Eerste Kerstdag 1998,
Diemen
Dagmis
Jesaja 52, 7 – 10
Hebraeën 1, 1 – 6
Kerstmis is vertrouwd van oudsher, we weten van de
geboorte van het Kind, en we horen hoe de engelen hebben gezongen, in de verte
naderen reeds de drie koningen, en we weten hoe Maria al deze woorden in haar
hart bewaard heeft, hoe zij de woorden overwogen heeft die haar door de herders
waren toevertrouwd. Maar wat dat laatste betreft, wordt dat ietwat moeilijker.
Veelal blijven wij staan bij de verwondering, bij de vertedering om de Moeder
en het Kind, het Goddelijk Kind, zoals
we zingen, maar hoe dat Kind door de schriften
wordt aangewezen, door de profeten wordt bezongen, hoe het Zijn plaats krijgt
in het Koninklijk huis van David, is doorgaans aan onze vrome aandacht onttrokken.
Hij die geboren is, is degene die getrouw zal zijn aan het onderricht van Moses
met heel Zijn hart, met heel Zijn ziel, en al Zijn krachten, die trouw en die
betrouwbaarheid maken zijn identiteit uit, die trouw en die betrouwbaarheid maken
dat Joannes Hem de woorden in de mond kan leggen: IK BEN de weg, de waarheid en het leven.
Dat ik is: IK BEN de betrouwbare weg die ten leven voert …. Zo is het
Woord van God temidden van ons geschiedenis geworden, zo is die belofte van God,
die toezegging Gods voor ons de mogelijkheid geworden tot echte geschiedenis,
en niet de zogenaamde geschiedenis van bombardementen en bombarie, van man en
macht, van hanig gedrag, van mannelijke ijdelheid … Want de beloften Gods geschieden
met stille overmacht. In het evangelie van vandaag horen we met grote innigheid,
waartoe dat Woord Gods in staat is, wat deze belofte van God te weeg kan brengen:
al degenen die deze belofte van god willen aannemen, al degenen die naar de vervulling
van die beloften reikhalzen heeft Hij het vermogen gegeven om kinderen van God
te worden, dat zij die in Zijn Naam geloven, in Gods Naam!! Zij
zijn niet uit de drift van het bloed, niet uit de hartstocht van het vlees, nog
uit de drift van een man, maar uit God geboren!
De evangelist heeft dit alleen maar kunnen schrijven, omdat hij het verhaal kende van Abraham en Sara, van
die wonderlijke geboorte van dat kind van belofte: de zoon van Abraham: Isaäk.
Omdat Abraham al zijn vertrouwen stelde op God, en niet op eigen kracht en vermogen.
En zo kwam Abraham tot zijn recht, maar ook zo zijn wij te weten gekomen hoe God
is, hoe God tot Zijn recht komt …. Als al degenen die in Zijn Naam geloven zich
an die Naam toevertrouwen.
In het evangelie van Joannes
staat een wonderlijke passage te lezen, uitermate geschikt om ook op de eerste
kerstdag te worden voorgelezen. “En het was het feest van de vernieuwing van de
tempel te Jerusalem, en het was winter; en Jesus wandelde in de tempel, in de
zuilengang van Salomo. En de Joden omringden Hem, en zeiden tot Hem: ‘Hoe lang
houdt gij ons nog in spanning? Indien gij de Messias zijt, zeg het ons vrijuit’”
(Joes 10,22 -24) Het feest van de inwijding van de tempel is het Chanoeka
feest. Het wordt tot in onze dagen in de synagoge, en in de Joodse huisgezinnen
gevierd acht dagen lang, te beginnen op de 25e van de wintermaand. Er worden geschenken gegeven, en iedere dag
wordt er een kaarsje meer aangestoken, zodat op de laatste dag van het feest,
er acht kaarsen branden. Dit feest gedenkt dat de tempel in Jerusalem weer in
ere werd hersteld, weer aan de eredienst kon worden teruggegeven na de gruwel
der verwoesting, nadat er gezongen moest worden; “O God, heidenen zijn gekomen
in Uw Erfdeel, zij hebben de tempel van Uw heiligheid ontheiligd; zij hebben Jerusalem
tot puinhopen gemaakt. Zij hebben de dode lichamen van uw knechten aan het gevogelte
des hemels tot spijs gegeven; het vlees van uw gunstgenoten aan het gedierte van het land ….” (Psalm 79,1
- 2) De Macchabaeën, de Macchabese broeders hebben die strijd gevoerd, Zij hebben
het joodse volk naar de overwinning geleid, en als door een wonder werd bij de
inwijding van de tempel het heilige vuur teruggevonden, en dat weêrgevonden vuur
brandde met hemelse gloed acht dagen lang. Het feest viert de weer in gebruik
name van de tempel, maar het verheerlijkt ook de dynastie van de Macchabaeën,
die aanspraak maakten op het koningschap van Israël. We zien het voor ons. We
begrijpen de onder- en de boventonen van de evangelist. Jesus, de Zoon van David,
wandelt op het feest van de dynastie in de feestelijk verlichte tempel, en het
was winter een tempel die zoals wij dat zouden zeggen: weer gezien mag worden!
Jesus wandelt in de zuilengang van Salomo. De evangelist vermeldt dit niet alleen
maar ten overvloed. We weten Salomo, de vredevorst is de zoon van de David, en
Jesus is de Zoon van David …. In deze entourage omringen de Joden Hem, en zij
stellen de spannende vraag. Hoe lang houd gij ons nog in spanning: als gij de
Messias zijt, zeg het ons openlijk …. Ook dit verhaal is niet geschreven opdat
wij aan de rand zouden kunnen blijven staan, als marginale figuren, al of niet
mild belangstellend, ietwat besmuikt, hoe zou Jesus dat er af brengen … Want ook
deze vraag mag ons niet gemakkelijk ter zijde plaatsen, alsof wij allang zouden
weten dat Jesus de Messias is, en alsof wij derhalve niet meer in spanning hoeven
te verkeren: voor ons is het immers gans en geheel helder!
Daarom lijkt het er af en toe veel (te veel!) op dat wij de vraag ternauwernood
toelaten: houdt Jesus, houdt de Messias ons nog in spanning? Of hebben wij dat in deposito gegeven, veilig
opgeslagen tegen brandgevaar en diefstal … Het evangelie van Joannes vervolgt:
“Jesus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, en gij hebt daarin geen vertrouwen:
de werken die Ik doe in de Naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij …. “ Dat
hebben we enkele dagen geleden ook nog gehoord, op de derde zondag van de advent,
toen Joannes in de kerker hoorde van de werken van de Messias, en hij geboeid
de vraag liet stellen: zijt Gij degene die komt, de komende, of hebben wij een
andere te verwachten? Zonder deze spannende
vraag kunnen wij onze belijdenis niet gestand doen. Hij is degene die wij verwachten,
maar ook wat verwachten wij, en hoe is onze verwachting gekleurd, en wat
zien onze buren ervan, onze familieleden,
onze landgenoten, waaraan merken de anderen dat wij naar Zijn stem horen?
Maar hoe zullen wij antwoord geven op deze grote vragen? We raken al in
verlegenheid als we deze vragen hardop horen (te?) stellen,
en we keren ons wellicht ietwat beschaamd af als deze vragen klinken. Maar toch deze vragen klinken, - hoelang nog
houdt gij ons nog in spanning, - in een feestelijk verlichte tempel, waar de vernieuwde
inwijding wordt gevierd. Zo komen we weer terug bij het evangelie van vandaag,
de lezing van de eerste kerstdag.
We kennen allemaal de bekende tekst, we hebben die
tekst ook onmiddellijk herkend: en het Woord is vlees geworden, en het heeft onder
ons gewoond …. vol van genade en betrouwbaarheid. We mogen opmerken dat er niet
zonder meer staat: en het woord is mens geworden. Dat wil ook zeggen het woord
van God, de toezegging van God, is tastbaar,
broos en teder, geschiedenis geworden. Dat wil ook zeggen die toezegging van God
maakt geschiedenis mogelijk, we hebben het al gezegd. Daarom houden wij vol spanning
de adem in, wanneer zullen we dat zien at de Gods belofte een geschiedenis realiseert
zoals we nog nooit hebben gezien: eindelijk, ten einde raad: vrede in het land,
vrede op de aarde onder de hemel! Ten overvloede,
als teken van overvloed voegt de evangelist er nog aan toe, en die vervulling
van Gods belofte, dat Woord heeft onder ons gewoond. Dat woord en het heeft onder
ons gewoond klinkt ietwat gewoontjes, te gewoontjes. In de tekst van Joannes staat
een zeer geheimzinnig woord! Het is een Grieks woord, maar als je even je bijbelse
phantaisie laat gaan denk je dat je een Hebreeuws woord leest. En ineens hoor
je de verre klanken van de bouw van de tabernakel, van de verbondstent, en je
hoort de klanken hoe God temidden van Zijn volk wil wonen, als degene die met
de wolk van Zijn heerlijkheid bezit genomen heeft van de tent van het verbond.
“Toen bedekte de tent der samenkomst, en de heerlijkheid des Heren vervuld de
tent van het verbond … “ (Ex 40,34) Zo,
in die aanwezigheid wil de belofte Gods aan ons geschieden, zo wil Hij aanwezig
zijn. Het merkwaardige woord dat hier staat, betekent letterlijk: en Hij sloeg
Zijn tent onder ons op. Het moge duidelijk zijn, het gaat hier niet om een bungalowtent,
of een vouwcaravan. Het gaat om het geheim van de aanwezigheid van God in Zijn
heiligdom, in de tent van het verbond in de woestijn, om het hartsgeheim van de
tempel in Jerusalem. Daarom heeft Joannes het verhaal verteld van het inwijdingsfeest
midden in de winter. Joannes heeft het ons verteld, om ons woorden te reiken,
ons van bijbelse beelden te voorzien die het ons mogelijk maken te peinzen hoe
de lieve Heer bij ons zijn intrek heeft willen nemen, hoe de Hij bij ons heeft
willen wonen, en hoe wij Hem plaats bereiden, want God troont op de tempelzangen
van Israël, Hij troont op de psalmen die worden aangeheven …
Met Kerstmis mogen we verder peinzen, mogen we doordringen
in Gods geheim met ons. Want er is meer dan alleen de ontroerende zang: er is
een kindeke geboren op aard’. We moge
ook horen: en het Woord, Gods belofte is in het vlees geschied, geschiedenis
geworden, en Hij heeft bij ons Zijn verbondstent opgeslagen, een woonst als teken
van Gods verbond met ons, in levende lijve!. Wij
hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, de Heerlijkheid van de eniggeborene van den
Vader. Hij is vervuld van genade en trouw, van genaderijke betrouwbaarheid. Zo
wensen wij elkander van harte een zalig Kerstmis, in
vertrouwen op de betrouwbare belofte van God!
Zo geve ons God!
Am*dam 22 december 1998
© Ben Hemelsoet
Tweede zondag na Epiphanie
Diemen 17 januari 1999
Jesaja 49, 3 + 5 – 6
1 Kor 1, 1- 3
We blijven nog in de omgeving van de Joannes, we horen een gedeelte van zijn getuigenis. De
Joden uit Jerusalem hebben priesters en Levieten gezonden om hem te vragen: wie
zijt gij? Hij heeft geantwoord: Ik ben de stem van een die roept in de woestijn,
maakt recht de weg des Heren, gelijk Jesaja de profeet heeft gezegd. Pharisaeën
hebben hem de vraag gesteld: Waarom doopt gij dan, als gij de Messias niet zijt,
noch Elia, noch de Profeet? Joannes antwoordde hun, zeggende:
“Ik doop met water maar Hij staat midden onder u die gij niet kent. Hij
is het die na mij komt, die voor mij geworden is. Ik ben niet waardig om Zijn
schoenriem te ontbinden. Deze dingen zijn geschied in Bethanië, over de Jordaan,
waar Joannes toen doopte. Daar zet de lezing van vandaag in. Maar allereerst mogen,
en moeten we weten, dat wat aan de lezing van vandaag voorafgaat ons tot de orde
roept. Tot een hemelse orde. Ook als we dit horen we niet denken dat de woorden
van Joannes niet tot ons gericht zouden zijn. Midden onder u staat Hij die gij
niet kent …. Wij kunnen niet doen alsof dat niet voor ons zoude gelden. Alsof
wij allang zouden weten wie Hij is. Om daar vragen bij te stellen is het voldoende om aan het woord van Jesus te herinneren:
wat gij aan de minste van Mijn broeders gedaan hebt, hebt gij aan Mij gedaan.
De toetssteen waaraan wij kunnen herkennen of wij Jesus (willen) herkennen of
niet is immers of wij Hem willen herkennen in de minste van Zijn broeders! Met
deze spanning in onze oren kunnen we verder lezen in het evangelie van Joannes.
Want deze vooronderstelling van Jesus en de minste van Zijn broeders hoort bij
de vooronderstelling van onze gemeenschap. We staan nog in Bethanië, aan de overzijde
van de Jordaan, de grensrivier. Bethanië betekent het huis van de arme, het huis
van de berooiden, het armenhuis. We staan aan de overzijde van de Jordaan, we
zijn derhalve nog niet binnengegaan in het veelbelovende land, arm en haveloos
als we zijn. Ook die plaatsaanduiding is
niet te verwaarlozen aanwijzing die we in alle opzichten ernstig moeten nemen.
En zo vervolgt Joannes de evangelist: “De volgende dag zag Joannes Jesus tot zich
komen ….” Joannes zegt: “Zie, het lam
Gods dat de zonden der wereld wegneemt, dat de zonde der wereld wegdraagt”.
Ook hier moeten we alle aandacht aan de tekst geven. Joannes zegt niet:
“ziedaar - eindelijk - degene die jullie nog niet kennen”.
Zo blijkt dat “Hij die na Joannes komt” niet zonder meer Jesus is. Hij
is het lam Gods. Onze vrome phantaisie heeft er veel over nagedacht, we danken
er het lied aan van Jesus en Sint Janneke, die speelden met hun lammeken. Maar
er is hier meer in het geding dan kinderspel. Schilders hebben het geweten. Zij
hebben Sint Jan afgebeeld met een lam al of niet in zijn armen. Er zijn schilders
die Joannes een plaats gegeven hebben bij de aanbidding van het kind in de stal
van Bethlehem. De kleine Joannes knielt
op de plaats van Joseph; Joannes heeft een wat ouwelijk gezicht, zijn hoofd iets
te groot. Maar onder zijn mantel draagt hij een klein kemelsharen hemd! Joannes
de Doper is ook geschilderd onder het kruis van Jesus, want daar onder het kruis
kan hij met recht en reden, met grote vinger, wijzen op de het lam Gods dat de zonden van
de wereld wegdraagt. Nee, het lied van Jesus en Sint Janneke
is toch iets te klein voor de grote figuur die Joannes is. Maar als Joannes zo
spreekt van het lam Gods dan heeft hij
niet een vredige pastorale, een vredig herderstafereel op het oog. Hij spreekt
van het Lam Gods. Dat lam kennen we uit de profeet. In Jesaja staat het zo geschreven:
“Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor
zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open” (Jes 53,7) Dat lam waar de profeet
van spreekt is het lam Gods, en Joannes voegt er aan toe, ter verklaring, ter
verduidelijking Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt, wegdraagt … hebben de mensen die daar stonden dat allemaal,
ineens, kunnen bevatten? Maar dat is geen goede vraag. Zo’n vraag zoude kunnen
beduiden dat wij ons mogen verontschuldigen, dat wij geen moeite zouden hoeven
doen om te begrijpen wat de evangelist ons hier allemaal zegt. Die eerste toehoorders
van Joannes hebben het immers ook niet
helemaal begrepen! Wij echter, die de schriften kennen, wij die weten dat Jesus
opgewekt is uit de doden volgens de schriften kunnen het minstens vermoeden!
Want als wij dit evangelie horen, worden we toch verondersteld van Jesus’
dood en opwekking uit de doden gehoord te hebben. Dat is immers de vooronderstelling
van ons samenzijn, ook vandaag, de vooronderstelling van onze gemeenschap. Zo horen wij vandaag al, moeten wij vandaag
al horen het wondere perspectief van Pasen,
het perspectief van het Paaslam. Dat komt allemaal na Joannes, Hij komt na Joannes,
dat Lam Gods komt na Joannes, want daarop is het geheel van de schriften gericht.
Alles wat geschreven staat is op de bevrijding uit de duisternis gericht,
bevrijding uit de duisternis van de slavernij, bevrijding uit de duisternis van
Egypte, bevrijding uit de duisternis van de dood.
Joannes vervolgt: “Ook ik kende Hem niet ….”. Het is ietwat flauw om u
op te merken, maar Jesus en Sint Jan waren toch familie van elkaar, neven? De
evangelist Joannes weet daar niets van. Familiebanden geven geen rechten als het
om hemelse kennis gaat. Joannes is niet gekomen om Hem te herkennen! Hij die aan Joannes de opdracht gegeven had
om te dopen met water, om de wacht te betrekken bij de grenspost, bij de Jordaan,
Hij had Joannes daar bij dat armenhuis geplaatst om Hem aan Israël te openbaren
…. Joannes moet dopen. En dan schrijft Joannes
op een wonderlijke manier: op wie ook gij de Geest zult zien neerdalen
en daarop blijven, deze is het die dopen zal met de heilige Geest. Joannes weet het derhalve op voorhand nog niet
wie de dopeling zal zijn, die dopen zal met heilige Geest. Want ook Joannes weet
niet wie het al zijn, hij kent Hem niet. En daarom kan het zo geheimzinnig luiden
op wie ook …. Voor Joannes had het nog
iedereen kunnen zijn die zich aanbood om door hem gedoopt te worden. Het is dienstig
dat wij ons dat goed realiseren. Er zijn er nog velen die denken dat Jesus eigenlijk
niet gedoopt had hoeven worden. Te veel maken wij de doop van Jesus afhankelijk
van de doop die we zelf hebben ontvangen. Maar uit dit verhaal van de evangelist
Joannes blijkt overduidelijk dat als Jesus niet
gedoopt zou zijn door Joannes in de Jordaan, Hij niet aan Israël zoude zijn geopenbaard! Dat laatste schiet er bij ons menigmaal wat
bij in. Wij zijn (te) gewend geraakt om
over (!) Jesus te spreken los van Israël, een Jesus losgemaakt, losgeweekt van
Zijn volk Israël, een Jesus losgezongen van de belofte gedaan aan de aartsvaders
Abraham, Isaäk en Jacob! Dan komt de slotzin
van het evangelie van vandaag: Ik heb het gezien, en ik heb mogen getuigen, dat
deze is de Zoon van God… Ook deze zin moeten we met devote aandacht horen.
We kunnen niet te gemakkelijk zeggen dat na al de moeilijke tournures van
het evangelie van deze zondag we eindelijk ons weer op bekend terrein bevinden.
Alsof we nu ten laatste weer zouden weten waar Joannes het over heeft. We weten
zogenaamd allemaal allang dat Jesus is de Zoon van God?! Maar we moeten ook hier
wel beseffen dat we uit het evangelie van Joannes lezen, en niet uit een ons al
of niet bekende Katechismus. De Zoon van God moet allereerst als een Bijbelse
uitdrukking worden verstaan, de uitdrukking moet worden verstaan in het verband
van Jesus’ doop. We herinneren er nogmaals aan dat Jesus wordt gedoopt temidden
van vele anderen, en wel te Bethanië, het armenhuis, aan de overkant van de Jordaan.
Daar op die plaats wachten de menigten om door Joannes overgezet te worden, door
het water heen te worden getrokken om zo het veelbelovende land te kunnen
betreden, om zo deel te hebben aan de beloften die God aan Zijn volk Israël
heeft toegezegd. In dat land aangekomen, zal met recht en reden
gezegd en beleden kunnen worden: wij waren slaven in Egypte. En daarom door het
water heengegaan, door de Jordaan heen,
kan in volle glorie met een beroep op Gods beloften worden beleden: uit Egypte
heb Ik Mijn Zoon geroepen…. Door gedoopt
worden door Joannes heeft Jesus in de Jordaan
alle zonden van Zijn volk afgewist zoals een oude antiphoon het nog immer zingt.
Als we ons het verhaal van de drie heilige koningen herinneren, weten wat
er allemaal in dit verhaal aan te pas moet komen om de geboren koning van de Joden
uit de handen van de wrede koning Herodes te redden. Engelen moeten dromen binnengaan,
moeten optreden in die van Joseph, de drie heilige koningen moeten van godswege
worden gewaarschuwd, en Joseph moet het kind nemen en zijn moeder. Hij moet de
wijk nemen naar Egypte. Heel dit verhaal is er uiteindelijk op gericht dat Mattheüs
die wonderlijke zin kan schrijven: dit is geschied opdat vervuld zou worden wat
geschreven is door de profeet: uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen ….
Daar ligt de oorsprong van het spreken over de Zoon van God, de geboren
koning van de Joden, de zoon van David, de Zoon van Abraham, die gered is uit
de duisternis van Egypte, uit de duisternis van de slavernij, uiteindelijk uit
de slavernij van de duisternis van de dood! Zo getuigt ook Joannes van deze zoon.
Zoals Hij het lam Gods is, zo is Hij ook DE ZOON VAN GOD, daarom onze leidsman,
onze hertog, de betrouwbare weg te leven: zo geve God ….
