|
Eerste van de Advent
1 December 1991
Jesaja 33,14-20
Lucas 21,25-33
Het de eerste zondag van de advent,
en de teksten, die we hebben horen voorlezen, hebben het einde, de voltooiïng,
de laatste dingen op het oog. De teksten roepen het uit, en zo willen
zij bemoediging geven barre tijden, in tijden waarin de machthebbers
en de heersers hun ware gezicht laten zien. En er zullen tekenen zijn
aan zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid van de volkeren,
vol angst en twijfel, vertwijfeld om datgene wat op het aardrijk geschiedt:
de krachten der hemel zullen worden geschokt. Deze overweldigende woorden
horen allen nog bij het antwoord dat door Jesus gegeven wordt op de
bijna triomfantelijke opmerking van de leerlingen van Jesus. Jesus verlaat
de tempel, de tempel waar velen, groot en klein, arm en rijk hun toevlucht
hebben gezocht, waar velen met hun bezittingen zich op meenden te kunnen
verlaten, van de rijken met het lawaai van hun geld, tot aan de weduwe
die haar hebben en houden aan die tempel toevertrouwt, haar hele leven.
Als Jesus de tempel verlaat, prijzen sommigen de schone stenen, en de
wijgeschenken, en de versieringen van de tempel de hemel in. Jesus wijst
hen terecht, roept hen tot de orde van het koninkrijk. Geen steen zal
op steen gelaten worden, alles zal worden verwoest. Alles waarop zij
hun vertrouwen hebben gesteld zal geen steun en toeverlaat kunnen zijn.
Wanneer de machten van de wereld, de heersers, de tyrannen hun ware
gezicht zullen tonen, bij wie kan dan nog geschuild worden, waarheen
kan men zijn toevlucht nemen? Nergens zal houvast worden gevonden, alles
waar we zeker van meenden te zijn valt in elkaar, de tekenen van zon
en maan en sterren zullen onbetrouwbaar blijken, de bulderende zee zal
zich niet meer houden aan het paal en perk dat haar gesteld is ... Het
lijkt voor ons onthutsend, verbijsterend dat zo de eerste zondag van
de Advent gevierd wordt, dat met zulke teksten de voorbereiding begint
op het Kerstfeest. Is dit bangmakerij of werkelijkheidszin, of zouden
we deze waarschuwingen, deze onheilsprofeten, deze apocalyptische donder
eigenlijk maar niet liever bewaren voor andere zondagen, om ons aan
de vertedering van de nadere geboorte te wijden, verstild en innig,
vervuld van goede voornemens en goede gevoelens, op de rustpauze van
een intiem familiefeest? Waarom die tekenen aan de zon en de maan en
de sterren, als we straks genoeg hebben aan die ene ster, waardoor de
wijzen uit het Oosten zich laten leiden. Zij hebben immers de ster in
zijn opgang gezien, en zij zullen komen met wonderlijke vraag op de
lippen, in Jerusalem, waar is de geboren koning van de Joden? Is dat voorlopig niet meer
dan genoeg, de rest komt dan wel.
Maar laten we er geen misverstand over
laten bestaan. De Advent is meer dan alleen de tijd waarin wij uitzien
naar de geboorte van de Heer. Het woord Advent betekent allereerst de
Blijde Incomste
van de Koning die komt om Zijn Koninklijk Heerschappij te aanvaarden,
de Inkomst van de Koning om te worden geïntroniseerd, om zijn zetel
in bezit te nemen. Want de Heer is onze Rechter, de Heer is onze Wetgever;
de Heer is onze Koning; Hij zal ons bevrijden. Wat door de engel wordt
aangekondigd zal een vreugde zijn voor heel het volk, want heden is
geboren de Bevrijder, de Christus, de Heer, in de stad van David. Het
kind in de kribbe, in doeken gewikkeld is een teken; een onderpand,
een profetie, want dit kind draagt de belofte van verder, mag perspectief
bieden, opent uitzicht op wat komen gaat. Daar licht het uiteindelijke
doel niet. Want het perspectief dat geboden wordt is dat wij het visioen
van Jerusalem voor ogen moeten hebben, voor ogen kunnen hebben dank
zij dit teken. Aanschouwt dit visioen, hebt dit voor ogen, deze stad
van uw samenkomsten, kortom de stad waar uw samenkomsten weer tot heil
en verlossing kunnen dienen.
Uw ogen zullen Jerusalem zien, een
rijke stad, een veilige woonplaats, een tent die niet terneder zal worden
geworpen, de pinnen ervan zullen niet worden uitgetrokken in eeuwigheid
niet, en de koorden ervan zullen niet worden verscheurd. Terwille van
het uitzicht op stad worden wij vermaand. En de echo van de psalm dringt
tot in de profetische woorden door van Isaja.
Wie mag opstijgen naar de berg Heren? De psalm antwoordt. wie rein van
handen, en zuiver van hart, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid,
niet bedrieglijk zweert, die zal zegen ontvangen van de Heer, en de
gerechtigheid van de God van zijn heil. En zo klinkt het bij de profeet:
wie kan wonen bij dat verterend vuur, want onze God is een verterend
vuur, wie kan vertoeven bij die eeuwige gloed? Hij die in gerechtigheden
wandelt, volgens gerechtigheid spreekt, die het gewin van onderdrukking
verwerpt, die geen steekpenningen aanneemt, die zijn oren doof houdt
om geen bloedschuld te horen, en zijn ogen sluit om het kwade niet aan
te zien ... Dat zijn de condities, de voorwaarden om het uitzicht op
de stad Gods, op Jerusalem niet uit het oog te verliezen. Zo zullen
zij dan ook in die stad de Koning zien in zijn schoonheid, geen kwaad
kan hen deren, ook niet het bulderen van welke macht ook.
Het evangelie maakt die troost concreet.
Dan zullen zij de Zoon des Mensen zien komen, in een wolk met grote
kracht en heerlijkheid. Zij zullen zien de Zoon des Mensen. Wie is hier
die Zoon des Mensen, die zich zo tonen zal in pracht en majesteit? Hij
het teken van en redding, teken van de uiteindelijk bevrijding, teken
van de overwinning op alle geweld dat nog steeds over deze wereld woedt,
teken van bevrijding voor al diegenen die slachtoffer zijn, en die worden
vertrapt en gekleineerd, die onderdrukt worden en uitgebuit, al diegenen
waarop minachtend wordt neergekeken, door mensen die menen het voor
het zeggen te hebben, die dat menen omdat ze het betalen kunnen.
Wie is Hij? Wat kunnen we van Hem vermoeden,
wat kunnen we met de schriften in de hand wellicht van Hem zeggen? Hij
staat niet aan de kant van het geweld en de geweldenaars, want Hij is
juist het verlossende teken dat aan alle geweld en gewelddadigheid een
eind is gekomen. Hij is degene die nu verheven is, die nu in volle glorie
kan verschijnen omdat Hij ten diepste vernederd is geworden, gemarteld
en aan de schandpaal genageld. Hij is degene die het lot, dat onafwendbaar
leek, bevrijdend op zich heeft genomen, en in het voetspoor is getreden
van die eerste martelaar, die eerste vermoorde, die eerste zoon van
de Mens, die eerste broeder die het onderspit heeft moeten delven, Abel.
De Zoon des Mensen is degene die zonde van de wereld op zich heeft genomen,
en die nu het bevrijdend teken kan zijn ten einde raad, aan het einde
van de dagen.
Als deze dingen beginnen te geschieden,
als wij van deze dingen horen, mogen wij weten, en dat is onze troost,
hoe beangstigend het ook allemaal zijn kan, dat dat
het einde niet is. Het einde zal zijn die verheerlijking van de zoon
des Mensen. Dit einde wordt ons in de advent, als voorbereiding op het
teken dat de engel, de bode Gods ons zal proclameren. Heden is de Bevrijder
geboren, het teken is een kind in een kribbe, maar het teken van die
uiteindelijke verheerlijking, als Hem alle macht gegeven zal worden
in de hemel en op de aarde, en alles aan Hem ondergeschikt. Dan zal
Hij alle tranen van de ogen wissen, en de dood zal niet meer zijn. Deze
verwachting mag ons gaande houden, deze verwachting houdt ons gaande,
en daarom zijn wij hier bijeen van week tot week.
Wij koesteren hier de broederschap
omdat wij elkander niet naar het leven staan, omdat wij daarentegen
voor elkander willen instaan, en ten teken daarvan nemen we de tekenen
tot ons van Zijn koninkrijk, tekenen, die zo schamel kunnen lijken,
maar die de rijkdom verbeelden van hoe het zijn kan als we allemaal
als broeders en zusters deel hebben aan die maaltijd des Heren, de bruiloft
van het lam, brood en wijn tekenen van het Koninkrijk dat komt. We zullen
deze tekenen koesteren, als wij eten van dit brood en drinken uit deze
beker. We verkondigen de dood des Heren, we verkondigen dat Hij de broedermoord
heeft opgeheven door zelf slachtoffer te worden van broedermoord, door
te gaan staan in die lang bloedige lijn die bij Abel begint. Wij verkondigen
deze dood, om zo gesterkt zijn in liefde voor elkaar in de dagen die
komen gaan, en de hoop, en de verwachting levend te houden, in afwachting
van die Komst in Heerlijkheid van Zijn kostelijke Heerschappij. Zo geve
God!
Amsterdam, 30 november 1991
Ben Hemelsoet
Tweede zondag van de
Advent
8 december 1991
Baruch 5,1-9
Mattheus 11,2-10
Het zijn de klanken van de verrijzenis
die wij vandaag in de eerste lezing van Baruch, gezegend zij hij, mogen horen. Er staat
niet alleen maar op, Jerusalem, er staat in volle glorie: sta op, Jerusalem, en ga op de hoogte staan, kijk om uw heen, overal daagt
de opgang, aanschouw de samenkomst van uw kinderen, van de ondergang
van de zon tot aan haar opgang, van west en oost komen zij weer samen
op het woord van de Heilige. Deze woorden van opstanding, van verrijzenis
horen wij op de tweede zondag van de Advent.
Het kan niet genoeg benadrukt worden:
de advent is de tijd waarin wij verwachten het einde van de gevangenschap,
het einde van de ballingschap. De verdrevenen, de gedeporteerden zullen terugkeren naar Sion. De
stad zal met eretitels worden overladen. Haar naam zal zijn: vrede,
voltooiing van gerechtigheid, de Heer onze gerechtigheid, en de eer
en de glorie van al wat aan God is gewijd, toegewijd. Jerusalem mag
opstaan, want zij is opgewekt, en zij mag de vreugdebode zijn, evangeliste
wordt zij genoemd, verkondigster van blijde boodschap. En de blijde
boodschap die zij mag verkondigen, - het kan niet genoeg worden onderstreept,
- is: God heeft zijn koningschap in Sion aanvaard, Hij is koning in
Jerusalem. Zo wordt het einde van de dagen in het vizier gehouden, zo
wordt de uiteindelijke bevrijding als hoop gegeven, zo wordt onze verwachting
gevoed. En zo worden alle bergen en dalen geslecht om de koninklijke
weg te plaveien voor de Heer onze God. Alle volkeren zullen zo naar
Sion kunnen stromen, als die berg ten laatste hoogverheven zal staan
boven alle bergen, en Sion het toppunt zal zijn van Gods welbehagen.
Eindelijk is aan alle onderdrukking een eind gekomen, en allen die in
de kerker, in gevangenschap, in gijzeling gehouden worden, die dwangarbeid
moeten verrichten, die zuchten aan de stromen van Babylon, en die geen
lust hebben om te zingen, die hun lier aan de wilgen hebben gehangen,
en die in doffe herinnering zeggen Jerusalem zo ik u ooit vergat, mijn
rechterhand verdorre eer, - die allen kunnen nu herademen, kunnen nu de
boeien afleggen, kunnen welgemoed de weg terug gaan, naar Sion. De Heer
komt om bevrijding te brengen, en met de koninklijke majesteit van Zijn
stem zal Hij uw hart met vreugde vervullen. Dat hebben wij voor ogen,
dat verwachten wij, als wij op de vooravond van Kerstmis horen. Heden
zult gij weten dat de Heer zal komen,en dat Hij ons bevrijden zal, morgen
zult gij zijn heerlijkheid aanschouwen. Want om die bevrijding gaat
het, die bevrijding is in het geding. Het kind in de kribbe is daarvan
ten hoogste het teken ten hoogste, dat nu de weg naar Jerusalem is gebaand,
maar het kind in de kribbe is het einddoel niet. In de klassieke liturgie
gaat het einde voorop, wordt vanuit dat glorieuze, naderende einde teruggeblikt,
omgezien in verwondering.
Vanaf de top van die berg Sion, vanaf
het hoogtepunt wordt teruggeblikt op een profetische manier, wordt teruggeblikt
op de weg wij hebben overtogen. En zo wordt
liturgisch ook het getuigenis van Joannes, de voorlopers vanaf het einde
naar het begin gelezen, van groter naar kleiner, want staat er niet
van hem geschreven dat hij heeft gezegd: Hij moet groter, maar ik moet
kleiner worden? Vandaar ook wordt zijn levensverhaal zo gelezen.
Het eerste verhaal dat wij van hem
horen begint zo: toen Joannes in de kerker hoorde de werken van de Messias.
Hier tellen alle woorden. Toen Joannes hoorde de werken van de Messias,
de werken die geschieden krachtens het Messiaanse programma, de werken
die gedaan moeten worden om de weg naar Sion te banen, om de mensen
te lokken op die weg van bevrijding en genezing, de werken die laten
zien, en waarvan getuigd moet worden dat zo het Koninkrijk Gods, Zijn
Koninklijke heerschappij nabij is, dat Hij komt. De naam des Heren nadert,
en Jerusalem mag op de heuvel staan, zoals wij zo triomfantelijk zingen,
en Jerusalem zal de troost van de schriften blijken te zijn, want zij
borgt voor de betrouwbaarheid van al wat geschreven staat. Joannes hoort
die werken, maar hij is in de kerker. Wij kunnen vermoeden dat op het
eerste gehoor geen bezwaar hoeft te zijn, want als God Zijn Messias
zendt, zullen dan de gevangenen niet worden bevrijd, en meer dan dat
zullen zij niet verzameld worden van oost en west, van noord en zuid
om aan te zitten in het koninkrijk van God? Hoe wordt als hij hoort
de werken van de Messias, zijn verlangen niet gewekt, hoe is dan zijn
verlangen niet ten uiterste gespannen. Door twee van zijn leerlingen,
leerlingen die hij gewezen heeft op de weg van het koninkrijk, laat
hij vragen zijt gij het die komen moet, of hebben wij een andere te
verwachten. En bedenken wij wel: hij is in de kerker, en in de messiaanse
tijd, zullen alle gevangenen, alle gedeporteerden, alle ballingen worden
bevrijd? Hij vraagt het op een innige manier: zijt gij het die komen
moet? Dat zijn de woorden van een geliefde, warmee degene die liefheeft
zijn lief, zijn liefde begroet!
We kunnen die vraag van Joannes, die
innnige, verliefde vraag, niet afdoen met
onze quasi zekerheid dat wij toch allang weten dat hij degene is, die
komen moet, en dat wij als vermeende toeschouwers mogen gadeslaan hoe
Joannes antwoord krijgt; om dan te constateren dat het met degene die
komen moet, anders gesteld is geweest dan Joannes heeft gedroomd. Maar
zo gemakkelijk kunnen wij ons van dit verhaal niet distantiëren, door
Joannes of zijn leerlingen terecht te wijzen. Nee, de betrouwbaarheid
van de schriften is in het geding, de betrouwbaarheid van de beloften,
zoals die bij de profeten te lezen staat, en zoals die eeuwen en eeuwen
gekoesterd is in barre tijden staat op het spel. Want de doven die horen
zijn zoals de doven waarvan geschreven staat bij de profeet, te dien
dage zullen de doven horen de woorden van het Boek, en de ogen van de
blinden, die in het duister en het donker zijn, die zullen zien. De
slappe handen en de struikelende knieën zullen versterkt worden als
de weg uit de ballingschap wordt gegaan, de kreupele zal springen als
een hert, de tong van de stomme zal juichen. Aan degenen die arm gemaakt
zijn wordt de blijde boodschap dat God koning is in Sion verkondigd.
En Jesus voegt er aan toe: zalig de gene die zich niet ergert aan mij.
Dat kan ook vertaald worden met, en op de goede weg, op het goede pad
bevindt degene zich die zich niet ergert aan mij.
We proeven de teleurstelling als Joannes
dat hoort. Want hij krijgt niet te horen dat gevangen worden bevrijd,
het enige dat hij menselijkerwijs gesproken, - had willen horen. Want
hij hoort niet de vrijgekochten des Heren zullen terugkeren, en tot
Sion komen zij met gejuich, eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen;
vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen. Wie is in staat de
diepte van dit geheim te peilen.
Als de leerlingen van Joannes heengegaan
zijn, zingt Jesus een loflied op Zijn voorloper. Geen riet door de wind
bewogen, geen mens met zachte klederen, want die zij in de huizen der
koningen van deze aarde. Maar wat zijn we dan wel gaan zien? Een profeet.
Een profeet waarvan geschreven staat, zie Ik zend Mijn bode voor uw
aangezicht, die de weg bereiden zal. Daar horen hoe Joannes de weg bereiden
zal ook door zijn dood, en zo zal hij de weg voor degene die komen moet
bereiden. Want het koninkrijk komt niet op de wijze van de machten en
krachten van deze wereld, deze machten en krachten, deze machthebbers,
en krachtpatsers zullen worden ontmaskerd. In de advent bereiden wij
ons daarop voor, kerstmis is geen romantische wapenstilstand,temidden
van het boosaardig geweld van deze wereld, integendeel. Het is ook een
hartstochtelijke bede: zijt gij het die komen moet. of hebben wij een
ander te verwachten.
Geve God dat wij de moed niet verliezen,
dat wij ons niet ergeren aan de weg, en de werken van de Messias. Moge
wij het einde voor ogen houden, telkenmale dat wij hier de eucharistie
vieren, en luide zingen als wij dan eten van dit brood en drinken uit
deze beker, verkondigen wij de dood des Heren in afwachting van die
heerlijke komst, waarnaar wij uitzien, want ook de kerk is in ballingschap
zolang de wereld duurt. Mogen zo de profeten betrouwbaar blijken. Zo
geve God!
Amsterdam, 5 december.
Ben Hemelsoet
Derde Zondag van de Advent:
Gaudete!
15 december 1991
Sephanja 3,14-20
Joannes 1,19-28
De vraag van de vorige week klinkt
nog in onze oren, die vraag mag niet verstommen, die verliefde vraag:
zijt gij het die komen moet, of hebben wij een ander te verwachten.
Die vraag klinkt uit de benauwenis, uit de benauwdheid van de kerker,
die vraag klinkt als Joannes hoort de werken van de Messias. wij hebben
niet gehoord dat Jesus die vraag onomwonden heeft beantwoord, we hebben
hem niet volmondig ja horen zeggen. Integendeel, in plaats daarvan hebben
wij gehoord, hoe de profeten betrouwbaar zijn gebleken, maar dat ene,
die ene toezegging van de profeet, die Joannes zo graag had willen horen,
dat ook het woord dat gevangenen worden bevrijd betrouwbaar blijkt klinkt
niet uit Jesus' mond. Joannes is niet bevrijd, zijn boeien zijn niet
geslaakt. En toch lezen we dit in de Advent, waarin zo jubelend gelezen
wordt van de bevrijding uit de ballingschap, en waar de glorie van Jerusalem
bezongen wordt als een eindpunt, een hoogtepunt, een stralend, wenkend
perspectief, de dochter Sion kan en mag, ja, zij moet het uitjubelen.
Jerusalem ga op de heuvel staan!
We hebben alleen gehoord, met betrekking
tot Joannes, van die wonderlijke zaligspreking: zalig wie zich niet
ergert aan mij, zalig wie aan mij geen aanstoot neemt. Wie kan dit peilen?
