Eerste van de Advent
1 December 1991

Jesaja 33,14-20
Lucas 21,25-33

Het de eerste zondag van de advent, en de teksten, die we hebben horen voorlezen, hebben het einde, de voltooiïng, de laatste dingen op het oog. De teksten roepen het uit, en zo willen zij bemoediging geven barre tijden, in tijden waarin de machthebbers en de heersers hun ware gezicht laten zien. En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid van de volkeren, vol angst en twijfel, vertwijfeld om datgene wat op het aardrijk geschiedt: de krachten der hemel zullen worden geschokt. Deze overweldigende woorden horen allen nog bij het antwoord dat door Jesus gegeven wordt op de bijna triomfantelijke opmerking van de leerlingen van Jesus. Jesus verlaat de tempel, de tempel waar velen, groot en klein, arm en rijk hun toevlucht hebben gezocht, waar velen met hun bezittingen zich op meenden te kunnen verlaten, van de rijken met het lawaai van hun geld, tot aan de weduwe die haar hebben en houden aan die tempel toevertrouwt, haar hele leven. Als Jesus de tempel verlaat, prijzen sommigen de schone stenen, en de wijgeschenken, en de versieringen van de tempel de hemel in. Jesus wijst hen terecht, roept hen tot de orde van het koninkrijk. Geen steen zal op steen gelaten worden, alles zal worden verwoest. Alles waarop zij hun vertrouwen hebben gesteld zal geen steun en toeverlaat kunnen zijn. Wanneer de machten van de wereld, de heersers, de tyrannen hun ware gezicht zullen tonen, bij wie kan dan nog geschuild worden, waarheen kan men zijn toevlucht nemen? Nergens zal houvast worden gevonden, alles waar we zeker van meenden te zijn valt in elkaar, de tekenen van zon en maan en sterren zullen onbetrouwbaar blijken, de bulderende zee zal zich niet meer houden aan het paal en perk dat haar gesteld is ... Het lijkt voor ons onthutsend, verbijsterend dat zo de eerste zondag van de Advent gevierd wordt, dat met zulke teksten de voorbereiding begint op het Kerstfeest. Is dit bangmakerij of werkelijkheidszin, of zouden we deze waarschuwingen, deze onheilsprofeten, deze apocalyptische donder eigenlijk maar niet liever bewaren voor andere zondagen, om ons aan de vertedering van de nadere geboorte te wijden, verstild en innig, vervuld van goede voornemens en goede gevoelens, op de rustpauze van een intiem familiefeest? Waarom die tekenen aan de zon en de maan en de sterren, als we straks genoeg hebben aan die ene ster, waardoor de wijzen uit het Oosten zich laten leiden. Zij hebben immers de ster in zijn opgang gezien, en zij zullen komen met wonderlijke vraag op de lippen, in Jerusalem, waar is de geboren koning van de Joden? Is dat voorlopig niet meer dan genoeg, de rest komt dan wel.

Maar laten we er geen misverstand over laten bestaan. De Advent is meer dan alleen de tijd waarin wij uitzien naar de geboorte van de Heer. Het woord Advent betekent allereerst de Blijde Incomste van de Koning die komt om Zijn Koninklijk Heerschappij te aanvaarden, de Inkomst van de Koning om te worden geïntroniseerd, om zijn zetel in bezit te nemen. Want de Heer is onze Rechter, de Heer is onze Wetgever; de Heer is onze Koning; Hij zal ons bevrijden. Wat door de engel wordt aangekondigd zal een vreugde zijn voor heel het volk, want heden is geboren de Bevrijder, de Christus, de Heer, in de stad van David. Het kind in de kribbe, in doeken gewikkeld is een teken; een onderpand, een profetie, want dit kind draagt de belofte van verder, mag perspectief bieden, opent uitzicht op wat komen gaat. Daar licht het uiteindelijke doel niet. Want het perspectief dat geboden wordt is dat wij het visioen van Jerusalem voor ogen moeten hebben, voor ogen kunnen hebben dank zij dit teken. Aanschouwt dit visioen, hebt dit voor ogen, deze stad van uw samenkomsten, kortom de stad waar uw samenkomsten weer tot heil en verlossing kunnen dienen.

Uw ogen zullen Jerusalem zien, een rijke stad, een veilige woonplaats, een tent die niet terneder zal worden geworpen, de pinnen ervan zullen niet worden uitgetrokken in eeuwigheid niet, en de koorden ervan zullen niet worden verscheurd. Terwille van het uitzicht op stad worden wij vermaand. En de echo van de psalm dringt tot in de profetische woorden door van Isaja. Wie mag opstijgen naar de berg Heren? De psalm antwoordt. wie rein van handen, en zuiver van hart, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, niet bedrieglijk zweert, die zal zegen ontvangen van de Heer, en de gerechtigheid van de God van zijn heil. En zo klinkt het bij de profeet: wie kan wonen bij dat verterend vuur, want onze God is een verterend vuur, wie kan vertoeven bij die eeuwige gloed? Hij die in gerechtigheden wandelt, volgens gerechtigheid spreekt, die het gewin van onderdrukking verwerpt, die geen steekpenningen aanneemt, die zijn oren doof houdt om geen bloedschuld te horen, en zijn ogen sluit om het kwade niet aan te zien ... Dat zijn de condities, de voorwaarden om het uitzicht op de stad Gods, op Jerusalem niet uit het oog te verliezen. Zo zullen zij dan ook in die stad de Koning zien in zijn schoonheid, geen kwaad kan hen deren, ook niet het bulderen van welke macht ook.

Het evangelie maakt die troost concreet. Dan zullen zij de Zoon des Mensen zien komen, in een wolk met grote kracht en heerlijkheid. Zij zullen zien de Zoon des Mensen. Wie is hier die Zoon des Mensen, die zich zo tonen zal in pracht en majesteit? Hij het teken van en redding, teken van de uiteindelijk bevrijding, teken van de overwinning op alle geweld dat nog steeds over deze wereld woedt, teken van bevrijding voor al diegenen die slachtoffer zijn, en die worden vertrapt en gekleineerd, die onderdrukt worden en uitgebuit, al diegenen waarop minachtend wordt neergekeken, door mensen die menen het voor het zeggen te hebben, die dat menen omdat ze het betalen kunnen.

Wie is Hij? Wat kunnen we van Hem vermoeden, wat kunnen we met de schriften in de hand wellicht van Hem zeggen? Hij staat niet aan de kant van het geweld en de geweldenaars, want Hij is juist het verlossende teken dat aan alle geweld en gewelddadigheid een eind is gekomen. Hij is degene die nu verheven is, die nu in volle glorie kan verschijnen omdat Hij ten diepste vernederd is geworden, gemarteld en aan de schandpaal genageld. Hij is degene die het lot, dat onafwendbaar leek, bevrijdend op zich heeft genomen, en in het voetspoor is getreden van die eerste martelaar, die eerste vermoorde, die eerste zoon van de Mens, die eerste broeder die het onderspit heeft moeten delven, Abel. De Zoon des Mensen is degene die zonde van de wereld op zich heeft genomen, en die nu het bevrijdend teken kan zijn ten einde raad, aan het einde van de dagen.

Als deze dingen beginnen te geschieden, als wij van deze dingen horen, mogen wij weten, en dat is onze troost, hoe beangstigend het ook allemaal zijn kan, dat dat het einde niet is. Het einde zal zijn die verheerlijking van de zoon des Mensen. Dit einde wordt ons in de advent, als voorbereiding op het teken dat de engel, de bode Gods ons zal proclameren. Heden is de Bevrijder geboren, het teken is een kind in een kribbe, maar het teken van die uiteindelijke verheerlijking, als Hem alle macht gegeven zal worden in de hemel en op de aarde, en alles aan Hem ondergeschikt. Dan zal Hij alle tranen van de ogen wissen, en de dood zal niet meer zijn. Deze verwachting mag ons gaande houden, deze verwachting houdt ons gaande, en daarom zijn wij hier bijeen van week tot week.

Wij koesteren hier de broederschap omdat wij elkander niet naar het leven staan, omdat wij daarentegen voor elkander willen instaan, en ten teken daarvan nemen we de tekenen tot ons van Zijn koninkrijk, tekenen, die zo schamel kunnen lijken, maar die de rijkdom verbeelden van hoe het zijn kan als we allemaal als broeders en zusters deel hebben aan die maaltijd des Heren, de bruiloft van het lam, brood en wijn tekenen van het Koninkrijk dat komt. We zullen deze tekenen koesteren, als wij eten van dit brood en drinken uit deze beker. We verkondigen de dood des Heren, we verkondigen dat Hij de broedermoord heeft opgeheven door zelf slachtoffer te worden van broedermoord, door te gaan staan in die lang bloedige lijn die bij Abel begint. Wij verkondigen deze dood, om zo gesterkt zijn in liefde voor elkaar in de dagen die komen gaan, en de hoop, en de verwachting levend te houden, in afwachting van die Komst in Heerlijkheid van Zijn kostelijke Heerschappij. Zo geve God!