Am*dam,14 januari 1999
© Ben Hemelsoet
Derde zondag van de Vasten
Diemen 7 maart 1999
Romeinen 5,1 - 2 + 5 -8
De lezing van Exodus, de eerste lezing van deze zondag,
is van een spannende schoonheid. Het lijkt zo eenvoudig om deze eerste lezing
als een parallel verhaal te lezen bij het verhaal van Jesus en de barmhartige
Samaritaanse vrouw. Maar het verhaal van
Exodus verdient alle aandacht. De kinderen van Israël zijn ternauwernood op weg
naar het veelbelovende land, zij zijn nog niet eens bij de berg Sinaï en alles
wat er mis lijkt te kunnen gaan, gaat mis. Ze beginnen te murmureren tegen Moses
en tegen Aäron in de woestijn. Dat staat in het voorgaande hoofdstuk van het boek
van de uittocht. Ze zeggen zelfs: ach dat wij in Egypteland
gestorven waren door de hand des Heren, toen wij bij de vleespotten zaten, toen
wij tot verzadiging brood aten …. (Ex 16,2 - 3). Ze hebben om zo te zeggen de
klanken van het lied van Moses nog in hun oren. Ze beginnen te murmureren, een
schitterend Nederlands woord, vol pruttelende stomme e’s. Ze krijgen brood uit
de hemel, en het regent manna voor hun leven. Het volgende hoofdstuk is het weer
raak. Ze hebben geen water, en zij twisten met Moses. Zij krijgen water uit de
rots. Hier staat niet dat fameuze woord murmureren, maar twisten, en dat zal aan
het eind van het verhaal worden uitgelegd, waarom hier twisten staat.
Want zo luidt het: Moses noemde die naam van die plaats Massa en Meriba,
vanwege de twist van de kinderen Israëls, en omdat zij de Heer verzocht hadden,
tartend op de proef hadden gesteld, zeggende: is de Heer in ons midden of niet?
Wij staan er niet om bekend dat wij al te vertrouwd zijn met de psalmen. Er
is een tijd geweest dat wij het zingen van de psalmen aan anderen overlieten,
aan de protestanten, hoewel de psalmen toch het dagelijks gebed van Jesus zijn
geweest. We hebben - helaas, - geen psalmen
leren zingen, en zelden is er op de schoonheid van de psalmen gewezen. Maar het
verhaal van Exodus van deze zondag heeft zijn weg gevonden in het boek van de
psalmen. In psalm 95 wordt dit verhaal dringend, indringend gezongen. Het klinkt
zo:
Want Hij is onze God,
en wij zijn het volk van Zijn weide, de schapen
van Zijn hand.
Heden,
zo gij Zijn stem hoort,
verhardt uw hart
gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa
in de woestijn.
Daar hebben uw vaderen Mij verzocht, zij hebben
Mij beproefd,
hoewel zij Mijn werken hadden gezien ….. (psalm
95, 7 - 9)
In de psalm wordt het net niet met zoveel woorden
gezegd, maar we weten hoe de kinderen van Israël God op de proef hebben gesteld.
Zij hebben de onmogelijke vraag gesteld: is God in ons midden
of niet? (Ex 17,7) Dit is niet de vraag die eenieder wel eens stelt: waar is God
nu, waar blijft Hij met Zijn wonderen? Maar het is inderdaad die tartende vraag:
is God in ons midden of niet, met die onmogelijke, murmurerende ondertoon: Hij
zal er toch wel niet wezen ….. en daarom eindigt de psalm zo: toen
moest Ik wel zweren: zij zullen niet ingaan in de rust van het veelbelovende land
(ps 95,11). Deze psalm is een waarschuwing, een opdracht, toch niet zo te doen
als die murmurerende kinderen van Israël in de woestijn! De apostel Paulus zal deze episode in de woestijn
in herinnering roepen als hij schrijft: “Ik wil niet, broeders en zusters dat
gij onwetend zijt. Onze vaderen zijn allen
onder de wolk geweest, en allen zij door de Rode zee heengegaan; allen zijn zij
gedoopt n de wolk en in de zee. Allen hebben dezelfde
geestelijke spijs gegeten, - het manna, - en allen hebben dezelfde geestelijke
drank gedronken; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die hen volgde,
en die steen rots was Christus. Maar in de meesten van
hen heeft god geen behagen gehad, want zij zijn
in de woestijn omgekomen. En deze dingen, zo zegt Paulus, zijn geschied
als voorbeelden voor ons, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs
als zij lust gehad hebben”. (1 Kor 10, 1 - 6) Zo mogen wij de vraag niet stellen:
is God in ons midden of niet, met de ondertoon; Hij zal er toch wel niet zijn!
De barmhartige Samaritaanse vrouw, - wij noemen haar ook barmhartig, omdat zij
barmhartigheid heeft ondervonden van Jesus. Deze vrouw komt niet op een mumurerende
wijze tot haar vraag om levende water, water dat levend maakt! Integendeel. Joannes
vertelt zijn verhaal zo, dat van het begin af aan het initiatief bij Jesus ligt.
Jesus vraagt aan die vrouw om Hem te drinken te geven, en van uit die vraag ontspint
zich het gesprek. Hoe is het mogelijk dat een Jood om drinken vraagt aan een Samaritaanse!
Maar als die vrouw eens wist, als zij eens wist van de gave Gods, zoude zij Hem
veeleer om drinken hebben gevraagd! Wat is dat voor een merkwaardige Jood, die
zich toch ook zal beroepen op de God van
Israël! Zal die vreemde Jood, soms groter zijn dan de ware Jacob, groter dan aartsvader
Jacob? Jesus stelt daarop de intrigerende vraag: ga uw man roepen, zo wordt toch
weer de ware Jacob, de aartsvader in herinnering geroepen! En we horen de vraag
van Jesus ook als: met wie ben jij eigenlijk getrouwd? Aan wie heb je je hart
verpand? Of is je hart nog immer onrustig? Het moge duidelijk zijn, Jesus is niet
op menselijke intimiteiten uit, - geen Story of Privé, - maar op het hartsgeheim
van God! Jesus heeft die vrouw in haar
ziel gekeken, dieper dan de vrouw zelf heeft kunnen kijken en zo kan die vrouw zeggen: Heer, ik zie dat gij een profeet
zijt. De vrouw stelt daarop de vraag op welke plaats de ware aanbidding, het schrijnende
twistpunt tussen Joden en Samaritanen haar echte plaats zal vinden, waar haar
aanbiddende hart haar plaats kan vinden, rust voor haar ziel. Op de
berg Garizim of in Jerusalem. Jesus maakt duidelijk dat er een uur komt,
waarop de Vader zal worden aanbieden in de Geest en in de waarheid, in de Geest
van betrouwbaarheid en vertrouwen. Vol vertrouwen zullen we de vader kunnen aanbidden,
juist vanwege Jesus die de betrouwbare weg naar het ware leven is, Hij, die het
levend water schenkt! Het volgen van Zijn levensweg, de navolging van Zijn levensweg
zal de betrouwbare eredienst zijn. Denk maar aan de maatstaf
die wij bij het laatste oordeel horen: wat gij aan de
minste van broeders en zusters hebt gedaan, dat hebt gij aan Mij gedaan
… (Matt 25,40) Jesus vervolgt: God is Geest, en zij die Hem aanbidden moeten Hem
aanbidden in Geest en waarheid. Daarop
volgt een wonderlijke reactie van die vrouw. Zij antwoordt: Ik weet dat de Messias
komt ….Voorwaar een wonderlijke reactie. Als we tegen elkander zouden zeggen:
God is Geest, zouden er maar weinig christenen zijn, die zo zouden antwoorden
gelijke die Samaritaanse heeft gedaan. God is Geest roept bij ons niet allereerst
de reactie op Ik weet dat de Messias komt …. Toch zegt Jesus niet dat het een
verkeerde reactie van die vrouw is. Ja, Jesus gaat door en zegt IK BEN die met
u spreekt. Hier moeten we weêrom uitermate
omzichtig, nauwkeurig lezen! Waarom kan die vrouw zo snel, zo ad rem antwoorden
“Ik weet dat de Messias komt”? [En waarom,
en hoe, zijn wij dat kwijt geraakt, als we zouden horen God is Geest?]
De Samaritaanse vrouw kent de schriften, zij kent de toonhoogten van de
psalmen, zij weet dat de Geest van God met onvermoede kracht werkt, dat Hij de
wereld vernieuwt, dat alles in Zijn kracht zal worden herschapen. Als
God zo Geest is, zo geconcentreerd aanwezig is, zich zo intens op deze wereld
richt dat dan de Messiaanse tijden gekomen zijn, dat dan Messias aanwezig is.
Als zo volledig beleden kan worden dat God Geest is, dan is Messias in ons midden.
In de psalm hebben wij immers ook leren bidden: God verberg uw aangezicht niet
voor mij, en neem uw Geest niet van mij weg …. (ps 51, 11 - 13) Want de Messias
is toch immers Zijn aangezicht
dat God ons toont in kracht van de heiligende Geest. Daarom
bidden wij toch dat God dat aangezicht niet voor ons verbergen zal. Zo toont God
immers ons Zijn barmhartigheid, in de gloed van de heilige Geest (ps 85, 8 v.v.)
In het licht van dat aangezicht des Heren, in
het licht van Zijn barmhartigheid kunnen wij met hart en vurigheid de Vader
aanbidden in Geest en waarheid! Let wel:
er staat niet dat wij in de Geest de ware leer zullen kennen, wij zullen aanbidden.
Wij zullen weten hoe de rechte lofprijzing, de recht orthodoxie is. Orthodoxie
betekent allereerst: de recht lofprijzing. Hoe vreemd gaat de ontwikkeling van
een woord! Nu noemen wij orthodoxie allereerst rechtzinnigheid, - het kan verkeren!
Jesus kan zich op de Naam van God beroepen, als Hij zegt
IK BEN. Want God is met ons, als Hij ons de weg van de bevrijding toont, en zo
is Jesus sprekend God! IK BEN die met u spreekt (Joes
4,26) Zo zal Mijn volk Mijn Naam op die dag kennen IK Zelf BEN, die met u spreekt,
zie IK BEN! ( Jesaja 52, 6) Zo wordt de blijde boodschap
verkondigd …. (Jesaja 52,7) En zo komt
het de bevrijding uit de Joden! Zo geve God!
Am*dam 5 maart 1999 (5759)
© Ben Hemelsoet
De wonderbare spijziging volgens Joannes in jaar B,
het jaar van Marcus
Sinds het Tweede Varticaanse Concilie is het leesrooster
in de RK. Kerk aanmerkelijk uitgebreid. Er is een A-jaar, en een B-jaar, een C-jaar
eveneens. In het A-jaar wordt voornamelijk uit het evangelie van Mattheüs voorgelezen,
in het B-jaar uit Marcus, en in het C -jaar uit Lucas. Toch wordt officieel deze
verdeling en toebedeling van het jaar A, B, en C niet helemaal volgehouden. Er
moet immers ruimte zijn om ieder jaar - bijvoorbeeld met Kerstmis - zowel
uit Mattheüs als uit Lucas te kunnen voorlezen. En ter voorbereiding op Pasen
wordt er voor Joannes ruimte ingeruimd. Ook op de zondagen na Pasen is dat het
geval.
Een merkwaardige rol wordt Joannes toebedeeld in de
zomer van het jaar B. De doorgaande lezing van het evangelie volgens Marcus gaat
door tot en met de zestiende zondag door het jaar (Marcus 6,30 - 34) om op de
zeventiende zondag door het jaar onderbroken
te worden door Joannes 1,6 -15. De lezing van Marcus wordt op de twee en twintigste
zondag door het jaar weer hernomen met Marcus 7,1-8+14-15+21-23. De aandachtige lezer kan
zich afvragen wat de reden is dat Joannes de doorgaande lezing van Marcus mag
onderbreken. Is de vertelling van de wonderbare spijziging van Marcus ineens niet
goed genoeg? [De tweede wonderbare broodvermenigvuldiging volgens Marcus 8, 1
- 10 heeft ook geen plaats gekregen in het leesrooster, en is niet vervangen door
een andere pericope van Joannes.] De overschakeling op het evangelie van Joannes,
de omschakeling naar Joannes is vreemd temeer daar het verhaal van Joannes 6,
1- 15 toch een duidelijk feestelijke, zo niet liturgische aanduiding bevat: en
nabij was Pasen, het feest van de Joden. In de oude liturgie werd dit evangelie
dan ook voorgelezen op zondag Laetare, halfvasten, de vierde zondag van de veertigdagentijd,
statio ad S.Crucem In Ierualem.
Het is niet zozeer het verhaal van de spijziging die
de keuze op Joannes heeft laten vallen, alswel de uitleg van die spijziging die
zo uitvoerig in het evangelie van Joannes te lezen staat. Joannes heeft dan wel
geen instellingsverhaal bij het laatste avondmaal van Jesus met Zijn leerlingen,
een diepgaande uitleg van Jesus’gebaren bij de wonderbare spijziging, een verklaring
van het brood kan hem niettemin niet worden ontzegd. Om de wonderbare spijziging
op het niveau te brengen van een bepaalde eucharistische interpretatie, wordt
Joannes in het jaar B ingelijfd in het evangelie volgens Marcus, dienstbaar gemaakt
aan wat Marcus eigenlijk had moeten zeggen, en bovendien om te zeggen wat zelfs
niet gezegd wordt in het verhaal van het laatste avondmaal en
de instelling van de Eucharistie volgens de synoptici.
De invoeging van Joannes 6 op deze plaats in het evangelie
van Marcus heeft alles te maken wat ook te lezen staat in de voetnoot van de Willibrordvertaling
1995 bij Joannes 6,51: “ en het brood dat Ik zal geven
.... Omdat vanaf hier, duidelijker dan
in het voorafgaande”, een sacramentele klank te beluisteren valt, ziet men in
deze woorden meestal een overgang naar een nieuw gedeelte dat over de Eucharistie
zou handelen. Veeleer vormen de woorden ’leven van de wereld’, die beantwoorden
aan v.33, de afronding van het eerste deel van de broodrede. Een nieuw element
in v.51b is de verwijzing naar de zelfgave van Jesus in de dood (vgl. 10,17; 11,51-52;
12,34.32) Door zo te spreken van een sacramentele klank in dit gedeelte van de
broodrede, kan een merkwaardige, eenzijdige toespitsing ontstaan, die meer vanuit
theologische vooronderstellingen kan worden verklaard, dan met de tekst van Joannes
is gegeven.
In vers 6,52 luidt het: toen er ontstond er onder
de Joden een discussie, hoe kan Hij ons Zijn vlees te eten geven ... “ Een gemakkelijke,
al te gemakkelijk interpretatie kan voor
de hand liggen. De Joden vragen zich af, hoe dat kan; omdat zij zo die vraag stellen,
een ontkenning suggererend, ligt de uitleg zogenaamd voor de hand. De Joden zeggen
het kan niet, derhalve moeten wij wel zeggen het kan wel! Zo lijkt het of de gehele
broodrede daarop uit moet lopen. Deze discussie, en de daarop stoelende vooronderstelling,
maakt dat hetgeen Joannes schrijft ternauwernood meer nauwkeurig wordt gelezen,
het pleit is immers al beslecht. Voordat aandacht aan de tekst zelf gegeven wordt
doet men alsof er staan zou: deze (eucharistische) spijs is waarlijk Mijn vlees.
Maar Joannes zegt dat niet: hij laat Jesus zeggen: Mijn vlees is waarlijk spijs!
Dat is het vlees zoals daar over gesproken is in de eerste zinnen van de het evangelie
(Joes 1,14) en spijs zoals dat beschreven staat in Joes 4,34.
Maar er zijn ook andere zaken in het geding, waar
door de liturgische invoeging van Joes 6, in de voortgaande lezing van Marcus
geen rekening mee wordt gehouden; waarmee vanuit de vooronderstellingen geen rekening
meer gehouden kan worden. Allereerst vertelt Joannes dat Jesus wegging naar de
overzijde van zee van Galilea, van Tiberias. Hoe indrukwekkend het mozaïek van
Tabgha ook moge zijn, hoe idyllisch die plaats ook moge liggen, de schildering
van die plaats lijkt geen geschikte uitleg voor het verhaal van Joannes, het ligt
aan deze zijde van het meer van Galilea. Joannes vertelt een ander verhaal dan
Marcus, ondanks de overeenstemming met de getallen. ”Hem volgde een grote schare,
omdat zij de tekenen aanschouwden, die Hij deed aan de zieken. Jesus ging op naar
de berg, en daar zetelde Hij met Zijn leerlingen, en nabij was het Pascha het
feest van de Joden”. Jesus is de grenzen van het land te buiten.
Hij gaat de berg op. De attente Bijbellezer zou nu eerder een bergrede verwachten
dan de nu beschreven broodvermenigvuldiging. In plaats van het onderricht wordt
het verhaal verteld van de wonderbare spijziging. Het onderricht en de spijziging
liggen niet zo ver uiteen. Staat er niet geschreven in Deuteronomium: “En Hij
verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man dat gij niet kendet,
noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte dat de mens niet alleen
van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des Heren mond
gaat” (Deut 8,3). Moses beslist in familie-aangelegenheden, bepaalt wie er tot
een familie behoort op grond van de hoeveelheid Manna aangetroffen voor de deur
van de tent (Ginzburg, The legends of the Yews, Vol III Moses in the wilderness,
Philadelphia 1964 p. 46 v.v.) In de traditie is nog overgeleverd: “Toen vele eeuwen
later Jeremia zijn tijdgenoten aanspoorde Thora te studeren, antwoorden zij op
zijn aanmoedigingen, zeggende, ‘hoe zullen wij ons zelf dan onderhouden?’ De profeet
bracht de kruik met Manna te voorschijn, en sprak tot hen, zeggende: ’O generatie,
zie het woord van de Heer; zie wat het was wat jullie vaderen tot voedsel diende
toen zij zichzelf wijdden aan de studie van Thora. Ook jullie zal God ondersteunen
op dezelfde wijze als jullie je wijdden aan de studie van Thora” (Mekh., Va-Yassa
6 geciteerd door Ginzburg, o.c. p.48).
Daarom is het ook belangrijk te onderstrepen dat Jesus met de talrijke schare
naar de overkant gaat.
Hij verlaat in de gebruikelijke zin van het woord
het land. Hij begeeft zich naar een plaats waar geen voldoende brood aanwezig
is. Niet alleen het gebrek aan brood is een van de motieven van dit verhaal, maar
ook de aangewezen plaats: door de beweging van Jesus naar de overkant. Nabij is
Pasen het feest van de Joden, en zo wordt de indruk gewekt dat het verhaal van
de uittocht in herinnering wordt geroepen, door de beweging van Jesus,
bibliodrama avant la lettre. Een bibliodrama met verstrekkende perspectieven.
(In dit verband is het opmerkelijk dat de pericope Joannes 6,16 -23 niet in de
liturgie gelezen wordt. Deze pericope immers onderstreept het Paasgeheim! Het
water kan Jesus niet meer deren - vgl de doortocht door de Rode Zee, de overgang
van de Jordaan, - er kan slechts gegist worden waarom deze pericope wordt overgeslagen:
ob rationem psychologicam?)
In de synagoge van Kapharnaüm houdt Jesus de rede
die de lezer eigenlijk had verwacht nadat Jesus de berg was opgegaan. Nu mag de
lezer deze rede horen nadat Jesus op wonderbaarlijke wijze in het land is gekomen.
Dat deze rede in de Synagoge van Kapharnaüm wordt gehouden hoort de lezer
après coup. Zo blijkt dat de rede van Jesus Zijn hoorders wil verzamelen in die
synagoge; zo is immers wat over blijft na de spijziging ook verzameld ...
De inzet van de rede van Jesus dat Zijn toehoorders
geen werk moeten maken van vergankelijk spijs, maar van “de spijs die blijft tot
in het betrouwbare eeuwige leven, dat de Zoon des Mensen u zal geven”. De
vraag van Jesus’ toehoorders wat moeten wij doen klinkt als de vraag van de rijke
jongeling (vgl. Marc 10,17) of als de vraag aan Joannes de Doper gesteld (Luc
3,10) of als de vraag die aan Petrus wordt gesteld op Pinksteren. (Hand 2,37).
Het antwoord heeft betrekking op de weg van de geboden, op de weg die mag worden
gegaan door iemand die zich wil laten dopen, en die zo het veelbelovende land
kan binnengaan, het land dat God heeft toegezegd. De weg die gegaan mag worden
is in het geding. In het evangelie van Joannes weten we immers dat Jesus zegt
Ik ben de weg de betrouwbaarheid en het leven. (Joes 14,6) Deze driedeling kan
in één zin worden samengevat: IK BEN de betrouwbare weg die ten leven voert. Jesus
belichaamt in Zijn weg de trouw aan Moses en zijn onderricht. Deze levensweg van
Jesus zelf is in het geding, voor al eer er gesproken zou kunnen worden over de
gaven die Jesus ons ter hand heeft gesteld. Wij worden opgeroepen deze weg te
vertrouwen. De gemeenschap van de leerlingen die in Jesus hun vertrouwen stellen
is toch de gemeenschap van al diegene die door de doop van Jesus, met Zijn doop
zijn verbonden. Door Zijn doop heeft Jesus/Josua immers toegang verschaft tot
het veelbelovende land. Daarom wordt gevraagd dat wij in Jesus geloven
die God heeft gezonden.