Dit moeten wij voor ogen houden, want vandaag horen wij het getuigenis
van Joannes. Komend vanuit de kerker, vanuit zijn gevangenschap blikken
wij terug, om zijn getuigenis te horen. En dit is de getuigenis van
Joannes, toen de Joden uit Jerusalem zonden priesters en Levieten om
hem te vragen: wie zijt gij? Een wonderlijke inzet, waarvan alle woorden
moeten worden gewogen. Het zijn de Joden uit Jerusalem, die zenden priesters
en Levieten. Zij zijn, die Joden uit Jerusalem, hebben de betrouwbare
woorden van de profeten in hun oren, zij, die Joden uit Jerusalem willen
weten wie hij is. En zij zenden priesters en Levieten, de hoeders van
het heiligdom. Want als de profetie haar voltooiing nadert zal dan het
woord van Maleachi de profeet niet bewaarheid worden: zie Ik zend mijn
bode, die voor uw aangezicht de weg bereiden zal, en haastig zal tot
zijn tempel komen, die Heer, dien gij zoekt, te weten de grote bode
van het verbond, waaraan gij lust hebt; zie Hij komt, zegt de Heer der
heirscharen. Maar wie zal de dag van zijn toekomst verdragen, en wie
zal bestaan als verschijnt? De Joden uit Jerusalem laten vragen wie
hij, Joannes, is. Is hij degene die zo beschreven staat bij Maleachi,
de profeet? Is hij degene die komen moet, of hebben zij een andere te
verwachten? Zij vragen: wie zijt gij? En hij beleed, en loochende het
niet, en hij beleed: Ik ben de Christus niet. Hij zegt dat voluit, Ik
ben niet de Christus, Ik ben niet degene die jullie denken dat ik ben,
ik ben niet degene die je vol verwachting tegemoet ziet, niet de gene
die haastig komen zal tot het heiligdom. Is hij soms Elia, die de dag
van de Messias zal aankondigen, en hij antwoordt. En zijn antwoord wordt
al kleiner en kleiner: ben niet. Ben je dan de profeet, want aan profeten
zal het toch als het erop aankomt niet ontbreken, ben jij de prof eet?
En het antwoord is in een woord gegeven: niet Joannes dicht zichzelf
geen Messiaanse rol toe, ook niet de rol van Elia, de profeet, nee,
in het geheel geen profetische rol Maar zij blijven insisteren: wie
ben jij dan, we moeten toch antwoord geven aan degenen die ons gezonden
hebben, aan de Joden van Jerusalem, de bevoorrechten, die de verwachting
gaande houden, die de verwachting moeten behoeden. Wat zeg je dan van
jezelf: Ik ben de stem van een die roept in de woestijn maakt recht
de weg des Heren, ik ben de stem van een die roept, maakt in de woestijn
de weg des Heren recht. Zo heeft Jesaja, de profeet gesproken.
Het waren Farizeeën, praktische lieden,die
willen weten waarom hij dan wel doopt, als hij niet de Christus is,
noch Elia, noch de profeet. Ik doop met water, maar midden onder u staat
Hij die gij niet kent. Hij komt na mij, maar in het ontwerp van Gods
geschiedenis, van hetgeen geschieden moet, gaat Hij voor, is Hij eerder,
Hij kan mijn leerling niet zijn, ik kan Hem niet opnemen onder mijn
leerlingen door zijn schoenriem los te maken, om Hem de weg van een
barrevoeter te doen gaan. Met deze woorden
betrekt Joannes de wacht bij het water, met deze woorden posteert hij
zich bij het water van de grensrivier, de Jordaan, met deze woorden
neemt hij zijn plaats in als drempelwachter om de toegang tot het veelbelovende
land te bewaren, en om als het uur gekomen is doorgang te verlenen,
de toegang te ontsluiten van dat land waar alle beloften in bloei zullen
gaan staan. Dit geschiedt in Bethanië, aan de overzijde van de Jordaan,
waar Joannes doopte. Door dit vragenspel is de plaats gegeven waar Joannes
optreedt, door al die vragen, en de antwoorden van Joannes is in de
letterlijke betekenis van het woord zijn plaats bepaald en gegeven,
aan de overzijde van de Jordaan, nog niet in het land van beloften;
aan de overzijde, nog in de woestijn, en het land dat overvloeit van
melk en honing, ligt nog steeds aan de overkant. Joannes neemt nog steeds
de plaats in van de ballingen, van al diegenen die nog niet helemaal
zijn bevrijd, die nog vol verwachting uitzien naar de vervulling van
de beloften gelijk de profeten zongen. De verbinding wordt zo nog niet
gelegd tussen de verwachtingen van de Joden uit Jerusalem, en de ballingen
in de woestijn ( de verbinding is nog niet tot stand gebracht. Hij die
de verbinding tot stand zal brengen, wordt alleen maar aangeduid, als
de gene die zij niet kennen, die misschien al midden onder hen verkeert,
maar die Hij nog niet kan aanwijzen, die hij nog niet aan Israël kan
openbaren, omdat Hij, die gij niet kent, zich nog niet gepresenteerd
heeft om de Jordaan door te trekken, en zo de toegang tot het land daadwerkelijk
te ontsluiten, om zo de weg te gaan die voeren zal tot in Jerusalem.
De woorden waarmee Hij welkom zal worden
geheten worden al geoefend, zij liggen al gevormd op de lippen van de
Joden uit Jerusalem, de monden staan er al naar, die woorden staan al
in koninklijk gelid; het zijn de woorden waarmee Sion kan worden gecomplimenteerd,
de woorden die de glorie van de stad op de berg, de stad van de grote
koning in wonderlijke gloed zetten: verheug u zeer dochter Sion. Dat
zijn de woorden waarmee de stad mag worden begroet, waarmee de stad,
Sion, zalig wordt geprezen. En deze woorden die wij hier horen zijn
ook dezelfde woorden waarmee Maria wordt begroet door de engel des Heren
die aan Maria het blijde nieuws boodschap, dat het koninkrijk nadert,
dat zij ontvangen zal degene die komen moet, Hij zal groot zijn, en
de zoon van de allerhoogste worden genoemd. Hij zal Koning zijn over
het huis van Jacob tot in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen
einde komen. Maria, dochter Sion, Jonkvrouw Jerusalem zal Hem zo mogen
ontvangen. Want als Hij komt zal Hij de vijanden wegvagen. Ja, de Koning
van Israel, de Heer is in uw midden, op die dag, als de koning zijn
intrede zal houden, als Hij de toegang tot het veelbelovende land zal
hebben ontsloten, en als Hij eindelijk zijn Koningsstad zal betreden,
ja, op die dag wordt er tot Jerusalem gezegd laat uw handen niet verslappen,
de Heer, uw God, is in uw midden, een held die bevrijden zal.
Hier horen wij de woorden waarvan die
uit het evangelie van Joannes een echo zijn. Midden onder u staat Hij
die gij niet kent ... Ook deze woorden moeten wij ernstig wegen. Door
Joannes worden wij gewaarschuwd, worden wij eraan herinnerd hoe wij
in onwetendheid kunnen verkeren aangaande degene kunnen zijn die is
in het midden van ons, temidden van ons. De vraag blijft klinken zijt
gij het die komen moet, of hebben wij een ander te verwachten. Welke
verwachting koesteren wij? Is de verwachting die wij koesteren een verwachting
die onze stoutste dromen te boven gaat? Of laten wij ons voortdrijven,
met de stroom mee, en wet en wij ternauwernood hoe wij die vraag, die
verliefde vraag zouden moeten stellen: zijt gij het die komen gaat ...
Wij verwachten Hem, groter dan wij kunnen dromen, en wij hopen dat de
woorden van de profeten te kort mogen schieten om te beschrijven wat
er geschiedt wanneer Hij komt in heerlijkheid. In de gemeenschap, in
de gemeenschappelijke maal tijd, met de tekenen van brood en wijn sterken
wij elkaar van week tot week, in afwachting, in grote verwachting van
Zijn komst in Heerlijkheid. Zo geve God!
Ben Hemelsoet
Vierde Zondag van de
Advent, Rorate Coeli,
22 december 1991
Micha 5,1-6
Lucas 3,1-6
Dit is de Zondag van het Rorate, dauwt hemelen
van omhoog. De tonen van dit gezang, of het nu in het Latijn wordt gezongen
of in het Nederlands, dragen onze verwachting, en vullen ons verlangen.
De hemelen worden geroepen dauw te schenken, de hemelen wordt gevraagd
of vanuit de hemel, vanuit degene die gezeten is op Zijn troon, ons
besprenkele mag met de dauw van Zijn genade Profeten hebben
deze teksten gewogen, ze uitgezongen als teken, als onderpand dat de
Heer der heirscharen komen zal om zijn volk te bevrijden. Als Hij ons
zegenen zal met de dauw van zijn genade, zal het geschieden, de doden
zullen worden opgewekt, en dan zal Hij blijken te zijn de God van Abraham,
de God van Isaak en de God van Jacob, geen God van doden, maar een God
van levenden, een God die ten leven wekt. Het zaad zal voorspoedig zijn,
zaad van vrede en verzoening. van voltooiing. De wijnstok zal zijn vrucht
geven, ja, zo zullen de hemelen hun dauw geven, en Ik, zo zegt de Heer,
zal het overblijfsel van dit volk, de heilige rest, de rest die terugkeren
zal uit de ballingschap dit land geven als een erfelijk bezit. Zalig
derhalve de vernederden, zij zullen het land erfelijk bezitten. En zo
vervolgt de profeet Zacharia, - moge God hem gedenken, - en het zal
geschieden, gelijk als gij, 0 huis van Juda, en gij, 0 huis van Israel,
een vloek zijt geweest onder de heidenen, zo zal Ik u nu bevrijden,
en gij zult een zegen zijn. De verre klanken van de toezegging, van
de belofte gedaan aan Abraham en zijn zaad worden zo gevuld geschreven:
wees een zegen! Vrees, sterkt uw handen. Deze woorden van Zacharia kunnen
rijmend gelezen worden in stem en tegenstem, elkander verheffend. Dauwt
hemelen van omhoog, dat de wolken vloeien van gerechtigheid, en de aarde
opene zich om heil te doen ontspruiten. We wagen het deze
woorden nog inniger, nog toegespitster te zingen, laat de wolken de
gerechte, de rechtvaardige regenen, en laat de aarde de verlosser, de
bevrijder doen ontspruiten. En zo worden deze woorden die de lof zingen
van een land, gezegend in bloei, woorden waarmee de gezegende die komen
zal in de naam des Heren, de rechtvaardige, de rechtvaardige koning
tegemoet wordt gezongen.
De ware wijnstok, de ware bevrijder
zal zijn Hij die komt, rechtvaardig. Laat de hemelen verblijd zijn nu
wij zo vol verwachting deze woorden mogen horen. Woorden die ons niet
terneer drukken in de verstikkende realiteit van elke dag, maar die
ons uittillen boven wat een meemakende sleur zou kunnen zijn. Heft uw
ogen omhoog, want de zomer is nabij. Dat uitgezongen verlangen wordt
ingevuld, vandaag op een wonderlijke, directe wijze. Maar als wij deze
woorden op de lippen nemen, is aan alle onrecht nog geen einde gemaakt,
sneuvelen er nog steeds mensen, dichtbij en veraf, en zijn degenen die
macht uit oefenen nog niet getemd. Maar toch hoop wordt gegeven en de
naam van een stad wordt genoemd, een kleine stad die niettemin, niet
te min, zal zijn onder de duizenden van Juda. Want uit haar zal voortkomen
die de Heerser zal zijn in dat Israël, en vol vertedering wordt ook
door ons deze profetie herkend. En als we van zijn afkomst moeten spreken,
moet er gezegd worden dat Hij van alle eeuwen her is uitgekozen en aangewezen.
Hij zal staan en weiden in de kracht des Heren, zijn broeders zullen
terugkeren, met die van Israël. De naam van Bet-Lehem
wordt genoemd, Huis van Brood, want daar zal geboren worden de Bevrijder,
de Messias, de Heer, in de stad van David, ondanks de opmerking van
Lucas dat er uitgerekend daar geen plaats voor hem was in de herberg
... Maar Hij zal de vrede zijn, Hij zal verzoenend optreden. Maar we
horen op deze laatste zondag van de Advent ook andere namen, namen die
wij ons herinneren uit het Iijdensverhaal
Pontius Pilatus en Herodes, Annas en Kaiaphas. Die namen schrijft sint
Lucas aan het begin van het derde hoofdstuk van zijn evangelie, als
hij ons voert naar het begin van het optreden van Joannes de Doper.
In deze advent hebben wij teruggeblikt vanuit de kerker waar Joannes
de vraag stelt: zijt gij het die komen moet, naar de vraag die aan Joannes
zelf is gesteId: wie zijt gij? En vandaag
horen wij ten laatste wat hem, Joannes, in beweging heeft gezet. Het
staat er in de taal van de profeten: In het vijftiende jaar van de regering
van de regering van Tiberius, de keizer geschiedde
het woord Gods tot Joannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn. We
moeten dit woord geschieden niet te lichtvaardig veranderen in een ander
woord, niet te snel vertalen kwam het woord van God tot Joannes in de
woestijn. Het verschil moet in onze oren klinken vlak voor Kerstmis.
Want op eerste Kerstdag zullen we horen in het evangelie van Joannes
hoe het woord geschiedt Joannes schrijft immers: en het woord geschiedde
vlees, op vIeseIijke wijze, tastbaar, kwetsbaar. Onze oren worden reeds
gevormd om dat te kunnen verstaan als wij vandaag mogen horen: het woord
geschiedde tot Joannes in de woestijn. Dat is ook het woord gaat nu
geschiedenis maken, de beloften gedaan door de profeten gaan nu geschieden,
gaan nu worden gerealiseerd, als Joannes gedreven door dit woord de
geschiedenis in gang brengt van bevrijding uit de ballingschap, bevrijding
uit de slavernij. En dit ondanks de ons bekende, bedreigende , beklemmende
namen van Pontius Pilatus en Herodes, Annas en Kaiaphas. Want staat
er niet geschreven bij Isaia de profeet want
gelijk de regen en de sneeuw, - ja, daar is de sneeuw, maar hoe heel
anders dan in de dromerige romantiek van de zoetgevooisde zanger, -
want gelijk de regen en de sneeuw uit de hemel nederdaalt, en daarheen
niet wederkeert maar zij doorvochtigt, en
maakt dat zij voortbrengt en uitspruit, en zaad geeft aan de zaaier,
en brood aan de eter i zo zal Mijn woord dat uit Mijn mond uitgaat ook
zijn. Het zal niet ledig weerkeren tot Mij maar het zal doen, hetgeen
Mij behaagt, en het zal voorspoedig Zijn in hetgeen, waartoe Ik het
zend. Dit woord, deze toezegging van God zet de geschiedenis van Joannes
in de woestijn in beweging. En zo wordt de weg in de woestijn geëffend.
Vanuit de woestijn trekt hij op aan het hoofd van de ballingen, aan
het hoofd van al diegenen die bevrijd zijn, om ze te brengen tot aan
de drempel van het veelbelovende land, dat zij zullen kunnen betreden
als Hij die komen gaat, de toegang tot dat weergaloos betrouwbare land
zal ontsluiten, de sleutel van David die opent en niemand kan sluiten.
Joannes bereidt degenen die hem volgen daarop voor door luidkeels te
verkondigen, en het uit te zingen door deze doop, door deze doorgang
door het water van de Jordaan, door deze terugkeer in het land zullen
de zonden worden vergeven. Nu is er geen obstakel meer, want alles wat
er op die weg aan oneffenheid is, bergen en heuvels, machten en krachten,
zal geëffend worden, dwaalwegen kunnen er niet meer zijn, integendeel
alle vlees zal zien de zaligheid van God, de bevrijding, de redding!
Als wij deze woorden overwegen, en als wij de stem horen in de woestijn,
de stem van het woord dat geschied aan Joannes, lijkt het of wij ver
verwijderd zijn van de kribbe in Bet-Lehem.
Het lijkt erop als wij gevoerd worden naar Joannes in de woestijn of
wij dichter staan bij de terugkeer, de ommekeer na de ballingschap dan
bij de aanbidding van herders en wijzen, inniger met de Paasnacht verbonden
dan met de heilige Kerstnacht. Dat is ook zo, want de profetische teksten
verwijzen meer naar de opstanding, de opwekking van het hetgeen in de
duisternis van de dood gevangen was dan naar de geboorte van een kind.
Maar de geboorte van een kind is ook niet de boodschap die ons vanuit
de hemel geschiedt, de engel des Heren verkondigt inderdaad de blijde
boodschap die tot heil van het hele volk zal zijn: heden is geboren
de. bevrijder, de Messias de Beer, en dit zij u ten teken gij zult een
kind vinden in doeken gewikkeld ... Dit teken, dit kind, is een onderpand,
het teken om het gebed gaande te houden in onze gemeenschap m de komst
van Gods koninkrijk, een gebed met hart en vurigheid om de openbaring
van die koninklijke macht. 0 God, laat waar worden wat wij in de kerstnacht
mogen vernemen, moge Hij die geboren is inderdaad blijken te zijn de
Bevrijder, de Messias, de Heer. Omdat wij die verwachting levend willen
houden, als levende stenen samengevoegd, nemen wij hier wederom de tekenen
van brood en wijn, tekenen van het Koninkrijk dat komt. In die verwachting
zingen wij het uit: als wij dan eten van dit brood en drinken uit deze
beker verkondigen wij de dood des Heren in afwachting, inde verwachting
van de openbaring van Zijn heerlijkheid. Zo geven wij elkander ook de
rechterhand van de gemeenschap en de eenheid! Zo geve God!
XXX Kerstnacht 24 december
1991
Jesaja,9,1-3.5-6
Lucas 2,1-20
De ganse strijd die met groot gedruis,
met tumult gestreden is, is voorbij. De klederen die in bloed gewenteld
waren, zijn gegeven als voedsel voor de vlammen. En eindelijk. Zo mogen
het volk dat in duisternis wandelt
zal een groot licht zien, degenen die wonen in het land van de dood
gaat een groot licht op wij het telkenjare weer horen als wij bijeenkomen
in deze heilige nacht. Want een kind is ons geboren, puer natus est, en de heerschappij is op zijn
schouders, en zijn naam wordt genoemd, uitgeroepen Wonderlijk, Raad,
Sterke God, Vader van alle tijdperken, van weergaloze trouw, door alle
eeuwen heen, Vorst van vrede. Aan de grootheid van deze heerschappij,
en aan de vrede zal geen einde zijn. Daarom zal Hij zetelen op de troon
van David. Ieder jaar mogen wij dat horen, mogen wij die teksten vernemen.
Maar wij zijn niet bijeen om alleen
deze teksten te horen, en er in de verstilling van onze aandacht bij
te verwijlen. Nee, deze teksten moeten onze gebeden dragen, ons verlangen
wekken, om met nog meer aandrang te bidden: O God, maak uw beloften
waar. Wanneer zullen wij de verwerkelijking van deze grote beloften
mogen zien, wanneer zult gij die heerlijkheid aan ons openbaren, wanneer
zal dat koningschap dat zo triomfantelijk wordt verkondigd gevestigd
zijn op deze aarde onder de beschutting van de hemel? Hoe lang nog Heer,
hoe lang nog? Met de woorden van de liturgie nemen wij alvast een voorschot,
die woorden proeven wij met onze lippen, wij vormen met onze mond die
woorden om in die dagen de Koning te kunnen begroeten. Wij komen bijeen
om de taal te leren waarin wij Hem zullen herkennen, en ons aan Hem
gewonnen te kunnen geven.
Wij heffen de koningspsalm aan. Waarom woeden de heidenen en waarom bedenken
de volken ijdelheid. Want de Heer heeft toch deze koning op Sion gezalfd,
op de berg waar Hij zich heiligt. En daarom mogen wij deze nacht,
vol vertrouwen van dit hemelse besluit gewagen. De Heer heeft gezegd,
Mijn zoon zijt gij, heden heb ik verwekt. 0 God, maak dat heden waar.
En laat in onze oren de oproep niet tevergeefs klinken: Heden,
zo gij zijn stem hoort, wilt u harten niet verharden als ten dage van
Massa en Meriba in de woestijn, want daar hebben uw vaderen Mij op de
proef gesteld, en toen moest Ik wel zweren zij zullen niet ingaan in
het veelbelovende land. Deze teksten zijn het weefsel waarop de
evangelist Lucas in zijn kerstverhaal op borduurt.