Amsterdam, 30 november 1991
Ben Hemelsoet

 

 

Tweede zondag van de Advent
8 december 1991

Baruch 5,1-9
Mattheus 11,2-10

Het zijn de klanken van de verrijzenis die wij vandaag in de eerste lezing van Baruch, gezegend zij hij, mogen horen. Er staat niet alleen maar op, Jerusalem, er staat in volle glorie: sta op, Jerusalem, en ga op de hoogte staan, kijk om uw heen, overal daagt de opgang, aanschouw de samenkomst van uw kinderen, van de ondergang van de zon tot aan haar opgang, van west en oost komen zij weer samen op het woord van de Heilige. Deze woorden van opstanding, van verrijzenis horen wij op de tweede zondag van de Advent.

Het kan niet genoeg benadrukt worden: de advent is de tijd waarin wij verwachten het einde van de gevangenschap, het einde van de ballingschap. De verdrevenen, de  gedeporteerden zullen terugkeren naar Sion. De stad zal met eretitels worden overladen. Haar naam zal zijn: vrede, voltooiing van gerechtigheid, de Heer onze gerechtigheid, en de eer en de glorie van al wat aan God is gewijd, toegewijd. Jerusalem mag opstaan, want zij is opgewekt, en zij mag de vreugdebode zijn, evangeliste wordt zij genoemd, verkondigster van blijde boodschap. En de blijde boodschap die zij mag verkondigen, - het kan niet genoeg worden onderstreept, - is: God heeft zijn koningschap in Sion aanvaard, Hij is koning in Jerusalem. Zo wordt het einde van de dagen in het vizier gehouden, zo wordt de uiteindelijke bevrijding als hoop gegeven, zo wordt onze verwachting gevoed. En zo worden alle bergen en dalen geslecht om de koninklijke weg te plaveien voor de Heer onze God. Alle volkeren zullen zo naar Sion kunnen stromen, als die berg ten laatste hoogverheven zal staan boven alle bergen, en Sion het toppunt zal zijn van Gods welbehagen. Eindelijk is aan alle onderdrukking een eind gekomen, en allen die in de kerker, in gevangenschap, in gijzeling gehouden worden, die dwangarbeid moeten verrichten, die zuchten aan de stromen van Babylon, en die geen lust hebben om te zingen, die hun lier aan de wilgen hebben gehangen, en die in doffe herinnering zeggen Jerusalem zo ik u ooit vergat, mijn rechterhand verdorre eer, - die allen kunnen nu herademen, kunnen nu de boeien afleggen, kunnen welgemoed de weg terug gaan, naar Sion. De Heer komt om bevrijding te brengen, en met de koninklijke majesteit van Zijn stem zal Hij uw hart met vreugde vervullen. Dat hebben wij voor ogen, dat verwachten wij, als wij op de vooravond van Kerstmis horen. Heden zult gij weten dat de Heer zal komen,en dat Hij ons bevrijden zal, morgen zult gij zijn heerlijkheid aanschouwen. Want om die bevrijding gaat het, die bevrijding is in het geding. Het kind in de kribbe is daarvan ten hoogste het teken ten hoogste, dat nu de weg naar Jerusalem is gebaand, maar het kind in de kribbe is het einddoel niet. In de klassieke liturgie gaat het einde voorop, wordt vanuit dat glorieuze, naderende einde teruggeblikt, omgezien in verwondering.

Vanaf de top van die berg Sion, vanaf het hoogtepunt wordt teruggeblikt op een profetische manier, wordt teruggeblikt op de weg wij hebben overtogen. En zo wordt liturgisch ook het getuigenis van Joannes, de voorlopers vanaf het einde naar het begin gelezen, van groter naar kleiner, want staat er niet van hem geschreven dat hij heeft gezegd: Hij moet groter, maar ik moet kleiner worden? Vandaar ook wordt zijn levensverhaal zo gelezen.

Het eerste verhaal dat wij van hem horen begint zo: toen Joannes in de kerker hoorde de werken van de Messias. Hier tellen alle woorden. Toen Joannes hoorde de werken van de Messias, de werken die geschieden krachtens het Messiaanse programma, de werken die gedaan moeten worden om de weg naar Sion te banen, om de mensen te lokken op die weg van bevrijding en genezing, de werken die laten zien, en waarvan getuigd moet worden dat zo het Koninkrijk Gods, Zijn Koninklijke heerschappij nabij is, dat Hij komt. De naam des Heren nadert, en Jerusalem mag op de heuvel staan, zoals wij zo triomfantelijk zingen, en Jerusalem zal de troost van de schriften blijken te zijn, want zij borgt voor de betrouwbaarheid van al wat geschreven staat. Joannes hoort die werken, maar hij is in de kerker. Wij kunnen vermoeden dat op het eerste gehoor geen bezwaar hoeft te zijn, want als God Zijn Messias zendt, zullen dan de gevangenen niet worden bevrijd, en meer dan dat zullen zij niet verzameld worden van oost en west, van noord en zuid om aan te zitten in het koninkrijk van God? Hoe wordt als hij hoort de werken van de Messias, zijn verlangen niet gewekt, hoe is dan zijn verlangen niet ten uiterste gespannen. Door twee van zijn leerlingen, leerlingen die hij gewezen heeft op de weg van het koninkrijk, laat hij vragen zijt gij het die komen moet, of hebben wij een andere te verwachten. En bedenken wij wel: hij is in de kerker, en in de messiaanse tijd, zullen alle gevangenen, alle gedeporteerden, alle ballingen worden bevrijd? Hij vraagt het op een innige manier: zijt gij het die komen moet? Dat zijn de woorden van een geliefde, warmee degene die liefheeft zijn lief, zijn liefde begroet!

We kunnen die vraag van Joannes, die innnige, verliefde vraag, niet afdoen met onze quasi zekerheid dat wij toch allang weten dat hij degene is, die komen moet, en dat wij als vermeende toeschouwers mogen gadeslaan hoe Joannes antwoord krijgt; om dan te constateren dat het met degene die komen moet, anders gesteld is geweest dan Joannes heeft gedroomd. Maar zo gemakkelijk kunnen wij ons van dit verhaal niet distantiëren, door Joannes of zijn leerlingen terecht te wijzen. Nee, de betrouwbaarheid van de schriften is in het geding, de betrouwbaarheid van de beloften, zoals die bij de profeten te lezen staat, en zoals die eeuwen en eeuwen gekoesterd is in barre tijden staat op het spel. Want de doven die horen zijn zoals de doven waarvan geschreven staat bij de profeet, te dien dage zullen de doven horen de woorden van het Boek, en de ogen van de blinden, die in het duister en het donker zijn, die zullen zien. De slappe handen en de struikelende knieën zullen versterkt worden als de weg uit de ballingschap wordt gegaan, de kreupele zal springen als een hert, de tong van de stomme zal juichen. Aan degenen die arm gemaakt zijn wordt de blijde boodschap dat God koning is in Sion verkondigd. En Jesus voegt er aan toe: zalig de gene die zich niet ergert aan mij. Dat kan ook vertaald worden met, en op de goede weg, op het goede pad bevindt degene zich die zich niet ergert aan mij.

We proeven de teleurstelling als Joannes dat hoort. Want hij krijgt niet te horen dat gevangen worden bevrijd, het enige dat hij menselijkerwijs gesproken, - had willen horen. Want hij hoort niet de vrijgekochten des Heren zullen terugkeren, en tot Sion komen zij met gejuich, eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen. Wie is in staat de diepte van dit geheim te peilen.

Als de leerlingen van Joannes heengegaan zijn, zingt Jesus een loflied op Zijn voorloper. Geen riet door de wind bewogen, geen mens met zachte klederen, want die zij in de huizen der koningen van deze aarde. Maar wat zijn we dan wel gaan zien? Een profeet. Een profeet waarvan geschreven staat, zie Ik zend Mijn bode voor uw aangezicht, die de weg bereiden zal. Daar horen hoe Joannes de weg bereiden zal ook door zijn dood, en zo zal hij de weg voor degene die komen moet bereiden. Want het koninkrijk komt niet op de wijze van de machten en krachten van deze wereld, deze machten en krachten, deze machthebbers, en krachtpatsers zullen worden ontmaskerd. In de advent bereiden wij ons daarop voor, kerstmis is geen romantische wapenstilstand,temidden van het boosaardig geweld van deze wereld, integendeel. Het is ook een hartstochtelijke bede: zijt gij het die komen moet. of hebben wij een ander te verwachten.

