Vierde zondag na Pinksteren                                                                                

Sloten, 15 juni 1997

 

Ezechiel 17,22 – 24

2 Kor 5,6 – 10

Marcus 4, 26 -34

 

Er staan in de schriften hoge bomen, - die veel wind vangen, - trotse bomen, reuze bomen: ceders, waarvan in de psalm geschreven staat schriften geschreven staat dat de stem des Heren de cederen breekt, ja, de Heer verbreekt de ceders van de Libanon (ps 29,5); en bij de profeet Zacharia staat het zo: Doe uw deuren open, o Libanon, opdat het vuur uw cederen  vertere. Huilt gij dennen dewijl die heerlijke bomen verwoest zijn. (Zach 11,1 v.v.) Maar die trotste bomen worden in dienst genomen, tot dienstbaarheid omgebogen, op maat gezaagd, zij worden de maat genomen naar de maat van het heiligdom, om zo de glorie en de lof te zingen van de Heer van de tempel. Zij worden verkleind om de vreugde uit te maken van het koninklijk paleis. Maar toch deze ceders kunnen hun trotse verleden niet vergeten. Zij steken hun kop op, zij steken hun kruin in de wind, en dan horen wij hetgeen wij gehoord hebben in de eerste lezing volgens de profeet Ezechiel. Zo zullen alle bomen van het veld weten, dat Ik de Heer, de hoge boom vernederd heb, en de nederige boom heb verheven; de groen boom verdroogd, en de droge boom bloeiend heb gemaakt. Ik de Heer heb het gesproken, en Ik zal het doen (Ex 19,24). Dit verhaal ver de hoge boom, over de trotse boom horen wij, nu wij verder lezen in de parabels van het evangelie. Vorige week hebben we het gehoord hoe Jesus in het schip gegaan is, het schip dat al klaar lag sinds hoofdstuk 3 vers 9. Jesus zegt tot Zijn leerlingen dat een schip steeds bij Hem zoude zijn, ter wille van de schare opdat zij Hem niet zouden verdringen. Een merkwaardige opdracht!  Aan het begin van hoofdstuk 4 is het zo ver. Een grote schare vergadert zich bij Jesus, en zo, en daarom, gaat Hij het schip in, en Hij zetelt op de zee, en de gehele schare    was op het land, (in het land?) aan de zee. Dat is  het decor van de parabels van Jesus. Een merkwaardig decor. Want gezeten in, op de zee, lijkt Jesus zich niet te interesseren voor de zee, Zijn parabels zijn niet ontleend aan de dagelijkse zorgen van de vissers, - hoewel Zijn leerlingen toch vissers zijn, - maar Jesus kiest Zijn parabels ogenschijnlijk uit het leven aan de wal, uit het landleven van Zijn dagen.  Zo lijkt het.  Maar bij nader toezien is daar wel wat op af te dingen.  Geen enkele boer, ook geen boer in Jesus’ dagen zou zo slordig met zijn zaaigoed omgaan, geen enkele zaaier zou driekwart van zijn zaaigoed verspillen, zeker gezien de moeilijke grond in Galilea! Jesus heeft het niet over de landbouw, maar over de schriften. Hij weet van de bomen en de vruchten, van het zaad en de belofte van het zaad van Abraham. Hij zetelt op de zee met het veelbelovende land in zicht. Met het veelbelovende land in het vooruitzicht. Dat land staat beschreven in de schriften. Van dat land staat geschreven: en Isaak zaaide dat jaar in het land, en het droge honderdvoudige vrucht. Zo hebben we het de vorige week ook inde parabel gehoord. Want het zaad is het woord van God, en Gods woord is een zaad, de belofte aan Abraham,  en die belofte draagt honderdvoudige vrucht.  Daarom wordt doorgegaan in het evangelie dat wij vandaag hebben gehoord; het koninkrijk Gods, is gelijk een mens die zaad in zijn akker wierp. In de parabel wordt verteld van het geheim van het zaad, als de man slaapt en weer opstaat, nacht aan dag, spruit het zaad uit, die mens weet niet eens hoe, het is een wonder. Zo gaat het met Gods heerschappij, het breekt zich baan, en wij weten niet hoe, wij kunnen het niet berekenen, wij kunnen het niet dwingen, wij kunnen het niet forceren; het is als met de belofte gedaan aan Abraham en aan zijn zaad.  Abraham is negentig jaar als hij de belofte Gods mag horen. HIJ zal een zoon krijgen.  Maar dat is toch belachelijk, een man van negen en negentig jaar. En merkt de schrift heel snedig op, Sara, zijn huisvrouw, gaat het niet meer naar de wijze van de vrouwen. Er wordt dan ook wat afgelachen in dit verhaal. Openlijk, en heel besmuikt. Maar wij mogen weten bij God is niets onmogelijk. Zo staat het geschreven: en Abraham geloofde, vertrouwde op God, en dat werd hem tot gerechtigheid gerekend. Maar als we dit zo horen, horen we ternauwernood de helft van deze zin. Het lijkt wel of deze zin in shorthand, in steno, is geschreven.  We mogen het zo horen, onthutsend en wel: Abraham stelde al zijn vertrouwen op God met betrekking tot zijn zoon, en zo kwam Abraham tot zijn recht. Hij stelde zijn vertrouwen niet op eigen vermogen, op eigen potentie met betrekking tot zijn zoon, maar op God. Dat is voor ons potente mannetjes moeilijk te aanvaarden .... Abraham, vertrouwt op God, met betrekking tot zijn zoon. Moeten we zoon hier met een hoofdletter schrijver?  Is Jesus niet de Zoon van Abraham? In alle opzichten is deze zoon van Abraham een kind van de belofte, geen kind van de berekening, laat staan een kind van de rekening. Dat is het geheim van het zaad in het land, de belofte van vruchtbaarheid, een zoon in het veelbelovende land. Nu we het toch over Abraham hebben.Wij kennen in onze taal de uitdrukking van Abraham en de mosterd. Wij weten waar Abraham de mosterd haalt. Er wordt in de parabel gesproken over het mosterdzaad. Een priegelig klein zaadje, een greintje van  niets. Maar het wordt een boom, - een boom van een kerel!- een wonderlijke boom! Helaas, heeft het mosterdzaadje niet veel van doen met Abraham en de mosterd. Mosterd is de oude schrijfwijze voor een takkenbos, een musterd, brandhout; het brandhout dat nodig was voor het offer op de berg Moria, daar waar Abraham zijn zoon Isaak hoog moet houden, moest verheffen door hem aan God op te dragen ... Abraham wist waar hij die takkenbos moet halen, en het vuur; maar van het offerlam wist hij niet: God zal erin voorzien (Gen 22,7).

En zo zijn we weer bij het dorre hout, de dorre takkenbossen, waarvan ook bij de profeet in de eerste lezing sprake is. God zal de groen boom doen verdorren .... De lezing van de profeet begint met de trotse ceder. God neemt een twijgje, onaanzienlijk van die hoge boom, en het zal tot een heerlijke ceder worden, en de vogelen des hemels zullen zich daar veilig kunnen nestelen. Maar die ceder kan dat niet uit eigen kracht, God heeft daartoe uitverkoren. Het is zeldzaam dat er zo over ceder s gesproken wordt. Er wordt door de profeet ook uitgevaren tegen hoge en verheven ceders van de Libanon, en tegen alle eiken van Basan (Jes 2,13). Maar de geur van die verheven bomen is niet weg te denken van de bladzijden van de schriften. Als de jubel klinkt: Hoe goed zijn uw tenten Jacob, uw woningen Israël! Dan wordt ook gehoord; gelijk de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; de Heer heeft ze geplant als de sandelbomen, als de cederbomen aan het water (Num 24,6) De geur van die bomen vervult het bruidsvertrek ... Maar doorgaans komen andere bomen in aanmerking om de stille kracht van Gods heerschappij aan te duiden. In psalm één wordt het duidelijk. Psalm één begint met die wonderlijke zaligspreking.  De hoorder mag weten dat in het woord “zaligspreking”  in het Hebreeuws de klank te horen is van “schrede”, “voetstap”, het geluid van degene die voortgaat op de weg, de vertrouwde klank op het pad des Heren. Zo wordt richting geven aan zijn leven. Hoe zalig klinkt dat voor degene die vertrouwd is met het onderricht. Degene die zo voortgaat, zo zijn schrede doet horen, is degene wiens lust is in het onderricht des Heren, hij overweegt het onderricht. De woorden van het onderricht zijn op zijn lippen. Wie ietwat vertrouwd is met de schriften, herkent hierin ook de beschrijving van Josua, de knecht van Moses, zo staat hij immers beschreven in het eerste hoofdstuk van het boek dat zijn naam draagt.  Zo moet die Josua ook wel beschreven worden,  omdat hij het onderricht des Heren overweegt dag en nacht; omdat het boek van het onderricht niet wijkt uit zijn mond, kan hij de Jordaan door trekken, - droogvoets, - om zo de toegang te openen, te ontsluiten tot het veelbelovende land. Hij is een boom van een kerel aan waterbeken geplant boek, die vrucht geeft op zijn tijd. Die boom is een wonderlijke boom, hij lijkt op Josua, en Josua kan niet anders beschreven worden dan in het beeld en gelijkenis van die boom. Die boom heeft veel uitleggers te denken gegeven. Hiëronymus, de vertaler van de schriften in het Latijn, heeft voor boom niet het eenvoudige woord arbor gekozen.Hij heeft hier vertaald lignum hout zo kon die psalm gelezen worden in de goede week, met betrekking tot het kruishout, het schandhout, hoonhout. En toen deze Hiëronymus de psalm ten tweede male ging vertalen heeft hij van die boom niet alleen gezegd dathij aan waterbeken stond geplant, maar heeft hij van dat hout gezegd dat het was overgeplant, getransplanteerd.  Zo kan deze boom uit psalm een verwijzen naar psalm tachtig.  waar zo over die boom gesproken wordt: gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, gij hebt de heidenen verdreven, en hebt hem geplant. Gij hebt de plaats voor hem bereid, en zijn wortelen doen inwortelen zodat hij het land gevuld heeft .... Zo zijn de bomen parabels, en zo krijgen wij zicht, en uitzicht op de beloften die God ons heeft toevertrouwd. Leert daarom van de vijgeboom, en van alle andere bomen deze gelijkenis ....  en zoals de psalm zint: Heden, zo gij Zijn stem hoort, wilt uw harten niet verharden, gelijk ten dage van Massa en Meriba in de woestijn, daar hebben uw vaderen Mij verzicht, - zij hebben gevraagd, tartenderwijs, is God in ons midden of niet, toen moest Ik wel zweren zij zullen niet ingaan in de rust van het veelbelovende land.  Dat wij die vraag niet stellen, niet tartend,  niet wankelmoedigen zeker niet wanhopig, als mensen die geen hoop hebben; maar mogen er mensen zijn om met ons broederlijk die hoop en die verwachting te delen: zo geve God!

 

Am*dam juni 1997

© Ben Hemelsoet

 

Achtste Zondag na Pinksteren,

Vijftiende zondag door het jaar;         

Sint Lucas - Osdorp

13 juli 1997

 

Amos 7,12 – 15;

Ephese 1,3 –14;

Marcus 6,7 -13 

 

Eerlijk gezegd, het lijkt een wonderlijk ratjetoe van teksten dat vandaag als lezingen worden gegeven. Een merkwaardig klein gedeelte uit de profeet Amos,  een hooggestemde zegening uit de brief aan de kerk van Ephese,  en een wat - op het eerste gehoor, - iel stukje uit het evangelie van Marcus. De lezing uit het evangelie van Marcus klinkt vreemd in onze oren. Er dwarrelen boze geesten over het podium, er worden voorschriften gegeven, die - althans voor ons - allesbehalve practisch lijken. De twaalf worden twee aan twee uitgezonden, en Hij gaf hun macht over de onreine geesten. In onze oren moet dat wel vreemd klinken. Wij zouden eerder verwacht hebben dat zij twee aan twee zouden worden uitgezonden om het naderbij komen van het Koninkrijk te proclameren, en rond te bazuinen.  Maar niets daarvan: macht over de onreine geesten. Het woord onrein vult vele passages van het boek Leviticus, het middelste boek van de vijf boeken van Moses.  Dat is het boek dat in het Hebreeuws heet  HIJ RIEP. Het spelt wat wij moeten doen om te kunnen naderen tot God, hoe wij ons leven moeten inrichten om met een zuiver hart tot God te kunnen komen, als een priesterlijk geslacht, een koninkrijk van priesters. In het Hebreeuwse woord voor priester gaat de betekenis naderen schuil. We horen de psalm wie mag opgaan op de berg des Heren, wie zal kunnen staan in de plaats van Zijn heiliging? Hij die rein van handen is, en zuiver van hart, die zijn ziel niet verheft tot ijdelheid, en die niet bedrieglijk zweert. Hij zal zegen ontvangen van de Heer, gerechtigheid van de God van zijn bevrijding. dat is het geslacht van degenen die naar hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jacob, Israël. (Psalm 24,3 - 6). De twaalf krijgen de macht over onreine geesten, zij kunnen ze uitdrijven, en zo een volk bijeen brengen op het enige gericht, op de zuiverheid gericht van de dienst aan God, eredienst, en dienst aan de naaste, aan degene die het naast zijn, dienst die onze hand weet te doen.  Is dit dan toch net de verkondiging van de nabijheid van het Koninkrijk van God, van Gods koninklijke heerschappij?  Ja zeker! Maar met de intensiteit van het heel concrete, van zuivere handen,  handen die niet gevuld zijn met list en bedrog, met bedrieglijkheden, handen die geen vuist maken, en die geen schraperige klauwen zijn, niet bereid die doodsklap uit te delen, integendeel, die bereid  zijn met open hand de naaste tegemoet te treden. De tekst uit de psalm, die we zojuist gehoord hebben, speelt in de traditie een grote rol. 

