[Marcus 0201]

3 augustus 1998

 

Marcus 2,1 - 3,6

 1         en  hij ging in wederom in Kapharnaüm

            en er werd gehoord: hij is in huis

 2         en velen kwamen te zamen zodat er zelfs geen ruimte meer was bij de deur

            en hij sprak tot hen het woord

 3         en zij komen tot hem, zij brengen een verlamde, door vier gedragen

 4         en omdat zij hem niet bij hem konden brengen vanwege de de schare

            ont-dekten zij het dak waar hij was, maakten een gat

            en lieten het bed neer waar de verlamde op was gelegen

 5         Jesus ziet hun vertrouwen, en zegt tot de verlamde

            kind, uw zonden zijn u vergeven

 6         er waren daar sommigen van de schriftgeleerden gezeten

            en zij overlegden in hun harten

 7         wat spreekt deze zo! hij lastert

            wie kan zonden vergeven dan de ene God?

 8         en gelijk weet Jesus in zijn geest dat zij zo overlegden bij zichzelf, en hij zegt hun

            wat overlegt gij zulks in uw harten?

 9         wat is geringer moeite, tot een verlamde te zeggen

            uw zonden zijn u vergeven

            of te zeggen: sta o en neem uw bed, en wandel ...

10         opdat gij weten moogt

            dat de zoon des mensen volmacht heeft zonden te vergeven in het land

                        - hij zegt tot de verlamde -:

11         tot u zeg ik: sta op, neem uw bed, en ga naar uw huis

12         en hij stond op en gelijk  naam hij het bed, ging uit voor aller ogen

            zodat ze allen buiten zinnen waren

            en zij eerden God en zeiden dat zij zoiets nog nooit hadden gezien

13         en hij ging uit wederom langs de zee (zie 1,16)

            en heel de schare kwam naar hem, en hij onderrichtte hen

14         en in het voorbijgaan zag hij Levi, die van Alpheüs bij het tolhuis zitten

            en hij zegt hem: volg mij, en hij stond op en volgde hem

15         en het geschiedt toen hij aanligt in zijn huis

            en vele tollenaars mede aanliggen met Jesus en zijn leerlingen

            want zij waren velen en waren hem gevolgd

16         - en de schiftgeleerden van de Pharisaeën zien dat hij eet

                                                                         samen met de zondaars en tollenaars -

            zeiden tot zijn leerlingen; hij eet met tollenaars en zondaars

17         en Jesus hoort en zegt hun niet de sterken hebben een geneesheer nodig

                                                                         maar die het slecht hebben

            ik ben niet gekomen rechtvaardigen te roepen, maar zondaars

18         de leerlingen van Joannes en de Pharisaeën waren aan het vasten

            en zij komen en zeggen hem

            waarom vasten de leerlingen van Joannes en de leerlingen van de Parisaeën

            en vasten uw leerlingen niet

19         Jesus zeide hun: kunnen de zonen van de bruidegom

            zolang de bruidegom met hen is vasten?

            alle tijd dat zij de bruidegom bij zich hebben kunnen zij niet vasten

20         er zullen dagen komen dat de bruidgom van hen is weggenomen

            dan zullen zij vasten op die dag

21         niemand naait een lap ongevolde stof (zie Marc 9,3) op een oud kleed

            anders

             

           

 

 

 

Marc 2,22 zie Josua 9,13

3 augustus 1998

 

 

 

Marcus 13, 1 – 37

(3 augustus 1998)

 

 1         en hij ging uit uit het heiligdom

            en één van zijn leerlingen zegt hem

            meester, wat een stenen, wat een gebouwen!