Geve God dat wij de moed niet verliezen, dat wij ons niet ergeren aan de weg, en de werken van de Messias. Moge wij het einde voor ogen houden, telkenmale dat wij hier de eucharistie vieren, en luide zingen als wij dan eten van dit brood en drinken uit deze beker, verkondigen wij de dood des Heren in afwachting van die heerlijke komst, waarnaar wij uitzien, want ook de kerk is in ballingschap zolang de wereld duurt. Mogen zo de profeten betrouwbaar blijken. Zo geve God!

Amsterdam, 5 december.
Ben Hemelsoet

 

 

Derde Zondag van de Advent: Gaudete!
15 december 1991

Sephanja 3,14-20
Joannes 1,19-28

De vraag van de vorige week klinkt nog in onze oren, die vraag mag niet verstommen, die verliefde vraag: zijt gij het die komen moet, of hebben wij een ander te verwachten. Die vraag klinkt uit de benauwenis, uit de benauwdheid van de kerker, die vraag klinkt als Joannes hoort de werken van de Messias. wij hebben niet gehoord dat Jesus die vraag onomwonden heeft beantwoord, we hebben hem niet volmondig ja horen zeggen. Integendeel, in plaats daarvan hebben wij gehoord, hoe de profeten betrouwbaar zijn gebleken, maar dat ene, die ene toezegging van de profeet, die Joannes zo graag had willen horen, dat ook het woord dat gevangenen worden bevrijd betrouwbaar blijkt klinkt niet uit Jesus' mond. Joannes is niet bevrijd, zijn boeien zijn niet geslaakt. En toch lezen we dit in de Advent, waarin zo jubelend gelezen wordt van de bevrijding uit de ballingschap, en waar de glorie van Jerusalem bezongen wordt als een eindpunt, een hoogtepunt, een stralend, wenkend perspectief, de dochter Sion kan en mag, ja, zij moet het uitjubelen. Jerusalem ga op de heuvel staan!

We hebben alleen gehoord, met betrekking tot Joannes, van die wonderlijke zaligspreking: zalig wie zich niet ergert aan mij, zalig wie aan mij geen aanstoot neemt. Wie kan dit peilen? Dit moeten wij voor ogen houden, want vandaag horen wij het getuigenis van Joannes. Komend vanuit de kerker, vanuit zijn gevangenschap blikken wij terug, om zijn getuigenis te horen. En dit is de getuigenis van Joannes, toen de Joden uit Jerusalem zonden priesters en Levieten om hem te vragen: wie zijt gij? Een wonderlijke inzet, waarvan alle woorden moeten worden gewogen. Het zijn de Joden uit Jerusalem, die zenden priesters en Levieten. Zij zijn, die Joden uit Jerusalem, hebben de betrouwbare woorden van de profeten in hun oren, zij, die Joden uit Jerusalem willen weten wie hij is. En zij zenden priesters en Levieten, de hoeders van het heiligdom. Want als de profetie haar voltooiing nadert zal dan het woord van Maleachi de profeet niet bewaarheid worden: zie Ik zend mijn bode, die voor uw aangezicht de weg bereiden zal, en haastig zal tot zijn tempel komen, die Heer, dien gij zoekt, te weten de grote bode van het verbond, waaraan gij lust hebt; zie Hij komt, zegt de Heer der heirscharen. Maar wie zal de dag van zijn toekomst verdragen, en wie zal bestaan als verschijnt? De Joden uit Jerusalem laten vragen wie hij, Joannes, is. Is hij degene die zo beschreven staat bij Maleachi, de profeet? Is hij degene die komen moet, of hebben zij een andere te verwachten? Zij vragen: wie zijt gij? En hij beleed, en loochende het niet, en hij beleed: Ik ben de Christus niet. Hij zegt dat voluit, Ik ben niet de Christus, Ik ben niet degene die jullie denken dat ik ben, ik ben niet degene die je vol verwachting tegemoet ziet, niet de gene die haastig komen zal tot het heiligdom. Is hij soms Elia, die de dag van de Messias zal aankondigen, en hij antwoordt. En zijn antwoord wordt al kleiner en kleiner: ben niet. Ben je dan de profeet, want aan profeten zal het toch als het erop aankomt niet ontbreken, ben jij de prof eet? En het antwoord is in een woord gegeven: niet Joannes dicht zichzelf geen Messiaanse rol toe, ook niet de rol van Elia, de profeet, nee, in het geheel geen profetische rol Maar zij blijven insisteren: wie ben jij dan, we moeten toch antwoord geven aan degenen die ons gezonden hebben, aan de Joden van Jerusalem, de bevoorrechten, die de verwachting gaande houden, die de verwachting moeten behoeden. Wat zeg je dan van jezelf: Ik ben de stem van een die roept in de woestijn maakt recht de weg des Heren, ik ben de stem van een die roept, maakt in de woestijn de weg des Heren recht. Zo heeft Jesaja, de profeet gesproken.

Het waren Farizeeën, praktische lieden,die willen weten waarom hij dan wel doopt, als hij niet de Christus is, noch Elia, noch de profeet. Ik doop met water, maar midden onder u staat Hij die gij niet kent. Hij komt na mij, maar in het ontwerp van Gods geschiedenis, van hetgeen geschieden moet, gaat Hij voor, is Hij eerder, Hij kan mijn leerling niet zijn, ik kan Hem niet opnemen onder mijn leerlingen door zijn schoenriem los te maken, om Hem de weg van een barrevoeter te doen gaan. Met deze woorden betrekt Joannes de wacht bij het water, met deze woorden posteert hij zich bij het water van de grensrivier, de Jordaan, met deze woorden neemt hij zijn plaats in als drempelwachter om de toegang tot het veelbelovende land te bewaren, en om als het uur gekomen is doorgang te verlenen, de toegang te ontsluiten van dat land waar alle beloften in bloei zullen gaan staan. Dit geschiedt in Bethanië, aan de overzijde van de Jordaan, waar Joannes doopte. Door dit vragenspel is de plaats gegeven waar Joannes optreedt, door al die vragen, en de antwoorden van Joannes is in de letterlijke betekenis van het woord zijn plaats bepaald en gegeven, aan de overzijde van de Jordaan, nog niet in het land van beloften; aan de overzijde, nog in de woestijn, en het land dat overvloeit van melk en honing, ligt nog steeds aan de overkant. Joannes neemt nog steeds de plaats in van de ballingen, van al diegenen die nog niet helemaal zijn bevrijd, die nog vol verwachting uitzien naar de vervulling van de beloften gelijk de profeten zongen. De verbinding wordt zo nog niet gelegd tussen de verwachtingen van de Joden uit Jerusalem, en de ballingen in de woestijn ( de verbinding is nog niet tot stand gebracht. Hij die de verbinding tot stand zal brengen, wordt alleen maar aangeduid, als de gene die zij niet kennen, die misschien al midden onder hen verkeert, maar die Hij nog niet kan aanwijzen, die hij nog niet aan Israël kan openbaren, omdat Hij, die gij niet kent, zich nog niet gepresenteerd heeft om de Jordaan door te trekken, en zo de toegang tot het land daadwerkelijk te ontsluiten, om zo de weg te gaan die voeren zal tot in Jerusalem.

De woorden waarmee Hij welkom zal worden geheten worden al geoefend, zij liggen al gevormd op de lippen van de Joden uit Jerusalem, de monden staan er al naar, die woorden staan al in koninklijk gelid; het zijn de woorden waarmee Sion kan worden gecomplimenteerd, de woorden die de glorie van de stad op de berg, de stad van de grote koning in wonderlijke gloed zetten: verheug u zeer dochter Sion. Dat zijn de woorden waarmee de stad mag worden begroet, waarmee de stad, Sion, zalig wordt geprezen. En deze woorden die wij hier horen zijn ook dezelfde woorden waarmee Maria wordt begroet door de engel des Heren die aan Maria het blijde nieuws boodschap, dat het koninkrijk nadert, dat zij ontvangen zal degene die komen moet, Hij zal groot zijn, en de zoon van de allerhoogste worden genoemd. Hij zal Koning zijn over het huis van Jacob tot in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde komen. Maria, dochter Sion, Jonkvrouw Jerusalem zal Hem zo mogen ontvangen. Want als Hij komt zal Hij de vijanden wegvagen. Ja, de Koning van Israel, de Heer is in uw midden, op die dag, als de koning zijn intrede zal houden, als Hij de toegang tot het veelbelovende land zal hebben ontsloten, en als Hij eindelijk zijn Koningsstad zal betreden, ja, op die dag wordt er tot Jerusalem gezegd laat uw handen niet verslappen, de Heer, uw God, is in uw midden, een held die bevrijden zal.

