Derde
Zondag na Epiphanie, derde zondag door het jaar Diemen
25 januari 1998 Nehemia
8,2 - 4a+5 - 6 + 8 - 10 Lucas 1,1 - 4 +4,14 -21 De
gedenkdagen van de Heer zijn voorbij. De wijzen uit het Oosten zijn langs een
andere weg naar huis weergekeerd, we hebben mogen gedenken hoe de lieve Heer Zijn
Zoon uit Egypte heeft geroepen, en de lieve Heer heeft, hoe de lieve Heer Hem
heeft toegeroepen als Zijn Zoon toen Hij door de Jordaan heenging om zo voor ons
de toegang te ontsluiten tot het veelbelovende land Gij zijn Mijn Zoon, de unieke
- de eniggeliefde, - in U heb Ik Mijn welbehagen. We hebben gehoord hoe deze Zoon
in dat land een overvloed van wijn schenkt bij de bruiloft van Kana, zoveel wijn
dat wij er nog steeds van mogen drinken .... We zouden kunnen zeggen nu herneemt,
- na al die feestelijkheden, het leven zijn gewone loop. Maar wat is de gewone
loop des levens als wij vandaag weerom bijeengekomen zijn om te horen hoe God
tot ons spreekt, en hoe wij de gedachtenis van Pasen weer vieren op dag één van
de week. Vandaag horen wij hoe Nehemia na de verschrikkingen van de ballingschap
voor het ganse volk het onderricht van Moses voorleest. Op de eerste dag van de
zevende maand, de maand van de Joodse feestdagen, de geduchte dagen in de herfst.
Deze eerste lezing spreekt voor zichzelf., maar niet vanzelf. Misschien
moeten we ons maar gelukkig prijzen dat wij niet bij die Waterpoort in Jeruzalem
hoeven te staan. Er is nog al wat tijd mee gemoeid om het onderricht van Mozes
te horen voorlezen, wij mijden dat - ogenschijnlijk - maar liever; het is maar
de vraag of van ons - van mij en van u - geschreven zal kunnen worden “en de oren
van het volk waren opdat onderricht gespits!”. Zoals we zien is er ook in de lezing
van Nehemia wat overgeslagen. We kunnen het niet laten .... Wat er overgeslagen
is? Namen worden niet vermeldt Joodse namen. De Namen van Mattitja en Sema, Anaja,
Uria, Chilkia en Maäseja; de namen van Pedaja, Misaël, Chasum Chasbaddana, Zekarja
en Messulam ... Ook worden de namen nog genoemd van Jesua,
bani, Serabja, Jamin, Akkub, Sabbetai, Hodia, Maäseja en Kelita, Azarja, Jozabad,
Chanan en Pelaja ... Het is merkwaardig dat wij met die namen geen raad zouden
weten. Met veel schroom moeten we dit tegen elkander zeggen, maar als je in de duistere jaren van 1933 -
1945 met zo’n naam genoemd, geroepen was, was je ten dode opgeschreven. Hoe komt
het toch dat wij dat maar liever niet (schijnen) te willen horen? Maar waarom
willen we ook niet horen dat deze tekst van Nehemia nog even verdergaat. In het
boek van Nehemia horen we hoe
de Levieten het volk tot stilte manen: wees niet bedroefd, dit is een heilige
dag! Het boek Nehemia gaat nog verder want het volk
heeft uit het onderricht begrepen dat zij in die zevende maand het Loofhuttenfeest
moeten vieren ... Daar sluit het evangelie van Lucas dat wij hebben mogen horen
bijna naadloos op aan. Maar
allereerst moet ook onze aandacht uitgaan naar de eerste zinnen van de lezing
van Lucas. Het zijn ook de allereerste zinnen van het ganse evangelie. Daar horen
wij hoe Lucas te rade is gegaan bij degenen die het zelf hebben gezien, en bij
degenen die dienaren geworden zijn van het woord. We mogen ons terecht afvragen
wie zijn die dienaren van het woord? Om antwoord te krijgen op die vraag moeten
wij onze oren spitsen bij hetgeen aangaande Jesus’ bezoek in Nazaret staat vermeld.
Jesus gaat volgens Zijn gewoonte, in de stad waarin Hij is opgevoed, op de Sabbat
naar de Synagoge. Hij komt in Nazaret, maar van die stad wordt niets anders vermeld
dan dat Jesus er naar de Synagoge gaat. In de loop, in het verloop van het verhaal
lijkt het erop alsof heel Nazaret één en al synagoge is. Er lijkt geen plaats
ingeruimd te kunnen worden voor het huis van Joseph en Maria, er is geen plaats
voor de bekende bron, noch voor de timmerwinkel van Joseph. De evangelist heeft
er geen oog voor. Alles is geconcentreerd op Jesus die uit de profeet Jesaja voorleest.
Dat maakt Nazaret tot Nazaret! Wat kunnen we horen als we zeggen Jesus van Nazaret!
In dat verhaal horen dat Jesus gaat staan om voor te lezen. Dan staat er geschreven
“en Hij kreeg de boekrol aangereikt” of “ze reikten Hem de boekrol aan”, maar
het staat er nog scherper, nog geheimzinniger:
er staat letterlijk “Hem werd de boekrol
gegeven”, er staat niet bij door wie. “Hem werd gegeven is een Joodse zegswijze
om aan te duiden dat de hemel in het geding is, het is een zegswijze om de naam
van God niet uitdrukkelijk te hoeven noemen. Want als Jesus de boekrol terug gerold
heef, het boek heeft gesloten, nadat Hij heeft voorgelezen uit het boek, schrijft
Lucas en dat Hij het boek teruggaf aan de dienaar. Nu pas wordt de dienaar van
het woord genoemd, nadat Jesus uit het boek heeft voorgelezen. Omdat Jesus eerst
uit het boek gelezen heeft zij zijn er dienaren van het woord. Pas als Jesus eerst
heeft voorgelezen kan er pas sprake zijn van dienaren van het woord. Voorgangers,
dienaren van het woord, zullen zich dit moeten realiseren, mogen zich dit
realiseren! Jesus
leest voor. Hij leest om zo te zeggen waar wij zijn opgehouden met de lezing uit
het boek Nehemia. Jesus leest voor dat Hij degene is die in kracht van de Geest
het welgevallige jaar des Heren mag aankondigen. Het welgevallige jaar des Heren
is het zogenaamde jubeljaar. Het Sabbatjaar in de tweede macht, een Loofhuttenfeest
zonder weerga. De vervulling van alle Messiaanse dromen. Van dat welgevallige
jaar staat er zo in het Boek Leviticus geschreven. Het vijftigste jaar moet een
heilig jaar zijn; dan moet u in het land afkondigen dat alle bewoners hun slaven
vrijlaten. Het moet een geheiligd jaar zijn iedereen wordt hersteld in zijn vroegere
bezit. Dat is: de een zal niet meer bezitten dan de ander, en een zal niet als
heer heersen over de ander, want allen zijt gij broeders en zusters
.... Dat verkondigt Jesus in Nazaret, dat verkondigt Jesus van Nazaret, dat verkondigt
Jesus vanaf Nazaret. Maar tot op de dag van vandaag weten wij - zacht gezegd -
daar geen raad mee; als we dit horen kijken we sceptisch, zo niet ongelovig! In
een heilig jaar maken wij - als we het geld ervoor hebben hooguit een reis naar
Rome .... We hebben het al zo moeilijk als in de Handelingen van de Apostelen
geschreven staat dat de leerlingen in Jerusalem alles, jawel, alles gemeenschappelijk
bezaten. In de oude vertaling van Petrus Canisius stond in een voetnoot, dat je
daarbij niet moest denken aan een primitief soort communisme, stel je voor. De
huidige Willibrordvertaling heeft bij die teksten geen voetnoot meer. Onze verlegenheid
is te groot. En wat hebben exegeten zich niet in geleerde bochten gekronkeld om
aan te tonen dat er zoude staan: zij bezaten niet alles gemeenschappelijk; ondank
de psalm zie hoe goed en welgevallig zal
het zijn als broeders tezamen zouden wonen .... doorgaans zingen wij die psalm
zie hoe goed is het en welgevallig dat
broeders tezamen wonen. Doen zij dat? Maar dan keren wij weer terug naar Jesus
in de Synagoge van Nazaret. Daar horen wij Jesus zeggen naar aanleiding van die
tekst van Jesaja, die tekst met dat geweldige troostende perspectief, die Messiaanse
idylle: Heden is dit schriftwoord in uw oren gevuld. Van dit schriftwoord kunnen
we - als we dit gehoord hebben - toch moeilijk zeggen dat het niet waar is, dat
het niet betrouwbaar is, dat dat heden nu
niet meer zal gelden. We kunnen toch moeilijk
zeggen dat dat woord van Jesus, dat heden, niet van toepassing voor ons, geen
toekomstideaal voor onze polder, misschien wel aardig voor de derde wereld, of
de vierde ... maar Jesus zegt echt “Heden” .... Dat “heden” heeft velen geïntrigeerd,
dat moet ook ons intrïgueren. Het “heden” is een echo van de psalm: Heden, zo
gij Zijn stem hoort, wilt uw harten niet verharden, gelijkte Massa en Meriba in
de woestijn. Daar hebben uw vaderen Mij verzocht, op de proef gesteld, - daar
hebben zij gevraagd: is God wel in ons midden of niet, - toen moest Ik wel zweren:L
zij zullen niet ingaan in Mijn rust, zij zullen het veelbelovende land niet betreden!
Let wel het horen van de Stem, heeft te maken met gehoor geven .... alleen de
Stem horen kan niet voldoende zijn, er wordt ook gevraagd of wij onze harten niet
willen verharden, of wij hartelijk, van ganser harte, met heel ons hart, met geheel
onze ziel, en al onze kracht, gehoor willen geven; dat wij niet in ons hart willen
laten binnen sluipen die tartende gedachte:is God wel in ons midden of niet, gelijk
die dwaas waarvan de psalm zegt: de dwaas zegt in zijn hart: er is geen God. Hij
is natuurlijk wijs genoeg om het niet met zijn mond te zeggen ..... Hoe horen
wij dat woord van Jesus: Heden .... Wij worden opgeroepen, niet te versagen, onze harten open te stellen voor
dat visioen dat we allen deel hebben aan de vreugde van het land, van de aarde die - zoals we dat
ook zingen - vervuld is van Gods goedertierenheid.
Daaraan zij geen grenzen, en aan onze goedertiertenheid .....?? De
gaven van Gods goedertierenheid worden
ons weer ter hand gesteld, de tekenen van brood en wijn, het vooruitzicht van
Gods beloften. Maar van ons wordt gevraagd, maar gevraagd worden dat we dat vooruitzicht,
zij het in broze vaten, vanuit deze gemeenschap meedragen in de dagen die koken
gaan! Zo geve God! Am*dam
24 januari 1998
© Ben Hemelsoet Maria
ten hemel opgenomen 15/16
augustus 1998 Sloten/Diemen Apocalyps
11, 19a + 12,1 - 6a + 10ab
Lucas 1,39 -56 Het
feest van Maria ten hemel opgenomen kenmerkt de hoge zomer. Alom staat op etalageramen
in Frans sprekende streken te lezen fêtez Marie: fêteer Maria, maakt feest ter
ere van onze lieve Vrouw. Napoléon werd op 15 augustus geboren, en zijn keizerlijke
majesteit heeft tot de luister van 15 augustus bijgedragen. Napoléon is dood,
en begraven in de Dôme des Invalides (!). Maar de aandacht gaat op 15 augustus
niet mee uit naar de kleine korporaal, maar naar Maria ten hemel opgenomen. Wij
willen op 15 augustus Maria eren, maar liturgisch gesproken is dat eenvoudiger
gezegd dan gedaan. Voor de liturgiehervorming van Vaticanum II stond als eerste
lezing de zegenspreuk over Judith, de Jodin, gelezen en als tweede lezing de lezing
die vandaag nog in onze boeken vinden. Maar, gelijk u weet, werd in 1950 plechtig
als dogma afgekondigd dat Maria met ziel en lichaam ten hemel is opgenomen. Hoe
vreemd het moge klinken, ter ondersteuning van dat dogma moesten er passende bijbelteksten
worden gevonden. De zegenspreuk over Judith leek niet toereikend om aan dat verlangen
tegemoet te komen, Maria is immers (!) meer dan Judith, de Joodse heldin …maar
noch de dood van Maria, noch haar graflegging, noch haar ten hemel opneming zijn
in de schriften geboekstaafd. Vandaar moest wel gegrepen worden naar teksten uit
de Apocalyps. Dat boek van de wonder dromen en gewaagde speculaties over het einde
van de tijden, in dat laatste Bijbelboek worden wet en profeten gelezen ten einde
raad, - eindelijk wordt Gods raad onthuld, - met het oog op het einde, worden
de mysteries ontrafeld die in de heilige geschriften - nog - verborgen geheimen
. En zo zijn de teksten van de eerste lezing bijeen geknipt, om de uiteindelijke betekenis van Maria uit
te leggen en te verklaren. Sommige teksten werden als ietwat storend ervaren,
- die zijn dan ook overgeslagen. De teksten van de Apocalyps zijn geen teksten
die ons onthullen hoe het er toentertijd aan toegegaan is, ze worden ook hier
niet aangehaald om ons te leren hoe het is, hoe het er toentertijd aan toe gegaan
is, maar veeleer teksten die dromend en profeterend, citerend en combinerend ons
vertellen hoe het er ten laatste aan toe zal gaan. Geen teksten die een verleden
tijd beschrijven, maar teksten die met profetische hartstocht beschrijven hoe
het er aan toe zal gaan, wat geschieden zal in het laatste van de dagen. De woorden
van de Apocalyps zullen onze verbeelding schragen om te peinzen over de rol van
de Moeder des Heren. De gelovige overtuiging van de gemeenschap is toch dat God
Maria in Zijn begenadiging zo trouw gebleven, tot over de grenzen van de dood,
dat Gods barmhartigheid zo overweldigend is, dat degene die uitverkoren was
om moeder te zijn van de Messias, van dé Zoon van David, van de Zoon des
Mensen, van de Zoon van God, die Hij uit de duisternis van de dood bevrijd heeft,
dat zij in die bevrijding en volle mag delen. Wij willen vandaag lezen hoe als
ten laatste Gods hemelse geheim wordt onthuld, voor ons ook onthuld zal worden
hoe Gods begenadiging van Maria zo onvoorstelbaar betrouwbaar, zo weergaloos trouw
is geweest. De God van Abraham, de God van Isaäk, de God van Jacob, is immers
geen God van doden, geen God die de doden doden laat, maar een God die deze doden,
Abraham en Isaäk en Jacob ten leven wekt. Zo
zullen wij het immers mogen horen in de lofzang van Maria, het Magnificat, …gelijk
Hij gesproken heeft tot onze vaderen, tot Abraham en zijn zaad met het oog op
zijn betrouwbare, trouwe eeuwigheid. Daarom kan Maria de woorden die van Abraham
geschreven staan: in u zullen gezegend worden alle geslachten van de aarde, nu
zichzelf toeëigenen: zie, van nu af aan zullen mij zalig spreken alle geslachten
der aarde. Zo
begint de lezing uit de Apocalyps: En de tempel Gods in de hemel is geopend geworden,
en de ark van Zijn verbond is openbaar geworden in Zijn tempel. De ark is het
zichtbare teken van de trouw van God aan Zijn verbond. En daarom: niet voor niets wordt Maria aangeroepen
in de litanie die haar gewijd is, als ark van het verbond, en als deur van de
hemel. Maar om het beeld dat hier wordt opgeroepen te kunnen smaken, mogen we weten dat sinds
de eerste brand van Jerusalem, als Jerusalem verwoest wordt en de ballingschap
in Babylonië een aanvang neemt, de ark van het verbond verdwenen is, weg. In het
twee boek van de Macchabaeën wordt er een
ontroerend verhaal over verteld (2 Macc 2,2 v.v.): “Jeremia vermaant de ballingen
om de geboden van de Heer niet vergeten, en zich niette laten misleiden door de
fraai versierde gouden en zilveren beelden die zij zouden zien. Naast vermaningen
drong hij erop aan het onderricht niet uit hun hart te bannen. Er staat ook geschreven
dat de profeet Jeremia, gehoorzaam aan een goddelijke ingeving, de verbondstent
en de ark liet halen, en achter hem aan liet dragen, terwijl hij de berg beklom
die Moses bestegen had om het erfdeel van God te aanschouwen. Daar aangekomen
vond Jeremia een rotsspleet; daarin plaatste hij de tent, de ark, en het reukofferaltaar
en hij sloot de toegang af. Toen enkele van zijn metgezellen er weer heengingen
om de weg te markeren, konden ze de plaats niet meer vinden. Jeremia hoorde van
hun poging en maakte hun verwijten. Hij zeide: ‘Die plaats moet onbekend blijven,
tot God Zijn volk weer samenbrengt, en het Zijn barmhartigheid toont. Dan zal
de Heer alles weer tevoorschijn brengen; dan zal de glorie des Heren in een wolk
verschijnen, zoals at gebeurd is in de tijd van Moses en ook in die van Salomo,
toen hij bad dat de tempel op grootse wijze geheiligd zou worden’”. De Apocalyps
kent dit verhaal. Op hemelse wijze wordt hetgeen geschreven staat in de boeken
van de Macchabaeën vervuld. De geheim plaats waar de ark verborgen wordt gehouden
is in de hemel, en als de tempel Gods in de hemel wordt geopend, wordt ook de
ark zichtbaar, wordt de ark geopenbaard. De tekst van de Apocalyps vervolgt, -
maar dat is niet in de liturgie opgenomen, - en er geschiedden bliksems en stemmen
en donderslagen en aardbeving en grote hagel … wie enigszins
vertrouwd is met het bijbelse vocabulaire, weet dat hier gezinspeeld wordt
op wat het volk heeft aanschouwd toen het aan de voet stond van de Sinaï, toen
God Zijn verbond, Zijn beloften aan het volk bekend maakte …. De ark van het verbond
is hier het teken van het definitieve verbond, van het onvoorstelbare nieuwe verbond,
en daarvan is Maria het betrouwbare, het getrouwe teken.
Inderdaad een bijbels-poëtische verbeelding, om het onzichtbare uit te
drukken, om met bijbelse woorden onze verwachtingen stem te geven, en om te kunnen
blijven bidden: ark van het verbond, en deur van de hemel bid voor ons. Zo mogen
we dan hetgeen volgt horen: er werd gezien een groot teken in de hemel: een vrouw
bekleed met de zon, en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon
van twaalf sterren. Zo kennen wij talloze beelden van Maria, deze verbeelding,
het is de droom van Joseph ten top! (Gen 37,9). [Terzijde: waar komt de vlag van
Europa toch vandaan tegen het hemelsblauw twaalf gouden sterren!]
De droom van Joseph levert de stof om zo te kunnen schrijven gelijk geschreven
staat. Deze vrouw is zwanger, en zij staat op het punt te baren. Een zoon, maar
deze zoon wordt gelijk weggerukt om te voorkomen dat hij zou worden verzwolgen
door de draak. Hij wordt weggerukt tot God en tot Zijn troon.
Deze zoon heeft met het oog op het einde Gods hele speciale bescherming
van node, hij moet immers degene zijn, die alle heidenen zou hoeden met een ijzeren
roede. Dit laatste is een citaat, een zin
uit psalm 2. Psalm twee begint zo: waarom woeden de heidenen, en waarom, bedenken
de volkeren ijdelheid, waarom zijn het leeghoofden. Want de koningen ter aarde
stellen zich op, de vorsten beraadslagen tezamen tegen de Heer en tegen Zijn gezalfde,
tegen Zijn Messias. Maar deze gezalfde zal blijken de uiteindelijke Heer te zijn
aan wie gegeven zal worden alle macht in de hemel en op de aarde
Van deze Koning staat geschreven dat Hij al die dwaze koningen zal tuchtigen
met een ijzeren roede. En zo wordt met behulp van de psalm duidelijk gemaakt wat
wij mogen denken, ja, wat wij mogen verwachten van die zoon die gebaard is. Die
zoon wordt weggerukt, en bewaard bij God, en bij Zijn troon.
Maar ook de vrouw, die deze zoon gebaard heeft stat onder Gods koninklijke
bescherming. Als de definitieve slag geleverd gaat worden. Zij moet vluchten naar
de woestijn, naar een plaats die haar door God bereid is. Zij is gevrijwaard van
de bedreigingen van die laatste strijd, daarvoor hoeft zij niet te vrezen, zij
heeft niets te vrezen. De strijd zelf is in de liturgie niet opgenomen, wel de
triomfantelijke zegekreet. Als de grote stem mag zeggen. Nu is geschied de bevrijding
en de kracht, en het koninkrijk van onze God ….. Zo doet God Zijn belofte gestand,
zo gedenkt Hij het verbond dat Hij met Abraham, Isaäk en Jacob heeft gesloten.
Op die beloften gedaan aan de aarstvaderen, beroept Maria zich in haar Magnificat,
zo dat zij er op vertrouwen kan dat niets haar deren, dat zij geen gevaar loopt
in die eindstrijd: God heeft haar haar eigen schuilplaats gewezen: zij is ten
hemel opgenomen in het geheim van God; in de are zin van het woord is zij een
dochter van Abraham: zo is zij degene waarin wij kunnen zien wat God bereid heeft,
voor degenen die Zijn verbond bewaren, inde voetsporen gaan van Abraham, uniek
en toch herkenbaar. Moge onze lieve Heer, de God van Abraham, ons ook dat te kennen
geven ….. Am*dam
10 augustus 1998
© Ben Hemelsoet Luc 0148 120698 MARIA,
moeder van alle volkeren of dochter van Abraham van het algemene naar het
bijzondere, of van het bijzondere naar
het algemene De
titel van Maria, moeder van alle volkeren, wordt
toegelicht met een verwijzing naar het Magnificat want zie, van nu af aan zullen
mij zalig spreken alle geslachten (Lucas
1,48). Aan deze zin gaat iets vooraf omdat Hij de vernedering van Zijn dienstmaagd
heeft aangezien; en de tekst van Lucas vervolgt: want grote dingen heeft aan mij
gedaan Hij die machtig is, en Heilig is Zijn Naam; en Zijn barmhartigheid is van
geslacht tot geslacht over degenen die Hem vrezen. De zaligspreking van Maria
wortelt in Gods barmhartigheid, in Zijn bevrijdende barmhartigheid: Hij heeft
de vernedering van Zijn dienstmaagd aangezien. Een en ander, de barmhartigheid
van de Naam en de zaligspreking van Maria door alle geslachten kunnen niet van
elkander worden gescheiden, laat staan tegen elkander worden uitgespeeld. De zaligspreking
van Maria door alle geslachten kan niet
verzelfstandigd worden. Hiervan zoude ik niet graag iemand willen verdenken, maar
er bestaat de kans dat er over Maria, moeder van alle volkeren zo wordt gesproken,
dat het juiste zicht op de theologische complicaties ervan ietwat zou kunnen worden
verduisterd. Het is niet de eerste titel die aan Maria wordt toegekend. In onze
streken kennen wij Onze Lieve Vrouw ter Nood, Onze lieve Vrouw van Jesse, Onze
lieve Vrouw met de Inktpot, en Notre Dame aux Bois - een bedevaartplaats die in
het Nederlands Jesus' Eik heet. Aan vrome en/of poëtische titels en namen geen
gebrek. Maar zelden is een, zo op het oog,
universele titel aan de Moeder Gods toegekend. Een titel die zo alomvattend wordt
gepresenteerd. De verwijzing naar het Magnificat lijkt op het eerste gehoor voldoende
Bijbels fundament te bieden, maar de vraag lijkt gewettigd of de titel, - los
van het geheel van het Magnificat, los van de schriften, - niet van een kanttekeningen
moet worden voorzien. In het Magnificat wordt verwezen naar Abraham,
onze vader. Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, tot Abraham en Zijn zaad
in eeuwigheid (Lucas 1,55). Maria spreekt
allereerst als dochter van Abraham, de vader van alle gelovigen, merwaardig dat
Maria wel de titel wordt toegekend dochter van Adam, en de Nieuwe Eva!