 2         en Jesus zeide hem: ziet gij deze grote gebouwen?

            er zal geen steen op de andere steen gelaten worden

            die niet zal worden afgebroken

 3         en toen hij gezeten was op de berg van de olijven

            tegenover het heiligdom

            vroeg Petrus hem afzonderlijk en Jacobus en Joannes en Andreas

 4         zeg ons: wanneer zal dat zijn en wat is het teken dat dit alles moet voltooid worden           

 5         Jesus begon hun te zeggen

            ziet toe dat niemand u doet dwalen (zie 12,24.27)

 6         velen zullen komen in mijn naam zeggende IK BEN

            en zij zullen velen doen dwalen

 7         wanneer gij hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen

            wordt niet ontsteld (zie Cant 5,4 vgl Jer 4,19 2 Tess 2,2,)

            het moet geschieden maar het is het einde nog niet

 8         want  heidenvolk zal worden opgewekt     tegen heidenvolk

            en een koninkrijk tegen een koninkrijk

            en er zullen aardbevingen zijn plaats naar plaats

            er zullen hongersnoden zijn: dit is het begin van de weeën

 9         ziet gij toe op uzelf

            zij zullen u overleveren aan de sanhedria en

                                    in de synagogen zult gij worden gegeseld

            en voor stadhouders en koningen zult gij staan

            ter wille van mij hun tot een getuigenis

10         en aan alle heidenvolkeren moet eerst het evangelie worden uitgebazuind

11         wanneer zij u voeren en overleveren wilt niet van te voren bezorgd zijn

            wat gij zult zeggen, maar wat  u op dat uur gegeven wordt, dat zult gij zeggen

            want gij zijt het niet die spreekt, maar de heilige Geest

12         een broer zal een broer overleveren tot de dood

            een vader een kind, kinderen zullen opstaan tegen ouders en zij zullen hen doden

13         gij zult gehaat zijn door allen vanwege mijn naam

            maar wie volhardt tot het einde hij zal worden gered

14         wanneer gij ziet de gruwel der verwoesting staande waar die niet moet ...

            hij die het leest, begrijpe het

            dan moeten zij die in Judea zijn naar de bergen vluchten

15         en degene op het dak dale niet neer om in te gaan en iets uit zijn huis te weg nemen

16         en wie op de akker is kere niet om achterwaarts om zijn kleed weg te nemen

17         wee de zwangeren en de zogenden in die dagen

18         bidt dat het niet geschiedde in de winter

19         want deze dagen zullen zulk een verdrukking zijn

            zoals niet geschied is vanaf het begin van de schepping, -die God geschapen heeft,-

            tot nu toe, en zo zal er ook niet meer geschieden

20         en indien (de) Heer die dagen niet had ingekort (2 Sam 4,12)

            geen vlees zou worden gered

            maar ter wille van de uitverkorenen die hij heeft uitverkoren

            heeft hij die dagen ingekort

21         en dan: zo iemand u zal zeggen: zie hier is de Christus, zie daar (is hij)

            stelt er geen vertrouwen in

22         want er zullen pseudochristussen worden opgewekt en pseudopropheten

            en zij zullen tekenen geven en wonderen om de uitverkorenen - indien  mogelijk -

                                                                                                            weg te doen dwalen,

23         gij ziet toe: ik heb u alles voorzegd

24         maar in die dagen na die verdrukking

                                    de zon zal worden verduisterd

                                    en de maan zal haar licht niet geven

25                                 en de sterren zullen uit de hemel vallen

                                    en de krachten in de hemelen zullen wankelen

                                                                       ie Jud 5,5 LXX. [z l l] Jes 63,19(64,1); 64,2(3) MT [z l l ]

26         en dan zullen zij de zoon des mensen zien komen in  wolken

            met veel kracht en heerlijkheid

27         en dan zal hij de boden zenden   en hij zal verzamelen de uitverkorenen             

            uit de vier windstreken van het uiterste van de aarde tot het uiterste van de hemel

28         leert van de vijgeboom de gelijkenis

            wanneer zijn tak teder wordt en de bladeren uitspruiten

            weet dat de zomer nabij is

29         zo ook gij wanneer gij deze dingen ziet geschieden

            weet dat (het) nabij is, voor de deur(en)