Joannes de Doper bevindt zich al in
de woestijn, om zich te laten leren, om zich te voeden met de woorden
van de profetie, gedreven door de Geest, in afwachting van de dag waarop
hij aan Israel openbaar gemaakt zal worden. En in die dagen, waarop
de openbaarmaking van Joannes wordt verwacht, in die dagen geschiedt
niet het woord des Heren tot Joannes in de woestijn, maar geschiedt
het dat er een dogma uitgaat, een decreet, een bevel dat de hele bewoonde
wereld moet worden opgeschreven, dat hoort immers ook bij het woeden
der volkeren, bij het beramen van ijdelheid van de machthebbers. Want
als die opschrijven, schrijven zij op ten dode. En huiver bevangt eenieder
die het hoort. Maar er is hoop. De naam van David, het koninklijk huis
van David wordt genoemd, de stad van David wordt vermeld, en daarheen
gaat Joseph met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, die zwanger was. En
0 wonder, de geschiedenis van de keizer, de geschiedenis van zijn dogma,
zijn decreet wordt niet voortgezet.
De evangelist zet opnieuw in: en het geschiedde, toen zij daar waren dat
de dagen van haar baren gevuld waren, en zij baarde hem, haar eerstgeborene,
de eerstgeborene, en zij legde hem neder in een kribbe, want er was
voor hen geen plaats in de herberg. Voor velen is hiermee het belangrijkste
gezegd, het kind is geboren, het is een zoon. Maar laten we daar geen
misverstand over laten bestaan, wat nu nog volgt, wat nu nog volgen
moet, hoort zo intens, zo wezenlijk bij het verhaal van kerstmis, dat
we zonder wat nu komen gaat niet zouden hebben geweten wat we met de
eerdere mededelingen aan zouden moeten vangen. Er
waren herders in die streek, in het veld, zij waakten de nachtwaken
over hunne kudde. Zij hielden de wacht, maar zij houden zo vlijtig
de wacht, zij houden de wacht op het vlijtigst, het lijkt wel Pasen.
In hun wakende verwachting, wakker de wacht houdend, staat de engel
des Heren bij hen.
Aan de herders wordt verkondigd wat
er is geschied, herders die de wacht houden vernemen de boodschap. En
zo is het woord des Heren vervuld, gevuld, het woord waarover wij de
afgelopen zondag hebben gezongen: Ik
zal zo zegt de Heer, hun goede herders geven. Op deze goede herders
heeft het volk gewacht, niet op die herders die Mijn schapen hebben
verstrooid, geen herders die de schapen hebben verdreven. Als de leidsman,
de herder is geboren, zullen ook herders, goede herders die de wacht
betrokken hebben, de eersten zijn die de boodschap zullen mogen vernemen.
Die bode Gods is omstraald door een groot licht, sterker nog door de
glorie des Heren. En zoals betaamt, zoals bijbels betaamd, en het deze
herders past, zij vreesden met grote vreze. En de bode Gods moet daar
op antwoorden, vreest niet ... Wat daarna komt, na het vreest niet heeft al tijd en immer van doen met zoiets als Ik ben
met u, vreest daarom niet. En nu mogen wij horen waarom ook wij niet
meer hoeven vrezen, want God is zo nabij , zo met ons dat zijn bode
ons een blijde boodschap brengen kan, de blijde boodschap met het oog
op de bevrijding van Jerusalem, de blijde boodschap met het oog op Gods
koninklijke heerschappij in Sion, dat die bode zeggen kan dat nu de
vreugde voor heel het volk groot zal zijn, voor heel het volk, want
heden is geboren de Redder, de Bevrijder, die is Christus de Heer, in
de stad van David.
De herders, de goede herders hebben
ook de wacht betrokken bij de schriften, zij hebben elkaar ook getroost
met de beloften gedaan aan David en zijn zaad en zij weten als dit hun
zo gezegd wordt om wie het gaat. Degene waarvan verkondigd is en aangekondigd
dat Hij groot zal zijn, en Zoon van de Allerhoogste zal worden genoemd,
en dat God de Heer hem de troon van zijn vader David geven zal, Hij
zal over het huis van Jacob koning zijn in der eeuwigheid, en aan zijn
rijk zal geen einde zijn .. Deze Koning, die hier in al zijn koninklijke
majesteit wordt verkondigd is heden geboren, een geboren koning. Maar
hoe zullen zij het weten, waaraan zullen zij het kennen en herkennen?
De bode, de engel des Heren voegt eraan toe: en dit zij u ten teken:
gij zult een kind vinden in doeken gewikkeld, in een kribbe, een voederbak.
En met deze ogenschijnlijke nuchtere aanwijzingen wordt weer naar de
schriften verwezen, wordt weer in herinnering geroepen wat de profeten
hebben gezegd, want die engel, die bode spreekt als een profeet, om
zo aan te wijzen dat dit teken, dit kind door Gods woord gedragen wordt,
door Gods weergaloos trouwe belofte. Op dat woord kan er gezongen worden
eer aan God in den hoge, en derhalve gelijkelijk vrede op aard. Want
zo heeft God een welbehagen in alle mensen. Maar daarmee is het verhaal
nog niet af. Hoe zal de geschiedenis verder gaan? En sint Lucas zet
opnieuw in: en het geschiedde toen de boden, de engelen, naar de hemel
waren gevaren, zeiden zij tot elkander: laten wij naar Bethlehem gaan,
en laten wij zien het woord dat is geschied, en dat de Beer ons bekend
heeft gemaakt. Een wonderlijke tekst, het gaat hier ook om een woord
dat is geschied, het is de weerklank van hetgeen Maria heeft gezegd:
mij geschiedde naar uw woord. Wat beloofd is, wat is toegezegd is nu
geschiedenis geworden. Maar de Beer moet het bekend maken, moet het
ons melden hoe zijn woord geschiedt, en hoe wij aan het teken van een
kind in doeken gewikkeld in een kribbe herkennen kunnen dat onze verwachtingen,
onze hoop niet beschaamd zullen worden. Met eens te meer kracht, en
met een sterker vertrouwen zullen wij kunnen uitzien naar de vervulling
van de beloften. Deze beloften voeren ons in deze nacht samen, deze
beloften die wij hier zingend en biddend koesteren maken dat wij instaan
willen voor elkaar, dat wij ons vertrouwen niet stellen in ons eigen
koninklijk huis, in onze eigen dynastie, in onze eigen macht, onze eigen
grootheid en praal. Want deze verwachting, dit teken van de geboren
koning, voert ons ook weer samen aan deze ene tafel, waar wij ook vannacht
de tekenen tot ons nemen, onderpand van het koninkrijk dat komt, brood
en wijn, de tekenen ook van de broederschap. Omdat dit woord geschiedt
is, kunnen wij uitzien naar de ontplooiing van deze geschiedenis, de
woorden van de profeten spellen een rijke toekomst, de engelen hebben
het voorgezongen: Eer aan God in de hoogste hemelen, en zo gelijkelijk
vrede op aarde, want God heeft dank zij deze zoon zijn welbehagen uitgestort
over alle mensen, want Hij heeft alle mens en lief, vanwaar wij ook
gekomen zijn. En zo wens ik u allen van harte een zalig Kerstmis, met
een open oog voor al wat komen gaat, wat God bereid heeft voor allen
die Hem liefhebben, omdat Hij ons het eerste heeft liefgehad. Zo geve
God!
Feest van de heilige familie
29 december
1991
1 Sam 1,20-22.24-29
Joes 3,1-2.21-24
Lucas 2,41-52
Sint Lucas zal dit jaar onze leidsman
zijn, aan de hand van zijn evangelie zullen we dit jaar de geheimen
van het geopenbaarde leven van Jesus overwegen. Deze zondag is het wonderlijke
verhaal aan de orde van het eerste Paasfeest dat in het evangelie van
Lucas staat beschreven. Pasen in de dagen dat geur van de dennetakken
nog niet helemaal verdwenen is uit onze huizen, Pasen, als volgens de
gebruikelijke telling de Drie koningen nog onderweg zijn, en we merkwaardigerwijs
het feest van de kleine martelaren, de onnozele kinderen al hebben gevierd.
Het klopt niet helemaal met de kalender als we die dag voor dag zouden
willen volgen in het leven, de zogenaamde levensloop van Jesus. Trouwens,
en we weten het wel, de evangeliën vertellen ons niets over een de ontwikkeling
van de al of niet kleine Jesus. Ook Sint Lucas niet, hoewel hij als
arts bekend is, vertelt ons niets over de kinderjaren van Jesus. Hij
vertelt ons aangaande Jesus om duidelijk te maken en te onderstrepen
dat met Jesus op de daarvoor aangegeven momenten in het onderricht gedaan
wordt wat in dat onderricht is voorgeschreven. Daarom horen wij ook
vandaag voorlezen uit het boek Samuel, een boek dat voor Lucas de tekst
is geweest die hij heeft overdacht en overwogen alvorens hij aan de
eerste hoofdstukken van zijn evangelie is begonnen. In dat boek van
Samuel horen wij hoe de kleine Samuel aan God in het heiligdom wordt
opgedragen, hoe deze zoon afgebeden en afgesmeekt van de hemel, toevertrouwd
wordt aan God, want daar hoort hij thuis! Ook Jesus wordt in de tempel
aan God opgedragen, we zullen dat vieren op de veertigste dag na Kerstmis,
op het feest dat wij Maria lichtmis noemen. We kunnen ons voortstellen
dat op dat moment Jesus voergoed aan de tempel is toevertrouwd, voor
goed opgedragen aan God, die Zijn Vader is, wederom daar hoort hij immers
thuis. Daar in de tempel zou hij zich toch kunnen voorbereiden op zijn
leven van openbaring. We zij het zo gewend om te denken dat Joseph en
Maria de kleine Jesus weer mee terug genomen na Zijn opdracht in de
tempel, wij zijn geneigd om dat te veronderstellen, maar wie het evangelie
van Lucas nauwkeurig leest, kan net zo goed tot het tegendeel besluiten!
Zijn ouders reizen ieder jaar bij gelegenheid van het Paasfeest naar
Jerusalem, ook in het jaar dat Jesus twaalf jaar is geworden, en voor
het Joodse onderricht als volwassen geldt. Als bij gelegenheid van dit
Paasfeest zijn ouders weer terugkeren, schrijft Lucas niet dat Jesus
in de tempel achterbleef, maar hij schrijft dat Jesus bleef in Jerusalem.
De evangelist schrijft ook niet dat het kind Jesus in Jerusalem bleef,
maar voor de eerste keer schrijft hij hier Jesus, de knecht, de dienaar.
Door zo te schrijven wordt het voor ons ook duidelijk dat het niet om
een of andere kwajongensstreek gaat van Jesus, - u weet dat, u kent
dat, jongens van die leeftijd plegen zoiets nog wel eens te doen, -
het gaat om de manier waarop Jesus, de dienaar Gods, de knecht des Heren
geopenbaard moet worden op de juiste plaats, te rechtertijd, in Jerusalem
bij gelegenheid van het Paasfeest.
Om het anders te zeggen het evangelie
van vandaag is allesbehalve een verhaal om de familieverhoudingen in
het zogenaamde heilig huisgezin aan de orde te stellen, integendeel.
Dit verhaal zet de familieverhoudingen op zijn kop, want de bijbelse
verhoudingen zijn in het geding. Verhoudingen die meer te maken hebben
met wie Jesus is en waar Hij is te vinden dan met familieverhoudingen
uit een lang vervlogen tijdperk. Jesus is in Jerusalem, in de tempel,
in het huis van de vader. En met de psalm mogen wij zingen wij hebben
Heer, uw barmhartigheid, uw goedertierenheid ontvangen in het midden
van uw tempel. Want wie vertrouwd is met de dromen en verwachtingen
van de profeten, weet dat als Hij komen zal, de verwachte, de verwachting
van alle volkeren, de engel, de bode van Gods verbond, dan zal hij snel
optrekken naar het heiligdom. Daar moet Hij gevonden worden. Jesus is
in de tempel aan God opgedragen, Jesus is aan de tempel toevertrouwd,
voor zijn opvoeding, om te leven op het ritme van het avondoffer en
het morgenoffer, om te leven hij de orde van· de feesten. Zijn ouders
reizen telkenjare daarheen, bij gelegenheid van het Pasen. En de lezer,
de hoorder vermoed het, hij gelegenheid van dit Pasen zal het geheim
van Jesus worden onthuld. Maar zo spannend schrijft Lucas dat bij gelegenheid
een omweg van drie dagen voor nodig is, een angstige speurtocht, om
de onthulling nog indrukwekkender te maken, en de rol van de tempel
nog meer te benadrukken. Jesus blijft in de tempel, Hij resideert daar
als de knecht van God, als de dienaar die daar leeft volgens de schriften.
Als zijn ouders terugkeren blijft Hij daar, en zij wisten het niet,
zij meenden dat zijn opvoeding nu toch wel voltooid was, dat Hij nu
zijn aardse loopbaan zou kunnen beginnen. Zijn ouders weten het niet,
en menen dat Hij wel ergens in het reisgezelschap is. U weet, wij hebben
in onze uitleg voor kinderen dit proberen te verklaren dat de mannen
en de vrouwen, de jongens en de meisjes apart liepen, zodat Maria menen
kon dat Hij bij de mannen en de jongens liep, en Joseph denken kon dat
Hij met Maria en de vrouwen terugkeerde, maar dat staat niet in het
evangelie. Wel staat er dat zij hem zochten bij familieleden en verwanten,
maar daar vinden zij Hem niet. Wij die al weten dat Hij in de tempel
gebleven is, weten dat het vergeefse moeite is om Hem te zoeken bij
de familie ... En omdat zij hem niet vinden, keerden zij naar Jerusalem,
Hem zoekende. En dan schrijft Lucas en het geschiedde na drie dagen
vonden zij Hem in het heiligdom zetelend in het midden van de leraren
hen horende en hen ondervragende, en allen die Hem hoorden, stonden
verbaasd over zijn inzicht en zijn antwoorden.
Er staat en het geschiedde, ook dat
woord moet niet te snel met het wat laffe pas na drie dagen vonden zij
Hem. Want met die opmerking, met die aanduiding en het geschiedde wordt
de geschiedenis van Zijn openbaring, van Zijn bekendmaking weer op gang
gezet, en krijgt een nieuwe impuls. Zijn ouders stonden perplex, toen
zij Hem daar zagen. Zo temidden van de schriften, zo temidden van de
schriftgeleerden. Kind, zegt Maria,terwijl weten dat Lucas Hem al die
erenaam gegeven heeft van dienaar, knecht Gods, waarom doet gij ons
dit zo aan? Vol verbazing vraagt de knecht des Heren, de dienaar, die
de lijdende dienaar zijn zal: wist Gij dan niet dat in het huis moet
zijn? En zij begrepen niet wat Hij tot hen zei. En Hij daalde met hen
af naar Nazaret, en Hij was hun onderdanig.
Het verhaal heeft vele trekken waardoor
het naast het verhaal gelegd kan worden van de Emmaüsgangers. Want ook
in dit verhaal wordt wijselijk niet verteld met welke schriftteksten
Jesus temidden van de leraren bezig is geweest, want alles wat geschreven
staat is tot onze onderrichting geschreven, opdat wij troost mogen putten
uit de schriften die ons zijn toevertrouwd. Vanuit die ontdekking, vanuit
die verwondering daalt Hij af. Het is de eerste keer dat Lucas dit woord
gebruikt. Nu pas daalt Hij af van al zo hoge van al zo vere,
vanuit die omgang met de schriften in de tempel, vanuit die omgang in
het huis van de Vader daalt Hij af naar Nazareth, en Hij was hun onderdanig,
ook daar zal in Nazaret zal Hij zij de dienaar,
de knecht des Heren. Als we al kunnen spreken van menswording, dan liggen
de woorden in deze laatste zinnen daarvoor klaar. Zo heeft Hij onder
ons willen wonen, zo heeft Hij willen wonen in het gezin van Joseph
en Maria. Maar daarmee is het heilig huisgezin in Nazareth nog niet
het modelgezin geworden voor alle gezinnen die daarvan hebben mogen
weten. Het gaat er immers niet om hoe het geheim van het gezin gekoesterd
wordt, moet worden in deze tijden waarin het gezin al of niet geweld
lijdt. Het gaat er allereerst om hoe het geheim van Jesus gekoesterd
wordt in onze gemeenschap, hoe wij de geheimen die ons zijn toevertrouwd
eren en vieren, hoe wij met de schriften omgaan, en hoe wij hier met
elkander de lof Gods zingen, hoe wij hier bidden met elkaar om ons vertrouwen
in die ene knecht des Heren willen versterken. Hier oefenen wij ons
in gemeenschap, hier oefenen wij ons in mededeelzaamheid, en hartelijkheid
omdat wij hier aan een tafel mogen aanzitten, en omdat wij hier mogen
drinken uit die ene beker, die ons van zondag tot zondag samenbrengt,
om als nieuwe mens en te leven in een gezin of buiten een gezin. wij
weten immers dat Jesus de hoeksteen is, weliswaar verworpen door de
bouwlieden, maar toch de hoeksteen die door God tot hoeksteen is gemaakt.
Hier oefenen wij ons in broederschap, want de ware, de betrouwbare broederschap
wordt beleefd in het vertrouwen waarmee wij elkaar buiten de kerk van
dag tot dag bejegenen. Hier zijn wij gesterkt omdat wij ook hier mogen
bidden dat wij God danken om de gemeenschap die Hij ons ook hier met
elkaar heeft geschonken ... Hier betreden wij de kerk,en we kunnen het
lezen, en prenten in ons hart, laat u voegen als levende stenen. Zo
geve God!
Amsterdam, 28 december 1991
Ben Hemelsoet
Oudejaarsavond 1991
1 Joannes 2,18-21
Het is vandaag de zevende dag onder
het octaaf van Kerstmis Zo staat deze dag te boek in de kerkelijke kalender.
Maar dat is niet de reden dat wij bijeenkomen op deze avond. Het is
in onze burgerlijke traditie de laatste dag van het jaar, oudejaarsavond.
Ik zeg burgerlijk, en voor alle duidelijkheid vanavond zonder enig dedain,
zonder enige minachting. Het woord heeft alles met onze overtuiging
te maken, heeft te maken met de wijze waarop wij een ander willen overtuigen,
waarin wij rekening en verantwoording willen afleggen van ons doen en
laten, het heeft te maken met de wijze waarop wij de boeken afsluiten,
overzichten samenstellen, balansen - uiteraard in evenwicht presenteren,
zo zijn een handelaar en een priester, een leraar, een huismoeder en
een huisvader ieder op zijn en haar terrein burgerlijk omdat zij verantwoording
willen afleggen. zij moeten zich verantwoorden. Dat is de kracht van
onze samenleving want zo kan het een en het ander worden gecontroleerd.
We blikken terug op een jaar, dat aan een andere orde gehoorzaamd dan
een kerkelijk jaar dat geleid wordt en genormeerd, in stand gehouden
door de zondag, en de feestdagen, dat geteld wordt vanuit Pasen, feest
dat alle menselijke berekeningen doorkruist, en onze aandacht richt
op Gods Koninkrijk. Binnen dat grootse perspectief hebben wij er toch
behoefte aan de staat op te maken. Maar als het erop aan komt worden
de boeken niet afgesloten, maar worden de boeken geopend zoals het geschreven
staat bij Daniel, de profeet: een vurige rivier stroomde, en ging van
voor degene uit die op de troon is gezeten, duizend maal duizenden dienden
Hem, en tienduizend maal tien duizenden stonden voor zijn aangezicht,
en de boeken werden geopend. En zo is het ook gezongen in dat drastische
Dies Irae, te drastisch voor onze oren want het wordt niet
meer gezongen de missen van requiem: Liber scriptus proferetur, dan wordt
het boek gepresenteerd, dat alles omvat. We willen dat niet zo graag
meer zingen, te veel reminiscenties met de boeken die wij afsluiten
op deze dag. En we denken dat we de boeken Gods daar niet mee mogen
vergelijken, want God is toch immers geen boekhouder. En toch hebben
we er behoefte aan even stil te staan, en een blik te slaan voor we
de laatste bladzijde, van het boek van het afgelopen jaar dicht slaan.
