[Marcus 0201] 3 augustus 1998 1 en hij ging in wederom in Kapharnaüm en er werd gehoord: hij is in huis 2 en
velen kwamen te zamen zodat er zelfs geen ruimte meer was bij de deur en hij sprak tot hen het woord 3 en
zij komen tot hem, zij brengen een verlamde, door vier gedragen 4 en
omdat zij hem niet bij hem konden brengen vanwege de de schare ont-dekten zij het dak waar hij was,
maakten een gat en lieten het bed neer waar de verlamde
op was gelegen 5 Jesus
ziet hun vertrouwen, en zegt tot de verlamde kind, uw zonden zijn u vergeven 6 er
waren daar sommigen van de schriftgeleerden gezeten en zij overlegden in hun harten 7 wat
spreekt deze zo! hij lastert wie kan zonden vergeven dan de ene
God? 8 en
gelijk weet Jesus in zijn geest dat
zij zo overlegden bij zichzelf, en hij zegt hun wat overlegt gij zulks in uw harten? 9 wat
is geringer moeite, tot een verlamde te zeggen uw zonden zijn u vergeven of te zeggen: sta o en neem uw bed,
en wandel ... 10 opdat gij weten moogt dat de zoon des mensen volmacht heeft
zonden te vergeven in het land - hij zegt tot de verlamde
-: 11 tot u zeg ik: sta op, neem uw bed, en
ga naar uw huis 12 en hij stond op en gelijk naam hij het bed, ging
uit voor aller ogen zodat ze allen buiten zinnen waren en zij eerden God en zeiden dat zij
zoiets nog nooit hadden gezien 13 en hij ging uit wederom langs de zee (zie 1,16) en heel de schare kwam naar hem, en
hij onderrichtte hen 14 en in het voorbijgaan zag hij Levi, die
van Alpheüs bij het tolhuis zitten en hij zegt hem: volg mij, en hij stond
op en volgde hem 15 en het geschiedt toen hij aanligt in zijn
huis en vele tollenaars mede aanliggen met
Jesus en zijn leerlingen want zij waren velen en waren hem gevolgd 16 - en de schiftgeleerden van de Pharisaeën
zien dat hij eet
samen met de zondaars en tollenaars - zeiden tot zijn leerlingen; hij eet
met tollenaars en zondaars 17 en Jesus hoort en zegt hun niet de sterken
hebben een geneesheer nodig
maar die het slecht hebben ik ben niet gekomen rechtvaardigen
te roepen, maar zondaars 18 de leerlingen van Joannes en de Pharisaeën
waren aan het vasten en zij komen en zeggen hem waarom vasten de leerlingen van Joannes
en de leerlingen van de Parisaeën en vasten uw leerlingen niet 19 Jesus zeide hun: kunnen de zonen van de
bruidegom zolang de bruidegom met hen is vasten? alle tijd dat zij de bruidegom bij
zich hebben kunnen zij niet vasten 20 er zullen dagen komen dat de bruidgom
van hen is weggenomen dan zullen zij vasten op die dag 21 niemand naait een lap ongevolde stof (zie
Marc 9,3) op een oud kleed anders Marc 2,22 zie
Josua 9,13 3
augustus 1998 (3 augustus 1998) 1 en
hij ging uit uit het heiligdom en één van zijn leerlingen zegt hem meester, wat een stenen, wat een gebouwen! 2 en
Jesus zeide hem: ziet gij deze grote gebouwen? er zal geen steen op de andere steen
gelaten worden die niet zal worden afgebroken 3 en
toen hij gezeten was op de berg van de olijven tegenover het heiligdom vroeg Petrus hem afzonderlijk en Jacobus
en Joannes en Andreas 4 zeg
ons: wanneer zal dat zijn en wat is het teken dat dit alles moet voltooid worden
5 Jesus
begon hun te zeggen ziet
toe dat niemand u doet dwalen (zie 12,24.27) 6 velen
zullen komen in mijn naam zeggende IK BEN en zij zullen velen doen dwalen 7 wanneer
