Vierde zondag
na Pinksteren
Sloten, 15 juni 1997 Ezechiel 17,22 – 24 2 Kor 5,6 – 10 Marcus 4, 26 -34 Er staan in de schriften hoge bomen, - die veel wind
vangen, - trotse bomen, reuze bomen: ceders, waarvan in de psalm geschreven staat
schriften geschreven staat dat de stem des Heren de cederen breekt, ja, de
Heer verbreekt de ceders van de Libanon (ps 29,5); en bij de profeet Zacharia staat het zo: Doe
uw deuren open, o Libanon, opdat het vuur uw cederen vertere. Huilt
gij dennen dewijl die heerlijke bomen verwoest zijn. (Zach 11,1 v.v.) Maar die trotste bomen worden in dienst genomen, tot
dienstbaarheid omgebogen, op maat gezaagd, zij worden de maat genomen naar de
maat van het heiligdom, om zo de glorie en de lof te zingen van de Heer van de
tempel. Zij worden verkleind om de vreugde uit te maken van het koninklijk paleis. Maar toch deze ceders kunnen hun trotse
verleden niet vergeten. Zij steken hun kop op, zij steken hun kruin
in de wind, en dan horen wij hetgeen wij gehoord hebben
in de eerste lezing volgens de profeet Ezechiel. Zo zullen alle
bomen van het veld weten, dat Ik de Heer, de hoge boom vernederd heb, en de nederige
boom heb verheven; de groen boom verdroogd, en de droge
boom bloeiend heb gemaakt. Ik de Heer heb het gesproken, en Ik zal het doen (Ex 19,24). Dit verhaal ver de hoge boom, over de trotse
boom horen wij, nu wij verder lezen in de parabels van het evangelie. Vorige week
hebben we het gehoord hoe Jesus in het schip gegaan is, het schip dat al klaar
lag sinds hoofdstuk 3 vers 9. Jesus zegt tot Zijn leerlingen dat een schip steeds
bij Hem zoude zijn, ter wille van de schare opdat zij Hem niet zouden verdringen.
Een merkwaardige opdracht! Aan het begin van hoofdstuk 4 is het
zo ver. Een grote schare vergadert zich bij Jesus, en zo, en daarom, gaat Hij
het schip in, en Hij zetelt op de zee,
en de gehele schare was
op het land, (in het land?) aan de zee. Dat is het decor van de parabels van Jesus.
Een merkwaardig decor. Want gezeten in, op de zee, lijkt Jesus zich niet te interesseren
voor de zee, Zijn parabels zijn niet ontleend aan de dagelijkse zorgen van de
vissers, - hoewel Zijn leerlingen toch vissers zijn, - maar Jesus kiest Zijn parabels
ogenschijnlijk uit het leven aan de wal, uit het landleven van Zijn dagen.
Zo lijkt het.
Maar bij nader toezien is daar wel wat op af te dingen. Geen enkele boer, ook geen boer in Jesus’
dagen zou zo slordig met zijn zaaigoed omgaan, geen enkele zaaier zou driekwart
van zijn zaaigoed verspillen, zeker gezien de moeilijke grond in Galilea! Jesus
heeft het niet over de landbouw, maar over de schriften. Hij weet van de bomen
en de vruchten, van het zaad en de belofte van het zaad van Abraham. Hij zetelt
op de zee met het veelbelovende land in zicht. Met het veelbelovende land in het
vooruitzicht. Dat land staat beschreven in de schriften. Van dat land staat geschreven:
en Isaak zaaide dat jaar in het land, en het droge honderdvoudige vrucht. Zo hebben
we het de vorige week ook inde parabel gehoord. Want het zaad is het woord van
God, en Gods woord is een zaad, de belofte aan Abraham,
en die belofte draagt honderdvoudige vrucht.
Daarom wordt doorgegaan in het evangelie dat wij vandaag hebben
gehoord; het koninkrijk Gods, is gelijk een mens die zaad in zijn akker wierp.
In de parabel wordt verteld van het geheim van het zaad, als de man slaapt en
weer opstaat, nacht aan dag, spruit het zaad uit, die mens weet niet eens hoe,
het is een wonder. Zo gaat het met Gods heerschappij, het breekt zich baan, en
wij weten niet hoe, wij kunnen het niet berekenen, wij kunnen het niet dwingen,
wij kunnen het niet forceren; het is als met de belofte gedaan aan Abraham en
aan zijn zaad. Abraham
is negentig jaar als hij de belofte Gods mag horen. HIJ zal een zoon krijgen. Maar dat is
toch belachelijk, een man van negen en negentig jaar. En merkt de schrift heel snedig op, Sara, zijn huisvrouw, gaat het niet
meer naar de wijze van de vrouwen. Er wordt dan ook wat afgelachen in dit verhaal.
Openlijk, en heel besmuikt. Maar wij mogen weten bij God is niets onmogelijk.
Zo staat het geschreven: en Abraham geloofde, vertrouwde op God, en dat werd hem
tot gerechtigheid gerekend. Maar als we dit zo horen, horen we ternauwernood de
helft van deze zin. Het lijkt wel of deze zin in shorthand, in steno, is geschreven. We mogen
het zo horen, onthutsend en wel: Abraham stelde al zijn vertrouwen op God met
betrekking tot zijn zoon, en zo kwam Abraham tot zijn recht. Hij stelde zijn vertrouwen
niet op eigen vermogen, op eigen potentie met betrekking tot zijn zoon, maar op
God. Dat is voor ons potente mannetjes moeilijk te aanvaarden .... Abraham, vertrouwt op God, met betrekking tot zijn zoon.
Moeten we zoon hier met een hoofdletter schrijver? Is Jesus niet de Zoon van Abraham? In
alle opzichten is deze zoon van Abraham een kind van de belofte, geen kind van
de berekening, laat staan een kind van de rekening. Dat is het geheim van het
zaad in het land, de belofte van vruchtbaarheid, een zoon in het veelbelovende
land. Nu we het toch over Abraham hebben.Wij kennen in onze taal de uitdrukking
van Abraham en de mosterd. Wij weten waar Abraham de mosterd haalt. Er wordt in
de parabel gesproken over het mosterdzaad. Een priegelig klein zaadje, een greintje
van niets. Maar
het wordt een boom, - een boom van een kerel!- een wonderlijke boom! Helaas, heeft
het mosterdzaadje niet veel van doen met Abraham en de mosterd. Mosterd is de oude schrijfwijze voor een takkenbos, een musterd, brandhout; het brandhout dat nodig was voor het offer
op de berg Moria, daar waar Abraham zijn zoon Isaak
hoog moet houden, moest verheffen door hem aan God op te dragen ... Abraham
wist waar hij die takkenbos moet halen, en het vuur; maar van het offerlam wist
hij niet: God zal erin voorzien (Gen 22,7). En zo zijn we weer bij het dorre hout, de dorre takkenbossen,
waarvan ook bij de profeet in de eerste lezing sprake is. God zal de groen
boom doen verdorren .... De lezing van de profeet begint met de
trotse ceder. God neemt een twijgje, onaanzienlijk van die hoge boom, en het zal
tot een heerlijke ceder worden, en de vogelen des hemels zullen zich daar veilig
kunnen nestelen. Maar die ceder kan dat niet uit eigen kracht, God heeft daartoe
uitverkoren. Het is zeldzaam dat er zo over ceder s gesproken wordt. Er wordt
door de profeet ook uitgevaren tegen hoge en verheven ceders van de Libanon, en
tegen alle eiken van Basan (Jes 2,13). Maar de geur
van die verheven bomen is niet weg te denken van de bladzijden van de schriften.
Als de jubel klinkt: Hoe goed zijn uw tenten Jacob, uw woningen Israël! Dan
wordt ook gehoord; gelijk de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren;
de Heer heeft ze geplant als de sandelbomen, als de cederbomen aan het water (Num
24,6) De geur van die bomen vervult het bruidsvertrek ... Maar doorgaans
komen andere bomen in aanmerking om de stille kracht van Gods heerschappij aan
te duiden. In psalm één wordt het duidelijk. Psalm één begint met die wonderlijke
zaligspreking. De hoorder
mag weten dat in het woord “zaligspreking” in het Hebreeuws de klank te horen is
van “schrede”, “voetstap”, het geluid van degene die voortgaat op de weg, de vertrouwde
klank op het pad des Heren. Zo wordt richting geven aan zijn leven. Hoe zalig
klinkt dat voor degene die vertrouwd is met het onderricht. Degene die zo voortgaat,
zo zijn schrede doet horen, is degene wiens lust is in het onderricht des Heren,
hij overweegt het onderricht. De woorden van het onderricht zijn op zijn lippen.
Wie ietwat vertrouwd is met de schriften, herkent hierin ook de beschrijving van
Josua, de knecht van Moses, zo staat hij immers beschreven in het eerste hoofdstuk
van het boek dat zijn naam draagt. Zo moet die
Josua ook wel beschreven worden, omdat hij het onderricht des Heren overweegt
dag en nacht; omdat het boek van het onderricht niet wijkt uit zijn mond, kan
hij de Jordaan door trekken, - droogvoets, - om zo de toegang te openen, te ontsluiten
tot het veelbelovende land. Hij is een boom van een kerel aan waterbeken geplant
boek, die vrucht geeft op zijn tijd. Die boom is een wonderlijke boom, hij lijkt
op Josua, en Josua kan niet anders beschreven worden dan in het beeld en gelijkenis
van die boom. Die boom heeft veel uitleggers te denken gegeven. Hiëronymus,
de vertaler van de schriften in het Latijn, heeft voor boom niet het eenvoudige
woord arbor gekozen.Hij heeft hier vertaald lignum hout zo kon die psalm gelezen worden in
de goede week, met betrekking tot het kruishout, het schandhout, hoonhout. En toen deze Hiëronymus de psalm
ten tweede male ging vertalen heeft hij van die boom niet alleen gezegd dathij aan waterbeken stond geplant, maar heeft hij van dat
hout gezegd dat het was overgeplant, getransplanteerd. Zo kan deze boom uit psalm een verwijzen naar
psalm tachtig. waar
zo over die boom gesproken wordt: gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht,
gij hebt de heidenen verdreven, en hebt hem geplant. Gij hebt de plaats voor hem bereid, en zijn wortelen doen inwortelen
zodat hij het land gevuld heeft .... Zo zijn de bomen parabels, en zo krijgen
wij zicht, en uitzicht op de beloften die God ons heeft toevertrouwd. Leert daarom
van de vijgeboom, en van alle andere bomen deze gelijkenis
.... en zoals de psalm zint: Heden, zo
gij Zijn stem hoort, wilt uw harten niet verharden, gelijk
ten dage van Massa en Meriba in de woestijn, daar hebben uw vaderen Mij verzicht,
- zij hebben gevraagd, tartenderwijs, is God in ons midden of niet, toen moest Ik
wel zweren zij zullen niet ingaan in de rust van het veelbelovende land. Dat wij die vraag niet stellen, niet tartend, niet wankelmoedigen zeker niet wanhopig, als mensen die geen hoop
hebben; maar mogen er mensen zijn om met ons broederlijk die hoop en die verwachting
te delen: zo geve God! Am*dam juni 1997 © Ben Hemelsoet Achtste Zondag na Pinksteren, Vijftiende zondag
door het jaar; Sint Lucas
- Osdorp 13 juli
1997 Amos 7,12
– 15; Ephese
1,3 –14; Marcus
6,7 -13 Eerlijk gezegd, het lijkt een wonderlijk ratjetoe
van teksten dat vandaag als lezingen worden gegeven. Een merkwaardig klein gedeelte
uit de profeet Amos, een hooggestemde zegening
uit de brief aan de kerk van Ephese, en een wat - op het eerste gehoor, -
iel stukje uit het evangelie van Marcus. De lezing uit het evangelie van Marcus
klinkt vreemd in onze oren. Er dwarrelen boze geesten
over het podium, er worden voorschriften gegeven, die - althans voor ons - allesbehalve
practisch lijken. De twaalf worden twee aan twee uitgezonden,
en Hij gaf hun macht over de onreine geesten. In onze oren moet dat wel vreemd
klinken. Wij zouden eerder verwacht hebben dat zij twee aan twee zouden worden
uitgezonden om het naderbij komen van het Koninkrijk te proclameren, en rond te
bazuinen. Maar niets daarvan: macht over de onreine
geesten. Het woord onrein vult vele
passages van het boek Leviticus, het middelste boek van de vijf boeken van Moses.
Dat is het boek dat in het Hebreeuws heet HIJ RIEP. Het spelt wat wij moeten doen
om te kunnen naderen tot God, hoe wij ons leven moeten inrichten om met een zuiver
hart tot God te kunnen komen, als een priesterlijk geslacht, een koninkrijk van
priesters. In het Hebreeuwse woord voor priester gaat de betekenis naderen
schuil. We horen de psalm wie
mag opgaan op de berg des Heren, wie zal kunnen staan in de plaats van Zijn heiliging?