Wij hebben goed geleerd om de vraag te beantwoorden wat is het grootste gebod in het onderricht. We hebben leren zeggen Hoor Israël , de Heer onze God is een enig Heer, uniek; gij zult de Heer uw God liefhebben, met geheel uw verstand, met geheel uw ziel  en met geheel uw verstand, en met al uw kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede is daaraan gelijk Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod  andere antwoorden gegeven, ook om het concreter te maken, doeltreffender. Op de vraag naar het grootste gebod hebben ze ook geantwoord met de woorden uit de psalm die we zojuist hebben gehoord. Want hoe zouden we het juiste zicht op het huis des Heren kunnen houden als we niet rein van handen waren en zuiver van hart ten opzichte van onze naaste? Daar komt bij dat als we de woorden van de psalm op de lippen nemen dan hebben we Jerusalem voor ogen, dan hebben we de berg van het huis des Heren in het vizier, dan zijn onze ogen gericht op het einde. Zo staat het immers geschreven: Het zal geschieden op het laatste der dagen, dat de berg van het huis des heren zal vatgesteld staan op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot die berg zullen alle volkeren opstromen. Vele volkeren zullen heengaan, en zegge: komt laat ons opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God van Jacob, opdat Hij ons leren van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en ‘s Heren woord uit Jerusalem. (Jes 2,3-4). Dit heeft Jesus voor ogen als Hij de twaalf uitzendt en hun macht geeft over de onreine geesten. Het zalig visioen van vrede, Jerusalem!  De blijde boodschap, het evangelie van het Koninkrijk geldt immers Jerusalem. Als de profeet de blijde boodschap mag verkondigen, als hij het uitroept: er is een blijde boodschap, dan mogen we weten dat dat betekent dat God Koning is in Sion! Wij dreigen dat nog al eens te vergeten. We spreken over de verkondiging van het evangelie, en we vragen ons menigmaal ternauwernood af wat die verkondiging wel mag behelzen. Als er alleen maar gezegd wordt; ik verkondig het evangelie, moet er toch gevraagd worden wat is dat dan voor een blijde boodschap? Bij de profeet staat het duidelijk geschreven: tot Sion wordt gezegd uw God is Koning (Jes 52,7). Jesus is de drager van die blijde boodschap dat god Koning is in sion, daarom moet Hij ook optrekken naar die stad, en zal Hij zich van die stad niet, nooit ofte nimmer kunnen laten scheiden. Als Jesus de twaalf volmacht geeft over onreine geesten, dan is zoiets al eens eerder te lezen geweest in de schriften. Bij de profeet Zacharia (moge God hem gedenken). staat het zo geschreven: te dien dage zal er een fontein geopend zijn voor het huis van David, en voor de inwoners van Jerusalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid. En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heer der heirscharen, dat Ik uitroeien zal uit het land de namen der afgoden, dat zij niet gedacht zullen worden, ja, ook de profeten, en de onreine geest, zal  Ik uit het land wegdoen (Zach 13,1-2)  Zo wordt het land gezuiverd, en met die opdracht mogen de twaalf hun taak beginnen. Wee degenen die hun prediking niet aannemen. Voor Sodom en Gomorra zal het dragelijker zijn op de dag des oordeels!

Terwijl de twaalf zo op de weg zijn, onderweg, wordt verteld hoe Herodes zijn slag slaat, en de profeet Joannes de Doper onthoofd, en geen toekomst wilt schenken aan deze wegbereider, deze voorloper. We horen dat niet voorlezen, ook de volgende week niet. Joannes is het slachtoffer van koninklijke willekeur. We kennen het verhaal. Joannes heeft de koning terecht gewezen, het is niet geoorloofd de vrouw van uw broeder te nemen. Niet dat dit de ergste zonde zou kunnen zijn die mensen kunnen bedrijven, maar het is wel een uiting van datgene wat een koning zich allemaal meent te kunnen permitteren. Voor een koning van het slag van Herodes is niets heilig, niet het geld en goed van zijn onderdanen, maar ook respecteert hij de gegeven relaties niet. Hij meent boven de wet te staan. Nota bene op zijn verjaardag. Daarom is het verhaal van de onthoofding van Joannes ook een anti-parabel, een tegenparabel. De klassieke parabel luidt immers: het koninkrijk der hemelen gelijkt op een koning die een bruiloftsmaal geeft voor zijn zoon, - zo immers houdt hij de toekomst open; - maar het koninkrijk der hemelen gelijkt niet op een koning die zijn eigen verjaardag viert, en zo de profetie om zeep helpt, want hij leeft alleenlijk op zichzelf gericht.

Misschien kan op deze wijze nog een kleine plaats gegeven worden aan de lezing van de profeet Amos, die wij als eerste lezing hebben gehoord. De woorden die we gehoord hebben, zijn een gedeelte van hetgeen de profeet tegen koning Jeroboam moet zeggen. De profeet moet aankondigen dat Jeroboam door het zwaard zal sterven, en dat Israël zeker uit zijn land in ballingschap zal worden weggevoerd. En wat gebeurt er? Daar zet de profetenlezing van deze zondag in. De priester van het koninklijk heiligdom zegt tegen de profeet; Gij ziener ga weg, vlucht naar het land van Juda, en eet daar uw brood, en profeteer daar. Hier horen we de woorden waar de uitdrukking “een profeet die brood eet” vandaan komen.  Het heeft het te maken met de plaats waar de profeet zijn brood zal verdienen, als balling, als een profeet waarnaar niet geluisterd  wordt in  zijn eigen vaderland. daar zullen ze geen boodschap meer aan hem hebben, en zeker de koning niet. Maar als het de profeet onmogelijk gemaakt wordt om te profeteren, als er niet meer gewezen wordt, verwezen wordt naar het onderricht en de woorden, de beloften van God, dan zijn werkelijk alle verhoudingen zoek. De profeet zegt het op een wel heel drastische wijze. Zo drastisch dat de liturgie commissie meende een kleine censuur te moeten toepassen. Vers 17 van het zevende hoofdstuk van Amos wilde ze de gemeenschap vandaag  onthouden. Maar daarin staat hoe de verhoudingen zoek zijn! Daarom zegt de Heer: uw vrouw zal in de stad hoereren, en uw zonen en dochters zullen door het zwaard vallen; uw land  zal door het snoer uitgedeeld worden, en gij zult in een onrein land sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.  Ook dit is een parabel, een anti-parabel, een tegenparabel, het tegendeel van een parabel van het Koninkrijk. Hoe zien wij de prediking tegemoet van het evangelie, van de blijde boodschap dat God koning is in Sion? Hoe houden wij onze ogen gericht op Sion, waarvandaan  onze hulp komt. En hoe steunen wij elkaar, hoe reiken wij elkaar reine handen, , hoe bejegenen wij elkaar met een zuiver hart, en hoe verhinderen wij dat wij onze ziel zouden verheffen tot ijdelheid? Om maar te zwijgen dat wij ten opzichte van elkaar niet bedrieglijk mogen zweren, niet bedriegelijk achter elkaars rug om praten, fluisterend, besmuikt spreken. Zo zullen wij de zegen ontvangen van God: zo geve God!

 

Am*dam juni 1997 
© Ben Hemelsoet

 

 

 

 

 

(De open ark)

World without end ....

 

World without end is een engelse uitdrukking met een liturgische klank. Een uitdrukking die ten onzent doorgaans wordt weergegeven als in (alle) eeuwigheid. Maar ook dat woord heeft in het Nederlands de klank van “er komt geen eind aan”, niet alleen aan deze) wereld, maar ook niet aan de (wereld)tijd. Het is een eindeloze voorstelling waarvan wij ons onbegrensd geen voorstelling kunnen maken. Maar het woord, het bijbelse woord, dat wij weer zijn gaan geven door “eeuwigheid” is een gevuld notie, het is geen loze oneindigheid, onvoorstelbaar eindeloos.

De eeuwigheid waar in de schriften, en in de liturgie sprake van is, is een eeuwigheid  die gemarkeerd wordt, die gedragen wordt door de trouw van God. Het woord eeuwigheid heeft zijn markante kleur gekregen in de strijd tussen de Pharisaeën en Sadducaeën, tussen hen die willen weten van de opstanding van de doden en zij dat willen ontkennen, althans het in het midden willen laten; tussen hen die willen belijden de trouw van God, Zijn weergaloze trouw tot over de grenzen van het graf heen, en zij die voldoende menen te hebben aardse bestel, die op God vertrouwen in dit wereldbestel, in deze wereldtijd. De Pharisaeën hebben dat afgewezen, het kon immers niet waar wezen dat de machthebbers, zij die het voor het zeggen hebben, altijd eeuwig het laatste woord zouden hebben. Het kon toch niet waar zijn dat de martelaren voor niets gestorven zouden zijn. Zo hebben de Pharisaeën, biddend een beroep gedaan op Gods weergaloze trouw, op God die niet alleen Koning is in dit tijdperk, maar in de  Koning zal zijn in het tijdperk dat komen gaat. Zijn Koningschap duurt immers vanaf dit tijperk, tot in het tijdperk dat komen gaat; vanaf deze eeuw tot de komende eeuw, van eeuwigheid tot eeuwigheid, in der eeuwen der eeuwen, amen! De huidige lezer van deze woorden kan het toenmalig dispuut ternauwernood in deze formulering meer ontwaren. Maar hij/zij mag erin blijven horen de onvergankelijke getuigenis van Gods trouw, die niet laat varen de werken van Zijn handen, die immers trouw houdt in dit tijperk en in het tijperk dat komen gaat. Om alle misverstand te bezweren zijn er Pharisaeën die gebeden hebben: van eeuwigheid tot eeuwigheid, tot eeuwigheid; er kan geen misverstand mogen bestaan, er is op de eindeloze trouw van God niets af te dingen, ook al gaat het ons verstand te boven.

Lezen in de schriften is ook lezen in een boek, je wagen in te lezen in een world without end. Het is binnengaan in een wereld zonder einde. maar ook deze wereld  zonder einde, wordt gedragen door de trouw van God! Daarom kunnen wij ons eraan toevertrouwen, en mogen wij schuilen bij de woorden   die ons in Zijn trouw te lezen zijn gegeven!

 

 

Marcus 8,27 - 9,1

 

De evangelist neemt ons mee naar Caesarea Philippi, de noordergrens van het land, aan de voet van de Hermond, bij de bronnen van de Jordaan. maar het natuurschoon is geen voorwerp van nadere overweging. Zelfs de psalm van de noordergrens, de psalm van heimwee in ballingschap komt Marcus niet over zijn lippen:

                        Daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan

                        de Hermon, en het klein gebergte (ps 42,7)

En zelfs het bruisende water van de bronnen van de Jordaan worden niet als verlevendigend décor opgeroepen

                        de afgrond roept tot de afgrond

                        bij het gedruis van uw watergoten ....