gij hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen wordt niet ontsteld (zie Cant 5,4 vgl
Jer 4,19 2 Tess 2,2,) het moet geschieden maar het is het
einde nog niet 8 want heidenvolk zal worden opgewekt tegen heidenvolk en een koninkrijk tegen een koninkrijk en er zullen aardbevingen zijn plaats
naar plaats er zullen hongersnoden zijn: dit is
het begin van de weeën 9 ziet gij toe op uzelf zij zullen u overleveren aan de sanhedria en in de synagogen zult gij worden gegeseld en voor stadhouders en koningen zult
gij staan ter wille van mij hun tot een getuigenis 10 en aan alle heidenvolkeren moet eerst
het evangelie worden uitgebazuind 11 wanneer zij u voeren en overleveren wilt
niet van te voren bezorgd zijn wat gij zult zeggen, maar wat u op dat uur gegeven wordt, dat zult gij zeggen want gij zijt het niet die spreekt,
maar de heilige Geest 12 een broer zal een broer overleveren tot
de dood een vader een kind, kinderen zullen
opstaan tegen ouders en zij zullen hen doden 13 gij zult gehaat zijn door allen vanwege
mijn naam maar wie volhardt tot het einde hij
zal worden gered 14 wanneer gij ziet de gruwel der verwoesting
staande waar die niet moet ... hij die het leest, begrijpe het dan moeten zij die in Judea zijn naar
de bergen vluchten 15 en degene op het dak dale niet neer om
in te gaan en iets uit zijn huis te weg nemen 16 en wie op de akker is kere niet om achterwaarts
om zijn kleed weg te nemen 17 wee de zwangeren en de zogenden in die
dagen 18 bidt dat het niet geschiedde in de winter 19 want deze dagen zullen zulk een verdrukking
zijn zoals niet geschied is vanaf het begin
van de schepping, -die God geschapen heeft,- tot nu toe, en zo zal er ook niet meer
geschieden 20 en indien (de) Heer die dagen niet had
ingekort (2 Sam 4,12) geen vlees zou worden gered maar ter wille van de uitverkorenen die hij heeft uitverkoren heeft hij die dagen ingekort 21 en dan: zo iemand u zal zeggen: zie hier
is de Christus, zie daar (is hij) stelt er geen vertrouwen in 22 want er zullen pseudochristussen worden
opgewekt en pseudopropheten en zij zullen tekenen geven en wonderen
om de uitverkorenen - indien
mogelijk -
weg te doen dwalen, 23 gij ziet toe: ik heb u alles voorzegd 24 maar in die dagen na die verdrukking de zon zal
worden verduisterd en de maan
zal haar licht niet geven 25 en de sterren
zullen uit de hemel vallen en de krachten
in de hemelen zullen wankelen
ie Jud 5,5 LXX. [z l l] Jes 63,19(64,1); 64,2(3) MT [z l l ] 26 en dan
zullen zij de zoon des mensen zien komen in
wolken met veel kracht en heerlijkheid 27 en
dan zal hij de boden zenden en hij
zal verzamelen de uitverkorenen uit de vier windstreken van het uiterste
van de aarde tot het uiterste van de hemel 28 leert van de vijgeboom de gelijkenis wanneer zijn tak teder wordt en de
bladeren uitspruiten weet dat de zomer nabij is 29 zo ook gij wanneer gij deze dingen ziet
geschieden weet dat (het) nabij is, voor de deur(en) 30 voorwaar ik zeg dat dit geslacht zal niet
voorbijgaan totdat dit alles is geschied 31 de hemel en de aarde zullen voorbijgaan
32 van die dag en dat uur weet niemand noch de boden in (de) hemel noch de
zoon tenzij de vader 33 ziet
toe: gij weet niet wanneer het
beslissende ogenblik is 34 [het is] gelijk een mens in het buitenland
(ze Marc 12,1) die zijn huis heeft achtergelaten,
