midden als een die dient ...

 

In onze diensten is het de eeuwen door goed gebruik geweest om het laatste avondmaal, het laatste Paasmaal, niet als evangelielezing  te vertellen. De vertelling van dat Paasverhaal is immers het hart van het tafelgebed. Op Witte Donderdag kan het als een brieffragment van Paulus worden voorgelezen. Als evangelielezing zijn we blij, gelukkig met het verhaal van de voetwassing volgens Joannes. Joannes geeft om zo te zeggen commentaar op die twist van de leerlingen die Lucas vermeldt. Jesus gaat daar inderdaad rond als een die dient. Maar Joannes schrijft het ook zo dat het ons te denken geeft. De evangelist vermeld hoe Jesus zijn klederen aflegt, en he Hij na de voetwassing Zijn klederen weer opneemt. Die uitdrukking afleggen en opnemen, die twee worden komen in het evangelie nog maar een maal voor. En wel als Jesus zegt: heb de macht om Mijn leven af te leggen en Ik heb macht om het weer op te nemen  .... Zo horen  wij wat die dienst beduiden kan, die dienst die Jesus aan Zijn leerlingen verricht, door hen de voeten te wassen. Het is ook de slavendienst van Zijn dood!  Waarom wast Jesus de voeten van Zijn leerlingen? Er zijn liturgieboekjes waarin staat dat daar waar het bezwaarlijk is om de voeten te wassen, men ook de handen kan wassen van twaalf gelovigen. Maar dan heeft men echt buiten het evangelie gerekend. De voeten worden gewassen opdat wij zo de voetstappen kunnen betreden van Jesus. Met onze voeten gaan wij op de weg die Hij tijdens het laatste Paasfeest heeft gewezen. Opdat wij alleen zouden leren, zouden beseffen, dat wij Pasen mogen vieren om te weten wat het beduidt volgeling van Jesus te zijn. Het is niet alleen voor Kerstmis gereserveerd om te kunnen bidden: ach laat ons uw paden betreden, want Gij hebt de wereld beschaamt, gij kwaamt om de wereld te winnen de machtige vijand te slaan. Zo ooit, dan geld het nu nu wij Jesus’Pasen gedenken. Zo wens ik u allen van harte een Zalig Pasen: zo geve God!

 

Am*dam 8 april 1998

© Ben Hemelsoet

 

 

Passiezondag, 21 maart 1999

Sint Pancratius,  Sloten

Ezechiël 37, 12 – 14

Romeinen 8, 8 – 11

Joannes 11, 1 - 45

 

Dit is Ben's laatst geschreven preek.
Hij heeft hem niet gepreekt.

 

We staan gericht op Pasen, het feest waarop gedenken dat god Zijn lief Kind Jesus indachtig is geweest, door Hem op te wekken uit de doden. Zo is de lieve Heer Zijn verbond indachtig geweest met de belofte gedaan aan Abraham, aan Isaac, en aan Jacob, want God is geen God van doden, maar een God van levenden; geen God die doden doden laat, maar een God die de doden ten leven wekt. Met het oog daarop horen wij de wonderlijke tekst van de profeet Ezechiël ( die naam betekent: moge God hem sterken!). Hij is de profeet die met de ballingen in ballingschap is, en in die ballingschap, in dat land van de schaduwen van de dood de heerlijkheid des Heren mag aanschouwen, en de opstanding uit die ballingschap mag aankondigen, de opstanding uit de duisternis van de ballingschap en de dood. Zo worden ons de woorden in de mond gelegd om te kunnen spreken van onze verwachting, van opstanding uit onze ter-neer-geslagenheid. De graven zullen geopend worden, en zo spreekt de Heer: “Ik zal Mijn Geest in u geven, en Ik zal u in uw land Israël. Een oude uitleg weet dat de doden uit de ballingschap op een mysterieuze wijze in het veelbelovende land zullen opstaan uit de doden, om daar te kunnen genieten - ten einde raad, - van al de beloften die God heeft toegezegd aan Abraham, Isaac en Jacob. Zo zullen jullie weten dat Ik de Heer dit gezegd en  gedaan heb, zo spreekt de Heer. In deze tekst wordt door de Heer gesproken dat Hij Zijn Geest in ons zal geven. Het is om even bij te blijven verwijlen. Als de Heer zijn Geest in ons zal geven dan zullen mogen weten dat Hij die Geest zal geven met het oog op de opwekking van de doden. De apostel Paulus zal het daarom ook zo kunnen schrijven aan het begin van zijn brief aan de kerk van Rome. Hij spreekt daar over het evangelie van God,  waartoe hij is afgezonderd, en hij vervolgd, dat evangelie van god heeft Hij tevoren beloofd door Zijn profeten in de heilige schriften, dat evangelie gaat over Zijn Zoon Jesus, die geworden is naar het vlees uit het zaad van David, maar die krachtelijk gesteld is als Zoon van God volgens Zijn heiligende, heilige Geest, door de opstanding van de doden, nl. Jesus Christus, onze Heer. (Rom 1, 1-4) Zo maakt Paulus ons duidelijk dat wij niet kunnen spreken over Jesus als wij niet spreken over Zijn opwekking van de doden. Om het wat eenvoudiger te zeggen Kerstmis is niet genoeg. Wij moeten belijden dat Hij opgewekt is uit de doden krachtens de heiligende Geest van God. Wij zijn het zo ogenschijnlijk niet gewend om over de heiligende Geest van God te spreken. Maar als wij het klassieke gebed bidden om de komst van de heilige Geest, de vertrooster, dan bidden wij ook om de troost die ons in de heiligende Geest in de schriften is toegezegd, en daarom mogen wij bidden dat hij ons hart vervuld met die vertroosting, en dat verlangen naar de opwekking van de doden …