Hier horen wij de woorden waarvan die uit het evangelie van Joannes een echo zijn. Midden onder u staat Hij die gij niet kent ... Ook deze woorden moeten wij ernstig wegen. Door Joannes worden wij gewaarschuwd, worden wij eraan herinnerd hoe wij in onwetendheid kunnen verkeren aangaande degene kunnen zijn die is in het midden van ons, temidden van ons. De vraag blijft klinken zijt gij het die komen moet, of hebben wij een ander te verwachten. Welke verwachting koesteren wij? Is de verwachting die wij koesteren een verwachting die onze stoutste dromen te boven gaat? Of laten wij ons voortdrijven, met de stroom mee, en wet en wij ternauwernood hoe wij die vraag, die verliefde vraag zouden moeten stellen: zijt gij het die komen gaat ... Wij verwachten Hem, groter dan wij kunnen dromen, en wij hopen dat de woorden van de profeten te kort mogen schieten om te beschrijven wat er geschiedt wanneer Hij komt in heerlijkheid. In de gemeenschap, in de gemeenschappelijke maal tijd, met de tekenen van brood en wijn sterken wij elkaar van week tot week, in afwachting, in grote verwachting van Zijn komst in Heerlijkheid. Zo geve God!

Ben Hemelsoet

 

Vierde Zondag van de Advent, Rorate Coeli,
22 december 1991

Micha 5,1-6
Lucas 3,1-6

Dit is de Zondag van het Rorate, dauwt hemelen van omhoog. De tonen van dit gezang, of het nu in het Latijn wordt gezongen of in het Nederlands, dragen onze verwachting, en vullen ons verlangen. De hemelen worden geroepen dauw te schenken, de hemelen wordt gevraagd of vanuit de hemel, vanuit degene die gezeten is op Zijn troon, ons besprenkele mag met de dauw van Zijn genade Profeten hebben deze teksten gewogen, ze uitgezongen als teken, als onderpand dat de Heer der heirscharen komen zal om zijn volk te bevrijden. Als Hij ons zegenen zal met de dauw van zijn genade, zal het geschieden, de doden zullen worden opgewekt, en dan zal Hij blijken te zijn de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jacob, geen God van doden, maar een God van levenden, een God die ten leven wekt. Het zaad zal voorspoedig zijn, zaad van vrede en verzoening. van voltooiing. De wijnstok zal zijn vrucht geven, ja, zo zullen de hemelen hun dauw geven, en Ik, zo zegt de Heer, zal het overblijfsel van dit volk, de heilige rest, de rest die terugkeren zal uit de ballingschap dit land geven als een erfelijk bezit. Zalig derhalve de vernederden, zij zullen het land erfelijk bezitten. En zo vervolgt de profeet Zacharia, - moge God hem gedenken, - en het zal geschieden, gelijk als gij, 0 huis van Juda, en gij, 0 huis van Israel, een vloek zijt geweest onder de heidenen, zo zal Ik u nu bevrijden, en gij zult een zegen zijn. De verre klanken van de toezegging, van de belofte gedaan aan Abraham en zijn zaad worden zo gevuld geschreven: wees een zegen! Vrees, sterkt uw handen. Deze woorden van Zacharia kunnen rijmend gelezen worden in stem en tegenstem, elkander verheffend. Dauwt hemelen van omhoog, dat de wolken vloeien van gerechtigheid, en de aarde opene zich om heil te doen ontspruiten. We wagen het deze woorden nog inniger, nog toegespitster te zingen, laat de wolken de gerechte, de rechtvaardige regenen, en laat de aarde de verlosser, de bevrijder doen ontspruiten. En zo worden deze woorden die de lof zingen van een land, gezegend in bloei, woorden waarmee de gezegende die komen zal in de naam des Heren, de rechtvaardige, de rechtvaardige koning tegemoet wordt gezongen.

De ware wijnstok, de ware bevrijder zal zijn Hij die komt, rechtvaardig. Laat de hemelen verblijd zijn nu wij zo vol verwachting deze woorden mogen horen. Woorden die ons niet terneer drukken in de verstikkende realiteit van elke dag, maar die ons uittillen boven wat een meemakende sleur zou kunnen zijn. Heft uw ogen omhoog, want de zomer is nabij. Dat uitgezongen verlangen wordt ingevuld, vandaag op een wonderlijke, directe wijze. Maar als wij deze woorden op de lippen nemen, is aan alle onrecht nog geen einde gemaakt, sneuvelen er nog steeds mensen, dichtbij en veraf, en zijn degenen die macht uit oefenen nog niet getemd. Maar toch hoop wordt gegeven en de naam van een stad wordt genoemd, een kleine stad die niettemin, niet te min, zal zijn onder de duizenden van Juda. Want uit haar zal voortkomen die de Heerser zal zijn in dat Israël, en vol vertedering wordt ook door ons deze profetie herkend. En als we van zijn afkomst moeten spreken, moet er gezegd worden dat Hij van alle eeuwen her is uitgekozen en aangewezen. Hij zal staan en weiden in de kracht des Heren, zijn broeders zullen terugkeren, met die van Israël. De naam van Bet-Lehem wordt genoemd, Huis van Brood, want daar zal geboren worden de Bevrijder, de Messias, de Heer, in de stad van David, ondanks de opmerking van Lucas dat er uitgerekend daar geen plaats voor hem was in de herberg ... Maar Hij zal de vrede zijn, Hij zal verzoenend optreden. Maar we horen op deze laatste zondag van de Advent ook andere namen, namen die wij ons herinneren uit het Iijdensverhaal Pontius Pilatus en Herodes, Annas en Kaiaphas. Die namen schrijft sint Lucas aan het begin van het derde hoofdstuk van zijn evangelie, als hij ons voert naar het begin van het optreden van Joannes de Doper. In deze advent hebben wij teruggeblikt vanuit de kerker waar Joannes de vraag stelt: zijt gij het die komen moet, naar de vraag die aan Joannes zelf is gesteId: wie zijt gij? En vandaag horen wij ten laatste wat hem, Joannes, in beweging heeft gezet. Het staat er in de taal van de profeten: In het vijftiende jaar van de regering van de regering van Tiberius, de keizer geschiedde het woord Gods tot Joannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn. We moeten dit woord geschieden niet te lichtvaardig veranderen in een ander woord, niet te snel vertalen kwam het woord van God tot Joannes in de woestijn. Het verschil moet in onze oren klinken vlak voor Kerstmis. Want op eerste Kerstdag zullen we horen in het evangelie van Joannes hoe het woord geschiedt Joannes schrijft immers: en het woord geschiedde vlees, op vIeseIijke wijze, tastbaar, kwetsbaar. Onze oren worden reeds gevormd om dat te kunnen verstaan als wij vandaag mogen horen: het woord geschiedde tot Joannes in de woestijn. Dat is ook het woord gaat nu geschiedenis maken, de beloften gedaan door de profeten gaan nu geschieden, gaan nu worden gerealiseerd, als Joannes gedreven door dit woord de geschiedenis in gang brengt van bevrijding uit de ballingschap, bevrijding uit de slavernij. En dit ondanks de ons bekende, bedreigende , beklemmende namen van Pontius Pilatus en Herodes, Annas en Kaiaphas. Want staat er niet geschreven bij Isaia de profeet want gelijk de regen en de sneeuw, - ja, daar is de sneeuw, maar hoe heel anders dan in de dromerige romantiek van de zoetgevooisde zanger, - want gelijk de regen en de sneeuw uit de hemel nederdaalt, en daarheen niet wederkeert maar zij doorvochtigt, en maakt dat zij voortbrengt en uitspruit, en zaad geeft aan de zaaier, en brood aan de eter i zo zal Mijn woord dat uit Mijn mond uitgaat ook zijn. Het zal niet ledig weerkeren tot Mij maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig Zijn in hetgeen, waartoe Ik het zend. Dit woord, deze toezegging van God zet de geschiedenis van Joannes in de woestijn in beweging. En zo wordt de weg in de woestijn geëffend. Vanuit de woestijn trekt hij op aan het hoofd van de ballingen, aan het hoofd van al diegenen die bevrijd zijn, om ze te brengen tot aan de drempel van het veelbelovende land, dat zij zullen kunnen betreden als Hij die komen gaat, de toegang tot dat weergaloos betrouwbare land zal ontsluiten, de sleutel van David die opent en niemand kan sluiten. Joannes bereidt degenen die hem volgen daarop voor door luidkeels te verkondigen, en het uit te zingen door deze doop, door deze doorgang door het water van de Jordaan, door deze terugkeer in het land zullen de zonden worden vergeven. Nu is er geen obstakel meer, want alles wat er op die weg aan oneffenheid is, bergen en heuvels, machten en krachten, zal geëffend worden, dwaalwegen kunnen er niet meer zijn, integendeel alle vlees zal zien de zaligheid van God, de bevrijding, de redding! Als wij deze woorden overwegen, en als wij de stem horen in de woestijn, de stem van het woord dat geschied aan Joannes, lijkt het of wij ver verwijderd zijn van de kribbe in Bet-Lehem. Het lijkt erop als wij gevoerd worden naar Joannes in de woestijn of wij dichter staan bij de terugkeer, de ommekeer na de ballingschap dan bij de aanbidding van herders en wijzen, inniger met de Paasnacht verbonden dan met de heilige Kerstnacht. Dat is ook zo, want de profetische teksten verwijzen meer naar de opstanding, de opwekking van het hetgeen in de duisternis van de dood gevangen was dan naar de geboorte van een kind. Maar de geboorte van een kind is ook niet de boodschap die ons vanuit de hemel geschiedt, de engel des Heren verkondigt inderdaad de blijde boodschap die tot heil van het hele volk zal zijn: heden is geboren de. bevrijder, de Messias de Beer, en dit zij u ten teken gij zult een kind vinden in doeken gewikkeld ... Dit teken, dit kind, is een onderpand, het teken om het gebed gaande te houden in onze gemeenschap m de komst van Gods koninkrijk, een gebed met hart en vurigheid om de openbaring van die koninklijke macht. 0 God, laat waar worden wat wij in de kerstnacht mogen vernemen, moge Hij die geboren is inderdaad blijken te zijn de Bevrijder, de Messias, de Heer. Omdat wij die verwachting levend willen houden, als levende stenen samengevoegd, nemen wij hier wederom de tekenen van brood en wijn, tekenen van het Koninkrijk dat komt. In die verwachting zingen wij het uit: als wij dan eten van dit brood en drinken uit deze beker verkondigen wij de dood des Heren in afwachting, inde verwachting van de openbaring van Zijn heerlijkheid. Zo geven wij elkander ook de rechterhand van de gemeenschap en de eenheid! Zo geve God!