en de volmacht heeft gegeven aan zijn slaven, aan eenieder zijn werk en aan de deurwachter heef opgedragen
te waken 35 waakt
dus, want gij weet niet wanneer de heer des huizes komt laat, of te middernacht, of bij het hanegekraai, of vroeg zodat hij niet onverwachts komt en
u slapend vindt 36 wat ik tot u zeg, zeg ik tot allen waakt (3 augustus 1998) 1 het
was pascha, (dat is) de ongedesemden, na twee dagen en de opperpriesters en schriftgeleerden
zochten hoe zij hem
met list zouden grijpen en doden 2 want
zeiden zij niet op het feest opdat er geen
tumult zij onder het volk 3 en
toen hij in Bethanië was in het huis van Simon de melaatse en hij daar aanlag kwam een vrouw met
een albasten flacon
betrouwbare hoogwaardige nardusbalsem 4 zij
brak de albasten flacon en goot het uit over zijn hoofd er waren sommigen die dit onder elkaar
zeer kwalijk namen waartoe is dit verderf van deze zalf
geschied 5 deze
had verkocht kunnen worden boven drie honderd
denariën en gegeven kunnen worden aan de armen (zo) beten zij haar toe 6 maar
Jesus zeide: laat af van haar wat bezorgt gij haar moeite(n) zij heeft een schoon werk aan mij gewrocht 7 want
de armen heb gij altijd met u en wanneer gij maar wilt kunt gij hun goed doen mij
hebt gij niet altijd 8 zij heeft gedaan wat zij had zij heeft tevoren [balsem] genomen
om mijn lichaam te zalven met het oog op mijn begrafenisplechtigheid 9 voorwaar
ik zeg u: waar ook het evangelie rondgebazuind
wordt in geheel de wereld zal gesproken worden wat zij gedaan
heeft tot haar gedachtenis 10 en Juda Iskariot, een van de twaalf, ging weg naar de opperpriesters om
hem over te leveren 11 en toen zij dat hoorden waren zij verheugd en zij beloofden hem zilvergeld te
geven en hij zocht hoe hij hem op een goed
beslissend ogenblik zou overleveren 12 en op de eerste dag van de ongedesemden wanneer zij het pascha slachten zeggen zijn leerlingen tot hem waar wilt gij
dat wij weggaan opdat wij het pascha
bereiden 13 en hij zendt twee van zijn leerlingen
en zegt hun gaat heen naar de stad, en een mens
dragende een [stenen] waterkruik
zal u ontmoeten, volgt hem 14 en waar hij ook binnengaat, zegt tot de
huisheer de meester zegt waar is het gastenverblijf
waar ik met mijn leerlingen het pascha kan eten 15 en hij zal u tonen een bovenzaal, welgespreid
en bereid en daar zult gij voor ons bereiden 16 en de leerlingen gingen uit en gingen
naar de stad en zij vonden gelijk hij hun had gezegd en zij bereidden het pascha 17 en toen het avond geworden was kwam hij
met de twaalf 18 en toen zij aanlagen en aten zei Jesus voorwaar ik zeg u dat één van u mij
zal overleveren een die eet met mij 19 zij begonnen bedroefd te worden en te
zeggen één voor één: ik toch niet? 20 hij die met mij indoopt in de schotel 21 de zoon des mensen gaat wel heen gelijk
over hem staat geschreven maar wee die mens door wie de zoon
des mensen wordt overgeleverd het ware goed
voor hem, indien die mens niet ware geboren 22 en terwijl zij aten nam hij brood, sprak
de zegen, brak het, gaf het hun, en zeide neemt dit is mijn lichaam 23 en hij nam een drinkbeker sprak de dankzegging
en gaf hem hun en zij dronken daaruit allen 24 en hij zeide tot hen dit is mijn bloed
van het verbond dat uitgegoten wordt ten bate van velen 25 voorwaar ik zeg u dat ik niet meer zal
drinken van de vrucht van de wijnstok totdat die dag waarop ik die nieuw