Tegen deze achtergrond, wellicht met deze woorden van de profeet op de voorgrond mogen wij het verhaal horen van de opwekking van Lazarus. Zijn naam betekent “moge God hem bijstaan”. Vandaar dat wij de vraag mogen stellen of zijn naam wel zo’n duidelijke eigennaam is, of zijn naam ook niet programmatisch is, een programma van toepassing op zovelen, op allen, op ons. We weten hoe die naam Lazarus een rol speelt in de bekende parabel van Lazarus en de rijke vrek. Merkwaardig dat wij die rijke in ons spraakgebruik een rijke vrek hebben genoemd. De schrift spreekt eenvoudig van een rijke. Maar als iemand zo rijk is … rijk zijn tot daaraantoe, maar zo rijk, dat kan niet. Daarom hebben wij hem op voorhand alvast maar een vrek genoemd. (Luc 16,19 - 31). Maar Lazarus is bij voorbaat een berooide, en hij leeft in Bethanië, het huis van de armoede, van de berooiden, de hulpelozen, de hopelozen. Van die Lazarus wordt uitdrukkelijk vermeld dat Jesus .hem liefheeft, alsmede zijn zusters Martha en Maria. Ook dat moet te denken geven. De zusters van Lazarus laten Jesus weten dat Lazarus ziek is.  Maar Jesus spreekt weer uitdrukkelijk de woorden die wij de vorige week ook hebben gehoord bij de genezing van de geboren blinde: deze ziekt is niet tot de dood maar ter heerlijkheid Gods, opdat de Zoon van God daardoor wordt verheerlijkt wordt. Hier horen we weêrom de Zoon van God, zoals we dat ook gehoord hebben in de aanhef van de brief aan de Romeinen. De Zoon van God die in kracht gesteld is door de Geest van heiliging, de heiligende Geest, door de opstanding van de doden. Zo worden wij aan het begin van dit verhaal over de opwekking van Lazarus al gewaar dat de opwekking van deze Lazarus, een voorspel is, een aankondiging, een profetie van de opwekking van Jesus zelf. En met dat blijft Jesus nog twee dagen daar waar Hij zich bevindt. Daarna zegt Jesus niet: laten wij naar lazarus gaan, maar Jesus zegt: laten wij weêrom naar Judea gaan. De leerlingen zeggen Hem: Rabbi, de Joden hebben u onlangs nog gezocht om u te stenigen, en gij wilt daar weer heengaan? En evenals in het verhaal van de geboren blinde, oren wij weer dat Jesus werken moet, zolang het licht is. Want indien iemand overdag wandelt, zo stoot Hij zich niet, zo kan hij geen aanstoot nemen, want hij ziet het Licht der wereld. Dan horen we hoe Jesus openlijk spreekt over Lazarus die slaapt, en die Hij uit de slaap wil wekken. En de leerlingen begrijpen het niet. Maar dit alles moet zo verteld worden opdat wij vertrouwen in Jesus zullen hebben, dat wij in Hem zullen geloven, in Hem die de verrijzenis en het leven is. Thomas zegt tot zijn mede leerlingen, laten wij ook gaan om met hem (met een kleine letter of met een hoofdletter?) te sterven. Thomas wordt hier voorzien van zijn bijnaam Didymus, en dat betekent tweeling. Is dat een uitnodiging voor ons om ons als zijn tweelingbroer te beschouwen? Zij komen in Bethanië. En daar spreekt Martha de bekende woorden: heer, zo gij hier waart geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven, maar ook nu weet ik dat al wat gij van god begeren zult, de God u geven zal ….  Er is noch iets meer. Jesus komt in Bethanië als Lazarus al vier dagen in het graf ligt. Wij kennen allemaal de bijbelse uitdrukking van de derde dag. Wij zeggen het in onze geloofsbelijdenis: ten derde dage opgewekt uit de doden. We zeggen niet ten vierde dagen opgewekt uit de doden. Als de vierde dag hier zo nadrukkelijk wordt genoemd, wordt de indruk gewekt dat de goede dag, die dag die voor de opwekking van de doden gemaakt is, reeds voorbij is. Als Jesus tot Martha zegt dat zegt dat haar broeder zal verrijzen, spreekt zij haar geloof  uit in de opwekking van de doden op de jongste dag. Maar daar wil Jesus haar niet mee troosten. Hij zegt Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven al ware hij ook gestorven. In dit verhaal is dat geen algemene uitspraak, maar een uitspraak van Jesus die precies de gestorven Lazarus betreft. Martha spreekt haar geloof uit. Haar belijdenis lijkt op die van Petrus bij Caesarea Philippi (Matt 16). Zij geloof dat Jesus, de Christus is de Zoon van de levende God, de Zoon aangesteld, opgericht tot Zoon van god in kracht door de Geest van heiliging krachtens de opstanding van de doden (zie Rom 1,1 - 4). Dat geloof zal niet wankelen, ondanks de vier dagen dat Lazarus al in het graf ligt …. Martha heeft haar geloof beleden, en zij blijft zoals wij haar kennen uit de verhalen van het evangelie, actief, zorgzaam, praktisch. Zij is het die haar zuster roept: de Meester is daar en roept u! Door de tranen van Jesus heen, geraakt het verhaal in een stroomversnelling. We horen hoe Jesus bidt: vader Ik dank u dat Gij Mij gehoord hebt, Ik wist dat Gij Mij altijd hoort, maar terwille van de schare die hier rondom Mij staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven dat Gij Mij gezonden hebt. Terwille van de scharen, terwille van ons wordt Lazarus opgewekt,  opdat wij zouden geloven dat Jesus opgewekt is uit de doden, dat Hij de verrijzenis en het leven is voor ons. Jesus is de verrijzenis en het leven, omdat Hij zelf opgewekt is geworden van de doden. Daarom is Hij het anker van onze hoop! Daartoe wordt dit verhaal verteld opdat wij hoop zouden hebben in deze wereld, en opdat wij niet zouden ronddolen gelijk degenen die geen hoop hebben, gelijk de apostel zegt.  De naam van deze passiezondag is in de klassieke liturgie: Judica me, Deus, doe mij recht, o mijn God  Wij mogen deze psalm ook op de lippen nemen met het oog op de opstanding van de doden, met het oog op onze eigen opwekking. In die psalm wordt ook gebeden: zend mij uw licht en uw trouw, uw betrouwbaarheid, dat zij mij brengen op de berg van uw heiliging. Dat ik toch ingaan mag tot het altaar Gods, tot de God die mijn jeugd verblijd, zoals dat in Latijnse vertaling luidde (ps 43, 1 - 3). Over die berg van Zijn heiliging, waarheen Hij ons brengen zal,  mogen wij zingen in de paasnacht, als wij jubelen mogen over het Koningschap van God, dat in volle glorie zal stralen als Hij de dood overwonnen heeft, van Zijn geliefde Zoon als eersteling van al degenen die ontslapen zijn. Op die berg daar zal Hij ons binnenvoeren,  en daar zal Hij ons planten op de berg van Zijn erfdeel, “op de plaats Heer, welke gij gemaakt hebt tot uw woning, het heiligdom dat uw handen hebben gesticht, o Heer!” Zo zal de Heer Koning zijn, en voor eeuwig, betrouwbaar voor altoos koninklijk koning zijn. Zo geve God!

 

Am*dam 16 maart 1999
© Ben Hemelsoet

 

 

 

Paasochtend 1999

Joannes 20,1 - 18

 

Het ene paasmysterie is in onze traditie uiteengelegd in een triduum sacrum, elk van de drie dagen krijgt zijn eigen thematiek, en veelal lijkt het erop alsof die dagen door waterdichte schotten omgeven zijn, die het onmogelijk maken dat het een in het ander kan worden gehoord. Er wordt gedaan of het verloop van de gebeurtenissen op de voet gevolgd kan worden, van uur tot uur. Daarom lijken sommige verwijzingen ons te ontgaan.

Het twintigste hoofdstuk van Joannes zet zo in: op (dag) één van de week ... Als we te snel lezen “op de eerste dag van de week”, moet ons de verwijzing naar Genesis 1,5 wel ontgaan. Want daar wordt ook niet gesproken van de eerste dag, maar heel nadrukkelijk van dag één. Deze dag springt er immers uit, het is die dag, die dag waarop God zegt: er zij licht, en er was licht Y. Deze dag is onvergelijkelijk, niet te vergelijken met de andere  dagen van de week, die volgens rangorde worden geteld. Het is ook een “licht dat geschiedt” onvergelijkelijk met hetgeen wij licht noemen, een licht waarbij het licht van de zon verbleekt! Op die dag één, ging Maria Magdalena (haar naam wordt hier genoemd omdat zij ook bij het kruis heeft gestaan [Joannes 19,25]), “vroeg in de morgen, toen het nog duister (!) was naar het gedenkteken, en zag de steen weggenomen”. 

Over een steen die voor het gedenkteken zou zijn gerold heeft Joannes geen enkele opmerking. Het is Joannes er om te doen het getuigenis aan het licht te brengen. Maar de lezer(es)  weet als we Maria Magdalena uit het oog verliezen gaat het hele verhaal niet door. Er mag gezegd worden van die andere “leerling [dien Jesus liefhad], dat hij  wel geloofde maar dat hij  de schrift  niet kende”. Drôle de foie zouden wij zeggen!  Op onze vragen wat dat voor een geloof zou kunnen wezen, geeft het evangelie geen antwoord - alsof wij zouden kunnen zeggen wat ons geloof wel is.  Integendeel, alles wat gezegd wordt in het evangelie van Joannes staat onder het beslag dat je van geen de leerlingen, zelfs  niet van de leerling dien Jesus liefhad,  enig soelaas zou kunnen verwachten   Er wordt geloofd, er wordt vertrouwen geschonken Y maar zij kenden de schrift niet! Om de schrift te kunnen kennen ook de schrift, de scriptuur  van Joannes hebben wij Maria Magdalena van node. Zij treedt op als correctie van de beide leerlingen, want uiteindelijk zal zij het getuigenis kunnen geven. Zij zal degene ontmoeten die de profeet is van zij eigen profetie, de koning van zijn eigen koninkrijk, de priester van zijn eigen priesterlijke bediening. Maria, - de twee leerlingen zijn huns weegs gegaan (Joannes 20,10) en Maria  die niet meer heet die van Magdala, verwijlt bij het gedenkteken.  Zij ziet engelen, “één aan het hoofdeinde, een aan het voeteneinde”. [Daar komt het kindergebed vandaan: ‘s avond als ik slapen ga.] Die engelen, boodschappers van Gods koninklijke heerschappij, wijzen de weg, wijzen Maria de goede richting, - merkwaardig! Zij keert zich achterwaarts. En van af dat moment gaat het verhaal in een Bijbelse stroomversnelling.  Au fond:  is Jesus nu de tuinman of niet?  In het Grieks heet de  tuinman kèpouros, het woord heeft van doen met kèpos, tuin, in een van de oude Griekse vertalingen, - die van Aquila, - wordt het woord kèpos, ook gebruikt voor de Hof van Eden (Gen 2,8)  Maar Joannes gebruikt het woord kèpos op een wonderlijke manier. Joannes duidt met het woord  kèpos ook de hof van Olijven aan. (zie Joannes 18,1 vgl. ook 18,26) Maar heel merkwaardig schrijft Joannes in 19,41: en op de plaats waar Hij gekruisigd was, was een kèpos, en in die kèpos was “een nieuw monument, een gedenkteken waarin nog niemand in had gelegen”. De plaats waar Jesus wordt overgeleverd, de plaats waar Hij gekruisigd werd, en de plaats van het nieuwe gedenkteken, vallen bij Joannes samen. Er is een eenheid van plaats, die alleen maar kan onderstrepen dat Jesus zelf de Heer is van die plaats, en derhalve  met recht en reden de Heer is van die plaats, en die derhalve met alle boven- en ondertonen van dien, de kèpouros genoemd kan worden. Joannes schrijft dit zo alsof Maria daar (nog) geen weet van kan hebben. De aandachtige lezer(es) mag dit op het spoor komen, om zo te kunnen dromen wat er allemaal geschieden mag op die dag één van de week, als “het licht geschiedenis” mag maken. Als God de Sabbat gehouden heeft, die grote Sabbat  heeft gerust, en geheiligd en gezegend (Gen 2,3.4), en de mensen in Zijn navolging welke mogelijkheden zijn er dan gegeven om opnieuw van een tuin en een tuinman, opnieuw van een stralende schepping te berichten, opnieuw de boodschap van het Koninkrijk van God te verkondigen in Gods Koninklijke domein. Het is aan Maria Magdalena gegeven, die in de oosterse traditie dan ook de naam dragen mag isapostolos de apostel-gelijke.