Hij die rein van handen is, en zuiver van hart, die zijn ziel niet verheft tot
ijdelheid, en die niet bedrieglijk zweert. Hij zal zegen ontvangen van de Heer,
gerechtigheid van de God van zijn bevrijding. dat is
het geslacht van degenen die naar hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is
Jacob, Israël. (Psalm 24,3 - 6). De twaalf krijgen
de macht over onreine geesten, zij kunnen ze uitdrijven, en zo een volk bijeen
brengen op het enige gericht, op de zuiverheid gericht van de dienst aan God,
eredienst, en dienst aan de naaste, aan degene die het naast zijn, dienst die
onze hand weet te doen. Is dit dan toch
net de verkondiging van de nabijheid van het Koninkrijk van God, van Gods koninklijke heerschappij? Ja
zeker! Maar met de intensiteit van het heel concrete, van zuivere handen,
handen die niet gevuld zijn met list en bedrog, met bedrieglijkheden, handen
die geen vuist maken, en die geen schraperige klauwen zijn, niet bereid die doodsklap
uit te delen, integendeel, die bereid
zijn met open hand de naaste tegemoet te treden. De tekst uit de
psalm, die we zojuist gehoord hebben, speelt in de traditie een grote rol. Wij hebben goed geleerd om de vraag te beantwoorden wat is het grootste gebod
in het onderricht. We hebben leren zeggen Hoor Israël , de Heer onze God
is een enig Heer, uniek; gij zult de Heer uw God liefhebben,
met geheel uw verstand, met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en met al uw kracht.
Dit is het eerste gebod. En het tweede is daaraan gelijk Gij zult uw
naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod andere antwoorden gegeven, ook om
het concreter te maken, doeltreffender. Op de vraag naar het grootste gebod hebben
ze ook geantwoord met de woorden uit de psalm die we zojuist hebben gehoord. Want
hoe zouden we het juiste zicht op het huis des Heren kunnen houden als we niet
rein van handen waren en zuiver van hart ten opzichte van onze naaste? Daar komt
bij dat als we de woorden van de psalm op de lippen nemen dan hebben
we Jerusalem voor ogen, dan hebben we de berg van het huis des Heren in het vizier,
dan zijn onze ogen gericht op het einde. Zo staat het immers geschreven: Het
zal geschieden op het laatste der dagen, dat de berg van het huis des heren zal
vatgesteld staan op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven
de heuvelen, en tot die berg zullen alle volkeren opstromen. Vele volkeren zullen
heengaan, en zegge: komt laat ons opgaan naar de berg des Heren, naar het huis
van de God van Jacob, opdat Hij ons leren van Zijn wegen, en dat wij wandelen
in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en ‘s Heren woord uit Jerusalem.
(Jes 2,3-4). Dit heeft Jesus voor ogen als Hij de twaalf uitzendt en hun
macht geeft over de onreine geesten. Het zalig visioen
van vrede, Jerusalem! De blijde boodschap,
het evangelie van het Koninkrijk geldt immers Jerusalem. Als de profeet de blijde
boodschap mag verkondigen, als hij het uitroept: er is een blijde boodschap, dan
mogen we weten dat dat betekent dat God Koning is in
Sion! Wij dreigen dat nog al eens te vergeten. We spreken over de verkondiging
van het evangelie, en we vragen ons menigmaal ternauwernood af wat die verkondiging
wel mag behelzen. Als er alleen maar gezegd wordt; ik verkondig het evangelie,
moet er toch gevraagd worden wat is dat dan voor een blijde boodschap? Bij de
profeet staat het duidelijk geschreven: tot Sion wordt gezegd uw God is Koning
(Jes 52,7). Jesus is de drager van die blijde boodschap dat god Koning is in sion, daarom moet Hij ook optrekken naar die stad, en zal
Hij zich van die stad niet, nooit ofte nimmer kunnen laten scheiden. Als
Jesus de twaalf volmacht geeft over onreine geesten, dan is zoiets al eens eerder
te lezen geweest in de schriften. Bij de profeet Zacharia (moge
God hem gedenken). staat het zo geschreven: te dien dage zal er een fontein geopend zijn
voor het huis van David, en voor de inwoners van Jerusalem, tegen de zonde en
tegen de onreinheid. En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heer der heirscharen,
dat Ik uitroeien zal uit het land de namen der afgoden,
dat zij niet gedacht zullen worden, ja, ook de profeten, en de onreine geest, zal Ik uit het land wegdoen (Zach 13,1-2) Zo wordt het land gezuiverd, en met die
opdracht mogen de twaalf hun taak beginnen. Wee degenen die hun prediking niet
aannemen. Voor Sodom en Gomorra zal het dragelijker zijn
op de dag des oordeels! Terwijl de twaalf zo op de weg zijn, onderweg, wordt verteld hoe Herodes zijn
slag slaat, en de profeet Joannes de Doper onthoofd, en geen toekomst wilt schenken aan deze wegbereider, deze voorloper. We horen
dat niet voorlezen, ook de volgende week niet. Joannes is het slachtoffer van
koninklijke willekeur. We kennen het verhaal. Joannes heeft
de koning terecht gewezen, het is niet geoorloofd de vrouw van uw broeder te nemen.
Niet dat dit de ergste zonde zou kunnen zijn die mensen kunnen bedrijven, maar
het is wel een uiting van datgene wat een koning zich allemaal meent te kunnen
permitteren. Voor een koning van het slag van Herodes is niets
heilig, niet het geld en goed van zijn onderdanen, maar ook respecteert hij de
gegeven relaties niet. Hij meent boven de wet te staan. Nota bene op zijn
verjaardag. Daarom is het verhaal van de onthoofding van Joannes ook een anti-parabel,
een tegenparabel. De klassieke parabel luidt
immers: het koninkrijk der hemelen gelijkt op een koning die een bruiloftsmaal
geeft voor zijn zoon, - zo immers houdt hij de toekomst open; - maar het koninkrijk
der hemelen gelijkt niet op een koning
die zijn eigen verjaardag viert, en zo de profetie om zeep helpt, want hij leeft
alleenlijk op zichzelf gericht. Misschien kan op deze wijze nog een kleine plaats gegeven worden aan de lezing
van de profeet Amos, die wij als eerste lezing hebben gehoord. De woorden die
we gehoord hebben, zijn een gedeelte van hetgeen de profeet
tegen koning Jeroboam moet zeggen. De profeet moet aankondigen
dat Jeroboam door het zwaard zal sterven, en dat Israël
zeker uit zijn land in ballingschap zal worden weggevoerd. En wat gebeurt er?
Daar zet de profetenlezing van deze zondag in. De priester van het koninklijk
heiligdom zegt tegen de profeet; Gij ziener ga weg, vlucht naar het land van Juda,
en eet daar uw brood, en profeteer daar. Hier horen we de woorden waar de uitdrukking
“een profeet die brood eet” vandaan komen. Het heeft het te maken met de plaats
waar de profeet zijn brood zal verdienen, als balling, als een profeet waarnaar
niet geluisterd wordt in zijn eigen vaderland. daar
zullen ze geen boodschap meer aan hem hebben, en zeker de koning niet. Maar als
het de profeet onmogelijk gemaakt wordt om te profeteren, als er niet meer gewezen
wordt, verwezen wordt naar het onderricht en de woorden, de beloften van God,
dan zijn werkelijk alle verhoudingen zoek. De profeet zegt het op een wel heel
drastische wijze. Zo drastisch dat de liturgie commissie meende een kleine censuur
te moeten toepassen. Vers 17 van het zevende hoofdstuk van Amos wilde ze de gemeenschap
vandaag onthouden. Maar daarin staat hoe de verhoudingen
zoek zijn! Daarom zegt de Heer: uw vrouw
zal in de stad hoereren, en uw zonen en dochters zullen door het zwaard vallen;
uw land zal door het snoer uitgedeeld worden,
en gij zult in een onrein land sterven, en Israël zal voorzeker
uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd. Ook dit is een parabel, een anti-parabel, een tegenparabel,
het tegendeel van een parabel van het Koninkrijk. Hoe zien wij de prediking tegemoet
van het evangelie, van de blijde boodschap dat God koning is in Sion? Hoe houden
wij onze ogen gericht op Sion, waarvandaan onze hulp komt. En hoe steunen wij elkaar,
hoe reiken wij elkaar reine handen, , hoe bejegenen wij
elkaar met een zuiver hart, en hoe verhinderen wij dat wij onze ziel zouden verheffen
tot ijdelheid? Om maar te zwijgen dat wij ten opzichte van elkaar niet bedrieglijk
mogen zweren, niet bedriegelijk achter elkaars rug om
praten, fluisterend, besmuikt spreken. Zo zullen wij de zegen ontvangen van God:
zo geve God! Am*dam juni 1997 © Ben Hemelsoet (De
open ark) World without end .... World without end is een engelse uitdrukking
met een liturgische klank. Een uitdrukking die ten onzent
doorgaans wordt weergegeven als in (alle)
eeuwigheid. Maar ook dat woord heeft in het Nederlands de klank van “er komt
geen eind aan”, niet alleen aan deze) wereld, maar ook niet aan de (wereld)tijd.
Het is een eindeloze voorstelling waarvan wij ons onbegrensd geen voorstelling
kunnen maken. Maar het woord, het bijbelse woord, dat
wij weer zijn gaan geven door “eeuwigheid” is een gevuld notie, het is geen loze
oneindigheid, onvoorstelbaar eindeloos. De eeuwigheid waar in de schriften, en
in de liturgie sprake van is, is een eeuwigheid
die gemarkeerd wordt, die gedragen wordt door
de trouw van God. Het woord eeuwigheid heeft zijn markante kleur
gekregen in de strijd tussen de Pharisaeën en Sadducaeën, tussen hen die willen weten van de opstanding
van de doden en zij dat willen ontkennen, althans het in het midden willen laten;
tussen hen die willen belijden de trouw van God, Zijn weergaloze trouw tot over
de grenzen van het graf heen, en zij die voldoende menen te hebben aardse bestel,
die op God vertrouwen in dit wereldbestel, in deze wereldtijd. De Pharisaeën
hebben dat afgewezen, het kon immers niet waar wezen dat de machthebbers, zij
die het voor het zeggen hebben, altijd eeuwig het laatste woord zouden hebben.
Het kon toch niet waar zijn dat de martelaren voor niets gestorven zouden
zijn. Zo hebben de Pharisaeën, biddend een beroep gedaan op Gods weergaloze trouw,
op God die niet alleen Koning is in dit tijdperk, maar in de Koning zal zijn in
het tijdperk dat komen gaat. Zijn Koningschap duurt immers vanaf dit tijperk,
tot in het tijdperk dat komen gaat; vanaf deze eeuw tot de komende eeuw, van eeuwigheid
tot eeuwigheid, in der eeuwen der eeuwen, amen! De huidige lezer van deze woorden
kan het toenmalig dispuut ternauwernood in deze formulering
meer ontwaren. Maar hij/zij mag erin blijven horen de onvergankelijke getuigenis van Gods trouw, die niet laat
varen de werken van Zijn handen, die immers trouw houdt in dit tijperk en in het
tijperk dat komen gaat. Om alle misverstand te bezweren zijn
er Pharisaeën die gebeden hebben: van eeuwigheid tot
eeuwigheid, tot eeuwigheid; er kan geen misverstand mogen bestaan, er is op de
eindeloze trouw van God niets af te dingen, ook al gaat het ons verstand te boven. Lezen in de schriften is ook lezen in
een boek, je wagen in te lezen in een world without end.
Het is binnengaan in een wereld zonder einde. maar ook
deze wereld zonder einde, wordt gedragen
door de trouw van God! Daarom kunnen wij ons eraan toevertrouwen, en mogen wij
schuilen bij de woorden die
ons in Zijn trouw te lezen zijn gegeven! Marcus 8,27 - 9,1 De evangelist neemt ons mee naar Caesarea Philippi, de noordergrens
van het land, aan de voet van de Hermond, bij de bronnen van de Jordaan. maar het natuurschoon is geen voorwerp van nadere overweging.