Het verhaal van het Manna dat regent voor hun leven
in de woestijn wordt niet vervangen door het verhaal van het laatste avondmaal,
integendeel. Jesus zal met grote nadruk zeggen IK BEN HET BROOD DES LEVENS. Jesus
zelf is in het geding, op die weg naar het veelbelovende land. Het misverstand
ligt voor het grijpen. De Joden murmureren
omdat Jesus zegt IK BEN (met alle connotaties van Exodus
3, 12 -14) het brood dat uit de hemel is nedergedaald, even bevrijdend als het
nederdalen Gods (zie Ex 3,8). De Joden zijn hier de murmurerende aangevers: dit
is toch de zoon van Joseph, waarvan wij de vader en de moeder kennen? Maar als
deze kennis alleen in het geweer wordt gebracht, hoe wordt dan de profeet miskend,
die gezegd heeft en allen zullen theodidacten zijn, geen autodidacten. Overigens
dit alles wordt nog steeds tot ons gezegd. Er kan geen wig gedreven worden tussen
de Joden van toen, en degenen die het vandaag mogen horen! Zo is Jesus zelf het
brood om van te leven.
Het lijkt te snel om in de broodrede van Jesus een
interpretatie van het laatste avondmaal te lezen. De (christelijke) traditie heeft
het ons wat dat betreft niet gemakkelijk
gemaakt. Als de Joden onder elkander strijden: hoe kan Hij ons Zijn vlees te eten
geven, zijn wij gemakkelijk, al te gemakkelijk geneigd om te denken: de Joden
zeggen hoe kan dat, in welhaast ontkennende zin; daarom zeggen wij: dat kan juist
wel. Maar dan vergeten we gemakshalve dat
Jesus ook gezegd heeft: Mijn spijs is het de wil te doen van de Vader die Mij
gezonden heeft. Als Jesus vlees echte spijs is, dan mag bedacht
worden - zoals reeds gezegd, - dat het
om dat vlees gaat, waarvan Joannes heeft geschreven en het woord geschiedde: vlees
(Joannes 1,14)
Is er dan geen uitleg mogelijk van de verhalen van
het laatste avondmaal? Wis ende certijn! Maar
niet direct en onmiddellijk het verhaal dat sommigen zo graag zouden willen horen,
over de aard van de tekenen, over de aard van de presentie in de tekenen. Niet
dat daar niet over mag worden nagedacht, niet dat dat geen onderdeel zou uitmaken
van de christelijke traditie van eeuwen, maar die traditie mag andere zaken niet
uit het oog doen verliezen. Door de hier gegeven uitleg van Joannes gaat het goed
van de traditie niet verloren, integendeel. Onmiddellijk
na de zgn instellingswoorden schrijft Lucas dat er onder de leerlingen een twist
ontstond, gelijkhebberij, wie van hen de grootste zou zijn (Luc 22,24) En bij
Mattheus en Marcus wordt de instelling onmiddellijk gevold door het huiveringwekkende:
deze nacht zullen jullie allemaal ten val komen ....Dit huiveringwekkende maakt
duidelijk hoe in de Eucharistie de gemeenschap gevaar loopt als niet in het oog
gehouden wordt dat het om de overlevering van Jesus gaat, die zich daarmee ook
overlevert, en uitlevert aan Zijn gemeenschap. Die gelijkhebberij is zelden of
nooit betrokken bij de uitleg van de avondmaalswoorden. Maar deze uitleg, deze
toespitsing is Joannes zo veel waard geweest, dat hij, - ook om andere redenenen,
- tijdens het laatste avondmaal van Zijn leerlingen de voeten wast. Zo geeft Hij
een exempel van wat het zeggen wil Zijn leven afleggen, en Zijn leven weer opnemen
...
Een merkwaardige vermenging van de eigen aard van
de onderscheiden evangelisten, is te lezen in een van de tafelgebeden van de RK.
Kerk: “Jesus in het bewustzijn dat Hij van de Vader was uitgegaan,
en naar de Vader zou terugkeren, in het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen
gegeven had (Joannes 13,3) ...” de liturgische
tekst vervolgt: nam Hij brood in Zijn handen ... In het evangelie van Joannes
volgt dan: “stond Hij van tafel op, legde Zijn bovenkleed af, omgordde zich met
een linnen doek om Zijn middel ...” Dat de voetwassing uitleg is van de Eucharistie
gaat zo in de oren van vermoedelijk velen verloren. De - wederom - bekende uitleg
is: Joannes heeft toch niet de inzettingswoorden? Maar wellicht om die vraag te
pareren heeft Joannes op deze plaats de voetwassing beschreven. Joannes heeft
wel de voetwassing, opdat wij zouden horen: “een dienstkecht is niet groter dan
zijn heer, noch een gezant groter dan wie hem gezonden heeft. Indien gij deze
dingen weet, zalig zijt gij indien gij ze doet.
Ik zeg niet van u allen: Ik weet welke Ik heb uitverkoren, maar dit geschiedt:
opdat de Schrift vervuld worde: die met Mij brood heeft tegen Mij zijn verzenen
opgeheven” (Joannes 13,16 - 18) Misschien mag dit nu ook gezegd worden, juist
als uitleg van de overlevering van de Zoon des Mensen, en als waarschuwing tegen
de gelijkhebberij van de leerlingen (Lucas 22,24). Als er naar een uitleg van
de instellingswoorden wordt gezocht is die te vinden in hetgeen Lucas schrijf
over de gelijkhebberij van de leerlingen. Joannes zelf geeft zijn interpretatie
van het laatste avondmaal door het verhaal te geven van de voetwassing.
Am*dam15 augustus1997
© Ben Hemelsoet
(Tekst uit de nalatenschap. Gevonden 160100. De tekst
was nauwelijks gecorrigeerd)
Twaalfde zondag na Pinksteren, negentiende door het
jaar
HH Martelaren 10 augustus 1997
Ephese 4,30 - 5,2
Een kleine, maar gewichtige episode uit het leven
van de profeet Elia horen we vandaag als eerste lezing. Elia is op de vlucht voor
Jezebel, de koningin. Hij laat zijn knecht achter in Beerseba, zelf trekt de profeet
de woestijn in, een dagreis ver. Hij wordt gesterkt door een bode Gods, door de
engel des Heren, tot twee maal toe. Hij at en dronk en in de kracht van die spijs
ging hij voort veertig dagen en veertig nachten tot aan de berg Gods, de Horeb.
Een voor de hand liggend verklaring zou kunnen zijn dat we hierin een beeld zouden
kunnen zien van de Eucharistie. In een bedreigde situatie, worden we gesterkt
door de engel des Heren, worden we gevoed met een hemelse spijze. Daar is niet
al te veel op af te dingen, maar er is met deze tekst meer gegeven dan in een
toegespitste eucharistische verklaring te horen is. Elia maakt in veertig dagen en veertig nachten de reis
naar de Berg Gods, de Horeb. De lezer van de schriften weet dat die berg Gods,
de Horeb voor de allereerste maal genoemd is in het verhaal van het brandende
braambos. Moses heeft in dat verhaal de kudde
van zijn schoonvader geleid achter
de woestijn. Een zeer merkwaardige aanduiding. Want zo is hij immers met zijn
kudde de woestijn voorbij, hij is in het veelbelovende land, in het heilig land,
in het land dat door Gods beloften, door Gods Naam geheiligd zal zijndoor Gods
belofte . Als Moses de woestijn voorbij is, komt hij bij de berg Gods, de Horeb.
De naam Horeb is meer een herkenningsteken
voor bijbellezers dan een indicatie voor geografen. Daarom komt de naam Horeb
ook voor in het fragment uit de verhalen van Elia dat we hebben voorlezen.
Elia komt bij de berg God, de Horeb, de berg van het visioen, het visioen
van Moses.
Er is nog meer dat aan Moses doet denken. Er is sprake
van veertig dagen en veertig nachten. We kennen die veertig dagen en veertig nachten
van de bekoring van Jesus in de woestijn, maar het zijn ook de veertig dagen en
de veertig nachten die Moses doorbrengt op de berg Gods, hij at niet en hij dronk
niet. De schriften vertellen ons hoe Moses die veertig dagen en veertig nachten
heeft doorgebracht: hij schrijft de schrift, opnieuw die God hem heeft gegeven
nadat de eerste tafelen gebroken zijn. Met zijn vinger tekent Moses de letters
na, een voor een, verwijlend bij de geheimen die die letters
koesteren. Op weg naar de berg Gods veertig dagen en veertig nachten heeft
Elia die geheimen van de schriften in zijn hart bewaard en overwogen, de
woorden op de tong geproefd, ruminando, smakenderwijs, kouwenderwijs, zoals
de heilige Bernard placht te zeggen. Elia gaat naar de berg Horeb, en zo wordt
de herinnering aan de berg Gods levendig gehouden. Die berg staat ook voor de berg Gods, die op
het einde van de dagen hoog boven alle bergen zal uitstijgen, wanneer uiteindelijk
wij zullen zijn ontstegen aan de lange weg door de woestijn, Over die lange weg, op de weg naar de berg Gods,
naar het huis des Heren wordt in dat lange hoofdstuk 6 van Joannes gemediteerd.
Uit dat hoofdstuk hebben we horen voorlezen. Deze meditatie, is naar aanleiding
van de wonderbare spijziging van zoveel duizendenen, de wonderbare broodvermenigvuldiging,
als het tegen Pasen loopt, en Jesus aan de ander
zijde van het meer van Galilea, de berg is opgegaan ... Als er twaalf korven
met brokken zijn overgebleven, en zij alleen zijn verzadigd,
herkennen de scharen in H Jesus de profeet. Jesus wist dat zij Hem tot
Koning wilden uitroepen, trekt zich weer terug op de berg, Hij alleen .... Jesus
keert weer in het land, na een wonderlijke tocht over het water, de watervloed
kan hem niet deren, en de leerlingen menen een spook te zien. Zo landt Jesus weer
in het land, -het blijkt Kapharnaum te zijn,- en daar wordt doorgedacht over het
wonder van het brood uit de hemel. We zijn nu zover gevorderd, dat we horen: de
Joden murmureerden over Hem omdat Hij gezegd had, Ik ben het brood dat uit de
hemeis nedergedaald. Dat woord murmureren is typisch een woord dat alle vermoeienissen
van de woestijn met zich voert; een woord waarin alle teleurstelling,
alle ontevreden misnoegen in te horen is. De Joden hebben zo al gemurmuereerd
tijdens hun tocht door de woestijn. Ze waren het Manna zat, iedere dag weer opnieuw,
dat flauwe, laffe brod, en waartoe? Zullen we ooit dat veelbelovende land aanschouwen,
och, dat we maar gestorven waren in de woestijn, of erger, laten we weerkeren
naar Egypte. Dit moeten we blijven beenken om de teksten van Joannes goed te kunnen
horen. Jesus heeft gezegd: IK BEN het brood dat uit de hemel is nedergedaald.
Jesus zegt dit met grote nadruk, Hij zegt IK BEN
voluit. Door het zo te zeggen worden we herinnerd aan hetgeen in het visoen
van Moses is te horen, worden we herinnerd aan het visioen van het brandende braambos.
Dar zegt de lieve Heer Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak, de God van
Jacob, Ik ben nedergedaald om Mijn volk te bevrijden uit de slavernij, uit de
duisternis van de slavernij, uit de duisternis van de dood. Ik ben degene die
Ik ben, Ik ben met u op de wijze waarop Ik met u ben, Ik zal er zijn, zoals Ik
beloofd heb dat Ik er zijn zal, als degene die u bevrijdt, kortom IK BEN, Ik ben
met u. Zo zegt Jesus dat Hijzelf de bevrijdende spijs is, in kracht waarvan het
volk voort kan gaan op de weg naar het veelbelovende land.
Hijzelf is degene die zij brood en boordnodig hebben, broodnodig als de
spijs voor onderweg, op die lange weg. De spijs waarvan Jesus zegt dat het zijn
spijs is de wil te doen van de hemelse vader die hem deze opdracht gegeven heeft.
De Joden zeggen; maar dat is toch Jesus, de zoon van Joseph, wij kennen
toch zijn vader en zijn moeder? Dit hebben we al eens eerder gehoord. In het eerste
hoofdstuk van het evangelie van Joannes staat het zo geschreven, wanneer Philippus
Natanael vindt, en hem zegt: Wij hebben degen gevonden waarvan Moses in het onderricht
geschreven heeft, en ook de profeten, Jesus , de zoon van Joseph, uit Nazaret.
Het antwoord van Natanael is bekend, kan er iets goed komen uit Nazaret. En Philippus
zeide: Kom, en zie ... Maar hier is niets meer te horen van iets wat lijken zoude
op “Kom, en zie ...” Jesus zegt: murmureert niet onder elkander - zij hebben van
dat brood gegeten, - niemand kan immers
tot Mij komen tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem getrokken ...en
Ik zal hem opwekken op de jongste dag. Hier
is voorzichtigheid, omzichtigheid geboden. Hier moeten we heel weloverwogen te
werk gaan. Met deze teksten in de hand kunnen we niet eenvoudig zeggen is gewoon
zo. Wederom moeten we in herinnering roepen dat het hier gaat om een overweging
naar aanleiding van de wonderbare spijziging, aan de overzijde. Het liep tegen
Pasen, het feest van de Joden. Er is sprake van een bibliodrama in optima forma.
Ze spelen het verhaal van de exodus, van de uittocht en de doortocht, ze spelen
het verhaal van de woestijn, om het uitzicht, het perspectief op het beloofde
land niet te verspelen. Maar tijdens de uitleg daarvan, gaan de Joden zich weer
gedragen als destijds in de woestijn. Als we hier zeggen de Joden, moeten wij
heel voorzichtig zijn. Wij zitten niet op de eerste rang te kijken naar een toneelstuk,
waarbij wij buitenstaanders zouden zijn. Buitenstaanders
die het niet hoeft te raken wat hier gezegd wordt. Nee, het raakt ons ook, en
wij worden als Joden toegesproken, omdat ook wij niet gevrijwaard zijn, als wij
ook niet zouden kunnen murmureren, ontevreden zouden kunnen pruttelen. Het gaat
ons aan. Het troostende is, dat Jesus zegt dat niemand tot Hem komen
kan als de Vader hem niet getrokken heeft. Wij hebben derhalve geen enkele reden
om ons te pochen, er groots op te gaan, dat wij tot Jesus zijn gekomen. Wij zijn
niet tot Hem gekomen, wij getrokken door de Vader. Dan gaat Jesus door: en Ik
zal hem opwekken op de jongste dag. Dat klinkt vreemd. Ineens wordt er gesproken
over de opwekking van de doden op de jongste dag. Jesus spreekt erover dat Hij
het levende boord is dat uit de hemel is nedergedaald; Hij zelf is het brood dat
leven geeft in die barre woestenij, Hijzelf is degenen die de betrouwbare weg
ten leven is, Hij zelf gaat die weg, en voert ons zo het veelbelovende land binnen,
de betrouwbare rust van het veelbelovende land. Dat er zo ver gesproken kan worden
heeft ook alles te maken met Moses heeft mogen horen in dat brandende visioen
van het braambos. Daar heeft god immers gezegd, we hebben het gehoord, Ik ben
de God van Abraham, de God van Isaak, de God van Jacob, Ik ben nedergedaald om
Mijn volk te bevrijden, Ik ga doen wat Ik aan de vadeen heb beloofd: zij zullen
ingaan in het veelbelovende land. I d voetsporen van Jesus zullen wij het veelbelovende
land kunnen betreden: Hij zal ons opwekken op de jongste dag. Dat kunnen we vanuit
onszelf allemaal niet bevatten, dat Jesus zo onze weg ten leven is, betrouwbaar
tot in eeuwigheid kunnen we niet bedenken. Jesus zal het ook zeggen. Wij zijn
geen autodidacten, die het allemaal zelf moeten uitvinden en uitproberen. We mogen,
zo zegt het evangelie, weten dat wij Theodidacten zijn, door God geleerd. Let
wel: door God geleerd, - niet alleen maar
Godgeleerd. Het evangelie heeft dit wonderlijke woord bij de profeet gehoord.
Het staat te lezen bij de profeet Jesaja, als de profeet
zingt: Zing vrolijk gij onvruchtbare, gij die niet hebt gebaard, of -
gij die zijt verwoest, gij die troosteloos zijt, gij die geen uitweg meer
ziet .... Gij verdrukte, al uw kinderen
zullen van de Heer geleerd zijn, theodidacten, en de vrede, de voltooiing, de
verzoening van uw kinderen zal groot zijn. (Jes 54,1. 13). Ieder die het van de
Vader gehoord heeft ... Hier horen we weerde wonderlijke klank van de palm: heden,
zo gij Zijn stem hoort, wilt uw harten niet verharden gelijk ten dage van Massa
en Meriba inde woestijn, daar hebben uw vaderen Mij verzocht, op de proef gesteld,
toe moest Ik wel zweren: zij zullen niet ingaan in de rust van het beloofde land,
in die betrouwbare, eeuwige rust .... Zo is Jesus op zijn levensweg, onze levensweg,
zo maakt Hij Zijn weg begaanbaar voor ons, omdat wij door Zijn Vader worden getrokken,
Zijn levensweg is de spijs, zijn spijs, dat is de wil te doen van de hemelse Vader die Hem
heeft gezonden. Het evangelie heeft heel intens, heel concreet, de levensweg van
Jesus op het oog, de navolging, treden
in Zijn voetsporen; omdat die weg van Jesus betrouwbaar is, omdat Jesus betrouwbaar
is geweest aan het onderricht van Moses, met heel Zijn hart, met heel Zijn ziel,
en al Zijn krachten. Deze Jesus is brood ten leven, deze Jesus hebben wij brood
en broodnodig. Om daarvan te getuigen, om zo van God geleerd te zijn, zijn wij hier bijeen, ter wille van deze
gemeenschap, ter wille van de wereld, waarin wij leven, een wereld die wij door
onze levenswandel zouden moeten meeslepen op die wonderlijke weg: zo geve God!
Am*dam 4 augustus 1997
© Ben Hemelsoet
Dertiende Zondag na Pinksteren, twintigste door het
jaar,
Spaarndam 17 augustus 1997
Ephese 5,15-20
De zeven zuilen van de Wijsheid, The seven Pillars
of Wisdom, zo goed geworteld, zo wel gefundeerd is het huis dat de Wijsheid heeft
gebouwd. Daar heeft zij haar slachtvee
geslacht, daar heeft zij haar tafel toegericht. Het is duidelijk hier wordt niet
de menukaart gegeven van de maaltijd die de Wijsheid voor ons heeft aangericht.
Het is een wijsheid van spreken, een wijze van spreken. Maar eenieder die weet
van de geneugten van een tafel wordt zo in de stemming gebracht, waarin wij kunnen
spreken hoe goed het onderricht smaakt van de wijsheid, en wat we kunnen proeven
als wij dat onderricht mogen horen. We weten immers van de wijsheid van spreken,
van de wijze van spreken in onze eigen tal, in onze eigen omgeving. We weten waar
we het over hebben als we spreken van de hogere kringen. Dan denken we niet aan
een samenstel van cirkels op de blanke top der duinen. top van een duinen. En
iemand die ons uit de hoogte toe spreekt mag best een toontje lager zingen, ook
al heeft hij of zij nog nooit kunnen zingen. En we weten zelfs in de zomer kunnen
we een scheve schaats rijden, en terwijl we in een gesprek verwikkelt zijn, kunnen
we te kort door de bocht gaan, of zelfs het spoor bijster raken. Deze wijsheid
vans preken, deze wijze van spreken is - gelukkig - ons aller deel. De schriften
staan er ook vol van, en zowel in de schriften als in onze eigen
taal zouden we raar staan te kijken als we ineens, plotseling alle woorden zo
letterlijk zouden nemen als ze gezegd zijn. Zouden er wel geschikte parapluies
zijn als het pijpestelen regent, - in het engels cats & dogs. Dit mogen we
ons herinneren als we aan de moeilijk passage van Joannes beginnen, die we vandaag
hebben horen voorlezen, hoeveel speelruimte geven we Joannes, en ook: hoe willen
we de woorden van zijn evangelie wikken en wegen, om zo de verborgen, ingetogen
suggesties van zijn taal op het spoor te kunnen komen. In het evangelie van vandaag
staat die wonderlijke zin: “Mijn vlees is waarlijk spijs, en Mijn bloed is waarlijk
drank”. Deze woorden klinken, zwaar en gewichtig, met gewicht.
... Omdat die woorden zo zwaar, en vol gewicht klinken
zijn we eerder geneigd om er eerbiedig omheen te lopen, dan om die woorden proberen
tot ons te nemen. Ze lijken zo gewichtig, zo overduidelijk gewichtig, dat we er
wellicht maar liefst het zwijgen aan toe zouden doen. Het zijn woorden die door
Jesus gezegd worden in de Synagoge van Kapernaum, na de wonderbare spijziging,
na de wonderbare broodvermenigvuldiging. Jesus is aan de overkant, toen het tegen Pasen
liep, de berg opgegaan, en daar heef Hij het verhaal van de tocht door de woestijn
in herinnering geroepen door de scharen op een wonderbaarlijke wijze te spijzigen.
Zo heeft Jesus het verhaal van Exodus aanschouwelijk gemaakt. Jesus is weer aan
deze zijde van het meer geland. Hij heef een wonderlijke tocht over het meergemaakt,
het water kon hem niet deren, en de leerlingen meenden een spook te zien ....