30         voorwaar ik zeg dat dit geslacht zal niet voorbijgaan

            totdat dit alles is geschied

31         de hemel en de aarde zullen voorbijgaan 

32         van die dag en dat uur weet niemand

            noch de boden in (de) hemel noch de zoon

            tenzij de vader

33         ziet toe: gij weet niet wanneer het beslissende ogenblik  is

34         [het is] gelijk een mens in het buitenland (ze Marc 12,1)

            die zijn huis heeft achtergelaten, en de volmacht heeft gegeven aan zijn slaven,

            aan eenieder zijn werk

            en aan de deurwachter heef opgedragen te waken

35         waakt dus, want gij weet niet wanneer de heer des huizes komt

            laat, of te middernacht, of bij het hanegekraai, of vroeg

            zodat hij niet onverwachts komt en u slapend vindt

36         wat ik tot u zeg, zeg ik tot allen waakt

 

             

 

 

Marcus 14, 1 – 72

(3 augustus 1998)

 

 1         het was pascha, (dat is) de ongedesemden, na twee dagen

            en de opperpriesters en schriftgeleerden zochten hoe zij hem

                                                                        met list zouden grijpen en doden

 2         want zeiden zij niet op het feest

            opdat er geen tumult zij onder het volk

 3         en toen hij in Bethanië was in het huis van Simon de melaatse

            en hij daar aanlag kwam een vrouw met een albasten flacon

                                                            betrouwbare hoogwaardige nardusbalsem

 4         zij brak de albasten flacon en goot het uit over zijn hoofd

            er waren sommigen die dit onder elkaar zeer kwalijk namen

            waartoe is dit verderf van deze zalf geschied

 5         deze had verkocht kunnen worden boven drie honderd denariën

            en gegeven kunnen worden aan de armen

            (zo) beten zij haar toe

 6         maar Jesus zeide: laat af van haar

            wat bezorgt  gij haar moeite(n)

            zij heeft een schoon werk aan mij gewrocht

 7         want de armen heb gij altijd met u

            en wanneer  gij maar wilt kunt gij hun goed doen

            mij hebt gij niet altijd

 8         zij heeft gedaan wat zij had

            zij heeft tevoren [balsem] genomen om mijn lichaam te zalven      

            met het oog op mijn begrafenisplechtigheid

 9         voorwaar ik zeg u:

            waar ook het evangelie rondgebazuind wordt in geheel de wereld

            zal gesproken worden wat zij gedaan heeft tot haar gedachtenis

10         en Juda Iskariot, een van de twaalf,

            ging weg naar de opperpriesters om hem over te leveren

11         en toen zij dat hoorden waren zij verheugd

            en zij beloofden hem zilvergeld te geven

            en hij zocht hoe hij hem op een goed beslissend ogenblik zou overleveren

12         en op de eerste dag van de ongedesemden

            wanneer zij het pascha slachten

            zeggen zijn leerlingen tot hem

            waar wilt gij dat wij weggaan opdat wij het pascha bereiden

13         en hij zendt twee van zijn leerlingen en zegt hun

            gaat heen naar de stad, en een mens dragende een [stenen] waterkruik

                                                                                                      zal u ontmoeten, volgt hem

14         en waar hij ook binnengaat, zegt tot de huisheer

            de meester zegt waar is het gastenverblijf

            waar ik met mijn leerlingen het pascha kan eten

15         en hij zal u tonen een bovenzaal, welgespreid en bereid

            en daar zult gij voor ons bereiden

16         en de leerlingen gingen uit en gingen naar de stad

            en zij vonden gelijk hij hun had gezegd

            en zij bereidden het pascha                                             

17         en toen het avond geworden was kwam hij met de twaalf

18         en toen zij aanlagen en aten zei Jesus

            voorwaar ik zeg u dat één van u mij  zal overleveren                  

            een die eet met mij

19         zij begonnen bedroefd te worden en te zeggen één voor één: ik toch niet?