We hebben geleerd, en gecultiveerd, al of niet weemoedig terug te blikken,
met een lach of een traan, terugdenkend aan het verdriet van het afgelopen
jaar, met een lach, en vertedering aan het goede en het blijde dat ons
ten deel is gevallen.
Ook als parochie gemeenschap blikken
wij terug op de verdrietige dingen, en de vreugde die wij hier hebben
beleefd, in de stilte van onze eigen overweging, in de hartelijke gebeden
die wij hier hebben gedaan, ook al weten wij niet hoe wij bidden moeten,
maar gelukkig is er de Geest die in ons bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen,
en die ons heeft leren stamelen Abba,
Vader. Hier hebben we diensten mogen vieren met grote toeloop van de
gemeenschap, en ook zijn hier diensten gehouden met een kleine kudde,
die daarom juist niet bevreesd hoeft te zijn! En vanuit deze kerk, en
dat heeft droefheid betekent voor velen ook velen dit jaar uitgedragen
naar hun laatste rustplaats, welgeteld twee en twintig mensen met een
naam, een gezicht, mensen die voor anderen veel hebben betekend, die
hebben liefgehad en verdriet hebben gedragen. Er is in deze kerk het
afgelopen jaar niemand getrouwd Zeventien maal is het heilig doopsel
toegediend! Maar laten we niet te vroeg ons al te uitbundig verheugen,
van die zeventien waren er drie van eigen parochie, en het getal is
tot die grote hoogte gestegen omdat vorige week binnen de Koreaanse
gemeenschap, die hier regelmatig kerkt, er tien van zijn gedoopt. Want
ten andere, het kerkbezoek vertoont - helaas - een ietwat neergaande
lijn. De troost dat dat over het gehele land zo is, is wel een erg schrale. In
ons bisdom, zo wijzen de cijfers uit, praktiseert u nog 11.1% van de
katholieken, en het aantal kerkelijke huwelijken daalt, het aantal doopsels
ook. Maar daardoor laten wij ons niet uit het veld slaan, daardoor laten
wij ons niet ontmoedigen, want niet alleen voegen wij ons tesamen
als levende stenen, maar wij belijden ook dat onze Heer, de wereld overwonnen
heeft, en dat Hij met ons zal tot aan het einde van de aarde. Daarom
durven wij vanavond ook weer voor te lezen het begin, het beginsel van
het evangelie van Joannes.
In den beginne was het Woord. Dat begin
van het evangelie heeft ook het laatste woord. Velen van ons zullen
deze tekst van Joannes nog kennen als het laatste evangelie, het eerste
woord en het laatste, en sommigen zullen zich, zij het vaag, dat dat
evangelie gelezen werd in tijden van gevaar, bij onweer en nood, een
evangelie dat gelezen werd als we op geen enkele andere tekst ons beroep
konden doen, als geen andere tekst ons te binnen wilden schieten. In
zulke omstandigheden is er bijna als een sacrament gegrepen naar dat
evangelie. Zo doen wij dat ook vanavond, want hoe wij het wenden en
keren, hoe wij rekenen en afrekenen, dit boek kan niet gesloten worden,
dit boek moet geopend worden van week tot week, op de woorden van dit
boek moet worden gezongen de toekomst in de toekomst tegemoet van onze
Heer, die komen zal, Hem behoren de tijden, zoals we dat in de nacht
van Pasen weer zullen zeggen. In den beginne was het woord! Zo lezen
wij, en zo horen wij voorlezen. Maar hier mogen we voorzichtig wezen,
en onze aandacht niet al te snel op dat woord was
leggen. Want in dat woord was gaat veel meer is schuil dan wij vermoeden. Het is net als met kinderen die in de
werkelijkheid van hun verbeelding in alle talen zeggen: en toen was
ik de koning. de koningin om daarmee hun rol voor de nabije toekomst
vast te leggen. In den beginne, in beginsel was,
ja, is, het woord, een woord dat geschiedenis
zal maken, meer nog dat openbaren zal waarin de eigenlijke geschiedenis
bestaat. Bij dat woord verbleekt elke geschiedenis, elke geschiedenis
verzinkt daarbij in het niet. De daverende geschiedenis van het afgelopen
jaar het allereerst, de geschiedenis van precisiebombardementen en moord
en doodslag als een chirurgische ingreep, om maar te zwijgen van de
broedertwisten, de broedermoord die rondwaart, en soms langs de lijnen
en wegen van een godsdienstoorlog. Van dit woord mogen wij met Joannes
zeggen: en dit woord geschiedt, maakt geschiedenis in kwetsbaar vlees,
-. we zeggen het traditioneel zo: en het woord is vlees geworden, en
het heeft onder ons gewoond.
De tekst van Joannes is meer subtiel:
hij zegt en het woord geschiedde vlees, en het sloeg zijn tent onder
ons op. Het is de tent van Gods aanwezigheid op aarde, maar in het woord
tent klinkt ook het woord mee, dat voor loofhut, de loofhut van het
Loofhuttenfeest mee. Dat feest ten laatste waarop Jood en heiden gezamenlijk
zullen optrekken naar Jerusalem. Het is diezelfde tent, diezelfde loofhut
waarvan bij de profeet geschreven staat dat als Messias komt zal hij
de vervallen hut van David weder oprichten. Mede op grond van die tekst
hebben wij van onze kerstallen soms als de ruïne van een paleis geschilderd.
Maar de zin is duidelijk Hij zal als koning regeren, en de beloften
van het Loofhuttenfeest in alle opzichten, zelfs meer dan wij vermoeden
verwerkelijken.
Nee, wij sluiten de boeken misschien
vanavond wel af, maar we sluiten het Boek niet, we houden het geopend,
want in dat boek is niet alleen geschreven om niet te vergeten, in dat
boek staat ook te lezen wat wij nu nog niet weten. In afwachting van
dat grote dat grootse vier en wij hier de maaltijd, brood en wijn, want
we verwachten dat grote bruiloftsmaal op de berg waar alle traan zal
zijn weggewist, en alle verblinding zal zijn te niet gedaan: vrede in
overvloed, en met het oog op die toekomst wensen wij elkaar, volgens
goed gebruik een zalig uiteinde in de vreugde met elkaar! Zo geve God!
Amsterdam, 31 december 1991
Ben Hemelsoet
Nieuwjaarsdag 1992
Feest van de besnijdenis des Heren
Num 6,22-27
Gal 4,4-7
Lucas 2,16-21
Het vers uit het evangelie van Lucas:
toen de acht dagen vervuld waren om Hem te besnijden, zo werd ook zijn
naam uitgeroepen: Jesus!, de naam waarmee de engel Hem geroepen had
voor Hij ontvangen was in de moederschoot. Deze ene zin lijkt kort,
wel wat al te kort, voor een evangelielezing, en daarom wordt er bij
gelezen hoe de herders zich naar Betlehem hebben gehaast, om te zien
het Woord dat is geschied, en dat de Heer hun bekend heeft gemaakt.
Dat kind, de drager en het onderpand, het teken van grote beloften,
wordt als de dagen zijn vervuld, op de achtste dag besneden, en op die
dag, dat is vandaag mag Zijn grote Naam klinken: Jesus, bevrijder, zaligmaker!
Zo wordt vandaag aan Hem het teken van het verbond vol trokken, zo wordt
Hij in het volk opgenomen, zo worden ten diepste de beloften vervuld
die gedaan zijn aan Abraham en aan zijn zaad. Want vandaag wordt deze
Zoon, De Zoon van Abraham ten volle De zoon waarnaar Abraham heeft uitgezien,
het teken van de vervulde belofte, en voltooiing van het teken. Het
is spijtig dat wij dat eigenlijk niet meer vieren willen.
Op de buitenkant van ons boekje staat
geschreven Nieuwjaar, feest van Maria, moeder van God, maar laten we
wel wezen: dat is de buitenkant, want het hartsgeheim van deze dag is
de besnijdenis van onze Heer, die nu Jood blijkt te zijn, aan wie getrouw
vol trokken wordt wat geschreven staat in het onderricht van Moses en
de Profeten. Zo wordt aan hem het teken voltrokken. Maar dit teken heeft
met alle beloften te maken die gedaan zijn aan Abraham en zijn zaad.
Het is allereerst het teken van de belofte, want De Zoon zal niet worden
geboren uit de drift van het bloed, niet uit de begeerte van het vlees,
noch uit de hartstocht van de man, maar uit God. De besnijdenis is het
teken dat het om een kind gaat niet van de berekening, maar van Gods
grote belofte. Die belofte zien niet alleen op de voortgang van de generatie,
niet alleen op de Zoon ten laatste die Koning zijn zal tot in eeuwigheid,
maar die belofte heeft ook het land in zicht, geeft ook uitzicht op
het land, dat allen die staan in dat verbond erfelijk zullen bezitten,
de rust van het land dat God de Heer geven zal, een betrouwbaar land,
waar al Zijn beloften in bloei zullen staan, een veelbelovend land waarvan
we in de advent in rijke kleuren hebben gezongen. De profeten hebben
ons de woorden in de mond gelegd, op dien dag zullen de bergen van zoetigheid
druipen, en de heuvelen zullen overvloeien van melk en honing, en daar
zal de Koning ten einde raad regeren, als alle macht en heerschappij
vernietigd zal zijn. Dit kind draagt nu met recht en rede de verzekering
van deze beloften, draagt nu in eigen vlees het teken door God gegeven.
Daarom horen wij op deze dag ook voorlezen uit het boek In de woestijn,
Numeri. De tekst staat te boek als de zegen van Aaron. En in die zegen
kunt u als het ware horen hoe de zegen opgaat over het land dat God
heeft toegezegd.
De zon licht aan boven de bergen van
Moab, moge Hij Zijn aangezicht over u doen lichten, we zien de dageraad
gloren, en zo als we het schone vermoeden van een stralende dag al vermoeden,
gaat de zegen door, en slaat het licht langs de hele hemel, de Heer
verheffe Zijn aangezicht in alle glorie over
u en schenke u Zijn vrede, zo zult Gij Mijn
Naam op de kinderen van Israel leggen; Ik zal hen zegenen. Deze zegen
echter, staat daar niet zomaar, als een al of niet vroom element, een
godsvruchtige rustpauze temidden van vele verhalen. Deze zegen staat
geschreven als er gesproken· is over de gelofte van de Nazireeër. Dat
is degene, hij of zij, die de gelofte doet zich van wijn en sterke drank
af te zonderen; wijn, zal hij of zij niet gebruiken ook geen azijn uit
wijn bereid, geen sap van druiven zal hij of zij tot zich nemen, noch
verse of gedroogde druiven. Al de dagen van zijn of haar gelofte zal
hij of zij niet eten dat van de wijnstok gemaakt is, zelfs geen pit
of schil van de druiven. Deze gelofte die ons streng, vreemd, misschien
wel bizar voorkomt, heeft toch een diepe zin, met het oog op het uitzicht
van het veelbelovende land. Want wij weten dat het teken van het veelbelovend
land, de wijnstok is, waarvan de vrucht, die grote druiventros wordt
gedragen door Jozua en Kaleb. Zij horen bij de verspieders van dat land,
en zij komen met die druiventros terug om te laten zien hoe goed dat
land, en welke kostelijke vruchten daar te bloeien staan. Maar zolang
dat land nog niet betreden is, zolang dat land nog niet gegeven is willen
zij die deze geloften op zich nemen ons eraan herinneren dat we ons
nog niet in het bezit van dat land kunnen verheugen, dat er nog een
andere toekomst is, die verder reikt, een toekomst die wij niet uit
het zicht mogen verliezen. Wij kunnen ons herinneren de woorden die
Jesus zegt bij het laatste avondmaal, als Hij de beker rei tk.
Ik zal niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot hij vervuld,
gevuld zal zijn in het Koninkrijk van God, zozeer is ook de beker op
de ontplooiing van de toekomst gericht, op de toekomst in het veelbelovende
land. Daarom is die zegen, die zegen van Aaron ook een zegen die toekomst
spelt, die de toekomst openhoudt, in kracht van de belofte waarvan het
Kind een teken is. Immers, als wij elkander toedrinken en toeklinken op Nieuwjaar, is er toch meer in het geding dan
dat wij alleen maar onze dorst lessen; als wij elkander toedrinken doen
wij dat ook op wat komen gaat, als voorsmaak van veel goede dingen,
op de toekomst, op dit jaar, we nemen er een royaal voorschot op, en
dat de lieve Heer ons mag zegenen, Hij doe zijn aangezicht over ons
stralen, Hij zie ons aan met barmhartige, genadige, welwillende Blik.
In het psalmgebed na de eerste lezing
hebben we deze zegen toegezongen, hebben we die zeggen ons biddend,
en zingend eigen gemaakt, niet alleen voor ons zelf maar voor alle volkeren,
want als Jesus vandaag Zijn grote Naam ontvangt, wij vanaf vandaag zijn
grote Naam kunnen roepen, een beroep kunnen doen op zijn naam, dan mogen
wij weten dat zijn naam betekent: bevrijder, bevrijder voor alle volkeren
en naties. God zal ons zegenen, en alle einden der aarde zullen Hem
vrezen en liefhebben. Alle volkeren zijn geroepen om de vader in de
hemel te kennen, en zijn zoon op aarde, de bevrijder en redder. Hij
is gekomen om ons te bevrijden van alle beklemming, van alle eigenwaan,
en eigendunk, van alle grootspraak, en van alles wat onderdrukt en waarmee
wij onderdrukken. Hij is de eersteling van al diegenen die Hij voeren
zal naar de Vader, de eersteling van al diegenen die Hij heeft willen
leren bidden Onze Vader. Want zo mogen wij zijn zonen en dochters van
God, Zijn kinderen, en derhalve broeders en zusters van elkaar, in hartelijkheid,
onomwonden, zonder bijsmaak en bijgedachten, want de Vader heeft ons
daartoe en daarom de Geest van zijn Zoon aan ons geschonken, en die
Geest roept in ons met alle kracht van de Geest: Abba, Vader. Daarom
wij hoeven derhalve niet langer meer slaaf te zijn van wat dan ook,wij
hoeven geen slavenboeien te dragen, en nog minder kunnen wij anderen
een slavenjuk opleggen als wij weten hoe zeer wij zelf zijn bevrijd.
Want wij zijn nu zonen en dochters, en derhalve ook erfgenamen, op dezelfde
titel als de zoon! Wat kan ons deren. Maar wij weten ook dat wij deze
grote woorden met veel schroom moeten wij zeggen, dat wij deze woorden
ternauwernood durven laten klinken een keer dat wij deze kerk hebben
verlaten, een keer dat wij weer weg zijn uit deze gemeenschap. Wij weten
dat wij op deze woorden zo zelden een beroep durven doen onder elkaar,
en nog minder we zouden eerlijk gezegd niet zo graag willen dat een
annder met die woorden, hier gehoord, een
beroep zou doen op ons, ondanks de gemeenschappelijke maal tijd, ondanks
de handdruk van vrede en eenheid. Daarom bidden wij ook hier als wij
om vrede bidden dat de lieve Heer niet op mijn zonden acht slaat, en
daarom ook doen wij een beroep op het vertrouwen dat Hij nog steeds
stel t in deze gemeenschap hier. Ook in het jaar dat komen gaat. Dat
grenzenloze jaar, met zijn vele mogelijkheden, en ook zijn onmogelijkheden,
een jaar zonder grenzen, waarin wij ons niet hopen te verschansen in
ons eigen kasteel, in onze eigen vesting, en nog minder in de vesting
van ons hart. Moge ons vertrouwen groot zijn, een vertrouwen dat wortelt
in het vertrouwen dat God in ons heeft. Zo ontvangen wij de tekenen
van de verwachting, de tekenen van zijn koninkrijk dat komt, een verwachting
die ons gaande houdt, ook hier, van week tot week. Vanuit die zaligheid
van Zijn vertrouwen, wensen wij elkander van harte ook een zalig Nieuwjaar,
en ... over de zaligheid van dit nieuwe jaar, over de wens van een zalig
Nieuwjaar hoeven wij ons niet te schamen, niet te generen, ook dit jaar
tekenen wij heel plechtig, soms schoorvoetend Anno Domini,
in het jaar van onze Heer, Jesus, Bevrijder, Zaligmaker, Messias van
de Joden, Heiland van de heidenen!. Zo geve God!
In Epiphania
Domini 1992
Jesaja 60,1-6
Eph 3,2-3a.5-6
Sta op, word verlicht, want uw licht
komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op. Met deze roep wordt
Jerusalem gewekt uit haar doodsslaap, uit haar duisternis, uit haar
gevangenschap. Want de liefde is gewekt,. en zo wordt zij toegezongen
in het lied der liederen sta op, mijn vriendin, mijn schone. De vijgenboom
brengt al jonge vijgen voort, en de wijnstokken geuren van hun jonge
druiven, sta op, mijn vriendin, mijn schone, en kom ...
Wij kunnen ons, nuchter als wij zijn,
ternauwernood voorstellen dat Jerusalem zo bezongen wordt, zo in haar
verrijzenis, haar opstanding mag geloven. Dat deze stad zo vertrouwen
mag op datgene wat God haar heeft toegezegd. En nuchter als wij zijn,
met alle gaven des onderscheids, begrijpen
niet goed, of willen niet goed begrijpen, wat dit allemaal moet, nu
wij vandaag gedenken dat de Heer, onze Heer is geopenbaard aan de heidenen,
en dat sterrenwichelaars, sterrenkijkers, magiërs, onze representanten
zijn in Bethlehem. Wie zouden wij hebben uitgekozen om daar geschenken
aan te bieden, en te aanbidden? Wie zouden wij hebben afgevaardigd?
En wederom vragen wij ons af, waarom er woorden moeten klinken die veeleer
op Pasen thuis zijn dan op Kerstmis. En ook dat eeuwige spreken over
Jerusalem, die als een bruid bezongen wordt. Kan het niet wat minder,
moet het allemaal zo uitbundig, het evangelie is toch nuchter genoeg!
Omdat wij menen dat wij weten wat het
evangelie ons vertelt, beseffen wij ternauwernood dat wij door de eerste
regel van het evangelie al op het verkeerde been worden gezet. Mattheus
zet zo in: toen Jesus geboren was in Bethlehem in Judea, in de dagen
van Herodes de koning ja, dat weten we, dat kennen wij, zie, magiërs
uit het Oosten treden op in Jerusalem. Er komen magiërs ten tonele in
Jerusalem. Zij treden op, zij komen op, verkleed of niet, als magiërs,
als sterrenwichelaars, horoscooptrekkers, deskundigen in de loop der
gebeurtenissen, mensen die zich neerleggen willen bij de loop der sterren,
want het staat immers in de sterren geschreven, gebonden als zij zijn
door de tekens van de dierenriem. Omdat wij het verhaal zo goed kennen,
verwonderen wij ons er niet over dat er geschreven staat dat Jesus is
geboren in Bethlehem, en dat zij, die magiërs toch optreden in Jerusalem.
Als de lieve Heer hen toch in Bethlehem
wil laten komen, waarom treden zij op in Jerusalem? Het antwoord is
simpel, maar overduidelijk. In Jerusalem moet de vraag gesteld worden,
de enige vraag, waar is de geboren koning van de Joden. Deze vraag,
die gesteld moet worden in Jerusalem mag niet versmald, mag niet verkleind
worden tot waar is de pasgeboren koning van de Joden. De magiërs komen
immers niet op kraamvisite, en zij zijn gekomen niet alleen om Hem hulde
te brengen, maar om hem te aanbidden. In Jerusalem moet die vraag worden
gesteld om ons zo in herinnering te brengen dat in Jerusalem de naam
Koning van de Joden nog een keer ten laatste klinken zal als die titulatuur
boven het kruis zal worden aangebracht Jesus van Nazareth Koning van
de Joden. Maar die vraag moet ook in Jerusalem worden gesteld om alle
koningen, en zeker de koning in Jerusalem eraan te herinneren dat alle
koningschap verbleekt als de geboren koning openbaar gemaakt wordt.