Zelfs de psalm van de noordergrens, de psalm van heimwee in ballingschap
komt Marcus niet over zijn lippen:
Daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan
de Hermon, en het klein gebergte
(ps 42,7) En zelfs het bruisende water van de bronnen
van de Jordaan worden niet als verlevendigend décor opgeroepen
de afgrond roept tot de afgrond
bij het gedruis van uw watergoten .... Op de
weg .... welke
weg? Is dat de weg die wij al kennen vanaf het begin van het evangelie naar Marcus.
daar hebben we immers kunnen horen: Zie ik zend mijn
bode voor uw aangezicht die voor u de weg zal bereiden. Is dat de weg terug uit de ballingschap, de weg
die voert uit de slavernij van Egypte, de weg die wij mogen betreden om de dag
des Heren tegemoet te mogen gaan? En op die weg (waar gaan zij heen, waarheen
leidt die weg?) vroeg Hij Zijn leerlingen: wie zeggen de mensen dat Ik ben. Er
zijn uitleggers die menen dat we hier op het beslissende punt van het evangelie
zijn aangekomen. Eindelijk zal hier het hoge woord klinken. Alsof de lezer, -
wij - niet vanaf het opschrift van het evangelie naar Marcus hebben kunnen wie
Hij is. Wij willen het
antwoord van Petrus wel horen, maar - eigenlijk - doen we of dat antwoord allang
kennen, erger doen wij alsof we de antwoorden van de mensen niet nodig hebben;
die wij zijn immers al verder dab die mensen die in het evangelie worden vermeld. Maar we zullen
ons eens te meer de aanhef van het evangelie moeten herinneren. De bode Gods zou
de weg bereiden. En we is die bode Gods? Is dat Joannes de Doper of Elia, of één
van de profeten?
Want wie zal ons brengen in dat veelbelovende land, wie
zal ons voorbereiden op de dag des Heren, wie zal voor ons door het water van
de Jordaan heengaan, om zo de toegang te ontsluiten van het veelbelovende land?
Wat men van de antwoorden van de mensen ook vinden moge, het zijn antwoorden
die de weg openhouden, het uitzicht niet verduisteren. Duidelijker wellicht nog,
Jesus zegt niet tegen zijn leerlingen dat de mensen het bij
het verkeerde eind hebben. Dat de tijd gekomen is voor een helder antwoord, ondubbelzinnig,
een natwoord waarmee voor immer en altoos alle monden
kunnen worden gesnoerd, alsof wij aan Joannes de Doper, of Elia, of één van de
profeten geen enkele boodschap meer zouden hebben. Jesus vraag aan Petrus moet daarom ook niet als een tegengestelde
vraag worden gelezen. In het Grieks staat er dat woord maar niet, dat in de Statenvertaling te
lezen staat. Het antwoord van petrus moet veeleer in
het verlengde gelezen worden van hetgeen de mensen hebben gezegd. Petrus’ antwoord
“Gij zijt de Messias ....” kan onthutsend zijn, voor
wie meer zou willen horen. Maar wat is er meer te horen dan wat op grond van het
evangelie te verwachten is. De Messias is degene die gezalfde is door God, die aangewezen
is voor een koninklijk ambt, met het oog op een priesterlijke bediening, een profetisch
ambt. Het is het programma van God bij de mensen, de wijze waarop God present
wil zijn bij Zijn volk, in goede en slechte dagen ... En Jesus
is geheel en al de belichaming van dat programma. Hij mag geïdentificeerd worden
met dat programma. Zo wil hij bekend zijn aan degenen die het met Hem willen wagen.
De misverstanden liggen voor het grijpen.
Want als het hoge woord nu gezegd zouden zijn, dan zouden wij menen
over te kunnen aan tot de bekende (wan)orde van onze eigen dag. En Hij gebood
hun scherpelijk (zo de Statenvertaling) dat zij het niemand
zouden zeggen van Hem. Het eigen tijdsgewricht draagt er voldoende sporen van.
Wij hebben van het Messiaans programma een bijvoeglijk, een toegevoegd naamwoord
gemaakt, pasend bij alles waar wij het goed mee getroffen
hebben: christelijk ....
- al of niet met een K of een harde Ch
uitgesproken - (het zijn de resten van een letterlijke inspiratieleer: er staat
toch een Ch; zoals in Alleluja toch een u (uu)
geschreven staat in plaats van oe?) Zij kunnen er immers ook nog niets van
zeggen, want zo vervolgt de tekst: en Hij begon hun te leren dat de Zoon des Mensen veel moest lijden. Hier
horen we welhaast voor de eerste maal in het evangelie wat de inhoud is van de
prediking, van het onderricht van Jesus. En onmiddellijk
wordt het raadselachtig. Zonder voor aankondiging horen we Hem
spreken van de Zoon des Mensen. De Zoon des Mensen is al
eerder genoemd in het evangelie (Marc 2,10 en 2,28). De Zoon des Mensen heeft
de macht om zonden te vergeven in het land,
en de Zoon des Mensen is Heer over de Sabbat van
het land. Maar hier horen wij dat deze Zoon des Mensen moet lijden. Wie is
die Zoon des Mensen. Het is te eenvoudig te zeggen dat “Zoon des Mensen” gewoon
“mens” betekent. Als dat al zo zou zijn geweest, in het jargon van die dage, dan
heeft het Bijbels spraakgebruik daar verandering in aangebracht.
De uitdrukking Zoon des Mensen is eenvoudig in he Hebreeuws te vertalen Zoon=
Ben. en Mens=Adam. De peinzende Bijbellezer(es) kan zich
afvragen welke Zoon van Adam in aanmerking zouden kunnen komen. Want ook Adam
is die vader geweest waarvan geschreven had kunnen worden: een vader had twee
zonen ... De zoon van Adam, de Zoon des Mensen die hier allereerst in aanmerking
komt is Abel, die zoon, ogenschijnlijk niet meer dan een ademtocht, verwaaid als
de wind, omdat zijn broeder hem het licht niet gunde. En zo is Abel, deze Zoon
van de Mens, degene die de lange rij opent van al diegenen die het onderspit hebben
,moeten delven. Van Abel af gaat er een bloedspoor door de wereld, dat
om rechtvaardiging vraagt, om eerherstel ... En Jesus
zal in die voetsporen treden van die bloedsporen ... Petrus wil zich daar tegen verzetten.
Maar in dat verzet van Petrus blijkt dat het niet zo eenvoudig is om tegen iemand
te zeggen dat je weet wie Hij is. Want voordat je het weet ben je een Satan, alleen
maar bedacht op wat de mensen willen, en niet op wat God wil. In het evangelie
van joannes wordt gesproken over degenen wier vader
de Satan is, die mensmoordenaar van den beginne. Wil Petrus zo treden inde voetsporen
van Kaïn? Het is een huiveringwekkende passage die tot voorzichtigheid maant,
tot grote bescheidenheid, tot ingetogenheid, en zeker niet tot schreeuwerige onbescheidenheid
van eigen gelijk .... Marcus 9,(2
- 13) 14 -29 De verheerlijking op de berg Thabor, of zo men wil op een van de toppen van de Hermon, - zie de vorige pericope, wordt overgeslagen. De verheerlijking
op de berg is immers aan de orde op de tweede zondag van de Veertigdagentijd.
Dat is de Zondag die het dichtst bij de laatste zondag
van februari ligt. Het is de Zondag waarop het Oosten
het feest viert van de Orthodoxie. De overwinning wordt gevierd op de beeldenstormers,
die de Iconen uit de kerk wilden bannen. Meteen beroep op het verhaal van de verheerlijking
op de berg is verdedigd dat God zich verheerlijkt toont in Zijn zoon, te aanschouwen
voor Zijn getrouwen. Psalm 89,13
is verantwoordelijk voor de identificatie van de berg van de verheerlijking op
de Hermon of op de Thabor. Zo staat
er geschreven: Thabor en Hermon
juichen in Uw naam! In de pericope Marc 9,14 -29 is er twist
tussen de leerlingen van Jezus en schriftgeleerden. Jesus
verbleef op de berg. Er is een man, een uit de schare, die zegt: Meester, ik heb
mijn zoon tot u gebracht, die een stomme geest heeft ... De attente lezer zal
zich toch even toch even de episode op de berg in herinnering moeten roepen. Op
de berg heeft het geklonken: Dit is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem. Hier horen we ook van een
Zoon, maar deze zoon heeft een stomme geest. Hoe kan deze zoon gehoord worden
als hij niet kan spreken? Hoe kunnen zij gehoor geven an
deze zoon? Daarom wordt dit geslacht ook ongelovig
genoemd, - de enige keer in het evangelie naar Marcus. De aandachtige lezer
kan zich afvragen of de stomme zoon het ongelovige geslacht te weeg brengt, of
omgekeerd. Maar deze kleine aanwijzingen kunnen de lezer op het spoor brengen
om antwoord te geven op de vraag, waarom dit verhaal naast het verhaal geschreven
is van de verheerlijking op de berg. En sterker nog waarom deze stomme geest alleen
maar kan worden uitgedreven door bidden en vasten. Wordt de lezer zo ook niet
herinnerd aan de veertig dagen en veertig nachten dat Moses vastop berg Gods, verslonden
in het schrijven en herschrijven, overschrijven van het onderricht? En hoe Jesus
in gesprek is met Elia en met Moses ..... Marcus 9,30 - 37 Zij vertrekken vandaar, en trekken rond
door Galilea. Zeker niet doelloos, maar het doel blijft nog even verborgen. Dat
wordt pas duidelijk vanaf hoofdstuk 10. Jesus wil ook
niet dat iemand het wist. Het is ermee als met het bekend maken van Zijn Naam,
Zijn programma, Zijn Naam en Zijn programma kunnen niet van elkaar worden gescheiden,
de leer van Jesus kan niet tegen Zijn persoon worden
uitgespeeld. Hij leerde
Zijn leerlingen, en weer leert Hij - om zo te zeggen - zichzelf. En weer neemt
Jesus die programmatische titel op de lippen: de Zoon
des Mensen. Die titel is de naam die gegeven wordt aan allen die het voetspoor
hebben getreden van Abel, de Zoon van de Mens, van Adam, af. Die naam herinnert
aan de bedreigde situatie van alle broederschap in het land, op de aarde. We mogen
zingen: zie hoe goed is het, en schoon als broeders ook tezamen leven. Maar met meer bescheidenheid zou die psalm moeten
worden aangeheven: zie hoe goed zou het
zijn als broeders tezamen leven zouden ... Het komt niet
voor. Ja, een keer trekken broeders tesamen op. Het
zijn er dan ook zeven: de zeven Maccabese broeders,
die allemaal de marteldood sterven. De Zoon des Mensen zal overgeleverd worden
in (de) handen van (de) mensen. Zijn dat de mensen die Jezus hebben willen
identificeren als Joannes de Doper, of Elia, of die Hem hebben beschouwd als een
van de profeten? De dood van de Zoon des Mensen is geen ongrijpbaar
fatum, een blind noodlot.
Door (de) mensen wordt hij overgeleverd; mensen die meer bedacht zijn op wat mensen
willen, dan op wat God wil (vgl Marc 8,33). Huiveringwekkend
staat er vervolgens geschreven: zij vertonden dat woord niet, en zij vreesden
Hem te vagen. ook dit woord maant tot voorzichtigheid.
Wie zijn wij dat wij menen dat wij dit wel zouden begrijpen? We hebben de laatste jaren geleerd-,
door ervaring (!?) wijs geworden - dat we uitermate voorzichtig moeten omgaan
met de bijbelse woorden “oog om oog, tand om tand”. In menselijk
verhoudingen kan zulk een vergeldende “gerechtigheid” niet het laatste woord zijn.
(Als het dat zo ooit geweest is. De regel, - zo heet het, - is opgeschreven om
d juiste maat te betrachten. Een geldboete is uiting van deze milde rechtspraak.
Maar als de dood van Jesus in het geding is, zijn er
die nog immer in staat zijn de meest gruwelijk vergeldingstheorieën
naar voren te brengen. We horen dan van een Vader in de hemelen, die door de zonde
zo oneindig beledigd was dat Hij alleen maar door een oneindig offer kon worden
verzoend ... en zo hebben wij ons gemakkelijk, te gemakkelijk in de rol van toeschouwers
gemanoeuvreerd. De leerlinge vrezen Hem
te vragen, maar in stee daarvan blijkt in Kapharnaüm
waarover zij op de weg gesproken hebben!
op die weg zijn zij met elkander in woorden geweest,
wie de grootste zou zijn! Over een toeschouwersrol gesproken!
Met de woorden van de Zoon des Mensen in de oren, met de huiveringwekkend
geschiedenis van de broedermoord voor ogen, disputeren zij wie de grootste is;
wie om zo te zeggen de doodsklap mag uitdelen, omdat hij de sterkste is. Om het
onhoudbare van die situatie te doorzien, is er (altijd wel) een kind voorhanden,
dat kind maakt Jesus tot middelpunt, Hij omhelst het
... wie een van
zulke kinderen ontvangt in Mijn Naam, ontvangt niet mij, maar degene die Mij gezonden
heeft. Ook deze regel eist nauwkeurigheid. Deze regel kan niet beduiden dat wij
heersen kunnen over kinderen, en dat wij hen als alibi mogen beschouwen voor al
datgene waar wij geen zin (meer) in hebben; of al die dingen die wij te moeilijk
vinden .... Marcus 9,38 - 50 Dit is de laatste pericope van Marcus
vooraleer hij Jesus de weg in laat slaan, de weg ten
laatste naar Jerusalem. Het
laatste vers van hoofdstuk 9 leidt os naar het laatste vers van de profeet Jesaja.