20         hij die met mij indoopt in de schotel

21         de zoon des mensen gaat wel heen gelijk over hem staat geschreven

            maar wee die mens door wie de zoon des mensen wordt overgeleverd

            het ware goed voor hem, indien die mens niet ware geboren

22         en terwijl zij aten nam hij brood, sprak de zegen, brak het, gaf het hun, en zeide

            neemt dit is mijn lichaam

23         en hij nam een drinkbeker sprak de dankzegging en gaf hem hun

            en zij dronken daaruit allen

24         en hij zeide tot hen dit is mijn bloed van het verbond

            dat uitgegoten wordt ten bate van velen

25         voorwaar ik zeg u dat ik niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok

            totdat die dag waarop ik die nieuw zal drinken in het koninkrijk van God

26         en nadat zij de hymne gezongen hadden gingen zij uit naar de berg van de Olijven

27         en Jesus hun: gij  allen zult worden geërgerd, want er staat geschreven

                                    ik zal de herder slaan

                                    en de schapen zullen worden verstrooid

28         maar nadat ik zal zijn opgewekt zal ik u voorgaan naar Galilea

29         maar Petrus al zullen allen worden geërgerd ik (zeker) niet

30         en Jesus zegt hem

            voorwaar ik zeg u dat gij heden in deze nacht eer de haan tweemaal roept

            zult gij mij driemaal verloochenen

31         maar nog overvloediger zegt hij

            indien ik met u zou moeten sterven, ik zal u niet verloochenen

            gelijkelijk zeiden ook allen

32         en zij kwamen bij het landgoed waarvan de naam Getsemani

            en hij zegt tot hen zijn leerlingen zit hier terwijl ik bid

33         en hij nam Petrus en Jacobus en Joannes met zich

            en hij begon ontsteld te worden en kreeg het benauwd

34         en hij zegt hun mijn ziel is zeer, tot ter dood, bedroefd

            blijft hier en waakt

35         en een weinig voortgaande viel hij ter aarde

            en hij bad dat dit uur  - indien het mogelijk  ware -  aan hem voorbij zou gaan

36         en hij zeide: Abba, vader, alles is u mogelijk

            laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan

            maar niet wat ik wil, maar gij

37         hij komt en vind hen slapende

            en hij zegt tegen Petrus: Simon, gij slaapt zijt gij niet sterk een uur te waken

38         waakt en bidt opdat gij niet in verzoeking komt

            de geest is gewillig maar het vlees is zwak

39         en wederom ging hij weg en bad dat woord

40         en wederom ging hij en vond hen slapende

            want hun ogen waren bezwaard en zij wisten niet wat hem te antwoorden

41         en hij komt ten derde male en zegt hun

            slaapt [voor wat u] rest  en rust

            het is afgesloten. het uur is gekomen

            de zoon des mensen wordt overgeleverd inde handen van de zondaren

42         staat op, laten wij gaan: zie hij die mij overlevert is nabij gekomen

43         en gelijk terwijl hij nog sprak verscheen Juda ten tonele een van de twaalf

            en met hem een schare met zwaarden stokken

            vanwege de opperpriesters en de schriftgeleerden en de oudsten

44         en hij die hem overleverde had hun een afgesproken teken gegeven

                                                                                                (zie Jes 5,26; 49,42;62,10)

            die ik zal kussen deze is het, grijpt hem en voert hem veilig weg

45         en gelijk komt hij en komt op hem toe en zegt

            Rabbi, en hij kuste hem

46         zij wierpen  zich (hun  handen) op hem, en zij grepen hem

47         een van degenen die erbij stonden trok zijn zwaard

            en sloeg de slaaf van de hogepriester en hieuw hem een oor af

48         Jesus antwoordde en zei hun

            als tegen een rover zijt gij uitgegaan met zwaarden stokken om mij mee te nemen

49         dag voor dag was ik bij u in het heiligdom en gaf onderricht

            en gij hebt mij niet gegrepen

            maar opdat de schriften worden vervuld ....

50         en allen lieten van hem af en vluchtten

51         en een zeker jongeling volgde met hem

            die een linnen doek om zijn naakte lijf had omgeworpen

            en zij grepen hem

52         maar hij liet de linnen doek achter en vluchtte naakt

54         en Petrus volgde hem van verre tot binnen in de hof van de hogepriester

            en hij was samengezeten met de knechten

            en hij warmde zich bij het licht (hapax bij Marcus)

55         de hogepriesters en heel het sanhedrin zochten getuigenis tegen Jesus om hem te doden

            en ze vonden niet

56         want velen legden een pseudogetuigenis af, maar deze getuigenissen waren niet gelijk

57         en sommigen stonden op en legden pseudogetuigenis af: 

            wij hebben hem horen zeggen:

            ik zal deze tempel, met handen gemaakt, afbreken

            en in drie dagen zal ik een andere, niet met handen gemaakt, bouwen

59         en ook zo was hun getuigenis niet gelijk

60         en de hogepriester stond op in het midden en vroeg Jesus, zeggend

            antwoord gij niets?  Wat getuigen zij tegen u?