zal drinken in het koninkrijk van God 26 en nadat zij de hymne gezongen hadden gingen zij uit naar de berg van de Olijven 27 en Jesus hun: gij allen
zult worden geërgerd, want er staat geschreven ik zal de herder
slaan en de schapen
zullen worden verstrooid 28 maar nadat ik zal zijn opgewekt zal ik
u voorgaan naar Galilea 29 maar Petrus al zullen allen worden geërgerd ik (zeker) niet
30 en Jesus zegt hem voorwaar ik zeg u dat gij heden in
deze nacht eer de haan tweemaal roept zult gij mij driemaal verloochenen 31 maar nog overvloediger zegt hij indien ik met u zou moeten sterven,
ik zal u niet verloochenen gelijkelijk zeiden ook allen 32 en zij kwamen bij het landgoed waarvan
de naam Getsemani en hij zegt tot hen zijn leerlingen
zit hier terwijl ik bid 33 en hij nam Petrus en Jacobus en Joannes
met zich en hij begon ontsteld te worden en
kreeg het benauwd 34 en hij zegt hun mijn ziel is zeer, tot
ter dood, bedroefd blijft hier en waakt 35 en een weinig voortgaande viel hij ter
aarde en hij bad dat dit uur - indien het mogelijk ware - aan hem voorbij zou gaan 36 en hij zeide: Abba, vader, alles is u
mogelijk laat deze drinkbeker
aan mij voorbijgaan maar niet wat ik wil, maar gij 37 hij komt en vind hen slapende en hij zegt tegen Petrus: Simon, gij
slaapt zijt gij niet sterk een uur
te waken 38 waakt
en bidt opdat gij niet in verzoeking komt de geest is gewillig maar het vlees
is zwak 39 en wederom
ging hij weg en bad dat woord 40 en wederom
ging hij en vond hen slapende want hun ogen
waren bezwaard en zij wisten niet wat hem te antwoorden 41 en hij komt ten derde male en zegt hun slaapt
[voor wat u] rest en rust het is afgesloten. het uur is
gekomen de zoon des mensen
wordt overgeleverd inde handen van de zondaren 42 staat op, laten wij gaan: zie hij die
mij overlevert is nabij gekomen 43 en gelijk
terwijl hij nog sprak verscheen Juda ten tonele een van de twaalf en met hem een schare met zwaarden
stokken vanwege de opperpriesters en de schriftgeleerden
en de oudsten 44 en hij die hem overleverde had hun een afgesproken teken gegeven
(zie Jes 5,26; 49,42;62,10) die ik zal kussen deze is het, grijpt
hem en voert hem veilig weg 45 en gelijk
komt hij en komt op hem toe en zegt Rabbi, en hij kuste hem 46 zij wierpen zich (hun handen)
op hem, en zij grepen hem 47 een van degenen die erbij stonden trok
zijn zwaard en sloeg de slaaf van de hogepriester en hieuw hem een oor af 48 Jesus antwoordde en zei hun als tegen een rover zijt gij uitgegaan
met zwaarden stokken om mij mee te nemen 49 dag voor dag was ik bij u in het heiligdom
en gaf onderricht en gij hebt mij niet gegrepen maar opdat de schriften worden vervuld
.... 50 en
allen lieten van hem af en vluchtten 51 en een zeker jongeling volgde met
hem die een linnen doek om zijn naakte
lijf had omgeworpen en zij grepen hem 52 maar hij liet de linnen doek achter en
vluchtte naakt 54 en Petrus volgde hem van verre
tot binnen in de hof van de hogepriester en hij was samengezeten met de knechten
en hij warmde zich bij het licht (hapax
bij Marcus) 55 de hogepriesters en heel het sanhedrin zochten getuigenis
tegen Jesus om hem te doden en ze vonden niet 56 want velen legden een pseudogetuigenis
af, maar deze getuigenissen waren niet gelijk 57 en sommigen stonden op en legden pseudogetuigenis
af: wij hebben hem horen zeggen: ik zal deze tempel, met handen gemaakt,