Jesus legt uit wat er is geschiedt. Er is immers gebeurd dan dat alleen de honger
zouden zijn gestild van zoveel duizenden. Die wonderbare spijziging is ook geschied
opdat wij zouden kunnen vermoeden wie Jesus is. Het verhaal wordt verteld ter
wille van onze verhouding, onze relatie met Hem die de betrouwbare weg ten leven
is, Ik ben de weg, de waarheid en het leven; degene die voor ons de weg baant
tot in het veelbelovende land. Het verhaal wordt verteld ter wille van onze
toekomst, dat wat op ons van Godswege toekomt.
Vanuit dat vooruitzicht, vanuit dat perspectief klinken de woorden die wij hebben
gehoord. .In het gedeelte van deze zondag komen voor de eerste maal in Joannes
6 de woorden vlees en bloed voor. Maar ook horen we nog het woord spijs
Joannes gebruikt dat woord heel spaarzaam, welgeteld
drie maal in zijn evangelie. De eerste keer horen we spreken van spijs, als de
leerlingen bij Jesus komen nadat zij inkopen gedaan hebben in Samaria. Ondertussen
heeft Jesus het gesprek gevoerd met de Samaritaanse vrouw. “Ondertussen vroegen
Hem de leerlingen, zeggende: Rabbi, eet. Maar Hij zeide tot hen: Ik heb een spijs
om te eten die gij niet kent. De leerlingen zeiden tegen elkander: Heeft soms
iemand Hem te eten gebracht? Jesus zeide tot hen: Mijn spijs is het dat Ik de
wil doe van Degene, die Mij gezonden heeft, en dat ik Zijn werk voltrekke ...”
(Joes 4,31 v.v.) Duidelijk klinkt het hier dat het niet gaat om de spijs, de etenswaren
die de leerlingen hebben gekocht. De tweede keer wordt er zo van “spijs” gesproken:
Werkt niet om de spijs die vergaat, maar om de spijs die blijft tot in het eeuwige
leven, welke de Zoon des Mensen u geven zal, want op Hem heeft de vader, God,
zijn zegel gedrukt. (Joes 6,27) En ten derde male horen we het hier: “Mijn vlees
is waarlijk spijs, Mijn bloed is waarlij drank” Ook hier is geduldige aandacht
geboden. De woorden “mijn vlees” zijn het onderwerp van deze zin. Het woord “spijs”
is hier niet het onderwerp. Jesus zegt niet “deze spijs is waarlijk mijn vlees”.
ook ier moeten wij, alvorens verder te gaan, even bij verwijlen. We weten hoe
Joannes inhet begin van het evangelie getuigt: en het Woord is vlees geworden,
het woord is geschied: vlees. Als Jesus spreekt van Zijn vlees dan spreekt hij
over zichzelf als degene in wie het Woord van God tastbaar, vlees, zichtbaar is.
Datgene waarvan Joannes in zijn eerste brief zal schrijven: Hetgeen van den beginne
was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met eigen ogen, hetgeen
wij aanschouwd hebben en onze handen hebben getast van het Woord des levens ...
(1 Joes 1,1 v.v.). Dit woord des levens, zo tastbaar, zo zichtbaar, is een en
al gericht op het doen van de wil van de Vader, zo betrouwbaar. Het doen van die
wil is werkelijk spijs: mijn vlees is betrouwbaar die spijs ....
Het gaat allereerst om het doen van de wil van de Vader. Weer kan de psalm
geciteerd worden, de psalm die zo indrukwekkend het verhaal van de tocht door
de woestijn formuleert: Heden, zo gij Zij stem hoort, - om daar gehoor aan te
geven, om daar gehoorzaam aan te zijn, - wilt uw harten niet verharden, gelijk
te Massa en Meriba, daar hebben uw vaderen Mij verzocht - is God wel in ons midden
of niet -toen moest Ik wel zweren zij zullen niet ingaan in de belofte an Mijn
rust, in de rust van het veelbelovende land. Met het oog op de tocht naar het veelbelovende
land heeft Jesus het teken gesteld van de wonderbare spijziging. Omdat we alleen
maar de weg naar het veelbelovende land kunnen gaan, als we de weg gaan van de
wil van de Vader. Bij die twee laatste
keren dat het wooird “spijs” genoemd wordt, horen we ook de glorieuze titel “Zoon
des Mensen”. Het kan niet toevallig zijn, dat met het woord “spijs” ook de titel
“Zoon des Mensen” is verbonden. De Zoon des Mensen is immers degen die de weg
gaat van de wil van God, de Zoon des Mensen is degene die niet de weg gaat van
hetgeen de mensen willen. Het is de weg van degen waaraan de mensen gedaan hebben
al wat zij maar wilden. De Zoon des Mensen is degen die gekleineerd wordt, en
vernederd, die in de bloedsporen treedt van die allereerste
Zoon des Mensen, Zoon van Adam, die het onderspit delft, slachtoffer van broedermoord,
Abel ... Zo blijkt dat kin hemde wil geschiedt van degene die Hem heeft gezonden.
maar omdat deze Zoon des Mensen door God gerechtvaardigd is, omdat deze
Zoon des Mensen opgewekt is uit de doden, - zo is Hem alle macht gegeven inde
hemel en op de aarde - daarom kan Hij degene opwekken op de jongste dag die die
spijs gegeten heeft, en de betrouwbare drank gedronken heeft, eten en drinken.
Zo is de wil van God eten en drinken, spijs en drank. Op deze wijze probeert Jesus
uit e leggen aan ons, aan de Joden wat het beduidt: Hoe kan deze ons Zijn vlees
te eten geven. De Joden, die alle recht van spreken hebben, worden hier opgevoerd
als degenen die het niet begrepen hebben. Joannes vermeldt dat zij het niet begrepen
hebben, dat doet hij om het nog eens te kunnen uitleggen. de gelegenheid om het
nogmaals uit te leggen, en zo te onderstrepen om welke spijs het gaat:: dat is
de wil te doen van degene die Hem gezonden heeft. Het is merkwaardig dat het er alle schijn van
heeft dat wij de uitleg doorgaans lijken te laten voor wat hij is. Ook wij lijken
ons vast te bijten in de opmerking van
de Joden: hoe kan deze ons [zijn] Vlees te eten geven. De Joden moeten het wel bij het verkeerde eind
hebben ... en zo lijkt het erop dat wij menen niet eens verder te hoeven lezen.
Maar het is die spijs, de wil te doen van degene die Hem gezonden heeft, die voert
tot de uiterste consequentie van het leven van Jesus. Die wil is eten en drinken
voor Jesus, en voor al degenen die met Hem willen gaan, die met Hem willen wandelen.
De weg die Jesus gegaan is, is hier in het geding, de navolging van Jesus, zo
zullen wij kunnen leven tot in eeuwigheid. Het is niet voor niets dat we nu pas
oren dat Jesus deze dingen gezegd heeft in de Synagoge van Kapharnaum. Had de
evangelist dat niet eerder kunnen zeggen? Waarom doet hij het nu pas? Zou het
niet kunnen zijn dat nu duidelijk blijkt hoe de Synagoge rondom Jesus wordt geformeerd,
hoe wij samen tezamen komen daar waar we kunnen horen aangaande de wil van de
hemelse Vader. Het hele leven van Jesus is daardoor getekend,
is daardoor bepaald, Jesus is de
belichaming van het Woord, dat God gesproken heeft, vlees geworden onderricht.
Daarop mogen wij vertrouwen, daarin is ons geloof en vertrouwen verankerd. Ons
vertrouwen in hem en in elkaar, die ene gemeenschap die wij in broze vaten, in
vele tastbare tekenen met elkander dlen, in woord en sacrament in de navolging
van Jesus; zo geve God!
Am*dam 12 augustus 1997
© Ben Hemelsoet
Passiezondag
Diemen 29 maart 1998
Jesaja 43,16 – 21
Phil 3,8 – 14
De overspelige vrouw heeft wat rond moeten zwerven
aleer zij rust heeft kunnen vinden in het evangelie van Joannes. Zij heeft een
tijdje haar plaats gehad in het evangelie van Lucas, - de evangelist van de mildheid
van Jesus, - maar daar bij Lucas werd haar geen rust gegund. Nu is haar een plaats
gegeven in het evangelie van Joannes, maar een erg royale plaats is het niet,
zij staat er wat ingeklemd geklemd, ietwat benauwd, ietwat gewrongen, verlegen
tussen de grote teksten van het Loofhuttenfeest, tussen de ceremonie van het water
en het licht. Toch eist haar verhaal op
dat feest aandacht op, en het lijkt haar niet te deren dat zij de samenhang van
het Loofhuttenfeest ietwat teloor doet gaan .... Haar plaats is ongemakkelijk
gebleven, maar haar verhaal blijft ontroeren, tenminste als we ons richten op
haar visie van het verhaal. Op Jesus vraag: Vrouw, waar zijn deze u beschuldigers?
Heeft niemand u veroordeeld? Kam zij zeggen: niemand, Heer! Maar vooraleer wij
dat uit haar mond mogen horen is er wel het een en ander te vertellen, en de evangelist
heeft/moet ons ook wel iets uit te leggen. Want ook dit verhaal levert zijn geheim
niet zonder meer prijs. De evangelist wikt en weegt de woorden, doet ons dromen
en peinzen, en de vraag stellen; waarom zegt hij het zoals hij zegt, had hij niet
meer moeten zeggen, had hij het niet duidelijker kunnen zeggen. want hoe klinken
zijn woorden in onze oren, oren die toch met bepaalde zinswendingen van de evangeliën
vertrouwd zijn. Het verhaal begint: Jesus ging naar de Olijfberg. We horen deze
woorden en we weten dat deze woorden ook klinken in de nacht van Pasen, als Jesus
het Paasfeest heeft gevierd, de bevrijding heeft herdacht uit Egypte, in die nacht
waarin heel Israël moet waken, die nachtwake is een eeuwige inzetting in Israël,
van geslacht op geslacht. Voor de herinnering aan de bevrijding uit de slavernij
uit Egypte mag je wakker blijven, moet je wakker blijven, mag je niet slapen.
‘s Morgens vroeg komt Jesus wederom naar de Tempel. Het is dus anders als in de
nacht van Pasen. Jesus komt wederom in de Tempel. Hij wordt niet geboeid naar
het paleis van de Hogepriester gebracht. Hij gaar naar het heiligdom, daar waar God,
de Heer der Heirscharen troont, Hij het land vult met Zijn heerlijkheid. Daar
zetelt Hij om te leren, om onderricht te geven. De schriftgeleerden en de Farizeeën
brengen tot Hem een vrouw op overspel betrapt, op heterdaad. Tot zover is het
allemaal voorstelbaar, kunnen wij het ons allemaal voorstellen. Want in zulke
situaties laten wij ons geen détail ontgaan! Het is van alle tijden. Wat nu? Zij
plaatsen die vrouw in het midden, in het centrum van de aandacht, en ook dat is
geen groot nieuws. En wat volgt ook nog niet: Moses heef ons in de Wet geboden,
dat de zulken moeten worden gestenigd. Maar gij, wat zegt gij? En daar, door die
vraag neemt het verhaal zijn keer, zijn wending. Want zo zegt de evangelist, dit
vroegen zij om Hem op deproef te stellen, om Hem
te verzoeken. Om iets te hebben om Hem te beschuldigen. Merkwaardig, de aandacht
in het verhaal wordt verplaatst. De aandacht verschuift van die overspelige vrouw
naar Jesus. De beschuldiging van die vrouw, met een beroep op het onderricht van
Moses, wordt een poging, een verzoeking om Jesus te
beschuldigen. Niet de vrouw is in het geding, maar Jesus zelf. Zijn trouw
aan Moses, en aan het onderricht van Moses staat op het spel, in de tempel. De
aandachtige hoorder van dit verhaal kan/moet zich afvragen, waarom de schriftgeleerden
en Farizeeën daarvoor een vrouw van node
hebben, op heterdaad op overspel betrapt? Als zij erop uit zijn om Jesus te beschuldigen,
in de tempel, waarom hebben zij uitgerekend deze aanleiding gezocht. Ze hadden
toch ook de vraag aangaande de belasting kunnen stellen? Maar er is meer in het
geding, dit geding legt principes bloot,
raakt de grondslagen van Jesus en Zijn verhouding met de tempel. Op de beschuldigende
aanklacht antwoordt Jesus met geen woord. Jesus bukt zich terneer, en schrijft
in de aarde, met Zijn vinger, Hij schrijft op het land. Deze geste van Jesus is
als een verre echo van een tekst van Jeremia, de profeet. Bij deze profeet staat
immers te lezen: O Heer, Israëls verwachting! Allen die U verlaten zullen beschaamd
worden, en die van mij afwijken zullen in de aarde geschreven worden; want zij
verlaten de Heer, de springader van de levende wateren. Genees mij heer, zo zal
ik genezen worden; behoud mij zo zal ik behouden worden; want gij zijt mijn lof,
gij zijt mijn psalmgezang. Ziet zij zeggen tot mij: waar is het woord des heren?
Laat het nu komen! (Jer 17,13 v.v.). Jesus buigt, maar bezwijkt niet onder de
last van de beproeving om hem aan te kunnen klagen.
Schriftgeleerden en Farizeeën, hebben Hem, Degene die trouw is aan Moses,
willen tarten met een beroep op Moses. Jesus zegt niets, de evangelist tekent
alleen van Jesus een zwijgend gebaar ... Er
zijn vertalingen die vertalen dat Jesus geschreven heeft in het stof, - we kunnen
ons immers niet voorstellen dat er geen welgeplaveide vloer lag in de tempel ...
Maar waarom schrijft Joannes dan dat Jesus in de “aarde”? En bovendien waarom
wordt er geschreven dat Jesus met Zijn vinger schreef .... Degenen
die vertrouwd zijn met de schriften weten van de vinger Gods, staat er niet geschreven,
dat de Heer aan Moses de twee stenen tafelen der getuigenis gegeven heeft, twee
stenen tafelen beschreven door de vinger Gods (Ex 31,18; 32,16 vgl Deut 9,10).
Het geheim van datgene wat op de stenen tafelen geschreven is, - de twee stenen
tafelen die de Heer aan Moses heeft gegeven, is hier in het geding. Jesus buigt
zicht, maar schrijvenderwijs, met Zijn vinger, herinnert Hij eraan, dat wat in
de hemel geschreven is, op de aarde te lezen gegeven is. Wee degenen die alleen
maar in de aarde geschreven staat, als de aarde niet meer beschermd wordt door
de hemel. Als in het boek van de uittocht gesproken wordt: zie de vinger gods
is hier, dan mogen we weten dat dat wat geschiedt in overeenstemming is met het
onderricht van Moses zoals dat door God geschreven is. (Ex 8,19) Jesus buigt zich
onder het juk van de geboden en schrijft ze als een teken op aarde, ten teken
dat het de gebden uit de hemel zijn. Dat is het gebaar van Jesus!
Maar er is meer. Er is al opgemerkt dat het niet meer - allang niet meer,
- gaat om die vrouw op heterdaad betrapt. Jesus in de tempel daar gaat het om!
Nu moeten we ook weten dat daar waar in de schriften, bij de profeten gesproken
wordt over overspel we altijd mogen, moeten denken aan afgoderij; we moeten denken
aan de ontrouw ten opzichte van God, we meten denken hoe het volk achterlijke
goden achterna gegaan is, in plaats van haar enige Minnaar. We hoeven alleen maar
te denken hoe in het eerste hoofdstuk van
de profeet Hosea, de afgoderij van het volk wordt geschilderd. Het wordt heel
drastisch verteld. De profeet moert zich een hoer nemen, om zo aanschouwelijk
te maken hoe het volk zich gedragen heeft: overspelig, als een afgodendienaar.
Schriftgeleerden en Farizeeën hebben dit geweten, en in het hart van de tempel
stellen zij Jesus op de proef, verzoeken zij Hem, in een fundamentele bekoring
hoe het gesteld is met Zijn trouw, Zijn aanhankelijkheid aan God, zal Hij zich
scharen onder de schare van de overspelige afgodendienaren. En Jesus schrijft
in de aarde, want er is geen wig te drijven tussen de hemel en de aarde. Zo komen
ook de woorden van de profeet Hosea tot hun recht, want de profeet mag verkondigen
aan zijn broeders Ammi: dat is: Mijn Volk, en hij mag zeggen tot zijn zusters
Rachuma: dat is: Over haar heeft Hij zich erbarmd (Hos 1,12).
De schriftgeleerden zijn hardnekkig, zij blijven vragen, en dan pas richt
Jesus zich op: en dan horen we het woord dat we allemaal kennen: wie van u zonder
zonden is werpe de eerste steen op haar. En weêrom buigt Jesus zich, en schrijft
weêrom in de aarde, om zo de laten zien dat de eer Gods gelijkelijk geldt in de
hemel en op de aarde, dat Zijn onderricht moet worden gedaan op de aarde. Anders
gezegd niemand mag tot zondebok gemaakt worden, en het onderricht is geheel en
ongedeeld, geen yota of tittel kan eraan gemist worden als wij Gods barmhartigheid
deelachtig willen worden. Wij mogen geen overtredingen uitzoeken, waaraan alleen anderen zich schuldig zouden
maken, -.wij niet .... Alsof die anderen uitgesloten, uitgestoten, gestenigd zouden
moeten worden, - want wij doen immers zulke dingen niet ... Heel fijntjes merkt
de evangelist op dat zij allen afdropen, een voor een, beginnende bij de oudsten, allemaal. Dat maakt
het ook overbodig om te vragen: als er een overspelig vrouw is geweest, dan moet
er toch ook een overspelige man zijn geweest. Maar juist hier staan ze, een voor
een, allemaal, van de oudste tot de jongste, want allemaal zijn ze ontrouw geweest
waar het de trouw aan God betreft. Allemaal zijn zij aangetast door die zonde van
de afgoderij, door die zonde die vraagt, gelijk in de woestijn: is God wel in
ons midden of niet, met de ondertoon van: Hij zal er toch wel niet zijn. En zo
aan het eind is die vrouw het middelpunt van het verhaal, maar degenen die haar
in het middelpunt hebben geplaatst, zijn verdwenen. En zo roept die vrouw nieuwe
omstanders op! Jesus zal haar niet veroordelen. De vrouw krijgt alleen te horen
ga heen en zondig niet meer. Dat is: hecht je met hart en ziel, en al je krachten
aan de Ene unieke Heer, die trouw houdt tot in eeuwigheid, en die niet varen de
werken van Zijn vingeren .... Zo geve God!
Am*dam 26 maart 1998
© Ben Hemelsoet
Laetare Jerusalem
Diemen, 14 maart 1999
1 Sam 16, 1b + 6 - 7 + 10 - 13a
Eph 4, 8 – 14
Deze zondag kennen we onder de veelzeggende naam Laetare
Jerusalem. Veelzeggend want de rol van Jerusalem kunnen niet genoeg overdrijven.
De lof van Jerusalem kunnen we niet genoeg bezingen, haar lof moet klinken in het rond. Met onze nuchtere ogen, gewend aan het gedempte
;licht van de polder, en de grijze trage regen knipperen we ietwat verbaasd met
onze oogleden als we dit horen. We zijn geneigd om te zeggen: kan het niet wat
minder, ietwat rustiger, minder uitbundig. Maar uit de verte klinkt het dan: gij dwaalt en kent
de schriften niet, noch de kracht Gods … Want God heeft Jerusalem verkoren. In
de Paasnacht zullen we het uitbundig zingen als we het lied van Moses aanheffen.
Het visioen wordt bezongen dat ons met de bevrijding uit de duisternis van de
slavernij wordt getoond. Dat visioen mogen de bevrijde slaven voor ogen hebben:
Gij zult uw volk inbrengen, en hen planten op de berg van uw erfdeel, op de plaats
Heer, welke gij gemaakt hebt tot uw woning, het heiligdom dat Uw handen hebben
gesticht! De Heer zal Koning zijn en koninklijk regeren voor eeuwig en altoos!(Ex
15,17 - 18). En zo zouden we kunnen zingen met de psalm: o Jerusalem, zo ik u
ooit zou vergeten, mijn rechterhand verdorre eer. (ps 137, 5) Op de feestkalender van de
Synagoge staat het feest van de Loofhutten hoog aangeschreven. De evangelist Joannes
besteed ruim drie hoofdtukken aan dit feest van Loofhutten (Joes 7,1 - 10,21)
Op het loofhuttenfeest werd de toch door de woestijn in gedachtenis gehouden, en werd in het land, onder loofhutten, uitbundig de vervulling
van het visioen van Gods bevrijdende vrede tegemoet gezien. We
horen vandaag het evangelie van de genezing van de geboren blinde, en o vreugde,
in het evangelie van Joannes is het nog steeds Loofhutten feest, het feest van
Water en Vuur, van stromend water en laaiend licht. Op dat feest stroomt water
uit de tempel (Ez 47,1 Vidi aquam, egredientem de templo ….) feest Deze blinde
heeft in het evangelie geen naam gekregen. Het zou een koud kunstje voor de evangelist
geweest zijn om voor deze man een naam te bedenken. De schrijver heeft het per
slot van rekening voor het zeggen. Toch heeft Joannes het niet gedaan. Daarom
mag er vandaag gesproken worden over de geboren blinde. Het evangelie vermeldt
meer dan alleen maar een wonder. Het evangelie vertelt een teken. Want door die
geboren blinde geen naam te geven maakt de evangelist ruimte voor de lezer, de
hoorder van zijn evangelie. Allemaal waren we toch eerst kinderen van de duisternis,
verstoken van het licht; we hadden Jesus als het licht van de wereld nog niet
kunnen ontwaren, nog niet kunnen zien! Wij allen hebben het licht mogen zien.