 

(De tekst is niet gedateerd.

Hij stond bijgeschreven, bij Mattheüs 17 - je)

 

 

 

Eerste Paasdag

Diemen, 12 april 1998

Handelingen 10,34a+37 – 43

1 Kor 5,6b – 8

Joannes  20,1 – 9

 

Ten diepste kunnen we alleen maar biddend, belijdend over Pasen spreken. Om het modern te zeggen daaraan ontlenen wij onze identiteit, door die belijdenis zijn wij wat we mogen zijn. Ich bete an und darum bin ich heeft een Duitse schrijfster gezegd. Ik aanbid, en zo ben ik iemand in Gods ogen. Het klassieke gebed op de eerste Paasdag is daarom ook van een ontroerende schoonheid. Het luidt zo: O God, die op de dag van heden door uw eengeboren Zoon de toegang tot de eeuwigheid hebt ontsloten, want Gij hebt de dood verslagen ...  De woorden van dit gebed zijn zo verdicht, gedicht, dat het wel moeilik is om die woorden op het eerste gehoor tot ons te laten doordringen. De woorden klinken vertrouwd, maar het gevaar is groot dat wij de verstrekkende perspectieven van die woorden ternauwernood horen. In het gebed toen wij een beroep op God. Wij doen een beroep op hetgeen Hij op de dag van heden heeft gedaan. Voor wie vertrouwd is met de psalm weet dat hier toespelingen klinken op die fameuze psalm: Heden, zo gij Zijn stem hoort, wilt uw harten niet verharden, gelijk te Massa en Meriba in de woestijn, daar hebben uw vaderen Mij op de proef gesteld, en toen moest Ik wel zweren zij zullen niet ingaan inde rust van het veelbelovende land. (ps 95)Vandaag herinneren wij ons die psalm, en doen met vertrouwen een beroep op God. Wij weten van dat heden,  wij willen ervan weten, en treden met die psalm voor Gods aangezicht. Wij belijden dat Hij heden voor ons de toegang tot dat veelbelovende land heeft ontsloten. Het staat er ietwat merkwaardig, weinig concreet de eeuwigheid. Maar eeuwigheid is in de taal van de schriftsen iets heel concreets, bijna tastbaar. Eeuwigheid  is de  vervulling van Gods onwankelbare trouw, de verzekering van Zijn betrouwbaarheid ten einde toe, onbetwijfelbaar. Gods betrouwbaarheid vult de eeuwigheid, er si alleen maar eeuwigheid omdat die gedragen wordt door goedertierenheid en Zijn trouw, die duren zal, die verder reikt dan wij kunnen denken. Die weergaloze God aanbidden wij, want Hij heeft in Zijn eengeboren Zoon de dood overwonnen. Zo heeft Hij voor ons de toegang tot al Zijn beloften ontsloten. Zo aanbidden wij op de dag van heden.  Deze God heeft Zich te kennen gegeven in Zijn eniggeboren Zoon. Maar ook die uitdrukking mag worden uitgelegd. Het is Zij Zoon, ja, Zijn eniggeboren, in Wie Hij Zijn welbehagen heeft gesteld, die Hij uit de duisternis van Egypte, uit de duisternis van het dodenrijk heeft opgewekt, en die Hij de heerlijkheid van alle beloften van het beloofde land heeft geschonken, de heerlijkheid van Gods Koninklijk Domein. Daarover mogen wij ons verheugen, en daarom zijn wij niet meer zoals Paulus zegt, gelijk al die anderen die geen hoop hebben! Laten wij ons verheugen: Surrexit Dominus vere, alleluja, de Heer is waarlijk verrezen, alleluja. Dat is de ons zaligmakende wens op de dag van heden: zalig, zaligmakend Pasen.  Deze paasboodschap horen wij worden vertolkt door Petrus. Maar - het zij met ietwat droefenis gezegd, - de eerste verzen van de toespraak van Petrus worden ons onthouden. Petrus wordt in het huis van een Romeins officier ontboden, een honderdman van het Italiaanse regiment, zijn naam is Cornelius. Zo begint Petrus, ons tot troost: Ik  verneem op betrouwbare wijze dat er God geen aanzien des persoons is maar dat iedereen, ongeacht het volk waartoe hij behoort, bij God welgevallig is, als hij God vreest en gerechtigheid doet. Dit is het Woord dat Hij aan de kinderen van Israël gezonden heeft, de goed boodschap van de verzoenden vrede, tussen Jood en heiden, door Jezus Christus die is de Heer van allen . Dat mogen wij, die geen Joden zijn maar het vlees, allereerst vandaag horen. ook wij horen deze boodschap, en  de broederschap maakt daar deel van uit. We mogen dat niet alleen voor ons zelf houden. Het mag stralen in onze gemeenschap, het is onze gemeenschap met Israël.

 

Tegen deze achtergrond horen we het verhaal van Maria Magdalena, en we weten bij dit verhaal in de tuin hoort een tuinman, De Tuinman, de Hovenier. Het is dag een van de week. Dat de evangelist zo nadrukkelijk zegt: dag één, heeft alles te maken wat we horen in het eerste hoofdstuk van genesis: het werd avond en morgen: dag één. Het is de dag waarop God zegt: er zij licht, en er was licht ...niet voor niets staat er daarom: het was nog duister. Maria Magdalena gaatnaar het graf. Een opvallende beschrijving. De sabbat is voorbij, en de dag na de Sabbat gaat weldra aanlichten. Maria gaat naar het graf, op de Sabbat, de dag van God, de dag van Zijn Koninklijke Heerschappij is niets geschied, en op dag één zal het leven zijn gewonde loop hernemen. Jezus is dood en bergraven, wat kan er anders gebeuren dan te treuren bij Zijn graf? Er hoeft niet geschreven te worden dat Maria Hem heeft willen balsemen, dat heeft zij al gedaan in Bethanië, zes dagen voor Pasen (Joes 12,1 v.v.). Bij het graf gekomen ziet zij dat de steen van het graf is weggenomen. Zij gaat naar Simon en de andere leerling, dien Jezus liefhad, met de ontstellende onthutsende boodschap: zij hebben de Heer weggenomen, en wij weten niet waar zij Hem hebben neergelegd .... Tot zover hebben wij het evangelie gehoord, en in de laatste regels staat vermeld: dat de leerlingen Maria geloofden dat de Heer niet meer in het graf was: want zij kenden de schriften nog niet dat Hij van de doen moest worden opgewekt. Vreemd dat we daar mee de lezing zouden besluiten op de eerste Paasdag. Zouden we niet mogen horen wat er verder met Maria is geschied, zij die in de Oosterse traditie wordt genoemd de apostelgelijke?  Maria weent, en zij is de eerste die twee engelen, twee boden Gods ziet zitten, een aan het hoofdeind, en een aan het voeteneind. En wij horen hier de eerste  opzet van het avondgebed voor kinderen (van kinderen alleen?): ‘s avonds als ik slapen ga volgen mij veertien engeltjes na, twee aammijn hoofdeind, twee aan mijn voeteneind .... Maar als Maria zich afwendt van het graf, en omkijkt ziet zij Jezus staan, maar zij weet niet dat het Jezus. Op de vraag van Jezus wie zoekt gij (een vraag die we al eerder gehoord hebben in de hof van Olijven (Joes 18,4) staat er allen maar dat Maria denkt dat Jezus de hovenier is, de tuinman .... Hier mag even gewezen worden op een markant trekje van het evangelie van Johannes. Johannes gebruikt hetzelfde woord voor de hof van Lijven als van de hof waarin Jezus begraven wordt, en om het nog mysterieuzer te maken, schrijft hij aldus:  en op de plaats waar Hij gekruisigd was, was een hof.  De plaats waar Jezus waar Jezus gevangen genomen wordt, de plaats waar Hij wordt gekruisigd, en de plaats waar Hij wordt begraven worden, worden door Johannes met hetzelfde Griekse woord aangeduid: kèpos, hof. En zoals het Nederlandse woord hovenier met hof te maken heeft, zo ook het Griekse woord. het wordt nog spannender, als we weten dat dat woord voor hof in een Griekse vertaling ook gebruikt wordt voor de hof van Eden (Gen 2,7) Hoe is Jezus hier de mens die door Gods geplaatst is, die God heeft doen rusten in het paradijs. Hoe is Jezus hier geschilderd als de Heer van dat veelbelovende land, dat land dat God ons in het vooruitzicht heeft gesteld, waarnaar wij nu sinds Pasen, het feestvan de bevrijding vol vertrouwen kunnen uitzien! Jezus noemt Maria bij haar eigen naam: Maria. In die begroeting herkent zij die haar dierbaar is. Zij antwoord Rabbouni, mijn leraar, gij die Mij de betrouwbare weg ten leven leert, omdat gij zelf de betrouwbare weg ten leven zijt. De innigheid van die herkenning die door de evangelist wordt gesuggereerd staat ons niet toe alleen maar te vertalen: raak mij niet. De tekst van Johannes suggereert, blijf me niet omhelzen, want ik ben nog niet opgevaren naar Mijn vader, maar ga heen naar Mijn Broeders, - en hoe weid en weids mogen we dat op eerste Paasdag, dag één van de week verstaan. Maria Magdalena gaat heen en meldt het aan de leerlingen  dat zij de Heer had gezien, en dat Hij haar dit gezegd.  Zo is Maria de eerste getuige van Jesus opwekking van de doden. Daarmee mogen wij het doen, in groot vertrouwen, in groot geloof. Zo bidden wij voor elkaar, en met elkaar: zo geve Gods ons een zaligmakend Pasen!