De aandachtige lezer van het evangelie naar Marcus weet dat het
evangelie begonnen is met de eerste verzen van het troostboek van Jesaja (Jes
40). We kunnen zo gevoeglijk zegen dat boven de eerste negen hoofdstukken van
Marcus, het gehele troostboek van Jesaja staat gespannen. In de
synagoge heeft men weet van de verschrikkelijke verzen waarmee het boek van Jesaja
eindigt. daar
als de laatste woorden van het laatste vers van Jes 66 hebben geklonken: en zij
zullen alle vlees een afgrijzing wezen, herhalen ze
onmiddellijk het voorlaatste vers van hoofdstuk 66
en het zal geschieden
dat van de ene nieuwe maan tot de andere
en van de ene sabbat tot de andere
alle vlees komen zal om te aanbidden
voor Mijn aangezicht, zegt de Heer .... Ook Marcus heeft niet
met hoofdstuk 9,48 willen eindigen. En zo heeft hij gecomponeerd: Het zout is
goed, maar als het zout zoutloos
wordt, waarmee zal je het dan weer zout maken? Hebt zout
in u zelf en houdt vrede onder elkander. Hier is in het Latijn (in de oude vertaling
Itala) een interessant grapje gemaakt. Voor de (niet)
kenners: Sal
is zout in het Latijn. Van dat Sal heeft de Itala
een niet bestaande vorm gemaakt Salem, - dat klinkt
als sjalom, vrede. De tekst van Marcus gaat immers door
en hebt vrede onder elkander. Vrede op verschillende wijze gespeld, maar toch
vrede, krachtens die doop met vuur, dat gezouten worden met vuur .... Deze laatste verzen, wijzen weer terug
naar het gein van onze pericope.
Joannes meldt dat zij iemand hebben gezien die duivelen uitwierp in Uw
naam, maar hij volgt ons niet
...heeft Joannes dat gezien op de weg waarover in Marc 9,33 gesproken is? Maar nu blijkt waartoe de vrede
verplicht. Het uitdrijven van duidvelen is iet gebonden, niet afhankelijk van de vraag:
wie de grootste is; een
beker water zal zijn loon niet missen, Ook dat is niet afhankelijk van quasi-
gewichtige vragen. Als deze vragen tot ergernis leiden is het slecht gesteld met
de navolging van Jezus ... Door welke maatstaven worden wij geleid? Hebt zout in
u zelven, en houdt vrede onder elkander! Am*dam juli 1997 © Ben Hemelsoet Oecumenische viering
Spaandam, Negentiende zondag
na Pinksteren, 28 september 1997 Laatste zondag
van de vredesweek
Marcus
9,38 - 50 We kennen de leuze: vrede en gerechtigheid, We hebben gehoord vrede en broederschap.
Van veel verder weg is de drieslag tot ons gekomen: vrijheid, gelijkheid en broederschap.
Die drie vormden een politiek ideaal. Maar eenieder die iets weet van de geschiedenis van ons werelddeel
weet hoe snel de broederschap als politiek ideaal het onderspit heeft moeten delven.
Zo dat een zekere scepsis niet heeft ontbroken, zo niet cynisme, aan degene die
enkele jaren geleden een boek opendeed over de franse revolutie onder de veelzeggende titel: vrijheid, gelijkheid,
en de broederschap van Kaïn van Abel. Het is daarom ietwat merkwaardig dat de laatste
verzen van het negende hoofdstuk van het evangelie van Marcus officieel niet in het
leesrooster staan afgedrukt. de officiele lezing eindigt zo: indien uw oog u ergert
werp het uit, het i beter met een oog in te gaan in het koninkrijk Gods, dan geworpen
te worden in het gehenna, waar hun worm geen einde kent en het vuur niet wordt geblust. Maar de lezing vervolgt: Want alleman zal met vuur worden gezouten;
goed is het zout, maar als het zout zouteloos wordt, waarmee zal het op smaak worden gebracht? Hebt
zout bij uzelf, en brengt vrede onder
elkaar. Het blijft gissen waarom die laatste woorden eigenlijk
niet zouden worden voorgelezen. De laatste woorden van de worm die zonder
einde blijft knagen, en de woorden van het vuur dat niet zal worden geblust, zijn
letterlijk ontleend aan de laatste verzen van het boek
Jesaja. Ten laatste is het oordeel geveld. “Maar het komt, dat ik vergaderen
zal alle heidenen en talen, en zij zullen komen, en zij zullen mijn heerlijkheid
zien. Ik geef hun een teken, en hun overlevenden zend ik naar de heidenen, naar
Tarsis, Put, Lud en Mesek, Ros,
Tubal en Jawan naar de verre
eilanden, die mijn heerlijkheid nog niet hebben gezien, zij zullen mijn heerlijkheid
onder de heidenen verkondigen. dan brengen zij al uw broeders uit de heidenen mee, als een offer
voor de Heer ... naar de berg van Mijn heiliging Jerusalem, zoals de zonen van
Israël in rein vaten naar he huis des Heren brengen, zegt de Heer. en ook uit
hen zal Ik priesters en levieten kiezen, zegt de Heer. want zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde
die ik ga maken voor Mijn aangezicht blijven bestaan, godsspraak van de Heer,
zo zal uw zaad en uw naam bestendig zijn. van nieuwe maan tot nieuwe maan, van
sabbat tot sabbat zal alle vlees komen om te aanbidden voor Mijn aangezicht zegt
de Heer” Welk een visioen. Alle volkeren, joden heidenen, zullen komen om te aanbidden
het aangezicht des Heren: een wonderlijke broederschap.
Vrede alom, verzoening gesticht. Wie droomt daar niet van: dromen van vrede. Het
heeft zijn pendant in het evangelie van Mattheüs, als hij schrijft: als de zoon
des mensen komt en al zijn heiligen met hem, dan zullen alle volkeren voor hem
worden verzameld, één synagoge ... We moge ons verheugen op dat visioen, in dat
perspectief. Maar u weet dat op die verstrekkende belofte het verhaal volgt van
het laatste oordeel, dat er scheiding gemaakt wordt tussen schapen en bokken ..
en we houden onze adem in. Als dat vervolg niet in het evangelie zelf had gestaan,
zouden wij er nooit op gekomen zijn om dit verhaal te verzinnen. Het is duidelijk:
at verhaal wordt niet verteld om ons te vertellen hoe her er bij het laatste oordeel
aan toe zal gaan, integendeel: het verhaal wordt verteld om ons in te scherpen
dat het er bij het laatste oordeel niet zo aan toe hoeft te gaan. want de maatstaf is gegeven: wat gij aan de minste van Mijn broeders hebt gedaan,
at hebt ge aan mij gedaan ....Bij de profeet Jesaja doet zich iets soortgelijks
voor. Als die
glorieuze voleinding is geschilderd, lezen wij: wanneer zij naar
buiten gaan, zullen zij de lijken zien van de mensen die tegen Mij in opstand
zijn gekomen. Hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet geblust worden,
en zij zullen weerzinwekkend zijn voor alle vlees ... (Jes 66,18 -24) Moet zo
de poëzie van Jesaja eindigen, zo huiveringwekkend, zo afschrikwekkend? In de synagoge is het daarom gebruik
als deze tekst van Jesaja wordt gelezen onmiddellijk na het laatste vers van Jesaja,
het voorlaatste vers nogmaals te lezen. Dat voorlaatste vers dat dan niet als
een constateren moet worden verstaan maar als een oproep, om datgene te doen waardoor
de gruwel van dat laatste vers zijn dreiging kan verliezen. Want zo zal het geschieden:
zij zullen komen van nieuwe maan tot nieuwe maan, en van sabbat tot sabbat om
te aanbidden .... Er is ook op een nadere manier omgegaan
met de impasse die met deze tekst gegeven is In de Targum
de verklarende , parafraserende vertaling in het Aramees wordt dat laatste
vers van Jesaja, dat vers van die worm die knagen blijft zo uitgebreid: de boosdoeners
zullen worden geoordeeld in het gehenna totdat de gerechtvaardigde
zullen zeggen met betrekking tot hen: wij hebben genoeg gezien, het is genoeg
.....Maar Marcus geeft zijn interpretatie
aan, van die impasse waarmee de voorlezers in de synagoge hebben gezeten: hij
mijmert verder. hij mijmert door, op dat vuur dat niet
wordt geblust, en hij weet niet alleen van een vuur dat niet wordt geblust maar
ook van een reinigend vuur, en van het zout der wijsheid, de wijsheid die bederfwerend
is. Het tegengif tegen die eeuwig knagende worm. Want voor Marcus kan dat ook
het laatste woord niet wezen, niet in die zin dat alles sal reg kom,
of burgerlijker alles komt toch op zijn pootjes terecht, er is een weg gewezen
naar die voleinding, naar die voltooiing, naar die verzoening, het zuiverende
zout van de wijsheid, met de gloed van vuur, de gloed van de belofte. Daarbij
zijn wij geen buitenstaanders, geen toeschouwers, het is geen ideologie, geen
optimistische visie op de toekomst. Het is een wijs programma brengt vrede onder elkaar. Dat is de praktische
consequentie van van nieuwe maan tot nieuwe maan, van sabbat tot sabbat komen
om te aanbidden voor het aangezicht van onze God. Onze
dienst hedenmorgen is in alle opzichten een dienst van verzoening, een dienst
waarin we weten dat wij smaakmakers willen zijn omdat wij vrede onder elkander willen brengen: vrede, verzoening, omdat wij willen
weten dat de scheidsmuren (meervoud)niet tot in de hemel reiken, integendeel,
Christus zelf heeft de scheidsmuur (enkelvoud) afgebroken. Onze bijeenkomst hier
is toch geen voorbij waaiende herfststorm, van voorbijgaande aard, en dan zien
we in Januari wel weer verder. Het is een dienst om vrede
te brengen onder elkaar. Het kan toch niet zo zijn als in die advertentie voor
dat ene merk Ketchup, voortaan toch maar weer die andere ...welke andere? Onze
eigen liederen, de ons vertrouwde zetting van de psalmen, vasthouden aan eigen
liedboeken en randstedelijke bundels.
Keer op keer zoeken wat we gezamenlijk hebben, en ternauwernood iets van
elkaar leren. Zeker geen boos opzet! Want eens als de bazuinen klinken, eens,
ooit, nu nog niet, liever niet, - maar eens als de bazuinen klinken, heeft Tom
Naastepad ook gedicht:
als de graven openbreken
en de mensenstroom vangt aan
om de loftrompet te steken
en uw hofstad in te gaan
Heer, laat ons dan niet ontbreken
want de traagheid
grijpt ons aan Het is geen lied als een fata morgana, een luchtspiegeling,
maar een wenkend perspectief. In dat wenkend perspectief moet onze traagheid worden
bezworen, onze gezapigheid, ook onze kerkelijke gezapigheid. De laatste verzen
van het negende hoofdstuk van Marcus, zijn de verzen die Galilese
omwandeling van Jesus afsluiten, na deze verzen wordt de weg naar Jerusalem
ingeslagen, is Jerusalem het einddoel, de stad op berg die niet verborgen kan
blijven. Die laatste verzen schilderen hoe opgewekt wij die
weg naar Jersualem kunnen inslaan, - als de graven openbreken,
- en wij opnieuw geboren worden, om de loftrompet te steken, om uw stad in te
gaan (een kleine hommage van Thomas aan zijn geboortestad den Haag!) In
de katholieke doopliturgie wordt aan de dopeling ietwat
zout op de lippen gelegd. Er wordt bij gezegd: accipe sal sapientiae, ontvang het zout der wijsheid. Daarom kan
Marcus zeggen, hebt zout bij uzelven.
Zout in het Latijn is sal.