Op de weg  .... welke weg? Is dat de weg die wij al kennen vanaf het begin van het evangelie naar Marcus. daar hebben we immers kunnen horen: Zie ik zend mijn bode voor uw aangezicht die voor u de weg zal bereiden. Is dat de weg terug uit de ballingschap, de weg die voert uit de slavernij van Egypte, de weg die wij mogen betreden om de dag des Heren tegemoet te mogen gaan? En op die weg (waar gaan zij heen, waarheen leidt die weg?) vroeg Hij Zijn leerlingen: wie zeggen de mensen dat Ik ben. Er zijn uitleggers die menen dat we hier op het beslissende punt van het evangelie zijn aangekomen. Eindelijk zal hier het hoge woord klinken. Alsof de lezer, - wij - niet vanaf het opschrift van het evangelie naar Marcus hebben kunnen wie Hij is.  Wij willen het antwoord van Petrus wel horen, maar - eigenlijk - doen we of dat antwoord allang kennen, erger doen wij alsof we de antwoorden van de mensen niet nodig hebben; die wij zijn immers al verder dab die mensen die in het evangelie worden vermeld. Maar we zullen ons eens te meer de aanhef van het evangelie moeten herinneren. De bode Gods zou de weg bereiden. En we is die bode Gods? Is dat Joannes de Doper of Elia, of één van  de profeten? Want wie zal ons brengen in dat veelbelovende land, wie zal ons voorbereiden op de dag des Heren, wie zal voor ons door het water van de Jordaan heengaan, om zo de toegang te ontsluiten van het veelbelovende land?  Wat men van de antwoorden van de mensen ook vinden moge, het zijn antwoorden die de weg openhouden, het uitzicht niet verduisteren. Duidelijker wellicht nog, Jesus zegt niet tegen zijn leerlingen dat de mensen het bij het verkeerde eind hebben. Dat de tijd gekomen is voor een helder antwoord, ondubbelzinnig, een natwoord waarmee voor immer en altoos alle monden kunnen worden gesnoerd, alsof wij aan Joannes de Doper, of Elia, of één van de profeten geen enkele boodschap meer zouden hebben. Jesus vraag aan Petrus moet daarom ook niet als een tegengestelde vraag worden gelezen. In het Grieks staat er dat woord maar niet, dat in de Statenvertaling te lezen staat. Het antwoord van petrus moet veeleer in het verlengde gelezen worden van hetgeen de mensen hebben gezegd. Petrus’ antwoord “Gij zijt de Messias ....” kan onthutsend zijn, voor wie meer zou willen horen. Maar wat is er meer te horen dan wat op grond van het evangelie te verwachten is. De Messias is degene  die gezalfde is door God, die aangewezen is voor een koninklijk ambt, met het oog op een priesterlijke bediening, een profetisch ambt. Het is het programma van God bij de mensen, de wijze waarop God present wil zijn bij Zijn volk, in goede en slechte dagen ... En Jesus is geheel en al de belichaming van dat programma. Hij mag geïdentificeerd worden met dat programma. Zo wil hij bekend zijn aan degenen die het met Hem willen wagen. De misverstanden liggen voor het grijpen.  Want als het hoge woord nu gezegd zouden zijn, dan zouden wij menen over te kunnen aan tot de bekende (wan)orde van onze eigen dag. En Hij gebood hun scherpelijk (zo de Statenvertaling) dat zij het niemand zouden zeggen van Hem. Het eigen tijdsgewricht draagt er voldoende sporen van. Wij hebben van het Messiaans programma een bijvoeglijk, een toegevoegd naamwoord gemaakt, pasend bij alles waar wij het goed mee getroffen hebben: christelijk .... - al of niet met een K of een harde Ch uitgesproken - (het zijn de resten van een letterlijke inspiratieleer: er staat toch een Ch; zoals in Alleluja toch een u (uu) geschreven staat in plaats van oe?)

Zij kunnen er immers ook nog niets van zeggen, want zo vervolgt de tekst: en Hij begon hun te leren dat de Zoon des Mensen veel moest lijden. Hier horen we welhaast voor de eerste maal in het evangelie wat de inhoud is van de prediking, van het onderricht van Jesus. En onmiddellijk wordt het raadselachtig. Zonder voor aankondiging horen we Hem  spreken van de Zoon des Mensen. 

 

De Zoon des Mensen is al eerder genoemd in het evangelie (Marc 2,10 en 2,28). De Zoon des Mensen heeft de macht om zonden te vergeven in het land, en de Zoon des Mensen is Heer over de Sabbat van het land. Maar hier horen wij dat deze Zoon des Mensen moet lijden. Wie is die Zoon des Mensen. Het is te eenvoudig te zeggen dat “Zoon des Mensen” gewoon “mens” betekent. Als dat al zo zou zijn geweest, in het jargon van die dage, dan heeft het Bijbels spraakgebruik daar verandering in aangebracht. De uitdrukking Zoon des Mensen is eenvoudig in he Hebreeuws te vertalen Zoon= Ben. en Mens=Adam. De peinzende Bijbellezer(es) kan zich afvragen welke Zoon van Adam in aanmerking zouden kunnen komen. Want ook Adam is die vader geweest waarvan geschreven had kunnen worden: een vader had twee zonen ... De zoon van Adam, de Zoon des Mensen die hier allereerst in aanmerking komt is Abel, die zoon, ogenschijnlijk niet meer dan een ademtocht, verwaaid als de wind, omdat zijn broeder hem het licht niet gunde. En zo is Abel, deze Zoon van de Mens, degene die de lange rij opent van al diegenen die het onderspit hebben ,moeten delven. Van Abel af gaat er een bloedspoor door de wereld, dat om rechtvaardiging vraagt, om eerherstel ... En Jesus zal in die voetsporen treden van die bloedsporen ...

 

Petrus wil zich daar tegen verzetten. Maar in dat verzet van Petrus blijkt dat het niet zo eenvoudig is om tegen iemand te zeggen dat je weet wie Hij is. Want voordat je het weet ben je een Satan, alleen maar bedacht op wat de mensen willen, en niet op wat God wil. In het evangelie van joannes wordt gesproken over degenen wier vader de Satan is, die mensmoordenaar van den beginne. Wil Petrus zo treden inde voetsporen van Kaïn? Het is een huiveringwekkende passage die tot voorzichtigheid maant, tot grote bescheidenheid, tot ingetogenheid, en zeker niet tot schreeuwerige onbescheidenheid van eigen gelijk ....

 

Marcus 9,(2 - 13) 14 -29

De verheerlijking op de berg Thabor, of zo men wil op een van de toppen van de Hermon, - zie de vorige pericope, wordt overgeslagen. De verheerlijking op de berg is immers aan de orde op de tweede zondag van de Veertigdagentijd. Dat is de Zondag die het dichtst bij de laatste zondag van februari ligt. Het is de Zondag waarop het Oosten het feest viert van de Orthodoxie. De overwinning wordt gevierd op de beeldenstormers, die de Iconen uit de kerk wilden bannen. Meteen beroep op het verhaal van de verheerlijking op de berg is verdedigd dat God zich verheerlijkt toont in Zijn zoon, te aanschouwen voor Zijn  getrouwen. Psalm 89,13 is verantwoordelijk voor de identificatie van de berg van de verheerlijking op de Hermon of op de Thabor. Zo staat er geschreven: Thabor en Hermon juichen in Uw naam!

In de pericope Marc 9,14 -29 is er twist tussen de leerlingen van Jezus en schriftgeleerden. Jesus verbleef op de berg. Er is een man, een uit de schare, die zegt: Meester, ik heb mijn zoon tot u gebracht, die een stomme geest heeft ... De attente lezer zal zich toch even toch even de episode op de berg in herinnering moeten roepen. Op de berg heeft het geklonken: Dit  is Mijn geliefde Zoon,  hoort Hem. Hier horen we ook van een Zoon, maar deze zoon heeft een stomme geest. Hoe kan deze zoon gehoord worden als hij niet kan spreken? Hoe kunnen zij gehoor geven an deze zoon? Daarom wordt dit geslacht ook ongelovig genoemd, - de enige keer in het evangelie naar Marcus. De aandachtige lezer kan zich afvragen of de stomme zoon het ongelovige geslacht te weeg brengt, of omgekeerd. Maar deze kleine aanwijzingen kunnen de lezer op het spoor brengen om antwoord te geven op de vraag, waarom dit verhaal naast het verhaal geschreven is van de verheerlijking op de berg. En sterker nog waarom deze stomme geest alleen maar kan worden uitgedreven door bidden en vasten. Wordt de lezer zo ook niet herinnerd aan de veertig dagen en veertig nachten dat Moses vastop berg Gods, verslonden in het schrijven en herschrijven, overschrijven van het onderricht? En hoe Jesus in gesprek is met Elia en met Moses .....

 

Marcus 9,30 - 37

Zij vertrekken vandaar, en trekken rond door Galilea. Zeker niet doelloos, maar het doel blijft nog even verborgen. Dat wordt pas duidelijk vanaf hoofdstuk 10. Jesus wil ook niet dat iemand het wist. Het is ermee als met het bekend maken van Zijn Naam, Zijn programma, Zijn Naam en Zijn programma kunnen niet van elkaar worden gescheiden, de leer van Jesus kan niet tegen Zijn persoon worden uitgespeeld.  Hij leerde Zijn leerlingen, en weer leert Hij - om  zo te zeggen - zichzelf. En weer neemt Jesus die programmatische titel op de lippen: de Zoon des Mensen. Die titel is de naam die gegeven wordt aan allen die het voetspoor hebben getreden van Abel, de Zoon van de Mens, van Adam, af. Die naam herinnert aan de bedreigde situatie van alle broederschap in het land, op de aarde. We mogen zingen: zie hoe goed is het, en schoon als broeders ook tezamen leven. Maar met meer bescheidenheid zou die psalm moeten worden aangeheven: zie hoe goed zou het zijn als broeders tezamen leven zouden ... Het komt niet voor. Ja, een keer trekken broeders tesamen op. Het zijn er dan ook zeven: de zeven Maccabese broeders, die allemaal de marteldood sterven. De Zoon des Mensen zal overgeleverd worden in (de) handen van (de) mensen. Zijn  dat de mensen die Jezus hebben willen identificeren als Joannes de Doper, of Elia, of die Hem hebben beschouwd als een van de profeten? De dood van de Zoon des Mensen is geen ongrijpbaar fatum,  een blind noodlot. Door (de) mensen wordt hij overgeleverd; mensen die meer bedacht zijn op wat mensen willen, dan op wat God wil (vgl Marc 8,33). Huiveringwekkend staat er vervolgens geschreven: zij vertonden dat woord niet, en zij vreesden Hem te vagen. ook dit woord maant tot voorzichtigheid. Wie zijn wij dat wij menen dat wij dit wel zouden begrijpen?  We hebben de laatste jaren geleerd-, door ervaring (!?) wijs geworden - dat we uitermate voorzichtig moeten omgaan met de bijbelse woorden “oog om oog, tand om tand”. In menselijk verhoudingen kan zulk een vergeldende “gerechtigheid” niet het laatste woord zijn. (Als het dat zo ooit geweest is. De regel, - zo heet het, - is opgeschreven om d juiste maat te betrachten. Een geldboete is uiting van deze milde rechtspraak. Maar als de dood van Jesus in het geding is, zijn er die nog immer in  staat zijn de meest gruwelijk vergeldingstheorieën naar voren te brengen. We horen dan van een Vader in de hemelen, die door de zonde zo oneindig beledigd was dat Hij alleen maar door een oneindig offer kon worden verzoend ... en zo hebben wij ons gemakkelijk, te gemakkelijk in de rol van toeschouwers gemanoeuvreerd. De leerlinge  vrezen Hem te vragen, maar in stee daarvan blijkt in Kapharnaüm waarover zij op de weg gesproken hebben!  op die weg zijn zij met elkander in woorden geweest, wie de grootste zou zijn! Over een toeschouwersrol gesproken! Met de woorden van de Zoon des Mensen in de oren, met de huiveringwekkend geschiedenis van de broedermoord voor ogen, disputeren zij wie de grootste is; wie om zo te zeggen de doodsklap mag uitdelen, omdat hij de sterkste is. Om het onhoudbare van die situatie te doorzien, is er (altijd wel) een kind voorhanden, dat kind maakt Jesus tot middelpunt, Hij omhelst het ...  wie een van zulke kinderen ontvangt in Mijn Naam, ontvangt niet mij, maar degene die Mij gezonden heeft. Ook deze regel eist nauwkeurigheid. Deze regel kan niet beduiden dat wij heersen kunnen over kinderen, en dat wij hen als alibi mogen beschouwen voor al datgene waar wij geen zin (meer) in hebben; of al die dingen die wij te moeilijk vinden ....