 

Am*dam 8 april 1998

© Ben Hemelsoet

 

 

 

 

Tweede Pinksterdag

Diemen 1 juni 1998

 

Handelingen 19, 1b - 6a

Joannes 14,15 –17

 

In onze streken kennen we de gewoonte om de feestdagen  twee dagen lang te vieren. Zo kunnen we nog even verwijlen bij het geheim van Pinksteren, het feest van de zeven maal zeven weken, het feest van de voltooiing van Pasen. Want met Pinksteren wordt de Paaskaars gedoofd. Pinksteren staat niet los van de overwinning, de bevrijding die ons geschonken is met Pasen, de overwinning op de dood, de bevrijding uit de slavernij, de bevrijding uit de slavernij van de duisternis van de dood. Jesus is de eerstgeborene van al degenen die ontslapen zijn. Zijn Vader heeft die eerstgeborene hoogverheven aan Zijn rechterhand. Zo zal Lucas het schrijven in de Handelingen van de Apostelen, als hij Petrus laat zeggen: Deze Jesus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. Hij dan door de rechterhand verhoogd, verheven, heeft de belofte van de heilige Geest ontvangen van de Vader, en Hij, Jesus, heeft die Geest uitgestort zoals gij nu ziet en hoort. (Hand 2,32-33). In de beschrijving van Petrus horen wij hoe er samenhang in het geheim van God.  God de Vader heeft Zijn Zoon opgewekt uit de doden, de Vader heeft Zijn Zoon een plaats gegeven aan Zijn rechterhand,  en daar aan die rechterhand van de Vader wordt Hem de belofte van de heilige Geest geschonken, en Jesus op Zijn beurt kan die heilige Geest over uitstorten. Zo delen wij, mogen wij delen in het geheim van de heiligmakende Geest, de heiligende Geest. Zoals Petrus het beschrijft, is de Pinksteren niet los te maken van de Hemelvaart van Jesus. Jesus hoogverheven, kan nu de belofte van de Vader schenken.  Jesus wordt verheven en de Geest daalt neer. De kerkvaders hebben over dat geheim meer nagedacht dan wij doorgaans doen. Wij laten onz vrome fantasie doorgaans niet leiden door hetgeen wij inde psalmen hebben gelezen, als wij al psalmen lezen. De heilige Maximus Confessor, de belijder (580 -662) roept de psalmtekst op om te kunnen spreken over de Hemelvaart des Heren:

Zegen mijn ziel, den Heer ...

Die uw leven verlost van het verderf

Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden

Die uw mond verzadigd met het goede,

Die uw jeugd vernieuwt als van een adelaar            (Psalm 103,4-5)

 

 

Het is volgens Maximus geen geringe beeldspraak van de psalmdichter. Zoals de adelaar de lagere, de kleine dingen achter zich laat, en in de nabijheid komt van het hemelse, zo laat onze Zaligmaker de vernedering van de onderwereld achter zich, en zoekt de hoogste hoogten van het paradijs. Hij dringt door tot in het opperste van de hemelen ... We worden bijkans jaloers als we deze meditatie lezen. Waren ons de psalmen maar zo vertrouwd, dat ze onze verbeelding konden voeden, dat  we ons op de wiekslag van die woorden konden verheffen, dat wij zo ons hart zouden kunnen verheffen, zo aan de aan de oproep gehoor konden geven Sursum Corda; dat wij zo in onze gebeden de weg van onze Zaligmaker konden volgen om zo de troost van de heiligende Geest konden verwerven.  De beweging van Hemelvaart gaat - uiteraard - van beneden naar boven. Een van de eerste keren dat er in de schriften sprake is van een beweging van beneden naar boven staat beschreven in het boek van Pasen: Exodus (Ex 2,23 v.v.). daar staat immers dat het gekerm van de kinderen van Israël, hun geweeklaag over hun slavernij opsteeg naar God, en God hoorde het, en God was indachtig Zijn verbond dat Hij met Abraham, en met Isaäk, en met Jacob had gesloten. De gedachtenis van God, dat God Zijn verbond met Abraham gedenkt is het grote geheim van God. God gedenkt wat Hij in een verbond heeft toegezegd, wat Hij aan de vaderen heeft beloofd .... Het gekerm, het gezucht en geween, al het kreunen van de slavendienst stijgen op tot God. Als het Hemelvaart is, zouden we zo kunnen denken aan Jesus. Hij stijgt ten hemel, gelijk het gekerm van de kinderen van Israël opstijgt to God. Jesus stijgt op ten hemel, Hij stijgt uit de doden, uit de slavernij en de duisternis van de dood, Hij ontstijgt aan alles wat onderdrukking is en geweld, Hij ontstijgt aan alles wat kleineert en ten onder houdt. Door de rechterhand van de Vader wordt Hij hoog verheven uit de ellende van de slavernij, uit de duisternis van de dood. Zo is Jesus het levende gebed, zo is Jesus zelf de weg van het gebed naar de Vader, Jesus is de belichaam van de oproep verheft uw harten! .  Het is tegen deze achtergrond van het roepen in de slavernij dat de brief aan de Hebreeën kan schrijven, en we horen de kreten van de onderdrukking: Hij heeft in de dagen van Zijn vlees onder luid geroep en onder tranen gebeden en gesmeekt tot God, die Hem uit die slavendood kon redden na de doorstane angst is Hij verhoord (Hebr 5,7 v.v.) En zo is Hij geworden de geliefde Zoon die God uit Egypte heeft geroepen. Uit die ellende is Hij geroepen, en God heeft Jesus hoogverheven aan Zijn rechterhand .... In de tekst van Exodus, we hebben het al gezegd, stijgt het gebed op, in geweeklaag en gejammer, en Jesus is daarvan de belichaming! Maar dat  opstijgen heeft ook zijn pendant, zijn tegenhanger in het afdalen want in Exodus staat ook geschreven hoe God zegt tot Moses in de gloed van het brandende braambos: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking van Mijn volk dat in Egypte is, Ik heb hun geschrei gehoord vanwege de slavendrijvers, want Ik heb hun smarten gekend, daarom ben Ik neergedaald om het volk te bevrijden uit de hand van de Egyptenaren, en het doen opstijgen uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land dat overvloeit van melk en honing ...... (Ex 3,7 - 8) Zo horen we ook hoe Jesus’ bevrijding uit de dood gelezen kan worden, gehoord kan worden met de woorden van het verhaal van Pasen, juist met de woorden van Pasen zoals dat in exodus, het boek van de uittocht beschreven staat. Maar in dat verhaal horen we ook het belangrijke woord daarom ben Ik afgedaald. Het is het woord dat bij uitstek met Pinksteren mag worden gehoord. God daalt neer, Zijn Geest daalt neer. Dat neerdalen kan alleen maar zo geschreven worden ter wille van de bevrijding, de Geest daalt alleen maar neer om de bevrijding van Godswege te bezegelen. Wij zijn  zo gewend te spreken van de vrijheid van de kinderen Gods, dan mogen we wel beseffen dat die vrijheid die vrijheid is die met Pasen ons ten deel gevallen is. De Geest daalt neer opdat wij dat innig en innig mogen beseffen en kunnen beseffen.  Tot onze troost zal Paulus het zo schrijven: wij weten niet eens hoe wij bidden moeten, dat wil zeggen, wij kennen niet eens ten volle de weg van het gebed des Heren, de weg van het gebed van Jesus zelf. Wij weten niet eens wat het beduidt dat wij die weg van het gebed des Heren kunnen gaan. Het is de Heiligende Geest, zegt Paulus, die in ons hart spreekt met onuitsprekelijke verzuchtingen, die in ons bidt, en stamelt Abba, vader ... (vgl. Rom 8,26).  Maar laten we dan wel beseffen dat het die Vader is die Jesus ut de strikken van de dood heeft bevrijd, die Zijn Zoon bevrijd heeft uit de slavernij van Egypte. Maar hoe dikwijls lijkt het er niet opdat wij ons niet willen laten bevrijden, dat het voor ons zo moeilijk is om als bevrijde mensen door het leven te gaan!