In de oude Latijnse vertalng staat te lezen habete salem in vobis. Een taalfout met voorbedachte
rade. Sal is onzijdig, een heeft geen veranderende
vierde naamval. Maar in dat woord salem horen wij zelfs nog het Hebreeuwse
šalom, en
zo laat de vertaler zout en vrede, “het verbond van zout” op elkander rijmen. Zo kunnen wij vrede brengen aan elkaar, zo overwinnen
wij de scepsis, van vrijhdeid gelijkheid, en de broederschap
van Kaïn en Abel. Tenminste als wij elkander hartelijk
de vrede brengen, daarom reiken wij hier elkander de hand als wij het gebed mogen
bidden, met ongesluierd gelaat, zonder bijbedoeling, met een verheven hart, het
zout der wijsheid op onze lippen, de vrede verkondigend, het gebed dat Jesus
ons heeft geleerd. Zo geve
God! Am*dam,
25 september 1997 © Ben Hemelsoet Twintigste Zondag na Pinksteren, Zeven en twintigste zondag door het jaar, Diemen 5 october 1997 Genesis
2,18 – 24 Hebr
2, 9 – 11 Marcus
10,2 - 16 Het is Kinderboeken week, het is bovendien Wereldkindermissiedag, en in het evangelie van vandaag horen
we de Pharisaeëen de intrigerende vraag stellen is het
een man geoorloofd zijn vrouw heen te zenden? Het zal allemaal wel niet met elkaar
te maken hebben! De Pharisaeëen, zo zegt Marcus, stelden
die vraag om Jesus op de proef te stellen, om Hem te bekoren.
De boze bedoelingen worden door Marcus gelijk aan de
kaak gesteld. De Pharisaeën stellen
deze vraag niet uit een burgerlijke belangstelling, niet uit een wijze, al of
niet behoudende verontrusting aangaande de verwildering van de zeden. De jongelui
van tegenwoordig die doen maar, dat hadden wij vroeger eens moeten proberen. De
Pharisaeën stellen die vraag
niet om van Jesus te weten te komen wat Hij daar nu
eigenlijk van vindt. Jesus zal er, zo kunnen we aannemen, in
het algemeen wel tegen geweest zijn, en wie niet? Scheiden doet lijden,
er is ook een teleurstelling in aanwezig, er is niet uitgekomen hetgeen voor enkele jaren zo vol vreugde en verwachting was
begonnen. Bij een echtscheiding blijkt dat mensen zich hebben vergist, in elkaar,
in het gezamenlijk leven. Daarom is deze tekst moeilijk,
als we niet van het begin af aan in het oog houden dat de Pharisaeën Jesus op het oog hebben,
zij willen Hem bekoren. Zij willen van het begin af aan geen oordeel over anderen,
zij willen iets te weten komen over Jesus zelf. Dat
is moeilijk, omdat wij op het eerste gezicht ook willen horen wat Jesus nu wel vindt van echtscheiding. Het kan niet zijn dat wij uit het antwoord van Jesus een argument zouden kunnen ontlenen om een oordeel over
anderen te vellen, om zelf buiten schot te kunnen blijven. Daarom
is het goed dat wij ook het eerste vers van dit hoofdstuk horen, om te weten bij
welke gelegenheid de Pharisaeën Jesus op de proef willen stellen. Marcus schrijft het zo: Hij vertrok vandaar en ging
op weg naar het gebied van Judea, naar de overkant van de Jordaan, en wederom
trokken vele scharen naar Hem, en volgens gewoonte gaf Hij hun wederom onderricht.
De goede verstaander weet dat Jesus in dat eerste vers
van dit hoofdstuk Galilea verlaat, om zich te wenden naar Jerusalem, om daar Zijn
lijden en dood te aanvaarden. Alle aandacht van Jesus wordt van nu af aan bepaald door Jerusalem. De evangelist
Lucas zal het zo zeggen: Hij richt Zijn aangezicht op
Jerusalem, Jesus is van dat moment een en al oog voor
die stad op de berg die niet verborgen kan blijven. Wij die iets van Jesus menen
te weten, weten van zijn liefde voor Jerusalem, hoe Hij hete tranen heeft geschreid
om die stad. Kortom hoe Hij niet heeft willen scheiden van die stad, hoe Hij niet
heeft willen scheiden van die stad. Ja hoe Hij zelf op de dag van Hemelvaart aan Zijn apostelen
de opdracht heeft gegeven niet te scheiden van Jerusalem. Wij weten hoe niets
Hem heeft kunnen tegenhouden. De Pharsiaeën worden door
Marcus hier geplaatst om hun verzoekende, bekorende rol te spelen, om dwarsliggers
te zijn, en om zo doende de onwankelbare trouw van Jesus
ten opzichte van Jerusalem, Zijn bruid in het licht te stellen. De Pharisaeën worden hier opgevoerd,
betreden hier het toneel om Jesus’ trouw te betuigen.
Zij komen met de ons bekende vraag: is het een man geoorloofd zijn vrouw heen
te zenden. Nu kan het nog duidelijker gezegd worden. Als het alleen maar een nieuwsgierige
vraag van hen was om te weten te komen wat Jesus eigenlijk
dacht van de (vele) echtscheidingen in onze dagen, hadden zij gemakkelijk een
ander moment kunnen uitzoeken. Maar de vraag moet blijven, waarom stellen zij
die tartende vraag uitgerekend nu Jesus resoluut de
weg in slaat naar Jerusalem, nu Hij zo vol trouw, onwankelbaar Zijn bruid tegemoet
wil treden? Het is niet zozeer datgene wat Jesus
leert aangaande de echtscheiding, als wel wat ons de vraag van de Pharisaeën leert aangaande de betrouwbare trouw van Jesus ten opzichte van Zijn stad! Jesus
verwijst naar het onderricht van Moses. Hoe zoude Hij
ook anders kunnen. Hij zelf is immers getrouw geweest aan het onderricht van Moses met geheel Zijn hart, geheel Zijn ziel, en al Zijn krachten.
Als de Pharsiaeën Jesus al
uit zijn tent willen lokken, zullen zij dat moeten doen met een beroep op het
onderricht van Moses. De Parisaeën
zetten hoog in.Moses heeft toegestaan een scheidsbrief te schrijven. Er blijkt dus
een mogelijkheid te zijn, zo op het eerste gehoor. Maar al diegene die vertrouwd
is met de schriften weet dat nog in het onderricht van Moses,
noch bij de profeten een verhaal gevonden wordt waarin een man een scheidsbrief
schrijft voor zijn vrouw. Moses heeft het toegelaten,
maar er is nergens een geval opgetekend
waarbij dit ook feitelijk is gebeurd.
Negens lezen we dat een zekere Joachim voor ene zekere Anna zo’n brief heeft geschreven, of een zekere Simon voor Miriam.
Nee, als de scheidsbrief al vermeld wordt bij de profeten, dan wordt die scheidsbrief
vermeld in verband met de trouw van God voor Zijn volk. God zegt: en laat die
scheidsbrief dan maar eens zien waarmede Ik u zou hebben verstoten, zo’n
brief bestaat niet eens. En een andere profeet durft het aan om zo te schrijven:
en als Ik al een scheidsbrief zoude hebben geschreven:Ik
verscheur die brief voor uw ogen. Nee, met die scheidsbrief maken zij geen goede
beurt. De lieve Heer heeft met die scheidsbrief niet als dreigbrief voor Zijn
volk geschreven, dat is niet alleen Zijn eer, maar bovenal Zijn trouw te na. En
als Moses die scheidsbrief als mogelijkheid toegelaten,
Jesus legt de onmogelijke mogelijkheid daarvan bloot.
Vanwege de hardheid van uw hart, vanwege uw versteende harten, vanwege uw harteloosheid,
dat eigengereide gecultiveerde eelt op ziel. Maar late we de tekst niet uit het
oog verliezen. Jesus is aangesproken, Hij spreekt voor zichzelf, Hij past
de teksten op zichzelf toe, en Hij maakt duidelijk dat de hardheid van het gemoed, de verstening van
het hart niet op Hem van toepassing is. Het beroep op de scheidsbrief die
Moses heeft toegelaten is een wel uitermate slecht gekozen
beroep op een tekst nu de betrouwbare trouw van Jesus
ten opzichte van Jerusalem in het geding is. De betrouwbare trouw van Jesus is het beeld van de betrouwbare God ten opzichte van
Zijn volk .... Daarom kan Hij aanhalen hoe het was in
den beginne. Hoe het was, en zou moeten zijn, als de trouw beleefd zou worden
in het beeld, en de gelijkenis van God. Nogmaals Jesus spreekt voor
zichzelf, Zijn verhouding tot Jerusalem wordt belaagd, Zijn trouw wordt op de
proef gesteld. Jesus doet hier geen algemene uitspraken,
als wij daarmede anderen zouden kunnen veroordelen. Hij blijft spreken voor zichzelf,
en voor Zijn bruid Jerusalem. Die band Jesus en Jerusalem, is door God gesticht, daar zal geen mens
een wig tussen kunnen drijven. Als zij thuis gekomen zijn, en de leerlingen vragen
Jesus daarover dan mogen wij weten dat het nog steeds
niet over een echtscheiding in het algemeen gaat. Ook
in de vraag van de leerlingen blijft de trouwe trouw van Jesus
het onderwerp van gesprek. Wie zijn vrouw verstoot en een andere huwt begaat overspel.
Lees: als Ik Jesus, Jerusalem zou verstoten terwille
van een andere bruid dan zoude Ik overspel begaan. We mogen hiervan leren hoe
trouw de trouw van Jesus voor Jerusalem. Wij zijn niet gewend zo te spreken over Jerusalem.
Als we al over Jesus spreken, en we willen iets van
Hem zeggen dan spreken we van Jesus van Nazaret, - hoewel
Hij in Betlehem is geboren, we noemen Hem nooit Jesus
van Betlehem! Maar als we zeggen Jesus van Nazaret,
dan mogen we weten dat we zijn naam maar ten halve zeggen, we noemen dan maar
de helft van Zijn Naam, want Zijn complete Naam luidt: Jesus
van Nazaret tot Jerusalem. HIj is perslot van rekening
van adel, Hij is uit het Koninklijke geslacht van David, en heeft derhalve recht op een dubbele Naam. Helaas zijn we daarmee
niet altijd vertrouwd gemaakt. Wij knipperen ietwat met de ogen als we in een
lied zingen: Jerusalem gij zijt de troost der schriften
... Jesus heeft Jerusalem getroost door Zijn onwankelbare trouw, Zijn betrouwbare
trouw. Die trouw van Jesus is zo weergaloos, zo onbeschrijfelijk,
zo verbazingwekkend, dat zelfs trouwe echtgenoten die trouw nooit zullen evenaren,
zij mogen weten dat hun trouw geborgen is in die barmhartige trouw die Jesus
Jerusalem is toegedaan; zij die het zogenaamd niet hebben gehaald zullen zich
in de barmhartigheid van Jesus’ trouwe betrouwbaarheid
mogen blijven koesteren. want ook hier geldt: niet om
te oordelen ben Ik gekomen. Het moet toch troostend zijn, dat als er gesproken
is van Jesus’ trouw voor Jerusalem, de evangelist niets
beter weet te doen dan de vruchtbaarheid van die trouw van Jesus te beschrijven: er worden kinderen tot Hem gebracht
... In de bescherming van Jesus’
barmhartige trouw, gaan
wij die gemeenschap met Hem vieren. Wij zullen bidden: let niet op mijn zonden, maar op die betrouwbare trouw
die Gij nog steeds deze
gemeenschap toedraagt, - ook in dit huis: zo geve God! Am*dam 2 october 1997 © Ben Hemelsoet [de open ark 11 september 1997 Markus 10] Marc 10, 1- 16 Met Marcus 9,50 eindigt
het eerste gedeelte van het evangelie volgens Marcus. Het begin van het evangelie van Marcus
is immers begonnen met een lezing van de profeet Jesaja, hoofdstuk 40: het begin
van het “Boek van Troost”: Troost, troost Mijn volk, of anders: Mijn volk, gij
kunt op uw beurt nu anderen troosten, want de Heer heeft
u troost geschonken, omdat Hij de gevangenschap van Sion heeft gekeerd. Wij kennen die psalm (126):
toen God de gevangenschap van Sion keerde,
waren wij gelijk degenen die dromen ... Of zoals het Liedboek zingt:
Toen God de Heer uit ‘s vijands macht
Sions gevangen weder bracht
en ons verlost’ uit nood en pijn
scheen het een blijde droom te zijn ... De woorden “Troost,
troost, mijn volk” klinken in het Latijn van Sint Hiëronymus
zo “Consolamini, consolamini,
popule meus” Toen deze geweldenaar
psalm 126 in het Latijn vertaalde heeft hij inde psalm niet de droom laten dromen,
maar hij heeft vanwege een geweldige Bijbelse samenhang ”vertaald”: waren wij
als getroost. Natuurlijk heeft hij geweten hoe hij “dromen” in het Latijn
zou hebben moeten vertalen, maar hij kiest voor “waren wij als getroost” om zo
deze psalm te lezen als een vervulling
van hetgeen in Jesaja 40,1 v.v. te lezen staat. Vertalenderwijs
heeft hij een Bijbelse samenhang vertaald, om zo te onderstepen
hetgeen Luther later zo zou zeggen
sacra scriptura sui ipsius interpres de schrift is van zichzelf de interpreet. Zo
wordt de samenhang in herinnering geroepen! Boeven de eerste negen hoofdstukken
van Marcus staat het troostboek van Jesaja gespannen, en vandaar
wil Marcus aan het einde van hoofdstuk 9 de laatste verzen in herinnering roepen
van het tweede gedeelte van Jesaja. Die troost overheerst, en als die troost tot
het einde is gespeld, kan ten einde raad Jerualem in
het vizier komen, krijgt de lezer uitzicht op die stad die niet verborgen kan
blijven. Die prophetische
samenhang gaat ietwat verloren, als in onze Bijbeluitgaven geschreven staat Over de echtscheiding. (Statenvertaling,
Lutherse vertaling, Willibrordvertaling ‘98 de Lutherse vertaling heeft als titel De heiligheid van het Huwelijk. NBG ‘51 alleen heeft: Naar Jerusalem.