afbreken en in drie dagen zal ik een andere,
niet met handen gemaakt, bouwen 59 en ook zo was hun getuigenis niet gelijk 60 en de hogepriester stond op in het midden
en vroeg Jesus, zeggend antwoord gij niets? Wat getuigen zij tegen u? 61 maar hij zweeg en antwoordde niets wederom
vroeg de hogepriester hem en zegt hem zijt gij de christus de zoon van de
gezegende? 62 en Jesus zeide IK BEN en gij zult
zien de zoon des mensen zetelen ter rechter van de kracht en komen met
de wolken des hemels 63 de hogepriester verscheurt zijn kleren
en zegt wat hebben wij nog getuigen nodig? 64 gij hebt de godslastering gehoord wat schijnt u? en allen oordeelden hem des doods schuldig 65 sommigen begonnen hem te bespuwen, zijn
aangezicht te omhullen, sloegen hem met (hun) vuisten, en zeiden hem: profeteer en ook de knechten namen hem met hun
kaakslagen 66 en terwijl Petrus beneden in de hof is 67 komt een van de (dienst)meisjes van de hogepriester zij ziet Petrus zich warmen, zij ziet
hem aan en zegt hem: ook gij waart met die Nazarener. die
Jesus 68 maar hij ontkende en zei: ik weet niet(s),
ik begrijp niet wat gij zegt en hij ging uit, naar buiten, naar
de voorhof, en de haan riep 69 en het dienstmeisje zag hem en begon wederom te zeggen tot de omstaanders: deze is van hen 70 en
wederom ontkende hij en na een weinig zeiden de omstaanders
wederom tot Petrus betrouwbaar (zie Marc 15,39): gij zijt
van hen, want gij zijt een Galilaeër 71 en hij begon te vloeken en te zweren:
ik ken die mens niet waarvan gij spreekt 72 en gelijk
ten tweede male riep de haan en Petrus herinnerde zich het woord
dat Jesus hem had gezegd eer de haan tweemaal roept zult gij
mij driemaal verloochenen en hij ga zich over aan zijn wenen 1 en
gelijk ‘s morgens vroeg hielden de opperpriesters met de priesters
en de schriftgeleerden en heel het sanhedrin tezamen raad zij bonden Jesus en voerden hem weg,
en leverden hem over aan Pilatus 2 en
Pilatus vroeg hem: zijt gij de koning van de Joden? en hij antwoordt hem en zegt: gij zegt
(het) 3 en
de opperpriesters beschuldigden hem (zie Marc3,2) van veel 4 maar
Pilatus vroeg hem wederom en zei: antwoordt gij niets? zie van hoeveel zij u beschuldigen 5 Jesus
antwoordde niets mee, zodat Pilatus zich verwonderde (zie 15,44) 6 bij
gelegenheid van een feest liet hij gewoonlijk
één gevangene vrij degene waarom zij vroegen 7 en
er was een zogeheten Bar Abbas samen met opstandelingen gevangen, die bij een opstand een moord hadden
begaan 8 de
menigte ging op en begon te begeren zoals hij hun gewoon was te doen 9 Pilatus
antwoordde hun en zei wilt gij dat ik u de koning van de Joden vrijlaat? 10 want hij wist dat de opperpriesters hem
uit nijd hadden overgeleverd 11 de opperpriesters ruiden het volk op dat
hij hun veel meer Bar Abbas zou vrijlaten 12 maar Pilatus wederom antwoordde hun en zeide wat wilt ge dat ik zal doen met hem
die gij de koning van de Joden noemt? 13 maar wederom schreeuwden zij: kruisig hem 14 Pilatus zeide hun: wat heeft hij immers
voor kwaad gedaan? maar zij schreeuwden te meer: kruisig
hem 15 Pilatus wilde zich schikken naar de schare
en liet hun die Bar Abbas vrij en hij leverde Jesus over om -
nadat hij hem had gegeseld - om gekruisigd te worden 16 en de soldaten voerden hem weg in de hof,