 

XXX Kerstnacht 24 december 1991

Jesaja,9,1-3.5-6
Lucas 2,1-20

De ganse strijd die met groot gedruis, met tumult gestreden is, is voorbij. De klederen die in bloed gewenteld waren, zijn gegeven als voedsel voor de vlammen. En eindelijk. Zo mogen het volk dat in duisternis wandelt zal een groot licht zien, degenen die wonen in het land van de dood gaat een groot licht op wij het telkenjare weer horen als wij bijeenkomen in deze heilige nacht. Want een kind is ons geboren, puer natus est, en de heerschappij is op zijn schouders, en zijn naam wordt genoemd, uitgeroepen Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van alle tijdperken, van weergaloze trouw, door alle eeuwen heen, Vorst van vrede. Aan de grootheid van deze heerschappij, en aan de vrede zal geen einde zijn. Daarom zal Hij zetelen op de troon van David. Ieder jaar mogen wij dat horen, mogen wij die teksten vernemen.

Maar wij zijn niet bijeen om alleen deze teksten te horen, en er in de verstilling van onze aandacht bij te verwijlen. Nee, deze teksten moeten onze gebeden dragen, ons verlangen wekken, om met nog meer aandrang te bidden: O God, maak uw beloften waar. Wanneer zullen wij de verwerkelijking van deze grote beloften mogen zien, wanneer zult gij die heerlijkheid aan ons openbaren, wanneer zal dat koningschap dat zo triomfantelijk wordt verkondigd gevestigd zijn op deze aarde onder de beschutting van de hemel? Hoe lang nog Heer, hoe lang nog? Met de woorden van de liturgie nemen wij alvast een voorschot, die woorden proeven wij met onze lippen, wij vormen met onze mond die woorden om in die dagen de Koning te kunnen begroeten. Wij komen bijeen om de taal te leren waarin wij Hem zullen herkennen, en ons aan Hem gewonnen te kunnen geven.

Wij heffen de koningspsalm aan. Waarom woeden de heidenen en waarom bedenken de volken ijdelheid. Want de Heer heeft toch deze koning op Sion gezalfd, op de berg waar Hij zich heiligt. En daarom mogen wij deze nacht, vol vertrouwen van dit hemelse besluit gewagen. De Heer heeft gezegd, Mijn zoon zijt gij, heden heb ik verwekt. 0 God, maak dat heden waar. En laat in onze oren de oproep niet tevergeefs klinken: Heden, zo gij zijn stem hoort, wilt u harten niet verharden als ten dage van Massa en Meriba in de woestijn, want daar hebben uw vaderen Mij op de proef gesteld, en toen moest Ik wel zweren zij zullen niet ingaan in het veelbelovende land. Deze teksten zijn het weefsel waarop de evangelist Lucas in zijn kerstverhaal op borduurt.

Joannes de Doper bevindt zich al in de woestijn, om zich te laten leren, om zich te voeden met de woorden van de profetie, gedreven door de Geest, in afwachting van de dag waarop hij aan Israel openbaar gemaakt zal worden. En in die dagen, waarop de openbaarmaking van Joannes wordt verwacht, in die dagen geschiedt niet het woord des Heren tot Joannes in de woestijn, maar geschiedt het dat er een dogma uitgaat, een decreet, een bevel dat de hele bewoonde wereld moet worden opgeschreven, dat hoort immers ook bij het woeden der volkeren, bij het beramen van ijdelheid van de machthebbers. Want als die opschrijven, schrijven zij op ten dode. En huiver bevangt eenieder die het hoort. Maar er is hoop. De naam van David, het koninklijk huis van David wordt genoemd, de stad van David wordt vermeld, en daarheen gaat Joseph met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, die zwanger was. En 0 wonder, de geschiedenis van de keizer, de geschiedenis van zijn dogma, zijn decreet wordt niet voortgezet.

De evangelist zet opnieuw in: en het geschiedde, toen zij daar waren dat de dagen van haar baren gevuld waren, en zij baarde hem, haar eerstgeborene, de eerstgeborene, en zij legde hem neder in een kribbe, want er was voor hen geen plaats in de herberg. Voor velen is hiermee het belangrijkste gezegd, het kind is geboren, het is een zoon. Maar laten we daar geen misverstand over laten bestaan, wat nu nog volgt, wat nu nog volgen moet, hoort zo intens, zo wezenlijk bij het verhaal van kerstmis, dat we zonder wat nu komen gaat niet zouden hebben geweten wat we met de eerdere mededelingen aan zouden moeten vangen. Er waren herders in die streek, in het veld, zij waakten de nachtwaken over hunne kudde. Zij hielden de wacht, maar zij houden zo vlijtig de wacht, zij houden de wacht op het vlijtigst, het lijkt wel Pasen. In hun wakende verwachting, wakker de wacht houdend, staat de engel des Heren bij hen.

Aan de herders wordt verkondigd wat er is geschied, herders die de wacht houden vernemen de boodschap. En zo is het woord des Heren vervuld, gevuld, het woord waarover wij de afgelopen zondag hebben gezongen: Ik zal zo zegt de Heer, hun goede herders geven. Op deze goede herders heeft het volk gewacht, niet op die herders die Mijn schapen hebben verstrooid, geen herders die de schapen hebben verdreven. Als de leidsman, de herder is geboren, zullen ook herders, goede herders die de wacht betrokken hebben, de eersten zijn die de boodschap zullen mogen vernemen. Die bode Gods is omstraald door een groot licht, sterker nog door de glorie des Heren. En zoals betaamt, zoals bijbels betaamd, en het deze herders past, zij vreesden met grote vreze. En de bode Gods moet daar op antwoorden, vreest niet ... Wat daarna komt, na het vreest niet heeft al tijd en immer van doen met zoiets als Ik ben met u, vreest daarom niet. En nu mogen wij horen waarom ook wij niet meer hoeven vrezen, want God is zo nabij , zo met ons dat zijn bode ons een blijde boodschap brengen kan, de blijde boodschap met het oog op de bevrijding van Jerusalem, de blijde boodschap met het oog op Gods koninklijke heerschappij in Sion, dat die bode zeggen kan dat nu de vreugde voor heel het volk groot zal zijn, voor heel het volk, want heden is geboren de Redder, de Bevrijder, die is Christus de Heer, in de stad van David.