Gesprekken op de reis) Het ligt ogenschijnlijk voor de hand
om deze pericope zo te benoemen, maar dat gaat wel ten koste van veel Bijbelse
vroomheid. Het grote gevaar dreigt dat zo deze pericope alleen gelezen wordt met
het oog op de vraag: wat leert Jesus aangaande de echtscheiding?
Dat Jesus voor de echtscheiding zou zijn ligt immers
niet voor de hand. Maar op die manier lopen we het grote risico dat we ons niet
meer verdiepen in de vraag waarom deze vraag aangaande de echtscheiding uitgerekend
op deze plaats in het evangelie wordt aangetroffen. We hebben ternauwernood geleerd
dat de exegetische vraag niet alleen maar is wat
staat er? maar ook waarom staat
het er zo, en niet anders? en nog minder om ons af te vragen waarom staat het op deze plaats? Deze laatste vraag is van groot belang vanwege
de Bijbelse samenhang van het evangelie van Marcus. Het gaat niet aan om alleen
maar te vragen hoe waren de opvattingen in het eigentijdse milieu van Jesus,
en hoe stelt Jesus zich op in dat debat. We zullen moeten
leren de vraag anders te stellen. Het gaat er niet alleen om te vragen wat leert
Jesus aangaande de echtscheiding, maar veeleer om de
vraag: wat leert de verzoekende vraag van de Pharisaeën
aan Jesus ons omtrent Jesus zelf.
De Pharisaeën verzoeken Jesus-en-zijn-verhouding-tot-Jerusalem. Anders gezegd is Jesus met een beroep op de schriften bereid een scheidsbrief voor Jerusalem te schrijven.
Wil Hij Jerusalem, Zijn bruid heenzenden, wil Hij zo bezwijken aan
die Pharisese verzoeking? Wil Hij zo afzien van op te
gaan naar Jerusalem; maar hoe zou dan troost gebracht kunnen worden aan die stad;
hoe zou dan aan Sion verkondigd
kunnen worden: uw God is Koning. Wat zou ervan het evangelie terecht zijn gekomen:
het Koninkrijk is nabij gekomen? Is dit geoorloofd? De
scheidsbrief moet niet als een sociologische phenomeen
in Israël. Nergens in de schriften wordt een verhaal verteld waarin een Joodse
man, aan voor zijn Joodse echtgenote een scheidsbrief zou hebben geschreven, ondanks
hetgeen in Deuteronomium 24,1. De scheidsbrief komt tweemaal
voor bij de profeten. De eerste maal in Jesaja 50,1 v.v:
Waar is de scheidsbrief van ulieder moeder,
waarmee ik haar heb heengezonden .... In Jeremia 3,8 v.v
luidt het zo:
en Ik zag als Ik ter oorzake van
alles
waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had
haar verlaten
en haar een scheidsbrief
gegeven had
......... maar zo luidt het in vers 17 [zij hebben zich
bekeerd} en derhalve:
te dier tijd
zullen zij Jerusalem noemen: des Heren
troon,
en al de heidenen zullen
vergaderd worden,
om des Heren Naams wil te Jerusalem
en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun
boos hart! De scheidsbrief dient om de verhouding
van de Heer tot Zijn volk aan te duiden. De scheidsbrief kan niet definitief zijn.
De scheidsbrief is een metaphoor om de
onmogelijkheid van een scheiding van God en Zijn volk te onderstrepen. Het komt
mij voor dat Paulus erop zinspeelt als hij in Kolosenzen
2,14 schrijft: “hij heeft het handschrift
met al haar bepalingen die in ons nadeel was, en tegen ons getuigde verscheurd.
Hij heeft haar
uit ons midden weggenomen en aan het kruis genageld”. Deze beelden worden, - naar het mij voorkomt,
- node gemist in het huidige debat aangaande de verzoening, een debat dat niet
zozeer wordt beheerst door Bijbelse noties als wel door een de kramp van een theologische
beklemming. Pharisaeën komen toe, als Jesus
naar gewoonte zijn onderricht geeft, als Hij definitief de richting naar Jerusalem
is ingeslagen. Dat is het geschikte moment om Jesus
te verzoeken, zijn relatie tot bruid Jerusalem te beproeven. Het blijkt dat niets
Jesus van Jerualem zal kunnen
scheiden, zelfs geen beroep op de scheidsbrief. Het wordt duidelijk Moses heeft dit geschreven met het oog op de hardheid van
hun gemoed; maar dan is het wel tekenend dat de schriften geen enkel verhaal vertellen
waar die hardheid van gemoed tussen man en vrouw aan de orde komt. (Voor alle duidelijkheid: er is er een die overweegt zijn bruid in
stilte heen te zenden; dat staat te lezen in Mattheus 1. Joseph wil haar
niet in stilte verlaten: hij wil haar heimelijk heen zenden. En op de dag van Hemelvaart
zegt Jesus tegen Zijn leerlingen dat zij niet mogen
scheiden van Jerusalem; zij mochten
wel trouwen, maar niet scheiden van Jeruzalem, met die stad zijn zij getrouwd). In de verantwoording van
Jesus met een beroep op de eerste bladzijden van Genesis
wordt duidelijk, blijkt dat de verhouding van man en vrouw gemeten wordt, afgemeten
wordt aan de verhouding van Jesus en Jeruzalem, niet
omgekeerd. Als Paulus in de brief aan de Ephesiërs schrijft
dat de man het hoofd van de vrouw is, sanctioneert hij daarmee niet burgerlijke
omgangsvormen. Want ook voor Paulus is duidelijk dat de man die het hoofd van
de vrouw zou zijn, zich moet laten leiden door de verhouding van Christus ten
opzichte van Zijn gemeente; in genen dele is er reden
to besmuikt gegniffel als deze tekst wordt voorgelezen
in de gemeente. Wie haalt de weergaloze trouw van Jesus voor Jerusalem, wie kan zich meten met Zijn liefde voor
Zijn gemeente? Wat God samengevoegd heef is allereerst
de bruidsverhoudng van Jesus
tot Jerusalem, daaraan moet alle spreken over trouw en ontrouw
worden getoetst. Daarom kan de positie van Jerusalem niet genoeg worden onderstreept. Biddend wordt dat onderstreept:
Erbarm u over de stad, die u is toegeheiligd, over Jerusalem de plaats van Uw rust. Vervul
Sion met de roem van Uw daden, en Uw heiligdom met Uw heerlijkheid (Sirach 36,15
-16) Zo kunnen
kinderen tot Jesus worden gebracht, want de liefde van
Jesus voor Jerusalem blijkt vruchtbaar, en al zijn kinderen
zijn hem welkom, hi heet hen hartelijk welkom, hij omhelst,
en hij wil niet dat iemand die stroom van kinderen doet stokken. Wie het koninkrijk
niet aanvaardt als een kind, dat is ook wie het koninkrijk niet aanvaard als een
vrucht van de liefde van Jesus voor Zijn bruid, Zijn stad. Dat zullen ouders hun kinderen
moeten leren. De status van het kind is, zoals daar
in het evangelie over gesproken wordt is geen geboorterecht, is niet met de geboorte
gegeven. De status van het kind wordt openbaar als de innige verhouding van Jesus
en Jerusalem aan het licht gekomen is, als Jesus de
tartende verzoeking van de Pharisaeën heeft weerstaan. Het gaat niet om de onweerstaanbare
onschuld van een kind, het gaat om de niet te stuiten aantrekkingskracht van Jesus
voor Jerusalem, Zijn geliefde. In die liefde houdt de onbevangenheid van groot
tot klein stand, een onbevangenheid die niet mag slijten, die niet kan slijten
met het klimmen der jaren. Zo zij ons alleen de handen opgelegd. Daarom moge kinderen
in ons midden staan, niet vanwege kinderlijke onbevangenheid in
het algemeen, maar vanwege de weg die daar gewezen wordt naar de allesomvattende
liefde van jesus voor Zijn gemeente, die thuis is in
Jerusalem! Marcus 10, 17- 31 Hetgeen nu volgt, volgt nog steeds uit de vruchtbare
verhouding van Jesus tot Jerusalem. Zij brengen kinderen
tot Hem ... Daarom wordt er met zoveel nadruk weer gesproken over het Koninkrijk
Gods (vers 14; 15; 23; 24; 25 en kan in vers 32 worden vervolgd met de naam van
de bruid: Jerusalem. Een jongeling loopt hem tegemoet, als Jesus
voortgaat op de weg (naar Jerusalem). De weg is de weg die door de liefde van Jesus voor Zijn bruid wordt gedicteerd! De evangelist zegt
het nog scherper op die weg loopt een jongeling hem vooruit. (Een van die kinderen? Overmoedig,
enthousiast?) Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven erfelijk
te bezitten? Voor alle duidelijkheid: erfelijk bezitten is deel hebben aan de
beloften die gedaan zijn Abraham en aan zijn zaad. Erfelijk deel hebben op een betrouwbare wijze,. betrouwbaar tot in eeuwigheid!
Dat is ook: welke weg moet ik bewandelen. Het spel van de evangelist is wonderlijk:
Jesus gaat voort, Hij trekt uit op de
weg, en de jongeling loopt Hem vooruit op die weg, en vraagt naar die weg.
Vraagt die jongeling, in de setting van het verhaal niet naar de bekende
weg? Hij kent toch de geboden? oor een goed verstaan,
en ten overvloede: de geboden zijn niet alleen maar du sollst, je
moet. De geboden zijn ook beloften!! Ik ben de Heer, uw God die u uit Egypte hebt bevrijd, als jullie het
met mij willen wagen, dan zullen jullie komen in een land waar je niet meer hoeft
te stelen en te bedriegen, waar relatie worden gerespecteerd, en niet valselijk
wordt gezworen, waar de jalousie is uitgebannen. De jongeling durft te
zeggen dat hij dat verlangen heeft gekoesterd vanaf zijn jeugd. Heeft die jongeling
zijn kinderlijke onbevangenheid bewaart vanaf het prille begin, of meent hij dat
jeugdige onbevangenheid voldoende is? Heft hij de geboden alleen maar gezien,
gehoord als datgene wat voorgeschreven is, en heef hij de beloften daarin niet
ontwaard? Heeft
hi toch een niet geheel en al complete voorstelling
van de ver-strekkende beloften die met de geboden zijn
gegeven? Hij moet
aan de armen geven. want hoe is het gesteld met iemand
die de armen niet ziet staan. Wat is het voor een rijke die zegt: die zegt: ik
ben rijk, ik heb me verrijkt, en ik heb niets en niemand nodig? (Openbaringen
3,17). heeft hij weet van wat het zeggen wil: indien
uw broeder arm gemaakt geworden is onder u ... (zie Deut 15,7 v.v)
De arme in de schriften is een van onze broeders, die door
gebrek aan broederschap arm gemaakt is .... (vgl. Vrijheid, Gelijkheid, en de
Broederschap van Kaïn en Abel) Bevond die
jongeling zich wel op die weg, of was hij gezeten, wel gesteld en wel voorzien?
het verhaal van de rijke jongeling is de noodzakelijk
evangelische correctie op ons optimisme:
zo gij niet word als kinderen ...Die jongeling had namelijk zo veel, dat hij aan
om zich heen kijken niet eens toegekomen. De evangelist merkt het fijntjes
op: Jesus keek om zich heen (vers 23) ... Wat is het
toch moeilijke voor rijken om het Koninkrijk binnen te gaan. Het is net zo moeilijk
als de spreekwoordelijk kameel door het oog van de naald.
De vrome phantasie heeft zelfs een poort in Jerusalem
geconstrueerd, zo smal dat een hoog bepakte kameel van al zijn last moest worden
ontdaan om door die poort heen te kunnen gaan. Misschien
ligt aan dit verhaal het feit ten grondslag dat de ingang van de kerk van de geboortekerk
in Bethlehem zo klein is dat men er niet hoog te paard gezeten kan binnengaan.