 

Marcus 9,38 - 50

Dit is de laatste pericope van Marcus vooraleer hij Jesus de weg in laat slaan, de weg ten laatste naar Jerusalem.  Het laatste vers van hoofdstuk 9 leidt os naar het laatste vers van de profeet Jesaja. De aandachtige lezer van het evangelie naar Marcus weet dat het evangelie begonnen is met de eerste verzen van het troostboek van Jesaja (Jes 40). We kunnen zo gevoeglijk zegen dat boven de eerste negen hoofdstukken van Marcus, het gehele troostboek van Jesaja staat gespannen. In de synagoge heeft men weet van de verschrikkelijke verzen waarmee het boek van Jesaja eindigt.  daar als de laatste woorden van het laatste vers van Jes 66 hebben geklonken: en zij zullen alle vlees een afgrijzing wezen, herhalen ze onmiddellijk het voorlaatste vers van hoofdstuk 66

                        en het zal geschieden

                        dat van de ene nieuwe maan tot de andere

                        en van de ene sabbat tot de andere

                        alle vlees komen zal om te aanbidden

                        voor Mijn aangezicht, zegt de Heer ....

Ook Marcus heeft niet met hoofdstuk 9,48 willen eindigen. En zo heeft hij gecomponeerd: Het zout is goed, maar als het zout  zoutloos wordt, waarmee zal je het dan weer zout maken? Hebt zout in u zelf en houdt vrede onder elkander. Hier is in het Latijn (in de oude vertaling Itala) een interessant grapje gemaakt. Voor de (niet) kenners: Sal is zout in het Latijn. Van dat  Sal  heeft de Itala een niet bestaande vorm gemaakt Salem, - dat klinkt als sjalom, vrede. De tekst van Marcus gaat immers door en hebt vrede onder elkander. Vrede op verschillende wijze gespeld, maar toch vrede, krachtens die doop met vuur, dat gezouten worden met vuur .... Deze laatste verzen, wijzen weer terug naar het gein van onze pericope.  Joannes meldt dat zij iemand hebben gezien die duivelen uitwierp in Uw naam, maar hij volgt ons niet  ...heeft Joannes dat gezien op de weg waarover in Marc 9,33  gesproken is? Maar nu blijkt waartoe de vrede verplicht. Het uitdrijven van duidvelen is  iet gebonden, niet afhankelijk van de vraag: wie de grootste is;  een beker water zal zijn loon niet missen, Ook dat is niet afhankelijk van quasi- gewichtige vragen. Als deze vragen tot ergernis leiden is het slecht gesteld met de navolging van Jezus ... Door welke maatstaven worden wij geleid?  Hebt zout in u zelven, en houdt vrede onder elkander!

 

Am*dam juli 1997

© Ben Hemelsoet

 

 

 

Oecumenische viering Spaandam,

Negentiende zondag na Pinksteren,

28 september 1997

Laatste zondag van de vredesweek                                                                           

 

 

Marcus 9,38 - 50

We kennen de leuze: vrede en gerechtigheid, We hebben gehoord vrede en broederschap. Van veel verder weg is de drieslag tot ons gekomen: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Die drie vormden een politiek ideaal. Maar eenieder die iets weet van de geschiedenis van ons werelddeel weet hoe snel de broederschap als politiek ideaal het onderspit heeft moeten delven. Zo dat een zekere scepsis niet heeft ontbroken, zo niet cynisme, aan degene die enkele jaren geleden een boek opendeed over de franse revolutie onder de veelzeggende titel: vrijheid, gelijkheid, en de broederschap van Kaïn van Abel.  Het is daarom ietwat merkwaardig dat de laatste verzen van het negende hoofdstuk van het evangelie van Marcus officieel niet in het leesrooster staan afgedrukt.  de officiele lezing eindigt zo: indien uw oog u ergert werp het uit, het i beter met een oog in te gaan in het koninkrijk Gods, dan geworpen te worden in het gehenna, waar hun worm geen einde kent en het vuur niet wordt geblust. Maar de lezing vervolgt: Want alleman zal met vuur worden gezouten; goed is het zout, maar als het zout zouteloos wordt, waarmee zal het op smaak worden gebracht? Hebt zout bij uzelf, en brengt vrede onder elkaar. Het blijft gissen waarom die laatste woorden eigenlijk niet zouden worden voorgelezen. De laatste woorden van de worm die zonder einde blijft knagen, en de woorden van het vuur dat niet zal worden geblust, zijn letterlijk ontleend aan de laatste verzen van het boek Jesaja. Ten laatste is het oordeel geveld. “Maar het komt, dat ik vergaderen zal alle heidenen en talen, en zij zullen komen, en zij zullen mijn heerlijkheid zien. Ik geef hun een teken, en hun overlevenden zend ik naar de heidenen, naar Tarsis, Put, Lud en Mesek, Ros, Tubal en Jawan naar de verre eilanden, die mijn heerlijkheid nog niet hebben gezien, zij zullen mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. dan brengen zij al uw broeders uit de heidenen mee, als een offer voor de Heer ... naar de berg van Mijn heiliging Jerusalem, zoals de zonen van Israël in rein vaten naar he huis des Heren brengen, zegt de Heer. en ook uit hen zal Ik priesters en levieten kiezen, zegt de Heer.  want zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde die ik ga maken voor Mijn aangezicht blijven bestaan, godsspraak van de Heer, zo zal uw zaad en uw naam bestendig zijn. van nieuwe maan tot nieuwe maan, van sabbat tot sabbat zal alle vlees komen om te aanbidden voor Mijn aangezicht zegt de Heer” Welk een visioen. Alle volkeren, joden heidenen, zullen komen om te aanbidden het aangezicht des Heren: een wonderlijke broederschap. Vrede alom, verzoening gesticht. Wie droomt daar niet van: dromen van vrede. Het heeft zijn pendant in het evangelie van Mattheüs, als hij schrijft: als de zoon des mensen komt en al zijn heiligen met hem, dan zullen alle volkeren voor hem worden verzameld, één synagoge ... We moge ons verheugen op dat visioen, in dat perspectief. Maar u weet dat op die verstrekkende belofte het verhaal volgt van het laatste oordeel, dat er scheiding gemaakt wordt tussen schapen en bokken .. en we houden onze adem in. Als dat vervolg niet in het evangelie zelf had gestaan, zouden wij er nooit op gekomen zijn om dit verhaal te verzinnen. Het is duidelijk: at verhaal wordt niet verteld om ons te vertellen hoe her er bij het laatste oordeel aan toe zal gaan, integendeel: het verhaal wordt verteld om ons in te scherpen dat het er bij het laatste oordeel niet zo aan toe hoeft te gaan. want de maatstaf is gegeven: wat gij  aan de minste van Mijn broeders hebt gedaan, at hebt ge aan mij gedaan ....Bij de profeet Jesaja doet zich iets soortgelijks voor.  Als die glorieuze voleinding is geschilderd, lezen wij: wanneer zij naar buiten gaan, zullen zij de lijken zien van de mensen die tegen Mij in opstand zijn gekomen. Hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet geblust worden, en zij zullen weerzinwekkend zijn voor alle vlees ... (Jes 66,18 -24) Moet zo de poëzie van Jesaja eindigen, zo huiveringwekkend, zo afschrikwekkend?    In de synagoge is het daarom gebruik als deze tekst van Jesaja wordt gelezen onmiddellijk na het laatste vers van Jesaja, het voorlaatste vers nogmaals te lezen. Dat voorlaatste vers dat dan niet als een constateren moet worden verstaan maar als een oproep, om datgene te doen waardoor de gruwel van dat laatste vers zijn dreiging kan verliezen. Want zo zal het geschieden: zij zullen komen van nieuwe maan tot nieuwe maan, en van sabbat tot sabbat om te aanbidden .... Er is ook op een nadere manier omgegaan met de impasse die met deze tekst gegeven is In de Targum de verklarende , parafraserende vertaling in het Aramees wordt dat laatste vers van Jesaja, dat vers van die worm die knagen blijft zo uitgebreid: de boosdoeners zullen worden geoordeeld in het gehenna totdat de gerechtvaardigde zullen zeggen met betrekking tot hen: wij hebben genoeg gezien, het is genoeg .....Maar Marcus geeft zijn interpretatie aan, van die impasse waarmee de voorlezers in de synagoge hebben gezeten: hij mijmert verder. hij mijmert door, op dat vuur dat niet wordt geblust, en hij weet niet alleen van een vuur dat niet wordt geblust maar ook van een reinigend vuur, en van het zout der wijsheid, de wijsheid die bederfwerend is. Het tegengif tegen die eeuwig knagende worm. Want voor Marcus kan dat ook het laatste woord niet wezen, niet in  die zin dat alles sal reg kom, of burgerlijker alles komt toch op zijn pootjes terecht, er is een weg gewezen naar die voleinding, naar die voltooiing, naar die verzoening, het zuiverende zout van de wijsheid, met de gloed van vuur, de gloed van de belofte. Daarbij zijn wij geen buitenstaanders, geen toeschouwers, het is geen ideologie, geen optimistische visie op de toekomst. Het is een wijs programma brengt vrede onder elkaar. Dat is de praktische consequentie van  van nieuwe maan tot nieuwe maan, van sabbat tot sabbat komen om te aanbidden voor het aangezicht van onze God. Onze dienst hedenmorgen is in alle opzichten een dienst van verzoening, een dienst waarin we weten dat wij smaakmakers willen zijn omdat wij vrede onder elkander willen brengen: vrede, verzoening, omdat wij willen weten dat de scheidsmuren (meervoud)niet tot in de hemel reiken, integendeel, Christus zelf heeft de scheidsmuur (enkelvoud) afgebroken. Onze bijeenkomst hier is toch geen voorbij waaiende herfststorm, van voorbijgaande aard, en dan zien we in Januari wel weer verder. Het is een dienst om vrede te brengen onder elkaar. Het kan toch niet zo zijn als in die advertentie voor dat ene merk Ketchup, voortaan toch maar weer die andere ...welke andere? Onze eigen liederen, de ons vertrouwde zetting van de psalmen, vasthouden aan eigen liedboeken en randstedelijke bundels.   Keer op keer zoeken wat we gezamenlijk hebben, en ternauwernood iets van elkaar leren. Zeker geen boos opzet! Want eens als de bazuinen klinken, eens, ooit, nu nog niet, liever niet, - maar eens als de bazuinen klinken, heeft Tom Naastepad ook gedicht:

                                                als de graven openbreken

                                                en de mensenstroom vangt aan

                                                om de loftrompet te steken

                                                en uw hofstad in te gaan

                                                Heer, laat ons dan niet ontbreken

                                                want de traagheid grijpt ons aan

Het is geen lied als een fata morgana, een luchtspiegeling, maar een wenkend perspectief. In dat wenkend perspectief moet onze traagheid worden bezworen, onze gezapigheid, ook onze kerkelijke gezapigheid. De laatste verzen van het negende hoofdstuk van Marcus, zijn de verzen die Galilese omwandeling van Jesus afsluiten, na deze verzen wordt de weg naar Jerusalem ingeslagen, is Jerusalem het einddoel, de stad op berg die niet verborgen kan blijven. Die laatste verzen schilderen hoe opgewekt wij die weg naar Jersualem kunnen inslaan, - als de graven openbreken, - en wij opnieuw geboren worden, om de loftrompet te steken, om uw stad in te gaan (een kleine hommage van Thomas aan zijn geboortestad den Haag!) In de katholieke doopliturgie wordt aan de dopeling ietwat zout op de lippen gelegd. Er wordt bij gezegd: accipe sal sapientiae, ontvang het zout der wijsheid. Daarom kan Marcus zeggen, hebt zout bij uzelven. Zout in het Latijn is sal. In de oude Latijnse vertalng staat te lezen habete salem in vobis. Een taalfout met voorbedachte rade. Sal is onzijdig, een heeft geen veranderende vierde naamval. Maar in dat woord salem horen  wij zelfs nog het Hebreeuwse šalom, en zo laat de vertaler zout en vrede, “het verbond van zout” op elkander rijmen. Zo kunnen wij vrede brengen aan elkaar,  zo overwinnen wij de scepsis, van vrijhdeid gelijkheid, en de broederschap van Kaïn en Abel. Tenminste als wij elkander hartelijk de vrede brengen, daarom reiken wij hier elkander de hand als wij het gebed mogen bidden, met ongesluierd gelaat, zonder bijbedoeling, met een verheven hart, het zout der wijsheid op onze lippen, de vrede verkondigend, het gebed dat Jesus ons heeft geleerd. Zo geve God!