 

Als wij zo bevrijd zijn, hebben wij die heiligende Geest zeer van node. Want op die weg naar het veelbelovende land hebben wij het nodig dat we de goede woorden kennen, die wij moeten kennen om het spoor niet bijster te raken. Wij moeten de woorden horen in onze eigen taal, we moeten die woorden koesteren in onze eigen tongval. Het is niet voldoende om gedoopt te zijn met het doopsel van Joannes. We moge ook weten dat we met dat doopsel van Joannes gedoopt zijn om te mogen weten dat er iemand na hem komt, die groter en sterker is dan hij. Hij zal dopen met vuur en heilige Geest. Heel nuchter kunnen we opmerken dat de Kerk sinds eeuwen doopt met water. De vraag mag daarom gesteld worden, en waar blijft nu de doop met de heilige Geest, de doop met vuur en vurigheid? Wij zijn gedoopt met water om precies die vraag te mogen stellen, dag in  dag uit. Wij mogen de vraag stellen wanneer komt nu eindelijk die doop met vuur en heilige Geest, die doop met vuur en Geest die ons alles in herinnering zal roepen, alles ... tot vreugde van elkaar: zo geve God.

 

Am*dam 27 mei 1998

© Ben Hemelsoet

 

 

 

 

5de Zondag na Pasen - 6de Zondag van Pasen

Purmerend 17 mei 1998

 

Handelingen 15,1-2. 22-29

Joannes 14,23-29

 

Sinds de liturgiehervorming van Vaticanum II tellen we niet meer de Zondagen na Pasen, maar heten de Zondagen tussen Pasen en Pinksteren: de Zondagen van Pasen. Zeven zondagen lang gedenken we het feest van de bevrijding uit de duisternis, gedenken wij de bevrijding uit de duisternis van de slavernij, de bevrijding uit de slavernij van de dood. Daarom hoeft het ook geen verwondering te wekken dat we op deze zondagen lezen uit de afscheidsredenen van Jesus, die weet dat Zijn uur op handen is ... Dat gedenken we, unde et memores ....zoals telkenmale gezegd wordt als de eucharistie gevierd wordt, dat Paasmaal in kort bestek, de bevrijding op een liturgische wijze geconcentreerd. Wij gedenken: en daarom verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt. Merkwaardig dat in de verklaring van het Vaticaan, aangaande de Shoa, er geen enkele verwijzing gemaakt wordt naar dat gedenken dat de zin is, de betekenis van het samenkomen van onze gemeenschap van week tot week .... In dat gedenken van de dood van Jesus lezen wij vandaag ook de woorden die Jesus heeft gezegd met die dood voor ogen. We horen hoe Hij zegt: indien iemand  Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren. Met dit woord van Jesus weten we blijkbaar niet goed raad, we weten niet goed hoe we dit woord bewaren moeten weergeven in onze taal. Er wordt vertaald ter harte nemen, of zich aan Zijn woord houden. En om het zogenaamd duidelijker te maken wordt er vertaald: wie Mij liefheeft zal zich aan Mijn woorden (meervoud) houden .... We kennen  de uitdrukking, - inderdaad , - wanneer er geschreven wordt zich houden aan de voorschriften des Heren, als we ons  moeten houden aan de voorschriften van Pasen, aan de liturgie van de bevrijding (vgl. Ex 12,17), we kennen de uitdrukking als Jesus bij Mattheüs zegt indien gij het eeuwig leven wilt binnengaan, houd de geboden (Matt 19, 17). Maar zo staat het geschreven in het boek Deuteronomium: Nu, Israël, hoor naar de inzettingen en de rechten die Ik u leer te doen, opdat gij leeft, en henen komt en het land beërft, dat de Heer, de God van uw vaderen geeft. Gij zult tot dit woord (enkelvoud), dat Ik u gebiede, niet toedoen, noch afdoen, opdat gij bewaart de geboden van de Heer uw God! (Deut 4,2 -3).  Als we dit horen, kunnen we wellicht bepeinzen waarom Joannes hier Jesus het enkelvoud Mijn woord in de mond legt. Het zoude voor hem toch ook een klein kunstje zijn geweest om hier het meervoud woorden te schrijven? Maar we weten hoe Joannes zijn evangelie is begonnen, hoe hoog hij inzet: In den beginnen was het woord, en woord was bij God, op God gericht, en God was het woord .... En even verder horen we in het eerste hoofdstuk van Joannes: en het woord geschiedde, tastbaar, even broos als tastbaar: vlees. Om in de verbeelding van de taal van Joannes te blijven, te verwijlen in hetgeen hij zegt, moeten we ook die laatste zin niet te snel vertalen met: en het Woord is vlees geworden Op dat woord geschieden mogen we alle nadruk eggen, want het gaat immers om de geschiedenis van het Woord. Het Woord geschiedt. Gods beloften, Gods toezeggingen maken geschiedenis, Gods beloften blijken betrouwbaar te zijn. De heerlijkheid van Gods betrouwbare woord, mogen wij aanschouwen in Jesus die, de bevrijder, die zo de geschiedenis Gods maakt te midden van ons. Daaraan mogen wij denken als we vandaag horen dat Jesus zegt: wie zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren. dat wil ook zeggen degene die Jesus liefheeft zal de beloften Gods die in hem belichaamd zijn, koesteren en bewaren. Zo iemand Mij liefheeft zal diegene de vervulling va die belofte koesteren en bewaren, zal leven vanuit die bevrijding. Hij/zij zal leven vanuit de bevrijdende overwinning die met Pasen ons deel geworden is. Zo zullen we mogen horen, in vertrouwen, in alle vertrouwen: Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypteland heeft bevrijd, die u heeft bevrijd uit de duisternis. We zijn bevrijd, en daarom hoeven we het slavenuk niet meer te dragen: wij zijn bevrijd ... We hoeven niet teug te verlangen naar de vleespotten van Egypte, we hoeven niet meer te roerem in die ronkende potten, in die kolkende ketels. We hoeven ons niet meer af te vragen hoe wij in die ellende terecht zijn gekomen, want de Heer heeft ons bevrijd. Wij zijn van die mensen die een bizarre nieuwsgierigheid koesteren. Wij willen weten hoe wij in die poel van verderf terecht zijn gekomen. Wij hebben die bizarre phantaisie zo gekoesterd dat  we menen Gods barmhartigheid af te kunnen meten naar onze ellende ... Maar zo spreekt de lieve Heer nooit ente nimmer. Het enige wat wij horen is: Ik heb jullie bevrijd. Maar vele malen vallen terug, willen we het niet waar hebben dat God ons heeft bevrijd. Een Duitse filosoof heeft ooit gezegd: als die Christenen er eens een beetje bevrijder uit zouden willen zien; en een franse romancier merkt op: als ik die christenen zie, kan ik ternauwernood geloven dat Jesus gezegd heeft: gij zijt het zout der aarde; het lijkt erop alsof Hij heeft gezegd dat christenen het azijn der aarde zouden moeten zijn, ze kijken zo zuur .... We nemen ternauwernood serieus hetgeen volgt in het evangelie na zo iemand Mij liefheeft, en Mijn Woord, Mijn vervulde belofte koestert, dan zal ook Mijn Vader hem/haar beminnen, en wij zullen tot hem, tot haar komen, en wij zullen woning maken bij hem, bij haar. Dank zij de bevrijding wil God woning maken bij ons. HIJ woont bij ons!  Maar wie Mij niet liefheeft, die koestert  Mijn woorden niet.  Merk op: hier gebruikt Joannes het meervoud, hier schrijft hij woorden in het meervoud. Als wij Jesus niet liefhebben dan versnippert het Woord enkelvoud, eenvoudig in een veelheid van woorden, dan zien wij door de bomen het bos niet meer, dan kiezen wij uit wat ons past, we maken een selectie, en raken het zicht op het bevrijdende woord kwijt, en derhalve ook het zicht op Jesus.  De samenhang glipt tussen onze vingers door, we hebben er geen greep meer op. Wat we dan zogenaamd verslijten voor het Woord van Jesus is Zijn woord allang niet meer. En Jesus voegt er ten overvloed aan toe: dat ene Woord is het Mijne niet, maar is de toezegging, de belofte, het Woord van de Vader ie Mij gezonden heeft.