Maria heeft weet van hetgeen er gezongen wordt in psalm 103, hoe de psalm
wordt aangeheven, en hoe de lofzang die met hart en ziel gezongen wordt weet heeft
van hoe de Heer gerechtigheid doet, en gerichten al degenen die onderdrukt worden.
Hij heeft Moses Zijn Naam bekend gemaakt, de kinderen van Israel Zijn daden: want
Barmhartig en genadig is de Heer, lankmoedig en groot van goedertierenheid ...(vgl.
Ex 34,6; Num 14,18; psalm 86,15).Gods Naam is in het geding. Gods bevrijdende
Barmhartigheid. Vandaar dat op het tweede Vaticaanse Concilie er geen apart document
over Maria is verschenen. Maria heeft haar plaats gekregen in de leer van de kerk,
niet in leer van de Christologie, de leer aangaande Christus. Zij is de begenadigde!
Dat alle geslachten haar zalig zullen prijzen is een zinspeling op hetgeen geen
in Genesis staat geschreven aangaande Abraham in u zullen gezegend worden alle
geslachten der aarde (Gen 14,3 vgl. Lucas 1,55)) Zo kan Maria ook niet losgezongen
worden van Abraham en de beloften aan hem gedaan. Vandaar dat Maria zich in het
Magnificat, zelfs door de zinsnede van nu af aan zullen mij zalig spreken alle
geslachten zich op de allereerste plaats dochter van Abraham weet. Want onverkort
blijft dat Abraham de vader is van alle gelovigen (Gal 3,9; Rom 4,16). Dit is
niet in mindering op hetgeen aangaande Maria kan worden gezegd, integendeel. Maar als dat niet
uitdrukkelijk wordt gezegd, liggen de misverstanden voor het grijpen; want ook
over Maria kan niet gesproken worden buiten de beloften om gedaan aan Abraham
en aan zijn zaad; dat laatste staat in het enkelvoud zoals Paulus zegt (Gal 3,16)
van
nu af aan Deze
uitdrukking gaat aan de tekst vooraf: van nu af
zullen mij zalig prijzen alle geslachten. Zo wordt onderstreept dat er
iets nieuws gebeurd, iets wat nu kan worden gezegd, iets wat van alle eeuwigheid
is. Het gaat om iets wat op grond van een voorafgaande geschiedenis kan worden
gezegd; in dit geval iets wat te maken heeft met de vervulling van de beloften
gedaan aan Abraham en zijn zaad. Van nu af zal blijken dat de geschiedenis van
Maria met de vervulling van die belofte te maken heeft, daarvan niet losgemaakt
kan worden. De woorden van nu af komen spaarzaam voor in het NT in Luc 1,48; 5,10;
12,52; 22,18; 22,69. Bovendien in 2 Kor 5,16. Uit een vergelijking van deze teksten
blijkt dat met deze uitdrukking het verhaal van de evangelist een verrassende
wending neemt. In het verhaal van het eerste hoofdstuk van Lucas blijkt dat het
Magnificat gedragen wordt door het verhaal
van de engel des Heren die aan Maria de blijde Boodschap brengt. De engel boodschapt
ook aan Maria: en zie Elisabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht, met een zoon,
in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.
Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. (Hier keert de zesde maand weer, waarvan
in hoofdstuk 1,26 van Lucas al sprake is geweest.) Daarop antwoordt Maria:zie
de dienstmaagd des Heren, mij geschiedde naar uw woord! Hoe dit woord daadwerkelijk
geschiedt hoort de lezer niet. Er staat niet gechreven:n zo geschiedde. Integendeel,
de lezer hoort het indirect bij gelegenheid van Maria's visitatie, het geheim
gaat schuil in Maria bezoekt haar nicht Elisabet. Elisabet roept met luider stem
Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw schoot. Elsabet
zegt dit vervuld van de heilige Geest, zo spreekt Elisabet van de moeder mijns
Heren ... en zij prijst Maria zalig, omdat zij geloofd heeft, als een betrouwbare
dochter van Abraham;. vanwege dat geloof, geheel en al in de traditie van Abraham,
geheel en al van al datgene wat God toegezegd aan David en zijn zaad. Kerstnacht
Spaarndam 24 december 1997 Jesaja
9,1-3.5-6 Titus
2,11 – 14 Lucas 2,1 - 14 We zijn tezamen gekomen, zo zingen wij onder het
sterrenblinken, omdat een lied moet weerklinken voor Bethlehem.
Maar wij zijn
ook en allereerst tezamen gekomen omdat wij steeds opnieuw, jaar in jaar uit de
boodschap uit de hemel willen horen. Vreest niet, ik verkondig u een grote vreugde, een blijde boodschap
die voor heel het volk zal zijn: Heden is geboren de Zaligmaker, de Heiland, de Bevrijder,
die is de Messias, de Christus, de Heer in de stad van David ...
Geboren is degene die het bevrijdende programma van God draagt, geboren
is degene die het programma van God ten uitvoet zal leggen.
In de advent, in de weken die aan het Kerstfeest zijn voorafgegaan hebben we dit
programma in vele toonaarden horen bezingen, we hebben dat programma in oude antiphonen
overwogen, we hebben ons er wellicht over verwonderd dat in al die profetische
aankondigingen er ternauwernood sprake was van de geboorte van een kind. De bruid
Jerualem werd toegezongen, de stad op de berg kwam in wonderlijk perspectief te
staan. Op de derde zondag van de advent hebben we het nog kunnen horen bij de
profeet Sefanja: Sion jubel van vreugde en wees blij Jerusalem met heel uw hart.
Het vonnis dat op u drukte werd door de Heer vernietigd. Hij heeft u vijand verjaagd.
De Heer, de Koning van Israël blijft bij u, nu hoeft gij geen onheil meer te vrezen.
Want op die dag zal tot Jerusalem gezegd worden: vrees niet Sion en laat uw handen
niet verslappen .... Maar nu het kerstmis
is, lijken deze woorden van de profeet ver weg, heel ver weg. Lijkt het vreemd
dat we nog maar enkele dagen geleden over de vreugde van Jerusalem hebben horen
spreken, dat wij woorden van bevrijding als belofte hebben gehoord. Alles lijkt
zich in deze nacht te concentreren op die blijde boodschap: heden is geboren ..... Maar wie o wie is degene wiens geboorte aangekondigd
wordt? Als u uw oor goed te luisteren legt zult u de naam van Jesus deze nacht
niet horen in het evangelie volgens Lucas. Om het heel nuchter te zeggen, om die
naam te horen moet u volgende week terug komen, dan wordt deze eerstgeborene besneden,
dan wordt Hem de naam opgelegd, de naam als programma gegeven die door de engel
werd geroepen, uitgeroepen: Jesus: de Heer bevrijdt, geroepen door de engel voor
hij werd ontvangen in de schoot. want door die naam wordt Hij opgenomen
in het verbond dat God gesloten heeft met Abraham en met Zijn zaad! Nee vannacht
horen wij dat deze eerstgeborene de Messias is, met alles wat deze naam aam verwachting
en hunkering draagt, met alles wat deze naam aan vergezichten en perspectieven
oproept, de hele advent is van die verachting vervuld. We hebben kunnen horen:
zie de grote profeet zal komen, en Hij zal Jerusalem vernieuwen. Om die verwachting
kracht bij te zetten hebben we gezongen: steekt de bazuin in Sion, want de dag
des Heren is nabij: zie Hij zal komen om ons te bevrijden. En ook: zie Hij zal
komen die veract wordt door alle volkeren, en het huis des Heren zal met heerlijkheid
worden gevuld. ooit, in de dagen van het oude missaal, hebben we op de eerste
zondag van de advent gebeden: mogen wij, Heer, ontvangen uw barmhartigheid in
het midden van uw tempel ..... Daarom als wij vannacht, die wonderlijke boodschap
mogen horen: Heden is geboren de Messias. Let wel de engel zegt niet: er is een
kindeke geboren op aard’. Er staat ook niet dat de herders een kind hebben horen
schreien, en toen tegen elkander hebben gezegd, zullen we eens op onderzoek uitgaan,
wellicht is een kind geboren in deze nacht, misschien kunnen zijn ouders onze
hulp gebruiken. Nee de herders is een hemelse bode verschenen, en de heerlijkheid
des Heren heeft hen omstraald, en zo in het licht van de heerlijkheid des Heren
mogen zij horen: heden is de Messias geboren. Dei Messias, gelijk de profeten
zongen, uit de wortel van Jesse. Wat kunnen wij verwachten, waarvan mogen wij
dromen als we deze hemelse bode hebben gehoord? Het juk van de last van onze vijanden is van
ons afgenomen, de slavenzweep hebt Gij gebroken, gelijk op de dag van Midian,
de dag van de overwinningvan Gideon, met zijn kleine bende. Krijgsgeweld was toen
oorverdovend, dreunende laarzen, uniformen in bloed gedrenkt: maar dat alles is
verbrand voedsel voor het verterend vuur ... Dat is te dromen gegeven aan de hand van het
Messiaanse programma van de profeet, waarvan wij in de eerste lezing hebben gehoord: van deze Messias:
de Heerschappij rust op Zijn schouders, men noemt Zijn naam wonderlijk, Raad en
Sterkte Gods, vader van betrouwbare eeuwigheid, Vorst van vrede ..... en onze
ogen dromen weg, ver in de verte, naar die wonderlijke zoon van David, die rex
pacificus, die Salomo, waarvan geschreven staat dat in zijn dagen Juda en Israël veilig woonden,
eenieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Ber Sheba al
de dagen van Salomo (1 Kon 4,25). Dat is de beschrijving van de dagen van de Messias,
in al Zijn heerlijkheid. Daarom zullen de engelen ook kunnen zingen: Eer aan God
in den hoge, en vrede , vrede in het ganse land van Dan tot Ber Sheba, want de
Heer van alle zijden rondom! De aankondiging van de geboorte van de Messias, is
concreet, Bijbels concreet, hoeft niet
in vage schaduwen te vervagen. Het veelbelovende land kan alle kansen krijgen
nu we hebben mogen horen: heden is de Messias geboren ...
De engel zegt nog meer: dit zij u ten teken: gij zult een kind vinden “omwikkeld”
.... Deze uitdrukking door de engel gezegd, is een toespeling op datgene wat wij
eerder hebben kunnen oren: hoe Maria haar eerstgeborene “omwikkeld” ... De grote
moeilijkheid is dat Lucas alleen maar een werkwoord gebruikt, “inwikkelen” en
dat voorLucas de “doeken” om zo te zeggen
overbodig zijn. Bovendien gebruikt Lucas hier een zeer ongebruikelijk woord, een
zeer zeldzaam woord zelfs. Het woord door Lucas gebruikt wordt nog beruikt bij
de profeet Ezechiël (hoofdstuk 16). Daar heeft Lucas die “omwikkeling” kunnen
vinden, - en niet bij een plaatselijke prénatal. Zo heeft Lucas kunnen onderstrepen
dat deze eerstgeborene van het begin af aan met profetische zorg is “omringd”,
en “omwikkeld”, dat deze eerstgeborene met vooruitziende blik is omgeven; en dat
moet te denken geven aan degenen die vertrouwd
geworden zijn met de schriften, Dat de
eerstgeborene de Messias is, daarvan is een teken dat aan deze Messias de profetische
dienst bewezen wordt die hem past .... Voor alle duidelijkheid deze eerstgeboren,
waarvoor zo zorg wordt gedragen op een profetische wijze, zal ook geboden worden
in de kribbe, waarvan al in het eerste hoofdstuk van de profeet Jesaja wordt geschreven.
En wij hebben vanuit die tekst meteen een os en een ezel aan onze kerststal toegevoegd.
Want zo staat er geschreven: een os kent zij bezitter, en een ezel de krib van
Zijn Heer (Jes 1,3). En als zo de hemelse boodschap op aarde heeft geklonken,
als zo gehoord kan worden wat er is geschied: Heden is de Messias geboren moet
de engelenzang wel klinken: eer aan God in de hoogste hemelen, en moet, - dit
kan niet anders ook gehoord worden: en vrede in het God welgevallige land, dat
Hij schenken wil aan al degenen die Hij liefheeft ....
Dit land, dat veelbelovende land, contrasteert met het land dat de keizer
willen ordenen , als hi alles en iedereen
wil aten opschrijven We moeten het niet te schuldeloos maken als we spreken van
een vokstelling. Want als hoogmogende heren,
koningen en keizers gaan opschrijven, weten wij wel hoe laat het is: iedereen
wordt opgeschreven ten dode. .Want de keizer weet hoe hij alles en iedereen ten
nutte kan maken. maar we hebben het goed gehoord, temidden van al die verwarring
die de keizer teweeg brengt, temidden van heel die geschiedenis, die zogenaamd
wereldschokkend zou meten zijn, het hele keizerrijk onder contrôle, baart Maria
haar eerstgeborene en verricht ten opzichte van Hem die zo noodzakelijke profetische
handelingen, waarop de engel des Heren de herders kan wijzen als op een profetisch
teken. Maar
in die nacht gebeurd nog meer, en meestal horen we dat niet voorlezen. Zo schrijft
Lucas: en het geschiedde toen de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel,
in het diepste duister derhalve, want nu is er geen hemels licht dat de herders
verder omstraald. Zij moeten nu in het donker hun weg vinden. In dat wonderlijke
duister zeggen zij, de herders, tot elkander. In het Latijn laat klinkt het heel
innig. Dicebant pastores ad invicem, toen zeiden de pastoors tot elkander, en
het is een voortreffelijk pastoraal gesprek: laten wij naar Bethlehem gaan om
te zien het woord dat is geschied, en dat de Heer ons heeft verkondigd
.... dit moeten we niet snel, al te snel overzetten met: laten we gaan
kijken. Want de herders spreken van een woord dat is geschied, dat is bekend gemaakt.
je moet ervan gehoord hebben aleer je kunt gaan kijken. Als je het niet gehoord
hebt, en je weet van deze profetische geschiedenis niets af, dan zie je inderdaad
niets, dan zie je alleen maar een pasgeboren kind, zoals dat talloze malen te
zien is op deze wereld, tot in onze dagen, maar dan krijg je geen zicht, geen
uitzicht op de Messias. Bi de profeet geschreven dat de lieve Heer zegt: Ik zal
het volk goede herders geven. Hier staan die goede herders uitgetekend. Het zijn
die koninklijke herders net als David, net als de Goede Herder, die de acht betrekken,
die de nachtwaken koesteren, die die de nacht van Pasen in ere houden. Deze herders
hebben hun schapen geteld, zoals ons kerstlied zingt, zij hebben niet de pretentie
om de hele bewoonde wereld naar hun smaak, en hun gelijk te ordenen. Zij kennen
hun schapen, en want zij weten waarover zij moeten spreken het Woord dat is geschied,
en dat de Heer hun heeft bekend gemaakt. Al degenen die daarvan zijn vervuld,
al degenen die vannacht deze hemelse boodschap hebben gehoord, zijn geroepen
tot die koninklijke, tot die herderlijke taak. Paus Leo, heeft het eeuwen en eeuwen
geleden gezegd: erken dan christen uw waardigheid ... erken wat wij hedennacht
hebben mogen horen, erken wat ons bekend gemaakt is. En roepen wij in herinnering
die wonderlijke psalm: Heden, zo gij Zijn stem hoort, wilt uw harten niet verharden
.... heden is de Messias geboren, zo is de weg naar de bevrijdingg gegeven, zo
is de weg geopend naar de vernieuwing van Jerusalem, de weg geopend naar de vervulling
van al Gods beloften in het veelbelovende land. Zo wens ik u van hart een gezegende
Kerstmis, vol verwachting, vol vreugde, vol dankbaarheid, vervuld van liefde van
Gods belofte, vervuld van liefde vooral degenen die u dierbaar zijn, om zo alom
bekend te maken hetgeen wij ook van de herders hebben gehoord! Zo geve God! Am*dam,
O Oriens 1997 ©
Ben Hemelsoet Eerste
Zondag van de Vasten
Diemen, 1 maart 1998 Deuteronomium
26,4 – 10 Romeinen
10, 8 – 13 Lucas 4,1 - 13 De lezing van Lucas begint zo Jesus vol van Heilige Geest, keerde
zich om van de Jordaan af, En Hij werd gevoerd in die Geest in de woestijn. We
mogen weten dat dit verhaal verteld wordt na de doop van Jesus, nadat uit de hemel geklonken heeft
die wonderlijke stem: Gij zijt Mijn Zoon, de geliefde, in U heb Ik Mijn welbehagen.
Uit de hemel hebben wij die naam Jesus van die welbeminde Zoon niet gehoord. De
stem die uit de hemel klinkt spreekt woorden, die ons in alles doen denken aan
het begin van de beproeving, de verzoeking van Abraham Neem uw zoon, de enige
- de unieke, dien gij liefhebt, Isaak (Gen 22,2) Maar in het evangelie van Lucas
wordt er tussen de stem uit de hemel, en het verhaal van de beproeving van de
Zoon nog een en ander vermeld. Er wordt uitgelegd wat het beduidt die Zoon te
zijn, want, zo schrijft Lucas, Jesus is,
naar men meende, de zoon van Joseph, die
van Heli, die van Mattat en dat wordt verteld tot aan het begin die van
Enos, die van Seth, die van Adam, die van God .....Dit wordt verteld nadat Jesus
is gedoopt, nadat Hij door de Jordaan is heengegaan, en zo voor ons het veelbelovende
land heeft ontsloten. Zo heeft Hij voor ons de toegang ontsloten tot dat zo veelbelovende
land. Maar daarmee is het verhaal niet
uit, integendeel. Gekomen in dat beloofde land, wordt Hij op de proef gesteld,
wordt Hij getest of Hij wel de Zoon is, of Hij wel degene die met heel Zijn hart,
met geheel Zijn ziel, met al Zijn krachten getrouw is aan het onderricht van Moses
en de profeten; of Hij vertrouwen stelt aan het Woord, of het wel in Zijn hart
is, in Zijn mond, het woord waarop ook Hij wil vertrouwen, waarop ook wij ons
vertrouwen stellen (zie Rom 10,8). Of HIjwel de Zoon is die de Heer geroepen heeft
uit Egypte, de duisternis van het slavenhuis, de duisternis van de dood. Het hoofdstuk
van het boek Deuteronomium, waaruit de eerste lezing is genomen, begint daarom:
Voorts zal het geschieden, wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat de Heer
uw God, ten erve geven zal, erve geven zal, en gij dat erfelijk zult bezitten,
en daarin wonen ..... (Deut 26,1) In dat
land zelf, zullen de zonen van Israël ook getest, beproefd worden in hun trouw,
in hun vertrouwen. Zullen zij doen hetgeen de Heer, hun heeft opgedragen te doen.
In dat veelbelovende land, overvloeiend van melk en honing, lijken alle beloften
dor en leeg, het land is nog geen hemel hier en nu. Als de Zoon het land betreed,
lijkt het land een woestijn. Dat kan ook niet anders, het land een woestenij,
een woestijn gelijk als de duivel optreedt, en de Zoon na veertig dagen op de proef stelt;
het zijn veertig dagen woestijn, veertig
dagen, geteld, gemeten naar de lange tocht van Israël door de woestijn, om op
de proef gesteld te worden of de Zoon en de zonen en dochters wel zullen wandelen
in Gods onderricht of niet. Jesus
at niet en dronk niets in die dagen, en toen zij volbracht waren, had Hij honger.
Met dit verhaal zijn wij gewend onze veertigdaagse vasten te beginnen.
Dat de evangelist vertelt dat Jesus honger had, zal ons niet verwonderen.
Dat die veertig dagen van Jesus in de woestijn de maatstaf zijn voor onze veertigdaagse
vasten is alom bekend. Maar vasten heeft
niet te maken met de week tegen het overwicht,
propaganda voor gezond eten, laat staan met afvallen door te eten. Of zoals
in een krant te lezen stond: “Bent u altijd aan het lijnen en maakt u zichzelf
impopulair bij uw huisgenoten door weer DIT en dan weer DAT uit te proberen? U
weet een televisieredacteur is geïnteresseerd in de verhalen van de huisgenoten.
Hoe ervaren zij de terreur van het afslanken! We weten mensen zijn maar al te graag bereid over zulke
zaken te spreken, als het maar op de televisie komt. Mensen zijn, als het maar
te zien op de Teelvisie bereid tot het doen van onthullingen waarvoor zij zich
vroeger zelfs in de biechtstoel zouden hebben geschaamd. Maar alle gekheid terzijde,
allemaal weten we dat daar vasten niet over gaat. Als gij vast toont dan geen
droevig gezicht, gelijk de toneelspelers, de kwasten, de komedianten; zij vetrekken
hun gezicht om door de mensen gezien te worden; zo hebben we dat op aswoensdag
weer kunnen horen! Vasten is de tijd, waarin wij ons bezinnen, en de vraag toelaten
of wij willen wandelen in de weg des Heren, de weg des Heren die ons naar het
veelbelovende land wijst. Of wij willen wandelen naar Zijn aanwijzingen of dat
wij terugverlangen naar de vleespotten van Egypte! Om dat te testen treedt de duivel op Hem toe,
en zegt. Indien gij de Zoon van God zijt, zeg dan tot deze steen dat hij brood
wordt. Jesus antwoordt: Er staat geschreven dat de mens bij brood alleen niet
zal leven. Degenen die weten, wat er in de schriften staat geschreven, weten -
de duivel ook, - dat dit te lezen staat in het boek Deuteronomium. Om het volledig
te laten horen: Hij de Heer, deed u beseffen dat gij u nergens op kon laten voorstaan,
Hij heeft u laten honger lijden, en Hij heef u doen eten het manna dat gij niet
kende, dat uw vaderen evenmin hadden gekend opdat gij zoudt weten dat niet van
brood alleen, adam, de mens zal leven, maar van al wat voortkomt uit de mond van
God (Deut 8,3). In de woestijn mag je op manna rekenen, kun je rekenen op de beloften
Gods die uit Zijn mond voortkomen. Zelfs voor de duivel is
dat antwoord voldoende. Er wordt niet verder over gediscussieerd. We ontwaren wie die Zoon is, vol vertrouwen
op hetgeen uit de mond van God zal uitgaan. Daarop speelt de duivel de verzoeking
hoog, hij voert Jesus hoog omhoog, en laat
Hem in een oogwenk alle koninkrijken van de bewoonde wereld zien. De bewoonde
wereld, we hebben er al van gehoord in de kerstnacht als de keizer de hele bewoonde
wereld wil opschrijven: te dode ... De keizer en de duivel lijken hier onder een
hoedje te spelen! De duivel matigt zich
nog al wat: alle macht en alle glorie van die koninkrijken zal ik u geven, indien
gij neervalt en mij aanbidt. Het is duidelijk bij deze bekoring van de duivel
kan hij niet zeggen indien gij de Zoon van God zijt. Hij zoude zijn eigen ruiten
hebben ingegooid! Hier gedraagt de duivel zich werkelijk zonder
God, zonder gebod .... Maar Jesus weerstaat ook deze verzoeking. Er staat immers
geschreven: Gij zult de Heer uw God aanbidden, en Hem alleen eredienst bewijzen.