Maar ondanks dit: het beeld is helder, het spreekwoord ook. En een ieder moet
zich met de leerlingen afvragen: we kan dan gered worden? Zou Petrus het hebben
begrepen, die zo overtuigend weet te zeggen dat zij alles hebben verlaten? Kent
hij de consequenties ervan met de vervolgingen? Jesus
doet hem de belofte van honderdvoud ....We kennende uitdrukking van een honderdvoudige
oogst uit de parabel van de zaaier, maar ook uit het verhaal van de zoon van Abraham
die in dat jaar in het land zaaide, en droeg honderdvoudige vrucht (Gen 26,12)
In het Hebreeuws staat er Me’a Še’arim dat ook gelezen kan worden als honderd poorten,
de naam van de Orthodoxe wijk in Jerusalem. De vervulling van alle beloften
gedaan aan het zaad van Abraham . Een van de Aramese Targums leest als verklarende paraphraserende
vertaling: Isaak zaaide in dat land ter
wille van de aalmoezen en hij oogstte in dat jaar honderdvoud, evenveel als hij had geschat. De toevoeging
van de aalmoezen geeft hier te denken, mag ons ook te denken geven. Marcus 10,32 -45 Misschien moet Marcus 10,32 maar zo vertaald
worden: en zo waren zij opgaande naar
Jerusalem. Zij gaan op met al die verlangens, met al die vermeende zekerheden,
en Jesus ging voor hen uit. En zij waren verbaasd;
zij volgden Hem, en waren bevreesd. Dan
volgt wat wij doorgaans (doorgaande naar Jerusalem) een
lijdensvoorspelling noemen. Jesus zegt
wat de Zoon des Mensen zal overkomen. Waarom hier weer die mysterieuze titel?
Waarom wordt hier weer de herinnering aan die Zoon van de Mens, de Zoon van Adam:
Abel in herinnering geroepen, het eerste slachtoffer van broedermoord. (IJdelheid
der ijdelheden, en alles is ijdelheid ... dat kan ook gelezen worden als Abel,
en al maar Abel, alles is Abel ....) Zij zullen met die Zoon van de Mens, met
zie Zoon van Adam, die Abel doen wat zij willen (vgl
Marcus 9,13) Jacobus en Joannes komen op Jesus toe. hebben zij niet gehoord
wat Jesus gezegd heeft over het lot van de zoon des mensen? Komen daarom twee broeders naar
Jesus? Welke broederschap vertegenwoordigen die twee? Zij willen
rechts en links zetelen als Jesus komt in Zijn heerlijkheid.
De lezer(es) weet wanneer er weer geschreven zal worden van rechts en links in
het evangelie. En zij kruisigden met hem twee boosdoener, een ter rechter- en
een ter linkerzijde. Daar kunnen wij lezen wat die twee
broeders hebben gevraagd (en zij wisten het niet ...) Hebben zij niet begrepen, wat wij wel
zouden hebben begrepen hoe het er temidden va de machthebbers van deze wereld
aan toe gaat? Wie onder u groot wil wezen, hij moet uw dienaar zijn ..... Marcus 10,46 - 52 Wie kan wat er in het voorgaande verteld
is doorschouwen? Een blinde die voorbij Jericho land de weg zit te bedelen. Hij slaat de goede
toon aan. Hij roept Jesus zoon van David eleison ..... Hij roept om barmhartigheid,
en vanuit die roep om barmhartigheid, om ontferming. Hij ziet, hij doorziet het
geheim van de zoon van David, en hij volgde Jesus op de weg naar
Jerusalem ... Die roep om
ontferming is door de omstaanders niet tot zwijgen te
brengen. Die roep om ontferming wordt gehoord. Zo blijkt ook de weg van jesus
een weg van ontferming te zijn. Am*dam 11 september 1997 © Ben Hemelsoet Twee en twintigste
zondag na Pinksteren 29ste door het
jaar Diemen, 19 october 1997 Jesaja 53,10 -11 Hebr 4,14 -16 Marcus
10, 35 - 45 We vervolgen vandaag de lezing volgens Marcus. Vervolgen? Nu ja, we slaan
wel wat over. We horen niet dat Jesus op weg is naar
Jerusalem, en dat hij daar aan de heidenen zal worden overgeleverd. Misschien
is de eerste lezing, een luttele verwijzing naar het 53ste hoofdstuk van de profeet
Jesaja nog een kleine herinnering aan. Maar vandaag horen we hoe de zonen van
Zebedaeüs, Jacobus en Joannes, die twee gebroeders,
die hun vader en het schip en de huurlingen verlaten, en Jesus volgen. Die twee zijn erom zo te zeggen van het begin
af aan bij(geweest). Zij hebben alles gehoord wat de evangelist Marcus tot nu
in het evangelie heeft willen laten horen, zij zijn op de hoogte. Zij hebben ook
gehoord hoe Petrus heeft gezegd, vol trots en overmoed: zie Heer, wij hebben alles
verlaten en zijn u gevolgd. Zij hebben ook gehoord dat Jesus dat triomphalistische heel
fintjes tot ware proporties terugbrengt. Zeker zij zullen het honderdvoudig terug
ontvangen nu in deze tijd, zij het temidden
van vervolgingen, en in het toekomeden tijdperk het betrouwbare leven. Maar
eveneens heel fintjes, er zullen velen eersten de laatste zijn, en laatsten eersten
.... Voor een goed begrip ook Petrus was een van de allereerste.
Blijkbaar niet gehinderd door de waarschuwing van Jesus
melden zich nu de zonen van Zebedaeüs. De evangelist
heeft hen ooit in zijn evangelie als zonen van de donder, als donderstenen getypeerd
(Marc 3,17). Of dat erg lovend moet worden verstaan, zullen we hier maar in het
midden laten. Maar
erg onder de indruk van hetgeen Jesus tot Petrus heeft gezegd zijn zij blijkbaar niet. Zij
gaan recht op hun doel af, niet gehinderd door enige bescheidenheid, laat staan
gehinderd door enige Bijbelse kennis. Zo beginnen zij: Meester wij willen dat
datgene, wat wij ook van u begeren,
gij voor ons doet. In de nieuwe Willibrordvertaling wordt het
veel en veel te beleefd vertaald: Meester, we willen u vragen iets voor ons te
doen. U hoort het, de zonen van Zebedaeüs blijven netjes.
Maar ze hebben het veel ongegeneerder gevraagd. “Dat
moet u nu maar een voor ons doen”. En Jesus blijft beleefd
.... Wat wilt gij dat ik voor
u doe? De onthutsende vraag luidt: geef ons dat wij mogen zitten, de een aan u
rechter- de ander aan uw linkerhand in uw heerlijkheid. Hebben die twee dan niet
gehoord (wij ook niet!) dat Jesus in Jerusalem ter dood
zal worden veroordeeld, aan de heidenen zal worden overgeleverd, dat Hij zal worden
bespot? Zij zullen Hem geselen, Hem bespuwen, en Hem doden, ten derde dag zal
Hij weder opstaan. Wat hebben die dekselse jongens van
deze lijdensaankondiging verstaan. Een overspannen verwachting van de opstanding
van de doden? Het lijden en de dood als een te verwaarlozen incident? Zij spreken onomwonden van de plaatsen
ter rechter- en ter linkerzijde als Jesus komen zal
in Zijn heerlijkheid? De
allerbeste plaatsen! Er is een Nederlands spreekwoord: je kun
toch wel dansen als is het niet met de bruid. Wij die
weten hoe het evangelie afloopt,- wij hebben immers het evangelie gehoord, - weten
uiteindelijk wat het betekent zetelen aan de rechter- en de linkerzijde. Zo staat
het immers geschreven in het evangelie van Marcus: en met Hem kruisigden zij twee
kruisigden met Hem twee rovers een
aan zijn echter- en een aan zijn linkerzijde. Wij weten dat, en
de evangelist wil ook dat wij dat weten. Daarom klinken de woorden van Jesus,
nu we dat weten, onheilspellend: Gij weet niet wat gij
begeert. wij begrijpen die woorden van Jesus als wij
de evangelist hebben gehoord aangaande de kruisiging van Jesus.
Zij weten niet hoe huiveringwekkend het is wat zij vragen. De heerlijkheid van Jesus. Staat er niet geschreven bij de profeet: Hij had geen
gedaante noch heerlijkheid toen wij Hem aanzagen. Er was in Hem geen gestalte
die wij zouden hebben begeerd. Hij werd veracht en was de onwaardigste van alle
mensen, een Man van smarten, op de proef gesteld in zwakte, en iedereen verborg
zijn aangezicht voor Hem. Wij hebben Hem veracht,
Wij
hebben Hem niet geacht .... en laten wij niet
te snel zeggen dat dat niet op ons van toepassing. Dit wordt niet gezegd om ons in een hoek te drukken, niet om ons aan
te klagen, - integendeel, maar om ons op een bevrijdende manier op onze onmogelijke
mogelijkheden te wijzen. Als de profeet ons daarop niet had gewezen we
zouden het nooit geweten hebben. We zouden gezegd hebben WIR haben es nicht gewusst. En we weten ook hoe graag we dat op anderen van
toepassing verklaren Maar als we het horen, mogen we weten hoe bevrijdend dat
is. Als we dit horen worden wij bevrijd: dat immers nooit meer!! Jesus vraagt aan de donderzonen: kunnen jullie de
drinkbeker drinken de
ik moet drinken, en kunnen jullie gedoopt worden met de doop waarmee ik moet worden
gedoopt.? Zij begrijpen er geen snars van, niets. Laten wij niet te snel zeggen dat wij het wel zouden hebben begrepen. Jacobus en Joannes zeggen zonder meer: dat kunnen wij, als toeschouwers zeggen
wij snel, te snel: hoe durven zij ... Maar zijn wij wel buitenstaande als we dit
mogen, kunnen horen? Jesus zegt op een milde manier,
vol mededogen: zetelen aan mijn rechter- en mijn linkerhand is niet aan mij
om te geven, maar aan degenen voor wie het is bereid ... Dat hoeven
wij in ieder geval niet zelf te zoeken. Wij kunnen ons goed inleven dat de nadere
leerlingen dit aan Jacbus en Joannes hoogste kwalijk
hebben genomen, en dat moet ons ook te denken geven! Maar laten we die andere
leerlingen niet te snel in het gelijk stellen. Jesus
roept hen bij zich, en zegt (tegenwoordige tijd!) ... Om ons de zogenaamd beschamende
vraag van Jacobus en Joannes te besparen, mogen we van de liturgiecommissie, hier
de zondagse lezing beginnen. Maar dan hangt in de lucht wat we wel zouden mogen
horen, alsof dat ober anderen zoude gaan, en niet over onszelf. Alsof we van nu
af aan geïnteresseerde toeschouwers zouden kunnen wezen. Maar dat is een misleidende
gedachte, zo niet een duivelse verzoeking. Want als Jesus
zegt gij weet dat degenen die
menen de eersten te zijn, (dat zijn) degenen die de heerschappij voeren,
zij menen groot te zijn omdat zij die macht voeren.
Wie van ons droomt niet, in het groot of klein te delen in de macht van
de groten der aarde, zich te koesteren in hun aanzien, in hun pracht en praal?
Wie zou het niet graag, al was het maar voor even voor het zeggen
willen hebben? Maar we horen hoe Jesus zegt: zo zij
het niet bij jullie! Wie onder u groot wil worden moet aller
dienaar zijn. Wie van u de eerste zou willen worden zij aller
dienstknecht. Mooi gezegd, maar is dit niet een te groot
geheim, wie kan daaraan voldoen? Wie kan dit in practijk
brengen? Vol verbazing mogen wij horen: De Zoon des Mensen is niet gekomen om
gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven als losprijs voor
velen. Jesus zegt niet Ik. Hij spreekt van de Zoon des Mensen Dat
is geen naam om zich achter te verschuilen, evenmin een naam om iets te verbergen.
De naam Zoon des Mensen is een programma, een programma
waardoor het leven van Jesus wordt geleid, waardoor
de weg van Jesus wordt aangegeven. De naam Zoon des
Mensen voert ons terug tot op de eerste bladzijden van de schriften. De naam Zoon
des Mensen laat zich heel gemakkelijk vertalen in het Hebreeuws. In het Hebreeuws
betekent Zoon Ben en Mens wordt vertaald
als Adam. Zijn alle mensenkinderen
geen kinderen van Adam? Ja zeker, maar er is een Zoon van Adam die ons hele
speciale aandacht vraagt, dat is die zoon van Adam die in den beginnen het onderspit
delft, het eerste slachtoffer van broedermoord, Abel, niet meer dan een ademtocht.