61         maar hij zweeg en antwoordde niets

            wederom vroeg de hogepriester hem en zegt hem

            zijt gij de christus de zoon van de gezegende?

62         en Jesus zeide  IK BEN

                                    en gij zult zien de zoon des mensen zetelen ter rechter van de kracht

                                    en komen met de wolken des hemels

63         de hogepriester verscheurt zijn kleren en zegt

            wat hebben wij nog getuigen nodig?

64         gij hebt de godslastering gehoord

            wat schijnt u? en allen oordeelden hem des doods schuldig

65         sommigen begonnen hem te bespuwen, zijn aangezicht te omhullen,

            sloegen hem met (hun)  vuisten, en zeiden hem:   profeteer

            en ook de knechten namen hem met hun kaakslagen

66         en terwijl  Petrus beneden in de hof is

67         komt een van de (dienst)meisjes  van de hogepriester

            zij ziet Petrus zich warmen, zij ziet hem aan en zegt hem:

            ook gij waart met die Nazarener. die Jesus

68         maar hij ontkende en zei: ik weet niet(s), ik begrijp niet wat gij zegt

            en hij ging uit, naar buiten, naar de voorhof, en de haan riep

69         en het dienstmeisje zag hem en begon

                        wederom te zeggen tot de omstaanders: deze is van hen

70         en wederom ontkende hij

            en na een weinig zeiden de omstaanders wederom tot Petrus

            betrouwbaar (zie Marc 15,39): gij zijt van hen, want gij zijt een Galilaeër

71         en hij begon te vloeken en te zweren: ik ken die mens niet waarvan gij spreekt

72         en gelijk ten tweede male riep de haan

            en Petrus herinnerde zich het woord dat Jesus hem had gezegd

            eer de haan tweemaal roept zult gij mij driemaal verloochenen

            en hij ga zich over aan zijn wenen                                   

 

           

 Marcus 15, 1 – 47

 

 1         en gelijk ‘s morgens vroeg

            hielden de opperpriesters met de priesters en de schriftgeleerden

                                                                                    en heel het sanhedrin tezamen raad

            zij bonden Jesus en voerden hem weg, en leverden hem over aan Pilatus

 2         en Pilatus vroeg hem: zijt gij de koning van de Joden?

            en hij antwoordt hem en zegt: gij zegt (het)

 3         en de opperpriesters beschuldigden hem (zie Marc3,2) van veel

 4         maar Pilatus vroeg hem wederom  en zei: antwoordt gij niets?

            zie van hoeveel zij u beschuldigen

 5         Jesus antwoordde niets mee, zodat Pilatus zich verwonderde (zie 15,44)

 6         bij gelegenheid van een feest liet hij gewoonlijk  één gevangene  vrij

            degene waarom zij vroegen

 7         en er was een zogeheten Bar Abbas

            samen  met opstandelingen gevangen,

            die bij een opstand een moord hadden begaan

 8         de menigte ging op en begon te begeren

            zoals hij hun gewoon was te doen

 9         Pilatus antwoordde hun en zei

            wilt gij dat ik u de koning van de Joden vrijlaat?

10         want hij wist dat de opperpriesters hem uit nijd hadden overgeleverd

11         de opperpriesters ruiden het volk op dat hij hun veel meer Bar Abbas zou vrijlaten

12         maar Pilatus wederom antwoordde hun en zeide

            wat wilt ge dat ik zal doen met hem die gij de koning van de Joden noemt?