Weet de duivel dat hij de Zoon daarmee niet in verzoeking brengen kan,
een faux pas zijnerzijds. Nu de aanbidding in het geding is probeert de duivel
het ten laatste. Hij voert Jesus naar Jerusalem, het middelpunt van de eredienst
van de ware God, de ware God die zegt: Ik ben de Heer uw God die u uit Egypte,
het slavenhuis heeft geleid, om u te brengen naar de stad op de berg,
het heiligdom dat Zijn handen hebben gesticht, Jerusalem! Daar plaats hij Hem
op de een vleugel van de tempel. Wij horen reeds de wiekslag van de psalm, het gevleugelde woord
dat gezongen wordt: Hij, de Heer, zal u toedekken met Zijn vleugels, onder Zijn veren mag je schuilen. Zo staat het
in de psalm die zo begint: Wie in de schuilplaats van de allerhoogste is gezeten,
die overnachten mag in de schaduw van de almachtige (psalm 91) Wij mogen toch
bij God in de schaduw staan! Maar ook de duivel kent deze psalm. Hij stelt Jesus
op de proef. Werp u va hier naar beneden, in die psalm staat toch ook geschreven:
dat Hij Zijn engelen bevelen zal om u op handen te dragen? Maar dat is letterlijk
chotspe. Dat is de verzoeking, de bekoring van alle letterlijkheid, - letterlijkheid,
de grootste ketterij die de kerk bedreigt, het lijkt immers zo vanzelfsprekend,
het staat toch geschreven .... maar ook hieraan bezwijkt Jesus niet. Gij zult
de Heer uw God niet verzoeken. De duivel hield zich afzijdig, en week van Hem
voor een zekere tijd. Zo horen wij dat de duivel zal terug komen. Hangend aan
het kruis zal Jesus op een duivelse wijze worden verzocht. Ze zullen Hem zeggen:
anderen heeft hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden; laat Hij nu Zichzelf redden,
indien Hij is de Messias van god de Uitverkorene. En ook dit woord moeten we ernstig
nemen. We mogen niet heimelijk denken, ja, als Hij het zou hebben gewild, dan
had Hij Zichzelf welkunnen redden. Maar Hij kan zichzelf niet redden. Hij moet
worden gered door Zijn Vader, want zo alleen kan Hij anderen redden. Als
zo Zijn trouw op de proef is gesteld, is beproefd, kan Hij weerkeren naar Galilea,
en het gerucht aangaande Hem ging door het gehele omringende land ... Jesus is
trouw geweest met heel Zijn hart, geheel Zijn ziel, en al Zijn krachten aan Moses
en de Profeten, aan Zijn Vader. Vasten is voor ons ook de vraag hoe trouw willen
wij zijn aan het onderricht, aan het Woord dat ons is toevertrouwd, of wij in
de weg des Heren zullen gaan of niet. Hoe volgen wij Hem, Heer, onze God, de God
der goden, de Heer der heren, die grote, die machtige, die geduchte God, die
geen aanzien des persoons kent en geen geschenken aanneemt. Die het recht van
de wees en de weduwe doet; die de vreemdeling liefheeft heeft, Hij geeft hem brood
en kleding. Daarom moet gij de vreemdelingen liefhebben, want zelf zijt gij vreemdelingen
geweest in Egypte. De Heer uw God zult gij vrezen; Hem zult gij dienen, en Hem
zult gij aanhangen, en bij zijn Naam zweren. Hij is uw lof, uw psalmgezang, en
Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en geduchte dingen, die uw ogen
hebben gezien ....(Deut 10,17 v.v) In de vasten heffen wij ingetogen onze ogen
naar deze God, leven wij ingetoomd om de aandacht op deze God niet uit het oog te verliezen; in
de vasten tijd volgens wij Zijn lankmoedigheid Zijn barmhartigheid na, Zijn barmhartigheid
voor al diegenen die zich nergens op kunnen late voorstaan. Als wij van mensen
moeten zeggen datzij alleen maar meer een beroep op God kunnen doen, is het slecht
met die mensen gesteld, dat moet wel als een vloek in Gods oren klinken. Daarom
heeft god mensen nodig, en daarin oefenen wij ons in de vasten, ingetogen, ingetoomd,
ruimhartig en royaal, met aandacht voor mensen om ons heen, opgewekt, vrolijk
en blij .... Zo geve God! Am*dam
28 februari 1998 ©
Ben Hemelsoet Vijfde
zondag na epiphanie, vijfde zondag door het jaar Diemen , 8 februari 1998 Jesaja
6,1-2a+3-8 1 Kor 15,1-11 Lucas 5,1-11 We vervolgen de lezing van het evangelie volgens Lucas, maar we slaan wel
iets over. We
horen niet voorlezen hoe Jesus hoe Jesus - na Nazaret 1- afdaalt naar Kapharnaüm, we horen niet hoe de synagoge van
die stad gevuld is met het geroep, het geschreeuw van een bezetene, hoe Jesus
de onreine duivel beveelt uit te gaan uit die man, en hoe het woord van Jesus,
een woord met macht, de synagoge vervult. We horen ook niet hoe Jesus na de dienst
in de synagoge in het huis komt van Petrus, en hoe Hij daar de koorts die de schoonmoeder
van Petrus in haar macht heeft bestraft, en beveelt haar te verlaten .... We gaan
ineens naar de oevers van het meer van Genesaret, en we horen van de wonderbare
visvangst na een nacht van vruchteloos
zwoegen. Het verhaal is bekend. Maar het is een verhaal dat Lucas op de hem eigen
wijze vertelt, zo door die wonderbare visvangst heen worden de leerlingen geroepen
.... Het is een roepingsverhaal, maar daarom mogen/moeten we ook aandacht geven
aan de eerste lezing uit de profeet Jesaja. Ook een roepingsverhaal, maar een
roepingsverhaal van een minstens zo geheimzinnige snit. In dat roepingsverhaal
horen wij bekende klanken we horen er het heilig, heilig, heilig, sanctus, sanctus,
sanctus, Dominus Deus Sabaoth, een gezang dat zowel in onze kerken, als in de
synagogen nog steeds klinkt. Naast de
psalmen een van de weinige lofzangen die wij met de Joden gemeenschappelijk hebben.
Maar ook in deze lezing hebben we enkele kleine détails niet horen voorlezen.
In de tekst wordt namelijk van de Serafijnen gezegd dat ieder van hen zes vleugelen
had, twee om het aangezicht te bedekken en twee
om de voeten te bedekken, twee om te vliegen. Dit wordt overgeslagen omdat de
liturgiecommisie wellicht bang is dat wij zouden denken dat de engelen Gods vleugelen
hebben en kunnen vliegen. Al weer enkel jaren geleden schreef een Duitse exegeet
een boek Gottes Engel haben keine Flügel. het lijkt erop alsof wij ons graag bij
de mening zouden willen aansluiten. Maar bij de Kerststal laten wij een engel
met gespreide armen de boodschap dragen Gloria in excelsis Deo. En de vele afbeeldingen
van de engel Gabriël zouden onherkenbaar zijn als de engel plosteling zijn vleugels
zou hebben verloren. Engelen zijn de boden Gods. Op een hemelse wiekslag zend
God Zijn boden uit. Engelen, boodschappers Gods, onderhouden het contact tussen
de hemel en de aarde, en reiken verder dan wij vermoeden. Zij dalen de Jacobsladder
af en op, als gevleugelde woorden, als wiekslag van Gods beloften. Zij zijn de
gevleugelde boden, behoeders van hemelse geheimen. De verbeelding van hun taak
is gegrift in onze taal, en zonder die taal van spraak en verbeelding zouden wij
niet eens weten he wij over de engeleboden zouden moeten spreken. Het boek der
Wijsheid weet ervan zoals een vogel die
door de lucht vliegt: van zijn tocht kan
men geen teken meer vinden; gezweept door het slaan
van de wieken, gespleten door de door
de suizende kracht van de bewegende vleugels wordt de ijle lucht
doorklieft en er is geen spoor
van die vlucht meer te vinden Wijsheid 5,11 Maar uiteraard is dit niet het belangrijkste wat we kunnen lezen in het roepingsvisioen van Jesaja kunnen lezen. Het visoen is gedateerd:
het is het sterfjaar van koning Uzzia. Het jaar waarin de koning niet meer regeert
niet meer regeren kan. Maar het kan ook zijn dat dat niet alleen maar de lijfelijke
dood van die vorst beduidt. want we weten ook hoe koning Uzzia buitenspel komt
te staan, omdat hij zich vergrepen heeft aan de tempel. Hij wordt melaats, hij
is onrein, hij hoort er niet meer bij, hij verspreidt een vals gerucht over het
heiligdom, hij toornt tegen de priesters, en zet zichzelf buiten spel, buiten
de levende gemeenschap (zie 2 Chron 26,19 v.v). Niet voor niets derhalve, - in
het sterfjaar van een onwaardige Koning, - horen we van het visioen in het sterfjaar
van koning Uzzia, van de Koning de Heer der heirscharen! En niet voor niets horen
we hoe Jesaja zegt: wee mij, want ik ben tot zwijgen gebracht - niet wee mij want
ik ben verloren! - want ik ben een man onrein van lippen. Hoe zal hij kunnen spreken,
het dreigende lot van koning Uzzia in gedachten. de sleep van de koning de heer
der heirscharen vult het heiligdom; er is geen plaats voor welke andere heerlijkheid
ook. En zo horen we de engelen zingen: Heilig, heilig, heilig de Heer der heirscharen,
de heer van de Sabaoth, heel het land is vol van Zijn heerlijkheid. Hier horen
we de afwijking van hetgeen wij zingen. In het Sanctus zingen wij de hemel en
de aarde zijn vol van Zijn heerlijkheid. Wij voegen er wat aan toe, en dat zou
kunnen verhinderen dat wij niet voldoende aandacht geven aan hetgeen hier geschreven
staat heel het land is vol van Zijn heerlijkheid. Nu mogen we weten dat in het
Hebreeuws geen onderscheid gemaakt wordt tussen aarde en land. Doorgaans kiezen
wij voor aarde. Dan hoeven we namelijk niet te kiezen, we hoeven immers zo geen
onderscheid te maken tussen het en land en het andere dan gaat om heel de aarde.
Maar door zo niet te kiezen raakt het veelbelovende land buiten ons gezichtsveld,
en derhalve ook raken we de klankbodem van Gods beloften kwijt. Horen we niet
meer de boven en de ondertonen van hetgeen God de Heer der heirscharen ons heeft
toegezegd. We hebben geen zicht meer op het land dat overvloeit van melk en honing,
en we zien de vijgeboom en de wijnstok niet meer bloeien. We raken de vruchten
van de belofte gedaan aan de aartsvaders uit het oog, en we zijn de geur van de
volle akker kwijt. We weten dan niet meer hoe het zaad in het goede land valt,
en hoe God wasdom geeft. Als de God werkelijk echt Koning is, dan zal Hij al Zijn
beloften vervullen, dat is: heel het land, het veelbelovende land zal gevuld zijn
met Zijn heerlijkheid. Dat is Gods koninklijke heerschappij. Dat rijmt op
hetgeen de engelen zingen, de boden Gods bij de geboorte van de Messias:
vrede, vervulling, verzoening, voltooiing in het land. Als in dat land de verzoening
en de vrede Gods regeren zal dan de ganse aarde daarvan niet profiteren. God,
de Heer der heirscharen, Koning Sabaoth verschijnt hier. Het is het visoen van hoe het
zoude kunnen zijn. De lieve Heer wordt voor de allereerste maal in de Schriften
Koning genoemd als Hij Zijn volk bevrijdt uit de slavernij van Egypte, uit de
duisternis van die onderdrukking, ja, uit de duisternis van de dood. Zo wordt
het gezongen in het lied van Moses, en daar klinkt de koninklijke waardigheid
voor de allereerste maal: de Heer zal tot in eeuwigheid, voor altoos koning zijn.
Hij zal Zijn volk inbrengenen planten op de berg van Zijn heiliging, op de plaats
Heer, welke gij u gemaakt hebt tot uw woning, het heiligdom dat uw handen hebben
gesticht (Ex 15, 17-18). Dit lied van Moses voert het vergezicht van
Jerusalem in zijn schild. De profeet Jesaja mag de voltooiing, de vervulling ervan
aanschouwen. Dit visoen zal hij zijn volk
mogen troosten, het Koninkrijk Gods is nabij, en de Koning van dat Koningrijk
zal met Zijn heerschappij heel het land
vullen. Jesaja mag dat visoen schouwen ter bemoediging. Maar hoe zal hij van dat
visoen kunnen spreken? Hij is een man met onreine lippen ...
Maar zijn lippen worden met vurige kolen gereinigd. Zo wordt hij in staat
getsled te spreken van dat wonderlijke visioen, van datgene wat God bereid heeft
voor al degenen die Hem liefhebben. Zo kan hij antwoorden op de vraag van God:
wie zal ik zenden, wie zal in onze Naam gaan. En wij horen zijn
antwoord, een antwoord aan dat van Mozes gelijk: zie hier ben ik, zend
mij ... Hier eindigt onze lezing. Zo horen wij niet waartoe Jesaja gezonden wordt,
alsof ons dat niet zou interesseren! Maar
hij moet aankondigen dat het volk traag van hart is, erger dat zij het volk zal
horen maar niet verstaan, dat zij het zullen zien, maar het niet kunnen doorzien,
dat zij oren hebben maarniet zullen horen, ogen en niet zullen zien. Stomme beelden
gelijk ... Maar gelukkig eindigt het daarmee
niet. De profeet vraagt, en spreekt ten beste voor het volk: tot hoe lang Heer,
tot hoelang?? Dan horen we die huiveringwekkende zinnen. Totdat de stad in puin
ligt, totdat Jerusalem is verwoest. Het moge duidelijk zijn, dit is ook tot ons
gezegd. Ook tot ons klinkt die oproep tot waakzaamheid, tot gehoorzaamheid, tot
gehoor geven. Want ook wij hebben de boodschap toch gehoord: het Koninkrijk Gods
is nabij .... Hier bij Jesaja wordt de
voltooiing van die boodschap getoond. In het Sanctus hebben wij dat visoen uitgebreid,
voltooiend aangevuld. Wij hebben leren zingen de hemel en de aarde zijn vol van
uw heerlijkheid. Zo gaat onze aanvulling rijmen op wat wij hebben gehoord aan
het slot van het evangelie volgens Mattheüs: Mij is alle macht gegeven in de hemel
en op de aarde/in het land. Zo gaat Gods heerlijkheid rijmen op hetgeen wij telken
dage bidden in het Onze Vader: uw wil geschiedde gelijkelijk in de hemel en op
de aarde/in het land. En we weten hoe en waardoor die bede wordt gedragen want
wij laten er op volgen Gezegend Hij die komt in de Naam des heren, Hosanna in
den hoge ....Het is de zang die opklinkt ut zoveel kelen als Jesus de Koningstad
Jerusalem betreed, als Hij Zijn bruid omhelst! Wat kunnen wij van Petrus leren,
als hij in allereerste reactie roept: Heer, ga weg van mij want ik ben een zondig
mens. Het is de roep van iemand die ten
diepste heeft ondervonden wat het zeggen wil oog in oog te staan met Jesus, degene
die komt in de Naam des Heren. Oog in oog met Hem mogen we weten dat Hij de zonden
heeft vergeven, dat wij overgebracht zijn van het rijk der duisternis naar het
rijk van het licht. Zo kunnen wij voor elkander instaan, zo kunnen wij mensenvissers
zijn. Zo geve God! Am*dam
2 februari 1998 ©
Ben Hemelsoet Zesde Zondag door het jaar, Sexagesima Diemen 15 februari 1998 Jeremia 17,5 – 8 1 Kor 15,12+16 – 20 Lucas 6,17+20 - 26 Vandaag horen we het op zijn scherpst, duidelijker kan het niet! ”Het woord van God, - zo zegt de brief aan de Hebraeën,
-is een levend en kracht, het wekt ten leven en maakt krachtig, scherpsnijdender
dan een tweesnijdend zwaard, het dringt door tot het raakpunt van de ziel en de
geest, het gaat door merg en been. Het oordeelt de gedachten en de overleggingen des harten”.
(Hebr 4,12). Vandaag horen we hoe scherp dat zwaard snijdt, hoe scherp dit woord
van God ontleedt, en onderscheidt, in al zijn kracht, in al zijn levendmakende
kracht, in al zijn duidelijkheid. Wij willen graag duidelijkheid, wij willen dat
er niet omheen gedraaid wordt, wij zijn niet gecharmeerd van wollig taalgebruik,
we houden niet van diplomatieke uitvluchten. Vandaag horen we in alle helderheid,
klip en klaar: Zalig gij armen, wee u, gij rijken .... Dit woord gaat als een
scherpsnijdend zwaard door merg en been. Het is het tweesnijdend zwaard - het
Woord - dat uit de mond komt van de Zoon des Mensen, die Joannes ziet toen hij
in geestvervoering was op het eiland Patmos (Apoc 1,16). Het is het tweesnijdend
zwaard waarvan geschreven staat: Schrijf aan de engel van de gemeente
in Pergamum: zo spreekt Hij die het zwaard hanteert, het scherpe, het tweesnijdende
... (Apoc 2,12). Het tweesnijdende zwaard waarvan de psalm zegt: ... het tweesnijdende
zwaard om zich op de heidenen te wreken, aan de volkeren hun straf te voltrekken. (Ps 149, [5] 6). Het tweesnijdend zwaard klinkt
als een huiveringwekkend oordeel, maar zo klinken de teksten ook die wij in het
evangelie van Lucas hebben gehoord. De woorden die we horen uit de mond van Jesus
klinken ook huiveringwekkend. Zij wekken huiver, apocalyptische huiver. Het klinkt
als een oordeel, waartegen geen beroep meer mogelijk is, het klinkt zo onherstelbaar
definitief. We zijn geneigd te zeggen, te denken, kan het niet wat minder, zo
ernstig hoeven we het toch niet te nemen; en we denken geef ons dan maar Mattheus,
die laat Jesus het tenminste ietwat vriendelijker zeggen, - denken we, - zalig
de armen van Geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. (Of Mattheus het
echt zo veel milder zegt, valt overigens nog te bezien!). Maar het komt uit de
mond van Jesus .... De eerste lezing uit de profeet Jeremia, in al beknoptheid,
laat ons weinig soelaas, geeft weinig speelruimte, weinig bewegingsvrijheid: Vervloekt is de man die
op een mens vertrouwt en vlees tot zijn arm stelt,
en wiens hart van den Heer
afwijkt hij zal zijn als de heide
in de wildernis die niet ziet dat het goede
komt maar hij blijft in dorre
plaatsen in de woestijn in zout en onbewoond land Gezegend de man die op
den Heer vertrouwt wiens vertrouwen de Heer
zelf is Want hij zal zijn als een
boom aan het water [over]geplant (zie psalm 1) hij zendt zijn wortels
aan het loof overvloedig blijft zijn
lover in een jaar van droogte
heeft hij geen zorgen hij houd niet op vrucht
te maken .... (Jer 17,5 - 10) Ook
hier horen wij een tekst op het scherp van de snede, een gulden snede. Van deze tekst kunnen wij moeilijk zeggen dat
hij van een andere tijd is, niet meer van deze, onze tijd. De tekst is duidelijk
genoeg, overduidelijk. Van deze tekst kunnen we ook moeilijk zeggen dat het een
schoon ideaal is, Hebt uw vijand lief daar kunnen we nog van zeggen, was dat eens
mogelijk, maar ten overstaan van deze tekst staan wij met onze mond vol tanden.
eerder zouden we willen opmerken dit woord is hard wie kan dit verdragen? Het
is een woord, zowel in het evangelie als van de profeet dat klinkt als een oordeel,
en dat is het ook. Het is woord waarnaar wij geoordeeld zullen worden!
Het is even huiveringwekkend als het visioen van het laatste oordeel zoals
we dat kunnen lezen bij de evangelist Mattheus. Die tekst is bekend: Wanneer de
Zoon des Mensen komen zal, in al Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met
Hem, dan zal Hij zetelen op de troon van Zijn heerlijkheid. En voor Hem zullen
alle volkeren worden verzameld, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de
herder de schapen van de bokken scheidt ... (Mat 25,31) We kennen dit verhaal
als het verhaal van het laatste oordeel. Daarachter kunnen we ons, zo denken we,
verschuilen. het is het laatste oordeel, dat is nu nog niet. Zoals we in dat prachtige
lied zingen: Eens, als de bazuinen klinken ... Eens, en dat is ook nog niet vandaag,
dat lijdt nog even uitstel. Dat snijdt nog niet zo scherp, dat gaat nog niet door
merg en been. Maar wie dat verhaal, zoals Mattheus het vertelt, kent de maastaf
die bij dat laatste oordeel wordt aangelegd. Weet waarnaar wij worden geoordeeld.
Ik was hongerig en gij hebt mij te eten gegeven, ik was dorstig en gij hebt mij
te drinken gegeven. Ik was vreemdeling, ik was naakt, ik was ziek, ik was in de
gevangenis .... verwonderd zullen we vragen: wanneer, Heer, hebben wij uw hongerig
gezien, of dorstig ..wanneer waart gij vreemdeling bij ons, hebben wij u ziek
gezien, of in de gevangenis. En de Koning zal antwoorden, wanneer hebben wij u
hongerig gezien, of dorstig, of naakt, of als vreemdeling in ons midden. En de
Koning zal antwoorden: wat gij aan de minste van een van Mijn broeders hebt gedaan,
dat hebt gij aan Mij gedaan. Niet voor niets is dit tafereel boven vele ingangen
van vele Middeleeuwse kerken afgebeeld. De kerk binnengaan, toetreden tot de gemeenschap
van Christus, beduit een bereidheid onder dat oordeel door te gaan. Want in de
gemeenschap wordt de maatstaf van het laatste, het uiteindelijke oordeel gekoesterd,
in ere gehouden, in praktijk gebracht. Als wij zo tot de gemeenschap zijn toegetreden,
dan mogen wij daarop worden aangesproken. Zo zullen wij aan een verdoemend, veroordelend
oordeel kunnen ontkomen! Maar zoals gezegd,
dit verhaal van Mattheus heet bij ons het laatste oordeel, ten laatste .. maar
dat betekent toch geen uitstel, want we weten, en we weten het maar al te goed,
wat de maatstaf is, waarnaar wij geoordeeld zullen worden, en dat telt en geldt
vanaf het moment dat wij het oordeel hebben gehoord. We weten, we kunnen weten
hoe wij ons moeten gedragen .... De
evangelist Lucas heeft dat verhal van het laatste oordeel niet. Hij heeft het
verhaal zoals we dat vandaag hebben gehoord. Maar als we dit verhaal van Lucas
door onze oogwimpers heen lezen, om scherper te kunnen zien wat Lucas, de schilder,
ons hier schildert dan ontwaren wij de trekken waarmee ook Mattheus zijn visoen
van het laatste oordeel heeft getekend. De vergelijking met het laatste oordeel van
Mattheus dient eerder gemaakt te worden dan met de bergrede volgens Mattheus.
Jesus daalt af, met zijn engelen, met Zijn boden, met Zijn apostelen, aan wie
het geven zal worden te zetelen op tronen
oordelende de twaalf stammen van Israël (Luc 22,30) Jesus die zo afdaalt maakt
d beweging van boven naar beneden, gelijk de beweging van de Zoon des Mensen.