Want vanaf Abel gaat er een bloedspoor getrokken door de hele geschiedenis heen,
en in dat bloedspoor loopt Jesus. Er is gesproken van
vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel. In de oude Katechismus
hebben we geleerd dat ene van de gevolgen van de zonde van Adam en Eva is geweest:
alle ellende des levens en eindelijk de dood. Maar we zullen dat heel concreet
moeten lezen: alle ellende des levens en dan wordt Abeldoor
zijn broeder vermoord .... De Zoon des Mensen gaat de
weg die voor het eerst begaan is door Abel, en het lijkt nog steeds niet op te
houden, er lijkt nog steeds geen eind aan te komen. Jesus
geeft zijn leven als losprijs voor die velen, voor allen, zoals wij in de Eucharistie
bidden “bloed vergoten voor velen, voor allen tot vergeving van de zonden” Het is huiveringwekkend
dat broeders nog steeds broeders naar het leven staan. Als in de schriften een
verhaal begint: een vader had twee zonen, vragen we ons verbijsterd af: begint
het weer opnieuw, houdt dat nu nooit op ...Jesus heeft
zijn leven gegeven voor die broederschap, opdat wij elkander
hartelijk zouden beminnen. De maaltijd des Heren is een godsdienstoefening, ja
maar ook een oefening in broederschap,
een oefening niet in heersen, maar in dienen, oefening in dienstbaarheid, dienst
aan elkaar. daarom wensen wij elkander van harte de vrede,
bidden wij tezamen het onze Vader, en geven wij elkander de rechterhand van de
gemeenschap ..... Zo geve God! Am*dam
15 october 1997
© Ben Hemelsoet Allerzielen Diemen, 2 november
1997 Jesaja 25,6a.7-9 Marcus
15,33 - 39;16,1-6 In de liturgie horen we voorlezen van de maaltijd op de berg des Heren. Maar
we horen -officieel-
niet voorlezen hoe de tafel op de berg des Heren gedekt zal zijn. We horen niet
voorlezen van de vette maaltijd, de uitgelezen spijzen, van de maaltijd met belegen
wijnen, van verrukkelijke gerechten, kostelijk, en nog eens van wijnen die hun
weerga niet kennen. Mag dit niet op deze dag gehoord worden. Is de liturgiecommissie
bang dat u toch over de hemelse zaligheid zoude na denken
als over een sprookjesland, luilekkerland, rijstebrij op gouden
borden geserveerd, geconsumeerd met gouden lepels? Gunnen we de profeet zijn visioen
niet, zodra het heel concreet, heel tastbaar, heel smakelijk wordt? Hoe moet de profeet
anders schrijven over datgene wat geen oor heeft gehoord, en geen oog heeft gezien:
dat wat God bereid heeft voor al diegenen die Hij heeft liefgehad, engelen zijn
zelfs begerig daar een blik in te slaan .... Maar hoe het zal zijn op de berg des Heren zijn, is onze
verbeeldingskracht al jaren
te boven gegaan. Wij kunnen ons niet meer troosten voor die geweldige , aanbiddelijke
altaarstukken van de aanbidding van het Lam, van de komst in heerlijkheid
van onze Heer. Veeleer zijn onze handen leeg, onze ogen dof, als wij onze dierbaren
gedenken. We durven bijna geen verbeelding meer te koesteren, ons voorstellingsvermogen
schiet te kort. Maar toch weten wij, willen wij weten,
willen we vertrouwen, dat de dood niet het laatste woord is, en dat ook onze phantaisievoorstellingen
niet het laatste woord zijn. Ons zijn de beloften Gods toevertrouwd, en daarom
zingen wij met de psalm: ik zal in uw huis de stem van uw lof vernemen, en zo
zal ik u wonderdaden kunnen vertellen, op een manier die onze dromen te boven
gaan. Staat er ook n iet geschreven: wat mij betreft, het is mij goed nabij God
te wezen; ik stel al mijn vertrouwen op de Heer om al Uw
werken te vertellen. De oude vertalingen hebben willen weten waar dat dan wel mocht zijn. Er moet toch een plaats zijn waar wij
die wonderdaden kunnen vertellen, wij meten toch grond onder onze voeten hebben,
voor onze gegronde hoop, als wij al
ons vertrouwen op de Heer stellen? De psalm geeft het aan: ik zal in Uw huis de
lof, de lofzang vernemen. Maar de vraag blijft, waar mag dat wel wezen, Heer waar
(ver)blijft u? Die
oude vertalingen hebben het voor ons ingevuld: wij zullen de werken Gods vertellen,
rondbazuinen in de poorten van de dochter
van Sion. De dochter van Sion kennen we van Palmzondag: verheug u, dochter
van Sion, zie uw Koning komt .... let wel: er staat net dat de dochter van Sion
naar de Koning komt, nee, dochter, uw Koning komt, en omdat het zo gezegd wordt
zal iedere vergelijking met hetgeen wij menen te kennen te kort schieten: Hij komt! HIJ
komt naar ons, niet: wij komen naar Hem. Daarom zullen we mogen zingen: gezegend
Hij die komt in de Naam des heren, gezegend het Koninkrijk van onze Vader David
dat komt ... Deze beschouwingen staan te lezen in de schriften, zij staan - om zo te zeggen
- in Gods papier te blaken. Maar eenieder weet hoe ver
deze woorden van ons bedroefde hart kunnen zijn, hoe deze woorden ons geen troost
kunnen bieden als wij door smart worden overmand, als het donker om ons heen is,
en de weemoedigheid, - die niemand kan verklaren - ons gemoed vervuld, als de
avond valt, en degenen die ons hebben bezocht in de verre verte zijn verdwenen,
onherstelbaar ver weg. Hoe kunnen we ons herkennen in de woorden van Jesus
die wij hebben horen voorlezen: Mijn God, Mijn God waarom
hebt Gij mij verlaten. Het helpt niet dat sommigen, zoals in
het evangelie, de aandacht afleiden naar Elia. Want niemand kan de pijn verlichten
van die Godverlatenheid, die eenzaam maakt, onbegrepen; die eenzaamheid van het
verdriet die anderen in onze ogen gevoelloos maakt, al te nuchter. Die anderen
begrijpen immers toch niet wat door ons hart heen sluipt. Zeker tot op
zekere hoogte hebben we ons leren gedragen, we weten, we hebben leren weten,
dat we ons verlies niet telkenmale ter sprake kunnen brengen. Als wij vandaag onze dierbaren gedenken, dan willen we weten dat wij dat niet
doen als diegenen die geen hoop hebben, dan weten wij dat wij gedenken dat onze
overledenen, onze dierbare doden geborgen zijn bij God. Onze dierbare doden hebben hun plaats gekregen in het verhaal, het grote verhaal
dat God ons heeft toevertrouwd, in dat verhaal, in dat Boek des Levens hebben
zij hun plaats, nemen zij een plaats in. Als dat boek wordt voorgelezen, zullen
levenden en doden,
the quick and
the dead, vol vreugde opspringen omdat dan hun naam
klinken zal als nooit tevoren, tot in eeuwigheid, betrouwbaar, onwankelbaar. Wat
wij voor onszelf verwachten, verwachten wij ook voor degenen die wij te grave
hebben moeten dragen, inde verwachting van de opstanding van de doden, waarvan
Jesus de eersteling is. In het evangelie van vandaag horen we ook die wonderlijke zin van de honderdman,
de commandant van het bewakingspeloton. Hij is een heiden, die niets weet van
de verwachting van de kinderen van Abraham, hij weet niets van al datgene wat
God heeft toegezegd aan Abraham en aan zijn zaad. Hoe zou HIJ ook. Wie weet hoe
dikwijls HIJ zich vrolijk heeft gemaakt over die rare Joden, zoals wij ons vrolijk
maken over (die) rare Chinezen of over luidruchtige Oosterburen..Vreemd
volk toch, al die mensen die niet zijn zoals wij ....Maar
deze commandant heeft hier zijn plaats gekregen in het evangelie van Marcus. De
evangelist heeft een kleine, maar belangrijke tekst voor hem geschreven. Zou hij
toch nerveus geweest zijn? Een langere tekst biedt immers meer gelegenheid tot
schmieren. Maar op het juist moment komt het juist woord uit zijn mond. Toen die commandant
zag dat Hij zo gestorven was, zei:
Waarlijk betrouwelijk, deze mens was Gods Zoon! Als
we dit horen moeten wij op onze tellen passen! Wij moeten nu, als we dit horen,
niet goedkeurend knikken, instemmend, als zou die commandant heel snel zijn katechismus goed hebben
geleerd, iets wat wij al in onze kinderjaren hebben geleerd. Als dat zo zou zijn, had de evangelist
die commandant deze rol niet hebben hoeven geven. Maar
we moeten blijven bedenken dat Jesus sterft, ten onder
gaat, als het het Pasen van de Joden is. De dag waarop
de bevrijding uit de slavernij van Egypte in gedachtenis wordt gehouden, de bevrijding
uit de Egyptische duisternis, de bevrijding uit de slavernij van de dood.,
bevrijding uit alle beklemming, bevrijding van alle angst, van alle doodsangst.
Vanwege Pasen zullen we mogen belijden en de dood zal niet meer zijn! Op het moment
dat Jesus ten onder gaat op Pasen, op he bevrijdingsfeest,
mag deze heiden, moet deze heiden belijden: waarlijk deze mens was Gods Zoon.
want wij mogen weten, we zouden het hebben moeten weten,
hoe God gezegd heeft: uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen, uit Egypte, uit die
Egyptische duisternis, uit die duisternis van de dood heb Ik Mijn Zoon geroepen.
Jesus is de Zoon van God in kracht en majesteit dank
zij Zijn opwekking uit de doden, door de Geest van Heiliging: zo heeft God Hem
geheiligd, zo heeft God ons Hem aangesteld als de weg die voert vanuit het land
van de schaduwen van de dood. Gods Zoon is onze
leidsman ten leven, het anker van onze hoop. Deze Jesus
die getrouw geweest is aan het onderricht van Moses
en de profeten is onze verwachting en hoop in leven en in sterven. Deze verwachting
bindt ons samen, levenden en doden.
Vandaar dat wij in onze gemeenschap spreken van de gemeenschap van de heiligen.
De gemeenschap van de heiligen zijn allen, die geheiligd zijn door de verwachting,
door de hoop dat Jesus de leidsman naar het betrouwbare
leven is, de betrouwbare weg die ten leven voert. Die gemeenschap is de gemeenschap
van al die geheiligden die delen in de heilige geheimen
die ons zijn toevertrouwd, de tekenen van Schrift en Tafel, het Onze Vader en
de vredeswens, Daarom kunnen we het ook niet laten om te blijven bidden: heer
geef hun zielen de eeuwige, de betrouwbare rust in uw heilige stad, in uw veelbelovend
land, dat zij daar de rust die u ons heeft toegezegd mogen vinden voor immer
en altoos. De evangelist, we hebben het horen voorlezen, vertelt nog hoe het de betrouwbare
getuigen van Jesus dood, de vrouwen, is gegaan ... bij
het aanlichten van de dag, dag één van de week gaan de vrouwen naar het graf.
De Sabbat is voorbij, de dag waarop het Koningschap van God gevierd wordt. Die
dag is voorbij, en zij hebben niets bemerkt van Gods Koninklijke majesteit. De
vrouwen laten zich meenemen door de loop van de gebeurtenissen; zij gaan doen
wat nu eenmaal gebeuren moet, zij nemen op zich de zorgzame zorg voor de terechtgestelde.
Welk een teleurstelling dragen zij mee in hun hart! Is dan toch alles tevergeefs
geweest? Hebben zij het evangelie tevergeefs tot het einde toe gelezen? Zo vragen
zij heel practisch, wie zal voor ons de steen van het
graf afwentelen? Maar opziende zagen zij dat de steen al afgewenteld, afgewimpeld.
En dan zegt de evangelist, mogen we zeggen met veel humor,
de steen was zeer groot .... Als de steen al afgewenteld
is, blijkt dat zij zich voor niets zorgen hebben gemaakt. Het lege graf is nu
hoogstens echoput om duidelijk te kunnen horen: Hij is niet hier, Hij is verrezen
.... In welke wijde
ruimte zijn wij zo geplaats dat van alle kante die stem kunnen horen, versterkt
als echo, herhaald klinkend, zo dat het nimmer meer uit
onze oren verdwijnt! Deze boodschap neemt
het verdriet niet weg. Geve God dat het ons gegevenn
is, soms in sombere momenten als wij onze dierbaren teder, vol
weemoed, maar, ook met verdriet gedenken, dat die stem van de engel onze droefheid
overstemmen mag, als bron va genade, als bron van leven. opdat wij hoop zouden
hebben, en niet zullen zij als degenen die geen hoop meer hebben. Zo geve God! Am*dam 30 october 1997
© Ben Hemelsoet |