 

Als het allemaal wat moeilijk lijkt, als het u allemaal wat duizelt, omdat de eenvoud door ons voor moeilijk wordt versleten, kunnen we ons troosten met hetgeen volgt. De Trooster, de heiligende Geest zal de Vader zenden. Hij zal u alles leren, en Hij zal u indachtig maken alles wat Ik heb gezegd Hij zal ons allen heiligen, geheiligd maken in Gods ogen, omdat Hij ons alles in herinnering zal brengen wat Jesus heeft gesproken. Niets zal aan onze herinnering ontsnappen als wij ons willen laten leiden door die heiligende Geest, die Vertrooster. De heilige Geest is degene die ons troost, op die trooster, op die troost kunnen wij een beroep doen. Paulus zal het in de brief aan de Romeinen zo zeggen. Nadat hij gezegd heeft dat we ons nergens op moeten laten voorstaan, dat we niet beter overons zelf moeten denken dan over anderen, dat wij anderen niet mogen kleineren, er niet onder mogen houden, dat wij niemand mogen onderdrukken., omdat dat nu precies tegen de Blijde Boodschap in gaat dat God Koning is, en dat derhalve onze eigen Koning geen victorie kan kraaien  ... Paulus zegt: wij die sterk zijn, die menen sterker te zijn dan degenen die wij als zwakken beschouwen, - wij die sterk zijn, zijn verplicht om de zwakheid van degenen die in onze ogen nog niet zo sterk zijn te dragen en te verdragen. Daarom kan niemand, mag niemand van ons zichzelf behagen. Iedere Ieder van ons moet zijn naaste behagen ten goede, tot stichting! Want ook Christus heeft zichzelf niet behaagd, Hij heeft zich nergens op laten voorstaan, maar gelijk geschreven staat: de smaad van degenen die U smaden o Heer, zijn op Mij gevallen. Want alles wat tevoren opgeschreven is, als programma is gegeven, dat is tot onze onderrichting als programma gegeven, opdat wij door geduld, en de vertroosting der schrift, hoop zouden hebben   ... (Rom 15,1 - 4) Wij zijn derhalve niet als degenen die geen hoop hebben, dank zij onze Vertrooster, dank zij de Vertroosting van de Schriften, dank zij onze eendracht, dank zij onze eensgezindheid ...

 

Over die eensgezindheid gaat de lezing van Handelingen. In de eerste jaren na Pinksteren weten de eerste volgelingen van Jesus nog niet goed hoe alles verder moet: er zijn immers Joden en heidenen, net als nu. Hoe kunnen de volgelingen van Jesus uit de Joden en de volgelingen van Jesus uit de heidenen eendrachtig eensgezind als broeders en zusters samenleven? Moeten de volgelingen van Jezus uit de heidenen alle voorschriften van Joden nauwgezet volgen, moeten de heidenen geen respect tonen voor de Joden aan wie belofte zijn toevertrouw, en het onderricht .... Wie ietwat weet van de verhouding Joden heidenen/christenen, met name in ons tijdsgewricht, weet dat daaraan nog wel het een en ander schort, - om het heel bescheidenlijk te zeggen  ... Maar hoe zouden die Joden en heidenen met elkaar aan tafel kunnen gaan, hoe zouden zij samen eucharistie kunnen vieren, als de zaken zo toegespitst, zo op scherp worden gespeeld. De oplossing is van het concilie van Jerusalem; de volgelingen van Jezus uit de heiden zouden geen aanstootgevend gevend voedsel aan hun Joods geloofsgenoten voorstellen, zodat zij gastvrij zouden kunnen worden onthaald, ook in huizen niet van joodse afkomst. Er is geen scheidsmuur tussen Joden en heidenen, want Christus heeft die scheidsmuur afgebroken, - Hij heeft niet nog ergens een klein muurtje laten staan, waarachter wij ons veilig zouden kunnen voelen! Christus heeft niet iets apart voor ons, christenen uit de heidenen apart gezet, zodat wij ons veilig, onder ons, zouden kunnen voelen .... Wij weten wat er in de loop van de geschieden is is gebeurd, in onze dagen.  Wij mogen ons laten leiden door de Geest van vertroosting, door de heiligende Geest die de schriften heeft geïnspireerd, en die maakt dat de schriften  inspirerend kunnen zijn, op een onvermoede wijze, vol van phantaisie en verrukking, vol van onvermoede schoonheid: zo geve God!

 

Am*dam 13 mei 1998

© Ben Hemelsoet

 

 

 

 

 

 

 

Sloten, Heilige Pancratius,

zevende Zondag van Pasen, 24 mei 1998

 

Handelingen 7,55-60

Joannes 17,20 – 26

 

Vandaag horen we voorlezen uit de Handelingen van de Apostelen. We horen het slot van de rede van Stephanus, en we kunnen ons afvragen waarom het slot van die rede vandaag tussen Hemelvaart en Pinksteren in os leesrooster is opgenomen. Het feest van Stephanus wordt gevierd op 26 december, bij ons bekend als tweede Kerstdag. Zijn feest wordt gevierd in het aardeduister van de winter, in de dagen dat de Synagoge het Chanoekafeest viert, de hernieuwde inwijding van de tempel na de donkere jaren van vervolging, na de uitzichtloze dagen van de onderdrukking, na de glorierijke strijd van Maccabese broeders, maar ten koste van hoeveel martelaren .... Op dat Chanoekafeest komt de inzet van de Maccabese strijd aan de orde, wordt de overwinning in die strijd in gedachtenisgehouden. Het zijn themata die ook in de rede van Stephanus aan de orde worden gesteld. De lotgevallen van de heilige plaats (Hand 6,13), de tent der getuigenis (Hand 7,44) en het huis des heren (Hand 7,47). Stephanus snijdt die vraag toe, en indringend vraagt hij wat zeggen we als we spreken van het huis des Heren. Hoe gemakkelijk kunnen we het huis des Heren verslijten als een pronkstuk waaruit de ziel verdwenen is, als een leeg huis zonder hart. De apostel zal dan ook van e huis spreken bestaande uit levende stenen. De vraag is niet hoe goed ons gebouw er voorstaat, of het al of niet op de monumentenlijst zal komen, maar hoe wel gevoegd is naar Bijbelse snit, hoe wel samengevoegd in broederlijke eendracht, hoe wel gechabberd, gelijk de psalm (Ps 122, 3). Het evangelie van Joannes spreekt ook over dat feest van Chanoeka. Jesus, de Zoon van David, wandelt in de zuilengang van Salomo, de zoon van David. De Joden omringen Hem, omsingelen hem, en willen Hem in het nauw drijven. En zij stellen de intrigerende vraag: hoelang houdt gij ons nog in spanning, als Gij de Messias zijt zeg het ons openlijk ... Laten wij niet te gemakkelijk zeggen dat wij deze spanning al hebben overwonnen, dat wij die vraag van de Joden alleen maar als een historisch curiosum kunnen beschouwen, want die vraag wordt gesteld door de Joden juist met het oog o de vernieuwing van het heiligdom. Dat heiligdom waarvan Stephanus zal zeggen dat het niet met handen gemaakt is, en waarvan de apostel zegt dat het heiligdom uit levende stenen is opgebouwd.  Het is immer het groet misverstand: waar kunnen we houvast vinden, waar vinden we beschutting en zekerheid. Stephanus houdt zijn aandacht, houdt zijn Blik gericht op de komst van de Rechtvaardige, degene die door God gerechtvaardigd zal worden. En Stephanus besluit, gij die het onderricht door bemiddeling van engelen hebt ontvangen, gij hebt dat onderricht niet gekoesterd! (Hand 7,53). laten wij bescheidenlijk opmerken dat wij., die geen Joden zijn, evenmin dat onderricht van Moses en de Profeten hebben gekoesterd; zacht gezegd: we plegen nog nonchalant, nogal slordig met de schriften om te gaan ...