De beweging die Hij maakt naar ons toe, op ons gericht is een helende beweging,
een heilbrengende beweging, een bevrijdende beweging. Want Hij gaat naar de mensen
toe, die hem willen horen, die gehoor willen geven aan hetgeen Hij te zeggen heeft,
met geheel hun hart, hun geheel hun ziel en al hun krachten. Hij gaat naar de
mensen toe die ondubbelzinnig zich willen oevertrouwen aan Hem. De mensen waren
gekomen om van alle zeikten te worden genezen. Zo schrijft Lucas: “Ook zij die
geplaagd werden door onreine geesten werden genezen. En allen zochten Hem aan
te raken, want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas hen allen” Dit is wat
wordt overgeslagen, in de lezing van vandaag! Geloven wij niet dat die kracht
van hem uit ging? Geloven wij niet dat die kracht van hem zal uitgaan als Hij
in heerlijkheid ten oordeel komt. Maar
als wij ons aan die oorden niet durven toevertrouwen, hoe zullen wij dan zijn
andere woorden ernstig nemen! Hoe ernstig nemen wij dan die woorden Zalig gij
armen, en wee u rijken .... Hoe gedragen wij ons in het licht van dat oordeel.
Eten rijke is zo in de schriften getypeerd: zeg niet Ik ben rijk, en ik heb mij
verrijkt, en ik heb niets en niemand nodig.
(Apoc 3,17). En als er over de arme gesproken wordt luidt het zo: wanneer iemand
van uw broeders, arm gemaakt is, onder u ... (Deut 15,7). De gemeenschap wordt
hier aangesproken, onze gemeenschap, die
dit woord kunnen en mogen horen. Want het is duidelijk dit kunnen wij niet alleen,
dit kunnen wij niet individueel. De echo van de handelingen van de apostelen klinkt
in onze oren: zij bezaten alles gemeenschappelijk
.... Alleen in gemeenschap kunnen we bestaan in het oordeel, en blijven
we staande in deze wereld .... Het is niet ieder voor zich en God voor ons allen.
Met hoeveel phantaisie, met hoeveel creativiteit, die ook gegeven zal worden door
de Geest, kunnen wij deze teksten horen. Waar
ligt onze keus, waar liggen onze prioriteiten. Hoe delen we broederlijk met elkander,
en hoe dagfen we regeerders en verantwoordelijken uit vanuit de boodschap die
we hebben gehoord. De armen van Geest -
Geest met een hoofdletter, de Heilige Geest, - zijn de armen die de Geest bezitten,
die profetisch recht van spreken hebben met betrekking tot de komst van het Koninkrijk.
Zij verkondigen de blijde boodschap. Daar kunnen wij niet aan toe doe, niet aan
afdoen. We horen Jesus zeggen: hoe moeilijk is het voor een rijke om in te gaan
in het Koninkrijk der hemelen .... Hoe
rijk zijn wij, hoe laten we ons gezeggen, en hoe bidden wij: uw Koninkrijk kome. Laten wij met elkander ook
bidden dat de heilige Geest ons mag aanjagen, inspireren, om een van hart, de
gemeenschap te koesteren, om niet met e mond vol, met de mond vol tanden te staan
als wij horen: zalig gij armen .... Zo geve God! Am*dam
12 februari 1998 ©
Ben Hemelsoet Twaalfde Zondag door het jaar, derde zondag na Pinksteren Spaarndam
21 juni 1998 Zacharia
12, 10 – 11 Lucas 9, 18 -24 Het evangelie van vandaag zet plechtig in, Lucas’ schrijfstijl waardig: En
het geschiedde, toen Hij alleen in gebed was, waren Zijn leerlingen met Hem .... Lucas schrijft en het geschiedde dat is iets anders dan eens
op een keer. In die laatste zinswending hporen we niet meer dat er nu iets gaat
geschieden, dat er nu geschiedenis gemaakt wordt. Zo staat het ook geschreven
als Jesus wordt gedoopt: ”En het geschiedde, met dat gans het volk werd gedoopt,
terwijl ook Jesus werd gedoopt, en bad, dat de hemel werd geopend, en de heilige
Geest neerdaalt ....(Luc 3,21). Zo zullen we het onder andere ook kunnen horen
in het verhaal van de verheerlijking op de berg:”En het geschiedde
toen Hij bad het aanzien van Zijn gelaat werd anders, en Zijn kleed stalend
wit ...” (Luc 9,29) Als wij daar het en het geschiedde niet meer (willen) horen,
horen wij ook niet meer wat er zal geschieden, horen wij niet hoe datgene wat
van Jesus verteld wordt, geschiedenis zal maken. Met eens op een keer, lijkt de
vertelling losgemaakt te worden van de
geschiedenis die God met ons maken wil, die Hij met ons maakt. Met eens op een
keer wordt de vertelling een van de faits divers uit een lang vervlogen verleden.
Lucas onderstreept vele malen dat Jesus bidt. Niet alleen omdat Hij, gelijk Joseph
Roth zegt: “Er war fromm, Gottesfürchtig und gewöhnlich ein ganz alltäglichter
Jude”. Maar meer nog Jesus heeft net als
Josua uit de mond van Moses gehoor:”Dat het boek van dit onderricht niet wijke
van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij waarneemt te doen naar alles
wat daarin geschreven staat ...” (Jos 1,8).Zo
staat het ook geschreven in die lange psalm, die durende lofzang op Gods onderricht:
Ik loof u zevenmaal des daag, over uw daden van gerechtigheid, over uw daden van
bevrijding, over uw te-rechte bevrijding. (Ps 119,164)
Op de beslissende keerpunten van de geschiedenis Gods,
zegt Lucas dat Jesus bidt. Van Pascal kennen we de intrigerende uitspraak
Dieu gouverne le monde par la prière, God bestiert de wereld door het gebed. Let
wel er staat niet dat de wereld bestierd wordt door ons gebed, wij weten immers
niet eens hoe wij bidden moeten, en de zin van Pascal is ons te zinnen gegeven,
een pensée, een gedachte om over te mediteren. Dat Lucas ons verteld dat Jesus
geschiedenis maakt, als Hij schrijft en het geschiedde toen Hij alleen in gebed was .... zou ons op
het spoor kunnen zetten wat er eigenlijk met bidden aan de hand is. We kunnen
over het bidden alleen maar spreken als wij ons uitgangspunt nemen, als wij ons
willen laten leiden door de schriften die zeggen: en het geschiedde toen Jesus
alleen bad .... Dit gebed van Jesus leidt in wat wij doorgaans de belijdenis van
Petrus noemen, gelukkig schrijft de Nieuwe Willibrordvertaling boven deze pericope:“het
lijden van de Zoon des Mensen en Zijn volgelingen”, dat geeft de richting aan
van de geschiedenis die Jesus als biddend inzet. Als alleen de belijdenis van
Petrus in het oog wordt gevat, kunnen we ietwat teleurgesteld zijn. Bij de evangelist
Mattheüs staat het zogenaamd duidelijker! Daar zegt Petrus immers: Gij zijt de
Zoon van de levende (dat is: de levendmakende) God” (Matt 16, 16). Maar als we
zo, zogenaamd, zo blij zijn met Mattheüs, mogen we ons wel afvragen wat onze blijdschap
is! Zij we niet blij met deze evangelist, omdat hij zegt wat wij, - zo menen wij
- allang zelf wisten, en denken we te weinig na over de belijdenis van Petrus
volgens Lucas: “Gij zijt de Messias van God”; hoe komt het .dat we die belijdenis
eigenlijk niet nauwkeurig genoeg vinden? Maar
de geschiedenis gaat geschieden, en Jesus bidt. Er staat niet bij hoe Jesus bidt,
maar wel kunnen we zeggen dat door te bidden Jesus’ gebed de biddende beweging
maakt, die al beschreven is in het begin van het boek van de Uittocht: Exodus.
Daar staat immers te lezen: (Ex 2,23) hoe het gekerm, het geschreeuw, de angstschreeuw
van de kinderen van Israël opsteeg tot God; en God hoorde hun gekerm, en God gedacht
Zijn verbond met Abraham, en met Isaak, en met Jacob, en zag de kinderen van Israël,
en God kende .... Let wel: God kende staat hier zonder zgn lijdend voorwerp. Wat
God kende zal blijken uit hetgeen volgt! Wat volgt is het visioen van het brandende
braambos, en in dat visioen horen we : Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak
en de God van Jacob. Ik heb zeer wel gezien de onderdrukking van Mijn volk hetgeen
in Egypte is, Ik heb hun geschrei gehoord vanwege hun slavendrijvers, want Ik
heb hun smarten gekend. Daarom ben Ik neergedaald om hen te doen opstijgen uit
dit land naar een goed en ruim land, overvloeiende van melk en honing.
(Ex 3,7 -8) Hier horen we de beweging van het gebed. Het geschrei van de
kinderen van Israël stijgt op, het hun geschrei, onuitsprekelijke verzuchtingen,
maar God daalt neer, Hij articuleert Zijn gedachtenis aan het verbond dat Hij
gesloten heeft met Abraham,.met Isaak en met Jacob. Zo wordt het gekerm van de
kinderen van Israël gearticuleerd. God zelf in Zijn gedachtenis, formuleert hun
onuitsprekelijke verzuchtingen. Daarmee is het kader gegeven van alle bidden.
Jesus bidt vooraleer de lijdensvoorspelling wordt uitgezegd, Jesus bidt en zo
identificeert Hij zich met de ellende van Zijn volk. Als de geschiedenis van de
bevrijding bekend gemaakt wordt, als de lijdensvoorspelling wordt uitgezegd, dan
wordt die uitgezegd in het kader van het gebed. Jesus identificeert zich zo met
de ellende, dat Jesus zelf een en al bidden is, in Jesus wordt het gebed van de
ellende belichaamd, Jesus is de belichaming van dat gebed, Hij zelf is een
en al gebed. Dat mogen we ons realiseren als we vandaag dit gedeelte van
Lucas horen. Van daaruit klinkt de vraag van Jesus: wie zeggen de mensen dat Ik
ben. De antwoorden die gegeven worden, klinken vreemd in onze oren. Wij doen nog
gemakkelijk alsof wij die antwoorden niet nodig hebben, wij zouden immers beter
weten. Maar Jesus zegt niet dat de gegeven antwoorden niet juist zouden zijn.
Deze antwoorden zijn ook opgetekend opdat
wij zouden weten dat we het niet over Jesus kunnen hebben als we het ook niet
hebben over Joannes de Doper, of over Elia, of over een profeet, een van de ouden,
die is opgestaan. Eerst als deze antwoorden gegeven zijn kan de vraag gesteld:
wie zeggen jullie dat Ik ben. Dan pas kan Petrus antwoorden: gij zijt de gezalfde
Gods, de Messias. Degene die dor God is aangewezen, degen die gezalfd is met de
heilige, de heiligende Geest. Niet voor niets heeft Lucas Jesus in de synagoge
van Nazaret Jesus laten voorlezen: de Geest des heren rust op Mij, daarom heeft
Hij mij gezalfd. Hij heeft Mij gezonden om aan de armen de Blijde Boodschap dat
God Koning is Jerusalem, om allen te genezen die gebroken zijn van hart, om aan
gevangenen vrijlating te verkondigen, blinden het gezicht, om verslagenen heen
te zenden in vrijheid, om te preken het welgevallige jaar des Heren, het bevrijdende
jubeljaar (zie Luc 4,18 v.v.). Voor Lucas is het antwoord van petrus voldoende.
Hij heeft immers Jesus al in de synagoge van Nazaret laten verkondigen wat het
beduidt om de Messias van God te zijn. Daar hoeft - volgens Lucas - sinds Nazaret
niets meer aan toegevoegd te worden. Jesus verbiedt ten strengste dat zij dat
openlijk zouden bekendmaken. Want aangewezen zijn door God, gezalfd zijn
door de heiligende Geest betekent ook te moeten treden in de bloedsporen
van de zoon des Mensen, van die allereerste Zoon van Adam, Zoon des Mensen, die
het allereerste slachtoffer is geweest van de broedermoord op aarde. Maar dat
wordt niet verteld, dat lot van Jesus, dat ook Hij slachtoffer van broedermoord
zal zijn. Dit wordt verteld opdat we horen mogen dat God Hem niet inde strikken
van de dood heeft achtergelaten, dat God Hem uit de doden heeft bevrijd. Dit kunnen
we alleen maar belijden als we bereid zijn om Jesus na te volgen. We kunnen niet
alleen maarzeggen dat Jesus de Messias
is. Als we dat alleen maar zouden zeggen, zouden we te weinig, wellicht helemaal
niets zeggen. want Jesus wijst op de consequenties
van die belijdenis: indien iemand achter Mij aan wil komen, die verloochene zichzelf,
en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij. Want wie zijn leven behouden wil,
die al he verliezen; maar zo wei zij levenverliezen zal om Mijnentwil, die zal
het behouden .... Als we deze woorden horen past ons zwijgen, staan we met de
mond vol tanden. We hebben voor ons zelf leren opkomen, we zijn assertief geworden.
Jezelf verloochenen, hoe doe je dat? Misschien schrikken we er wel voor terug.
We durven er met elkaar ternauwernood over te spreken. Je zelf verloochenen is
ook niet iets dat je een ander mag opleggen. Het is geen argument tegen een ander,
geen argument om een ander te recht te wijzen. Hoe horen we deze tekst van Jesus.
Op de achtergrond klinkt de psalm: Heden, zo gij Zijn stem hoort, wilt uw harten
niet verharden .... Bidden we met elkaar, en voor elkaar, dat wij ons harten niet
sluiten, niet verharden, voor dit Woord van de lieve Heer. Dat Hij ons
een hart geve, lef geve, een hart dat luistert, een hart dat gehoor geeft: zo geve God! Am*dam
9 juni 1998 Veertiende
Zondag door het jaar, vijfde Zondag na Pinksteren London 5 juli 1998 Jesaja
66,10 - 14c
Lucas
10,1 -12 Zo
spreekt de Heer: Zie Ik zal de vrede over Jerusalem uitstrekken als een rivier.
Jerusalem wordt troost toegezegd, troost ten einde raad. Die troost is vrede:
verzoening, voltooiing van alles wat de profeten hebben gezegd. Daarmee wordt
onze aandacht gericht op die stad op de berg die niet verborgen kan blijven, dat
zalig visioen van visioen van vrede waarvan de oude kerkelijke hymne zingt coelestis
urbs Jerusalem, beatae pacis visio. De dichter is vertrouwd met de hoekige onaangepaste
Hebreeuwse karakters, met de Hebreeuwse letteren, en hij vertolkt in vloeiend Latijn wat zijn gevoelige oor gehoord
heeft als hij de naam Jerusalem op zijn lippen proefde: zalig visioen van vrede,
vergezicht van God dat Hij bereid heeft die hem liefhebben, en zelfs engelen zijn
begerig er een blik in te slaan. De profeet zelf, speelt met de woorden die eerder
in het boek Jesaja hun plaats hebben gekregen, hij mijmert door met hetgeen in
dat stralend visioen wordt beschreven: “en het zal zijn in het laatst van de dagen
dat het berg van het huis des Heren zal vastgesteld, -onwankelbaar,- op de top
van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen. De zegeningen
van de eeuwige heuvelen (vgl. Gen 49,26), en tot hem zullen toevloeien, alle heidenen,
alle niet-Joden. want uit Sion komt het onderricht, en ‘s Heren woord uit Jerusalem”
(Jes 2, Alle niet-Joden zullen toevloeien. De dichter maakt van het woord rivier
in zijn visoen een werkwoord, werkelijker dan een werkelijk werkwoord ooit kan
worden, zolang het laatste der dagen nog niet gekomen is.. Zo zullen alle niet-Joden
ook deel hebben aan de vrede die de lieve Heer zal uitstrekken over Jerusalem
als een rivier. De rivier die stromend, toevloeiend de weg wijst, tegen de keer
in: Gods eigen wijsheid. Dit
mogen we als troost, als vervulling, als vrede horen, als perspectief van het gedeelte uit het evangelie
van Lucas dat wij hebben gehoord. Aan deze pericope gaat vooraf hoe Lucas Jesus
beschrijft, Jesus die definitie de weg inslaat naar Jerusalem. Jesus sterkt Zijn
aangezicht met het oog op die stad, ja, Jesus is een en al oog is voor die stad.
Niets kan Hem daarvan afhouden, met heel Zijn ziel, met heel Zijn hart, met al
Zijn krachten heeft Hij Zijn aangezicht gericht op die stad, Zijn bruid gericht.
De Bijbelse woorden verbleken enigszins als vertaald wordt Toen de tijd naderde
dat Hij zou worden weggenomen, koos Hij vastberaden Jerusalem als einddoel (WV’93)
of Toen de tijd aanbrak dat God hem tot zich zou nemen, besloot Jesus naar Jerusalem
te gaan (en dat is Groot Nieuws!).Dat aangezicht van Jesus! Van Simone Weil is
de aangrijpende zin: une des verités la plus méconnue du christianisme d’aujourd’hui
c’est que c’est le regard qui sauve .... Zij zegt er niet bij wiens aangezicht,
maar wie vertrouwd is met het psalter weet hoe het geschreven: “Majesteit en heerlijkheid
zijn voor Zijn aangezicht” of zoals Hiëronymus het heeft vertaald confessio et
pulchritudo in conspectu eius (Ps 96,5) Als God Zijn aangezicht richt is er belijdenis
en schoonheid, is er redding en bevrijding, majesteit en heerlijkheid. We kunnen alleen maar mijmeren, mediteren, wat
dat kan beduiden, we kunnen overwegen wat het beduidt dat Jesus Zijn aangezicht
richt op Jerusalem. Zo maakt Jesus gang naar Jerusalem, Zijn opgang naar die stad
geschiedenis. Zo zal Lucas het schrijven:”En het geschiedde, toen de dagen van
vervuld werden van Zijn opneming, dat Hij zijn aangezicht vaststelde op het optrekken
naar Jerusalem” (Luc 9,51) In het gevolg daarvan mogen we vandaag horen: “En nadien
wees de Heer (twee) en zeventig anderen aan, en Hij zond hen twee aan twee voor
Zijn aangezicht naar alle stad en plaats waar Hij ging komen (Luc 10,1). Er volgen
aanwijzingen, regels hoe zij zich twee aan twee moeten gedragen. Regels die nogal
drastisch klinken, voor onze moderne, of post-moderne oren: geen buidel, geen
tas, geen schoenen, en groet niemand langs de weg. Ze worden gezonden als lammeren
temidden van de wolven. Zij mogen hun steun uitsluitend, enkel en alleen vinden
in de opdracht van Jesus, die een en al oog is voor Jerusalem, - zo moeten zijn
die gezonden worden. Want wat zij verkondigen moeten is nabij gekomen is tot u
het Koninkrijk van God. Zij mogen dat verkondigen
op al die plaatsen waar Jesus zelf zou komen. Nu Hij definitief de weg naar Jerusalem
is ingeslagen is het Koninkrijk naderbij gekomen. Jesus is zo gefixeerd op die
stad, op Jerusalem Zijn bruid, Hij identificeert zich zo met haar, dat - zo ooit,
- dan nu, die twee Jesus en Jerusalem - in alle Bijbelse zinnen van het woord
- één vlees zijn geworden.. De nabijheid
van het Koninkrijk Gods is en Jesus’opgang naar Jerusalem gaan hand in hand, in
één droom van trouwe, getrouwde nabijheid, vooruitzicht van de komst van het
Koninkrijk waar we telkendage om bidden.
Als we proberen te bedenken wat daarmee zou kunnen zijn gezegd, kunnen
we bijna niets anders dan stamelen van Gods weergaloze trouw, want wij weten net
eens hoe wij zouden moeten bidden. Het is de heiligende Geest die in ons spreekt
met stamelend klanken, ongearticuleerd. Maar
daarom mogen wij vandaag ook horen hoe de komst van Jesus naar Jerusalem, hoe
zijn vooruitzicht naar die stad de belichaming is van de komst van het Koninkrijk
want Hij wendt zich naar die stad op de berg.
Zo blijkt ook dat de gebruikelijke uitdrukking Jesus van Nazaret eigenlijk
te kort doet aan de glorierijke naam van Jesus.
Van Hem zullen we moeten belijden dat Hij is Jesus van Nazaret tot Jerusalem.
Want zo kan het in het Nederlands worden verstaan: Hij is per slot van de schriften
van adel, Hij is uit het koninklijk geslacht van David, Hij heeft derhalve recht op een dubbele naam.
Maar meer dan dat. Wij kunnen Jesus niet
beschrijven als wij ook zijn naam niet voluit noemen, als wij zijn programma niet
voluit belijden, als wij niet zouden belijden dat Hij één en al oog geweest is
voor Jerusalem, één en al hart voor die stad. Dat laatste typeert Jesus zo dat
nu pas in het evangelie te horen is hoe het de steden vergaat die Hem niet zullen
ontvangen. Dat gaat niet vooraf, maar dat
volgt uit de aankondiging van het Koninkrijk. Dan pas worden steden genoemd, steden
waarvan we de precieze ligging niet eens meer kunnen achterhalen, steden waarvan
de evangelisten ons niet eens luttele verhalen hebben overgeleverd. Wel wordt
de naam van Sodoma genoemd …. De stad wier naam spreekwoordelijk is geworden.
Zo spreekwoordelijk dat wij menen dat het bij ons wel erg kan zijn, maar
zo erg als daar in genen dele. Maar juist in deze context is het frappant om nog eens te onderstrepen dat
Sodoma genoemd wordt, - niet om datgene wat wij altijd denken, - maar precies vanwege de ongastvrijheid, de
onherbergzaamheid van al die andere steden.
Een stad is onherbergzaam als er geen mensen wonen die gastvrij zijn. Het
betekent niet dat er niemand woont, maar
er woont niemand die zijn deur wagenwijd open zet. Opmerkelijk is dat wel. Door
het woord onherbergzaam worden wij eraan herinnert dat een mens uiteindelijk paas
mens is als hij/zij bereid is om gastvrij te zijn. Om het indringerder, bijbelser
te zeggen, als hij/zij bereid is met een ander de gedachtenis van Pasen te vieren, de bevrijding te gedenken!
Het klinkt merkwaardig maar in theologicis
spreken we van eucharistische gastvrijheid, maar doorgaans betekent het gastvrijheid op een afstand wel berekend, wel
overwogen. Terwijl het bij het Paasmaal luidt:
dit is het brood der ellende dat onze vaderen in Egypte hebben gegeten. Laat ieder
die honger heeft kome en eten. Laat hij die zelf geen Paasmaaltijd heeft,
kome en eten …. Daar ligt het fundament van onze gastvrijheid, daar liggen de
consequenties van de verkondiging van de nabijheid, de nadering van het Koninkrijk van God, En als dat koninkrijk zo
nabij is wie maalt er om een buidel en een tas, of schoenen. Daarom kunnen we
ook horen bij het laatste Paasmaal van Jesus: toen Ik u uitzond zonder buidel
of tas, zonder schoenen, heeft het u toen aan iets ontbroken? En zij zeiden: aan
niets! Maar in die Paasnacht, de nacht
van de bevrijding, gaat alles anders in de nacht die anders is dan alle andere
nachten. Leerlingen slapen in plaats van wakker te zijn, met zwaarden en stokken
gaan ze op Jesus af, want het woord moet worden vervuld: Hij is onder de
misdadigers gerekend. En dat zegt Jesus tegen degenen die met Hem aan tafel
zitten. Waarom is die nacht anders dan alle andere nachten ….. De
leerlingen keren weêrom, en wat horen wij hen zeggen? Zelfs duivelen zijn ons
onderworpen. En Jesus daarop: Ik zag satan als een bliksem uit de hemel vallen!