 

Am*dam, 25 september 1997

© Ben Hemelsoet

 

 

 

Twintigste Zondag na Pinksteren,

Zeven en twintigste zondag door het jaar, 

Diemen 5 october 1997

 

Genesis 2,18 – 24

Hebr 2, 9 – 11

Marcus 10,2 - 16

 

Het is Kinderboeken week, het is bovendien Wereldkindermissiedag, en in het evangelie van vandaag horen we de Pharisaeëen de intrigerende vraag stellen is het een man geoorloofd zijn vrouw heen te zenden? Het zal allemaal wel niet met elkaar te maken hebben! De Pharisaeëen, zo zegt Marcus, stelden die vraag om Jesus op de proef te stellen, om Hem te bekoren. De boze bedoelingen worden door Marcus gelijk aan de kaak gesteld. De Pharisaeën stellen deze vraag niet uit een burgerlijke belangstelling, niet uit een wijze, al of niet behoudende verontrusting aangaande de verwildering van de zeden. De jongelui van tegenwoordig die doen maar, dat hadden wij vroeger eens moeten proberen. De Pharisaeën stellen die vraag niet om van Jesus te weten te komen wat Hij daar nu eigenlijk van vindt.

Jesus zal er, zo kunnen we aannemen, in het algemeen wel tegen geweest zijn, en wie niet? Scheiden doet lijden, er is ook een teleurstelling in aanwezig, er is niet uitgekomen hetgeen voor enkele jaren zo vol vreugde en verwachting was begonnen. Bij een echtscheiding blijkt dat mensen zich hebben vergist, in elkaar, in het gezamenlijk leven. Daarom is deze tekst moeilijk, als we niet van het begin af aan in het oog houden dat de Pharisaeën Jesus op het oog hebben, zij willen Hem bekoren. Zij willen van het begin af aan geen oordeel over anderen, zij willen iets te weten komen over Jesus zelf. Dat is moeilijk, omdat wij op het eerste gezicht ook willen horen wat Jesus  nu wel vindt van echtscheiding.

Het kan niet zijn dat wij uit het antwoord van Jesus een argument zouden kunnen ontlenen om een oordeel over anderen te vellen, om zelf  buiten schot te kunnen blijven. Daarom is het goed dat wij ook het eerste vers van dit hoofdstuk horen, om te weten bij welke gelegenheid de Pharisaeën Jesus op de proef willen stellen.

 

Marcus schrijft het zo: Hij vertrok vandaar en ging op weg naar het gebied van Judea, naar de overkant van de Jordaan, en wederom trokken vele scharen naar Hem, en volgens gewoonte gaf Hij hun wederom onderricht. De goede verstaander weet dat Jesus in dat eerste vers van dit hoofdstuk Galilea verlaat, om zich te wenden naar Jerusalem, om daar Zijn lijden en dood te aanvaarden. Alle aandacht van Jesus wordt van nu af aan bepaald door Jerusalem. De evangelist Lucas zal het zo zeggen: Hij richt Zijn aangezicht op Jerusalem, Jesus is van dat moment een en al oog voor die stad op de berg die niet verborgen kan blijven.

Wij die iets van Jesus menen te weten, weten van zijn liefde voor Jerusalem, hoe Hij hete tranen heeft geschreid om die stad. Kortom hoe Hij niet heeft willen scheiden van die stad, hoe Hij niet heeft willen scheiden van die stad. Ja hoe Hij zelf op de dag van Hemelvaart aan Zijn apostelen de opdracht heeft gegeven niet te scheiden van Jerusalem. Wij weten hoe niets Hem heeft kunnen tegenhouden.

De Pharsiaeën worden door Marcus hier geplaatst om hun verzoekende, bekorende rol te spelen, om dwarsliggers te zijn, en om zo doende de onwankelbare trouw van Jesus ten opzichte van Jerusalem, Zijn bruid in het licht te stellen. De Pharisaeën worden hier opgevoerd, betreden hier het toneel om Jesus’ trouw te betuigen. Zij komen met de ons bekende vraag: is het een man geoorloofd zijn vrouw heen te zenden. Nu kan het nog duidelijker gezegd worden. Als het alleen maar een nieuwsgierige vraag van hen was om te weten te komen wat Jesus eigenlijk dacht van de (vele) echtscheidingen in onze dagen, hadden zij gemakkelijk een ander moment kunnen uitzoeken. Maar de vraag moet blijven, waarom stellen zij die tartende vraag uitgerekend nu Jesus resoluut de weg in slaat naar Jerusalem, nu Hij zo vol trouw, onwankelbaar Zijn bruid tegemoet wil treden?

Het is niet zozeer datgene wat Jesus leert aangaande de echtscheiding, als wel wat ons de vraag van de Pharisaeën leert aangaande de betrouwbare trouw van Jesus ten opzichte van Zijn stad! Jesus verwijst naar het onderricht van Moses. Hoe zoude Hij ook anders kunnen. Hij zelf is immers getrouw geweest aan het onderricht van Moses met geheel Zijn hart, geheel Zijn ziel, en al Zijn krachten. Als de Pharsiaeën Jesus al uit zijn tent willen lokken, zullen zij dat moeten doen met een beroep op het onderricht van Moses. De Parisaeën zetten hoog in.Moses heeft toegestaan een scheidsbrief te schrijven. Er blijkt dus een mogelijkheid te zijn, zo op het eerste  gehoor. Maar al diegene die vertrouwd is met de schriften weet dat nog in het onderricht van Moses, noch bij de profeten een verhaal gevonden wordt waarin een man een scheidsbrief schrijft voor zijn vrouw. Moses heeft het toegelaten, maar er is nergens een geval opgetekend waarbij dit ook feitelijk is gebeurd. Negens lezen we dat een zekere Joachim voor ene zekere Anna zo’n brief heeft geschreven, of een zekere Simon voor Miriam. Nee, als de scheidsbrief al vermeld wordt bij de profeten, dan wordt die scheidsbrief vermeld in verband met de trouw van God voor Zijn volk. God zegt: en laat die scheidsbrief dan maar eens zien waarmede Ik u zou hebben verstoten, zo’n brief bestaat niet eens. En een andere profeet durft het aan om zo te schrijven: en als Ik al een scheidsbrief zoude hebben geschreven:Ik verscheur die brief voor uw ogen. Nee, met die scheidsbrief maken zij geen goede beurt. De lieve Heer heeft met die scheidsbrief niet als dreigbrief voor Zijn volk geschreven, dat is niet alleen Zijn eer, maar bovenal Zijn trouw te na. En als Moses die scheidsbrief als mogelijkheid toegelaten, Jesus legt de onmogelijke mogelijkheid daarvan bloot. Vanwege de hardheid van uw hart, vanwege uw versteende harten, vanwege uw harteloosheid, dat eigengereide gecultiveerde eelt op ziel. Maar late we de tekst niet uit het oog verliezen.

Jesus is aangesproken, Hij spreekt voor zichzelf, Hij past de teksten op zichzelf toe, en Hij maakt duidelijk dat de hardheid van het gemoed, de verstening van het hart niet op Hem van toepassing is. Het beroep op de scheidsbrief die Moses heeft toegelaten is een wel uitermate slecht gekozen beroep op een tekst nu de betrouwbare trouw van Jesus ten opzichte van Jerusalem in het geding is. De betrouwbare trouw van Jesus is het beeld van de betrouwbare God ten opzichte van Zijn volk .... Daarom kan Hij aanhalen hoe het was in den beginne. Hoe het was, en zou moeten zijn, als de trouw beleefd zou worden in het beeld, en de gelijkenis van God.

Nogmaals Jesus spreekt voor zichzelf, Zijn verhouding tot Jerusalem wordt belaagd, Zijn trouw wordt op de proef gesteld. Jesus doet hier geen algemene uitspraken, als wij daarmede anderen zouden kunnen veroordelen. Hij blijft spreken voor zichzelf, en voor Zijn bruid Jerusalem. Die band Jesus en Jerusalem, is door God gesticht, daar zal geen mens een wig tussen kunnen drijven. Als zij thuis gekomen zijn, en de leerlingen vragen Jesus daarover dan mogen wij weten dat het nog steeds niet over een echtscheiding in het algemeen gaat. Ook in de vraag van de leerlingen blijft de trouwe trouw van Jesus het onderwerp van gesprek. Wie zijn vrouw verstoot en een andere huwt begaat overspel. Lees: als Ik Jesus, Jerusalem zou verstoten terwille van een andere bruid dan zoude Ik overspel begaan. We mogen hiervan leren hoe trouw de trouw van Jesus voor Jerusalem.

Wij zijn niet gewend zo te spreken over Jerusalem. Als we al over Jesus spreken, en we willen iets van Hem zeggen dan spreken we van Jesus van Nazaret, - hoewel Hij in Betlehem is geboren, we noemen Hem nooit Jesus van Betlehem! Maar als we zeggen Jesus van Nazaret, dan mogen we weten dat we zijn naam maar ten halve zeggen, we noemen dan maar de helft van Zijn Naam, want Zijn complete Naam luidt: Jesus van Nazaret tot Jerusalem. HIj is perslot van rekening van adel, Hij is uit het Koninklijke geslacht van David, en heeft derhalve recht op een dubbele Naam. Helaas zijn we daarmee niet altijd vertrouwd gemaakt. Wij knipperen ietwat met de ogen als we in een lied zingen: Jerusalem gij zijt de troost der schriften ...

 

Jesus heeft Jerusalem getroost door Zijn onwankelbare trouw,  Zijn betrouwbare trouw. Die trouw van Jesus is zo weergaloos, zo onbeschrijfelijk, zo verbazingwekkend, dat zelfs trouwe echtgenoten die trouw nooit zullen evenaren, zij mogen weten dat hun trouw geborgen is in die barmhartige trouw die Jesus Jerusalem is toegedaan; zij die het zogenaamd niet hebben gehaald zullen zich in de barmhartigheid van Jesus’ trouwe betrouwbaarheid mogen blijven koesteren. want ook hier geldt: niet om te oordelen ben Ik gekomen. Het moet toch troostend zijn, dat als er gesproken is van Jesus’ trouw voor Jerusalem, de evangelist niets beter weet te doen dan de vruchtbaarheid van die trouw van Jesus te beschrijven: er worden kinderen tot Hem gebracht ...

In de bescherming van Jesus’ barmhartige trouw,  gaan wij die gemeenschap met Hem vieren. Wij zullen bidden: let niet op mijn zonden, maar op die betrouwbare trouw die Gij nog steeds  deze gemeenschap toedraagt, - ook in dit huis: zo geve God!

 

Am*dam 2 october 1997

© Ben Hemelsoet

 

 

 

[de open ark

11 september 1997

Markus 10]

 

Marc 10, 1- 16

Met Marcus 9,50 eindigt het eerste gedeelte van het evangelie volgens Marcus.  Het begin van het evangelie van Marcus is immers begonnen met een lezing van de profeet Jesaja, hoofdstuk 40: het begin van het “Boek van Troost”: Troost, troost Mijn volk, of anders: Mijn volk, gij kunt op uw beurt nu anderen troosten, want de Heer heeft u troost geschonken, omdat Hij de gevangenschap van Sion heeft gekeerd. Wij kennen die psalm (126):

                        toen God de gevangenschap van Sion keerde,

                        waren wij gelijk degenen die dromen ...

Of zoals het Liedboek zingt:

                        Toen God de Heer uit ‘s vijands macht

                        Sions gevangen weder bracht

                        en ons verlost’ uit nood en pijn

                        scheen het een blijde droom te zijn ...

De woorden “Troost, troost, mijn volk” klinken in het Latijn van Sint Hiëronymus zo “Consolamini, consolamini, popule meus” Toen deze geweldenaar psalm 126 in het Latijn vertaalde heeft hij inde psalm niet de droom laten dromen, maar hij heeft vanwege een geweldige Bijbelse samenhang ”vertaald”: waren wij als getroost. Natuurlijk heeft hij geweten hoe hij “dromen” in het Latijn zou hebben moeten vertalen, maar hij kiest voor “waren wij als getroost” om zo deze psalm  te lezen als een vervulling van hetgeen in Jesaja 40,1 v.v. te lezen staat. Vertalenderwijs heeft hij een Bijbelse samenhang vertaald, om zo te onderstepen hetgeen Luther later zo zou zeggen sacra scriptura sui ipsius interpres de schrift is van zichzelf de interpreet. Zo wordt de samenhang in herinnering geroepen! Boeven de eerste negen hoofdstukken van Marcus staat het troostboek van Jesaja gespannen, en vandaar wil Marcus aan het einde van hoofdstuk 9 de laatste verzen in herinnering roepen van het tweede gedeelte van Jesaja. Die troost overheerst, en als die troost tot het einde is gespeld, kan ten einde raad Jerualem in het vizier komen, krijgt de lezer uitzicht op die stad die niet verborgen kan blijven.