 

Maar dit verwijt, dat zij het onderricht net hebben gekoesterd nemen de toehoorders van Stephanus hem hoogst kwalijk. (Hoe doen wij als we dit horen ....) Maar Stephanus vol van  de heilige Geest, houdt zijn ogen gerecht naar de hemel, en hij ziet de heerlijkheid Gods, en Jesus staande aan de rechterhand Gods. En hij zegt: Ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des Mensen staande ter rechterhand Gods.  Een vreemde gewaarwording waarvan de hoorder van deze tekst deelgenoot gemaakt wordt. Lucas laat ons horen wat Stephanus ziet, maar tegelijkertijd laat hij ons horen hoe Stephanus het zegt. Lucas zegt dat Stephanus Jesus ziet staan de rechterhand Gods,  en Lucas laat Stephanus dat hij ziet de Zoon des Mensen aan de rechterhand van God.  Zo horen wij ineens, onverwacht die mysterieuze titel van de Zoon des Mensen! Waarom gebruikt Lucas hier de Naam “Zoon des Mensen” waar, - zo denken wij, - de Naam van Jesus meer dan voldoende zou zijn geweest, zo niet de Naam Zoon van God? Het zijn wel de woorden van Stephanus vlak voor hij de marteldood sterft, vlak voor hij wordt gestenigd. Stephanus ziet de hemelen geopend, en wie denkt niet aan hetgeen geschreven staat als Jesus op het punt staat het veelbelovende land te betreden, wanneer Hij gedoopt wordt in de Jordaan, wanneer hij de grensrivier overschrijdt? Ook dan ziet Jesus de hemelen geopend, en de vervulling van het veelbelovende land, de komst van het Koninkrijk is nabij gekomen at hand. De doop en de dood reiken elkander hier de hand, de bevrijding betekend door de doop, betekent ook de bevrijding van Stephanus uit de ellende die zijn belagers hem aandoen, mensen van de duisternis waar geween is en gekars van tanden, want staat er niet geschreven dat zij de tanden tegen hem knarsten? Op dit moment ziet Stephanus de Zoon des Mensen staan, opgericht, staande ten oordeel. Maar de vraag blijft waarom hier de Zoon des Mensen, en wat beduidt die merkwaardige titel, die onze  vroomheid ternauwernood een rol speelt?  Zoon des Mensen, zou eenvoudig weg de vertaling kunnen zijn van Zoon van Adam; maar welke Zoon van Adam komt dan in aanmerking, er zijn er immers zo veel! Zoon van Adam, we mogen denken aan die Zoon van Adam die wij Abel noemen, schim en schaduw, zonder waarde en vergeefs, eerste slachtoffer van broedermoord. ademtocht. Vanaf Abel zal de broedermoord heersen op de aarde; vanaf Abel is er ene bloedspoor op de aarde getrokken, en ook Jesus zelf zal het slachtoffer worden van broedermoord, ten laatste opdat er eindelijk, ten einde raad, een einde komt aan al dat moorden .... God wil niet dat dat onschuldig bloed ongewroken blijft, want het kan niet waar zijn dat de machthebbers het laatste woord zullen hebben. God heeft het laatste woord! HIJ zal dat rechtvaardigen, Hij zal Jesus’s dood  rechtvaardigen als de Zoon des Mensen in heerlijkheid, Hij zal Hem een plaats geven aan Zijn rechterhand, en Hij zal oordelen de levenden en de doden! Dat ziet Stephanus als hem een  blik wordt gegund in  het heiligdom van de hemelen. Op de achtergrond horen wij hoe de psalm gezongen wordt:

O Heer, wat is de mens dat gij hem gedenkt,

de Zoon des Mensen dat gij hem acht.

Deze mens is Abel, ijdelheid, gelijk

zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw ....

.........

Maar de psalm gaat door:

O God, ik zal u een nieuw lied zingen,

met de luit en het tiensnarig instrument zal ik u psalmzingen

Gij die de koningen de overwinning geeft

die Zijn knecht David de ontzet van het boze zwaard  (Psalm 144, 3-4. 9-10)

 

Want de overwinning wordt gevierd, de overwinning van Stephanus op zijn vijanden, en daarom draagt hij zijn            Stephanus, erekrans, welomkranst met ere. De tegenstanders willen niet horen van de Zoon des Mensen. Zij stoppen hun oren toe. Zij horenniet hoe Stephanus zich aanbeveelt aan Jesus, de Zoon des Mensen; en zij hebben ook niet gehoord  hoe hij gebeden heeft voor degenen die hem hebben gedood: Heer reken hun deze zonde niet toe ...

 

Waarom horen wij deze  moeilijke tekst als wij ook hebben voorlezen uit het evangelie, en even moeilijke tekst. Mogen zij allen één zijn .... één  gelijk gij Vader in Mij en ik in U. Dit is mysterieuze dan alleen maar een vrome bede, och dat het eens waar zou zijn dat we allemaal een zouden zijn Joden en heiden, en Christenen onderling - we zouden ons geen raad weten als dat morgen waar zou zijn.  Onze vermeende zekerheden zouden in duigen vallen, wij zouden niet eens eer weten waar we aan toe zouden zijn. En daarom zijn wij heimelijk misschien wel blij dat dat nog niet gaat gebeuren, zot maar waar ..... Maar de eenheid waarom Jesus bidt gaat nog verder, is nog indringende. Het is ermee als met de bede van het Onze Vader: uw wil geschiedde gelijkelijk  in de hemel en op de aarde, opdat het eindelijk waar mag zijn wat Jesus ons heeft toevertrouwd: Mij is alle macht gegeven inde hemel en op de aarde. Een hemel op aarde, niet een vrede die wij elkaar niet blijken te kunnen geven, maar de vrede die de voltooiing, die de verzoening betekent van hemelswege, met als hoogtepunt dat de scheidsmuur tussen Jood en heiden daadwerkelijk afgebroken, te niet gedaan blijkt. Dat kostbaar visioen koesteren wij met de eerste martelaar, dat visoen koesteren wij als wij van zondag tot zondag samenkomen, en elkander de vrede wensen, die de wereld niet geven kan. Biddend en hopend,  betrekken wij de wacht, en we wagen het te zingen: als wij dan eten van dit brood, en drinken uit deze beker verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt in heerlijkheid: zo geve God!

 

Am*dam 15 mei 1998

© Ben Hemelsoet

 

 

 

 

Pinksteren

Diemen,  31 mei 1998

Handelingen 2,1 – 11

Joannes 20, 19 – 23

 

 