Door de verkondiging van de nabijheid van het Koninkrijk is Satan van zijn
troon gestoten. Even mysterieus als dat zij/wij mogen horen
dat onze vreugde mag zijn dat onze namen staan opgetekend in de hemelen, daar
waar God troont. We mogen ons daarom laten leiden door de woorden
van de profeet: verblijdt u met Jerusalem, verheugt u over haar, al haar liefhebbers! Weest vrolijk
over haar, gij allen die treurig geweest zijt over haar. Zo wordt de stad
bezongen als een geliefde bruid. Het kan dan ook niet anders dan dat Jesus één
en al oog geweest is voor haar, dat Hij hete tranen heeft geschreid om die stad,
die Hij heeft liefgehad tot in de dood. Vandaar wordt Zijn tocht naar die stad,
naar Zijn bruid, gedragen door de wonderlijke, bevrijdende boodschap: het Koninkrijk
is nabij, want Ik kom naderbij …..Vandaar blijven wij bidden: uw koninkrijk kome
….. zo geve God! Am*dam
30 juni 1998
© Ben Hemelsoet Negentiende zondag door het jaar, tiende zondag na Pinksteren Diemen, 9 augustus 1998
Wijsheid 18, 6 -9
Lucas 12, 32 - 48 Lucas
zet hoog in op deze zondag! Vrees niet kleine kudde, want het is het welbehagen
van uw Vader om u het Koninkrijk te geven.
Lucas zet hoog in: want de kleine kudde is niet alleen een kudde klein van getal,
het is ook een kudde die in alle zinnen van het woord klein gehouden wordt, een
kudde die wordt gekleineerd, die onderdrukt wordt, arm gehouden wordt … en die daarom klein van
aanzien is; er wordt op neer gekeken. Het
zijn de kenmerken van de kudde van Jesus, maar we mogen tegelijkertijd weten dat
de woorden die hier door Jesus worden gebruikt, woorden zijn van een profetische
allure. Zo staat het geschreven bij Jesaja de profeet: ”Want Ik, de Heer, uw God,
grijp uw rechterhand aan; Ik ben degene die tot u zegt Vrees niet Ik help u. Vrees
niet, gij wormpje Jacob, gij volkje Israël.
Ik help u spreekt de Heer, en uw bevrijder is de Heilige van Israël.” (Jes 41,13-14).
En zo wordt het gezongen in de psalm: ”Hij voerde Zijn volk als schapen, en Hij
leidde hen als een kudde in de woestijn. Ja, Hij leidde hen in veiligheid,
zodat zij niet vreesden, want de zee had hun vijanden overdekt …” (Psalm 78, 53
- 54). Over het welbehagen hebben we enkele hoofdstukken eerder kunnen horen in
het evangelie van Lucas. Het geheim van het Koninkrijk is immers verborgen gehouden
voor wijzen en verstandigen, maar het is onthuld voor onmondigen. Paulus zal het
zo zeggen: voor de Joden is het ergernis en voor de heidenen een dwaasheid dat
zo Gods Koninklijke heerschappij wordt onthuld. Maar als we dit mogen horen, moeten wij wel
op onze hoede zijn. Als wij zouden menen dat wij bij voorbaat bij de uitverkorenen
zijn, zou het kunnen dat wij ons iets aanmatigen. We moeten immers ook hetgeen
ons daarna gezegd wordt ter harte nemen! En we horen het huiveringwekkende woord van
Jesus: “Verkoopt waarop gij staat maakt, en geeft barmhartigheid”! Op deze wijze roept Lucas ons de parabel van
de barmhartige Samaritaan in herinnering. Die parabel wordt verteld als uitleg
van het grootse, grote gebod. Gij zult liefhebben
de Heer uw God, met geheel uw hart, met geheel uw ziel, en met al u krachten;
en uw naaste als u zelve. De schriftgeleerde, zo herinnert u zich, wil zichzelf
rechtvaardigen, en stelt de belangrijke vraag: maar wie is mijn naaste? Weet
die schriftgeleerde dan wel wie God is ….? Aan het einde van de parabel,
vraagt Jesus: Wie van
deze allen is de naaste geweest? En het antwoord dat die schriftgeleerde in de
mond gelegd wordt luidt: Hij die hem barmhartigheid gedaan heeft. Dezelfde woorden
die we ook vandaag weer horen: doet barmhartigheid! Maar Hij die barmhartigheid
doet, is nu een van de
bevrijdende namen van God! Barmhartigheid doen is treden in de voetsporen
van God, daarin bestaat onze navolging! God navolgen dat is: geen staat maken
op iets anders dan op de barmhartigheid Gods!
Ga er maar aan staan …. Buidels maken die niet verouderen, die niet vervangen
hoeven te worden, kortom een schat in de hemelen, waar geen dief bij komt, noch
mot verderft …. Want waar uw schat zal zijn, zal ook uw hart zijn …. Woorden die
klinken als spreekwoorden, maar als we
er niets mee doen worden het dooddoeners, blijven het dode letters, dodende letters.
Maar hoe worden die woorden van de lieve Heer concreet?
Jesus vervolgt, en we horen: laat uw lendenen omgordt zijn, en uw lampen
brandende, en gij weest te vergelijken met mensen, die hun Heer verwachten ….
Voor degenen die enigszins met de bijbels verhalen vertrouwd is, hoort hoe hier
gezinspeeld wordt op het bevrijdende Paasfeest.
In het boek van de uittocht staat immers
beschreven hoe het Paasmaal moet worden gegeten. “Aldus nu zult gij het
eten, uw lendenen omgord, en uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand;
gij zult het met haast eten; het is het Pascha des Heren; want Ik zal deze nacht
door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen
af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden van de Egyptenaren,
Ik de Heer! (Ex 21,11 -12). Zo wordt ons
ingescherpt door Jesus dat wij een beroep kunnen blijven doen op de bevrijdende
kracht des Heren, die redden zal uit de donkere nacht van de slavernij, de ons
bevrijden zal van de Egyptische duisternis, ja, die ons redden zal uit de duisternis
van de dood. Maar in één adem noemt Jesus ook de lampen
die wij brandende moeten houden. Zo worden wij herinnerd aan de lichtprocessie
op het feest van de Loofhutten, het feest waarop wij de definitieve gave
van het veelbelovende land tegemoet zingen. Want
zo houden wij de gedachtenis levend van Jesus, die uit de ellende is bevrijd,
en ingetreden is in de heerlijkheid van
de Vader. Zo houden wij Zijn weg in gedachtenis die wij eens zullen mogen gaan!
Zijn bevrijding uit de slavernij van de dood
is immers onze verwachting. Wij
verwachten Zijn komst wanneer Hij zich losmaakt van Zijn bruiloftsfeest,. opdat
als Hij komt en klopt, zij Hem gelijk opendoen. Een verrukkelijke manier om t
spreken over de komst in heerlijkheid van onze Heer. Lucas schrift dat dan Hij
zich losmaakt van het bruiloftsfeest. Hij zal da komen om ons uit te nodigen deel
te nemen aan dat feest. In de Joodse traditie wordt op eerste paasdag het hooglied
in de synagoge voorgelezen. Want met Pasen blijkt dat de lieve Heer Zijn volk
als een bruidegom op een hartstochtelijke manier bemint. Zijn volk wordt Zijn
bruid, en Jesus, Zijn geliefde Zoon is de eersteling van dat volk, de eersteling
an al degenen die ontslapen zijn, de eersteling die opgewekt is van de doden.
Hij breekt zich ten laatste los uit dat hemelse feest en komt om ons te wekken,
om ons te wekken om op te staan. In de Paasnacht zal Hij ons oproepen op te staan,
en Hem te vergezellen. Zalig zijn zij die de Heer wakend vindt. Zelfs al Hij komt
in de twee, of in de derde nachtwake, zal Hij Zijn getrouwen wakende vinden. Dit is ook een
duidelijk toespeling op het ritueel van de paasnacht, die nacht die wij op zijn
vlijtigst moeten houden, het is een nacht van bidden en waken voor de Heer, die
komen zal om ons te bevrijden, een eeuwige inzetting voor Zijn volk! Het de achtergrond
voor de waarschuwing: gij dan ook zijt ook bereid, want op het uur dat gij het
niet vermoed, zal de Zoon des Mensen komen. De Zoon des Mensen aan wie gegeven
zal worden te oordelen de levenden en de doden, the quick and the dead gelijk
de Engelsen zo aardig zeggen. Wat hier
bij Lucas staat is meer dan vrome verbeelding. Lucas onderstreept dit door er
nog aan te voegen, de ietwat parmantige opmerking van Petrus. Petrus vraagt: Heer
zegt gij deze gelijkenis allen tot ons of ook tot allen, tot iedereen. Het is
parmantig van Petrus. Wil Petrus eigenlijk zeggen, als Gij het alleen tot ons
wilt zeggen, is het eigenlijk overbodig, want wij weten dit immers dit allemaal
al lang. Is dit zo? Weten de leerlingen van Jesus dit allemaal al lang, en hoe
zien wij dat dan in het dagelijks leven van de christenmens? En als het over het
waken gaat naar het voorschrift van de paasnacht, merkt Lucas op dat de
leerlingen liggen te slapen. Zij waken niet, terwijl heel Israël toch waken
moet in die nacht die op zijn vlijtigst gehouden moet worden: zij slapen ….. Hebben
zij dan Jesus waarschuwing niet gehoord, die wij ook vandaag hebben mogen horen?
Om wakker te blijven, om te waken zijn wij groepen, om de wacht te betrekken
als de bevrijding nadert, en het Koninkrijk van Gode naderbij gekomen
is. Daarom mag het in onze oren vandaag klinken, als een oproep tot verantwoordelijkheid:
wie is de betrouwbare huisbewaarder, d verstandige die de heer zal aanstellen
over zijn verpleging, zijn verzorging, om hem te rechte4 tijd koren te geven naar
Zijn maat ….. We
kunnen nu vermoeden waarom naast deze lezing van Lucas we een gedeelte hebben
mogen horen uit het boek der Wijsheid. Het zijn teksten die te denken geven, en
die hun lading, hun diepte mede krijgen als we het evangelie van Lucas hebben
gehoord. Die nacht was aan onze vaderen tevoren bekend gemaakt. Dat mogen wij
de schrijver van het boek der wijsheid nazeggen. Die nacht van pasen is ons bekend
gemaakt, en wij weten ook hoe wij ons moeten gedragen: wakende, op de bevrijding
gespitst, verlangend uitziende naar de komst van de Zoon des Mensen. Wij weten
immers op welke beloften Gods wij mogen vertrouwen. Daarom vreest niet gij kleine
kudde! Daarom zingen wij straks weer vol vreugde, als we de tekenen van brood
en wijn ter hand mogen nemen, als wij mogen gedenken hoe God ons gedachtig is
geweest, hoe Hij onze ellende heeft aanschouwt, hoe Hij de bevrijding heeft bewerkt.
Daarom gedenken wij de wijze waarop God ons indachtig is geweest, en daarom kunnen
wij van ganser harte zingen: als wij dan eten van dit brood, en drinken uit deze
beker, verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt! Zo geve God! Am*dam
9 juli 1998 ©
Ben Hemelsoet [de
eerste dag zomer 1998] Bij Lucas 13,22 - 30 en Jesaja 30,15 - 21 “En
Hij trok langs steden en dorpen, terwijl Hij leerde, en voortgang maakte naar
Hierosoluma” Het is de eerste na Luc 9,51, dat er weer melding gemaakt dat Jesus
op weg is naar de stad. De lezer wordt er zo aan herinnert dat we nog immer meegenomen
worden op de reis van Jesus naar de stad van de grote Koning. We worden meegenomen
op die reis die met recht en reden een itinerarium mentis in Deum, het is de reis,
de weg van het zielsverlangen naar God! Daarom hoeft er ook niet uitgezocht te
worden langs welke wegen Jesus is gegaan van stad tot stad; en evenmin hoeven
we ons van streek te laten brengen dat we die reis van verlangen niet kunnen uitzetten
op de gebruikelijke landkaarten! Op die reis wordt de ongewone vraag gesteld:
Heer, of er weinige geredden zijn? Op die vraag wordt niet met ja of nee geantwoord,
maar met een oproep tot strijd om in te gaan door de enge deur. Want velen zullen
zoeken in te gaan, en het niet kunnen. Het verhaal,
de parabel gaat op een onthutsend ongewone wijze verder. Velen zullen zoeken in
te gaan, maar zij zullen het niet kunnen. Dat heeft, zo tenminste in de parabel,
niet te maken met meer of minder inzet in de strijd, maar met de gesloten deur,
die gesloten is vanaf dat de huisheer is opgestaan. Hoe nu? Moeten degenen die
binnen willen komen strijden om binnen te gaan vooraleer die deur gesloten is? Maar hoe zullen zij in kunnen gaan als de heer
des huizes nog niet is opgestaan? In het evangelie is het toch niet een gewaagde
veronderstelling dat het opstaan van de heer des huizes iets van de doen heeft
met de opstanding, met Pasen? Het klassieke gebed op de dag van Pasen luidt: o
God, die heden door uw eengeborene voor ons de toegang tot de eeuwigheid hebt
ontsloten ..... Het woord “eeuwigheid”
dien men hier heel concreet te lezen als “betrouwbare vervulling van alle beloften”.
In de ontsluiting van die belofte zijn alle beloften Gods in die eengeborene “ja”
en “amen” geworden (1 Kor 1,20). Maar
in dat gebed wordt gesproken van een toegang die ontsloten is, hier gaat het om
een deur die gesloten is, en blijft. Met welke verbeelding is deze parabel opgetekend?
Is er tot aan de opstanding van de huisheer mogelijkheid om binnen te komen
en daarna niet meer? Maar waarom is Jesus dan begonnen te spreken van “strijdt”
... en hoe moet er gestreden worden? Zij die voor de gesloten deur staan, zullen
zeggen: wij hebben voor uw aanschijn gegeten en gedronken, en in onze straten
hebt gij geleerd! Hij zal u zeggen Ik ken u niet, Ik weet niet vanwaar gij zijt,
gaatterzijde van mij staan, alle gij werkers van onrecht. Hoe we het ook keren
of wenden. Ook dit is een parabel waarvan we kunnen zeggen zo gaat het er niet
toe, maar dit is opgetekend om te voorkomen dat het er zo aan toe zal wanneer gij zult zien Abraham en Isaak en Jacob
en alle profeten in het Koninkrijk van God. In Numeri 11, 26 v.v staat het verhaal van Eldad
en Medad, daar staat te lezen: Och dat heel het volk des Heren profeten waren,
dat de Heer Zijn Geest over hen gave! Dit wordt geschreven met het oog op het
veelbelovende land, met het vooruitzicht op het land van belofte, en de strijd
die gestreden zal moeten worden. Het is
de strijd die te maken heeft met de beloften gedaan aan Abraham, Isaak en Jacob,
en die alleen door en in de Geest die gesproken heeft door alle profeten kan worden
voltooid, op grond van de beloften die gedaan zijn aan de aartsvaders. Zo zijn
we weer terug bij de enge poort, de poort van de benauwenis. Die enge, die beangstigende
poort, die benauwde doorgang staat beschreven, bij de Profeet Zacharja
(Zach 11,10 v.v). De aartsvaders met hun geduld, en de Geest van alle de
profeten die heeft aangewezen wat God bereid heeft voor al degenen die Hem liefhebben:
a land of pure delight dat te zien gegeven wordt nadat de heer des huizes zal
zijn opgestaan is de spitst van de tocht van het zielsverlangen naar Jerusalem
..... De laatste verzen van de lezing van de profeet Jesaja spellen ook deze troost:
het volk zal in Sion wonen. Er wordt gesproken over het brood van de benauwdheid,
en het water van de verdrukking (Jes 30,20 v.v zie ook Deut 16,3 “het brood der
ellende”) Maar ten einde raad zal de lofzang bij ons zijn. De waarschuwing blijft:
zorgt niet bij de laatsten te zijn. Bij Lucas 14,1.7-14 en Deuteronomium 24,17
- 22 De
context van de lezing van Lucas is spannender dan de “uitsnijding” die ons ter
lezing wordt geboden doet vermoeden. Het slot van hoofdstuk 13 eindigt zo: Zie
uw huis wordt u gelaten, Ik echter zeg u: gij zult Mij niet meer zien, totdat
Hij komen zal, wanneer gij zegt: gezegend Hij die komt inde naam des Heren .... en Lucas vervolgt: en het geschiedde...
welhaast een bevestiging van het voorafgaande. Hij komt in het huis van een hoofd
van de Farizeeën, op Sabbat, om brood te eten .... en in Lucas 14,15 horen w:
maar iemand van de aanliggenden hoorde dat, en zeide tot Hem: zalig wie brood
eet in het Koninkrijk van God! Tussen Luc 13,35 en Luc speelt zich het een en
ander af! heeft te grote angst voor het mirakel van de genezng van de waterzuchtige
door de achterdeur doen verdwijnen? Jesus komt: gezegend Hij die komt in de Naam
des Heren, op de Sabbat, - de dag des Heren, - om brood te eten (zie Luc 14,15),
en zij blijven Hem observeren. De lezer mag weten dat iets anders staat
dan”zij letten scherp op Hem”. Dit gaat van onze vooroordelen uit. Het is Sabbat,
Jesus zal de Sabbat wel willen overtreden, en daarom houden zij Hem scherp in
de gaten .... Maar het woord dat Lucas hier gebruikt heeft alles met het onderhouden,
het koesteren van de Sabbat te maken. Lucas zal hetzelfde woord gebruiken om de
onderstrepen hoe de grote Sabbat na de dood van Jesus is geobserveerd; hij doet
dat in Luc 23,56 met dezelfde woorden als hier in Luc 14,1. Jesus is bij die Farizeeër
om brood te eten op Sabbat. De idylle van die Sabbat wordt verstoord. Zie, een
mens een waterzuchtige voor zijn aangezicht ....
waar komt die vandaan? Die vraag hoeft niet gesteld te worden: als Jesus
er is, is er ook een waterzuchtige. De lezer mag/moet
in dit verhaal zijn/haar aandacht
meer richten op de wijze waarop Jesus die waterzuchtige geneest; want de wijze
waarop bepaalt ook de aard van het brood eten op de dag van de Sabbat. De mededeling
dat Jesus komt om (het) brood (van het Koninkrijk te) eten; zie Luc 14,15, heeft
alles te maken met de aard van het mirakel. Een waterzuchtige, - als we snel een
diagnose mogen stellen, - is iemand die zichtbaar aan hongeroedeem lijdt, een
verhongerde. Het is duidelijk iemand die zo hongerig aanwezig is aan de tafel
waar het brood van het Koninkrijk gegeten wordt, op Sabbat, kan niet zonder meer
weggestuurd worden, kan niet worden afgescheept met een “kom morgen maar terug”.
Om zo iemand te genezen is er ook meer nodig dan een eenvoudige aanraking van
Jesus, daarmee is immers zijn honger nog niet gestild. De vraag of het geoorloofd
is, is in dit verhaal een zeer pikante, en het antwoord voor de hand liggend.
Maar zij volhardden in hun rust .... (dat is iets anders. dan zij zwegen!). Jesus
geneest die waterzuchtige daar hem erbij te nemen, een plaats aan tafel te geven,
zo geneest Hij hem, en zo maakt Hij die man vrij van zijn ziekte, bevrijdt Hij
hem van zijn honger .... Welke gemis aan verbeeldingskracht, als hier
vertaald zou worden: en Hij liet hem gaan! Jesus heeft die man op een genezende
manier deelgenoot gemaakt van die tafel (van het Koninkrijk). Jesus heeft die
man zijn plaats gegeven. Waar Jesus zit, zit die man, die nu mee mag eten, die
nu mee kan eten! tegen de achtergrond van
dit wonderverhaal wordt Lucas 14,7 -11 verteld. Het voorbeeld, het voorbeeldig handelen van
Jesus is uit deze tekst niet weg te denken, laat staan weg te snijden. Hoe moet
de hoorder, de uitgenodigde op het onverwachte
uit zijn, niet op eigen eer, en aanzien, en stand. Want je kunt nooit weten
hoe iemand meer geëerd moet worden, en verheven moet worden uitzijn ellende.
Deuteronomium 14,17 v.v scherpt het ons op een andere manier in. Gij zult
het recht van de vreemdelng (!), van de wees niet buigen, gij zult het kleed van
de weduwe niet tot onderpand nemen. Maar gij zult gedenken dat gij slaaf geweest
zijt in Egypte .... Zo gedenken wij immers Gods Koninklijke Heerschappij (zie
Ex 15,18) op de dag des Heren, de dan van Zijn Koningschap ..... Op die dag blijven
we gedenken hoe de Heer ons verlost heeft uit het slavenhuis, genen wij dat wij
daarom anderen niet terneer mogen drukken in die slavernij,
niet mogen kleineren, niet mogen vernederen. Menselijk opzicht zij de wel
allerlaatste reden om zo te handelen gelijk het evangelie van het Koninkrijk leert. Hoe klinkt de oproep: keert om want zo komt
het Koninkrijk naderbij, Gods koninklijke heerschappij ...... Am*dam
7 april 1998 ©
Ben Hemelsoet Derde zondag van de vasten Diemen, 15 maart 1998 Exodus 3,1 - 8a + 13-15 1Kor 10,1-8a+13-15 Lucas 13,1-9 De samenhang van de lezingen die wij vandaag gehoord hebben, is op het eerste
gehoor niet al te duidelijk. Wat in het evangelie van Lucas wordt verteld lijkt op een bericht uit
bezet gebied, de bezetter heeft Galilaeërs vermoord, nog wel terwijl ze aan het
offeren waren. Er wordt nog gerefereerd aan het instorten van de toren in Siloam: 18 doden. Beide berichten
moeten van een onthutsende actualiteit zijn geweest in die dagen .... De vraag
wordt er aan gekoppeld, of de slachtoffers gezondigd hebben. Een onmogelijk vraag alsof degene die niet
getroffen zijn alleen vanwege hun - al of niet vermeende - schuldeloosheid gevrijwaard
zouden zijn gebleven. Maar
bij de eerste lezing, het visioen van het brandende braambos, zijn ook nog wel
enige vragen te stellen. U ziet in het boekje dat er enige verzen worden overgeslagen.
De aandachtige lezer mag de vraag stellen waarom dat wel mag zijn geschied. De
namen van de inwoners van het land waarheen de kinderen van Israël zullen worden
opgevoerd worden genoemd. Het gaat om een echt land, met echte volkeren, het is
geen sprookjesland, geen pretpark, luna park, Moses heeft ervan horen spreken.
De lezing begint keurig, heel overzichtelijk bij het eerste vers van hoofdstuk
3. Maar bij nauwkeuriger toezien, is dat zelfs al enigszins vreemd. Het lijkt
beter enige verzen eerder te beginnen. En dan gaat het: ”Het geschiedde na vele
dezer dagen, toen de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen van Israël
zuchten en schreeuwden over de slavendienst; en het gekerm over hun slavendienst
steeg op tot God. En God hoorde hun gekerm, en God was Zijn verbond indachtig
met Abraham, met Isaak, en met Jacob. En God zag de kinderen van Israël, en God
kende, God wist .... “ (Ex 2,22-25). Tegen deze achtergrond, vervolgt het verhaal:
”en Moses hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader,
priester van Midian, en hij leidde de kudde
achter de woestijn - de woestijn voorbij -. en hij kwam aan de berg Gods,
[de Horeb} ......” (Ex 3,1) Hier moet de lezer even pauzeren. We hebben gehoord
dat de koning van Egypte gestorven is. Maar we horen niet dat er nu een andere
koning komt. We horen niet: de koning is dood, leve de koning. In plaats van een
bericht over een nieuwe koning, horen we van de ellende van de kinderen van Israël,
en meer nog de kreten, het gekerm van die ellende stijgt op tot God. De suggestie
is duidelijk, van een nieuwe koning hebben de kinderen van Israël in hun slavendienst
niets te verwachten. Zij verwachten een andere Koning, een Koning die geen plaats
zal krijgen op de lijst van de Egyptische Pharao’s. De verwachtingen van de kinderen
Israels, in hun gekerm, stijgen op God. En God gedenkt Zijn verbond met Abraham,
Isaak en Jacob. God wist/kende staat er. Er staat niet bij wat God wist. Maar
wat God wist staat in de volgende verzen, want in die dagen hoedt Moses de kudde
van zijn schoonvader. HIJ leidt de kudde achter de woestijn. Er staat niet tot
ver in de woestijn, laat staan dat hij de kudde leidt in the middle of nowhere.