De herders, de goede herders hebben ook de wacht betrokken bij de schriften, zij hebben elkaar ook getroost met de beloften gedaan aan David en zijn zaad en zij weten als dit hun zo gezegd wordt om wie het gaat. Degene waarvan verkondigd is en aangekondigd dat Hij groot zal zijn, en Zoon van de Allerhoogste zal worden genoemd, en dat God de Heer hem de troon van zijn vader David geven zal, Hij zal over het huis van Jacob koning zijn in der eeuwigheid, en aan zijn rijk zal geen einde zijn .. Deze Koning, die hier in al zijn koninklijke majesteit wordt verkondigd is heden geboren, een geboren koning. Maar hoe zullen zij het weten, waaraan zullen zij het kennen en herkennen? De bode, de engel des Heren voegt eraan toe: en dit zij u ten teken: gij zult een kind vinden in doeken gewikkeld, in een kribbe, een voederbak. En met deze ogenschijnlijke nuchtere aanwijzingen wordt weer naar de schriften verwezen, wordt weer in herinnering geroepen wat de profeten hebben gezegd, want die engel, die bode spreekt als een profeet, om zo aan te wijzen dat dit teken, dit kind door Gods woord gedragen wordt, door Gods weergaloos trouwe belofte. Op dat woord kan er gezongen worden eer aan God in den hoge, en derhalve gelijkelijk vrede op aard. Want zo heeft God een welbehagen in alle mensen. Maar daarmee is het verhaal nog niet af. Hoe zal de geschiedenis verder gaan? En sint Lucas zet opnieuw in: en het geschiedde toen de boden, de engelen, naar de hemel waren gevaren, zeiden zij tot elkander: laten wij naar Bethlehem gaan, en laten wij zien het woord dat is geschied, en dat de Beer ons bekend heeft gemaakt. Een wonderlijke tekst, het gaat hier ook om een woord dat is geschied, het is de weerklank van hetgeen Maria heeft gezegd: mij geschiedde naar uw woord. Wat beloofd is, wat is toegezegd is nu geschiedenis geworden. Maar de Beer moet het bekend maken, moet het ons melden hoe zijn woord geschiedt, en hoe wij aan het teken van een kind in doeken gewikkeld in een kribbe herkennen kunnen dat onze verwachtingen, onze hoop niet beschaamd zullen worden. Met eens te meer kracht, en met een sterker vertrouwen zullen wij kunnen uitzien naar de vervulling van de beloften. Deze beloften voeren ons in deze nacht samen, deze beloften die wij hier zingend en biddend koesteren maken dat wij instaan willen voor elkaar, dat wij ons vertrouwen niet stellen in ons eigen koninklijk huis, in onze eigen dynastie, in onze eigen macht, onze eigen grootheid en praal. Want deze verwachting, dit teken van de geboren koning, voert ons ook weer samen aan deze ene tafel, waar wij ook vannacht de tekenen tot ons nemen, onderpand van het koninkrijk dat komt, brood en wijn, de tekenen ook van de broederschap. Omdat dit woord geschiedt is, kunnen wij uitzien naar de ontplooiing van deze geschiedenis, de woorden van de profeten spellen een rijke toekomst, de engelen hebben het voorgezongen: Eer aan God in de hoogste hemelen, en zo gelijkelijk vrede op aarde, want God heeft dank zij deze zoon zijn welbehagen uitgestort over alle mensen, want Hij heeft alle mens en lief, vanwaar wij ook gekomen zijn. En zo wens ik u allen van harte een zalig Kerstmis, met een open oog voor al wat komen gaat, wat God bereid heeft voor allen die Hem liefhebben, omdat Hij ons het eerste heeft liefgehad. Zo geve God!

 

 

 

 

Feest van de heilige familie
29 december 1991

1 Sam 1,20-22.24-29
Joes 3,1-2.21-24
Lucas 2,41-52

Sint Lucas zal dit jaar onze leidsman zijn, aan de hand van zijn evangelie zullen we dit jaar de geheimen van het geopenbaarde leven van Jesus overwegen. Deze zondag is het wonderlijke verhaal aan de orde van het eerste Paasfeest dat in het evangelie van Lucas staat beschreven. Pasen in de dagen dat geur van de dennetakken nog niet helemaal verdwenen is uit onze huizen, Pasen, als volgens de gebruikelijke telling de Drie koningen nog onderweg zijn, en we merkwaardigerwijs het feest van de kleine martelaren, de onnozele kinderen al hebben gevierd. Het klopt niet helemaal met de kalender als we die dag voor dag zouden willen volgen in het leven, de zogenaamde levensloop van Jesus. Trouwens, en we weten het wel, de evangeliën vertellen ons niets over een de ontwikkeling van de al of niet kleine Jesus. Ook Sint Lucas niet, hoewel hij als arts bekend is, vertelt ons niets over de kinderjaren van Jesus. Hij vertelt ons aangaande Jesus om duidelijk te maken en te onderstrepen dat met Jesus op de daarvoor aangegeven momenten in het onderricht gedaan wordt wat in dat onderricht is voorgeschreven. Daarom horen wij ook vandaag voorlezen uit het boek Samuel, een boek dat voor Lucas de tekst is geweest die hij heeft overdacht en overwogen alvorens hij aan de eerste hoofdstukken van zijn evangelie is begonnen. In dat boek van Samuel horen wij hoe de kleine Samuel aan God in het heiligdom wordt opgedragen, hoe deze zoon afgebeden en afgesmeekt van de hemel, toevertrouwd wordt aan God, want daar hoort hij thuis! Ook Jesus wordt in de tempel aan God opgedragen, we zullen dat vieren op de veertigste dag na Kerstmis, op het feest dat wij Maria lichtmis noemen. We kunnen ons voortstellen dat op dat moment Jesus voergoed aan de tempel is toevertrouwd, voor goed opgedragen aan God, die Zijn Vader is, wederom daar hoort hij immers thuis. Daar in de tempel zou hij zich toch kunnen voorbereiden op zijn leven van openbaring. We zij het zo gewend om te denken dat Joseph en Maria de kleine Jesus weer mee terug genomen na Zijn opdracht in de tempel, wij zijn geneigd om dat te veronderstellen, maar wie het evangelie van Lucas nauwkeurig leest, kan net zo goed tot het tegendeel besluiten! Zijn ouders reizen ieder jaar bij gelegenheid van het Paasfeest naar Jerusalem, ook in het jaar dat Jesus twaalf jaar is geworden, en voor het Joodse onderricht als volwassen geldt. Als bij gelegenheid van dit Paasfeest zijn ouders weer terugkeren, schrijft Lucas niet dat Jesus in de tempel achterbleef, maar hij schrijft dat Jesus bleef in Jerusalem. De evangelist schrijft ook niet dat het kind Jesus in Jerusalem bleef, maar voor de eerste keer schrijft hij hier Jesus, de knecht, de dienaar. Door zo te schrijven wordt het voor ons ook duidelijk dat het niet om een of andere kwajongensstreek gaat van Jesus, - u weet dat, u kent dat, jongens van die leeftijd plegen zoiets nog wel eens te doen, - het gaat om de manier waarop Jesus, de dienaar Gods, de knecht des Heren geopenbaard moet worden op de juiste plaats, te rechtertijd, in Jerusalem bij gelegenheid van het Paasfeest.

Om het anders te zeggen het evangelie van vandaag is allesbehalve een verhaal om de familieverhoudingen in het zogenaamde heilig huisgezin aan de orde te stellen, integendeel. Dit verhaal zet de familieverhoudingen op zijn kop, want de bijbelse verhoudingen zijn in het geding. Verhoudingen die meer te maken hebben met wie Jesus is en waar Hij is te vinden dan met familieverhoudingen uit een lang vervlogen tijdperk. Jesus is in Jerusalem, in de tempel, in het huis van de vader. En met de psalm mogen wij zingen wij hebben Heer, uw barmhartigheid, uw goedertierenheid ontvangen in het midden van uw tempel. Want wie vertrouwd is met de dromen en verwachtingen van de profeten, weet dat als Hij komen zal, de verwachte, de verwachting van alle volkeren, de engel, de bode van Gods verbond, dan zal hij snel optrekken naar het heiligdom. Daar moet Hij gevonden worden. Jesus is in de tempel aan God opgedragen, Jesus is aan de tempel toevertrouwd, voor zijn opvoeding, om te leven op het ritme van het avondoffer en het morgenoffer, om te leven hij de orde van· de feesten. Zijn ouders reizen telkenjare daarheen, bij gelegenheid van het Pasen. En de lezer, de hoorder vermoed het, hij gelegenheid van dit Pasen zal het geheim van Jesus worden onthuld. Maar zo spannend schrijft Lucas dat bij gelegenheid een omweg van drie dagen voor nodig is, een angstige speurtocht, om de onthulling nog indrukwekkender te maken, en de rol van de tempel nog meer te benadrukken. Jesus blijft in de tempel, Hij resideert daar als de knecht van God, als de dienaar die daar leeft volgens de schriften. Als zijn ouders terugkeren blijft Hij daar, en zij wisten het niet, zij meenden dat zijn opvoeding nu toch wel voltooid was, dat Hij nu zijn aardse loopbaan zou kunnen beginnen. Zijn ouders weten het niet, en menen dat Hij wel ergens in het reisgezelschap is. U weet, wij hebben in onze uitleg voor kinderen dit proberen te verklaren dat de mannen en de vrouwen, de jongens en de meisjes apart liepen, zodat Maria menen kon dat Hij bij de mannen en de jongens liep, en Joseph denken kon dat Hij met Maria en de vrouwen terugkeerde, maar dat staat niet in het evangelie. Wel staat er dat zij hem zochten bij familieleden en verwanten, maar daar vinden zij Hem niet. Wij die al weten dat Hij in de tempel gebleven is, weten dat het vergeefse moeite is om Hem te zoeken bij de familie ... En omdat zij hem niet vinden, keerden zij naar Jerusalem, Hem zoekende. En dan schrijft Lucas en het geschiedde na drie dagen vonden zij Hem in het heiligdom zetelend in het midden van de leraren hen horende en hen ondervragende, en allen die Hem hoorden, stonden verbaasd over zijn inzicht en zijn antwoorden.