Niet op grond van onze opvoeding, onze staat of stand, onze eigen wijsheid, maar
omdat Jesus ons in het voorbijgaan heeft gezien, en ons Zijn barmhartigheid heeft
bewezen. Jesus ziet die man aan. Maar er gaat iets vooraf.
Zo lezen: De Joden dan zeiden gij zijt nog geen vijftig jaar, en gij meent la
gezien te hebben wat Abraham heeft gezien? - Abraham heeft moeten wachten tot
hij de vervulling van Gods beloften mocht aanschouwen toen hij honderd jaar was.
In de ogen van de Joden kan Jesus zich nog niet op Abraham beroepen, hij
is immers nog niet eens halverwege …. - Jesus zeide tot hen: voorwaar, voorwaar
Ik zeg, eer Abraham was ben ik. Jesus beroept zich op Gods Naam, de Naam van God
is zijn instantie van beroep. Zij, de Joden dan, om Hem te stenigen. Maar Jesus
maakte zich onzichtbaar en Hij ging uit de tempel (Joes 8,57 - 59) En het verhaal
gaat door, waar wij vandaag zijn begonnen “en zo terwijl Hij langs hen heen ging,
Hij liet hen links liggen, zag Hij een mens blind vanaf zijn geboorte. Alle aandacht
is geboden bij het lezen van dit verhaal. Jesus ziet die mens. Van deze mens wordt
niet verteld, dat hij zat te bedelen, evenmin dat hij roept Eleison, Jesus Zoon
van David! De leerlingen volgen de blikrichting
van Jesus, en zij vragen naar de oorzaak van deze verblinding. Rabbi, wie heeft
er gezondigd, deze of zijn ouders dat hij blind geboren is. In het geheel van
dit verhaal klinkt dit hoogst merkwaardig! De leerlingen hebben Jesus horen zeggen
Ik ben het licht der wereld , wie Mij volgt,
zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het Licht des levens hebben
(Joes 8,12) - [Het zijn de regels ook waarmee het beroemde boek van Thomas
à Kempis, “De Navolging van Christus” inzet] Maar blijkbaar kijken de leerlingen
toch niet in de goede richting. Zij volgen niet de richting die Jesus gaat, zij
volgen Hem niet, en derhalve dwalen ze in het duister met hun insinuerende vraag:
Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders … Het is me de vraag wel die de
leerlingen stellen. We kennen die vraag maar al te goed! Heb je zijn moeder gekend?
Zijn vader wilde ook al niet deugen! Ja, wat wil je ook iemand uit zo’n gezin!
En zeg nu niet dat wij zulke opmerkingen nog nooit gehoord hebben,
nog nooit hebben gemaakt. Want moraliseren kunnen we maar al te goed. In
onze streken spreken we over het opgeheven vingertje, en we zijn nu eenmaal graag
de schoonmoeder van Europa, zo niet van de ganse wereld. Maar Jesus wijst ons
op iets anders, op iets gans anders: noch heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar
opdat de werken Gods in de hem zouden worden geopenbaard! De
grote werken van God, waarvan de psalm zingt (ps
111,2): magna opera Domnini,
exquisita in omnibus voluntatibus
eius, groot zijn de werken des Heren exquis in al
hun welgevallige bewegingen, of in een nader vertaling: groot zijn de werken des
Heren, de moeite van het onderzoeken waard door allen die lust hebben ze te doorvorsen.
De leerlingen, die die psalm toch hebben gekend, laten
zich niet door die psalm leiden. Hun vraag suggereert dat zij het al bij voorbaat
weten! In Jesus worden de werken Gods openbaar.
Hij moet werken zolang het dag is. Dat betekent meer dan alleen de prozaïsche
veronderstelling dat je in het donker niets ziet, en dus niet kan werken. Jesus
doelt op die wonderlijke dag één, die principiële dag van de eerste bladzijde
van schriften: God sprak er zij licht,, en er was licht. Het
werd avond en morgen dag één. Dat daar staat dag één is geen vergissing van de
schrijver. Heel nadrukkelijk onderstreept hij het unieke karakter van die dag
één waarop het licht zichtbaar wordt, het licht wordt geopenbaard! (Gen 1,3).
Daarom kan Jesus met nadruk zeggen. Zolang Ik in de wereld ben Ik ben het
licht der wereld, vervul Ik dag één. Jesus
spuwt op de grond. Maakt slijk met dat speeksel, en strijkt dat slijk op de ogen
van de geboren blinde. Let wel de blinde heeft nog steeds niets, maar dan ook
niets gezegd; hij laat met zich begaan. Jesus is aan het woord. Hij zegt hem:
ga u wassen in het badwater Siloam. Jesus zegt niet simpel; ga u wassen, maar
heel nadrukkelijk: ga u wassen in het badwater Siloam. Joannes geeft de uitleg
erbij. Siloam betekent zoiets als de gezondene. De blinde moet zich gaan wassen
in het water dat alle trekken draagt van Jesus’ zending. Nuchterder dan de evangelist kan hetgeen nu
volgt niet verteld worden. Hij da ging heen, waste zich, en kwam ziende (terug).
Het zal niemand verwonderen dat dit zgn. genezingsverhaal van ouds gelezen is
- in de vasten, - als voorbereiding op de doopplechtigheid. Daarom staat het ook
nog steeds in onze liturgie van de vasten. Voor Vaticanum II werd dit evangelie
voorgelezen op Woensdag na Zondag Laetare. Men wilde toch dit evangelie niet in
de vergetelheid laten verzinken van de doordeweekse dag, vandaar dat het nu op
deze zondag wordt voorgelezen, om ons zo ook aan onze doop te herinneren. Als
intrede zang werd in de oude liturgie de tekst gezongen van de profeet Ezechiël:
Als ik geheiligd zal zijn temidden van u, dan zal Ik u bijeenbrengen uit alle
landen, en Ik zal over u uitstorten zuiver water, en gij zult gereinigd zijn van
al uw ongerechtigheden, en Ik zal u een nieuwe Geest geven (Ez 36,23 v.v.) Deze
tekst van de profeet werd gedragen door psalm (34,2) Ik zal de Heer zegenen te
aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn …Dat zal de opdracht moeten
zijn van al degenen die gedoopt zijn, en die derhalve worden toegelaten tot de
lofzang Gods! “Geduriglijk: dat wil zeggen,
op de tijden van het morgenoffer en het avondoffer, op het rhytme van de getijden.
Want door de lofzang Gods wordt Zijn gemeenschap op aarde getypeerd. In de Kerk
van het Oosten wordt het doopsel “verlichting” genoemd vanwege het Licht van Jesus
dat over ons is komen stralen toen we werden gedoopt. Toen hebben wij het licht
ontvangen, wij hebben het licht van Christus ontvangen,
en van dat moment af aan mogen wij horen: gij zijt het licht der wereld! Zo zullen wij het ook zingen in de Paasnacht:
Lumen Christi, Licht van Christus als de paaskaars is ontstoken, en dat
licht zal stralen in de duistere kerk waar de gemeenschap vergadert is. Door ons
doopsel hebben gij verlichte ogen, hebben wij ogen om het visioen te zien waarvan
wij door het doopsel hebben gehoord. Wij hebben van het visioen gehoord van het
hemelse Jerusalem, waarvan de hymne zo schoon zingt: Coelestis urbs Jerusalem,
beatae pacis visio, Hemels Jerusalem, zalig visioen van vrede! Vandaar verheugen wij ons reeds op deze dag
met Jerusalem, Jerusalem verblijd u met haar, al degenen die haar liefhebben.
Wees vrolijk over haar met vreugde, al degenen die bedroefd zijn geweest over haar. (Jes 66,10). Daarom kan de
psalm die daarbij hoort ook vol jubel worden aangeheven: Ik was verheugd toen
men mij zeide, wij rekken op naar ‘s Heren huis. … Jerusalem is immers een stad
die wel aanééngesmeed is door de broederschap, wel gebroederd! Bid om de vrede
o Jerusalem, bidt om de vrede, de vervulling van dat visioen van Jerusalem. Zo
geve God!
Am*dam 13 maart 1999
© Ben Hemelsoet
Witte Donderdag
Diemen 9 april 1998
Exodus 12,1 – 20
1 Corinthe 11,23 – 32
Het gedenken van de bevrijding uit de duisternis van
de slavernij, uit de duisternis vs Egypte, ja, de bevrijding uit de duisternis
van de dood, wordt gemarkeerd door een bijzondere ingetogenheid. Deze dag, - luid
de schriften, - deze avond die bij het feest hoort, zal u wezen tot gedachtenis,
gij zult hem de Heer vieren als een feest; gij zult hem vieren van geslacht tot
geslacht, een eeuwige inzetting ... en even verder: Dat wordt herhaald en herhaald,
tot driemaal toe (Ex 12,14.17 en 24 v.v.) Onderhoudt dit voorschrift tot een inzetting
voor u en voor uw kinderen tot in eeuwigheid. En het zal geschieden, als gij in
dat land komt dat de Heer u geven zal gelijk Hij heeft gesproken heeft, zo zult
gij deze eredienst onderhouden, koesteren. En het zal geschieden, wanneer uw kinderen
tot u zullen zeggen: wat houdt gij daar voor een eredienst: zo zult gij zeggen:
dit is de Heer een paasoffer, Die voor de huizen van de kinderen Israëls voorbij
ging in Egypte, toen Hij de Egyptenaren sloeg, en onze huizen bevrijdde ... Het
laatste avondmaal is het laatste paasfeest dat Jesus met Zijn leerlingen vierde.
Jesus heeft Pasen gevierd van jongs af aan, dertig jaar lang. Hij ooit de jongste
geweest in het gezelschap van degenen die Pasen hebben gevierd, en toen heeft
Jesus ook de vraag mogen stellen, die morgenavond uit zo vele jonge Joodse kelen
klinken zal: waarom is deze nacht anders dan alle andere nachten? Wij hebben het
Paasfeest verdeeld over drie dagen, het triduum sacrum, het geheiligd drietal.
Maar daardoor lopen wij het gevaar dat we de grote beweging van het Paasfeest
in drie afzonderlijke dagen scheiden. Het zou er op kunnen lijken dat wij vanavond
e instelling van de eucharistie vieren, en morgen het bitter lijden van onze Heer
overwegen, en in de paasnacht van Zaterdag op Zondag Zijn opwekking uit de doden
zouden gedenken. Zo zouden wij vergeten dat wij liturgisch gedenken. In de liturgie immers,
door de liturgie zijn wij deelgenoten aan het mysterie; wij in liturgicis deelgenoten,
zo zijn wij met Jesus verenigd, zo volgen wij hem in Jerusalem. .Maar vanavond
gedenken wij het paasfeest, vieren wij het Paasfeest, op de avond voor Zijn lijden,
en vanavond zullen wij plechtig memoreren: dat is heden! Ook wij vieren de gedachtenis
van de bevrijding uit de slavernij. Ook wij kunnen voortaan zeggen: wij waren
slaven in Egypte, maar de machte hand van onze God heeft ons bevrijd. Ik ben de
Heer uw God, die uit Egypte, uit het slavenhuis heb bevrijd ..... Die eredienst
verrichten wij, en zullen wij verrichten totdat Hij komt in heerlijkheid ....
Het is een nacht van bidden en waken voor de Heer,
het is de nacht waarin de eerstgeborenen van Israël werden gespaard, want het
mag verkondigd worden: uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen. Maar het ontstellende
is nu dat heel Israël de bevrijding gedenkt, en dat dat uitgerekend ogenschijnlijk
niet geldt voor de uitverkoren Zoon, de veelgeliefde, in Wie God Zijn welbehagen
heeft gesteld. Er gebeuren nog meer dingen die niet te rijmen lijken met dd voorschriften
van Pasen. het is een nacht van bidden en waken voor de Heer, maar drie van Jesus’
geliefde leerlingen vallen in slaap. Kunnen die dan niet waken in de nacht? En
wat moeten we denken van die bende soldaten, die optrekken om Jesus te grijpen,
om Hem te boeien, Hem te voeren tot voor de hogepriester: uitgerekend in deze
nacht die tot gedachtenis van de bevrijding van alle kinderen van Israël is ingesteld!
Toch mag dit ontstellende ons niet afhouden van de viering van het Paasfeest:
want de bevrijding van Jesus zal geschieden, Zijn Vader zal Hem niet laten in
de strikken van de dood ....
Het staat allemaal wat geconcentreerd opgetekend in
de evangeliën. Van die geconcentreerde Paasviering
zijn wij gaan spreken als van de instellingswoorden. Daardoor lopen wij de kans
de boven- en de ondertonen niet meer te horen. Bij dat Paasfeest, heeft Jesus het brood genomen,
en met dat brood in Zijn handen heeft Hij ook gezegd, wat tot op de dag van Pasen,
dat is heden in alle Joodse gezinnen wordt
gezegd: Dit is het brood der ellende dat onze vaderen hebben gegeten in het land
van Egypte, laat ieder die honger heeft komen en eten. laat allen die in nood
zij komen en het Paasfeest vieren. Na de verwoesting van Jeruzalem is eraan toegevoegd:
dit jaar nog hier, het volgend jaar in het land Israël dit jaar nog niet bevrijd,
het volgend jaar als vrije mensen ..... Over deze tekst heen heeft Jesus zegt,
over het woord: dit is brood der ellende dat onze vaderen in Egypte hebben gegeten,
zegt Jesus: dit is Mijn Lichaam. Zo identificeert Hij zich geheel en al met de
ellende van het volk in de duisternis van de slavernij, in de duisternis van de
dood. Hoe innig, hoe huiveringwekkend vereenzelvigt Jesus zich met de gedachtenis
van dàt Paasfeest, de bevrijding uit Egypte Bij dat feest in de nacht van de duisternis,
in de duisternis van de dood van Egypte wordt nog wijn geschonken, de wijn zal
het volk pas smaken in het land, want de wijnstok is de eersteling waarmee de
verspieders terugkomen van hun ontdekkingsreis door het veelbelovende land. Daarom
staat er ook geschreven in onze liturgie, en na de maaltijd nam Hij de beker.
De beker die uitzicht geeft op dat goede land, dat overvloeit
van melk en honing, dat land dat ons is toegezegd krachtens de belofte die de
Heer gedaan heeft aan Abraham, en Isaak en Jacob, krachtens het verbond dat Hij
gesloten heeft met de aartsvaders, een verbond dat bezegeld zal worden in het
vergoten bloed van Jesus. Daarom schrijven de evangelist er bij dat Jesus niet
drinkt van de beker aleer Hij die opnieuw zal drinken in het Koninkrijk van God
...(Marc 14,25) En zo horen wij de spanning in dat laatste Paasmaal van Jesus.
Jesus en Zij leerlingen eten van het brood der ellende, maar Jesus zelf zal pas
drinken van de vrucht van de wijnstok in het Koninkrijk van God. Het gaat van
de duisternis van de dood in Egypte, tot het licht van Gods Koninklijke heerschappij.
Het gaat van brood tot wijn: dat is het geheim van de onze liturgie, en dat geheim
wordt door Jesus gang van dood naar leven gedragen.
Zo is Jesus de betrouwbare weg die te leven voert. Voor deze
levensweg van brood tot wijn staat het sacrament, het laatste avondmaal,
het laatste Paasfeest van Jesus garant .... Zo wordt het in onze gemeenschap van
Zondag tot Zondag in ere gehouden, gekoesterd. Lucas voegt er een heel saillant
verhaal aan toe. na de viering van de Paasmaaltijd is er twist onder de leerlingen
wie van hen wel de grootste zou zijn. Maar Jesus zegt hun: de koningen der volkeren
zij heer over hen, en zij die macht over hen uitoefenen worden weldoeners genoemd.
Gij echter niet zo! De grootste onder u moet de kleinste worden, en de leider
als een die dient. Want wie is de grootste, hij die aanligt of hij die dient?
Toch hij die aanligt! Ik ben in uw midden als een die dient ...
In onze diensten is het de eeuwen door goed gebruik
geweest om het laatste avondmaal, het laatste Paasmaal, niet als evangelielezing
te vertellen. De vertelling van dat Paasverhaal is immers het hart van
het tafelgebed. Op Witte Donderdag kan het als een brieffragment van Paulus worden
voorgelezen. Als evangelielezing zijn we blij, gelukkig met het verhaal van de
voetwassing volgens Joannes. Joannes geeft om zo te zeggen commentaar op die twist
van de leerlingen die Lucas vermeldt. Jesus gaat daar inderdaad rond als een die
dient. Maar Joannes schrijft het ook zo dat het ons te denken geeft. De evangelist
vermeld hoe Jesus zijn klederen aflegt, en he Hij na de voetwassing Zijn klederen
weer opneemt. Die uitdrukking afleggen en opnemen, die twee worden komen in het
evangelie nog maar een maal voor. En wel als Jesus zegt: heb de macht om Mijn
leven af te leggen en Ik heb macht om het weer op te nemen
.... Zo horen wij wat die dienst beduiden kan, die dienst
die Jesus aan Zijn leerlingen verricht, door hen de voeten te wassen. Het is ook
de slavendienst van Zijn dood! Waarom wast
Jesus de voeten van Zijn leerlingen? Er zijn liturgieboekjes waarin staat dat
daar waar het bezwaarlijk is om de voeten te wassen, men ook de handen kan wassen
van twaalf gelovigen. Maar dan heeft men echt buiten het evangelie gerekend. De
voeten worden gewassen opdat wij zo de voetstappen kunnen betreden van Jesus.
Met onze voeten gaan wij op de weg die Hij tijdens het laatste Paasfeest heeft
gewezen. Opdat wij alleen zouden leren, zouden beseffen, dat wij Pasen mogen vieren
om te weten wat het beduidt volgeling van Jesus te zijn. Het is niet alleen voor
Kerstmis gereserveerd om te kunnen bidden: ach laat ons uw paden betreden, want
Gij hebt de wereld beschaamt, gij kwaamt om de wereld te winnen de machtige vijand
te slaan. Zo ooit, dan geld het nu nu wij Jesus’Pasen gedenken. Zo wens ik u allen
van harte een Zalig Pasen: zo geve God!
Am*dam 8 april 1998
© Ben Hemelsoet
Passiezondag, 21 maart 1999
Sint Pancratius, Sloten
Romeinen 8, 8 – 11
Dit is Ben's laatst geschreven preek.
Hij heeft hem niet gepreekt.
We staan gericht op Pasen, het feest waarop gedenken
dat god Zijn lief Kind Jesus indachtig is geweest, door Hem op te wekken uit de
doden. Zo is de lieve Heer Zijn verbond indachtig geweest met de belofte gedaan
aan Abraham, aan Isaac, en aan Jacob, want God is geen God van doden, maar een
God van levenden; geen God die doden doden laat, maar een God die de doden ten
leven wekt. Met het oog daarop horen wij de wonderlijke tekst van de profeet Ezechiël
( die naam betekent: moge God hem sterken!). Hij is de profeet die met de ballingen
in ballingschap is, en in die ballingschap, in dat land van de schaduwen van de
dood de heerlijkheid des Heren mag aanschouwen, en de opstanding uit die ballingschap
mag aankondigen, de opstanding uit de duisternis van de ballingschap en de dood.
Zo worden ons de woorden in de mond gelegd om te kunnen spreken van onze verwachting,
van opstanding uit onze ter-neer-geslagenheid. De graven zullen geopend worden,
en zo spreekt de Heer: “Ik zal Mijn Geest in u geven, en Ik zal u in uw land Israël.
Een oude uitleg weet dat de doden uit de ballingschap op een mysterieuze wijze
in het veelbelovende land zullen opstaan uit de doden, om daar te kunnen genieten
- ten einde raad, - van al de beloften die God heeft toegezegd aan Abraham, Isaac
en Jacob. Zo zullen jullie weten dat Ik de Heer dit gezegd en gedaan heb, zo spreekt de Heer. In deze tekst
wordt door de Heer gesproken dat Hij Zijn Geest in ons zal geven. Het is om even
bij te blijven verwijlen. Als de Heer zijn Geest in ons zal
geven dan zullen mogen weten dat Hij die Geest zal geven met het oog op de opwekking
van de doden. De apostel Paulus zal het daarom ook zo kunnen schrijven aan het
begin van zijn brief aan de kerk van Rome. Hij spreekt daar over het evangelie
van God, waartoe hij is afgezonderd, en
hij vervolgd, dat evangelie van god heeft Hij tevoren beloofd door Zijn profeten
in de heilige schriften, dat evangelie gaat over Zijn Zoon Jesus, die geworden
is naar het vlees uit het zaad van David, maar die krachtelijk gesteld is als
Zoon van God volgens Zijn heiligende, heilige Geest, door de opstanding van de
doden, nl. Jesus Christus, onze Heer. (Rom 1, 1-4) Zo maakt Paulus ons duidelijk
dat wij niet kunnen spreken over Jesus als wij niet spreken over Zijn opwekking
van de doden. Om het wat eenvoudiger te zeggen Kerstmis is niet genoeg. Wij moeten
belijden dat Hij opgewekt is uit de doden krachtens de heiligende Geest van God.