Dat geeft te denken. Dat weet God, en omdat God dat weet, geschiedt het zoals
het zal geschieden. Maar nog meer. Als Moses de kudde leidt achter de woestijn,
de woestijn voorbij, dan is hij in het veelbelovende land. Als hij met zijn kudde
de woestijn achter zich gelaten heeft, waar kan hij dan anders zijn dan daar.
Het is een visionaire beschrijving. De tocht van Moses is niet op een landkaart
uit te zetten, is niet aan te geven met zoveel graden oosterlengte, en zoveel
graden noorderbreedte. Moses is in geestvervoering. “Want de engel des Heren verscheen
hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos, en hij zag, en zie het braambos
brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd” (Ex 3,2) Dat kan alleen
maar geschouwd worden in een visioen, en met gewone mensenogen kan dit niet worden
gezien. Moses wil zien waarom dat braambos niet verbrand. Als hij wil naderen
hoort hij de stem uit het vuur. God roept hem uit het midden van het braambos.
Moses hoort dat hij de schoenen van zijn voeten moet doen. Want de plaats waarop
hij staat is heilig land. De enige maal dat in de boeken van Moses
gesproken wordt van heilig land. Alleen in een visioen kan zo over het
land achter de woestijn gesproken worden. Om met de dichter te spreken: het heilig
land waarvan ik weet/bestaat niet uit een hemelstreek/maar van een zeker overwicht
van het gehoor op het gezicht (W.Barnard). Met onze uitgeslapen ogen kunnen wij
van dat land alleen maar horen maar we zien het nog niet. Dan horen we ten tweede
male de namen van de aartsvaders. Omdat God zijn verbond indachtig is met die
aartsvaders, openbaart God zich zo, en niet anders aan Moses. Krachtens dat verbond
horen wij nu dat God zegt: Ik heb zeer wel gezien de onderdrukking in Egypte.
En zoals het gekerm van de kinderen Israël is opgestegen tot God. Zo hoort Moses
nu daarom ben Ik neergedaald om mijn volk
te bevrijden uit de hand der Egyptenaren, om het te doen opstijgen naar een goed
en ruim land naar een land dat overvloeit van melk en honing. God, de God van
de vaderen, daalt neer om zijn beloften eens gedaan, - vier honderd en veertig
jaar eerder, - gestand te doen. Nu gaat Hi doen wat Hij destijds heeft beloofd,,
en zo zal God zich openbaren, zich te kennen
geven als een God die doet wat Hij zegt. De aartsvaders hebben Hem zo nog niet
leren kennen. Zij hebben van de beloften moeten leven. Zo zijn de aartsvaders
de getuigen van een rotsvast geloof. Want zij hebben laten zien dat het geloof
een vaste grond van datgene wat men hoopt, een vaste grond van de dingen die wij
nog niet zien. In de grote geloofsbelijdenis
zegen wij het immers ook zo: wij geloven in God de barmhartige Vader, schepper
van de hemel en de aarde, van alle wat zichtbaar en onzichtbaar is.
Het woord onzichtbaar staat hier niet omdat er nu eenmaal ook een wereld
is die wij niet kunnen zien, maar veeleer dat er een wereld die wij nu nog niet
kunnen zien, maar die ons eens als de bazuinen klinken te zien zal worden gegeven.
In de litanie van al die geloofsheiligen in de brief aan de Hebreeën staat Moses
zo beschreven: Hij heeft Egypte verlaten, en hij vreesde de toorn van de Koning niet; want hij hield zich vast, als ziende
de Onzienlijke, door het geloof heeft hij het Paasfeest gevierd, en de besprenkeling
met bloed, opdat de verderfengel van de eerstgeborenen van de Egyptenaren hen
niet zoude raken. (Hebr 11,27-28). En zo wordt Moses in een visioen gegeven te
zien wat Zijn volk eens te zien zal worden gegeven. In dat vurige visioen maakt
God zich bekend als Degene die Zijn beloften houdt, als een God waarvan we op
aan kunnen. Het land zal zijn gezegend door de gunst van Hem die woont in het
braambos ... (Deut 33,16) Moses vraagt aan die God, welke rol Moses in die bevrijdingsgeschiedenis
zal mogen vervullen. Moses vraagt wie ben ik dat ik dat doen mag, een vraag die
later door de zoon van David, Salomo zal worden herhaald ... Wie ben ik. Moses
krijgt een wonderlijk antwoord, op die vraag: wie ben ik dat ik naar de Pharao
zou gaan, en dat ik de kinderen van Israël uit Egypte zoude leiden. Moses hoort
IK zal zijn met jou. God zal met hem zijn. Maar Moses lijkt niet tevreden met
deze goddelijke toezending. Maar als ik bij de kinderen van Israël kom, en ik
zeg hun dat de God der vaderen mij heeft gezonden, en zij vragen: Hoe is Zijn
Naam, wat moet ik dan antwoorden? Het lijkt erop alsof God ongeduldig wordt. God
antwoordt: dat heb Ik je toch gezegd: IK zal zijn (met jou). En daarom moet je
zeggen HIJ die (met mij) is zendt mij naar u. Het is een wonderlijke naam. Op
het eerste gehoor horen wij hier toch geen naam in? We horen de vervoegong van
een werkwoord, we horen de vorm van het werkwoord zijn, aanwezig zijn. We horen
hoe God in heel die bevrijdingsgeschiedenis aanwezig zal zijn, daadwerkelijk aanwezig,
bevrijdend aanwezig. In die bevrijdingsgeschiedenis zullen zij, zullen wij, bemerken
dat deze God er is, aanwezig is. Meer nog dat deze God met Moses is. Van nu af
aan zal gelden, zal God met Moses zijn. Waar Moses gaat, gaat God, en waar God
gaat gaat Moses. Er is geen wig te drijven tussen God en tussen Moses. We kunnen
van Pasen af aan niet meer zonder God, maar we kunnen sinds dat allereerste Paasfeest
ook niet zonder Moses. Daarom zullen we
ook van Jesus sinds Pasen niet meer kunnen spreken zonder Moses. Daarom mogen
wij van Jesus ook belijden dat Hij degene is geweest die getrouw i geweest aan
het onderricht van Moses, met geheel Zijn hart, geheel Zijn ziel, en al Zijn krachten.
Ook Jesus heeft Zijn leven geleefd in gehoorzaamheid aan Moses, Hij heeft Zijn
leven geleid aan de hand van Moses. Vanuit de bevrijding uit Egypte, belijden wij
Jesus. Jesus is degene die door Zijn Vader bevrijd is uit de slavernij van Egypte,
uit de Egyptische duisternis, uit de duisternis van de dood .... Jesus, zegt Paulus, naar het vlees uit het zaad
van David, maar door de opwekking uit de doden, door de Geest van heiliging Zoon
van God in kracht (Rom 1,4) Want we mogen het keer op keer horen: uit Egypte heb
Ik Mijn Zoon geroepen. We
zij op weg naar Pasen het feest van onze
bevrijding, en uiteindelijk is Jesus de eersteling van al degenen die bevrijd
geworden zijn, die bevrijd zullen worden. Zo is Hij de betrouwbare weg die naar
het leven leidt in het land dat God ons heeft toegezegd, Hij degene die aanwezig
is, die doet wat Hij zegt: zo geve Hij
ons allen! Am*dam
14 maart 1998 ©
Ben Hemelsoet [de
eerste dag zomer 1998] Bij
Lucas 13,22 - 30 en Jesaja 30,15 - 21 “En
Hij trok langs steden en dorpen, terwijl Hij leerde, en voortgang maakte naar
Hierosoluma” Het is de eerste na Luc 9,51, dat er weer melding gemaakt dat Jesus
op weg is naar de stad. De lezer wordt er zo aan herinnert dat we nog immer meegenomen
worden op de reis van Jesus naar de stad van de grote Koning. We worden meegenomen
op die reis die met recht en reden een itinerarium mentis in Deum, het is de reis,
de weg van het zielsverlangen naar God! Daarom hoeft er ook niet uitgezocht te
worden langs welke wegen Jesus is gegaan van stad tot stad; en evenmin hoeven
we ons van streek te laten brengen dat we die reis van verlangen niet kunnen uitzetten
op de gebruikelijke landkaarten! Op die reis wordt de ongewone vraag gesteld:
Heer, of er weinige geredden zijn? Op die vraag wordt niet met ja of nee geantwoord,
maar met een oproep tot strijd om in te gaan door de enge deur. Want velen zullen
zoeken in te gaan, en het niet kunnen. Het verhaal,
de parabel gaat op een onthutsend ongewone wijze verder. Velen zullen zoeken in
te gaan, maar zij zullen het niet kunnen. Dat heeft, zo tenminste in de parabel,
niet te maken met meer of minder inzet in de strijd, maar met de gesloten deur,
die gesloten is vanaf dat de huisheer is opgestaan. Hoe nu? Moeten degenen die
binnen willen komen strijden om binnen te gaan vooraleer die deur gesloten is? Maar hoe zullen zij in kunnen gaan als de heer
des huizes nog niet is opgestaan? In het evangelie is het toch niet een gewaagde
veronderstelling dat het opstaan van de heer des huizes iets van de doen heeft
met de opstanding, met Pasen? Het klassieke gebed op de dag van Pasen luidt: o
God, die heden door uw eengeborene voor ons de toegang tot de eeuwigheid hebt
ontsloten ..... Het woord “eeuwigheid”
dien men hier heel concreet te lezen als “betrouwbare vervulling van alle beloften”.
In de ontsluiting van die belofte zijn alle beloften Gods in die eengeborene “ja”
en “amen” geworden (1 Kor 1,20). Maar
in dat gebed wordt gesproken van een toegang die ontsloten is, hier gaat het om
een deur die gesloten is, en blijft. Met welke verbeelding is deze parabel opgetekend?
Is er tot aan de opstanding van de huisheer mogelijkheid om binnen te komen
en daarna niet meer? Maar waarom is Jesus dan begonnen te spreken van “strijdt”
... en hoe moet er gestreden worden? Zij die voor de gesloten deur staan, zullen
zeggen: wij hebben voor uw aanschijn gegeten en gedronken, en in onze straten
hebt gij geleerd! Hij zal u zeggen Ik ken u niet, Ik weet niet vanwaar gij zijt,
gaatterzijde van mij staan, alle gij werkers van onrecht. Hoe we het ook keren
of wenden. Ook dit is een parabel waarvan we kunnen zeggen zo gaat het er niet
toe, maar dit is opgetekend om te voorkomen dat het er zo aan toe zal wanneer gij zult zien Abraham en Isaak en Jacob
en alle profeten in het Koninkrijk van God. In Numeri 11, 26 v.v staat het verhaal van Eldad
en Medad, daar staat te lezen: Och dat heel het volk des Heren profeten waren,
dat de Heer Zijn Geest over hen gave! Dit wordt geschreven met het oog op het
veelbelovende land, met het vooruitzicht op het land van belofte, en de strijd
die gestreden zal moeten worden. Het is
de strijd die te maken heeft met de beloften gedaan aan Abraham, Isaak en Jacob,
en die alleen door en in de Geest die gesproken heeft door alle profeten kan worden
voltooid, op grond van de beloften die gedaan zijn aan de aartsvaders. Zo zijn
we weer terug bij de enge poort, de poort van de benauwenis. Die enge, die beangstigende
poort, die benauwde doorgang staat beschreven, bij de Profeet Zacharja
(Zach 11,10 v.v). De aartsvaders met hun geduld, en de Geest van alle de
profeten die heeft aangewezen wat God bereid heeft voor al degenen die Hem liefhebben:
a land of pure delight dat te zien gegeven wordt nadat de heer des huizes zal
zijn opgestaan is de spitst van de tocht van het zielsverlangen naar Jerusalem
..... De laatste verzen van de lezing van de profeet Jesaja spellen ook deze troost:
het volk zal in Sion wonen. Er wordt gesproken over het brood van de benauwdheid,
en het water van de verdrukking (Jes 30,20 v.v zie ook Deut 16,3 “het brood der
ellende”) Maar ten einde raad zal de lofzang bij ons zijn. De waarschuwing blijft:
zorgt niet bij de laatsten te zijn. Bij
Lucas 14,1.7-14 en Deuteronomium 24,17
- 22 De
context van de lezing van Lucas is spannender dan de “uitsnijding” die ons ter
lezing wordt geboden doet vermoeden. Het slot van hoofdstuk 13 eindigt zo: Zie
uw huis wordt u gelaten, Ik echter zeg u: gij zult Mij niet meer zien, totdat
Hij komen zal, wanneer gij zegt: gezegend Hij die komt inde naam des Heren .... en Lucas vervolgt: en het geschiedde...
welhaast een bevestiging van het voorafgaande. Hij komt in het huis van een hoofd
van de Farizeeën, op Sabbat, om brood te eten .... en in Lucas 14,15 horen w:
maar iemand van de aanliggenden hoorde dat, en zeide tot Hem: zalig wie brood
eet in het Koninkrijk van God! Tussen Luc 13,35 en Luc speelt zich het een en
ander af! heeft te grote angst voor het mirakel van de genezng van de waterzuchtige
door de achterdeur doen verdwijnen? Jesus komt: gezegend Hij die komt in de Naam
des Heren, op de Sabbat, - de dag des Heren, - om brood te eten (zie Luc 14,15),
en zij blijven Hem observeren. De lezer mag weten dat iets anders staat
dan”zij letten scherp op Hem”. Dit gaat van onze vooroordelen uit. Het is Sabbat,
Jesus zal de Sabbat wel willen overtreden, en daarom houden zij Hem scherp in
de gaten .... Maar het woord dat Lucas hier gebruikt heeft alles met het onderhouden,
het koesteren van de Sabbat te maken. Lucas zal hetzelfde woord gebruiken om de
onderstrepen hoe de grote Sabbat na de dood van Jesus is geobserveerd; hij doet
dat in Luc 23,56 met dezelfde woorden als hier in Luc 14,1. Jesus is bij die Farizeeër
om brood te eten op Sabbat. De idylle van die Sabbat wordt verstoord. Zie, een
mens een waterzuchtige voor zijn aangezicht .... waar
komt die vandaan? Die vraag hoeft niet gesteld te worden: als Jesus er is, is
er ook een waterzuchtige. De lezer mag/moet in dit verhaal zijn/haar aandacht meer richten op de wijze waarop Jesus
die waterzuchtige geneest; want de wijze waarop bepaalt ook de aard van het brood
eten op de dag van de Sabbat. De mededeling dat Jesus komt om (het) brood (van
het Koninkrijk te) eten; zie Luc 14,15, heeft alles te maken met de aard van het
mirakel. Een waterzuchtige, - als we snel een diagnose mogen stellen, - is iemand
die zichtbaar aan hongeroedeem lijdt, een verhongerde. Het is duidelijk iemand
die zo hongerig aanwezig is aan de tafel waar het brood van het Koninkrijk gegeten
wordt, op Sabbat, kan niet zonder meer weggestuurd worden, kan niet worden afgescheept
met een “kom morgen maar terug”. Om zo iemand te genezen is er ook meer nodig
dan een eenvoudige aanraking van Jesus, daarmee is immers zijn honger nog niet
gestild. De vraag of het geoorloofd is, is in dit verhaal een zeer pikante, en
het antwoord voor de hand liggend. Maar zij volhardden in hun rust .... (dat is
iets anders. dan zij zwegen!). Jesus geneest die waterzuchtige daar hem erbij
te nemen, een plaats aan tafel te geven, zo geneest Hij hem, en zo maakt Hij die
man vrij van zijn ziekte, bevrijdt Hij hem van zijn honger ....
Welke gemis aan verbeeldingskracht, als hier vertaald zou worden: en Hij
liet hem gaan! Jesus heeft die man op een genezende manier deelgenoot gemaakt
van die tafel (van het Koninkrijk). Jesus heeft die man zijn plaats gegeven. Waar
Jesus zit, zit die man, die nu mee mag eten, die nu mee kan eten! tegen de achtergrond van dit wonderverhaal wordt
Lucas 14,7 -11 verteld. Het voorbeeld,
het voorbeeldig handelen van Jesus is uit deze tekst niet weg te denken, laat
staan weg te snijden. Hoe moet de hoorder, de uitgenodigde op het onverwachte uit zijn, niet op eigen eer, en aanzien, en
stand. Want je kunt nooit weten hoe iemand meer geëerd moet worden, en verheven
moet worden uitzijn ellende. Deuteronomium
14,17 v.v scherpt het ons op een andere manier in. Gij zult het recht van de vreemdelng
(!), van de wees niet buigen, gij zult het kleed van de weduwe niet tot onderpand
nemen. Maar gij zult gedenken dat gij slaaf geweest zijt in Egypte .... Zo gedenken
wij immers Gods Koninklijke Heerschappij (zie Ex 15,18) op de dag des Heren, de
dan van Zijn Koningschap ..... Op die dag blijven we gedenken hoe de Heer ons
verlost heeft uit het slavenhuis, genen wij dat wij daarom anderen niet terneer
mogen drukken in die slavernij, niet mogen kleineren, niet mogen vernederen.
Menselijk opzicht zij de wel allerlaatste reden om zo te handelen gelijk het evangelie
van het Koninkrijk leert. Hoe klinkt de
oproep: keert om want zo komt het Koninkrijk naderbij, Gods koninklijke heerschappij
...... Am*dam
7 april 1998 ©
Ben Hemelsoet
11e
Zondag van de Zomer, Martelaren/Diemen Sirach
3,17 - 18 + 20 + 28 - 29 Het
evangelie van vandaag begint niet op de zo bekende, traditionele manier in illo
tempore, in die tijd. Het begint volgens de tekst van Lucas zelf. “En het geschiedde,
toen Hij gekomen was in het huis van een van de oppersten van de Pharsiaeën, op
de sabbat, om brood te eten, dat zij Hem observeerden …”. De uitdrukking en het
geschiedde wordt in onze moderne vertalingen verdoezeld. Er wordt van gemaakt:
“Toen Jesus op een sabbat het huis van een van de voornaamste van de Pharisaeën
binnenging …” of ”Op een sabbat ging Hij bij een van de leiders van de Pharisaeën
thuis eten”. Het verband met wat eraan voorafging is op die manier ternauwernood
meer te horen. Onmiddellijk aan dit verhaal gaat namelijk vooraf, hetgeen Jesus
zegt: “Gij zult Mijn niet meer zien, totdat Hij komen zal, en wanneer gij zeggen
zult: gezegend Hij die komt in de Naam des Heren”. Onmiddellijk daarop horen wij
en het geschiedde. Het moment is gekomen als Hij op sabbat komt in het huis van
een van de opperste van de Pharisaeën, om brood te eten. Wat er tijdens die maaltijd
geschiedt, is helaas niet in de liturgie vermeld. We horen niet wat Jesus doet
aleer Hij spreekt over het innemen van de eerste plaatsen aan tafel …
Daarom hangt ook de opmerking en zij observeerden Hem, - zij hielden Hem
voortdurend in het oog, of zij letten scherp
op Hem - in de lucht. Als wij horen “zij hielden Hem
voortdurend in het oog ”of “zij letten scherp op Hem” kunnen wij gemakkelijk denken,
dat konden we verwachten: Jesus begeeft zich in het hol van de leeuw, Hij
gaat op bezoek bij een van de oppersten van de Pharisaeën. Jesus had niets anders
kunnen verachten. Pharisaeën zijn immers niet te vertrouwen
- zo denken wij. Maar Lucas denkt zo niet!
Jesus bijeen van de oppersten van de Pharisaeën, en nog wel op de sabbat,
de dag gewijd aan Gods Koninklijke Heerschappij, geeft Lucas meer mogelijkheden
dan wij, wantrouwend als wij zijn, durven denken. Lucas gebruikt het woord, en
zij observeerden Hem. Wellicht kan dat woord ook wel eens vertaald worden door
scherp in de gaten houden. Maar de voor de hand liggende betekenis is observeren,
eren en koesteren, zoals het woord gebruikt wordt in het onderricht van Moses:
het observeren van het onderricht, het observeren van de sabbat, het onderhouden
van de geboden. Zoals wij het woord ook nog kennen als we spreken van de strenge
observantie. Zoals wij van de Pharisaeën verwachten, - wij! - dat zij zich strikt
houden aan de geboden en verboden van de sabbat …. Zo zegt Lucas dat zij
ook Jesus in ere houden, Hem observeren. En ik kan me voorstellen dat Lucas het
heeft betreurt dat sabbat een onzijdig woord is, anders was de dubbelzinnigheid
nog schoner geweest. Zij observeren Jesus zoals zij de sabbat observeren, zij
houden de sabbat in ere zoals zij Jesus in ere houden. Niet voor niets geeft Jesus
zich op deze sabbat te kennen waarop zij, de Pharsiaeën Hem hebben begroet met
een ”gezegend Hij die komt in de Naam des Heren”. Wij zullen ons aangeleerde wantrouwen
even moeten opschorten, als er al van wantrouwen sprake zou zijn in dit gedeelte
van het evangelie. Deze sfeer van de viering van sabbat met alle vreugde van dien,
wordt door Lucas opgeroepen. De feestelijke huiselijkheid, de warmte van het samenzijn,
de voelbare aanwezigheid van Gods weldadige Koninklijke Heerschappij. Ineens,
plotseling wordt dit vredige, bijna idyllische tafereel, verstoord: “En zie, een
mens, een waterzuchtige, was voor Hem, plotseling tegenover Hem”. We hoeven geen
diagnose te stellen, maar een waterzuchtige is iemand met een oedeem, hongeroedeem,.
Kortom iemand die ziek is van de honger. Waar
die zieke man, zo plotseling vandaan komt, vertelt Lucas gelukkig - niet.
Anders had een van de bedienden die man nog wel weg kunnen sturen. We kennen dat.
“Nee, vandaag niet, wij hebben hoog bezoek, het komt vandaag wel erg ongelegen.
Mijnheer kan echt niet worden gestoord! ”Misschien een andere keer, volgende week
….”. Lucas maakt bij voorbaat een discussie over zulke uitvluchten overbodig.
Die waterzuchtige is er. Tegenover Jesus! Er
kan ook geen wig meer gedreven worden tussen Jesus en deze hongerlijder. Daarmee
ligt de vraag op tafel. Lucas schrijft dan ook: “En Jesus antwoordde en zij tot
de wetsdeskundigen, namelijk de Pharisaeën: ‘Is het geoorloofd op de sabbat te
genezen of niet?’ Hoe is de reactie van die schriftgeleerden van Pharisaeën, van
die deskundigen. De reactie van die specialisten wordt doorgaans vertaald: “Zij
bleven zwijgen”, of “Maar zij hielden zich
stil”. Maar Lucas gebruikt hier een heel apart woord. Hij gebruikt hier een woord
dat nog een keer gevonden wordt als Lucas het gedrag van de vrouwen beschrijft
nadat Jesus gestorven is, en ten grave is gelegd. Hij schrijft dan: “De vrouwen
zagen het graf, en hoe Zijn lichaam erin werd neergelegd. Toen gingen zij naar
huis, en maakten specerijen en balsem klaar. Op de sabbat rustten zij volgens
het gebod”. (Luc 23,56) Voor het woord rustten van in dit vers, gebruikt Lucas
hetzelfde woord om het gedrag van de schriftgeleerden van de Pharisaeën te beschrijven.