Er staat en het geschiedde, ook dat woord moet niet te snel met het wat laffe pas na drie dagen vonden zij Hem. Want met die opmerking, met die aanduiding en het geschiedde wordt de geschiedenis van Zijn openbaring, van Zijn bekendmaking weer op gang gezet, en krijgt een nieuwe impuls. Zijn ouders stonden perplex, toen zij Hem daar zagen. Zo temidden van de schriften, zo temidden van de schriftgeleerden. Kind, zegt Maria,terwijl weten dat Lucas Hem al die erenaam gegeven heeft van dienaar, knecht Gods, waarom doet gij ons dit zo aan? Vol verbazing vraagt de knecht des Heren, de dienaar, die de lijdende dienaar zijn zal: wist Gij dan niet dat in het huis moet zijn? En zij begrepen niet wat Hij tot hen zei. En Hij daalde met hen af naar Nazaret, en Hij was hun onderdanig.

Het verhaal heeft vele trekken waardoor het naast het verhaal gelegd kan worden van de Emmaüsgangers. Want ook in dit verhaal wordt wijselijk niet verteld met welke schriftteksten Jesus temidden van de leraren bezig is geweest, want alles wat geschreven staat is tot onze onderrichting geschreven, opdat wij troost mogen putten uit de schriften die ons zijn toevertrouwd. Vanuit die ontdekking, vanuit die verwondering daalt Hij af. Het is de eerste keer dat Lucas dit woord gebruikt. Nu pas daalt Hij af van al zo hoge van al zo vere, vanuit die omgang met de schriften in de tempel, vanuit die omgang in het huis van de Vader daalt Hij af naar Nazareth, en Hij was hun onderdanig, ook daar zal in Nazaret zal Hij zij de dienaar, de knecht des Heren. Als we al kunnen spreken van menswording, dan liggen de woorden in deze laatste zinnen daarvoor klaar. Zo heeft Hij onder ons willen wonen, zo heeft Hij willen wonen in het gezin van Joseph en Maria. Maar daarmee is het heilig huisgezin in Nazareth nog niet het modelgezin geworden voor alle gezinnen die daarvan hebben mogen weten. Het gaat er immers niet om hoe het geheim van het gezin gekoesterd wordt, moet worden in deze tijden waarin het gezin al of niet geweld lijdt. Het gaat er allereerst om hoe het geheim van Jesus gekoesterd wordt in onze gemeenschap, hoe wij de geheimen die ons zijn toevertrouwd eren en vieren, hoe wij met de schriften omgaan, en hoe wij hier met elkander de lof Gods zingen, hoe wij hier bidden met elkaar om ons vertrouwen in die ene knecht des Heren willen versterken. Hier oefenen wij ons in gemeenschap, hier oefenen wij ons in mededeelzaamheid, en hartelijkheid omdat wij hier aan een tafel mogen aanzitten, en omdat wij hier mogen drinken uit die ene beker, die ons van zondag tot zondag samenbrengt, om als nieuwe mens en te leven in een gezin of buiten een gezin. wij weten immers dat Jesus de hoeksteen is, weliswaar verworpen door de bouwlieden, maar toch de hoeksteen die door God tot hoeksteen is gemaakt. Hier oefenen wij ons in broederschap, want de ware, de betrouwbare broederschap wordt beleefd in het vertrouwen waarmee wij elkaar buiten de kerk van dag tot dag bejegenen. Hier zijn wij gesterkt omdat wij ook hier mogen bidden dat wij God danken om de gemeenschap die Hij ons ook hier met elkaar heeft geschonken ... Hier betreden wij de kerk,en we kunnen het lezen, en prenten in ons hart, laat u voegen als levende stenen. Zo geve God!

Amsterdam, 28 december 1991
Ben Hemelsoet

 

 

Oudejaarsavond 1991

 1 Joannes 2,18-21

Het is vandaag de zevende dag onder het octaaf van Kerstmis Zo staat deze dag te boek in de kerkelijke kalender. Maar dat is niet de reden dat wij bijeenkomen op deze avond. Het is in onze burgerlijke traditie de laatste dag van het jaar, oudejaarsavond. Ik zeg burgerlijk, en voor alle duidelijkheid vanavond zonder enig dedain, zonder enige minachting. Het woord heeft alles met onze overtuiging te maken, heeft te maken met de wijze waarop wij een ander willen overtuigen, waarin wij rekening en verantwoording willen afleggen van ons doen en laten, het heeft te maken met de wijze waarop wij de boeken afsluiten, overzichten samenstellen, balansen - uiteraard in evenwicht presenteren, zo zijn een handelaar en een priester, een leraar, een huismoeder en een huisvader ieder op zijn en haar terrein burgerlijk omdat zij verantwoording willen afleggen. zij moeten zich verantwoorden. Dat is de kracht van onze samenleving want zo kan het een en het ander worden gecontroleerd. We blikken terug op een jaar, dat aan een andere orde gehoorzaamd dan een kerkelijk jaar dat geleid wordt en genormeerd, in stand gehouden door de zondag, en de feestdagen, dat geteld wordt vanuit Pasen, feest dat alle menselijke berekeningen doorkruist, en onze aandacht richt op Gods Koninkrijk. Binnen dat grootse perspectief hebben wij er toch behoefte aan de staat op te maken. Maar als het erop aan komt worden de boeken niet afgesloten, maar worden de boeken geopend zoals het geschreven staat bij Daniel, de profeet: een vurige rivier stroomde, en ging van voor degene uit die op de troon is gezeten, duizend maal duizenden dienden Hem, en tienduizend maal tien duizenden stonden voor zijn aangezicht, en de boeken werden geopend. En zo is het ook gezongen in dat drastische Dies Irae, te drastisch voor onze oren want het wordt niet meer gezongen de missen van requiem: Liber scriptus proferetur, dan wordt het boek gepresenteerd, dat alles omvat. We willen dat niet zo graag meer zingen, te veel reminiscenties met de boeken die wij afsluiten op deze dag. En we denken dat we de boeken Gods daar niet mee mogen vergelijken, want God is toch immers geen boekhouder. En toch hebben we er behoefte aan even stil te staan, en een blik te slaan voor we de laatste bladzijde, van het boek van het afgelopen jaar dicht slaan. We hebben geleerd, en gecultiveerd, al of niet weemoedig terug te blikken, met een lach of een traan, terugdenkend aan het verdriet van het afgelopen jaar, met een lach, en vertedering aan het goede en het blijde dat ons ten deel is gevallen.

Ook als parochie gemeenschap blikken wij terug op de verdrietige dingen, en de vreugde die wij hier hebben beleefd, in de stilte van onze eigen overweging, in de hartelijke gebeden die wij hier hebben gedaan, ook al weten wij niet hoe wij bidden moeten, maar gelukkig is er de Geest die in ons bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen, en die ons heeft leren stamelen Abba, Vader. Hier hebben we diensten mogen vieren met grote toeloop van de gemeenschap, en ook zijn hier diensten gehouden met een kleine kudde, die daarom juist niet bevreesd hoeft te zijn! En vanuit deze kerk, en dat heeft droefheid betekent voor velen ook velen dit jaar uitgedragen naar hun laatste rustplaats, welgeteld twee en twintig mensen met een naam, een gezicht, mensen die voor anderen veel hebben betekend, die hebben liefgehad en verdriet hebben gedragen. Er is in deze kerk het afgelopen jaar niemand getrouwd Zeventien maal is het heilig doopsel toegediend! Maar laten we niet te vroeg ons al te uitbundig verheugen, van die zeventien waren er drie van eigen parochie, en het getal is tot die grote hoogte gestegen omdat vorige week binnen de Koreaanse gemeenschap, die hier regelmatig kerkt, er tien van zijn gedoopt. Want ten andere, het kerkbezoek vertoont - helaas - een ietwat neergaande lijn. De troost dat dat over het gehele land zo is, is wel een erg schrale. In ons bisdom, zo wijzen de cijfers uit, praktiseert u nog 11.1% van de katholieken, en het aantal kerkelijke huwelijken daalt, het aantal doopsels ook. Maar daardoor laten wij ons niet uit het veld slaan, daardoor laten wij ons niet ontmoedigen, want niet alleen voegen wij ons tesamen als levende stenen, maar wij belijden ook dat onze Heer, de wereld overwonnen heeft, en dat Hij met ons zal tot aan het einde van de aarde. Daarom durven wij vanavond ook weer voor te lezen het begin, het beginsel van het evangelie van Joannes.