dat is het Pretorium en zij riepen heel het cohort te zamen 17 en zij deden hem een purperen mantel aan zij vlochten een doornenkroon en zetten
hem die op 18 en zij begonnen hem te begroeten: verheug
u, koning van de Joden 19 en zij sloegen zijn hoofd met een rietstok
en spuwden hem en zij voelen op hun knieën aanbaden
zij hem 20 toen ze hem zo bespot hadden, deden zij
hem de purperen mantel uit en zij deden hem zijn kleren aan en zij voerden hem uit om hem te kruisigen 21 en zij dwongen Simon van Cyrene , die
voorbijging en van de akker kwam - de vader van Alexander en Rufus - dat hij zijn kruis zou opnemen 22 en zij voerden hem naar de plaats Golgotha,-dat
is vertaald schedelplaats,- en zij gaven hem wijn met mirre, die
hij niet nam 24 en zij kruisigden hem en zij verdeelden zijn kleren door
er het lot over te werpen wat eenieder zou nemen 25 en het was het derde uur dat zij hem kruisigden 26 en het opschrift van de rede van zijn
(schuld) was opgeschreven de
koning van de Joden 27 en met hem kruisigden ze twee rovers (zie
Marc 11,17) een aan zijn rechterzijde, en een aan
zijn linkerzijde 29 en zij die voorbijtrokken lasterden hem,
schudden hun hoofden en zeiden: ha! die de tempel afbreekt
en in drie dagen opbouwt 30 red u zelf en daal af van het kruis 31 gelijkelijk spotten de opperpriesters
onder elkaar met de schriftgeleerden en zij zeiden: anderen heeft hij gered
, zichzelf kan hij niet redden 32 laat
de Christus de koning van Israël nu afdale van
het kruis opdat wij zien en vertrouwen hebben en die medegekruisigd waren met hem
smaadden hem 33 en toen het zesde uur geworden was geschiedde er duisternis in het ganse
land tot het negende uur 34 en op het negende uur riep Jesus met grote
stem: Eloï,
Eloï, lama sabachtani: dat is vertaald: Mijn God, Mijn God waarom hebt gij
mij verlaten 35 en sommigen van de bijstaanders hoorden (dit) en zeiden zie hij roept Elia 36 iemand liep weg, vulde een spons met verzuurde
wijn plaatste die
op een rietstok, deed hem drinken, en zei laat af, en laten wij zien of Elia
hem komt afnemen 37 Jesus “nam afscheid” met een
grote stem en gaf de geest 38 en het voorhangsel van de tempel scheurde
in tweeën van boven naar beneden 39 toen de honderdman, die erbij stond, tegenover
hem zag dat hij zo de geest had gegeven,
zei hij betrouwbaar (zie 14,70) deze mens was
de zoon van God 40 er waren vrouwen van verre toeschouwende waaronder Maria van Magdala, en de
moeder van Jacobus de kleine en Joses, en Salome 41 die toen hij in Galilea was hem waren
gevolgd, en hem hadden gediend en vele anderen die met waren opgegaan
naar Jerusalem 42 en toen het avond geworden was - het was immers een voorbereidingsdag
- dat is de dagvoor de sabbat 43 kwam Joseph van Arimathea, een edelman,
een raadsheer die ook verwachtte het koninkrijk van God en hij waagde het in te gaan tot Pilatus en hij begeerde het lichaam van Jesus 44 en Pilatus verwonderde zich (zie Marc
15,3) dat hij reeds gestorven was en hij riep de honderdman en vroeg
hem of hij reeds dood was 45 en toen hij het wist van de honderdman
schonk hij het lijk aan Joseph 46 en hij kocht een linnen doek, nam hem
af, en wikkelde hem in de linnen doek en plaatste hem in een graf dat uitgehouwen
was in de rots en wentelde een steen voor de deur
tot het graf 47 Maria van Magdala, en Maria van Joses
schouwden toe, waar hij werd gelegd |