Het is derhalve alleszins aannemelijk om dat woord ook te gebruiken met betrekking
tot de Pharisaeën! De Pharisaeën volharden
in hun observantie, in het onderhouden, in de koestering van het gebod van de
sabbat. Zij houden zich stilzwijgend aan het gebod van de sabbat. Maar dan maakt
Jesus hen attent op de betekenis van de
sabbat. Het is niet een dag van een soort Staphorster variant, - als dat zo gezegd
mag worden. Het is de dag waarop wij God niet voor de voeten lopen, om God de
kans te geven Koning te zijn in volle glorie. Bij de Pharisaeën kenden ze de spreuk:
als heel Israël eens één sabbat, het ganse sabbatgebod zoude onderhouden, dan
moest Gods Koningschap wel openbaar worden … Dat is dan ook de dag waarop alle
tranen zouden zijn weggewist, alle leed geleden, een einde gemaakt aan alle ziekte
en aan alle ongerechtigheid, aan alle pest en hongersnood en oorlog! Ook aan de
ellende van deze hongerende man. Dat gebeurt als wij mogen en kunnen zeggen: gezegend
Hij die komt in de Naam des Heren! En hoe
wordt deze man genezen? Jesus neemt die man erbij, neemt hem op aan de tafel,
geeft hem een plaats temidden van de gasten. Zo geneest Hij hem, en zo bevrijdt
Jesus die man van zijn brodeloosheid, zo geneest Hij hem van zijn honger. Het
woord bevrijden wordt inderdaad door Lucas gebruikt. De vertalingen die ons willen
doen geloven dat er staat: en Jesus liet hem gaan, hebben, - naar mijn smaak,
- weinig gevoel voor de concrete situatie. Het gaat hier immers niet domweg om
een zieke, het gaat heel specifiek om een man die ziek is omdat hij niets te eten
heeft, hij lijdt zichtbaar aan hongeroedeem. Daarom
wordt deze genezing ook gesitueerd aan een sabbatsmaal. Het is niet de genezing
van een melaatse, of een blinde, of een kreupele, of een bezetene …. Het is de
genezing van een man die honger heeft. Jesus geneest hem door hem ook een plaats
te geven aan de rijk voorziende dis! Jesus geneest die man niet door hem hongerig
heen te laten gaan! Alsof zo de plotselinge inbreuk op het gezellig samenzijn
zoude zijn genezen! Jesus neemt die man erbij, Hij laat hem niet aan zijn lot
over. Zo iets zouden wij toch - vanzelfsprekend - ook doen voor een huisdier,
zelfs op de dag van de sabbat? Daar is weinig tegen in te brengen! Zo
wordt die genezing de aanleiding om te spreken over de tafelschikking. Jesus geeft
die man een ereplaats, de plaats waar Hijzelf is gezeten, en ook dat geeft te
denken. Wat nu volgt, - en dat is in de
liturgie opgenomen, - is meer dan een vermaning tot ootmoed, in het algemeen,
of een vroom “hoe hoort het eigenlijk” Jesus heeft die onverwachte gast erbij genomen,
zo heeft Hij hem genezen. Jesus, altijd op het onverwachte uit, immer aandacht
voor degene die niet veracht wordt, degene die niet eens is uitgenodigd, en er
plotseling is. Iemand die ogenschijnlijk spelbreker lijkt, maar die duidelijk
maakt, dat als Jesus komt op de sabbat, er veel meer aan de hand blijkt te zijn
dan wij denken, dan wij berekend hebben. Zo worden al de tafelgenoten op hun nummer
gezet. Door de vermaning van Jesus wordt hun hun plaats gewezen! . Zo horen we
waarin de ware gastvrijheid is gelegen.
Wanneer gij een middag- of een avondmaal
houdt, roep dan niet uw vrienden, noch uw broeders, noch uw familie, noch uw rijke
buren; opdat zij u te eniger tijd terug zullen noden, en uw vergelding geschiedde
….. Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zo nodigt armen en verminkten,
kreupelen en blinden. De armen, de arm gemaakten spelen in de schriften
een belangrijke rol. In Deuteronomium staat het zo geschreven: wanneer er onder
u een arme zal zijn, een van uw broeders,
in een va uw poorten in uw land, dat de Heer uw God u geven zal (!), zo zult gij
uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder die ram gemaakt
is (Deut 15,7). Ten opzichte van die broeder mogen wij onze hand niet sluiten,
tegenover die arm gemaakte mogen wij van onze hand geen vuist maken! Het is onvoorstelbaar
dat in de nieuwe vertalingen vertaald wordt “dan moet u niet hard (met een d)
zijn voor uw arme broeder, en uw beurs niet voor hem dicht houden. De hand is
geworden tot een beurs. In plaats van een verarmde broeder met open hand tegemoet
te treden, kopen we het af met een open beurs! Iemand van degenen die mede-aanzaten
heeft het begrepen. Hij hoort deze dingen,
en Hij zegt tot Hem: zalig is hj die brood zal eten in het Koninkrijk van God!
Om deze zaligheid te mogen horen, hebben wij mogen horen dat Jesus brood is komen
eten op de sabbat. Hoe zalig als de verwachting van het Koninkrijk op sabbat in
ere wordt gehouden! Zo geve God! Am*dam
22 augustus 1998 Diemen
19e zondag na Pinksteren, 28e zondag door het jaar 11 october
1998 2
Koningen 5,14 - 17 Het
evangelie van vandaag zet zo in en het geschiedde bij zijn doortrekken naar Jerusalem
dat hij middendoor Samaria en Galilea ging …. Hier stokt de lezer. Sinds hoofdstuk
9 vers 51 heeft Jesus zijn aangezicht gericht op Jerusalem, hier in hoofdstuk
17 horen wij middendoor Samaria en Galilea ging. Een merkwaardige routebeschrijving!
Om in Jerusalem te komen moet je - ogenschijnlijk - middendoor Galilea
en Samaria. Maar Lucas schrijft middendoor Samaria en Galilea. Het lijkt moeilijk
om deze weg op de ons bekende atlassen van de Bijbel uit te zetten. Onze vertaling
lost het eenvoudig, te eenvoudig op. En zo horen wij: “op zijn reis naar Jerusalem
trok Jesus door het grensgebied van Samaria en Galilea ….”. Maar Lucas zegt iets anders. Jesus trekt naar
Jerusalem en laat zich van die weg naar Jerusalem niet afleiden, noch door Samaria,
noch door Galilea, door niets wil Hij gehinderd worden op weg naar de stad op
de berg die niet verborgen kan blijven. Daar immers zal God zijn Koningschap aanvaarden,
daar zal Jesus worden toegezongen “Gezegend de koning, die komt in de Naam
des Heren, vrede in de hemel, en eer in den hoge” (Luc 19,38). En toen Hij binnenkwam
in een of ander dorp, een gewoon dorp, - Lucas neemt ogenschijnlijk de moeite
niet een naam bij dat dorp te verzinnen, - kwamen hem tien melaatse mannen tegemoet.
Zij bleven van verre staan, en zij verhieven hun stem, zeggende
“Jesus, meester, eleison umas, ontferm u over ons”
Die tien mannen onderbreken Jesus’ doelgerichte reis, zij lijken op het
eerste gezicht een hinderlijke onderbreking, zij houden Jesus af van zijn geliefde
stad, zij houden hem op ….. We moeten hier even bij stil staan. Zeker wij weten
er kunnen geen melaatsen in Jesus’ gezichtsveld komen of hij geneest hen. Dat
is waar. Maar dat mag onze aandacht voor Jesus’ reis naar Jerusalem niet doen
verslappen! Bovendien we menen het verhaal
van de genezing van die tien melaatsen zo goed kennen, dat wij het verhaal van
de evangelist maar te halve lezen. Het verhaal van die genezing wordt snel, te
snel gereduceerd tot een verhaal van dankbaarheid en/of ondankbaarheid. Maar de
nuchtere opmerking zoû volstaan, waren twee melaatsen niet genoeg geweest? Een
om de dankbaarheid te tonen, en de andere om als een ondankbare niets meer van
zich te laten horen? Maar lezen we voorlopig
even verder. Jesus zag en zei hun: trekt uit,
en toont u aan de priesters. Een kleine vraag: waar zijn die priesters?
In Jerusalem? De evangelist zegt het niet! Maar
wij kunnen ervan dromen, welke richting worden die tien melaatsen uitgezonden?
Welke wegbereiders kunnen zij zijn, tien in getal? En het geschiedde toen zij
die richting (naar Jerusalem?) insloegen dat zij werden genezen!
Het verloop van het verhaal is bekend. Maar toch moeten we op enkele kleine
nuances letten. Een van die tien keerde weer, en verheerlijkte met grote stem
God, en zegde Hem dank. Deze laatste twee woorden verheerlijken en dankzeggen,
zijn woorden die een sleutelrol spelen in dit verhaal. Verheerlijken en dankzeggen
zijn woorden die alles te maken hebben met het koesteren en in acht nemen van
de Sabbat. Ons ontgaat de eerbied voor de Sabbat, de dag des Heren; de Sabbat,
is uit onze devotie weggeglipt. Het is iets voor de Joden, en wij realiseren ons
ternauwernood dat de Zondag niet in plaats van de Sabbat gekomen is, maar in het
verlengde van de Sabbat ligt. Op Sabbat wordt het Koningschap van God in ere
gehouden. Lucas is de evangelist die een van de mooiste Sabbatten in de
schrift heeft beschreven. Als Jesus ten grave is gedragen schrijft hij, vol innigheid,
en met grote devotie: “En op de Sabbat rustten zij volgens het gebod” (Luc 23,56)
Hoe krijgt deze Sabbat zijn vervolg op dag één van de week. Op die dag één, de
dag van de opwekking van Jesus blijkt het Koningschap van God! Van de Sabbat staat
geschreven in het scheppingsverhaal: “En God heeft de zevende dag, en dien geheiligd;
omdat Hij op diezelfde dag gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen
had door het te maken” (Gen 2,3). Met deze zin hebben wij het moeilijk. Hieruit
blijkt immers dat God zelf de Sabbat serieus genomen. Hij heeft op die dag gerust
van al Zijn werk; daarom heeft Hij die dag gezegend en geheiligd. Wij schrikken
daar ietwat van., In de paasnacht lezen we die zin dan ook niet voor, - stel je
voor …. De heidenen, weten van de Sabbat
niets. Paulus zal daar in zijn brief aan de kerk van Rome zo over schrijven: “Omdat
zij God hebben gekend, maar Hem toch niet als God hebben verheerlijkt en gedankt.
Daar horen we die twee woorden weer verheerlijken en danken! De schriften moeten
we zo lang mogelijk zo concreet mogelijk lezen. Dat geldt ook voor Paulus. Paulus
beschrijft de kerk van Rome. De inwoners van Rome weten toch dat er een synagoge
aan de Tiber staat, - tot op de huidige dag! Paulus weet dat zij, die van Rome,
van Sabbat tot Sabbat, Joden hebben zien gaan naar die synagoge; zo hebben de
Joden van Rome en van overal in herinnering gehouden, in gedachtenis dat God in
zes dagen alles heeft geschapen, en ook
dat God op de zevende dag heeft gerust; en die dag heeft gezegend en geheiligd.
Paulus wijst de inwoners van Rome daarop. Waarom hebben zij de Sabbat dan niet
gekoesterd om zo te belijden dat de God die de hemel en de aarde geschapen heeft
de ware en betrouwbare God is! Zij hadden het kunnen weten, maar zij, - die heidenen,
- hebben God niet verheerlijkt, niet gedankt.
Lezen
we dit terug in het verhaal van de tien melaatsen, dan horen we hoe die ene, die
Samaritaan, die God verheerlijkt, en Hem dank blijkt te zeggen. Het is maar één van de tien.
Wij mogen ons verbazen, niet alleen dat er maar één is die dankbaarheid betoont,
maar dat er maar één is die weet van de lieve Heer, die de hemel en de aarde geschapen,
er is maar één die het geheim van de Sabbat ontwaart, en deze is een Samaritaan.
We mogen ook weten dat om een Sabbatsdienst te houden er tien mannen moeten zijn.
Want als er tien zijn, tien rechtvaardigen, kan de Sabbat in ere worden gehouden,
en wordt de wereld behouden (vgl. het bede van Abraham aan God: als er tien rechtvaardigen
zijn …. [Gen 18, 23 - 33]). Het is duidelijk zo kan dit verhaal niet eindigen.
Onmiddellijk na dit verhaal zijn er Pharisaeën. Zij stellen de enige juiste vraag
die nu gesteld moet worden: wanneer komt het Koninkrijk van God. Er waren tien
uitverkorenen, tien melaatsen, mensen uitgestoten, omdat zij een kwaad gerucht
hadden verspreid; zo wil het de joodse
traditie: Moses de eerste melaatse (zie Ex 4) wordt melaats
omdat hij een kwaad gerucht heeft verspreid over het volk dat God wil bevrijden
uit Egypte!). Deze tien melaatsen komen in Jesus’ vizier omdat zij geroepen zullen worden om een goede
boodschap te melden, zij zijn geroepen : zij zullen dat tiental zijn dat God verheerlijkt
en dankzegt. Maar er is maar één die terugkeert. Daarom de vraag van de Pharsiaeën
wanneer komt nu het Koninkrijk van God? Hoe kan er nu nog iets van dat Koninkrijk
van God terecht komen. Alle kansen kijken nu verkeken als er niet eens tien man
, de minjan kan worden gevonden, zelfs niet als Jesus ogenschijnlijk door niets
gehinderd recht op zijn doel opgaat: Jerusalem! Het antwoord van Jesus is onthutsend, zeker
als we weten dat Hij dit antwoord geeft aan de Pharisaeën! Jesus antwoord: het
Koninkrijk komt niet met observantie, het Koninkrijk komt niet door het onderhouden,
de observantie, van het onderricht. Want het Koninkrijk is midden onder u ….
De nieuwe vertalingen hebben geen raad geweten met dit antwoord van Jesus.
Zij hebben het willen verstaan alsof het om een innerlijk Koninkrijk zoû gaan,
een Koninkrijk verborgen in het hart van de gelovigen, een onzichtbare kerkgemeenschap,
een geheim genootschap. Maar het antwoord van Jesus heeft alles van doen met hetgeen
geschreven staat bij de profeet Jeremia (Jer 14,9). Daar lezen we: Gij zijt toch
in ons midden, o Heer, en uw heilige Naam is over ons uitgeroepen, verlaat ons
niet, Heer onze God! De komst van het Koninkrijk wordt gedragen door de heilige
Naam van God! De naam van de God van Abraham,
Isaäk en Jacob, de God die met ons geschiedenis wil maken, die Zijn eigen geschiedenis
tot onze geschiedenis maakt, Zijn toekomst aan ons meêdeelt, Zijn toekomst tot
de onze maakt! Wij worden gedragen door die heilige, die heiligende Naam van God.
Het woord observantie duidt allereerst op het onderhouden, het koesteren van de
Sabbat. Dat betekent natuurlijk niet dat het er niet toe doet of je de Sabbat
houdt, onderhoudt of niet. Wij onderhouden de Sabbat niet om Gods Koningschap
af te dwingen, wij onderhouden, - want ook daarheen verwijst het woord
observantie, - de Paasnacht (Ex 12, 42) omdat wij gedenken willen dat God
ons indachtig is geweest, dat Hij indachtig is geweest Zijn verbond met Abraham,
en Isaäk en Jacob. (Ex 2, 24) ….. In
de verwachting van dat Koninkrijk, in de verwachting van die komende heerschappij,
in gedachtenis aan het Pasen van Jesus blijven wij zingen van week tot week: als
wij dan eten van dit brood, en drinken uit deze beker, verkondigen wij de dood
des Heren totdat Hij komt: zo geve God! Am*dam
6 october 1998 Kerkwijding
van S.Giovanni in Laterano
Ezechiël
48,1-2.8-9.12 Boven
de toegang tot de Basiliek van Sint Jan in Lateranen, staat het met grote letters
geschreven: Mater et Caput, omnium ecclesiarum. Moeder en Hoofd van alle kerken.
Deze titel is van een Romeinse allure. Heeft Rome zichzelf niet, - nog voor de
komst van de apostel Petrus, - gepresenteerd als Caput mundi, Hoofd van de wereld,
en wisten de Romeinen van het keizerrijk toen al niet dat alle wegen naar Rome
leiden? Na de kerkvrede, na de overwinning van keizer Constantijn op zijn rivaal,
maakt Constantijn de christelijke beweging tot de godsdienst in zijn rijk, en
hij maakt plaats voor deze kerk van Lateranen, op de plaats van de kazernes van
zijn lijfwacht. Deze kerk, deze koningskerk, deze keizerlijke ruimte, deze basiliek
is gewijd aan Sint Jan de Doper. Hij immers heeft al dopende de toegang ontsloten
tot het veelbelovende land;, omdat hij doopte konden de dopelingen
de grensrivier, de Jordaan, overschrijden, om zo bezit te nemen van het
land dat god voor hen had bereid, zoals Hij aan Abraham, en Isaak, en Jacob had
beloofd. De ruimte van de kerk moet zicht geven op het hemelse Jerusalem. In de
Sint Jan van Lateranen is boven het altaar een mozaïek van dat hemelse Jerusalem,
dat nederdaalt vanuit de hemel als een bruid in de morgen. Nee, laten we ons niet vergissen, ook deze kerk is het hemelse
Jerusalem niet, maar als wij samenkomen, verwachten wij de komst van die bruid,
verwachten wij de komst in heerlijkheid van de bruidegom; wij zullen immers zingen
in de kerk: als wij dan eten van dit brood, en drinken uit deze beker, verkondigen
wij de dood des Heren totdat Hij komt. Deze verwachting houdt ons gaande, brengt
ons samen. Zo mogen wij peinzen vanmorgen wat het beduidt om samen te komen,
om samen te bidden en te zingen, om de moed niet te verliezen, integendeel
om de beloften Gods te koesteren voor elkaar, voor onszelf, en voor al degenen
die ons dierbaar zijn. In de basiliek van Sint Jan van Lateranen is het hoofdaltaar
van hout. Een herinnering aan de tijd van de vervolgingen, want wij hebben hier
geen blijvende woonst, wij mogen nergens zo oretel schieten, wij moeten bereid
zijn op te breken, verder te gaan, anders zoû het ons nog kunnen opbreken. Want
ook de bescherming van de keizer kan niet op tegen hetgeen wij zingen in de psalm:
“ons schild is van de Heer, van onze Koning, de heilige van Israël” (Psalm 89,19)
}pal. Mijn schild ende betrouwen ... daar kan geen keizer tegen op! Niet de keizer,
maar Sint Jan de Doper wijst de weg naar de Heiland, en daarom is de kerk, de
basiliek ook toegewijd aan de allerheiligste Verlosser. Om er nog een schepje
bovenop te doen heeft men ook de naam van Joannes de evangelist eraan toegevoegd,
maardat is iets te veel van het goede ... Joannes de Doper is degene die ons blijft
zeggen: midden onder u staat Hij dien gij niet kent, dat moeten wij telkenmale
horen, wij moegen niet denken dat wij onderhand wel weten wie die “Hij” zoû zijn,
om daarna over te gaan tot de orde, of de wanorde van onze eigen dagen. Nee, wij
zijn gedoopt ter wille van de verachting om te blijven uitzien naar Jesus in Zijn
heerlijkheid, naar Jesus en Zijn stad Jerusalem. Daarom, met het visioen van die
stad voor ogen, met het mozaïek van Sint Jan van Lateranen in onze herinnering
mogen wij zingen: wij hebben een sterke stad,/ een stad met muren en schansen,/
wij hebben een sterke stad waar de kinderen dansen/ en waar men muziek maakt en
zingt,/ en stad door de Heer omringt ... (Liedboek lied 28). Jerusalem zal zijn
de troost der schriften (Liedboek, lied 123) . De troost van de schriften is Jerusalem
toegezegd vanwege haar geduld, haar volharding in de verwachting,
in het uitzien naar de komst van haar bevrijder. Die verwachting staat beschreven
bij de profeet Jesaja. Zo staat er geschreven: Koestert het recht, en doet gerechtigheid,
want Mijn bevrijding is nabij gekomen, en mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden
(Jes 56,1). We horen hoe de evangelist dit woord veronderstelt, als hij Jesus
hoort zeggen: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods is nabij gekomen, keert
opm en hebt vertrouwen in de blijde boodschap dat God Koning is Sion (Marc 1,14
vgl. Jes 52,7). Wat dat kan beduiden hebben we mogen horen in de evangelieleng
van Sint Lucas. Jesus is op weg naar Jerusalem. Lucas schrijft geheimzinniger
dan wij denken. Hij schrijft: Hij gaat binnen, en ging door Jericho heen. Had
Lucas dat niet ietwat eenvoudiger kunnen schrijven? Zoveel is duidelijk Jesus
hoeft om door Jericho heen te gaan geen muren te slechten. Waar Jesus binnen gaat houdt Lucas
nog even voor zich ... En zie, een man, - let op wil Lucas zeggen, een man, en
die man heeft een naam: Zacheüs. Die naam klinkt zo ongeveer als “schatkamers”,
hij is dan ook aartstollenaar. Hier moeten wij voorzichtig voortgaan, niet te
haastig. Wij moeten die Zacheüs niet bij voor baat op de grote hoop gooien van
“zondaars en tollenaars”. Wie Zacheüs is zal blijken in dit verhaal. Maar we weten
hoe sterk onze vooroordelen zijn! Deze Zacheüs wil Jesus zien, maar hij heeft
een handicap, hij is klein van stuk. Voor alle duidelijkheid: dat die
Zacheüs klein van stuk is. maakt dit verhaal nog niet tot kinderverhaal.
Hij loopt vooruit en klimt een vijgeboom. So far, so good. Maar nu wordt het moeilijk.
Waarom klimt die Zacheüus in een vijgeboom? Waren er geen andere bomen? Bij Mattheus
en Marcus lezen wij ook van een vijgeboom als Jesus Jerusalem nadert. Maar bij
Mattheüs en Marcus gaat Jesus naar die vijgeboom om er vijgen te zoeken, en Hij
vindt er geen .... Dat verhaal heeft Lucas niet, in steê daarvan heeft Lucas dit
verhaal, niet het ontbreken van vijgen aan die vijgeboom, integendeel, een kleine
Zacheüs als rijpe vrucht aan die boom! Jesus zoekt vruchten aan die boom, en Zacheüs
mag die kostelijke rol vervullen. Als we dit goed bedenken, horen wij hoe het
verhaal in een stroomversnelling raakt. Niet Zacheüs ziet Jesus, maar Jesus ziet
op naar Zacheüs. Ineens horen we het verhaal niet meer vanuit het gezichtspunt,
het vermoedelijke gezichtspunt van Zacheüs, maar we horen het gezichtspunt, het
perspectief van Jesus. vanuit dat perspectief horen wij: Zacheüs! Haast u, en
daal af, want heden moet Ik in uw huis verblijven. - In dat heden horen we d psalm:
Heden zo gij Zijn stem hoort wilt uw harten niet verharden ... (Psalm 95,7 v.v.)
- Hij haastte zich, daalde af, en ontving Hem met blijdschap. Voor wie attent
luistert, gaat dit wel snel, want wat hier allemaal door LUcasniet gezegd, of
juist wel? Zacheüs daalt haastig af. Lucas zegt niet dat Zacheüs terugloopt naar
zijn huis, integendeel. Daar waar hij is afgedaald ontvangt hij Jesus met blijdschap.