We moeten ons dat voorstellen hoe die wijzen daar optreden. We zien
het theater voor ons: de vraag klinkt waar is de geboren koning van
de Joden want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien, - het is ook
mogelijk te lezen wij hebben zijn ster zien rijzen. Wij zijn gekomen
om Hem te aanbidden. Ondanks alle verhalen, kostelijke verhalen, staat
er bij Mattheus niet dat zij de ster gevolgd hebben, al of niet van
verre. Zij hebben de ster in het Oosten gezien of zij hebben de ster
zien rijzen! Laten we er ook vanuit gaan dat het hier om een Bijbelse
ster gaat een Bijbelse ster waarvan ons verteld wordt op de wijze van
een sterrenkundig fenomeen.
Er staat immers geschreven: er zal
een ster uitgaan van Jacob er zal een scepter uit Israel opgaan. Ik
zal hem zien, maar nu niet. Ik zal hem aanschouwen, maar nog niet nabij.
Hij zal de grenzen der Moabieten verslaan en de kinderen van Seth verstoren
... En Petrus zal in zijn brief aan dit woord herinneren. Wij hebben
het profetische woord, dat zeer betrouwbaar is, en gij doet wel daar
acht op te slaan, als op een licht dat schijnt in de duisternis, totdat
het daglicht licht, en de Morgenster in uw harten opgaat! Die ster,
zolang verwacht zolang aan de duistere hemel verwacht, hebben zij gezien.
Zij hebben zich gehaast naar Jerusalem want bemint God niet de poorten
van Sion boven alle woningen van Jacob; en worden er niet zeer heerlijke
dingen gesproken van de stad Gods? Want van die stad zal gezegd worden
dat die en die eenieder daar geboren is en als de volkeren zullen worden
opgeschreven, zal hun het geboorterecht van Jerusalem ten deel vallen.
De koning raakt op die vraag in verwarring
en heel Jerusalem met hem. Jerusalem wankelt op haar Herodiaanse grondvesten I zoals de stad zal beven als bij
een aardbeving als Jesus de stad betreedt en de vraag klinkt wie is
Hij? En hij verzamelt hij brengt bijeen, hij maakt een samenkomst een
synagoge van aartspriesters en Schriftgeleerden om van hen te vernemen
waar de Messias moest geboren worden. Of hij het geweten heeft die Herodes!
Hij vraagt naar de bekende naam, hij vraagt niet naar de geboren koning,
maar wil weten waar de Messias moet worden geboren. En de priesters
en de Schriftgeleerden verwijzen, wijzen naar de boeken, waar gesproken
worden van Bethlehem, met de duidelijke verwijzing naar David ... Want
Hij zal herder zijn over Mijn volk, -. en wij kunnen horen als ondertoon
en dus Herodes niet.
Dan volgt de duistere beschrijving
van de nauwkeurige, precieze, slinkse wijze van handelen van de koning.
Hij wil met acribie weten, ja, zo staat het er, de tijd weten, de tijd
berekenen, waarop die ster hun is verschenen, en hij stuurt ze naar
Bethlehem om te onderzoeken, en als zij het kind gevonden hebben hem
op de hoogte te stellen opdat ook hij komen kan om het te aanbidden.
wij kennen, zoals in een goed drama past, de bedoelingen van de boze
koning, crudelis Herodes, wrede Herodes. Hij wil zijn eigen lot bepalen, en zich niet
laten richten door deze koning. De geboren koning ontkomt, de wijzen
wijken uit, keren langs een andere weg terug Jesus ontkomt in Egypte,
om zo deelgenoot te zijn aan de slavernij, aan de slavendienst, om daar
als Gods Zoon vanuit geroepen te worden. De wijzen vallen ter aarde,
aanbidden, openen voor het kind hun schatten goud, wierook en mirre.
Er zijn talrijke afbeeldingen van deze tekst. Vorsten en koningen hebben
zich als een van de wijzen laten afbeelden, tot meerdere eer en glorie
van hun koningshuis, van hun dynastie.
Maar de schilders hebben het niet kunnen
laten. Zij hebben de schriften gekend en gelezen, en zij hebben geweten
dat er ook geschreven staat dat de Heer de vervallen hut van David weer
zal oprichten, en zij schilderen de wijzen met als achtergrond de ruïne
van een of andere sprookjespaleis. Want zo zal het herstel beginnen,
met deze aanbidding, met deze openbaring aan de heidenen. En om ons,
de heidenen er aan te herinneren dat hun eerste vraag geweest is, waar
is de geboren koning van de Joden, schilderen zij vele malen een kruisbeeld
in die vervallen hut want het kruis draagt de ti
tel Koning van de Joden, en zo zullen zij en wij, de uiteindelijke consequentie
zien van hun allereerste vraag: waar is de geboren koning van de Joden.
Wij hebben ook de gewoonte om een kruisbeeld in onze woningen op te
hangen. Misschien kunnen we dat gebruik vandaag op een innige wijze
overwegen, wat wij daar mee voor hebben, wat wij voor ogen willen hebben,
dag voor dag. Een teken dat wij gewend zijn te maken aleer wij bidden
gaan, het kruisteken. Het herinnert ons eraan dat wij op het feest van
Driekoningen geen toeschouwers kunnen zijn, laat staan sleutelgatkijkers,
maar mensen, gelovigen die weet willen hebben, het vermoeden koesteren
van die wonderlijke weg van het Koningschap van God.
In dat teken komen wij hier bijeen,
om gemeenschap te veren, gemeenschap te hebben met deze Koning, in de
tekenen van brood en wijn, in de gemeenschap die wij hier eren met elkaar,
vanwaar wij ook gekomen zijn, uit welke heerschappij , macht, of dynastie
ook. We durven het te zingen in het lied: Juicht voor de koning van
de Joden, buigt voor geen dove wereldmacht. Want in het teken van het
kruis, in het kruisteken is Hem gegeven alle macht in de hemel en op
de aarde. Daarvan zijn wij de getuigen, ten opzichte van elkaar, en
ook ten opzichte van de wereld die Hem niet, nog niet kennen wil. Zo
geve God!
Tweede zondag na Driekoningen
19 januari 1992
Jesaja 62,1-5
1Kor 12,4-11
Joannes 2,1-11
Vandaag horen wij een van de bekende
verhalen uit het evangelie: de bruiloft van Kana. Een wonder van een
vertelling, een wonder van perspectief en hoop, een wonder van verwachting.
Maar nog wonderlijker is dat de eerste lezing begint met een lofzang,
een ode op Jerusalem die haar weerga niet vindt. Om Sions
wil zal ik niet zwijgen, en terwille van Jerusalem zal ik niet stil
zijn, totdat haar gerechtigheid voortkomt, uitbreekt als een glans,
en haar heil, haar bevrijding als een brandende fakkel. De heidenen
zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen, let wel: alle koningen,
alle machthebbers van deze wereld, zullen uw glorie, uw heerlijkheid
zien. Onze devotie, onze katholieke devotie, is nooit zo uitbundig geweest
in het bezingen van Jerusalem, de profetische jubel aangaande deze stad
hebben wij doorgaans wat verdoezeld, bang dat het al te concreet, al
te tastbaar zou worden, en misschien ook wel dat het de roem en de glorie
van de eeuwenoude keizerschap Rome zou doen verbleken. Maar de profeet
van vandaag neemt geen blad voor zijn mond, hij zal de naam van die
stad, van Jerusalem blijven noemen, uitroepen, totdat alles vervuld
is wat aangaande deze stad is geprofeteerd, totdat eindelijk haar gerechtigheid
stralend zichtbaar zal zijn voor alle volkeren, totdat haar gerechtigheid
blinken zal over de gehele aarde, en totdat de stad zal zijn dat zalig,
dat verzaligende visioen van vrede. Daar in die stad zal immers
zichtbaar worden wat God bereid heeft voor al degenen die hem liefhebben,
want daar in die stad zal God zijn koninklijke heerschappij aanvaarden,
en alle volkeren zullen optrekken naar Sion, want uit Sion komt de wet,
en 's Heren woord uit Jerusalem. Ja, de Heer trouwt met Sion, zij is
Zijn bruid. En het hart van de profeet klopt vol verlangen om getuige
te mogen zijn van die wonderlijke bruiloft.
Het lijkt erop, als we het evangelie
van vandaag lezen, of de proofeet op zijn
wenken wordt bediend: er geschiedt een bruiloft in Kana van Galilea,
en nog wel op de derde dag!. Wie niet helemaal vreemdeling is het Jerusalem
van de schriften weet welke suggestie er wordt uitgesproken, als er
geschreven wordt de derde dag. Want ook in onze geloofsbelijdenis wordt
het onomwonden gezegd, en beleden: ten derde dage opgewekt uit de doden,
volgens de schriften. Maar zo eenvoudig als het nu gezegd wordt, is
het niet. Want de oplettende lezer weet dat deze bruiloft niet geschiedt
in Jerusalem, maar in Kana van Galilea. Derhalve: deze bruiloft is nog
niet waar de verwachting van de profeet op gericht is, nog niet ...
Daarom moeten we met grote omzichtigheid, voorzichtig ook dit verhaal
van Joannes horen. En zoals immer, ook hier tellen alle woorden. Daarom
is het spijtig dat in ons boekje staat afgedrukt in die tijd was er
een bruiloft in Kana in Galilea.
Joannes schrijft heel uitdrukkelijk
de derde dag geschiedde. Die derde dag
komt, om het heel simpel te zeggen, niet uit de lucht vallen. Vandaar
dat het de moeite waard is om te lezen wat aan deze bruiloft voorafgaat.
Jesus antwoordt aan Nathanael, de man die vol verlangen is naar de vervulling
van Gods beloften in het veelbelovende land dat God geven zal: omdat
Ik u gezegd heb ik heb u gezien onder de vijgenboom, zo gelooft gij,
maar gij, dat is jullie allemaal, zullen grotere dingen zien dan deze.
En Hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar.
Ik zeg jullie, allemaal, van nu af aan zult gij de hemel geopend zien,
en gij zult zien de engelen Gods opstijgende en neerdalende op de Zoon
des Mensen ... en dan moeten we, op diezelfde ademtocht doorlezen, en
horen, en jawel, op de derde dag geschiedt er een bruiloft in Kana in
Galilea. En wederom kan de al eerder gestelde vraag hier herhaald worden:
waarom in Galilea, en niet in Jerusalem? De grotere dingen, ja, de grootste
dingen zullen toch in Jerusalem te zien gegeven worden? Dat kan toch
niet anders beduiden dan dat de bruiloft in Kana een teken is waarop
beroep gedaan kan worden, O God, maak die bruiloft toch waar in Jerusalem,
dat centrum, de navel van de aarde. Daarom is er de evangelist alles
aan gelegen, om niet te spreken van zo maakte Jesus te Kana een begin
met de tekenen, maar dit is bet begin van de tekenen, het beginsel van
de tekenen, het principe van de teken. De bruiloft, die in het water
dreigde te vallen, als het fundament, en bet beginsel van alle tekenen.
Daarom mogen wij terwille van dit teken, dit beginsel ook nog even door
lezen. Want zo vervolgt Joannes: daarna daalde Hij af naar Kafarnaüm,
Hij en Zijn moeder, en Zijn broeders, en Zijn leerlingen, en zij bleven
daar, niet vele dagen. En nabij was het Paasfeest van de Joden, en Jesus
ging op naar Jerusalem. Zo is het kader aangegeven, het raam getekend,
waarbinnen de bruiloft van Kana wordt geschilderd. Tussen grotere dingen
zult gij zien, en nabij was Pasen, het feest van de Joden, en Jesus
ging op naar Jerusalem. Want daar ligt het einddoel van de blijde boodschap,
daar is het allemaal om begonnen als het Pasen is.
De suggestie dient ernstig genomen
worden: en op de derde dag geschiedde er bruiloft. Want die derde dag
verwijst naar de bruiloft, maar verwijst zo ook naar die bruiloft van
God met zijn bruid Jerusalem waarover de profeet niet zwijgen kan. Als
we zo het kader van deze bruiloft horen kunnen we de geheimen proberen
te proeven van dit teken, dit wonderlijke teken. Als we het verhaal
ter hand nemen kan het duidelijk worden dat bet om een hele vreemde
bruiloft gaat. Er worden namen vermeld, maar de bruid zult u tevergeefs
zoeken. En bovendien bij nauwkeurige lezing blijkt er in eerste instantie
ook geen wijn te zijn. Een wel heel merkwaardige bruiloft: een bruiloft
zonder bruid, en een bruiloft zonder wijn. Een vertaling als toen de
wijn opraakte, en de opmerking van de moeder van Jesus: zij hebben geen
wijn meer, is meer vanuit onze verbeelding en fantasie geschreven dan
vanuit de tekst van Joannes. Joannes zegt namelijk: en
aangezien de wijn ontbrak, en hij laat ook de moeder van Jesus zeggen:
zij hebben geen wijn. Het woord ‘meer’
treffen we niet in de tekst van het evangelie aan.
Jesus wil daarmee aanvankelijk niets
van doen hebben. Zijn uur, het uur van de bruiloft in Jerusalem is immers
nog niet gekomen. Het moge duidelijk zijn aan de liefde van Jesus voor
Zijn moeder hoeft niet getwijfeld te worden, daar gaat het verhaal niet
over, wel om het beginsel van de tekenen duidelijk neer te schrijven,
met het oog op de bruiloft in Jerusalem! Daarom is het wonder ook een
wonder van de toekomst, wat er geschieden zal als dat uur gekomen is,
en hoe veel vreugde er beleefd kan worden aan de vruchten van het veelbelovende
land. In het boek in de woestijn, - Numeri, - staat het prachtige verhaal
te lezen van de verspieders van dat veelbelovende land. We weten hoe
Jozua en Kaleb, en hun tien metgezellen van hun verspiedende tocht terugkeren,
en hoe zij als teken van de wonderlijke vruchten van het land, een druiventros
meebrengen, zo groot, zo zwaar dat die druiventros door twee mannen
aan een draagstok gedragen wordt, zoals de talrijke afbeeldingen het
willen, en zoals de tekst ook letterlijk zegt daarna kwamen zij in het dal Eskol, en sneden vandaar een rank af, met een tros wijndruiven,
die zij droegen met zijn tweeën op een draagstok. Die plaats noemden
zij Eskol, terwille van die druiventros, want
eskol betekent druiventros, en de schrijver
voegt er heel snedig aan toe, dat
het toen juist de tijd was van de eerste druiven: eenheid van tijd
plaats en handeling ineen. Nergens staat dat zo voortreffelijk in de
schriften beschreven, een heden, een hier en nu, dat alle verwachtingen
wekt voor de toekomst. Die eerstelingen van het veelbelovende land,
blijken hun manier honderdvoudige vrucht gedragen te hebben, want als
teken van de bruiloft die komen gaat, wordt er honderdvoudige vrucht
gevonden, overvloed van wijn, als teken van hetgeen komen gaat. Ja,
met recht heeft een schrijver hiervan gezegd: het water zag zijn Heer
en bloosde. Het is de goede wijn ten laatste, de goede wijn een voorsmaak
van de wijn van het koninkrijk, de voortreffelijke vrucht van degene
die wij in het evangelie van Joannes zullen mogen noemen de ware wijnstok.
Aan zijn vruchten zullen wij die ware wijnstok kunnen herkennen. Dit
zal zijn de goede wijn die tot het laatste is bewaard! Hier weerspiegelt
de aarde de goedgunstigheid van de hemel, en met het oog daarop drinken
wij hier van de beker, om de smaak te pakken te krijgen van al datgene
wat God ons heeft toegezegd in dat beginsel van de tekenen in Kana,
om onze ogen te richten op de bruiloft van het Lam. Daarom zeggen wij
ook graag als de tekenen van het koninkrijk worden uitgedeeld: dit is
de bruiloft van het Lam, dat is ook de vergeving van de zonden, en zo
de gemeenschap met onze Heer, die trouw zal blijken tot in eeuwigheid.
Zo geve God!
Derde Zondag na Driekoningen
Nehemia 8,2-4a+5-6+8-10
1 Kor 12,12-30
26 januari 1992 Luc 1,1-4+4,14-21
De tekst van het evangelie van deze
zondag begint met een volzin, een grote periode, Lucas is uitdaging
aangegaan. Het heeft hem goed gedacht o0k te schrijven, en wel na een
naarstig onderzoek, en hij heeft rekening willen houden met datgene
wat verteld hebben die het hebben gezien, en die dienaren van het woord
zijn geweest. Na zo'n brede zin van de evangelist kunnen we er even
voor gaan zitten, en volverwachting klopt ons hart. Temeer daar Lucas
aan zijn geliefde Theophilus schrijft, opdat hij de zekerheid van die
dingen mag kennen, waarin hij onderwezen is. Die naam Theophilus trekt
de aandacht, in onze streken is het geen al te bekende, gebruikelijke
naam, en er zijn er ook die zich hebben afgevraagd of deze Theophilus
een echt bestaande persoon is geweest of niet. Heeft hij echt bestaan
dan weten we dat er in die tijd iemand geweest is die geluisterd heeft
naar de naam Theophilus, en als hij eens niet echt bestaan zou hebben
dan mogen we weten wat die naam betekent. Die naam betekent namelijk
hjj/zij die door God wordt bemind, de door
God geliefde leerling. Als we het zo zeggen doet het er ineens niet
meer zo toe, of Lucas speciaal iemand op het oog had, of dat hij aldegenen
die door God worden bemind bedoelde. Laten we het op het laatste houden,
wij worden allemaal die vandaag zo Lucas horen voorlezen daarop aangesproken:
wij worden allemaal door God bemind, zoals we dat hier ook vol vertrouwen
uitspreken van week tot week dat God nag steeds
vertrouwen heeft in de gemeenschap die hier bijeenkomt. En misschien
kunnen we het j aar van Lucas, na de kerstdagen, dan ook niet beter
beginnen dan met het eerste optreden van Jesus in Nazareth. Dat is opmerkelijk
omdat bijvoorbeeld Mattheus Jesus niet in Nazareth laat beginnen, maar
op de top van de berg, op de top van de berg van de Bergrede. Lucas
begint in Nazareth, om ons zo duidelijk te maken wat wij zouden kunnen
bedoelen als wij zo gemakkelijk, en naar wij menen, gewoon over Jesus
spreken als wij Hem noemen Jesus van Nazareth. Hij komt in Nazareth,
waar Hij was opgevoed, en waar Hij volgens Zijn gewoonte, op de Sabbatdag
naar de synagoge, naar de samenkomst van de gemeenschap ging. u hoort
hoe Lucas het een vertelt in de volgorde van het andere: opgevoed, gewoonte,
op Sabbat naar de synagoge: en vrome Jood. Tot zover niets bijzonders
voor iemand die voor de gene die weet heeft van de omstandigheden waarin
Jesus heeft geleefd. Voor ons wellicht wel, want week in week uit naar
de samenkomst is ietwat problematischer geworden. We kunnen ons troosten
dat er van Jesus geschreven staat dat Hij gedreven werd door de kracht
van de Geest, maar wie zegt dat wij op die Geest, op de Heilige Geest
geen beroep zouden kunnen doen? Maar wat opmerkelijk is, en daarom is
dit verhaal verteld: Hij stond op om te lezen. Lucas vertelt niet of
Hij daartoe uitgenodigd was. Hebben ze Hem gevraagd?
Jesus komt daar en staat op om te lezen. Zo zegt Lucas het. En wij zitten met die vraag. Maar
als we door lezen wordt het nog spannender. Lucas schrijft namelijk
niet zoals de vertaling in ons boekje wil: “En ze reikten Hem de boekrol
van de profeet”, want dan mogen wij vragen: “Wie zijn die ze?” Maar
Lucas schrijft: Hem werd gegeven het boek van de profeet Jesaja.
En als in de evangeliën deze werkwoordsvorm wordt gebruikt, is de hemel
in het geding. Deze schrijfwijze wordt gebezigd als de schrijver zeggen
wil dat God zelf zich er mee bemoeid, dat het boek Hem van Godswege
wordt gereikt. En Hij vond de plaats waar geschreven staat. U begrijpt
de zin”: Hij vond de plaats waar geschreven staat beduidt
niet dat Jesus op goed geluk af wat bladert, of liever wat heen en weer
rolt in die boekrol. Integendeel. Hij vindt de plaats omdat hij
daar van Godswege op naar zoek is, en nu hier in die synagoge vindt
hij de plaats.