Wij zijn het zo ogenschijnlijk niet gewend om over de heiligende Geest van God
te spreken. Maar als wij het klassieke gebed bidden om de komst van de heilige
Geest, de vertrooster, dan bidden wij ook om de troost die ons in de heiligende
Geest in de schriften is toegezegd, en daarom mogen wij bidden dat hij ons hart
vervuld met die vertroosting, en dat verlangen naar de opwekking van de doden
…
Tegen deze achtergrond, wellicht met deze woorden
van de profeet op de voorgrond mogen wij het verhaal horen van de opwekking van
Lazarus. Zijn naam betekent “moge God hem bijstaan”. Vandaar
dat wij de vraag mogen stellen of zijn naam wel zo’n duidelijke eigennaam is,
of zijn naam ook niet programmatisch is, een programma van toepassing op zovelen,
op allen, op ons. We weten hoe die naam Lazarus een rol speelt in de bekende parabel
van Lazarus en de rijke vrek. Merkwaardig dat wij die rijke in ons spraakgebruik
een rijke vrek hebben genoemd. De schrift spreekt eenvoudig van een rijke. Maar
als iemand zo rijk is … rijk zijn tot daaraantoe, maar zo rijk, dat kan niet.
Daarom hebben wij hem op voorhand alvast maar een vrek genoemd. (Luc 16,19 - 31).
Maar Lazarus is bij voorbaat een berooide, en hij leeft in Bethanië, het huis
van de armoede, van de berooiden, de hulpelozen, de hopelozen. Van die Lazarus
wordt uitdrukkelijk vermeld dat Jesus .hem liefheeft, alsmede zijn zusters Martha
en Maria. Ook dat moet te denken geven. De zusters van Lazarus laten Jesus weten
dat Lazarus ziek is. Maar Jesus spreekt
weer uitdrukkelijk de woorden die wij de vorige week ook hebben gehoord bij de
genezing van de geboren blinde: deze ziekt is niet tot de dood maar ter heerlijkheid
Gods, opdat de Zoon van God daardoor wordt verheerlijkt wordt. Hier horen we weêrom
de Zoon van God, zoals we dat ook gehoord hebben in de aanhef van de brief aan
de Romeinen. De Zoon van God die in kracht gesteld is door de Geest van heiliging,
de heiligende Geest, door de opstanding van de doden. Zo worden wij aan het begin
van dit verhaal over de opwekking van Lazarus al gewaar dat de opwekking van deze
Lazarus, een voorspel is, een aankondiging, een profetie van de opwekking van
Jesus zelf. En met dat blijft Jesus nog twee dagen daar waar Hij zich bevindt.
Daarna zegt Jesus niet: laten wij naar lazarus gaan, maar Jesus zegt: laten wij
weêrom naar Judea gaan. De leerlingen zeggen Hem: Rabbi, de Joden hebben u onlangs
nog gezocht om u te stenigen, en gij wilt daar weer heengaan? En evenals in het
verhaal van de geboren blinde, oren wij weer dat Jesus werken moet, zolang het
licht is. Want indien iemand overdag wandelt, zo stoot Hij zich niet, zo kan hij
geen aanstoot nemen, want hij ziet het Licht der wereld. Dan horen we hoe Jesus
openlijk spreekt over Lazarus die slaapt, en die Hij uit de slaap wil wekken.
En de leerlingen begrijpen het niet. Maar dit alles moet zo verteld worden opdat
wij vertrouwen in Jesus zullen hebben, dat wij in Hem zullen geloven, in Hem die
de verrijzenis en het leven is. Thomas zegt tot zijn mede leerlingen, laten wij
ook gaan om met hem (met een kleine letter of met een hoofdletter?) te sterven.
Thomas wordt hier voorzien van zijn bijnaam Didymus, en dat betekent tweeling.
Is dat een uitnodiging voor ons om ons als zijn tweelingbroer te beschouwen? Zij
komen in Bethanië. En daar spreekt Martha de bekende woorden: heer, zo gij hier
waart geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven, maar ook nu weet ik dat al
wat gij van god begeren zult, de God u geven zal …. Er is noch iets meer. Jesus komt in Bethanië
als Lazarus al vier dagen in het graf ligt. Wij kennen allemaal de bijbelse uitdrukking
van de derde dag. Wij zeggen het in onze geloofsbelijdenis: ten derde dage opgewekt
uit de doden. We zeggen niet ten vierde dagen opgewekt uit de doden. Als de vierde
dag hier zo nadrukkelijk wordt genoemd, wordt de indruk gewekt dat de goede dag,
die dag die voor de opwekking van de doden gemaakt is, reeds voorbij is. Als Jesus
tot Martha zegt dat zegt dat haar broeder zal verrijzen, spreekt zij haar geloof
uit in de opwekking van de doden op de jongste dag. Maar daar wil Jesus
haar niet mee troosten. Hij zegt Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij
gelooft zal leven al ware hij ook gestorven. In dit verhaal is dat geen algemene
uitspraak, maar een uitspraak van Jesus die precies de gestorven Lazarus betreft.
Martha spreekt haar geloof uit. Haar belijdenis lijkt op die van Petrus bij Caesarea
Philippi (Matt 16). Zij geloof dat Jesus, de Christus is de Zoon van de levende
God, de Zoon aangesteld, opgericht tot Zoon van god in kracht door de Geest van
heiliging krachtens de opstanding van de doden (zie Rom 1,1 - 4). Dat geloof zal
niet wankelen, ondanks de vier dagen dat Lazarus al in het graf ligt …. Martha
heeft haar geloof beleden, en zij blijft zoals wij haar kennen uit de verhalen
van het evangelie, actief, zorgzaam, praktisch. Zij is het die haar zuster roept:
de Meester is daar en roept u! Door de tranen van Jesus heen, geraakt het verhaal
in een stroomversnelling. We horen hoe Jesus bidt: vader Ik dank u dat Gij Mij
gehoord hebt, Ik wist dat Gij Mij altijd hoort, maar terwille van de schare die
hier rondom Mij staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven dat Gij Mij
gezonden hebt. Terwille van de scharen, terwille van ons wordt Lazarus opgewekt,
opdat wij zouden geloven dat Jesus opgewekt is uit de doden, dat Hij de
verrijzenis en het leven is voor ons. Jesus is de verrijzenis en het leven, omdat
Hij zelf opgewekt is geworden van de doden. Daarom is Hij het anker van onze hoop!
Daartoe wordt dit verhaal verteld opdat wij hoop zouden hebben in deze wereld,
en opdat wij niet zouden ronddolen gelijk degenen die geen hoop hebben, gelijk
de apostel zegt. De naam van deze passiezondag
is in de klassieke liturgie: Judica me, Deus, doe
mij recht, o mijn God Wij mogen deze psalm
ook op de lippen nemen met het oog op de opstanding van de doden, met het oog
op onze eigen opwekking. In die psalm wordt ook gebeden: zend mij uw licht en
uw trouw, uw betrouwbaarheid, dat zij mij brengen op de berg van uw heiliging.
Dat ik toch ingaan mag tot het altaar Gods, tot de God die mijn jeugd verblijd,
zoals dat in Latijnse vertaling luidde (ps 43, 1 - 3). Over die berg van Zijn
heiliging, waarheen Hij ons brengen zal, mogen
wij zingen in de paasnacht, als wij jubelen mogen over het Koningschap van God,
dat in volle glorie zal stralen als Hij de dood overwonnen heeft, van Zijn geliefde
Zoon als eersteling van al degenen die ontslapen zijn. Op die berg daar zal Hij
ons binnenvoeren, en daar zal Hij ons planten
op de berg van Zijn erfdeel, “op de plaats Heer, welke gij gemaakt hebt tot uw
woning, het heiligdom dat uw handen hebben gesticht, o Heer!” Zo zal de Heer Koning
zijn, en voor eeuwig, betrouwbaar voor altoos koninklijk koning zijn. Zo geve
God!
Am*dam 16 maart 1999
© Ben Hemelsoet
Paasochtend 1999
Het ene paasmysterie is in onze traditie uiteengelegd
in een triduum sacrum, elk van de drie dagen krijgt zijn eigen thematiek, en veelal
lijkt het erop alsof die dagen door waterdichte schotten omgeven zijn, die het
onmogelijk maken dat het een in het ander kan worden gehoord. Er wordt gedaan
of het verloop van de gebeurtenissen op de voet gevolgd kan worden, van uur tot
uur. Daarom lijken sommige verwijzingen ons te ontgaan.
Het twintigste hoofdstuk van Joannes zet zo in: op
(dag) één van de week ... Als we te snel lezen “op de eerste dag van de week”,
moet ons de verwijzing naar Genesis 1,5 wel ontgaan. Want daar wordt ook niet
gesproken van de eerste dag, maar heel nadrukkelijk van dag één. Deze dag springt
er immers uit, het is die dag, die dag waarop God zegt: er zij licht, en er was
licht Y. Deze dag is onvergelijkelijk, niet te vergelijken met de andere
dagen van de week, die volgens rangorde worden geteld. Het is ook een “licht
dat geschiedt” onvergelijkelijk met hetgeen wij licht noemen, een licht waarbij
het licht van de zon verbleekt! Op die dag één, ging Maria Magdalena (haar naam
wordt hier genoemd omdat zij ook bij het kruis heeft gestaan [Joannes 19,25]),
“vroeg in de morgen, toen het nog duister (!) was naar het gedenkteken, en zag
de steen weggenomen”.
Over een steen die voor het gedenkteken zou zijn gerold
heeft Joannes geen enkele opmerking. Het is Joannes er om te doen het getuigenis
aan het licht te brengen. Maar de lezer(es) weet als we Maria Magdalena uit het oog verliezen
gaat het hele verhaal niet door. Er mag gezegd worden van die andere “leerling
[dien Jesus liefhad], dat hij wel geloofde
maar dat hij de schrift
niet kende”. Drôle de foie zouden wij zeggen!
Op onze vragen wat dat voor een geloof zou kunnen wezen, geeft het evangelie
geen antwoord - alsof wij zouden kunnen zeggen wat ons geloof wel is.
Integendeel, alles wat gezegd wordt in het evangelie van Joannes staat
onder het beslag dat je van geen de leerlingen, zelfs niet van de leerling dien Jesus liefhad, enig soelaas zou kunnen verwachten Er wordt geloofd, er wordt vertrouwen geschonken
Y maar zij kenden de schrift niet! Om de schrift te kunnen kennen ook de schrift,
de scriptuur van Joannes hebben wij Maria
Magdalena van node. Zij treedt op als correctie van de beide leerlingen, want
uiteindelijk zal zij het getuigenis kunnen geven. Zij zal degene ontmoeten die
de profeet is van zij eigen profetie, de koning van zijn eigen koninkrijk, de
priester van zijn eigen priesterlijke bediening. Maria, - de twee leerlingen zijn
huns weegs gegaan (Joannes 20,10) en Maria die niet meer heet die van Magdala, verwijlt
bij het gedenkteken. Zij ziet engelen,
“één aan het hoofdeinde, een aan het voeteneinde”. [Daar komt het kindergebed
vandaan: ‘s avond als ik slapen ga.] Die engelen, boodschappers van Gods koninklijke
heerschappij, wijzen de weg, wijzen Maria de goede richting, - merkwaardig! Zij
keert zich achterwaarts. En van af dat moment gaat het verhaal in een Bijbelse
stroomversnelling. Au fond:
is Jesus nu de tuinman of niet? In
het Grieks heet de tuinman kèpouros, het woord heeft van doen met
kèpos, tuin, in een van de oude Griekse vertalingen, - die van Aquila, - wordt
het woord kèpos, ook gebruikt voor de Hof van Eden (Gen 2,8) Maar Joannes gebruikt het woord kèpos op een
wonderlijke manier. Joannes duidt met het woord
kèpos ook de hof van Olijven aan. (zie Joannes 18,1 vgl. ook 18,26) Maar
heel merkwaardig schrijft Joannes in 19,41: en op de plaats waar Hij gekruisigd
was, was een kèpos, en in die kèpos was “een nieuw monument, een gedenkteken waarin
nog niemand in had gelegen”. De plaats waar Jesus wordt overgeleverd, de plaats
waar Hij gekruisigd werd, en de plaats van het nieuwe gedenkteken, vallen bij
Joannes samen. Er is een eenheid van plaats, die alleen maar kan onderstrepen
dat Jesus zelf de Heer is van die plaats, en derhalve met recht en reden de Heer is van die plaats,
en die derhalve met alle boven- en ondertonen van dien, de kèpouros genoemd kan
worden. Joannes schrijft dit zo alsof Maria daar (nog) geen weet van kan hebben.
De aandachtige lezer(es) mag dit op het spoor komen, om zo te kunnen dromen wat
er allemaal geschieden mag op die dag één van de week, als “het licht geschiedenis”
mag maken. Als God de Sabbat gehouden heeft, die grote Sabbat
heeft gerust, en geheiligd en gezegend (Gen 2,3.4), en de mensen in Zijn
navolging welke mogelijkheden zijn er dan gegeven om opnieuw van een tuin en een
tuinman, opnieuw van een stralende schepping te berichten, opnieuw de boodschap
van het Koninkrijk van God te verkondigen in Gods Koninklijke domein. Het is aan
Maria Magdalena gegeven, die in de oosterse traditie dan ook de naam dragen mag
isapostolos de apostel-gelijke.
(De tekst is niet gedateerd.
Hij stond bijgeschreven, bij Mattheüs 17 - je)
Eerste Paasdag
Diemen, 12 april 1998
Handelingen 10,34a+37 – 43
1 Kor 5,6b – 8
Ten diepste kunnen we alleen maar biddend, belijdend
over Pasen spreken. Om het modern te zeggen daaraan ontlenen wij onze identiteit,
door die belijdenis zijn wij wat we mogen zijn. Ich bete an und darum bin ich
heeft een Duitse schrijfster gezegd. Ik aanbid, en zo ben ik iemand in Gods ogen.
Het klassieke gebed op de eerste Paasdag is daarom ook van een ontroerende schoonheid.
Het luidt zo: O God, die op de dag van heden door uw eengeboren Zoon de toegang
tot de eeuwigheid hebt ontsloten, want Gij hebt de dood verslagen ...
De woorden van dit gebed zijn zo verdicht, gedicht, dat het wel moeilik
is om die woorden op het eerste gehoor tot ons te laten doordringen. De woorden
klinken vertrouwd, maar het gevaar is groot dat wij de verstrekkende perspectieven
van die woorden ternauwernood horen. In het gebed toen wij een beroep op God.
Wij doen een beroep op hetgeen Hij op de dag van heden heeft gedaan. Voor wie
vertrouwd is met de psalm weet dat hier toespelingen klinken op die fameuze psalm:
Heden, zo gij Zijn stem hoort, wilt uw harten niet verharden, gelijk te Massa
en Meriba in de woestijn, daar hebben uw vaderen Mij op de proef gesteld, en toen
moest Ik wel zweren zij zullen niet ingaan inde rust van het veelbelovende land.
(ps 95)Vandaag herinneren wij ons die psalm, en doen met vertrouwen een beroep
op God. Wij weten van dat heden, wij willen
ervan weten, en treden met die psalm voor Gods aangezicht. Wij belijden dat Hij
heden voor ons de toegang tot dat veelbelovende land heeft ontsloten. Het staat
er ietwat merkwaardig, weinig concreet de eeuwigheid. Maar eeuwigheid is in de
taal van de schriftsen iets heel concreets, bijna tastbaar. Eeuwigheid is de vervulling
van Gods onwankelbare trouw, de verzekering van Zijn betrouwbaarheid ten einde
toe, onbetwijfelbaar. Gods betrouwbaarheid vult de eeuwigheid, er si alleen maar
eeuwigheid omdat die gedragen wordt door goedertierenheid en Zijn trouw, die duren
zal, die verder reikt dan wij kunnen denken. Die weergaloze God aanbidden wij,
want Hij heeft in Zijn eengeboren Zoon de dood overwonnen. Zo heeft Hij voor ons
de toegang tot al Zijn beloften ontsloten. Zo aanbidden wij op de dag van heden. Deze God heeft Zich te kennen gegeven in Zijn
eniggeboren Zoon. Maar ook die uitdrukking mag worden uitgelegd. Het is Zij Zoon,
ja, Zijn eniggeboren, in Wie Hij Zijn welbehagen heeft gesteld, die Hij uit de
duisternis van Egypte, uit de duisternis van het dodenrijk heeft opgewekt, en
die Hij de heerlijkheid van alle beloften van het beloofde land heeft geschonken,
de heerlijkheid van Gods Koninklijk Domein. Daarover mogen wij ons verheugen,
en daarom zijn wij niet meer zoals Paulus zegt, gelijk al die anderen die geen
hoop hebben! Laten wij ons verheugen: Surrexit Dominus vere, alleluja,
de Heer is waarlijk verrezen, alleluja. Dat is de ons zaligmakende wens op de
dag van heden: zalig, zaligmakend Pasen. Deze paasboodschap horen wij worden vertolkt
door Petrus. Maar - het zij met ietwat droefenis gezegd, - de eerste verzen van
de toespraak van Petrus worden ons onthouden. Petrus wordt in het huis van een
Romeins officier ontboden, een honderdman van het Italiaanse regiment, zijn naam
is Cornelius. Zo begint Petrus, ons tot troost: Ik verneem op betrouwbare wijze dat er God geen
aanzien des persoons is maar dat iedereen, ongeacht het volk waartoe hij behoort,
bij God welgevallig is, als hij God vreest en gerechtigheid doet. Dit is het Woord
dat Hij aan de kinderen van Israël gezonden heeft, de goed boodschap van de verzoenden
vrede, tussen Jood en heiden, door Jezus Christus die is de Heer van allen . Dat
mogen wij, die geen Joden zijn maar het vlees, allereerst vandaag horen. ook wij
horen deze boodschap, en de broederschap maakt daar deel van uit. We
mogen dat niet alleen voor ons zelf houden. Het mag stralen in onze gemeenschap,
het is onze gemeenschap met Israël.
Tegen deze achtergrond horen we het verhaal van Maria
Magdalena, en we weten bij dit verhaal in de tuin hoort een tuinman, De Tuinman,
de Hovenier. Het is dag een van de week. Dat de evangelist zo nadrukkelijk zegt:
dag één, heeft alles te maken wat we horen in het eerste hoofdstuk van genesis:
het werd avond en morgen: dag één. Het is de dag waarop God zegt: er zij licht,
en er was licht ...niet voor niets staat er daarom: het was nog duister. Maria
Magdalena gaatnaar het graf. Een opvallende beschrijving. De sabbat is voorbij,
en de dag na de Sabbat gaat weldra aanlichten. Maria gaat naar het graf, op de
Sabbat, de dag van God, de dag van Zijn Koninklijke Heerschappij is niets geschied,
en op dag één zal het leven zijn gewonde loop hernemen. Jezus is dood en bergraven,
wat kan er anders gebeuren dan te treuren bij Zijn graf? Er
hoeft niet geschreven te worden dat Maria Hem heeft willen balsemen, dat heeft
zij al gedaan in Bethanië, zes dagen voor Pasen (Joes 12,1 v.v.). Bij het graf
gekomen ziet zij dat de steen van het graf is weggenomen. Zij gaat naar Simon
en de andere leerling, dien Jezus liefhad, met de ontstellende onthutsende boodschap:
zij hebben de Heer weggenomen, en wij weten niet waar zij Hem hebben neergelegd
.... Tot zover hebben wij het evangelie gehoord, en in de laatste regels staat
vermeld: dat de leerlingen Maria geloofden dat de Heer niet meer in het graf was:
want zij kenden de schriften nog niet dat Hij van de doen moest worden opgewekt.
Vreemd dat we daar mee de lezing zouden besluiten op de eerste Paasdag. Zouden
we niet mogen horen wat er verder met Maria is geschied, zij die in de Oosterse
traditie wordt genoemd de apostelgelijke? Maria
weent, en zij is de eerste die twee engelen, twee boden Gods ziet zitten, een
aan het hoofdeind, en een aan het voeteneind. En wij horen hier de eerste opzet van het avondgebed voor kinderen (van
kinderen alleen?): ‘s avonds als ik slapen ga volgen mij veertien engeltjes na,
twee aammijn hoofdeind, twee aan mijn voeteneind .... Maar als Maria zich afwendt
van het graf, en omkijkt ziet zij Jezus staan, maar zij weet niet dat het Jezus.