Die prophetische samenhang gaat ietwat verloren, als in onze Bijbeluitgaven geschreven staat Over de echtscheiding. (Statenvertaling, Lutherse vertaling, Willibrordvertaling ‘98 de Lutherse vertaling  heeft als titel De heiligheid van het Huwelijk. NBG ‘51 alleen heeft: Naar Jerusalem. Gesprekken op de reis)  Het ligt ogenschijnlijk voor de hand om deze pericope zo te benoemen, maar dat gaat wel ten koste van veel Bijbelse vroomheid. Het grote gevaar dreigt dat zo deze pericope alleen gelezen wordt met het oog op de vraag: wat leert Jesus aangaande de echtscheiding? Dat Jesus voor de echtscheiding zou zijn ligt immers niet voor de hand. Maar op die manier lopen we het grote risico dat we ons niet meer verdiepen in de vraag waarom deze vraag aangaande de echtscheiding uitgerekend op deze plaats in het evangelie wordt aangetroffen. We hebben ternauwernood geleerd  dat de exegetische vraag niet alleen maar is wat staat er? maar ook waarom staat het er zo, en niet anders? en nog minder om ons af te vragen waarom staat het op deze plaats?  Deze laatste vraag is van groot belang vanwege de Bijbelse samenhang van het evangelie van Marcus. Het gaat niet aan om alleen maar te vragen hoe waren de opvattingen in het eigentijdse milieu van Jesus, en hoe stelt Jesus zich op in dat debat. We zullen moeten leren de vraag anders te stellen. Het gaat er niet alleen om te vragen wat leert Jesus aangaande de echtscheiding, maar veeleer om de vraag: wat leert de verzoekende vraag van de Pharisaeën aan Jesus ons omtrent Jesus zelf. De Pharisaeën verzoeken Jesus-en-zijn-verhouding-tot-Jerusalem. Anders gezegd is Jesus met een beroep op de schriften bereid een scheidsbrief voor Jerusalem te schrijven. Wil Hij Jerusalem, Zijn bruid  heenzenden, wil Hij zo bezwijken aan die Pharisese verzoeking? Wil Hij zo afzien van op te gaan naar Jerusalem; maar hoe zou dan troost gebracht kunnen worden aan die stad; hoe zou dan aan Sion  verkondigd kunnen worden: uw God is Koning. Wat zou ervan het evangelie terecht zijn gekomen: het Koninkrijk is nabij gekomen? Is dit geoorloofd?  De scheidsbrief moet niet als een sociologische phenomeen in Israël. Nergens in de schriften wordt een verhaal verteld waarin een Joodse man, aan voor zijn Joodse echtgenote een scheidsbrief zou hebben geschreven, ondanks hetgeen in Deuteronomium 24,1. De scheidsbrief komt tweemaal voor bij de profeten. De eerste maal in Jesaja 50,1 v.v:

                        Waar is de scheidsbrief van ulieder moeder,

                        waarmee ik haar heb heengezonden ....

In Jeremia 3,8 v.v luidt het zo:

                        en Ik zag als Ik ter oorzake van alles

                        waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had

                        haar verlaten

                        en haar een  scheidsbrief gegeven had

                                                .........

maar zo luidt het in vers 17 [zij hebben zich bekeerd} en derhalve:

                        te dier tijd zullen zij Jerusalem noemen: des Heren troon,

                        en al de heidenen  zullen vergaderd worden,

                        om des Heren Naams wil te Jerusalem

                        en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart!

De scheidsbrief dient om de verhouding van de Heer tot Zijn volk aan te duiden. De scheidsbrief kan niet definitief zijn. De scheidsbrief is een metaphoor om de onmogelijkheid van een scheiding van God en Zijn volk te onderstrepen. Het komt mij voor dat Paulus erop zinspeelt als hij in Kolosenzen 2,14 schrijft: “hij heeft het handschrift met al haar bepalingen die in ons nadeel was, en tegen ons getuigde verscheurd. Hij heeft  haar uit ons midden weggenomen en aan het kruis genageld”.

Deze beelden worden, - naar het mij voorkomt, - node gemist in het huidige debat aangaande de verzoening, een debat dat niet zozeer wordt beheerst door Bijbelse noties als wel door een de kramp van een theologische beklemming.

 

Pharisaeën komen toe, als Jesus naar gewoonte zijn onderricht geeft, als Hij definitief de richting naar Jerusalem is ingeslagen. Dat is het geschikte moment om Jesus te verzoeken, zijn relatie tot bruid Jerusalem te beproeven. Het blijkt dat niets Jesus van Jerualem zal kunnen scheiden, zelfs geen beroep op de scheidsbrief. Het wordt duidelijk Moses heeft dit geschreven met het oog op de hardheid van hun gemoed; maar dan is het wel tekenend dat de schriften geen enkel verhaal vertellen waar die hardheid van gemoed tussen man en vrouw aan de orde komt. (Voor alle duidelijkheid: er is er een die overweegt zijn bruid in stilte heen te zenden; dat staat te lezen in Mattheus 1. Joseph wil haar niet in stilte verlaten: hij wil haar heimelijk heen  zenden. En op de dag van Hemelvaart zegt Jesus tegen Zijn leerlingen dat zij niet mogen scheiden van Jerusalem; zij mochten wel trouwen, maar niet scheiden van Jeruzalem, met die stad zijn zij getrouwd). In de verantwoording van Jesus met een beroep op de eerste bladzijden van Genesis wordt duidelijk, blijkt dat de verhouding van man en vrouw gemeten wordt, afgemeten wordt aan de verhouding van Jesus en Jeruzalem, niet omgekeerd. Als Paulus in de brief aan de Ephesiërs schrijft dat de man het hoofd van de vrouw is, sanctioneert hij daarmee niet burgerlijke omgangsvormen. Want ook voor Paulus is duidelijk dat de man die het hoofd van de vrouw zou zijn, zich moet laten leiden door de verhouding van Christus ten opzichte van Zijn gemeente; in genen dele is er reden to besmuikt gegniffel als deze tekst wordt voorgelezen in de gemeente. Wie haalt de weergaloze trouw van Jesus voor Jerusalem, wie kan zich meten met Zijn liefde voor Zijn gemeente?

Wat God samengevoegd heef is allereerst de bruidsverhoudng van Jesus tot Jerusalem, daaraan moet alle spreken over trouw en ontrouw worden getoetst. Daarom kan de positie van Jerusalem niet genoeg worden  onderstreept. Biddend wordt dat onderstreept: Erbarm u over de stad, die u is toegeheiligd, over Jerusalem de plaats van Uw rust. Vervul Sion met de roem van Uw daden, en Uw heiligdom met Uw heerlijkheid (Sirach 36,15 -16)  Zo kunnen kinderen tot Jesus worden gebracht, want de liefde van Jesus voor Jerusalem blijkt vruchtbaar, en al zijn kinderen zijn hem welkom, hi heet hen hartelijk welkom, hij omhelst, en hij wil niet dat iemand die stroom van kinderen doet stokken. Wie het koninkrijk niet aanvaardt als een kind, dat is ook wie het koninkrijk niet aanvaard als een vrucht van de liefde van Jesus voor Zijn bruid, Zijn stad. Dat zullen ouders hun kinderen moeten leren. De status van het  kind is, zoals daar in het evangelie over gesproken wordt is geen geboorterecht, is niet met de geboorte gegeven. De status van het kind wordt openbaar als de innige verhouding van Jesus en Jerusalem aan het licht gekomen is, als Jesus de tartende verzoeking van de Pharisaeën heeft weerstaan. Het gaat niet om de onweerstaanbare onschuld van een kind, het gaat om de niet te stuiten aantrekkingskracht van Jesus voor Jerusalem, Zijn geliefde. In die liefde houdt de onbevangenheid van groot tot klein stand, een onbevangenheid die niet mag slijten, die niet kan slijten met het klimmen der jaren. Zo zij ons alleen de handen opgelegd. Daarom moge kinderen in ons midden staan, niet vanwege kinderlijke onbevangenheid in het algemeen, maar vanwege de weg die daar gewezen wordt naar de allesomvattende liefde van jesus voor Zijn gemeente, die thuis is in Jerusalem!

 

Marcus 10, 17- 31

Hetgeen nu volgt, volgt nog steeds uit de vruchtbare verhouding van Jesus tot Jerusalem. Zij brengen kinderen tot Hem ... Daarom wordt er met zoveel nadruk weer gesproken over het Koninkrijk Gods (vers 14; 15; 23; 24; 25 en kan in vers 32 worden vervolgd met de naam van de bruid: Jerusalem. Een jongeling loopt hem tegemoet, als Jesus voortgaat op de weg (naar Jerusalem). De weg is de weg die door de liefde van Jesus voor Zijn bruid wordt gedicteerd! De evangelist zegt het nog scherper op die weg loopt een jongeling hem vooruit. (Een van  die kinderen? Overmoedig, enthousiast?) Goede Meester, wat moet ik doen om  het eeuwig leven erfelijk te bezitten? Voor alle duidelijkheid: erfelijk bezitten is deel hebben aan de beloften die gedaan zijn Abraham en aan zijn zaad. Erfelijk deel hebben op een betrouwbare wijze,. betrouwbaar tot in eeuwigheid! Dat is ook: welke weg moet ik bewandelen. Het spel van de evangelist is wonderlijk: Jesus gaat voort, Hij trekt uit op de weg, en de jongeling loopt Hem vooruit op die weg, en vraagt naar die weg. Vraagt die jongeling, in de setting van het verhaal niet naar de bekende weg? Hij kent toch de geboden? oor een goed verstaan, en ten overvloede: de geboden zijn niet alleen maar du sollst, je moet. De geboden zijn ook beloften!! Ik ben de Heer, uw God die u uit Egypte hebt bevrijd, als jullie het met mij willen wagen, dan zullen jullie komen in een land waar je niet meer hoeft te stelen en te bedriegen, waar relatie worden gerespecteerd, en niet valselijk wordt gezworen, waar de jalousie is uitgebannen. De jongeling durft te zeggen dat hij dat verlangen heeft gekoesterd vanaf zijn jeugd. Heeft die jongeling zijn kinderlijke onbevangenheid bewaart vanaf het prille begin, of meent hij dat jeugdige onbevangenheid voldoende is?  Heft hij de geboden alleen maar gezien, gehoord als datgene wat voorgeschreven is, en heef hij de beloften daarin niet ontwaard?   Heeft hi toch een niet geheel en al complete voorstelling van de ver-strekkende beloften die met de geboden zijn gegeven?  Hij moet aan de armen geven. want hoe is het gesteld met iemand die de armen niet ziet staan. Wat is het voor een rijke die zegt: die zegt: ik ben rijk, ik heb me verrijkt, en ik heb niets en niemand nodig? (Openbaringen 3,17). heeft hij weet van wat het zeggen wil: indien uw broeder arm gemaakt geworden is onder u ... (zie Deut 15,7 v.v) De arme in de  schriften is een van onze broeders, die door gebrek aan broederschap arm gemaakt is .... (vgl. Vrijheid, Gelijkheid, en de Broederschap van Kaïn en Abel)  Bevond die jongeling zich wel op die weg, of was hij gezeten, wel gesteld en wel voorzien? het verhaal van de rijke jongeling is de noodzakelijk evangelische  correctie op ons optimisme: zo gij niet word als kinderen ...Die jongeling had namelijk zo veel, dat hij aan om zich heen kijken niet eens  toegekomen. De evangelist merkt het fijntjes op: Jesus keek om zich heen (vers 23) ... Wat is het toch moeilijke voor rijken om het Koninkrijk binnen te gaan. Het is net zo moeilijk als de spreekwoordelijk kameel door het oog van de naald. De vrome phantasie heeft zelfs een poort in Jerusalem geconstrueerd, zo smal dat een hoog bepakte kameel van al zijn last moest worden ontdaan om door  die poort heen te kunnen gaan. Misschien ligt aan dit verhaal het feit ten grondslag dat de ingang van de kerk van de geboortekerk in Bethlehem zo klein is dat men er niet hoog te paard gezeten kan binnengaan. Maar ondanks dit: het beeld is helder, het spreekwoord ook. En een ieder moet zich met de leerlingen afvragen: we kan dan gered worden? Zou Petrus het hebben begrepen, die zo overtuigend weet te zeggen dat zij alles hebben verlaten? Kent hij de consequenties ervan met de vervolgingen? Jesus doet hem de belofte van honderdvoud ....We kennende uitdrukking van een honderdvoudige oogst uit de parabel van de zaaier, maar ook uit het verhaal van de zoon van Abraham die in dat jaar in het land zaaide, en droeg honderdvoudige vrucht (Gen 26,12) In het Hebreeuws staat er Me’a Še’arim dat ook gelezen kan worden als honderd poorten, de naam van de Orthodoxe wijk in Jerusalem. De vervulling van alle beloften gedaan aan het zaad van Abraham . Een van de Aramese Targums leest als verklarende  paraphraserende vertaling: Isaak zaaide in dat land ter wille van de aalmoezen en hij oogstte in dat jaar honderdvoud, evenveel als hij had geschat. De toevoeging van de aalmoezen geeft hier te denken, mag ons ook  te denken geven.         