Op zijn speurtocht, op zoek naar die
plaats heeft hij die op die Sabbatdag gevonden. De geest des Heren rust
op Mij, want Hij heeft Mij gezalfd, en wij horen wat die zalving, die
aanstelling, die machtiging inhoudt, door de Geest is Hij gemachtigd,
in macht gesteld, om aan de verarmden de blijde boodschap te brengen
dat God koning is in Sion, om degenen die gevangen zijn bevrijding te
melden, aan de verblinden het gezicht, en aan alle gekleineerden
vrijheid te schenken, om een jaar van welbehagen aan te kondigen voor
de Heer. Welk een grote woorden klinken hier, en hoe klinken die woorden
als ze door Jesus zelf worden voorgelezen. Maar vooraleer we daar mee
verder gaan, nog even dit. De evangelist schrijft nu pas daarop rolde
Hij het boek dicht, gaf het aan de dienaar ... als Jesus voorgelezen
heeft dan pas is het mogelijk dat er van een dienaar sprake is, pas
als Jesus voorgelezen heeft is in de rechte zin van het woord pas mogelijkheid
om te spreken van dienaren van het woord.
Alle ogen zijn op Hem gericht . En
Hij begon te spreken: heden is vervuld deze schrift in uw oren. We kunnen
dit woord ook niet spannend, gespannen genoeg vertalen. Heden is vervuld
deze schrift in uw oren. Om dat te begrijpen, omdat te proberen te begrijpen
moeten we het woord Heden ook in onze oren late klinken, en met
ons hart opnemen. Want dat woord heden speelt een belangrijke, een eminente
rol. Dat woord heden speelt een rol als de belangrijke vraag gesteld
wordt wanneer komt Messias, wanneer komt degene die door de Geest gezalfd
is, wanneer komt de Gezalfde, de Christus? Wanneer zullen wij Hem zien
in al zijn glorie, wanneer zullen wij mogen aanschouwen al datgene wat
aangaande Hem is geschreven, wanneer zullen wij kunnen zien met eigen
ogen ook de woorden die Hij heeft voorgelezen in de synagoge van Nazareth?
In de joodse traditie wordt gevraagd
waar Messias te vinden is, en het ontroerende antwoord luidt: voor de
poorten van Rome, daar is Hij te vinden temidden van de melaatsen en
de bedelaars, wachtend op de gene die naar hem vragen zal. Het is duidelijk
iemand gaat naar Rome, naar de poorten van de stad. Hij treft Hem aan,
en stelt de spannende vraag: wanneer komt de Messias, de Gezalfde. En
het wonderlijke antwoord van de Messias is Heden! En zoals zo dikwijls
geschiedt, de vraagsteller gaat teleurgesteld naar huis. Wat is dat
voor een antwoord heden, als er geen bazuinen klinken, en geen triomftocht
wordt georganiseerd? Thuis gekomen wordt de vraagsteller door een van
zij genoten eraan herinnerd, dat dat woord heden, het woord heden is uit de psalm.
Heden, zo gij zijn stem hoort, wilt uw harten niet verharden als
ten dage van Massa en Meriba in de woestijn, waar jullie vaderen mij
op de proef hebben gesteld. Toen moest Ik wel zweren zij zullen niet
binnengaan in de rust van het veelbelovende land. Ja, we horen het
goed. Heden, ja, Heden, maar wel onder die voorwaarde
zo gij zijn stem hoort; en als gij zijn stem hoort? Ja, wilt
uw harten niet verharden Heden, zo kunnen wij horen is niet een
woord van een moment, het is een woord dat telkenmale klinken kan als
wij het horen: Heden, ja, heden, zo gij zijn stem hoort,en als gij dan
zijn stem hoort, wilt dan uw harte niet verharden . ..
Aan dat woord van de psalm worden wij
ook door het verhaal van Lucas herinnert. En het is ook spijtig dat
we hier de lezing uit Lucas zouden afbreken. Volgende week wordt deze
lezing niet voorgezet, want dan vieren wij de opdracht van Jesus in
de tempel, Maria Lichtmis. Want de toehoorders in de synagoge willen
dat heden niet horen als een profetisch heden, zoals de psalm daarover
spreekt, zij stellen hun harten niet open, zij willen die wonderlijke
stem niet horen, en zij blijven eigenlijk in het hun bekende kringetje.
We kennen Hem toch, die zoon van Joseph, mooie woorden, maar wat wil
Hij dan? Jesus kan alleen maar antwoorden met een verwijzing naar datgene
wat Hij heeft voorgelezen. Hij heeft aangekondigd een welgevallig jaar
van de Heer. En nu moet Hij wel vaststellen dat geen enkele profeet
welgevallig is in zijn eigen vaderland. We horen die woorden van het
welgevallen op elkander rijmen. We weten hoe het verhaal afloopt, ze
willen Hem doden, in dodelijke woede willen zij Hem wegwerpen vanaf
de top van de heuvel waarop hun stad is gebouwd. Zo werkt in dit verhaal
het heden uit. Wij die aangesproken zijn als door God beminden, door
God geliefden, hoe zingen wij die psalm, heden, als wij de tekenen ontvangen
van dat koninkrijk dat komt. Openen wij onze oren, en sluiten wij onze
harten niet, verharden wij onze harten niet ten opzichte van elkander
als wij elkaar van harte de rechterhand van de gemeenschap geven, omdat
wij Zijn stem hebben gehoord, heden! Zo geve God!
Ben Hemelsoet
Opdracht van de Heer in de tempel
Maria Lichtmis 1992
Mal 3,1-4
Hebr 2,14-18
Lucas 2,22-40
Het is vandaag een groot feest, het
feest waarop mensen als Simeon en Anna Jesus tegemoet gaan, een feest
van herkenning en ontmoeting, een feest van herkenning van elkaar. En
de plaats waar men elkander herkend, waar Jesus wordt herkend is de
tempel van Jerusalem. Vandaag komt Jesus in het huis van Zijn Vader,
vandaag komt Hij daar waar Hij thuis zijn wil, want heeft Jesus zelf
niet gezegd dat Hij moet zijn in het huis van Zijn Vader. Als Jesus
inde tempel komt, is dat een grootse gebeurtenis waarop de profeten
hebben gewacht. Wij zijn zo gewend om alle aandacht op de komst van
Jesus te richten op het kerstfeest. We hebben het de engel horen verkondigen:
Heden is geboren de Redder, de Bevrijder, de Messias, de Heer in de
stad van David. Doorgaans menen wij dat we daarmee het belangrijkste
wel hebben gehoord. Maar we weten ook dat we hebben mogen vernemen van
de engel: en dit zij u ten teken, gij zult een kind vinden, in doeken
gewikkeld, liggend in een kribbe. En vanaf dat moment, vanaf dat uur,
mogen en moeten wij bidden, ons afvragen, wanneer zullen wij zien, wanneer
zullen wij merken dat di t kind die beloften die bij zijn geboorte zijn gezegd vervult.
Wanneer wordt waar wat de engel heeft gezegd, wanneer zal Hij daadwerkelijk
zijn de bevrijder, en de redder, de Messias. Van de Messias, van de
Christus staat ook geschreven dat Hij al Gods welbehagen zal vervullen,
en ook dat Hij tot Jerusalem zal zeggen: wordt gebouwd, en tot de tempel
word gegrondvest? Wanneer zal Hij zijn schreden richten naar het heiligdom,
wanneer zal Hij komen in de tempel, om zo de tempel met zijn glorie
te vervullen, om zo de tempel door Zijn aanwezigheid te wijden, om zo
de tempel in alle glorie te laten stralen. Daarom ontsteken wij vandaag
de kaarsen in de kerk, want zo heeft Jesus de glorie van Israel, en
het Licht voor alle heidenen, voor alle volkeren, willen laten zien
dat de stad op de berg, de stad Jerusalem niet verborgen kan blijven.
En wij willen ook dat Licht dat Jesus is niet onder de korenmaat plaatsen,
maar wij willen dit Licht uitbundig laten schijnen, zeker op deze dag
... Bij de profeet staat het zo geschreven: zie, zo spreekt de Heer,
Ik zend mijn bode voor uw aangezicht, die voor u de weg bereiden zal.
In deze woorden hebben wij de grote wegbereider, de voorloper Joannes
de Doper herkend, maar de tekst gaat door, en haastig zal daarna komen,
de Heer waarnaar gij naarstig zoekt, degenen die gij verlangend tegemoet
z iet, te weten de grote Bode van het verbond, waarin gij u wilt verlustigen,
waar gij in alle zinnen van het woord genieten wilt, onder wiens bescherming
gij wilt leven, degenen aan wie gij u wilt toevertrouwen. Hij zal haastig
komen naar het heiligdom, naar de tempel. Zie Hij zal komen, zegt de
Heer der hemelse legerscharen, Hij zal komen naar de tempel. En zo komt
Hij naar de tempel, en zijn aanwezigheid vult het gehele huis. Je zou
kunnen zeggen in alle hoeken en gaten is het te merken dat Hij er is,
Zijn licht schijnt overal, in alle hoeken en gaten van de tempel.
Als Jesus in de tempel komt, komt daar
Simeon hem tegemoet. Hij wordt gedreven door de Geest, want hij had
een openbaring ontvangen dat hij de dood niet zien, aleer hij de Heer
zou zien. Meestal denken wij dat die Simeon erg oud geweest is, maar
dat staat nergens. Ja, er staat geschreven dat hij de dood niet zien
zou, aleer hij de Heer zou hebben gezien, maar daar hoef je niet oud
voor te wezen. Eigenlijk heel vreemd dat onze traditie van deze Simeon
een oude man gemaakt heeft. Je hoeft toch immers ook niet oud te zijn
om naar de kerk te gaan ...
Deze Simeon neemt het kind in zijn
armen, en hij zegt God. Hij houdt vol vreugde God bij Zijn naam, 0 God,
gij zijt toch de God waarop ik niet vergeefs mijn vertrouwen heb gesteld,
niet tevergeefs heb ik uit gezien naar deze dag. Maar als een goede
en getrouwe jood, durft hij God ook wat te vragen. Niet alleen is zijn
vreugde groot dat hij Jesus in zijn armen nemen mag. Maar wat moet er
nu gebeuren. Jesus is in de tempel, 0 grote vreugde. Wij weten dat Jesus
in het huis van Zijn Vader moet wezen! Maar de vraag van Simeon is,
moet Jesus daar altijd blijven? Krijgen de mens en die niet in Jerusalem
wonen, krijgen de andere mensen Hem niet te zien? Moet Hij altijd in
de tempel blijven? Hoe kan Jesus zo de knecht van God, de dienaar des
Heren zijn, als Hij alleen, en alleen maar in de tempel zou verblijven,
en zo verborgen voor velen? Daarom zingt Simeon ook zijn lied, niet
alleen voor zichzelf, maar uiteindelijk voor ons allemaal. In dat lied
vraagt hij ook dat God Zijn dienaar Jesus, de knecht Gods, ook losmaakt,
bevrijd als het ware uit de tempel, om al de woorden te vervullen, die
over Hem geschreven staan, dat Hij alles mag vervullen in de vrede Gods.
De eerste regels van het voortreffelijke
gezang van Simeon, slaan zeker niet alleen op Simeon, die meent dat
hij nu rustig heen kan gaan, nu gerust kan sterven, integendeel. Die
woorden slaan op Jesus, de dienaar. Het is een bede om te vragen dat
ook Jesus buiten de tempel, in het leven van alle dag, Zijn zegenrijke
werk, Zijn messiaanse opdracht ook buiten de tempel mag vervullen, met
het oog op de vrede in de wereld. Als Hij er is tot verlichting van
de heidenen, en als Hij is de glorie van Israel, laat dat Licht dan
ook stralen in de wereld rondom het heiligdom, rondom Jerusalem. Want
zo willen wij toch ook immers zijn, niet alleen volgelingen van Jesus
in de kerkelijke samenkomst, maar ook daarbuiten. Hoe vele malen horen
we immers mensen, grote mens en zeggen dat het niet allen maar zit in
het naar de kerk gaan. En ik onderschrijf dat van harte. Maar hoe het
na die opmerking door moet gaan, is mij ook vele malen een raadsel.
Maar deze Simeon zegt ook dat deze Jesus, voor velen zal zijn tot val,
en opstanding in Israel, en een teken dat zal worden tegengesproken.
Vele mens en zullen Hem niet alleen links laten liggen, zij zullen aanstoot
aan Hem nemen, en daarom zal een zwaard van droefheid door Maria' s
ziel heengaan! Dat zal ook gebeuren omdat Jesus niet in de bescherming,
in de beschutting van de tempel blijft.
Er is nog iemand in de tempel aanwezig.
Zij is een profetes, en zij heet Anna. Zij heeft haar naam, Anna, mogen
lenen aan de moeder van Maria, aan moeder Anna. Zij is voortdurend in
de tempel, alle dagen en nachten, zij bidt en zij vast, en zij dient
God dag en nacht. Zij is de profetes, en zij verkondigt aan ieder die
het horen wil, aan eenieder die de tempel bezoekt, en zij spreekt erover
tot allen, zij spreekt van Jesus, en dat niet alleen. Zij
spreekt ook van de bevrijding van Jerusalem.
Nu Jesus daar is, en nu de tempel door
Hem is geheiligd gloort de bevrijding, een bevrijding die allereerst
in Jerusalem zal kunnen worden gezien. Wij weten hoe de bevrijding in
Jerusalem gekomen is, de machten die Jesus ter dood hebben gebracht,
die Hem hebben overgeleverd aan de heidenen om gekruisigd te worden,
hebben niet het laatste woord gehad. Jesus is opgewekt uit de doden.
Zo heeft Hij laten zien, de bevrijding van alles wat ons kan bedreigen,
zo kunnen wij het aan, en zo komen we hier van week tot week bijeen,
om elkander te sterken in onze toewijding, om in te staan voor elkaar,
want hier sterken wij ons aan de maaltijd die de Heer voor ons heeft
bereid. Het zijn de tekenen, brood en wijn, van het koninkrijk dat komt,
een koninkrijk van vreugde en bevrijding, een koninkrijk waar alle traan
zal zijn afgewist, en alle leed geleden. Daar bereiden wij ons op voor,
met elkaar, en een ieder wil laten zien, hoe hij of zij, groat
of klein deze verwachting koestert in de dagen die ons geschonken zijn.
Zo geve God!
Spaarndam 4-5 februari 1989
Isaia 6,1-8
Lucas 5,1-11
In de voortgaande lezing van het evangelie
naar Lucas staan we vandaag met de menigte aan het meer van Galilea.
De menigte dringt aan, verdringt zich om Hem, want zo staat er zij willen
horen het woord van God. Het staat er zonder veel omhaal: het woord
van God. Het is een van die uitdrukkingen die we menen te verstaan als
niemand naar de betekenis ervan vraagt. En voor we het weten wordt die
uitdrukking "het woord van God" door ons verstaan als verheven
spraak, die met vroomheid van doen heeft; een woord dat van alzo hoge
komt, van alzo vere; een woord dat boven de
werkelijkheid van alle dag uitgaat; een woord waarvoor we ons op moeten
maken,- moeten opstaan - om het te kunnen verstaan; een woord dat in
de kerk thuis hoort, en waar we daarbuiten bijna niets meer mee kunnen
doen. Een woord bovendien,- het woord van God, - dat we ook niet goed
kunnen invullen. Wat is het woord van God?
Wie ietwat vertrouwd is met de schriften
weet dat het woord van God meer is dan alleen maar een toespraak van
verheven allure. Wie de schriften kent, weet dat het woord van God ook
gelezen kan worden als de toezegging van God, de belofte van God, zijn
aanwijzing, ook de wijze waarop Hij de weg wijst, toekomst opent, de
weg wijst naar het land van beloften, de weg wijst naar zijn koninklijke
heerschappij, uiteindelijk hoe God de weg wijst naar Sion, naar Jerusalem
het hart van het land van beloften, de plaats waar Hij Zijn Naam zal
openbaren. Daarom kan de evangelist ook schrijven: dat de menigte op
Hem aandringt, en de scharen zich om Hem verdringen om die beloften
Gods, die toezeggingen Gods uit Zijn mond te horen. Maar ook dit kan
nog veel te algemeen zijn. We moeten ons immers ook afvragen waarom
Lucas hier niet verteld hoe Jesus, als de menigten op Hem aandringen,
die beloften van God vertolkt, en waarom Lucas op het eerste gehoor
niet verteld welke weg de mens en die Hem willen horen moeten gaan?
Daarbij komt: het woord "aandringen"
"opdringen" komt in het evangelie van Lucas nog één keer meer
voor, en wel in de lijdensgeschiedenis: Zij drongen aan, met groot geroep
dat Hij gekruisigd zou worden (Luc23, 23). Welke huiveringwekkende verbinding
wordt er zo gelegd?
We moeten ons derhalve ook hoeden dat
we dit tafereel van vandaag ons niet te idyllisch, al te idyllisch voorstelen.
het is meer dan een dagje naar het strand! En er is ook meer aan de
hand dan dat Jesus het scheepje van Petrus alleen maar beschouwd als
een beter soort preekstoel, een welkome gelegenheid om allen die op
Hem aandringen, die Hem verdringen, die Hem te na willen komen op een
afstand te houden.
Wat leert Jesus eigenlijk? Dat horen
we niet. Om het duidelijk te zeggen: Jesus leert zichzelf, het hele
evangelie, alle verhalen leren ons niets anders dan Jesus. Hij is de
profeet van zij eigen profetie, de leraar van zijn eigen leer. En daarom
moeten we ook zo goed opletten en horen, hoe de verhalen geschreven
zijn om ons duidelijk te maken wie Hij is, en wat Hij zo leert. Zijn
leer is derhalve, zijn belofte, zijn aanwijzing van de weg, dat Petrus
te horen krijgt: Steek af naar het diepe, kies het ruimte sop, en werp
uw netten uit. Dat leert Jesus, dat is zijn concrete verkondiging van
het Woord van God, van Gods toezegging. Want is er ook geen parabel
overgeleverd waarin verteld wordt: het koninkrijk der hemelen kan worden
vergeleken met een net, geworpen in de zee, dat allerlei soorten van
vissen samenbrengt (Matt 13,47)? Daar gaat het om! Petrus geeft hier
wellicht het goede antwoord. Meester, hoewel wij de gehele nacht gevist
hebben, en niets hebben gevangen, zal ik toch op uw Woord de netten
uitwerpen. Het woord van Jesus, dezelfde Jesus uit wiens mond de menigten
het woord van God willen horen, doet Petrus ingaan tegen alles wat zijn
vissershart hem ingeeft. Op uw woord zal ik de netten uitwerpen. En
zonder veel omhaal gaat de tekst verder: en toen zij dat gedaan hadden,
vingen zij een grote menigte van vissen, veel, en de netten scheurden.
Dat laatste: een meevaller, een tegenvaller? Ze hebben hulp nodig van
het andere schip, en zij vullen de schepen die bijna zinken.
Toen Petrus dat zag, zeide hij: Heer ga weg van mij want ik ben een zondig mens.
Ook dit woord vraagt erom ernstig genomen te worden. Niet in de zin
dat wij ons zouden moeten afvragen welke zonden Petrus zou hebben kunnen
gedaan, om als toeschouwer onze nieuwsgierigheid te bevredigen. In de
aanwijzing van Jesus, het diepe op te zoeken, en daar de netten uit
te werpen, ontdekt Petrus hoe hij los moet geraken van wat hem vanzelfsprekend
lijkt: de hele nacht hebben wij gevist en niets gevangen. Er wordt op
die manier een indrukwekkend beeld opgeroepen. Want we hebben het gehoord
in het evangelie. Het verhaal wordt ook verteld opdat er gezegd kan
worden van nu af aan zult gij mensen vangen. Op het woord van Jesus
worden mens en bijeengebracht, mensen verzameld, mensen geroepen tot
de broederschap. En wellicht zijn we daarom zondige mensen omdat we
dat uit het oog driegen te verliezen, telkens weer, vastgeroest als
we zitten in eigen waan en eigen bekrompenheid, eigen verlegenheid,
en eigen onmacht, net bij machte om gevestigde belangen te doorbreken.