Dat is onder de vijgeboom! Onder de vijgeboom worden de schriften bestudeert,
in de schaduw van de vijgeboom worden de beloften Gods gekoesterd, onder de vijgeboom
leren we waarover Moses en in zijn onderricht en de profeten hebben geschreven
(Joes 1,45 v.v.). Daar ontvangt Zacheüs Jesus met blijdschap. En daar in het licht
van de schriften doet Zacheüs een boek(je) open. Nee, het zijn dan niet meer zijn
kasboeken, niet meerde boeken van crediteuren en debiteuren, geen boekhouding.
De buitenstaanders blijven bevangen in hun
vooroordelen. Zie, Hij is binnengegaan bij een zondig mens. Maar let wel,
dat zeggen de buitenstaanders. dat hebben we niet uit de mond van Jesus vernomen!
Deze vooroordelen mogen onze oren niet verdoven. Zacheüs gaat er voor staan. En
de taal die hij spreekt is niet de taal van de beurs en de beleggers. Heer, de
helft van waar ik staat op kan maken geef is aan de arm gemaakten. en mocht ik
met iemand frauduleus hebben gehandeld, dan geef ik het viervoudig weer. We hoeven
geen geweldige rekenwonders te zijn om snel in te zien, dat die goede Zacheüs
dan niets over houdt! Een eenvoudige rekensom maakt dat duidelijk. veronderstel
hij heeft honderd goudstukken, honderd gulden munten; hij geeft de helft wegheeft,
blijft over vijftig. Mocht hij iemand frauduleus hebben behandeld, zeg voor 15
gulden, dan is hij al niet meer in staat om het viervoudig weer te geven. Hoe
moet dat dan met al die anderen. kan Zacheüs ineens niet meer rekenen? Hij was
toch een aartstollenaar, een oppertollenaar? Maar de verklaring ligt aan het einde,
vol barmhartigheid en trouw. Heden is aan dit huis bevrijding geschied
want ook deze is een Zoon van Abraham! Om dit duidelijk te maken moest
Jesus in zijn huis verblijven. Zo laat Jesus zien waar het onderricht van Moses
en de Profeten op uit lopen, wat dat onderricht op het oog heeft: de bevrijding
van deze zoon van Abraham. We hoeven geen bekeringsgeschiedenis van Zacheüs te
ontwerpen. Het grote gevaar daarbij zoû kunnen zijn, dat het geval van Zacheüs
zo extreem is, dat wij die dit horen geen bekering nodig zouden hebben. Alsof
het verhaal an Zacheüs op ons niet van roepassing zoû zijn. Zo maken we het verhaal
terecht onschadelijk, en kan het (ver)worden tot een fraai exempel voor kleine
kinderen ... Het
verhaal maakt duidelijk dat een kerkwijding, zelfs die van de kathedraal van Rome,
alleen maar een wijding is als Jesus heden daar verblijven verblijven wil, om zo het uitzicht op Jerusalem
niet te verliezen, om zo die stad voor ogen te houden. De Keizer doet daar niets
toe, niets aan af. Wij doen dat door het recht te koesteren, en de gerechtigheid
te doen, want Gods bevrijding is zo nabij, en Zijn gerechtigheid zal worden geopenbaard
.... Zo geve God!. Am*dam
31 october 1997 Diemen
25e zondag na Pinksteren, Maleachi
3,19 - 20a [4, 1 - 2a] We
lopen op de gebeurtenissen vooruit. De volgende week vieren we Christus, Koning
van de hemel en de aarde. Ongelukkigerwijs noemen wij dat sinds enige tijd Christus
“koning van het heelal”, maar waar hebben we dat toch in ‘s hemelsnaam vandaan,
van de ruimtevaart ? We bidden toch ook niet: “uw wil geschiedde in het heelal”?
Vanwege dat feest is het evangelie aangaande de laatste dingen voor deze zondag
gereserveerd, de zondag van de dag ten laatste, en alles wat daaraan vooraf gaat.
Om daar zo snel te geraken moeten we wel iets overslaan in het evangelie volgens
Lucas. We horen niet de vraag naar de Zoon van David die door Jesus zelf wordt
gesteld, hoogst merkwaardig, in een tijd waar we ernst maken met de (verstoorde)
relatie met het volk van de Joden, met Israél! De kerk is toch immers onopgeefbaar
verbonden met Israël!! Hij is toch immers uit het zaad van David naar het vlees
(Rom 1,3). Evenmin horen we de waarschuwing van Jesus tegen de
schriftgeleerden. Die waarschuwing eindigt zo: Zij eten en verslinden de huizen
van de weduwen, en voor de schijn zeggen zij langdurige gebeden. Deze zullen een
zwaarder oordeel ontvangen. Lucas gaat dan door: en beschrijft een weduwe - en
Hij zag op en zag de rijken hun gaven in de schatbewaring, in de schatkist werpen. Hij zag een gewone behoeftige
weduwe, een weduwe van alledag, en Hij zag hoe zij daarin twee penningskes wierp.
En Hij zei, en wat Hij zei is te vertrouwen Ik zeg u. dat deze weduwe, deze arme,
meer dan allen erin heeft geworpen, want zij heeft van wat zij te kort komt daarin
geworpen, heel het leven dat zij heeft. Juist die geste van de weduwe is aanleiding
voor hetgeen volgt, en waarmee de lezing van deze zondag begint. Niemand gaat
in op hetgeen die weduwe heeft gedaan. Sommigen gaan bijna ongegeneerd door. Met
voorbijzien van die weduwe, maken zij een opmerking over het fraaie heiligdom
….. het heiligdom waarop die weduwe al
haar vertrouwen heeft gesteld, al haar krediet heeft zij daaraan gegeven. De leerlingen
hebben geen oog voor de geste van de weduwe, zij zijn een en al oog voor de verblindende
schittering van het heiligdom, die op die sommigen meer indruk maakt, dan wat
de weduwe heeft gedaan . De tegenstelling tussen de weduwe en de leerlingen is
uiteindelijk de inzet van Jesus’ rede over de verwoesting van Jerusalem. Zo wordt ook een oordeel gegeven over de houding
vis - à - vis de weduwe en haar penningskes. Het is van belang dit te onderstrepen,
opdat wij niet zouden denken dat het onheil zo maar uit de lucht zou komen vallen!
En zo gaat Jesus’ rede uiteindelijk over het hart van de tempel, over het geheim
van de eredienst, en niet alleen maar over de schoonheid van de gebouwen. De rede
van Jesus zet scherp in. Wat gij aanschouwt, die schitterende gebouwen, die schone
schijn van de architectuur: er zullen dagen komen, dagen waarin geen steen op steen gelaten wordt
gelaten die niet onherbergzaam wordt. De stenen wel samengevoegd hadden toch herbergzaam
moeten wezen. Staat er niet in de psalm geschreven: Ik verblijd mij met degenen
die tot mij zeggen: wij zullen in het huis des Heren gaan. Onze voeten staan in
uw poorten o Jerusalem! Jerusalem is gebouwd als een stad die wel samengevoegd
is … Dat laatste woord wel samengevoegd,
is voor Amsterdammers heel wel in het Hebreeuws te verstaan. Er staat in het Hebreeuws
dat Jerusalem wel gecahbberd is. Daar, in die stad, kun je als chabbers samen
wonen. Als je zo tezamen wonen kunt, wie zal er dan woorden van onherbergzaamheid
spreken? Wie durft er van de ondergang van Jerusalem te spreken, dat moet toch
wel klinken als heiligschennis, al vloeken in de kerk? Zij vragen hem: Meester,
wanneer zullen deze dingen zijn? En wat is het teken dat deze dingen zullen gaan
geschieden? De leerlingen vragen naar het teken, hoe zullen zij het teken waarnemen, hoe zullen
zij kunnen zien hoe het een en ander, het een in het ander zijn plaats heeft,
hoe zullen zij op het spoor komen dat de verwoesting aanstaande is, dat het al
bezig is te geschieden? Wij die tot nu het verhaal hebben gevolgd
weten wat we zouden kunnen antwoorden. De wijze hoe er met de weduwen omgegaan
wordt is zo’n teken, hoe we omgaan met degenen, die om onze gastvrijheid bedelen! We kunnen dwalen, we denken dat onze onbezorgdheid
ten aanzien van weduwen, slechts een incident is, we kunnen gemakkelijk denken:
het gaat toch om grotere dingen, andere zaken, meer spectaculaire verschijnselen
… Ziet dat gij niet dwaalt. Want velen zullen komen met een beroep op de Naam
van God, zij zullen een beroep doen op de wonderlijke naam die wij kennen vanuit
de gloed van het brandende braambos (Ex 3, 12 v.v.) Zij zullen een beroep doen
op de Naam van God. De God van Abraham, de God van Isaäk, de God van Jacob, de
God die geschiedenis met ons maken wil, die Zijn geschiedenis met ons maken wil,
de God die indachtig is .Zijn verbond met Abraham, met Isaäk en Jacob, de God
die daarom ons bevrijden zal uit de duisternis van de slavernij, uit de duisternis
van de dood, met het oog op het veelbelovende land. Maar de gedachtenis aan de
God van de vaderen is geen lippendienst! Alleen die Naam op de lippen nemen, alleen
die naam horen is geen vrijwaring, geen hitteschild tegen wat er gebeuren gaat,
is nog geen bevrijding uit de slavernij van de dood. Indrukwekkend gaat Jesus
door: wanneer gij horen zult van oorlogen, en van revoluties zo wordt niet verschrikt,
want deze dingen meten eerst geschieden, want dit ook is het onmiddellijke einde
nog niet! Dit beduidt niet dat het allemaal nog erger kan. Hoe zouden wij dat willen ontkennen
aan het eind van de twintigste eeuw. De eeuw die begonnen is met die grote oorlog,
the Great War, die bedoeld was to end all wars …. En dan zwijgen wij maar vol
schaamte over de Holocaust, de vernietiging van de Joden in ons midden, niet te
vergelijken met alles wat in de loop van onze geschiedenis aan het volk van de
Joden is aangedaan …. Het einde waar Jesus over spreekt is het einde als voltooiing,
als vervulling van alle beloften Gods, als vervulling van Zijn trouw aan de beloften
gedaan aan Abraham, Isaäk en Jacob. Dat einde kan geen ellende en rampspoed zijn.
Bovendien mogen wij, moeten wij bedenken hoeveel van de geschilderde smarten het
gevolg zijn van onze eigen verantwoordelijkheid, of liever het gebrek aan onze
eigen verantwoordelijkheid. Stel je voor het was oorlog, en niemand ging er heen
… vanaf het begin, vanaf het bloed van de vermoorde Abel is er een bloedspoor
getrokken in de wereld, tot in onze dagen. Daarom kan de apostel schrijven dat
wij ons niet moeten laten verblinden door de schittering van de stenen van de
tempel, want, zo zegt Petrus (1 Petr 2,5) zo wordt ook gij als levende stenen, gebouwd tot een
geestelijk huis. Dat is meer dan wij zouden worden aangespoord om ons eigen steentje
(let op het verkleinwoord) bij te dragen, de hele gemeenschap wordt aangesproken
…. Want in alle rampspoed wordt de kracht van de gemeenschap op de proef
gesteld, getest. Zij zullen u vervolgen, en dat wordt in het meervoud gezegd.
Dit zal u, - meervoud, - overkomen tot getuigenis. Jesus’ aansporing is geen voorspelling
van hoe erg, erger het allemaal nog kan worden. Jesus’ aansporing is een aansporing,
een bemoediging om de moed niet op te geven. Het is hart onder de riem, gelijk
de psalm zegt: dat wij onze hoop, ons vertrouwen op God zouden blijven stellen,
en dat wij Gods wonderlijke daden niet zouden vergeten, en dat wij Zijn beloften
zouden bewaren (vgl. ps 78,7) De christelijke
gemeenschap heeft die taak in de wereld om de moed niet verliezen, en om de hoop
op God te koesteren en te bewaren. Let wel het gaat om de gemeenschap van Jesus
is in deze wereld, op de aarde onder de hemel. Het gaat niet om individuen, het
gaat om een gemeenschap, die alleen maar leven kan van de veelzijdigheid, de variëteit
van de onderscheiden leden. Want alle gedoopten hebben deel aan de priesterlijke,
koninklijke taak en profetische taak van
Jesus. Dat is veel te belangrijk om dat alleen maar aan de priesters over
te laten. We hebben elkaar van node, we moeten elkander steunen en helpen, elkaar
vertrouwen in standvastigheid, elkaar bemoedigen, elkaar niet wantrouwen: het
geheim van Jesus, die God uit de doden heeft doen opstaan is in het geding. Het
gaat om de volharding, het geduld. Daarop kunnen wij (meervoud)
ons niet laten voorstaan, integendeel! Paulus zegt het zo: wij die sterk
menen te zijn, zijn verschuldigd de zwakheden van degenen die niet zo sterk zijn
te dragen. Wij moeten onszelf nergens op laten voorstaan. Want ook Christus heeft
zich nergens op laten voorstaan, maar zoals van Hem geschreven staat, de smaad
waarmee zij u, o God, hebben gesmaad is op Mij neergekomen (ps 69,10) Want al
wat tevoren als programma is gegeven, is tot onze onderrichting gegeven, opdat
wij door geduld en volharding, door de vertroosting van de schriften hoop en vertrouwen zouden hebben (vgl. Rom 15,
1 - 4) In de schriften is onze toekomst
gespeld, niet inde zin dat wij daaruit de
ellende moeten puren, maar de bevrijding! Want zo staat het ook geschreven bij de profeet,
die wij hedenmorgen hebben gehoord: voor u die God vreest, die verlangend uitziet
naar Zijn komst, zal de zon van gerechtigheid opgaan …. De profeet vervolgt: gedenkt het onderricht
van Moses, Mijn dienaar aan wie Ik op de Horeb voorschriften en bepalingen gegeven
heb voor gans Israël …. (Mal 3,22[4,4]} Zo
geve God! Am*dam
13 november 1998 Hemelvaart
des Heren
Diemen 21 mei 1998 Handelingen
1,1 - 11
Lucas 24, 46 - 53 Wij
kunnen het niet laten. Wij lezen de schriften fragmentarisch, naar het ons uitkomt.
Wat we niet graag willen horen wordt overgeslagen. Al meer dan eens heb ik u daarop
gewezen. Maar zo wordt ons wel een dier doorzicht, een scherper inzicht in
de Schriften onthouden. Vandaag is het Hemelvaart, en we horen van de laatste
verschijning van Jesus aan Zijn leerlingen, na de opwekking van Jesus van de doden.
En we horen wonderlijke dingen. Wat we vandaag horen ligt in het verlengde van
het verhaal van de Emmaüsgangers. Deze leerlingen, Cleophas en een andere leerling,
hebben Jesus herkend in het breken van het brood, en zij hebben die wonderschone
zin mogen zeggen, zo schoon dat Lucas hem voor ons heeft willen bewaren in zijn
evangelie: was ons hart niet brandend in ons, toen Hij tegen ons sprak op de weg,
en ons de Schriften opende? Die twee, Cleophas en die andere, keerden terug naar
Jerusalem (bekeerden zich tot Jerusalem!). En daar treffen zij de andere leerlingen
aan die hen begroeten met de belijdenis dat Jesus waarlijk is opgewekt van de
doden, en dat Hij zich aan Simon heeft laten zien. Terwijl ze zo met elkander spreken, staat Jesus
in hun midden. Zij worden angstig en bevreesd, zij zijn geschokt, zij menen een
geest te aanschouwen. Jesus laat hun zijn handen en voeten zien, zegt hun hem
aan te traken, om zo te laten zien dat Hij geen geest is, en Hij vraag hun of
zij wat te eten hebben. Zij hebben wat gebakken vis .... Hij nam het, ne at het
voor hun ogen op. Daarop zegt Jesus: dit zijn Mijn woorden die Ik tot u gesproken heb, terwijl
Ik nog bij u was, dat vervuld moest worden
alles wat geschreven staat in de Thora van Moses, en de Profeten en de Psalmen
over Mij. Toen opende Hij hun verstand om de Schriften te begrijpen
... Pas hier zet de evangelielezing van het feest van Hemelvaart, we kunnen
alleen maar gissen waarom we niet mogen horen hoe de verhouding is van Jesus tot
het onderricht van Moses, de Profeten en de Psalmen.
Jesus begint nu à bout portant: toen opende Hij hun verstand om de schriften
te begrijpen. Maar zo ontgaat het ons dat dit verhaal in het verlengde ligt van
het verhaal van de Emmaüsgangers, ook de andere leerlingen zullen mogen weten
wat Jesus aan Cleophas en die andere leerling heeft uitgelegd.
Het is om goed in onze oren te knopen dat er staat geschreven: te beginnen
vanaf Jerusalem zijt gij hiervan getuigen (Luc 24,47), degene die niet helemaal
vreemdeling is in Jerusalem is, weet dat als Jesus met de leerlingen van Emmaüs
spreekt, er staat geschreven te beginnen bij Moses en al de profeten (Luc 24,27).
. Moses en de Profeten en Jerusalem gaan hand
in hand. Ten principale klinken Moses en de Profeten op hun best in die stad die
God verkoren heeft. De psalm klinkt ons in de oren, en op de toonhoogte van die
psalm zingen wij mee: God is bekend in Juda;
Zijn Naam is groot in Israël, in Salem is Zijn hut, en
Zijn woning in Sion. Aldaar heeft Hij verbroken
de vurige pijlen van de boog, het schild, het zwaard
en de krijg ... ...... God, gij deedt een oordeel
horen uit de hemel de aarde vreesde en werd
stil. Toen God opstond ten oordeel om alle gekleineerden der
aarde te bevrijden ..... (psalm 76, 2-4.9-10) Zo
komen Moses en de Profeten in Jerusalem tot hun recht, zo blijkt Jesus beginnend
met Moses en de Profeten de vervulling, de vrede te kunnen verkondigen die gekomen
is na Zijn bevrindiing uit de strikken van de dood, Zijn bevrijding uit de duisternis
van de slavernij. Zijn leerlingen mogen daarvan de getuigen zijn te beginnen vanaf
Jerusalem. Wij zijn een beetje huiverig als we dit horen, we vragen ons al of
niet wat sceptisch af, of dat niet wat minder kan, waarom Jerusalem zo nadrukkelijk
moet worden genoemd. Maar Jersualem is de stad waar Jesus zich niet
van heeft willen laten scheiden, de stad waarmee Hij in alle opzichten getrouwd
geweest is, die stad is Zijn bruid, en ondanks alles de vreugde van Zijn hart,
daarom heeft Jesus hete tranen kunnen schreien om Jerusalem ... De Naam van Jesus
zal uitgezongen, in Zijn Naam zal ommekeer worden verkondigd, en vergeving van
zonden voor alle volkeren. En te beginnen vanaf Jerusalem zullen Zijn leerlingen
daarvan mogen getuigen. Daarom moeten de leerlingen in die stad blijven zongen,
totdat zij bekleed zullen worden met de kracht uit den hoge ... Zo leidt Jesus
Zijn leerlingen naar buiten tot aan Bethanië. Daar heft Hij Zijn handen op, en
zegende hen, in die zegen wordt Hij opgenomen ten hemel. Die zegen is meer dan
alleen maar een vrome spreuk, een vrome wens. Omdat de leerlingen, omdat wij zo
gezegend zijn, omdat ons zo door die zegening onze plaats gewezen is, mogen en
kunnen ook anderen ons daaraan houden, daarmee worden wij in onze eigen verantwoordelijkheid
geplaatst, krijgen wij onze plaats in Jerusalem aangewezen, en horen wij aldaar,
in Jerusalem hoe Jesus ons verstand heeft geopend om de schriften te begrijpen,
daar kunnen wij een beroep op doen, want daartoe zijn wij gezegd, zijn wij in
staat gesteld .... In
de Handelingen van de apostelen, in het eerste hoofdstuk, wordt de Hemelvaart
van Jesus nogmaals hernomen. We horen daar niet van Moses en de Profeten, maar
wel hoe Jesus spreekt van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan, Gods Koninklijke
heerschappij, die gedragen wordt door Moses en de Profeten, in Jerusalem. Daarom
mogen wij daar horen hoe Jesus Zijn leerlingen beveelt: zij mogen niet scheiden
van Jerusalem. Om het ietwat gewoontjes te
zeggen : de apostelen mochten wel trouwen,
maar zij mochten niet scheiden van Jerusalem, zoals ook Jesus zich niet heeft
willen laten scheiden van Jerusalem. Jesus heeft geen scheidsbrief willen schrijven
voor die stad, Zijn bruid..... In die situatie vragen de apostelen aan Jesus de
intrigerende vraag: Heer zult gij in deze tijd voor Israël weer geheel en gans
herstellen het Koninkrijk? Heer komt in deze tijd uw heerschappij? Wij vinden
die raag toch maar ietwat merkwaardig. Maar die vraag lijkt ook op die opmerking
van de leerlingen van Emmaüs: wij hadden gehoopt dat Hij het zijn zou die Israël
zou bevrijden ... Wij begrijpen zo genaamd
de apostelen niet. Hebben zij dan niet lang genoeg met Jesus geleefd om te weten
dat het daar niet om gaat? Dromen die apostelen nog steeds van een aards koninkrijk
van David, en laten zij die dromen overheersen? Gaat het dan niet om een ethisch
reveil, een quasi morele herbewapening? Maar is de vraag van de apostelen wel zo vreemd,
zo niet zot? Hoe kunnen onze verwachtingen gespannen zijn, als Jesus te beginnen
met Moses en de Profeten alles uitlegt. In het evangelie van Lucas, in de bekende
parabel van Lazarus en de rijke man, staat toch geschreven aan het einde, wanneer
de rijke vraagt om iemand te zenden naar zijn broers, opdat zij ook niet zullen
komen in de poel van verderf, dan horen we vanuit de schoot van Abraham: zij hebben
Mozes en de Profeten, als zij zich daardoor niet willen laten gezeggen, zullen
zij zich ook niet laten gezeggen door iemand die van de doden wordt opgewekt ...
De dromen die gekoesterd worden aan de hand van Mozes en de Profeten, die
mogen worden gekoesterd, de vragen die gesteld mogen worden hoe Mozes en de Profeten
worden, kunnen toch niet van tafel worden geveegd?
We kunnen horen dat Jesus dat ook niet doet. Jesus zegt niet tegen de apostelen
dat zij Hem altijd verkeerd hebben verstaan, integendeel. Het doet Jesus ook pijn
dat Hij op die klemmende vraag van de apostelen geen antwoord geven kan: het komt
jullie niet toe, te weten de tijden en gelegenheden die de Vader in Zijn eigen
macht gesteld heeft. Als troost, vertroosting wordt ons de Trooster toegezegd
: gij zult ontvangen de kracht van de heilige Geest, die over u komen zal, en
gij zult Mijn getuigen zijn! Jullie zullen Mijn getuigen zijn,
en die vraag verder geven, de gloeiende verwachting bewaren met een vurig
hart en dauwglans in onze ogen. Getuigen met Jerusalem als middelpunt, met Jerusalem
als beginsel, als principe. De heilige Geest zal ons zo troosten dat wij in staat
zullen zijn om die vraag van de apostelen niet te laten verstommen in onze gemeenschap.
Op de dag van hemelvaart horen wij ook dat we daarom niet naar de hemel moeten
blijven staren, de blik naar de aarde moeten
wij blijven koesteren, alle aandacht daarvoor, omdat dat daar het koninkrijk wordt
verwacht. Daarom keren de apostelen, bekeren zij zich weer tot Jerusalem, want
God heeft Zijn stichting, heeft die stad zeer lief .... Zo mogen wij bidden om
de komst van de heilige Geest, de vertrooster.
want, - zo zegt Paulus, - want alles wat geschreven staat is van tevoren
geschreven, als programma gegeven, opdat wij door geduld, ende vertroosting van
de schriften, de vertroosting van de heilige Geest zouden bezitten! Zo geve God! Am*dam
14 mei 1998 ©
Ben Hemelsoet |