 

 

Marcus 10,32 -45

Misschien moet Marcus 10,32 maar zo vertaald worden: en zo waren zij opgaande naar Jerusalem. Zij gaan op met al die verlangens, met al die vermeende zekerheden, en Jesus ging voor hen uit. En zij waren verbaasd; zij volgden Hem, en waren bevreesd. Dan volgt wat wij doorgaans (doorgaande naar Jerusalem) een lijdensvoorspelling noemen.  Jesus zegt wat de Zoon des Mensen zal overkomen. Waarom hier weer die mysterieuze titel? Waarom wordt hier weer de herinnering aan die Zoon van de Mens, de Zoon van Adam: Abel in herinnering geroepen, het eerste slachtoffer van broedermoord. (IJdelheid der ijdelheden, en alles is ijdelheid ... dat kan ook gelezen worden als Abel, en al maar Abel, alles is Abel ....) Zij zullen met die Zoon van de Mens, met zie Zoon van Adam, die Abel doen wat zij willen (vgl Marcus 9,13)

Jacobus en Joannes komen op Jesus toe. hebben zij niet gehoord wat Jesus gezegd heeft over het lot van de zoon  des mensen? Komen daarom twee broeders naar Jesus? Welke broederschap vertegenwoordigen die  twee? Zij willen rechts en links zetelen als Jesus komt in Zijn heerlijkheid. De lezer(es) weet wanneer er weer geschreven zal worden van rechts en links in het evangelie. En zij kruisigden met hem twee boosdoener, een ter rechter- en een ter linkerzijde. Daar kunnen wij lezen wat die twee broeders hebben gevraagd (en zij wisten het niet ...)

Hebben zij niet begrepen, wat wij wel zouden hebben begrepen hoe het er temidden va de machthebbers van deze wereld aan toe gaat? Wie onder u groot wil wezen, hij moet uw dienaar zijn .....

 

Marcus 10,46 - 52

Wie kan wat er in het voorgaande verteld is doorschouwen? Een blinde die voorbij Jericho land de weg zit te bedelen. Hij slaat de goede toon aan. Hij roept Jesus zoon van David eleison ..... Hij roept om barmhartigheid, en vanuit die roep om barmhartigheid, om ontferming. Hij ziet, hij doorziet het geheim van de zoon van David, en hij volgde Jesus op de weg naar Jerusalem ... Die roep  om ontferming is door de omstaanders niet tot zwijgen te brengen. Die roep om ontferming wordt gehoord. Zo blijkt ook de weg van jesus een weg van ontferming te zijn.

 

Am*dam 11 september  1997
© Ben Hemelsoet             

 

Twee en twintigste zondag na Pinksteren

29ste door het jaar

Diemen, 19 october 1997

 

Jesaja 53,10 -11

 Hebr 4,14 -16

Marcus 10, 35 - 45

 

We vervolgen vandaag de lezing volgens Marcus. Vervolgen? Nu ja, we slaan wel wat over. We horen niet dat Jesus op weg is naar Jerusalem, en dat hij daar aan de heidenen zal worden overgeleverd. Misschien is de eerste lezing, een luttele verwijzing naar het 53ste hoofdstuk van de profeet Jesaja nog een kleine herinnering aan. Maar vandaag horen we hoe de zonen van Zebedaeüs, Jacobus en Joannes, die twee gebroeders, die hun vader en het schip en de huurlingen verlaten, en Jesus volgen. Die twee zijn erom zo te zeggen van het begin af aan bij(geweest). Zij hebben alles gehoord wat de evangelist Marcus tot nu in het evangelie heeft willen laten horen, zij zijn op de hoogte. Zij hebben ook gehoord hoe Petrus heeft gezegd, vol trots en overmoed: zie Heer, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd. Zij hebben ook gehoord dat Jesus dat triomphalistische heel fintjes tot ware proporties terugbrengt. Zeker zij zullen het honderdvoudig terug ontvangen nu in deze tijd, zij het temidden van vervolgingen, en in het toekomeden tijdperk het betrouwbare leven. Maar eveneens heel fintjes, er zullen velen eersten de laatste zijn, en laatsten eersten .... Voor een goed begrip ook Petrus was een van de allereerste.

 

Blijkbaar niet gehinderd door de waarschuwing van Jesus melden zich nu de zonen van Zebedaeüs. De evangelist heeft hen ooit in zijn evangelie als zonen van de donder, als donderstenen getypeerd (Marc 3,17). Of dat erg lovend moet worden verstaan, zullen we hier maar in het midden laten.  Maar erg onder de indruk van hetgeen Jesus tot Petrus heeft gezegd zijn zij blijkbaar niet. Zij gaan recht op hun doel af, niet gehinderd door enige bescheidenheid, laat staan gehinderd door enige Bijbelse kennis. Zo beginnen zij: Meester wij willen dat datgene, wat wij ook van u begeren, gij voor ons doet. In de nieuwe Willibrordvertaling wordt het veel en veel te beleefd vertaald: Meester, we willen u vragen iets voor ons te doen. U hoort het, de zonen van Zebedaeüs blijven netjes. Maar ze hebben het veel ongegeneerder gevraagd. “Dat moet u nu maar een voor ons doen”. En Jesus blijft beleefd .... Wat wilt gij dat ik voor u doe? De onthutsende vraag luidt: geef ons dat wij mogen zitten, de een aan u rechter- de ander aan uw linkerhand in uw heerlijkheid. Hebben die twee dan niet gehoord (wij ook niet!) dat Jesus in Jerusalem ter dood zal worden veroordeeld, aan de heidenen zal worden overgeleverd, dat Hij zal worden bespot? Zij zullen Hem geselen, Hem bespuwen, en Hem doden, ten derde dag zal Hij weder opstaan. Wat hebben die dekselse jongens van deze lijdensaankondiging verstaan. Een overspannen verwachting van de opstanding van de doden? Het lijden en de dood als een te verwaarlozen incident?  Zij spreken onomwonden van de plaatsen ter rechter- en ter linkerzijde als Jesus komen zal in Zijn heerlijkheid?  De allerbeste plaatsen! Er is een Nederlands spreekwoord: je kun toch wel dansen als is het niet met de bruid. Wij die weten hoe het evangelie afloopt,- wij hebben immers het evangelie gehoord, - weten uiteindelijk wat het betekent zetelen aan de rechter- en de linkerzijde. Zo staat het immers geschreven in het evangelie van Marcus: en met Hem kruisigden zij twee  kruisigden met Hem twee rovers een  aan zijn echter- en een aan zijn linkerzijde. Wij weten dat, en de evangelist wil ook dat wij dat weten. Daarom klinken de woorden van Jesus, nu we dat weten, onheilspellend: Gij weet niet wat gij begeert. wij begrijpen die woorden van Jesus als wij de evangelist hebben gehoord aangaande de kruisiging van Jesus. Zij weten niet hoe huiveringwekkend het is wat zij  vragen. De heerlijkheid van Jesus. Staat er niet geschreven bij de profeet: Hij had geen gedaante noch heerlijkheid toen wij Hem aanzagen. Er was in Hem geen gestalte die wij zouden hebben begeerd. Hij werd veracht en was de onwaardigste van alle mensen, een Man van smarten, op de proef gesteld in zwakte, en iedereen verborg zijn aangezicht voor Hem. Wij hebben Hem veracht, Wij hebben Hem niet geacht .... en laten wij niet te snel zeggen dat dat niet op ons van toepassing. Dit wordt niet gezegd om ons in een hoek te drukken, niet om ons aan te klagen, - integendeel, maar om ons op een bevrijdende manier op onze onmogelijke mogelijkheden te wijzen. Als de profeet ons daarop niet had gewezen we zouden het nooit geweten hebben. We zouden gezegd hebben WIR haben es nicht gewusst. En we weten ook hoe graag we dat op anderen van toepassing verklaren Maar als we het horen, mogen we weten hoe bevrijdend dat is. Als we dit horen worden wij bevrijd: dat immers nooit meer!! Jesus  vraagt aan de donderzonen: kunnen jullie de drinkbeker drinken  de ik moet drinken, en kunnen jullie gedoopt worden met de doop waarmee ik moet worden gedoopt.? Zij begrijpen er geen snars van, niets.

Laten wij niet te snel zeggen dat wij het wel zouden hebben begrepen.

Jacobus en Joannes zeggen zonder meer: dat kunnen wij, als toeschouwers zeggen wij snel, te snel: hoe durven zij ... Maar zijn wij wel buitenstaande als we dit mogen, kunnen horen? Jesus zegt op een milde manier, vol mededogen: zetelen aan mijn rechter- en mijn linkerhand is niet aan mij  om te geven, maar aan degenen voor wie het is bereid ... Dat hoeven wij in ieder geval niet zelf te zoeken. Wij kunnen ons goed inleven dat de nadere leerlingen dit aan Jacbus en Joannes hoogste kwalijk hebben genomen, en dat moet ons ook te denken geven! Maar laten we die andere leerlingen niet te snel in het gelijk stellen. Jesus roept hen bij zich, en zegt (tegenwoordige tijd!) ... Om ons de zogenaamd beschamende vraag van Jacobus en Joannes te besparen, mogen we van de liturgiecommissie, hier de zondagse lezing beginnen. Maar dan hangt in de lucht wat we wel zouden mogen horen, alsof dat ober anderen zoude gaan, en niet over onszelf. Alsof we van nu af aan geïnteresseerde toeschouwers zouden kunnen wezen. Maar dat is een misleidende gedachte, zo niet een duivelse verzoeking. Want als Jesus zegt gij weet dat degenen die  menen de eersten te zijn, (dat zijn) degenen die de heerschappij voeren, zij menen groot te zijn omdat zij die macht voeren.  Wie van ons droomt niet, in het groot of klein te delen in de macht van de groten der aarde, zich te koesteren in hun aanzien, in hun pracht en praal? Wie zou het niet graag, al was het maar voor even voor het zeggen willen hebben? Maar we horen hoe Jesus zegt: zo zij het niet bij jullie! Wie onder u groot wil worden moet aller dienaar zijn. Wie van u de eerste zou willen worden zij aller dienstknecht. Mooi gezegd, maar is dit niet een te groot geheim, wie kan daaraan voldoen? Wie kan dit in practijk brengen? Vol verbazing mogen wij horen: De Zoon des Mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven als losprijs voor velen.  Jesus  zegt niet  Ik.  Hij spreekt van de Zoon des Mensen Dat is geen naam om zich achter te verschuilen, evenmin een naam om iets te verbergen. De naam Zoon des Mensen  is een programma, een programma waardoor het leven van Jesus wordt geleid, waardoor de weg van Jesus wordt aangegeven. De naam Zoon des Mensen voert ons terug tot op de eerste bladzijden van de schriften. De naam Zoon des Mensen laat zich heel gemakkelijk vertalen in het Hebreeuws. In het Hebreeuws betekent Zoon Ben en Mens wordt vertaald als Adam. Zijn alle mensenkinderen geen kinderen van Adam? Ja zeker, maar er is een Zoon van Adam die ons hele speciale aandacht vraagt, dat is die zoon van Adam die in den beginnen het onderspit delft, het eerste slachtoffer van broedermoord, Abel, niet meer dan een ademtocht. Want vanaf Abel gaat er een bloedspoor getrokken door de hele geschiedenis heen, en in dat bloedspoor loopt Jesus. Er is gesproken van vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel. In de oude Katechismus hebben we geleerd dat ene van de gevolgen van de zonde van Adam en Eva is geweest: alle ellende des levens en eindelijk de dood. Maar we zullen dat heel concreet moeten lezen: alle ellende des levens en dan wordt Abeldoor zijn broeder vermoord .... De Zoon des Mensen gaat de weg die voor het eerst begaan is door Abel, en het lijkt nog steeds niet op te houden, er lijkt nog steeds geen eind aan te komen. Jesus geeft zijn leven als losprijs voor die velen, voor allen, zoals wij in de Eucharistie bidden “bloed vergoten voor velen, voor allen tot vergeving van de zonden”  Het is huiveringwekkend dat broeders nog steeds broeders naar het leven staan. Als in de schriften een verhaal begint: een vader had twee zonen,  vragen we ons verbijsterd af: begint het weer opnieuw, houdt dat nu nooit op ...Jesus heeft zijn leven gegeven voor die broederschap, opdat wij elkander hartelijk zouden beminnen. De maaltijd des Heren is een godsdienstoefening, ja maar ook een  oefening in broederschap, een oefening niet in heersen, maar in dienen, oefening in dienstbaarheid, dienst aan elkaar. daarom wensen wij elkander van harte de vrede, bidden wij tezamen het onze Vader, en geven wij elkander de rechterhand van de gemeenschap ..... Zo geve God!