Op de vraag van Jezus wie zoekt gij (een vraag die we al eerder gehoord hebben
in de hof van Olijven (Joes 18,4) staat er allen maar dat Maria denkt dat Jezus
de hovenier is, de tuinman .... Hier mag even gewezen worden op een markant trekje
van het evangelie van Johannes. Johannes gebruikt hetzelfde woord voor de hof
van Lijven als van de hof waarin Jezus begraven wordt, en om het nog mysterieuzer
te maken, schrijft hij aldus: en op de plaats waar Hij gekruisigd was, was
een hof. De plaats waar Jezus waar Jezus
gevangen genomen wordt, de plaats waar Hij wordt gekruisigd, en de plaats waar
Hij wordt begraven worden, worden door Johannes met hetzelfde Griekse woord aangeduid:
kèpos, hof. En zoals het Nederlandse woord hovenier met hof te maken heeft, zo
ook het Griekse woord. het wordt nog spannender, als we weten dat dat woord voor
hof in een Griekse vertaling ook gebruikt wordt voor de hof van Eden (Gen 2,7)
Hoe is Jezus hier de mens die door Gods geplaatst is, die God heeft doen rusten
in het paradijs. Hoe is Jezus hier geschilderd als de Heer van dat veelbelovende
land, dat land dat God ons in het vooruitzicht heeft gesteld, waarnaar wij nu
sinds Pasen, het feestvan de bevrijding vol vertrouwen kunnen uitzien! Jezus noemt
Maria bij haar eigen naam: Maria. In die begroeting herkent zij die haar dierbaar
is. Zij antwoord Rabbouni, mijn leraar, gij die Mij de betrouwbare weg ten leven
leert, omdat gij zelf de betrouwbare weg ten leven zijt. De innigheid van die
herkenning die door de evangelist wordt gesuggereerd staat ons niet toe alleen
maar te vertalen: raak mij niet. De tekst van Johannes suggereert, blijf me niet
omhelzen, want ik ben nog niet opgevaren naar Mijn vader, maar ga heen naar Mijn
Broeders, - en hoe weid en weids mogen we dat op eerste Paasdag, dag één van de
week verstaan. Maria Magdalena gaat heen en meldt het aan de leerlingen dat zij de Heer had gezien, en dat Hij haar
dit gezegd. Zo is Maria de eerste getuige
van Jesus opwekking van de doden. Daarmee mogen wij het doen, in groot vertrouwen,
in groot geloof. Zo bidden wij voor elkaar, en met elkaar: zo geve Gods ons een
zaligmakend Pasen!
Am*dam 8 april 1998
© Ben Hemelsoet
Tweede Pinksterdag
Diemen 1 juni 1998
Handelingen 19, 1b - 6a
In onze streken kennen we de gewoonte om de feestdagen
twee dagen lang te vieren. Zo kunnen we nog even verwijlen bij het geheim
van Pinksteren, het feest van de zeven maal zeven weken, het feest van de voltooiing
van Pasen. Want met Pinksteren wordt de Paaskaars gedoofd. Pinksteren staat niet
los van de overwinning, de bevrijding die ons geschonken is met Pasen, de overwinning
op de dood, de bevrijding uit de slavernij, de bevrijding uit de slavernij van
de duisternis van de dood. Jesus is de eerstgeborene van al degenen die ontslapen
zijn. Zijn Vader heeft die eerstgeborene hoogverheven aan Zijn rechterhand. Zo
zal Lucas het schrijven in de Handelingen van de Apostelen, als hij Petrus laat
zeggen: Deze Jesus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. Hij
dan door de rechterhand verhoogd, verheven, heeft de belofte van de heilige Geest
ontvangen van de Vader, en Hij, Jesus, heeft die Geest uitgestort zoals gij nu
ziet en hoort. (Hand 2,32-33). In de beschrijving van Petrus horen wij hoe er
samenhang in het geheim van God. God de
Vader heeft Zijn Zoon opgewekt uit de doden, de Vader heeft Zijn Zoon een plaats
gegeven aan Zijn rechterhand, en daar aan
die rechterhand van de Vader wordt Hem de belofte van de heilige Geest geschonken,
en Jesus op Zijn beurt kan die heilige Geest over uitstorten. Zo delen wij, mogen
wij delen in het geheim van de heiligmakende Geest, de heiligende Geest. Zoals
Petrus het beschrijft, is de Pinksteren niet los te maken van de Hemelvaart van
Jesus. Jesus hoogverheven, kan nu de belofte van de Vader schenken.
Jesus wordt verheven en de Geest daalt neer. De kerkvaders hebben over
dat geheim meer nagedacht dan wij doorgaans doen. Wij laten onz vrome fantasie
doorgaans niet leiden door hetgeen wij inde psalmen hebben gelezen, als wij al
psalmen lezen. De heilige Maximus Confessor, de belijder
(580 -662) roept de psalmtekst op om te kunnen spreken over de Hemelvaart des
Heren:
Zegen mijn ziel, den Heer ...
Die uw leven verlost van het verderf
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden
Die uw mond verzadigd met het goede,
Die uw jeugd vernieuwt als van een adelaar (Psalm 103,4-5)
Het is volgens Maximus geen geringe beeldspraak van
de psalmdichter. Zoals de adelaar de lagere, de kleine dingen achter zich laat,
en in de nabijheid komt van het hemelse, zo laat onze Zaligmaker de vernedering
van de onderwereld achter zich, en zoekt de hoogste hoogten van het paradijs.
Hij dringt door tot in het opperste van de hemelen ... We worden bijkans jaloers
als we deze meditatie lezen. Waren ons de psalmen maar zo vertrouwd, dat ze onze
verbeelding konden voeden, dat we ons op
de wiekslag van die woorden konden verheffen, dat wij zo ons hart zouden kunnen
verheffen, zo aan de aan de oproep gehoor konden geven Sursum Corda; dat wij zo
in onze gebeden de weg van onze Zaligmaker konden volgen om zo de troost van de
heiligende Geest konden verwerven. De beweging van Hemelvaart gaat - uiteraard
- van beneden naar boven. Een van de eerste keren dat er
in de schriften sprake is van een beweging van beneden naar boven staat beschreven
in het boek van Pasen: Exodus (Ex 2,23 v.v.). daar staat immers dat het gekerm
van de kinderen van Israël, hun geweeklaag over hun slavernij opsteeg naar God,
en God hoorde het, en God was indachtig Zijn verbond dat Hij met Abraham, en met
Isaäk, en met Jacob had gesloten. De gedachtenis van God, dat God Zijn verbond
met Abraham gedenkt is het grote geheim van God. God gedenkt wat Hij in een verbond
heeft toegezegd, wat Hij aan de vaderen heeft beloofd .... Het gekerm, het gezucht
en geween, al het kreunen van de slavendienst stijgen op tot God. Als het Hemelvaart
is, zouden we zo kunnen denken aan Jesus. Hij stijgt ten hemel, gelijk het gekerm
van de kinderen van Israël opstijgt to God. Jesus stijgt op ten hemel, Hij stijgt
uit de doden, uit de slavernij en de duisternis van de dood, Hij ontstijgt aan
alles wat onderdrukking is en geweld, Hij ontstijgt aan alles wat kleineert en
ten onder houdt. Door de rechterhand van de Vader wordt Hij hoog verheven uit
de ellende van de slavernij, uit de duisternis van de dood. Zo is Jesus het levende
gebed, zo is Jesus zelf de weg van het gebed naar de Vader, Jesus is de belichaam
van de oproep verheft uw harten! . Het is tegen deze achtergrond van het roepen
in de slavernij dat de brief aan de Hebreeën kan schrijven, en we horen de kreten
van de onderdrukking: Hij heeft in de dagen van Zijn vlees
onder luid geroep en onder tranen gebeden en gesmeekt tot God, die Hem uit die
slavendood kon redden na de doorstane angst is Hij verhoord (Hebr 5,7 v.v.) En
zo is Hij geworden de geliefde Zoon die God uit Egypte heeft geroepen. Uit die
ellende is Hij geroepen, en God heeft Jesus hoogverheven aan Zijn rechterhand
.... In de tekst van Exodus, we hebben het al gezegd, stijgt het gebed op, in
geweeklaag en gejammer, en Jesus is daarvan de belichaming! Maar
dat opstijgen heeft ook zijn pendant, zijn tegenhanger
in het afdalen want in Exodus staat ook geschreven hoe God zegt tot Moses in de
gloed van het brandende braambos: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking van Mijn
volk dat in Egypte is, Ik heb hun geschrei gehoord vanwege de slavendrijvers,
want Ik heb hun smarten gekend, daarom ben Ik neergedaald om het volk te bevrijden
uit de hand van de Egyptenaren, en het doen opstijgen uit dit land, naar een goed
en ruim land, naar een land dat overvloeit van melk en honing ...... (Ex 3,7 -
8) Zo horen we ook hoe Jesus’ bevrijding uit de dood gelezen kan worden, gehoord
kan worden met de woorden van het verhaal van Pasen, juist met de woorden van
Pasen zoals dat in exodus, het boek van de uittocht beschreven staat. Maar in
dat verhaal horen we ook het belangrijke woord daarom ben Ik afgedaald. Het is
het woord dat bij uitstek met Pinksteren mag worden gehoord. God daalt neer, Zijn
Geest daalt neer. Dat neerdalen kan alleen maar zo geschreven worden ter wille
van de bevrijding, de Geest daalt alleen maar neer om de bevrijding van Godswege
te bezegelen. Wij zijn zo gewend te spreken van de vrijheid van de
kinderen Gods, dan mogen we wel beseffen dat die vrijheid die vrijheid is die
met Pasen ons ten deel gevallen is. De Geest daalt neer opdat wij dat innig en
innig mogen beseffen en kunnen beseffen. Tot
onze troost zal Paulus het zo schrijven: wij weten niet eens hoe wij bidden moeten,
dat wil zeggen, wij kennen niet eens ten volle de weg van het gebed des Heren,
de weg van het gebed van Jesus zelf. Wij weten niet eens wat het beduidt dat wij
die weg van het gebed des Heren kunnen gaan. Het is de Heiligende Geest, zegt
Paulus, die in ons hart spreekt met onuitsprekelijke verzuchtingen, die in ons
bidt, en stamelt Abba, vader ... (vgl. Rom 8,26).
Maar laten we dan wel beseffen dat het die Vader is die Jesus ut de strikken
van de dood heeft bevrijd, die Zijn Zoon bevrijd heeft uit de slavernij van Egypte.
Maar hoe dikwijls lijkt het er niet opdat wij ons niet willen laten bevrijden,
dat het voor ons zo moeilijk is om als bevrijde mensen door het leven te gaan!
Als wij zo bevrijd zijn, hebben wij die heiligende
Geest zeer van node. Want op die weg naar het veelbelovende land hebben wij het
nodig dat we de goede woorden kennen, die wij moeten kennen om het spoor niet
bijster te raken. Wij moeten de woorden horen in onze eigen taal, we moeten die
woorden koesteren in onze eigen tongval. Het is niet voldoende om gedoopt te zijn
met het doopsel van Joannes. We moge ook weten dat we met dat doopsel van Joannes
gedoopt zijn om te mogen weten dat er iemand na hem komt, die groter en sterker
is dan hij. Hij zal dopen met vuur en heilige Geest. Heel nuchter kunnen we opmerken
dat de Kerk sinds eeuwen doopt met water. De vraag mag daarom gesteld worden,
en waar blijft nu de doop met de heilige Geest, de doop met vuur en vurigheid?
Wij zijn gedoopt met water om precies die vraag te mogen stellen, dag in
dag uit. Wij mogen de vraag stellen wanneer komt nu eindelijk die doop
met vuur en heilige Geest, die doop met vuur en Geest die ons alles in herinnering
zal roepen, alles ... tot vreugde van elkaar: zo geve God.
Am*dam 27 mei 1998
© Ben Hemelsoet
5de Zondag na Pasen - 6de Zondag van Pasen
Purmerend 17 mei 1998
Handelingen 15,1-2. 22-29
Sinds de liturgiehervorming van Vaticanum II tellen
we niet meer de Zondagen na Pasen, maar heten de Zondagen tussen Pasen en Pinksteren:
de Zondagen van Pasen. Zeven zondagen lang gedenken we het feest van de bevrijding
uit de duisternis, gedenken wij de bevrijding uit de duisternis van de slavernij,
de bevrijding uit de slavernij van de dood. Daarom hoeft het ook geen verwondering
te wekken dat we op deze zondagen lezen uit de afscheidsredenen van Jesus, die
weet dat Zijn uur op handen is ... Dat gedenken we, unde et memores ....zoals
telkenmale gezegd wordt als de eucharistie gevierd wordt, dat Paasmaal in kort
bestek, de bevrijding op een liturgische wijze geconcentreerd. Wij gedenken: en
daarom verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt. Merkwaardig dat in de
verklaring van het Vaticaan, aangaande de Shoa, er geen enkele verwijzing gemaakt
wordt naar dat gedenken dat de zin is, de betekenis van het samenkomen van onze
gemeenschap van week tot week .... In dat gedenken van de dood van Jesus lezen
wij vandaag ook de woorden die Jesus heeft gezegd met die dood voor ogen. We horen
hoe Hij zegt: indien iemand Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren. Met
dit woord van Jesus weten we blijkbaar niet goed raad, we weten niet goed hoe
we dit woord bewaren moeten weergeven in onze taal. Er wordt vertaald ter harte
nemen, of zich aan Zijn woord houden. En om het zogenaamd duidelijker te maken
wordt er vertaald: wie Mij liefheeft zal zich aan Mijn woorden (meervoud) houden
.... We kennen de uitdrukking, - inderdaad
, - wanneer er geschreven wordt zich houden aan de voorschriften des Heren, als
we ons moeten houden aan de voorschriften
van Pasen, aan de liturgie van de bevrijding (vgl. Ex 12,17), we kennen de uitdrukking
als Jesus bij Mattheüs zegt indien gij het eeuwig leven wilt binnengaan, houd
de geboden (Matt 19, 17). Maar zo staat het geschreven in het boek Deuteronomium:
Nu, Israël, hoor naar de inzettingen en de rechten die Ik u leer te doen, opdat
gij leeft, en henen komt en het land beërft, dat de Heer, de God van uw vaderen
geeft. Gij zult tot dit woord (enkelvoud), dat Ik u gebiede,
niet toedoen, noch afdoen, opdat gij bewaart de geboden van de Heer uw God! (Deut
4,2 -3). Als we dit horen, kunnen we wellicht
bepeinzen waarom Joannes hier Jesus het enkelvoud Mijn woord in de mond legt.
Het zoude voor hem toch ook een klein kunstje zijn geweest om hier het meervoud
woorden te schrijven? Maar we weten hoe Joannes zijn evangelie is begonnen, hoe
hoog hij inzet: In den beginnen was het woord, en woord was bij God, op God gericht,
en God was het woord .... En even verder horen we in het eerste hoofdstuk van
Joannes: en het woord geschiedde, tastbaar, even broos als tastbaar: vlees. Om
in de verbeelding van de taal van Joannes te blijven, te verwijlen in hetgeen
hij zegt, moeten we ook die laatste zin niet te snel vertalen met: en het Woord
is vlees geworden Op dat woord geschieden mogen we alle nadruk eggen, want het
gaat immers om de geschiedenis van het Woord. Het Woord geschiedt. Gods beloften,
Gods toezeggingen maken geschiedenis, Gods beloften blijken betrouwbaar te zijn.
De heerlijkheid van Gods betrouwbare woord, mogen wij aanschouwen in Jesus die,
de bevrijder, die zo de geschiedenis Gods maakt te midden van ons. Daaraan mogen
wij denken als we vandaag horen dat Jesus zegt: wie zo iemand Mij liefheeft, die
zal Mijn woord bewaren. dat wil ook zeggen degene die Jesus liefheeft zal de beloften
Gods die in hem belichaamd zijn, koesteren en bewaren. Zo iemand Mij liefheeft
zal diegene de vervulling va die belofte koesteren en bewaren, zal leven vanuit
die bevrijding. Hij/zij zal leven vanuit de bevrijdende overwinning die met Pasen
ons deel geworden is. Zo zullen we mogen horen, in vertrouwen, in alle vertrouwen:
Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypteland heeft bevrijd, die u heeft bevrijd
uit de duisternis. We zijn bevrijd, en daarom hoeven we het slavenuk niet meer
te dragen: wij zijn bevrijd ... We hoeven niet teug te verlangen naar de vleespotten
van Egypte, we hoeven niet meer te roerem in die ronkende potten, in die kolkende
ketels. We hoeven ons niet meer af te vragen hoe wij in die ellende terecht zijn
gekomen, want de Heer heeft ons bevrijd. Wij zijn van die mensen die een bizarre
nieuwsgierigheid koesteren. Wij willen weten hoe wij in die poel van verderf terecht
zijn gekomen. Wij hebben die bizarre phantaisie zo gekoesterd dat
we menen Gods barmhartigheid af te kunnen meten naar onze ellende ... Maar
zo spreekt de lieve Heer nooit ente nimmer. Het enige wat wij horen is: Ik heb
jullie bevrijd. Maar vele malen vallen terug, willen we het niet waar hebben dat
God ons heeft bevrijd. Een Duitse filosoof heeft ooit gezegd: als die Christenen
er eens een beetje bevrijder uit zouden willen zien; en een franse romancier merkt
op: als ik die christenen zie, kan ik ternauwernood geloven dat Jesus gezegd heeft:
gij zijt het zout der aarde; het lijkt erop alsof Hij heeft gezegd dat christenen
het azijn der aarde zouden moeten zijn, ze kijken zo zuur .... We nemen ternauwernood
serieus hetgeen volgt in het evangelie na zo iemand Mij liefheeft, en Mijn Woord,
Mijn vervulde belofte koestert, dan zal ook Mijn Vader hem/haar beminnen, en wij
zullen tot hem, tot haar komen, en wij zullen woning maken bij hem, bij haar.
Dank zij de bevrijding wil God woning maken bij ons. HIJ woont bij ons!
Maar wie Mij niet liefheeft, die koestert
Mijn woorden niet. Merk op: hier
gebruikt Joannes het meervoud, hier schrijft hij woorden in het meervoud. Als
wij Jesus niet liefhebben dan versnippert het Woord enkelvoud, eenvoudig in een
veelheid van woorden, dan zien wij door de bomen het bos niet meer, dan kiezen
wij uit wat ons past, we maken een selectie, en raken het zicht op het bevrijdende
woord kwijt, en derhalve ook het zicht op Jesus. De samenhang glipt tussen onze vingers door,
we hebben er geen greep meer op. Wat we dan zogenaamd verslijten voor het Woord
van Jesus is Zijn woord allang niet meer. En Jesus voegt er ten overvloed aan
toe: dat ene Woord is het Mijne niet, maar is de toezegging, de belofte, het Woord
van de Vader ie Mij gezonden heeft.
Als het allemaal wat moeilijk lijkt, als het u allemaal
wat duizelt, omdat de eenvoud door ons voor moeilijk wordt versleten, kunnen we
ons troosten met hetgeen volgt. De Trooster, de heiligende Geest zal de Vader
zenden. Hij zal u alles leren, en Hij zal u indachtig maken alles wat Ik heb gezegd
Hij zal ons allen heiligen, geheiligd maken in Gods ogen, omdat Hij ons alles
in herinnering zal brengen wat Jesus heeft gesproken. Niets zal aan onze herinnering
ontsnappen als wij ons willen laten leiden door die heiligende Geest, die Vertrooster.
De heilige Geest is degene die ons troost, op die trooster, op die troost kunnen
wij een beroep doen. Paulus zal het in de brief aan de Romeinen zo zeggen. Nadat
hij gezegd heeft dat we ons nergens op moeten laten voorstaan, dat we niet beter
overons zelf moeten denken dan over anderen, dat wij anderen niet mogen kleineren,
er niet onder mogen houden, dat wij niemand mogen onderdrukken., omdat dat nu
precies tegen de Blijde Boodschap in gaat dat God Koning is, en dat derhalve onze
eigen Koning geen victorie kan kraaien ...
Paulus zegt: wij die sterk zijn, die menen sterker te zijn dan degenen die wij
als zwakken beschouwen, - wij die sterk zijn, zijn verplicht om de zwakheid van
degenen die in onze ogen nog niet zo sterk zijn te dragen en te verdragen. Daarom
kan niemand, mag niemand van ons zichzelf behagen. Iedere Ieder van ons moet zijn
naaste behagen ten goede, tot stichting! Want ook Christus
heeft zichzelf niet behaagd, Hij heeft zich nergens op laten voorstaan, maar gelijk
geschreven staat: de smaad van degenen die U smaden o Heer, zijn op Mij gevallen.
Want alles wat tevoren opgeschreven is, als programma is gegeven, dat is tot onze
onderrichting als programma gegeven, opdat wij door geduld, en de vertroosting
der schrift, hoop zouden hebben ... (Rom
15,1 - 4) Wij zijn derhalve niet als degenen die geen hoop hebben, dank zij onze
Vertrooster, dank zij de Vertroosting van de Schriften, dank zij onze eendracht,
dank zij onze eensgezindheid ...
Over die eensgezindheid gaat de lezing van Handelingen.
In de eerste jaren na Pinksteren weten de eerste volgelingen van Jesus nog niet
goed hoe alles verder moet: er zijn immers Joden en heidenen, net als nu. Hoe
kunnen de volgelingen van Jesus uit de Joden en de volgelingen van Jesus uit de
heidenen eendrachtig eensgezind als broeders en zusters samenleven? Moeten de
volgelingen van Jezus uit de heidenen alle voorschriften van Joden nauwgezet volgen,
moeten de heidenen geen respect tonen voor de Joden aan wie belofte zijn toevertrouw,
en het onderricht .... Wie ietwat weet van de verhouding Joden heidenen/christenen,
met name in ons tijdsgewricht, weet dat daaraan nog wel het een en ander schort,
- om het heel bescheidenlijk te zeggen ...