13         maar wederom schreeuwden zij: kruisig hem

14         Pilatus zeide hun: wat heeft hij immers voor kwaad gedaan?

            maar zij schreeuwden te meer: kruisig hem

15         Pilatus wilde zich schikken naar de schare en liet hun die Bar Abbas vrij

            en hij leverde Jesus over om - nadat hij hem had gegeseld - om gekruisigd te worden

16         en de soldaten voerden hem weg in de hof, dat is het Pretorium    

            en zij riepen heel het cohort te zamen

17         en zij deden hem  een purperen mantel aan

            zij vlochten een doornenkroon en zetten hem die op

18         en zij begonnen hem te begroeten: verheug u, koning van de Joden

19         en zij sloegen zijn hoofd met een rietstok en spuwden hem

            en zij voelen op hun knieën aanbaden zij hem

20         toen ze hem zo bespot hadden, deden zij hem de purperen mantel uit

            en zij deden hem zijn kleren aan

            en zij voerden hem uit om hem te kruisigen

21         en zij dwongen Simon van Cyrene , die voorbijging en van de akker kwam

            - de vader van Alexander en Rufus -

            dat hij zijn kruis zou opnemen

22         en zij voerden hem naar de plaats Golgotha,-dat is vertaald schedelplaats,-

            en zij gaven hem wijn met mirre, die hij niet nam

24         en zij kruisigden hem

            en zij verdeelden zijn kleren door er het lot over te werpen

            wat eenieder zou nemen

25         en het was het derde uur dat zij hem kruisigden

26         en het opschrift van de rede van zijn (schuld) was opgeschreven

            de koning van de Joden

27         en met hem kruisigden ze twee rovers (zie Marc 11,17)

            een aan zijn rechterzijde, en een aan zijn linkerzijde

29         en zij die voorbijtrokken lasterden hem, schudden hun hoofden

            en zeiden: ha! die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt

30         red u zelf en daal af van het kruis

31         gelijkelijk spotten de opperpriesters onder elkaar met de schriftgeleerden

            en zij zeiden: anderen heeft hij gered , zichzelf kan hij niet redden

 32        laat de Christus de koning van Israël  nu afdale van het kruis

            opdat wij zien en vertrouwen hebben

            en die medegekruisigd waren met hem smaadden hem

33         en toen het zesde uur geworden was

            geschiedde er duisternis in het ganse land tot het negende uur

34         en op het negende uur riep Jesus met grote stem:

            Eloï, Eloï, lama sabachtani: dat is vertaald: Mijn God, Mijn God waarom hebt gij mij verlaten

35         en sommigen van de bijstaanders  hoorden (dit) en zeiden

            zie hij roept Elia

36         iemand liep weg, vulde een spons met verzuurde wijn

            plaatste die op een rietstok, deed hem drinken, en zei

            laat af, en laten wij zien of Elia hem komt afnemen

37         Jesus “nam afscheid”  met  een grote stem en gaf de geest

38         en het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën

            van boven naar beneden

39         toen de honderdman, die erbij stond, tegenover hem

            zag dat hij zo de geest had gegeven, zei hij

            betrouwbaar (zie 14,70) deze mens was de zoon van God

40         er waren vrouwen van verre toeschouwende

            waaronder Maria van Magdala, en de moeder van Jacobus de kleine en Joses, en Salome

41         die toen hij in Galilea was hem waren gevolgd, en hem hadden gediend

            en vele anderen die met waren opgegaan naar Jerusalem

42         en toen het avond geworden was

            - het was immers een voorbereidingsdag -

            dat is de dagvoor de sabbat

43         kwam Joseph van Arimathea, een edelman, een raadsheer

            die ook verwachtte het koninkrijk van God

            en hij waagde het in te gaan tot Pilatus

            en hij begeerde het lichaam van Jesus

44         en Pilatus verwonderde zich (zie Marc 15,3) dat hij reeds gestorven was

            en hij riep de honderdman en vroeg hem of hij reeds dood was

45         en toen hij het wist van de honderdman schonk hij het lijk aan Joseph

46         en hij kocht een linnen doek, nam hem af, en wikkelde hem in de linnen doek

            en plaatste hem in een graf dat uitgehouwen was in de rots

            en wentelde een steen voor de deur tot het graf

47         Maria van Magdala, en Maria van Joses schouwden toe, waar hij werd gelegd