 

Am*dam 15 october 1997                                                                                          © Ben Hemelsoet

 

 

 

 

Allerzielen

Diemen, 2 november 1997

 

Jesaja 25,6a.7-9

Marcus 15,33 - 39;16,1-6

 

In de liturgie horen we voorlezen van de maaltijd op de berg des Heren. Maar we horen  -officieel- niet voorlezen hoe de tafel op de berg des Heren gedekt zal zijn. We horen niet voorlezen van de vette maaltijd, de uitgelezen spijzen, van de maaltijd met belegen wijnen, van verrukkelijke gerechten, kostelijk, en nog eens van wijnen die hun weerga niet kennen. Mag dit niet op deze dag gehoord worden. Is de liturgiecommissie bang dat u toch over de hemelse zaligheid zoude na denken  als over een sprookjesland, luilekkerland, rijstebrij op gouden borden geserveerd, geconsumeerd met gouden lepels? Gunnen we de profeet zijn visioen niet, zodra het heel concreet, heel tastbaar, heel smakelijk wordt?  Hoe moet de profeet anders schrijven over datgene wat geen oor heeft gehoord, en geen oog heeft gezien: dat wat God bereid heeft voor al diegenen die Hij heeft liefgehad, engelen zijn zelfs begerig daar een blik in te slaan .... Maar hoe het zal zijn op de berg des Heren zijn, is onze verbeeldingskracht al  jaren te boven gegaan. Wij kunnen ons niet meer troosten voor die geweldige , aanbiddelijke altaarstukken van de aanbidding van het Lam, van de  komst in heerlijkheid van onze Heer. Veeleer zijn onze handen leeg, onze ogen dof, als wij onze dierbaren gedenken. We durven bijna geen verbeelding meer te koesteren, ons voorstellingsvermogen schiet te kort.   Maar toch weten wij, willen wij weten, willen we vertrouwen, dat de dood niet het laatste woord is, en dat ook onze phantaisievoorstellingen niet het laatste woord zijn. Ons zijn de beloften Gods toevertrouwd, en daarom zingen wij met de psalm: ik zal in uw huis de stem van uw lof vernemen, en zo zal ik u wonderdaden kunnen vertellen, op een manier die onze dromen te boven gaan. Staat er ook n iet geschreven: wat mij betreft, het is mij goed nabij God te wezen; ik stel al mijn vertrouwen op de Heer om al Uw werken te vertellen. De oude vertalingen hebben willen weten waar dat dan wel mocht zijn. Er moet toch een plaats zijn waar wij die wonderdaden kunnen vertellen, wij meten toch grond onder onze voeten hebben, voor onze gegronde hoop, als wij al ons vertrouwen op de Heer stellen? De psalm geeft het aan: ik zal in Uw huis de lof, de lofzang vernemen. Maar de vraag blijft, waar mag dat wel wezen, Heer waar (ver)blijft u?  Die oude vertalingen hebben het voor ons ingevuld: wij zullen de werken Gods vertellen, rondbazuinen in de poorten van de dochter van Sion. De dochter van Sion kennen we van Palmzondag: verheug u, dochter van Sion, zie uw Koning komt .... let wel: er staat net dat de dochter van Sion naar de Koning komt, nee, dochter, uw Koning komt, en omdat het zo gezegd wordt zal iedere vergelijking met hetgeen wij menen te kennen te kort schieten: Hij komt! HIJ komt naar ons, niet: wij komen naar Hem. Daarom zullen we mogen zingen: gezegend Hij die komt in de Naam des heren, gezegend het Koninkrijk van onze Vader David dat komt ...

Deze beschouwingen staan te lezen in de schriften, zij staan - om zo te zeggen - in Gods papier te blaken. Maar eenieder weet hoe ver deze woorden van ons bedroefde hart kunnen zijn, hoe deze woorden ons geen troost kunnen bieden als wij door smart worden overmand, als het donker om ons heen is, en de weemoedigheid, - die niemand kan verklaren - ons gemoed vervuld, als de avond valt, en degenen die ons hebben bezocht in de verre verte zijn verdwenen, onherstelbaar ver weg. Hoe kunnen we ons herkennen in de woorden van Jesus die wij hebben horen voorlezen: Mijn God, Mijn God waarom hebt Gij mij verlaten. Het helpt niet dat sommigen, zoals in het evangelie, de aandacht afleiden naar Elia. Want niemand kan de pijn verlichten van die Godverlatenheid, die eenzaam maakt, onbegrepen; die eenzaamheid van het verdriet die anderen in onze ogen gevoelloos maakt, al te nuchter. Die anderen begrijpen immers toch niet wat door ons hart heen sluipt. Zeker tot op zekere hoogte hebben we ons leren gedragen, we weten, we hebben leren weten, dat we ons verlies niet telkenmale ter sprake kunnen brengen.

Als wij vandaag onze dierbaren gedenken, dan willen we weten dat wij dat niet doen als diegenen die geen hoop hebben, dan weten wij dat wij gedenken dat onze overledenen, onze dierbare doden geborgen zijn bij God. 

Onze dierbare doden hebben hun plaats gekregen in het verhaal, het grote verhaal dat God ons heeft toevertrouwd, in dat verhaal, in dat Boek des Levens hebben zij hun plaats, nemen zij een plaats in. Als dat boek wordt voorgelezen, zullen levenden  en doden, the quick and the dead, vol vreugde opspringen omdat dan hun naam klinken zal als nooit tevoren, tot in eeuwigheid, betrouwbaar, onwankelbaar. Wat wij voor onszelf verwachten, verwachten wij ook voor degenen die wij te grave hebben moeten dragen, inde verwachting van de opstanding van de doden, waarvan Jesus de eersteling is.

 

In het evangelie van vandaag horen we ook die wonderlijke zin van de honderdman, de commandant van het bewakingspeloton. Hij is een heiden, die niets weet van de verwachting van de kinderen van Abraham, hij weet niets van al datgene wat God heeft toegezegd aan Abraham en aan zijn zaad. Hoe zou HIJ ook. Wie weet hoe dikwijls HIJ zich vrolijk heeft gemaakt over die rare Joden, zoals wij ons vrolijk maken over (die) rare Chinezen of over luidruchtige Oosterburen..Vreemd volk toch, al die mensen die niet zijn zoals wij ....Maar deze commandant heeft hier zijn plaats gekregen in het evangelie van Marcus. De evangelist heeft een kleine, maar belangrijke tekst voor hem geschreven. Zou hij toch nerveus geweest zijn? Een langere tekst biedt immers meer gelegenheid tot schmieren. Maar op het juist moment komt het juist woord uit zijn mond. Toen die commandant zag dat Hij zo gestorven was, zei: Waarlijk betrouwelijk, deze mens was Gods Zoon! Als we dit horen moeten wij op onze tellen passen! Wij moeten nu, als we dit horen, niet goedkeurend knikken, instemmend,  als zou die commandant heel snel zijn katechismus  goed hebben geleerd, iets wat wij al in onze kinderjaren hebben geleerd.  Als dat zo zou zijn, had de evangelist die commandant deze rol niet hebben hoeven geven. Maar we moeten blijven bedenken dat Jesus sterft, ten onder gaat, als het het Pasen van de Joden is. De dag waarop de bevrijding uit de slavernij van Egypte in gedachtenis wordt gehouden, de bevrijding uit de Egyptische duisternis, de bevrijding uit de slavernij van de dood., bevrijding uit alle beklemming, bevrijding van alle angst, van alle doodsangst. Vanwege Pasen zullen we mogen belijden en de dood zal niet meer zijn! Op het moment dat Jesus ten onder gaat op Pasen, op he bevrijdingsfeest, mag deze heiden, moet deze heiden belijden: waarlijk deze mens was Gods Zoon. want wij mogen weten, we zouden het hebben moeten weten, hoe God gezegd heeft: uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen, uit Egypte, uit die Egyptische duisternis, uit die duisternis van de dood heb Ik Mijn Zoon geroepen. Jesus is de Zoon van God in kracht en majesteit dank zij Zijn opwekking uit de doden, door de Geest van Heiliging: zo heeft God Hem geheiligd, zo heeft God ons Hem aangesteld als de weg die voert vanuit het land van de schaduwen van de dood.  Gods Zoon is onze leidsman ten leven, het anker van onze hoop. Deze Jesus die getrouw geweest is aan het onderricht van Moses en de profeten is onze verwachting en hoop in leven en in sterven. Deze verwachting bindt ons samen, levenden en doden. Vandaar dat wij in onze gemeenschap spreken van de gemeenschap van de heiligen. De gemeenschap van de heiligen zijn allen, die geheiligd zijn door de verwachting, door de hoop dat Jesus de leidsman naar het betrouwbare leven is, de betrouwbare weg die ten leven voert. Die gemeenschap is de gemeenschap van al die geheiligden die delen in de heilige geheimen die ons zijn toevertrouwd, de tekenen van Schrift en Tafel, het Onze Vader en de vredeswens, Daarom kunnen we het ook niet laten om te blijven bidden: heer geef hun zielen de eeuwige, de betrouwbare rust in uw heilige stad, in uw veelbelovend land, dat zij daar de rust die u ons heeft toegezegd mogen vinden voor immer en altoos.

De evangelist, we hebben het horen voorlezen, vertelt nog hoe het de betrouwbare getuigen van Jesus dood, de vrouwen, is gegaan ... bij het aanlichten van de dag, dag één van de week gaan de vrouwen naar het graf. De Sabbat is voorbij, de dag waarop het Koningschap van God gevierd wordt. Die dag is voorbij, en zij hebben niets bemerkt van Gods Koninklijke majesteit. De vrouwen laten zich meenemen door de loop van de gebeurtenissen; zij gaan doen wat nu eenmaal gebeuren moet, zij nemen op zich de zorgzame zorg voor de terechtgestelde. Welk een teleurstelling dragen zij mee in hun hart! Is dan toch alles tevergeefs geweest? Hebben zij het evangelie tevergeefs tot het einde toe gelezen? Zo vragen zij heel practisch, wie zal voor ons de steen van het graf afwentelen? Maar opziende zagen zij dat de steen al afgewenteld, afgewimpeld. En dan zegt de evangelist, mogen we zeggen met veel humor, de steen was zeer groot .... Als de steen al afgewenteld is, blijkt dat zij zich voor niets zorgen hebben gemaakt. Het lege graf is nu hoogstens echoput om duidelijk te kunnen horen: Hij is niet hier, Hij is verrezen ....  In welke wijde ruimte zijn wij zo geplaats dat van alle kante die stem kunnen horen, versterkt als echo, herhaald klinkend, zo dat het nimmer meer uit onze oren verdwijnt!  Deze boodschap neemt het verdriet niet weg. Geve God dat het ons gegevenn is, soms in sombere momenten als wij onze dierbaren teder, vol weemoed, maar, ook met verdriet gedenken, dat die stem van de engel onze droefheid overstemmen mag, als bron va genade, als bron van leven. opdat wij hoop zouden hebben, en niet zullen zij als degenen die geen hoop meer hebben. Zo geve God!

 

Am*dam 30 october 1997                                                                                          

© Ben Hemelsoet