Met Pinksteren willen we bekende klanken horen. Met Pinksteren willen we horen hoe de apostelen spreken van de grote weldaden Gods, en ook hoe allen in hun eigen tongval mogen horen, wat de heilige Geest hun ingaf te spreken. Maar over Pinksteren is gelukkig nog wel iets meer te zeggen dan dat! Beginnen we met de luttele regels die we vandaag uit het evangelie van Joannes mogen horen.  We mogen nog steeds horen dat het Pasen is, want aan de gedachtenis van Pasen komt geen einde! Pinksteren is de voltooiing van die bevrijding, een bevrijding die wij ons kunnen, mogen toeëigenen dank zij de zending van de heilige, de heiligende Geest. De heilige Geest zal ons immers alles in herinnering roepen aangaande Jesus. En zo beginnen wij vandaag weer: Op die dag zelfde dag, dag één van de week. Let wel er staat dag één van de week. Want zo herinnert de uitdrukking dag één van de week aan die dag één van de week van het eerste hoofdstuk van de schriften. Het is dag één van die wonderlijke week, dag één waarop God zegt: er zij licht. Vandaag mogen wij dat horen als dat wonderlijke licht van de heilige Geest, die de harten van de gelovigen verlicht, en in ons het vuur van Zijn liefde wekt. Op die dag één zijn de leerlingen  en de deuren zijn gesloten uit vrees voor de Joden, Jesus komt, en staat in het midden van Hem. Jesus is bevrijd, bevrijd uit de strikken van de dood, bevrijd uit de slavernij van de duisternis en de dood. Jesus zegt: vrede zij u! Dat is meer dan een gewone gebruikelijke groet. Jesus zelf is Zijn eigen groet, Paulus zal het immers zo verstaan dat hijzeggen kan: Jesus zelf is onze vrede, Hij is onze verzoening. Hij heeft de scheidsmuur tussen Joden en heidenen afgebroken. De gesloten deuren, uit vrees voor de Joden, blijken Jesus - daarom juist - niet te kunnen deren.  Jesus herhaalt Zijn groet: vrede zij u!  Als bezegeling van die vrede, kan Jesus zeggen: ontvangt de heilige Geest, en Jesus ademt over Zijn leerlingen: zo schept Hij de nieuwe mens! En Hij voegt eraan toe: Zoals de Vader Mij zendt zo zend ik u, wier zonden gij zult vergeven, die zijn zij vergeven. Het is te gemakkelijk om hierbij uitsluitend te denken aan het sacrament van de biecht. Niet dat het ongeoorloofd zou zijn om daaraan te denken, integendeel, maar er is meer aan de hand. In de evangeliën wordt de vergeving van de zonden in één adem genoemd met de doop, te beginnen met de doop van Joannes de Doper.  Zoals we weten, doopt Joannes in de Jordaan, hij doopt daar in die grensrivier, hij leidt de mensen door die grensrivier heen, en zo ontsluit hij door de mensen te dopen, door ze over te zetten, het veelbelovende land binnen. Door de mensen te dopen bevrijd hij hen van alle zonden die zij in de woestijn hebben gedaan. Dat zijn de zonden waarvan zij moeten worden bevrijd, het zijn de zonden van opstand tegen God, de zonden die samengebundeld worden, samen gelezen inde oproep uit de Psalm: heden, zo gij Mijn stem hoort, wilt uw harten niet verharden, gelijk te Massa en Meriba in de woestijn, daar hebben uw vaderen Mij op de proef gesteld, daar hebben zij immers de tartende vraag gesteld: is God wel in ons midden of niet .... toen moest Ik wel zweren: zij zullen niet ingaan in de rust van het veelbelovende land! Nu zegt Jesus tot Zijn leerlingen dat zij de vergeving van de zonden mogen verkondigen, dat is: zij mogen verkondigen dat de weg naar het veelbelovende land open ligt. De weg naar de vervulling van Gods beloften begaanbaar is, we hoeven niet langer te wanhopen, wij hebben toegang gekregen tot de vervulling van Gods beloften ....  In de traditie wordt op Pinksteren herdacht de gave van Gods onderricht op de berg Sinaï. Want daar, vanaf die berg, krijgen zij het vergezicht, horen zij het perspectief dat God schenken wilt aan al degenen die het met Hem willen wagen: Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypteland, uit de slavernij heb  bevrijd. Als jullie het Mij willen wagen, dan zullen jullie geen andere goden nodig hebben, en dan komen al die beloften Gods, die wij ten onrechte, alleen maar als geboden willen horen. God biedt ons aan dat wij zullen komen in een land waarin we niet meer zullen hoeven te roven en te stelen, niet meer hoeven te liegen en te bedriegen, een land waar we relaties zullen eren en respecteren, en waar van achterklap, en valse getuigenis geen sprake meer zal zijn. Kortom het is een opsomming van de beloften die God voor ons in petto heeft. Op de dag dat de gave van Gods beloften in Jerusalem wordt herdacht, mogen de apostelen verkondigen dat Gods grote gave, de vergeving van de zonden in de woestijn, de heiligende Geest ons is geschonken.  In het verlengde van die grote beloften kan het visioen van de profeet Jesaja in herinnering worden geroepen. Het zal geschieden, in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis des Heren zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvelen, en tot die berg zullen alle ook alle heidenen, alle niet-Joden, alle volkeren opstromen. En die vele volkeren zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg des Heren, tot het huis van de God van Jacob, opdat Hij ons lere van Zijn, en dat wij wandelen in Zijn paden, want uit Sion zal de wet uitgaan, en ‘s-Heren woord uit Jerusalem .... (Jes 2,2 v.v)  Met deze tekst van Jesaja in de oren, kunnen we begrijpen waarom het klassieke Pinksterverhaal uit de Handelingen van de Apostelen begint zoals het begint: Toen de dag van het Pinksterfeest vervuld was, waren zij allen bijeen, eendrachtelijk ..... Dat woord eendrachtelijk is een van de programmatische woorden van de handelingen van de Apostelen: zij waren bijeen, eendrachtiglijk. Deze eendacht is de befaamde  stilte die aan de storm van de heilige Geest voorafgaat. Die eendracht bepaalt de gemeenschap die zo programmatisch in de Handelingen staat beschreven. Zij bezaten alles gemeenschappelijk ..... Letterlijk alles!  Dan staat er ineens een hele merkwaardige zin in het verhaal. Er staat: er waren Joden, wonende  in Jerusalem, godvruchtige mannen van alle volk van degenen die onder de hemel zijn. Een merkwaardige zin, want wat hier staat hoeft toch geen verwondering te wekken. Als er  gestaan had: er waren Amsterdammers in Jerusalem, zou dat pas opmerkenswaardig zijn geweest. Maar Joden in Jerusalem, we hadden toch eigenlijk niets anders verwacht.  Maar krachtens de profeet zullen alle volkeren optrekken naar Jerusalem, en al die volkeren worden hier, voor Gods gemak samengevat als Joden, want Hij wil dat wij allemaal deel hebben aan de waardigheid van de kinderen Israëls. Zo hebben wij toch kunnen bidden in de Paasnacht, na de lezing die de gedachtenis levend houdt aan de doortocht door de Rode zee: O God, uw betrouwbare wonderen van oudsher, schitteren ook in onze dagen. Want gij toentertijd door uw machtige hand gedaan hebt, om uw eigen volk te bevrijden van de vervolging van de Pharao, doet gij nu door voor de bevrijding van alle volkeren door het bad van de wedergeboorte, neem de ganse wereld op onder de kinderen van Abraham en verhef allen tot de waardigheid van Israël- en dan te benken dat dit gebed ook in de duistere jaren van de Jodenvervolging alle jaren in de kerk heeft geklonken.  Wij krijgen deel aan de belofte die gedaan zijn aan Abraham en aan zijn zaad. Al die mensen, Joden en heidenen, worden hier onder een naam genoemd, Joden, godvruchtig van alle volkeren onder de aarde. Want Jesus heeft de vrede verkondigd, Hij heeft verzoening gebracht, en de scheidsmuur afgebroken tussen Joden en heidenen: Hij is onze vrede. Zo delen wij in  de uitverkiezing van Israël. Daarom staat er zo wonderbaarlijk dat eenieder de apostelen heeft kunnen verstaan in eigen tonval, in eigen dialect. Ook dat is geheimzinniger dan wij doorgaans denken. In alle nuchterheid kunnen we zeggen dat de apostelen daar in Jerusalem, voldoende hebben gehad aan het Hebreeuws alleen, hoogstens ietwat Grieks erbij. Maar er staat  meer: al die volkeren horen in hun eigen taal de apostelen verkondigen de grote daden Gods. Hier is weer zoiets aan de hand wat Lucas ook schrijft in het verhaal van de leerlingen van Emmaüs. In dat verhaal staat geschreven dat Jesus beginnende bij Moses en de Profeten hun de schriften verklaarde. Er staat niet bij welke tekst Jesus voor hen heel speciaal heeft uitgelegd. Zo staat hier ook niet welke wonderbaarlijke daad Gods de apostelen speciaal hebben verklaard. Maar er is meer: degenen die daar op het eerste Pinksterfeest in Jerusalem waren, waren godvruchtige mensen, Joden (!) uit alle volkeren onder de hemel. Zij waren vertrouwd met de grote feesten, zij waren vertrouwd met de Schriften, en op dat eerste Pinksterfeest hebben al degenen die in Jerusalem waren tot hun verbazing de woorden van de schriften, de grote daden Gods voor de eerste keer gehoord alsof ze die woorden nog nooit eerder hadden gehoord, die woorden klonken, de woorden van de wonderdaden Gods klonken zo onvoorstelbaar nieuw, woorden gedragen door die overweldigende kracht van de Geest. Ze zijn niet dronken van zoete wijn ....  Maar dit geschiedt volgens het visioen van Jesaja  op het laatste van de dagen. Geve Gods Geest dat wij ons gedragen weten door de die gloed van de Geest, dat wij de woorden kunnen horen als troostend perspectief, als verlokkende toekomst, vervulling van onze  bede: uw koninkrijk kome. Zo geve God!

 

Am*dam 21 mei 1998© Ben Hemelsoet

 

 

 geplaatst op het net door Jan Engelen, 2 juni 2008