Maar hoe zouden die Joden en heidenen met elkaar aan tafel kunnen gaan, hoe zouden
zij samen eucharistie kunnen vieren, als de zaken zo toegespitst, zo op scherp
worden gespeeld. De oplossing is van het concilie van Jerusalem; de volgelingen
van Jezus uit de heiden zouden geen aanstootgevend gevend voedsel aan hun Joods
geloofsgenoten voorstellen, zodat zij gastvrij zouden kunnen worden onthaald,
ook in huizen niet van joodse afkomst. Er is geen scheidsmuur tussen Joden en
heidenen, want Christus heeft die scheidsmuur afgebroken, - Hij heeft niet nog
ergens een klein muurtje laten staan, waarachter wij ons veilig zouden kunnen
voelen! Christus heeft niet iets apart voor ons, christenen uit de heidenen apart
gezet, zodat wij ons veilig, onder ons, zouden kunnen voelen .... Wij weten wat
er in de loop van de geschieden is is gebeurd, in onze dagen. Wij mogen ons laten leiden door de Geest van
vertroosting, door de heiligende Geest die de schriften heeft geïnspireerd, en
die maakt dat de schriften inspirerend
kunnen zijn, op een onvermoede wijze, vol van phantaisie en verrukking, vol van
onvermoede schoonheid: zo geve God!
Am*dam 13 mei 1998
© Ben Hemelsoet
Sloten, Heilige Pancratius,
zevende Zondag van Pasen, 24 mei 1998
Joannes 17,20 – 26
Vandaag horen we voorlezen uit de Handelingen van
de Apostelen. We horen het slot van de rede van Stephanus, en we kunnen ons afvragen
waarom het slot van die rede vandaag tussen Hemelvaart en Pinksteren in os leesrooster
is opgenomen. Het feest van Stephanus wordt gevierd op 26 december, bij ons bekend
als tweede Kerstdag. Zijn feest wordt gevierd in het aardeduister van de winter,
in de dagen dat de Synagoge het Chanoekafeest viert, de hernieuwde inwijding van
de tempel na de donkere jaren van vervolging, na de uitzichtloze dagen van de
onderdrukking, na de glorierijke strijd van Maccabese broeders, maar ten koste
van hoeveel martelaren .... Op dat Chanoekafeest komt de inzet van de Maccabese
strijd aan de orde, wordt de overwinning in die strijd in gedachtenisgehouden.
Het zijn themata die ook in de rede van Stephanus aan de orde worden gesteld.
De lotgevallen van de heilige plaats (Hand 6,13), de tent der getuigenis (Hand
7,44) en het huis des heren (Hand 7,47). Stephanus snijdt die vraag toe, en indringend
vraagt hij wat zeggen we als we spreken van het huis des Heren. Hoe gemakkelijk
kunnen we het huis des Heren verslijten als een pronkstuk waaruit de ziel verdwenen
is, als een leeg huis zonder hart. De apostel zal dan ook van e huis spreken bestaande
uit levende stenen. De vraag is niet hoe goed ons gebouw
er voorstaat, of het al of niet op de monumentenlijst zal komen, maar hoe wel
gevoegd is naar Bijbelse snit, hoe wel samengevoegd in broederlijke eendracht,
hoe wel gechabberd, gelijk de psalm (Ps 122, 3). Het evangelie van Joannes spreekt
ook over dat feest van Chanoeka. Jesus, de Zoon van David, wandelt in de zuilengang
van Salomo, de zoon van David. De Joden omringen Hem, omsingelen hem, en willen
Hem in het nauw drijven. En zij stellen de intrigerende vraag: hoelang houdt gij
ons nog in spanning, als Gij de Messias zijt zeg het ons openlijk ... Laten wij
niet te gemakkelijk zeggen dat wij deze spanning al hebben overwonnen, dat wij
die vraag van de Joden alleen maar als een historisch curiosum kunnen beschouwen,
want die vraag wordt gesteld door de Joden juist met het oog o de vernieuwing
van het heiligdom. Dat heiligdom waarvan Stephanus zal zeggen dat het niet met
handen gemaakt is, en waarvan de apostel zegt dat het heiligdom uit levende stenen
is opgebouwd. Het is immer het groet misverstand:
waar kunnen we houvast vinden, waar vinden we beschutting en zekerheid. Stephanus
houdt zijn aandacht, houdt zijn Blik gericht op de komst van de Rechtvaardige,
degene die door God gerechtvaardigd zal worden. En Stephanus besluit, gij die
het onderricht door bemiddeling van engelen hebt ontvangen, gij hebt dat onderricht
niet gekoesterd! (Hand 7,53). laten wij bescheidenlijk opmerken dat wij., die
geen Joden zijn, evenmin dat onderricht van Moses en de Profeten hebben gekoesterd;
zacht gezegd: we plegen nog nonchalant, nogal slordig met de schriften om te gaan
...
Maar dit verwijt, dat zij het onderricht net hebben
gekoesterd nemen de toehoorders van Stephanus hem hoogst kwalijk. (Hoe doen wij
als we dit horen ....) Maar Stephanus vol van
de heilige Geest, houdt zijn ogen gerecht naar de hemel, en hij ziet de
heerlijkheid Gods, en Jesus staande aan de rechterhand Gods. En hij zegt: Ik zie
de hemelen geopend, en de Zoon des Mensen staande ter rechterhand Gods.
Een vreemde gewaarwording waarvan de hoorder van deze tekst deelgenoot
gemaakt wordt. Lucas laat ons horen wat Stephanus ziet, maar tegelijkertijd laat
hij ons horen hoe Stephanus het zegt. Lucas zegt dat Stephanus Jesus ziet staan
de rechterhand Gods, en Lucas laat Stephanus dat hij ziet de Zoon
des Mensen aan de rechterhand van God. Zo
horen wij ineens, onverwacht die mysterieuze titel van de Zoon des Mensen! Waarom
gebruikt Lucas hier de Naam “Zoon des Mensen” waar, - zo denken wij, - de Naam
van Jesus meer dan voldoende zou zijn geweest, zo niet de Naam Zoon van God? Het
zijn wel de woorden van Stephanus vlak voor hij de marteldood sterft, vlak voor
hij wordt gestenigd. Stephanus ziet de hemelen geopend, en wie denkt niet aan
hetgeen geschreven staat als Jesus op het punt staat het veelbelovende land te
betreden, wanneer Hij gedoopt wordt in de Jordaan, wanneer hij de grensrivier
overschrijdt? Ook dan ziet Jesus de hemelen geopend, en de vervulling van het
veelbelovende land, de komst van het Koninkrijk is nabij gekomen at hand. De doop
en de dood reiken elkander hier de hand, de bevrijding betekend door de doop,
betekent ook de bevrijding van Stephanus uit de ellende die zijn belagers hem
aandoen, mensen van de duisternis waar geween is en gekars van tanden, want staat
er niet geschreven dat zij de tanden tegen hem knarsten? Op dit moment ziet Stephanus
de Zoon des Mensen staan, opgericht, staande ten oordeel. Maar de vraag blijft
waarom hier de Zoon des Mensen, en wat beduidt die merkwaardige titel, die onze
vroomheid ternauwernood een rol speelt?
Zoon des Mensen, zou eenvoudig weg de vertaling kunnen zijn van Zoon van
Adam; maar welke Zoon van Adam komt dan in aanmerking, er zijn er immers zo veel!
Zoon van Adam, we mogen denken aan die Zoon van Adam die wij Abel noemen, schim
en schaduw, zonder waarde en vergeefs, eerste slachtoffer van broedermoord. ademtocht.
Vanaf Abel zal de broedermoord heersen op de aarde; vanaf Abel is er ene bloedspoor
op de aarde getrokken, en ook Jesus zelf zal het slachtoffer worden van broedermoord,
ten laatste opdat er eindelijk, ten einde raad, een einde komt aan al dat moorden
.... God wil niet dat dat onschuldig bloed ongewroken blijft, want het kan niet
waar zijn dat de machthebbers het laatste woord zullen hebben. God heeft het laatste
woord! HIJ zal dat rechtvaardigen, Hij zal Jesus’s dood
rechtvaardigen als de Zoon des Mensen in heerlijkheid, Hij zal Hem een
plaats geven aan Zijn rechterhand, en Hij zal oordelen de levenden en de doden!
Dat ziet Stephanus als hem een
blik wordt gegund in het heiligdom
van de hemelen. Op de achtergrond horen wij hoe de psalm gezongen wordt:
O Heer, wat is de mens
dat gij hem gedenkt,
de Zoon des Mensen dat gij hem acht.
Deze mens is Abel, ijdelheid, gelijk
zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw
....
.........
Maar de psalm gaat door:
O God, ik zal u een nieuw lied zingen,
met de luit en het tiensnarig instrument zal
ik u psalmzingen
Gij die de koningen de overwinning geeft
die Zijn knecht David de ontzet van het boze
zwaard (Psalm 144, 3-4. 9-10)
Want de overwinning wordt gevierd, de overwinning
van Stephanus op zijn vijanden, en daarom draagt hij zijn Stephanus, erekrans, welomkranst met
ere. De tegenstanders willen niet horen van de Zoon des Mensen. Zij stoppen hun
oren toe. Zij horenniet hoe Stephanus zich aanbeveelt aan Jesus, de Zoon des Mensen;
en zij hebben ook niet gehoord hoe hij
gebeden heeft voor degenen die hem hebben gedood: Heer reken hun deze zonde niet
toe ...
Waarom horen wij deze moeilijke tekst als wij ook hebben voorlezen
uit het evangelie, en even moeilijke tekst. Mogen zij allen één zijn .... één
gelijk gij Vader in Mij en ik in U. Dit is mysterieuze dan alleen maar
een vrome bede, och dat het eens waar zou zijn dat we allemaal een zouden zijn
Joden en heiden, en Christenen onderling - we zouden ons geen raad weten als dat
morgen waar zou zijn. Onze vermeende zekerheden zouden in duigen vallen,
wij zouden niet eens eer weten waar we aan toe zouden zijn. En daarom zijn wij
heimelijk misschien wel blij dat dat nog niet gaat gebeuren, zot maar waar .....
Maar de eenheid waarom Jesus bidt gaat nog verder, is nog indringende. Het is
ermee als met de bede van het Onze Vader: uw wil geschiedde gelijkelijk
in de hemel en op de aarde, opdat het eindelijk waar mag zijn wat Jesus
ons heeft toevertrouwd: Mij is alle macht gegeven inde hemel en op de aarde. Een
hemel op aarde, niet een vrede die wij elkaar niet blijken te kunnen geven, maar
de vrede die de voltooiing, die de verzoening betekent van hemelswege, met als
hoogtepunt dat de scheidsmuur tussen Jood en heiden daadwerkelijk afgebroken,
te niet gedaan blijkt. Dat kostbaar visioen koesteren wij met de eerste martelaar,
dat visoen koesteren wij als wij van zondag tot zondag samenkomen, en elkander
de vrede wensen, die de wereld niet geven kan. Biddend en hopend,
betrekken wij de wacht, en we wagen het te zingen: als wij dan eten van
dit brood, en drinken uit deze beker verkondigen wij de dood des Heren totdat
Hij komt in heerlijkheid: zo geve God!
Am*dam 15 mei 1998
© Ben Hemelsoet
Pinksteren
Diemen, 31
mei 1998
Handelingen 2,1 – 11
Met Pinksteren willen we bekende klanken horen. Met
Pinksteren willen we horen hoe de apostelen spreken van de grote weldaden Gods,
en ook hoe allen in hun eigen tongval mogen horen, wat de heilige Geest hun ingaf
te spreken. Maar over Pinksteren is gelukkig nog wel iets meer te zeggen dan dat!
Beginnen we met de luttele regels die we vandaag uit het evangelie van Joannes
mogen horen. We mogen nog steeds horen
dat het Pasen is, want aan de gedachtenis van Pasen komt geen einde! Pinksteren
is de voltooiing van die bevrijding, een bevrijding die wij ons kunnen, mogen
toeëigenen dank zij de zending van de heilige, de heiligende Geest. De heilige
Geest zal ons immers alles in herinnering roepen aangaande Jesus. En zo beginnen
wij vandaag weer: Op die dag zelfde dag, dag één van de week. Let wel er staat
dag één van de week. Want zo herinnert de uitdrukking dag één van de week aan
die dag één van de week van het eerste hoofdstuk van de schriften. Het is dag
één van die wonderlijke week, dag één waarop God zegt: er zij licht. Vandaag mogen
wij dat horen als dat wonderlijke licht van de heilige Geest, die de harten van
de gelovigen verlicht, en in ons het vuur van Zijn liefde wekt. Op die dag één
zijn de leerlingen en de deuren zijn gesloten
uit vrees voor de Joden, Jesus komt, en staat in het midden van Hem. Jesus is
bevrijd, bevrijd uit de strikken van de dood, bevrijd uit de slavernij van de
duisternis en de dood. Jesus zegt: vrede zij u! Dat is meer dan een gewone gebruikelijke
groet. Jesus zelf is Zijn eigen groet, Paulus zal het immers zo verstaan dat hijzeggen
kan: Jesus zelf is onze vrede, Hij is onze verzoening. Hij heeft de scheidsmuur
tussen Joden en heidenen afgebroken. De gesloten deuren, uit vrees voor de Joden,
blijken Jesus - daarom juist - niet te kunnen deren.
Jesus herhaalt Zijn groet: vrede zij u!
Als bezegeling van die vrede, kan Jesus zeggen: ontvangt de heilige Geest,
en Jesus ademt over Zijn leerlingen: zo schept Hij de nieuwe mens! En Hij voegt
eraan toe: Zoals de Vader Mij zendt zo zend ik u, wier zonden gij zult vergeven,
die zijn zij vergeven. Het is te gemakkelijk om hierbij uitsluitend te denken
aan het sacrament van de biecht. Niet dat het ongeoorloofd zou zijn om daaraan
te denken, integendeel, maar er is meer aan de hand. In de evangeliën wordt de
vergeving van de zonden in één adem genoemd met de doop, te beginnen met de doop
van Joannes de Doper. Zoals we weten, doopt
Joannes in de Jordaan, hij doopt daar in die grensrivier, hij leidt de mensen
door die grensrivier heen, en zo ontsluit hij door de mensen te dopen, door ze
over te zetten, het veelbelovende land binnen. Door de mensen te dopen bevrijd
hij hen van alle zonden die zij in de woestijn hebben gedaan. Dat zijn de zonden
waarvan zij moeten worden bevrijd, het zijn de zonden van opstand tegen God, de
zonden die samengebundeld worden, samen gelezen inde oproep uit de Psalm: heden,
zo gij Mijn stem hoort, wilt uw harten niet verharden, gelijk te Massa en Meriba
in de woestijn, daar hebben uw vaderen Mij op de proef gesteld, daar hebben zij
immers de tartende vraag gesteld: is God wel in ons midden of niet .... toen moest
Ik wel zweren: zij zullen niet ingaan in de rust van het veelbelovende land! Nu
zegt Jesus tot Zijn leerlingen dat zij de vergeving van de zonden mogen verkondigen,
dat is: zij mogen verkondigen dat de weg naar het veelbelovende land open ligt.
De weg naar de vervulling van Gods beloften begaanbaar is, we hoeven niet langer
te wanhopen, wij hebben toegang gekregen tot de vervulling van Gods beloften .... In de traditie wordt op Pinksteren herdacht
de gave van Gods onderricht op de berg Sinaï. Want daar, vanaf die berg, krijgen
zij het vergezicht, horen zij het perspectief dat God schenken wilt aan al degenen
die het met Hem willen wagen: Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypteland, uit
de slavernij heb bevrijd. Als jullie het
Mij willen wagen, dan zullen jullie geen andere goden nodig hebben, en dan komen
al die beloften Gods, die wij ten onrechte, alleen maar als geboden willen horen.
God biedt ons aan dat wij zullen komen in een land waarin we niet meer zullen
hoeven te roven en te stelen, niet meer hoeven te liegen en te bedriegen, een
land waar we relaties zullen eren en respecteren, en waar van achterklap, en valse
getuigenis geen sprake meer zal zijn. Kortom het is een opsomming van de beloften
die God voor ons in petto heeft. Op de dag dat de gave van Gods beloften in Jerusalem
wordt herdacht, mogen de apostelen verkondigen dat Gods grote gave, de vergeving
van de zonden in de woestijn, de heiligende Geest ons is geschonken. In het verlengde van die grote beloften kan
het visioen van de profeet Jesaja in herinnering worden geroepen. Het zal geschieden,
in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis des Heren zal vastgesteld
zijn op de top van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvelen,
en tot die berg zullen alle ook alle heidenen, alle niet-Joden, alle volkeren
opstromen. En die vele volkeren zullen heengaan en zeggen:
Komt, laat ons opgaan tot de berg des Heren, tot het huis van de God van Jacob,
opdat Hij ons lere van Zijn, en dat wij wandelen in Zijn paden, want uit Sion
zal de wet uitgaan, en ‘s-Heren woord uit Jerusalem .... (Jes 2,2 v.v) Met deze tekst van Jesaja in de oren, kunnen
we begrijpen waarom het klassieke Pinksterverhaal uit de Handelingen van de Apostelen
begint zoals het begint: Toen de dag van het Pinksterfeest vervuld was, waren
zij allen bijeen, eendrachtelijk ..... Dat woord eendrachtelijk is een van de
programmatische woorden van de handelingen van de Apostelen: zij waren bijeen,
eendrachtiglijk. Deze eendacht is de befaamde stilte die aan de storm van de heilige Geest
voorafgaat. Die eendracht bepaalt de gemeenschap die zo programmatisch in de Handelingen
staat beschreven. Zij bezaten alles gemeenschappelijk ..... Letterlijk alles!
Dan staat er ineens een hele merkwaardige zin in het verhaal. Er staat:
er waren Joden, wonende in Jerusalem, godvruchtige
mannen van alle volk van degenen die onder de hemel zijn. Een merkwaardige zin,
want wat hier staat hoeft toch geen verwondering te wekken. Als er gestaan had: er waren Amsterdammers in Jerusalem,
zou dat pas opmerkenswaardig zijn geweest. Maar Joden in Jerusalem, we hadden
toch eigenlijk niets anders verwacht. Maar
krachtens de profeet zullen alle volkeren optrekken naar Jerusalem, en al die
volkeren worden hier, voor Gods gemak samengevat als Joden, want Hij wil dat wij
allemaal deel hebben aan de waardigheid van de kinderen Israëls. Zo hebben wij
toch kunnen bidden in de Paasnacht, na de lezing die de gedachtenis levend houdt
aan de doortocht door de Rode zee: O God, uw betrouwbare wonderen van oudsher,
schitteren ook in onze dagen. Want gij toentertijd door uw machtige hand gedaan
hebt, om uw eigen volk te bevrijden van de vervolging van de Pharao, doet gij
nu door voor de bevrijding van alle volkeren door het bad van de wedergeboorte,
neem de ganse wereld op onder de kinderen van Abraham en verhef allen tot de waardigheid
van Israël- en dan te benken dat dit gebed ook in de duistere jaren van de Jodenvervolging
alle jaren in de kerk heeft geklonken. Wij
krijgen deel aan de belofte die gedaan zijn aan Abraham en aan zijn zaad. Al die
mensen, Joden en heidenen, worden hier onder een naam genoemd, Joden, godvruchtig
van alle volkeren onder de aarde. Want Jesus heeft de vrede verkondigd, Hij heeft
verzoening gebracht, en de scheidsmuur afgebroken tussen Joden en heidenen: Hij
is onze vrede. Zo delen wij in de uitverkiezing
van Israël. Daarom staat er zo wonderbaarlijk dat eenieder de apostelen heeft
kunnen verstaan in eigen tonval, in eigen dialect. Ook dat is geheimzinniger dan
wij doorgaans denken. In alle nuchterheid kunnen we zeggen dat de apostelen daar
in Jerusalem, voldoende hebben gehad aan het Hebreeuws alleen, hoogstens ietwat
Grieks erbij. Maar er staat meer: al die volkeren horen in hun eigen taal
de apostelen verkondigen de grote daden Gods. Hier is weer zoiets aan de hand
wat Lucas ook schrijft in het verhaal van de leerlingen van Emmaüs. In dat verhaal
staat geschreven dat Jesus beginnende bij Moses en de Profeten hun de schriften
verklaarde. Er staat niet bij welke tekst Jesus voor hen heel speciaal heeft uitgelegd.
Zo staat hier ook niet welke wonderbaarlijke daad Gods de apostelen speciaal hebben
verklaard. Maar er is meer: degenen die daar op het eerste Pinksterfeest in Jerusalem
waren, waren godvruchtige mensen, Joden (!) uit alle volkeren onder de hemel.
Zij waren vertrouwd met de grote feesten, zij waren vertrouwd met de Schriften,
en op dat eerste Pinksterfeest hebben al degenen die in Jerusalem waren tot hun
verbazing de woorden van de schriften, de grote daden Gods voor de eerste keer
gehoord alsof ze die woorden nog nooit eerder hadden gehoord, die woorden klonken,
de woorden van de wonderdaden Gods klonken zo onvoorstelbaar nieuw, woorden gedragen
door die overweldigende kracht van de Geest. Ze zijn niet dronken van zoete wijn
.... Maar dit geschiedt volgens het visioen
van Jesaja op het laatste van de dagen. Geve Gods Geest
dat wij ons gedragen weten door de die gloed van de Geest, dat wij de woorden
kunnen horen als troostend perspectief, als verlokkende toekomst, vervulling van
onze bede: uw koninkrijk kome. Zo geve
God!
Am*dam 21 mei 1998© Ben Hemelsoet