Vol aandacht voor onszelf, en ternauwernood voor anderen. Maar in het
evangelie van vandaag kunnen we horen wat er mogelijk is, als het bekende
patroon doorbroken wordt.
Zo kan ook wellicht duidelijk worden
waarom Jesus wijst op de diepe zee. Petrus is een visser, hij kent de
geheimen van het water, en blijkt die geheimen nog niet te kennen. Daar
waar hij de weg meende te weten, zijn andere mogelijkheden verscholen.
Hij kent de geheimen van het water, de doodsdreiging van het water eveneens.
Hij weet dat het water een gevaar kan zijn, en dat mensen niet als vissen
in het water kunnen leven, dat zij in het water niet in hun element
zijn. Nu mag hij het geheim ontdekken, en wij met hem, dat op Jesus
woord wij mogen instaan voor elkaar. Dat wij verantwoordelijk voor elkaar
mogen zijn op het woord des Heren. Zo staat er van die eerste vier geschreven:
en zij verlieten alles en volgden Hem. Want Hij gaat de weg, en door
die weg te gaan wijst Jesus de weg. Door die weg te gaan die voeren
zal tot in Jerusalem verkondigt Hij het woord van God. Zo maakt Hij
alle beloften waar. Zoals Paulus zeggen zal dat in Hem alle beloften
Gods "ja" geworden zijn. In het evangelie van Lucas zal Jesus
het Onze Vader aan zijn leerlingen leren bidden op weg naar Jerusalem,
met die stad op de berg voor ogen. Zo kunnen wij het onze vader
ook vandaag weer bidden met elkander, als een gehoor geven aan het woord
van God, als een gehoor geven aan zijn beloften, vertrouwend op zijn
toezeggingen. Zo bidden wij omdat wij Jesus op zijn weg hebben zien
gaan, omdat wij de moed hebben de hoge zee op te zoeken, om de komst
van zijn koninkrijk. Zo bidden wij ook dat wij elkander van harte kunnen
vergeven. Daarom geven wij elkander de hand van de broederschap, als
broeders en zusters, want wij kunnen zo met elkander eten en drinken
de tekenen van het koninkrijk dat komt. En zo is de Heer temidden van
ons, Hij die onze verwachting draagt. zo wachten wij op zijn grote openbaring,
zijn komst in heerlijkheid. ZO geve God!
Vijfde zondag door het jaar
9 februari
1992
Jesaja 6,1-8
1 Kor 15,1-11
Luc 5,1-11
Een indrukwekkende tekst, de roeping,
het roepingsvisioen van Jesaja, de profeet.
We horen in deze lezing wat we horen te zingen als wij hier bijeenkomen.
Vandaag horen we voorlezen waar wij het Sanctus voor de eerste keer
hebben vernomen. In Jesaja horen wij voor het eerst de Serafijnen zingen:
Sanctus, sanctus, sanctus, Dominus, Deus,
Sabaoth, heilig, heilig, heilig de
Heer, de God van de hemelse legerscharen. Heel het land is van Zijn
heerlijkheid vervuld ... wij hebben deze zang in de liturgie nog
uitbundiger leren zingen, want wij zingen nu: hemel en land, hemel en
aarde, niet alleen de aarde zijn vervuld van Uw heerlijkheid, Hosanna
in den Hoge, Gezegend Hij die komt in de naam des Heren, Hosanna in
den hoge! Zoals het zo dikwijls gaat, zijn wij vergeten waaraan wij
deze zang hebben ontleend, maar vandaag worden wij eraan herinnerd.
De tekst zegt dat het geschiedde in het sterfjaar van koning Uzzia.
Dat is heel voorzichtig uitgedrukt, het is het jaar waarin Uzzia zich
vergrijpt aan de tempel, waarin de koning zelf met het wierookvat in
de hand de tempel binnen wil gaan, om zo de tempel te vullen met de
wierook die hij doet opgaan. De priester verhindert het hem, en koning
Uzzia wordt melaats, een uitgestotene, afgesneden van zijn volk, een
dode. In dat jaar wordt aan Jesaja getoond wie degen is, op de troon
gezeten, en wie degene is die de tempel vult, vervult. Daar komt geen
aardse koning, geen aardse machthebber aan te pas.
De Heer zelf verschijnt gezeten en
op een verheven troon, Hij vult de tempel. En zijn zingend hof kan dat
alleen maar bevestigen in een niet aflatend heilig, heilig, heilig ...
En met de ervaring van Uzzia in het hoofd, roept Jesaja vol vertwijfeling
uit, met zijn onheilige lippen: wee mij, want ik heb de Koning, de Heer
der heirscharen aanschouwd. Dat God Koning is, horen we hier op een
plechtige wij ze voor de tweede maal in de schriften. De allereerste
maal horen we het, als wij met Pasen zingen het lied van Moses als de
beloften gedaan worden, als land in het vooruitzicht wordt gesteld,
en als er geprofeteerd wordt: gij zult uw volk inbrengen en planten
op de berg van uw erfenis, op de plaats welke gij gemaakt hebt tot uw
woning, het heiligdom dat uw handen hebben gesticht, 0 Heer, want daar
zal de Heer in eeuwigheid Koning zijn, voor altijd.
Dat is evangelie ten top, blijde boodschap
op haar best. God zal Koning zijn in Sion! En vandaag ziet Jesaja de
voltooiing, de vervulling van die profetie, want de heerlijkheid des
Heren vervult de tempel, zo is God Koning in Sion, op de plaats die
Hij heeft uitverkoren. Dante heeft Jesaja genoemd evangelista
veteris testamenti, terecht de evangelist
van het oude testament, want hij heeft mogen beschrijven wat hij heeft
gezien. De lippen van Jesaja worden gereinigd met vurige kolen, en als
zijn lippen zo gereinigd zijn, hoort hij de Heer vragen wie zal Ik zenden,
en we horen het antwoord van de profeet: zie, hier ben ik, zend mij
... Het moge duidelijk zijn, waartoe Jesaja wordt gezonden. Hij wordt
gezonden om het koningschap van God te verkondigen, om die koninklijke
heerschappij bekend te maken, tegen alle andere pretenties in, tegen
eenieder die meent dat koningschap te kunnen betwisten. Hij hete Uzzia,
of drage een andere naam! Buiten deze koning
is er geen sprake van koningschap ...
Het is vreemd, merkwaardig dat wij
blijkbaar niet mogen horen, het staat althans niet in ons boek, afgedrukt
hoe die opdracht aan Jesaja luidt. Het is ook onthutsend, ontstellend
als we het horen. Want ook wij denken maar al te gemakkelijk, dat koningschap
van God, is dat wel zo alomvattend, kan het niet wat minder, moet het
zo vervullend, zo alvervullend zijn zoals wij in de kerk zijn gaan zingen:
de hemel en de aarde zijn vol van uw heerlijkheid? Kan het echt niet
wat minder, blijft er dan niets over voor onze koninkrijkjes of onafhankelijke
republiekjes? Is die boodschap van Gods Koninkrijk wel reëel. Wij kennen
toch een andere realiteit, de werkelijkheid van alle dag, telt dat niet
mee, telt niet mee als wij zeggen maar dat is de realiteit? Die werkelijkheid
waarin wij vooruit willen komen, carrière willen maken, en God weet
ten koste/ten bate van wie?
Wij horen hoe de profeet gezonden wordt.
Die woorden zijn even onthutsend als onze zogenaamd beroep op de werkelijkheid.
De boodschap die Jesaja zal moeten verkondigen zal blijken aan dovemansoren
te zijn gezegd. Ga heen, en zeg tot dit volk horende zullen jullie
horen, maar niet verstaan, ziende zullen jullie het zien, maar er geen
acht op slaan. Maak het hart van dit volk vet, maak hun oren zwaar,
sluit hun ogen opdat zij niet zien met hun oren, en ook niet met hun
oren zullen horen, evenmin zullen zij het met hun hart verstaan, zij
zullen zich niet bekeren, hoe kan Ik hen genezen? Is het dan maar
beter om deze woorden niet voor te lezen. Gooit de lieve Heer op die
manier zijn eigen ruiten niet in? Is dat het laatste woord van de Koning
der heirscharen, de koning die de hemel en de aarde vervult met zijn
heerlijkheid? Is dat het laatste woord? De profeet wil dat ook niet
geloven. En hij vraagt Hoe lang, Heer? Want dat kan toch niet eeuwig
duren, waar blijft u dan met u weergaloze trouw, waar blijft u met uw
grandioze beloften? En dan horen wij hoe lang die verblinding duren
zal. Die verblinding, die verdoving, die verharding van het hart zal
duren, totdat de steden zijn verwoest, zodat er geen inwoner zij, en
de huizen zodat er geen mens en meer in zijn, totdat het ganse land
verstoord zal zijn. Maar een tiende deel zal er zijn, een tiende deel
zal zich bekeren, en zal terugkeren.
Dit klinkt onheilspellend, wanhopig
wellicht. Is God, de Koning zo? Moeten wij zo nadenken over de Koning
der heirscharen, waarvan de heerlijkheid de hemelen de aarde vult. Of
mogen we het anders zeggen: zal Hij toch Koning blijken te zijn, toch
de Heer der hemelse machten ook als al onze pogingen zelf orde te stellen
op aarde op een grote mislukking zijn uitgelopen. Kunnen we ook hierin
niet horen dat zolang wij menen dat wij het zelf wel kunnen organiseren,
zelf wel kunnen uitzoeken, en geen beroep doen op Gods Naam, geen getuige
willen zijn van Zijn heerlijkheid dat wij dan zelf zullen zien waarop
onze orde uitloopt, een orde die toch ternauwernood geïdentificeerd
kan worden met de heerlijkheid van Gods koningschap. Hoe horen wij die
boodschap, die blijde boodschap dat God koning is? Koning over de ganse
aarde, en wij allen weten hoe wij grenzen trekken, grenzen hebben getrokken,
onze eigen heerlijkheid afbakenen, en beschermen tegen anderen, die
ook moeten leren bidden om de komst van Gods Koninklijke heerschappij
Het evangelie van vandaag, geeft een prachtige illustratie van hetgeen
bij de profeet geschreven staat. De menigte dringt aan om het woord
te horen, maar dat woord aandringen heeft ook een onheilspellende klank,
want dat woord aandringen komt in het evangelie van Lucas nog een keer
meer voor, in het lijdensverhaal. Zij dringen aan met groot geroep dat
Hij gekruisigd zou worden (Luc 23,23), Het is daarom maar de vraag of
we hier van doen hebben met een idyllisch tafereel. Ja, ze dringen aan
om het Woord van God te horen. Maar wat willen zij horen? Welke belofte
Gods willen zij zich toe-eigenen, in bezit nemen. Welke beloften willen
zij ten eigen bate, ten eigen nutte opeisen? Om de diepte te peilen
van de beloften Gods, van Gods woord moeten de leerlingen weer terug
gaan naar de zee. Om te eten wat de belofte is, moeten zij zich gewonnen
geven aan het woord van Jesus, die ervaren vissers, voor wie zogenaamd
de zee geen geheimen heeft, zij hebben immers de gehele nacht gevist,
en niets gevangen? Weet Jesus het soms beter? Kent Hij de diepste achtergrond,
de diepste achtergrond, hoewel Hij toch geen visser is, maar een timmerman?
Zij vangen, tegen alle menselijke verwachtingen in, een grote menigte
vissen, de netten scheuren, en de boten dreigen te zinken. Op dat moment
zegt Petrus: Heer ga weg van mij, want ik ben een zondig mens. Ook die
opmerking van Petrus geeft te denken! waarin is hij een zondig mens?
Misschien mogen we het zo zeggen, hij is bij de oppervlakte blijven
staan, bij het voor de hand liggend, hij heeft wat er in het diepe schuil
gaat ternauwernood wilen vermoeden. Als hij
zich daaraan overgegeven heeft, blijkt zijn oppervlakkigheid, als hij
zijn vertrouwen gegeven heeft aan het woord van Jesus, bemerkt hij vol
ontzag dat hij daarmee in een heel andere wereld gekomen is, dat hij
overgegaan is van die wereld van eigenwijsheid, van zijn visserslatijn
naar de betrouwbaarheid van Gods woord, van de betrouwbaarheid van het
koninkrijk van God, en daarom, zo veranderd, zo bekeerd, kan hij mensen
vangen, mens en meeslepen op de weg van het koninkrijk. wij komen hier
bijeen van week tot week om die geheimen te vieren, met elkaar, om elkaar
te sterken, te bevestigen in die gemeenschap, in die broederschap. Hier
komen wij tezamen, rand die ene tafel, waaraan de tekenen worden gedeeld
van dat Koninkrijk, waarvan wij verwachten, dat het komt. Ook om elkaar
te streken geven wij elkaar de rechterhand van de gemeenschap: zo geve
God!
Zondag septuagesima
16 februari 1992
Jeremia 17,5-8
1 Kor 15,12.16-20
Lucas 6,17.20-26
Vandaag horen wij een evangelieverhaal
waar wij onze verbeelding de vrije loop kunnen laten gaan. De evangelist
geeft ons enkele aanwijzingen, geeft regieaanwijzingen om het verhaal
met zijn geheimen te kunnen verstaan. Jesus daalt de berg af! We zien
Hem komen van boven naar beneden, van al zo hoge van alzo veer. Hij
komt bij ons. Hij vindt het de moeite waard af te dalen, bij ons te
komen. Hij daalt van de top van de berg af, en staan op een vlakke plaats,
op een plaats waar al een grote menigte vol verlangen op Hem staat te
wachten, een grote menigte van geheel Judea en Jerusalem, en mensen
van de zeekant van Tyrus en Sidon, van alle kanten waren zij gekomen,
vol spanning om Hem te horen, vol verwachting ook om van hun ziekten
te worden genezen, vol spanning ook wordt Jesus tegemoet gezien ook
door degenen die door boze geesten worden gekweld, want Jesus zal hen
bevrijden. En zo schrijft de evangelist: de hele menigte probeerde Hem
aan te raken, want er ging een kracht uit van hem, en Hij genas hen
allen! Hoe hoog moeten de verwachtingen wel niet gespannen zijn als
er zo geschreven kan worden over Jesus die bij ons komen wil, die afdaalt
van de berg. Die verwachtingen zijn zo hoog gespannen, dat wij ons afvragen
of die verwachting wel zo hoog gespannen kan zijn, of ook dat niet te
veel van het goede is, of wij nuchtere Nederlanders dat wel aankunnen.
De mensen proberen Jesus aan te raken,
want er ging kracht van Hem uit en Hij genas hen allen. We zijn geneigd
om te denken dat heeft niet waar kunnen zijn, zo is dat niet gegaan,
dat hebben die mensen in die tijd alleen maar gedroomd, zo iets wonderbaarlijks
kan toch immers niet gebeuren. Heeft iemand van ons dat ooit zo gezien.
Misschien worden die verzen daarom ook maar weggelaten. Maar dat is
een gemakkelijke oplossing, te gemakkelijk. Want we mogen ook weten,
dat de evangelist zijn evangelie niet schrijft om ons te vertellen wat
er ooit, toentertijd gebeurd is. Hij schrijft zijn evangelie ook om
verwachtingen te wekken, en hoop te koesteren, om een toekomst open
te hoeden. Om ons niet neer te leggen bij de werkelijkheid van alle
dag, een werkelijkheid die wel zeer nabij is, maar die het laatste woord
niet wezen kan. Er is meer, en wat zal er kunnen gebeuren als de Zoon
des Mensen komt in de laatste dagen, als alles aan Hem zal zijn ondergeschikt,
wanneer aan Hem alle macht gegeven zal worden in de hemel en op de aarde,
als het gebed zal zijn verhoord uw wil geschiedde in de hemel en op
de aarde. Hoe zullen wij dan niet hopen om dichtbij Hem te mogen zijn,
en Hem te kunnen aanraken, om deel te mogen hebben aan die genezende
wereld, die Hij dan stichten zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
De woorden van de evangelist hebben
veel meer betrekking op het zogenaamde laatste oordeel, zij zien meer
op de toekomst dan op een lang vervlogen verleden, het is meer profetie
dan geschiedenis. Als de Zoon des Mensen zal komen en al zijn engelen
met Hem, dan zullen alle volkeren worden verzameld voor Hem, dan zal
Hij komen om te oordelen de levenden en de doden. En wij weten dan zal
Hij scheiding maken tussen de bokken en de schapen, tussen de mensen
die links van Hem zijn gesteld, en degenen die aan Zijn rechterhand
mogen staan. Zo staat het beschreven in het evangelie van Mattheus.
Lucas beschrijft dit op een andere manier. Lucas beschrijft dat hier.
Daarom klinken de woorden van Jesus op deze zondag zo hard. Zalig de
armen, en wee u rijken. We moeten goed proberen te begrijpen dat het
hier gaat om het laatste oordeel, niet om het voorlaatste oordeel. We
moeten goed begrijpen dat we het bij het laatste oordeel niet zo ver
moeten laten komen dat dat bij het laatste
oordeel over ons wordt gezegd, en uitgesproken. Want we weten wat in
de Bijbel een rijke is. Een rijke is iemand die zegt: Ik ben rijk, ik
heb mij verrijkt, en ik, ik heb niets of niemand nodig. Voor zo iemand
zal het laatste oordeel niet aanlokkelijk zijn. Want iemand die zegt
dat hij niets of niemand nodig heeft, dat hij wel voor zichzelf kan
zorgen, zonder rekening te houden met anderen, hoe zal deze rijke verlangend
uitzien naar de komst van de Zoon des Mensen, hoe zal deze rijke vertrouwen
hebben in degene aan wie alle macht gegeven is in de hemel en op de
aarde? Vandaar dat deze teksten in het evangelie staan niet om ons een
huiveringwekkende toekomst te schilderen, maar om te voorkomen dat het
er zo aan toe zal gaan, dat de rijke zich bezinnen zal, zich bezinnen
over de wijze waarop hij rijk mag zijn, en dat hij/zij zich niet neerlegt
bij dat onheilspellende ik ben rijk, ik heb mij verrijkt, en ik, ik
heb niets of niemand nodig. De arme is eerder aangewezen op de gemeenschap,
op zijn broeder, want staat er van de arme niet geschreven: wanneer
een arme arm gemaakt is door zijn broeder. Een arme is in de schriften
iemand die niemand heeft, die alleen maar een beroep kan doen op anderen,
iemand die daarin wordt gekleineerd, er onder wordt gehouden, met redenen
van welke aard ook. Hem wordt in het vooruitzicht gesteld dat ook dat
het laatste woord niet wezen zal, niet wezen kan, want van die armen
zal zijn het Koninkrijk Gods. Het zij verre dat hier een vaststaande
tweedeling in de maatschappij zou worden verkondigd, in de trant van
je hebt nu eenmaal armen, en onvermijdelijk zijn er ook rijken. Als
je voor het bekende dubbeltje geboren bent maar dat fatalisme mag niet
gelden in de gemeenschap van degenen die Jesus verwachten, die verlangend
uitzien naar de komst van de Zoon des Mensen. Wij worden zalig geprezen
als de mensen ons haten, wanneer zij u uitstoten, en smaden, en UW naam
als kwaad verwerpen, terwille van de Zoon des Mensen. Deze zinnen snijden
even diep in het vlees, als de zinnen dat allen probeerden om Jesus
aan te raken om genezen te worden. Ook deze zinnen hebben betrekking
op het oordeel ten laatste. ten laatste als wij de Zoon des Mensen verwachten,
zullen we geen beroep kunnen doen op de zogenaamde eer die wij hier
hebben genoten, de achting waarop wij ons hebben laten voorstaan. Wij
zingen hier van week tot week als wij dan eten van dit brood, en als
wij dan drinken van deze beker, verkondigen wij de dood des Heren totdat
Hij komt. In de verwachting van de komst van de Zoon des Mensen komen
wij hier bijeen. En dat verplicht, dat is ook zo nemen wij de verplichting
op ons te proberen te leven vanuit die verwachting, want zo weten wij
wat ons te doen staat. Als wij niet onder het verdict willen vallen
van het laatste oordeel, Is wij niet veroordeeld willen worden. De maatstaf
waarnaar wij zullen worden geoordeeld is bekend, wij kunnen er wat aan
doen. In een ander evangelie, dat van Mattheus staat het zo, indrukwekkend
geschreven: wat gij aan de minsten van Mijn broeders hebt gedaan, dat
hebt gij aan Mij gedaan. Dat is het wat wij hier van week tot week oefenen,
in onze godsdienstoefening, als wij samenkomen. Het wonderlijke is dat
wij om dat te oefenen samenkomen rondom een tafel, waar wij allemaal
eten van hetzelfde brood, en waar wij drinken uit dezelfde beker, zonder
rang of stand, zonder onderscheid. Als wij samenkomen, bidden wij ook,
doen wij een beroep op onze lieve Heer, doen wij een beroep op het vertrouwen
dat Hij, de lieve Heer, nog steeds in ons, in deze gemeenschap stelt.
In de vertaling in ons boekje gegeven, zouden we kunnen zeggen let niet
op mijn zonden, maar op het geloof van uw kerk. Ik denk dat we hier
bescheidener moeten bidden, dat we hier daarom met groter vertrouwen
kunnen bidden: let niet op mijn zonden, wij allen, wij hier verenigd,
als gemeenschap wij doen een hartstochtelijk beroep op uw trouw, op
het vertrouwen dat gij ondanks alles nog steeds in deze gemeenschap,
ook in de gemeenschap hier stelt. Bij dat vertrouwen willen wij schuilen,
wij willen vertrouwen hebben in de trouw van God niet in eigen vermogen,
niet in eigen heerlijkheid. Als wij ons daaraan toevertrouwen, en aan
elkaar: wie zal ons scheiden van de liefde die God ons toedraagt.
Zo geve God!
Ben Hemelsoet
Zondag sexagesima 1 Sam 26,2-31
23 februari 1992
Luc 6,27-38
Maar Ik zeg tot u, tot degenen die
horen, zo schrijft Lucas in zijn evangelie. Hier worden verstrekkende
woorden gebruikt, woorden die verder reiken dan alleen maar: tot u die
naar Mij luistert ... Het werkwoord horen heeft alles te maken met de
geloofsbelijdenis die de vrome Jood tweemaal er dag zegt, om zo de opdracht
te verwezenlijken, geschreven in psalm I, waar de mens zalig geprezen
wordt, die het onderricht des Heren overweegt, dag en nacht. Die , s
avonds en 's morgens de belijdenis op de lippen neemt Hoort Israel,
de Heer onze God, is een enige God, Hij is enig, uniek! Degenen die
weten, die weet hebben van dit gehoor geven, die zich geborgen weten
in die gemeenschap van Israel, in die gemeenschap van hoorders, van
degenen die zich toevertrouwen aan die enige God, die unieke, weten
wat daar de consequentie van is. Hoor Israël, Gij zult de Heer uw
God liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel, en al uw krachten.
Wij weten dat daar in een adem aan toegevoegd moet worden, en gij
zult uw naaste beminnen, liefhebben als uzelve.
Maar hoor hoe dit in het evangelie van vandaag wordt opgepakt, opgenomen,
heel concreet, heel toegespitst: hebt uw vijanden lief, doet wel
aan degenen die u haten, zegent degenen die u vervloeken, en bidt voor
degenen die u geweld aan doen. En zo wordt het allemaal samengevat:
weest barmhartig, zoals uw hemelse Vader barmhartig is. Dat laatste:
weest barmhartig zoals uw hemelse vader barmhartig is, is het hart van
de Bijbelse verkondiging. Het wordt in verschillende toonaarden gezongen.
In de boeken van Moses heet het: weest heilig, zegt tot de kinderen
van Israel, tot de ganse gemeenschap: gij zult heilig zijn, want Ik,
de Beer uw God, ben heilig, en Mattheus, de evangelist zal het zo zeggen:
weest volmaakt zoals uw hemelse Vader volmaakt is, en Lucas zal het
samenvatten, en concentreren op de barmhartigheid. Zo komt dat woord
maar eenmaal voor in de evangeliën. Maar ook in de geschriften van Moses
wordt er heel voorzichtig mee omgegaan. Het is ook niet niets. Barmhartig
zijn voert zoveel met zich mee, echt respect hebben voor een ander,
echt de andere, de naaste in zijn waarde laten, niet uit de hoogte,
en waarom omdat God zich heeft aangetrokken al wat klein is en gekleineerd,
al wat vernederd is geworden, al wat arm is gemaakt. Het heeft er alle
schijn van dat we deze eigenschappen misschien nog wel onze kinderen
willen voorhouden, maar we zijn 0 zo benauwd dat wij elkander daaraan
zouden houden. Maar barmhartig is een van de namen waarmee God wordt
aangeroepen want de Heer onze God is een barmhartige God, Hij zal
u niet verlaten, noch u in het verderf storten; Hij zal het verbond
dat Hij gesloten heeft met uw vaderen, niet vergeten. Als de Naam
des Heren wordt aangeroepen, wordt uitgeroepen in de oren van Moses,
als God zelf Zijn
grote Naam uitroept ten aanhoren van
Moses, dan hoort Moses, de Heer, de Heer is God, barmhartig en genadig.
Het lijkt er dikwijls op of wij daar
bang voor zijn geweest, als wij spreken over God, zelfs als wij spreken
tot God, als wij bidden, gebruiken we liever, naar het schijnt grote,
overweldigende woorden. WE speken dan van eeuwig en almachtig, alwetend
en alomtegenwoordig. Woorden die ons verstand te boven gaan, niet alleen
ons verstand, maar ook ons voorstellingsvermogen. We denken dat wij
God daarmee in zijn waardigheid laten, wij denken dat wij Hem daarmee
eren. Maar door Hem zo te noemen hebben wij Hem zo ver van ons af geplaatst,
zover, dat wij ternauwernood in Zijn nabijheid kunnen komen. Laat staan
dat wij zo in staat zouden zijn om hem na te volgen en van Hem te getuigen.
Want hoe zouden wij getuigen van Hem die almachtig is, en alomtegenwoordig,
alwetend en almachtig? En ook als wij belijden dat Hij almachtig is,
wat bedenken wij daarbij? Kan Hij alles, kan Hij maken wat hij wil,
en kunnen wij dat zien? Dat God almachtig is, om die woorden te gebruiken,
is een verachting, een hoop. Op het einde van de tijden, in het laatst,
ten einde raad zal blijken dat Hij machtiger is dan wij ons kunnen voorstellen,
maar in deze dagen, waarin wij van Hem getuigen mogen, toont Hij zijn
almacht door barmhartig te wezen. Zijn almacht toont zich in zijn barmhartigheid,
want Hij is niet als die verpletterende machten die wij kennen op deze
aarde, als die machten die anderen hun plaats wij zen, die machten die
heersen willen, de grootste, de sterkste willen zijn. Die barmhartigheid
is in volle glorie, ja in volle heerlijkheid aan het licht gekomen in
Jesus. Jesus die zichzelve niet heeft behaagd,
die zich ten diepste nergens op heeft willen laten voorstaan. Die ten
laatste de verzoeking, de bekoring heeft weerstaan, geen weerstand heeft
geboden: indien gij de Zoon van God, zijt daal af, en kom van het kruis.
Hij heeft zich niet verdedigd, Hij heeft zelfs Zijn grote naam van Messias
niet als hitteschild gebruikt.
In die barmhartigheid kunnen wij hem
navolgen, want barmhartigheid bestaat niet uit krachtpatserij. Daarom
hebt uw vijanden lief, en doet wel aan degenen die u haten. Vele malen
vragen wij ons af of het evangelie, de blijde boodschap dat God koning
is, niet iets concreter zou kunnen zijn. Maar u weet ook hoe het gaat,
zodra het concreet wordt, en echt concreet, echt to the point, dan trekken
wij terug, beginnen te stamelen, voeren als excuus de realiteit aan,
de werkelijkheid van onze dagen, onze overvolle agenda, en sommen wij
op wat wij allemaal niet moeten doen, te doen hebben, uit lijfsbehoud,
uit eerzucht om aan de barmhartigheid niet toe te hoeven komen of erger
nog we schuiven het af, daar zijn anderen voor ... Hoe zullen wij dit
verder dragen, dit doorgeven aan de generatie die na ons komt, ook in
deze hek van Amsterdam, hoe zullen wij daarover spreken met elkaar op
een verwarmende manier, zo dat het aanstekelijk werkt, wervend, innig,
ten bate van de opbouw van het lichaam van Christus, de Kerk. Als onze
kinderen en kleinkinderen ons zo bezig, of niet bezig zien in de gemeenschap
van de volgelingen van Jesus.
Hoe koninklijk heeft David zich gedragen,
hoe royaal ten opzichte van zijn vijand, die hem naar het leven staat.
En hoezeer is David ervan overtuigd de hand niet te slaan aan zijn vijand,
want hij is een gezalfde des Heren! Let wel dat wij dit woord niet reserveren
voor de koning alleen, want allen zijn wij ook gezalfden des Heren,
wij alleen zijn gezalfd en bezegeld met de heilige Geest, wij allen
hebben de Geest ontvangen, en wij allen kunnen een beroep doen op die
Geest die levend maakt, die gesproken heeft door de profeten. En daarom
verachten wij de vijand niet, integendeel daarom kunnen wij horenl
Hoor Israel, dat wij onze vijanden moeten liefhebben en hem zeker niet
neerslaan, als hij zwak is en uitgeput onverdedigd en ongewapend. Daarom
kunnen wij zingen een nieuw christelijk lied, zingt voor de Heer een
nieuw gezang. Een nieuw christelijk lied zoals ons volkslied heet. In
het hart van dit lied wordt strofe 8, de middelste zo gezongen:
Als
David moeste vluchten voor Saul den tiranl
zo
heb ik moeten zuchten met menig edelman.
Maar
God heeft hem verheven verlostuit alle noodl
en
koninkrijk gegeven
in
Israel zeer groot.
God heeft hem verheven, David, omdat
hij barmhartig is geweest, en hem hoog verheven, verlost uit alle nood.
Uiteindelijk zal Petrus daar een beroep op doen bij het eerste Pinksterfeest,
om te getuigen dat God de zoon van David niet in de strikken van de
dood heeft achtergelaten maar hoogverheven heeft aan Zijn rechterhand.
Zo barmhartig is God, en daarom zo almachtig. Dit gedenken wij hier
in de eenvoudige tekenen van brood en wijn, hoe groot Gods barmhartigheid
is. Hij geeft zich zo te kennen, dat wij vol verbazing ons afvragen
mogen: zo? Zo eenvoudig? In de gemeenschap van een tafel, in de hartelijkheid
waarmee we elkander mogen bejegenen. Zo geve God!
Zondag Quinquagesima
1 maart
1992
Psalm
1
1 Kor
15,54-58
Lucas
6,39-45
Als eerste lezing hebben we vandaag
psalm 1 gehoord, een psalm die we met de kinderen tijdens het godsdienstonderricht
lezen, om zo toegang te krijgen tot het gehele werk van de psalmen.
Psalm 1 is de psalm waar het geweldige bouwwerk, die tempel, die kathedraal
van 150 psalmen mee begint. 150 Liederen waar de echo te vernemen is
van al diegenen die gehoord hebben wat geschreven staat in het onderricht,
in Moses en de Profeten. In de psalmen wordt op de juiste toonhoogte
gezongen, wordt de toonhoogte bepaald waarop de gemeenschap zich rekenschap
1 geven wat geschreven staat tot onze onderrichting, en ons tot troost.
In deze eerste psalm is een geweldige beweging te ontwaren. De psalm
begint met een zaligspreking: zalig de man, zalig eenieder, iedereen,
die niet gaat, die staat, die niet zit. Die beweging zien we voor ons,
we zien hoe de beweging stokt, de man gaat niet meer, hij blijft staan,
en zit terneer, uiteindelijk zit hij terneer, niet alleen bij de pakken,
maar in het gestoelte van de spotters, de mededogenloze, de cynici.
En hoe prachtig wordt het beschreven, de zalig geprezene is degene die
zo niet doet, een nadere weg wordt beschreven, maar het woord weg wordt
niet genoemd. Want een andere beweging houdt deze zalig geprezene gaande.
Hij heeft zijn lust in de wet, in het onderricht des Heren, hij overdenkt
de wet des Heren, het onderricht dag en nacht. Deze zalige heeft andere
bezigheden dan te staan in de raad der goddelozen, andere besognes dan
zich te begeven op de weg van de zondaars, en ander vermaak dan te zitten
in het gestoelte van de spotters. Hij overdenkt het onderricht des Beren
dag en nacht. Nuchter als wij zijn, en doorgaans zijn wij zeer nuchter,
zeker als het gaat over de dingen die wij vanuit de schriften horen.
Bet moet immers niet te buitenissig worden, het moet gewoon blijven,
en we dichten ons als excuus als snel de houding van een gewone man
en vrouw toe, we zij immers niets bijzonders, het moet ook niet te vreemd
zijn, en als het kan wel reëel.
Hoe zit dat met die overweging van
het onderricht dag en nacht? Is dat niet wat overdreven, niet wat erg
veel? Het zij u en mij tot troost, wij zijn niet de eersten die die
vraag hebben gesteld. Ook in de dagen van Jesus werd die vraag al gesteld,
zoals de mens en toen ook al de vraag op hun lippen namen, hoe moeten
we voldoen aan het voorschrift: je moet altijd bidden en nooit ophouden.
Kan dat wel? Maar gelukkig, ook voor ons, heeft de traditie een antwoord
gegeven vol troost en bemoediging. De traditie heeft geweten van de
dagelijkse gang van zaken, van de praktijk van het leven, en de traditie
heeft geantwoord dat je je door de eerste psalm kunt laten richten als je je houdt aan de praktijk van het morgen- en avondgebed. Om
zo het onderricht, en de troost te genieten voor dag en nacht. En wie
zich zo daardoor zal laten leiden is als een boom aan waterbeken geplant,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd: een boom van een kerel. U hoort
het: de woorden van gaan en blijven staan, van neerzitten worden niet
meer gebruikt. Geen beschrijving meer van een man die slentert langs
de wegen, maar het beeld van een boom geplant aan waterbeken, aan waterstromen,
een boom die vrucht geeft op zijn tijd.
Op het eerste gehoor is het beeld niet
moeilijk, we begrijpen dit beeld. In onze taal is dit beeld ook geplant,
gelijk gezegd: een boom van een kerel. Maar op het tweede gehoor, bij
nader horen, bij aandachtig luisteren, kunnen bij deze tekst andere
vragen worden gesteld. We kunnen ons afvragen hoe die boom daar terecht
gekomen is, heeft die boom daar altijd al gestaan, wie heeft er gezorgd
dat die boom zo glorieus beschreven kan worden? Oude vertalers hebben
het daarom gewaagd om niet te vertalen een boom geplant aan waterstromen,
maar om te vertalen een boom overgeplant aan waterstromen. Zij hebben
dat gedaan, niet alleen om variatie in de tekst aan te brengen, en nog
minder om eens iets anders, meer dan het gewone te vertalen. Integendeel.
De leraren hebben dat gedaan omdat
zij geweten hebben van een andere psalm, de tachtigste, waarin gezongen
wordt: Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgeplant, gij hebt de
heidenen verdreven, en die wijnstok daar geplant. Op die manier
wordt die boom van psalm een, de wijnstok die overgeplant is, die overgebracht
is uit Egypte. Op die manier wordt die boom van psalm een, een beeld
van het volk, van het volk van God dat uit Egypte is bevrijd, en overgebracht
is naar het veelbelovende land. Op die manier wordt de psalm ook uitgetild
boven de beschrijving van een rechtvaardige alleen, maar staat die psalm
als een model voor heel het volk van God. Zo kunnen we met deze psalm
de toekomst tegemoet zingen, de toekomst in, want staat er ook niet
in die psalm geschreven dat die boom vrucht zal dragen op zijn tijd?
Wij kunnen vertalen, en zo is het ook al gebeurd, die vrucht geeft als
het tijd er voor is, of: die vrucht draagt in het seizoen. Maar als
we deze tekst letterlijk vertalen: die vrucht geeft op zijn tijd, kan
de vraag gesteld worden of hier wellicht niet zijn met een hoofdletter
moet worden geschreven, of het hier wellicht niet gaat om de vrucht
die wij dragen als Gods tijd komt, wie weet wanneer. Dat het niet alleen
gaat om onze eigen vrucht, maar dat wij dezelfde vrucht mogen dragen
als de goede boom waarvan in het evangelie wordt gesproken, waarvan
gezegd wordt dat er geen goede boom is, die zieke vruchten voortbrengt.
Als er in de evangelielezing gesproken
wordt van bomen, en van vruchten aan die bomen, dan mogen wij wel weten
dat die bomen allemaal te maken hebben met die boom waar in psalm een
van gezongen wordt, een boom van een kerel, iemand die de weg gegaan
is, door Gods hand geleid, vanuit de duisternis van Egypte naar het
licht van het veelbelovende land, van de dag in de nacht, van de dood
naar het leven. Van die boom zullen we in de vasten, die nadert, nog
zingen.
Er is een prachtig lied, over degenen
die de boom des levens gedragen heeft. Dat lied luidt zo: met de boom
des levens wegend op Zijn rug, droeg de Here
Jesus God goede vrucht; Kyrie, eleison, wees
met ons begaan, doe ons weer verrijzen uit de dood vandaan. Zo heeft
Jesus die boom des levens gedragen, zo dat Hij met die boom kan worden
geïdentificeerd. Hij is die boom die overgeplant is langs brede waterstromen,
en Hij geeft vrucht op Gods tijd. Maar in het onderricht van de profeten
is Josua al met zijn trekken getekend. In
het eerste hoofdstuk van het boek Josua staat het zo geschreven als de Heer zelf Josua nog richtlijnen geeft. Dat het boek van dit onderricht
niet wijke van uw mond, maar overleg het dag
en nacht! Hier horen we de woorden die we ook in psalm een hebben kunnen
horen.
De rechtvaardige overweegt die woorden
van het onderricht dag en nacht, en de tekst van Josua
gaat door met de woorden die we ook in de psalm kunnen horen: want dan
zult gij uw wegen voorspoedig maken, alles wat gij doen zult zal wel
gelukken. Wat van Josua gezegd wordt wordt in volle
heerlijkheid in Jesus gerealiseerd, en we kunnen ons voorstellen hoe
blij de Grieken zijn geweest met de naam Josua,
want als de naam van Josua vanuit het Hebreeuws
in het Grieks wordt vertaald, klinkt de naam van Jesus. Jesus degen
die gekomen is om het gebouw, het huis van het onderricht niet af te
breken, maar die gekomen is om dat gebouw te vullen, wil ook dat wij
zorgen dat wij dat gebouw op een juiste, eerlijke manier bewonen, met
respect vol elkaar. Het gebouw, het bouwwerk moet goed in elkaar steken,
let op het woord elkaar! Het gebouw moet samengehouden worden, samengevoegd
zijn, in broederschap, goed gegabberd, het
moet opgebouwd zijn uit levende stenen, een opdracht die wij vol trots
melden, in steen gegrift aan de buitenzijde van de kerk. Iedereen mag
het lezen, zo melden wij het aan iedereen die het wil lezen! Daarom
maken wij ons, wat het gebouw betreft, niet over een splinter druk,
wij houden het oog, ons timmermansoog gericht op de degelijke constructie
van de broederschap, van de gemeenschap, op de hartelijkheid en de barmhartigheid,
op het respect en de eerbied, die wij elkaar verschuldigd zijn, want
allen hebben wij deel aan het ene brood, en aan de kelk van onze zaligheid.
Dat zij de tekenen van het koninkrijk dat komt. zo mogen wij vrucht
dragen als wij willen zijn die boom overgeplant uit de duisternis naar
het licht, die boom, dat volk van God, dat vrucht draagt in Gods tijd,
ook in de tijd die komen gaat, de voorbereiding op Pasen. Zo geve God!
Ben Hemelsoet
|