In den beginne was het Woord. Dat begin van het evangelie heeft ook het laatste woord. Velen van ons zullen deze tekst van Joannes nog kennen als het laatste evangelie, het eerste woord en het laatste, en sommigen zullen zich, zij het vaag, dat dat evangelie gelezen werd in tijden van gevaar, bij onweer en nood, een evangelie dat gelezen werd als we op geen enkele andere tekst ons beroep konden doen, als geen andere tekst ons te binnen wilden schieten. In zulke omstandigheden is er bijna als een sacrament gegrepen naar dat evangelie. Zo doen wij dat ook vanavond, want hoe wij het wenden en keren, hoe wij rekenen en afrekenen, dit boek kan niet gesloten worden, dit boek moet geopend worden van week tot week, op de woorden van dit boek moet worden gezongen de toekomst in de toekomst tegemoet van onze Heer, die komen zal, Hem behoren de tijden, zoals we dat in de nacht van Pasen weer zullen zeggen. In den beginne was het woord! Zo lezen wij, en zo horen wij voorlezen. Maar hier mogen we voorzichtig wezen, en onze aandacht niet al te snel op dat woord was leggen. Want in dat woord was gaat veel meer is schuil dan wij vermoeden. Het is net als met kinderen die in de werkelijkheid van hun verbeelding in alle talen zeggen: en toen was ik de koning. de koningin om daarmee hun rol voor de nabije toekomst vast te leggen. In den beginne, in beginsel was, ja, is, het woord, een woord dat geschiedenis zal maken, meer nog dat openbaren zal waarin de eigenlijke geschiedenis bestaat. Bij dat woord verbleekt elke geschiedenis, elke geschiedenis verzinkt daarbij in het niet. De daverende geschiedenis van het afgelopen jaar het allereerst, de geschiedenis van precisiebombardementen en moord en doodslag als een chirurgische ingreep, om maar te zwijgen van de broedertwisten, de broedermoord die rondwaart, en soms langs de lijnen en wegen van een godsdienstoorlog. Van dit woord mogen wij met Joannes zeggen: en dit woord geschiedt, maakt geschiedenis in kwetsbaar vlees, -. we zeggen het traditioneel zo: en het woord is vlees geworden, en het heeft onder ons gewoond.

De tekst van Joannes is meer subtiel: hij zegt en het woord geschiedde vlees, en het sloeg zijn tent onder ons op. Het is de tent van Gods aanwezigheid op aarde, maar in het woord tent klinkt ook het woord mee, dat voor loofhut, de loofhut van het Loofhuttenfeest mee. Dat feest ten laatste waarop Jood en heiden gezamenlijk zullen optrekken naar Jerusalem. Het is diezelfde tent, diezelfde loofhut waarvan bij de profeet geschreven staat dat als Messias komt zal hij de vervallen hut van David weder oprichten. Mede op grond van die tekst hebben wij van onze kerstallen soms als de ruïne van een paleis geschilderd. Maar de zin is duidelijk Hij zal als koning regeren, en de beloften van het Loofhuttenfeest in alle opzichten, zelfs meer dan wij vermoeden verwerkelijken.

Nee, wij sluiten de boeken misschien vanavond wel af, maar we sluiten het Boek niet, we houden het geopend, want in dat boek is niet alleen geschreven om niet te vergeten, in dat boek staat ook te lezen wat wij nu nog niet weten. In afwachting van dat grote dat grootse vier en wij hier de maaltijd, brood en wijn, want we verwachten dat grote bruiloftsmaal op de berg waar alle traan zal zijn weggewist, en alle verblinding zal zijn te niet gedaan: vrede in overvloed, en met het oog op die toekomst wensen wij elkaar, volgens goed gebruik een zalig uiteinde in de vreugde met elkaar! Zo geve God!

Amsterdam, 31 december 1991
Ben Hemelsoet

 

 

Nieuwjaarsdag 1992
Feest van de besnijdenis des Heren

Num 6,22-27
Gal 4,4-7
Lucas 2,16-21

Het vers uit het evangelie van Lucas: toen de acht dagen vervuld waren om Hem te besnijden, zo werd ook zijn naam uitgeroepen: Jesus!, de naam waarmee de engel Hem geroepen had voor Hij ontvangen was in de moederschoot. Deze ene zin lijkt kort, wel wat al te kort, voor een evangelielezing, en daarom wordt er bij gelezen hoe de herders zich naar Betlehem hebben gehaast, om te zien het Woord dat is geschied, en dat de Heer hun bekend heeft gemaakt. Dat kind, de drager en het onderpand, het teken van grote beloften, wordt als de dagen zijn vervuld, op de achtste dag besneden, en op die dag, dat is vandaag mag Zijn grote Naam klinken: Jesus, bevrijder, zaligmaker! Zo wordt vandaag aan Hem het teken van het verbond vol trokken, zo wordt Hij in het volk opgenomen, zo worden ten diepste de beloften vervuld die gedaan zijn aan Abraham en aan zijn zaad. Want vandaag wordt deze Zoon, De Zoon van Abraham ten volle De zoon waarnaar Abraham heeft uitgezien, het teken van de vervulde belofte, en voltooiing van het teken. Het is spijtig dat wij dat eigenlijk niet meer vieren willen.

Op de buitenkant van ons boekje staat geschreven Nieuwjaar, feest van Maria, moeder van God, maar laten we wel wezen: dat is de buitenkant, want het hartsgeheim van deze dag is de besnijdenis van onze Heer, die nu Jood blijkt te zijn, aan wie getrouw vol trokken wordt wat geschreven staat in het onderricht van Moses en de Profeten. Zo wordt aan hem het teken voltrokken. Maar dit teken heeft met alle beloften te maken die gedaan zijn aan Abraham en zijn zaad. Het is allereerst het teken van de belofte, want De Zoon zal niet worden geboren uit de drift van het bloed, niet uit de begeerte van het vlees, noch uit de hartstocht van de man, maar uit God. De besnijdenis is het teken dat het om een kind gaat niet van de berekening, maar van Gods grote belofte. Die belofte zien niet alleen op de voortgang van de generatie, niet alleen op de Zoon ten laatste die Koning zijn zal tot in eeuwigheid, maar die belofte heeft ook het land in zicht, geeft ook uitzicht op het land, dat allen die staan in dat verbond erfelijk zullen bezitten, de rust van het land dat God de Heer geven zal, een betrouwbaar land, waar al Zijn beloften in bloei zullen staan, een veelbelovend land waarvan we in de advent in rijke kleuren hebben gezongen. De profeten hebben ons de woorden in de mond gelegd, op dien dag zullen de bergen van zoetigheid druipen, en de heuvelen zullen overvloeien van melk en honing, en daar zal de Koning ten einde raad regeren, als alle macht en heerschappij vernietigd zal zijn. Dit kind draagt nu met recht en rede de verzekering van deze beloften, draagt nu in eigen vlees het teken door God gegeven. Daarom horen wij op deze dag ook voorlezen uit het boek In de woestijn, Numeri. De tekst staat te boek als de zegen van Aaron. En in die zegen kunt u als het ware horen hoe de zegen opgaat over het land dat God heeft toegezegd.

De zon licht aan boven de bergen van Moab, moge Hij Zijn aangezicht over u doen lichten, we zien de dageraad gloren, en zo als we het schone vermoeden van een stralende dag al vermoeden, gaat de zegen door, en slaat het licht langs de hele hemel, de Heer verheffe Zijn aangezicht in alle glorie over u en schenke u Zijn vrede, zo zult Gij Mijn Naam op de kinderen van Israel leggen; Ik zal hen zegenen. Deze zegen echter, staat daar niet zomaar, als een al of niet vroom element, een godsvruchtige rustpauze temidden van vele verhalen. Deze zegen staat geschreven als er gesproken· is over de gelofte van de Nazireeër. Dat is degene, hij of zij, die de gelofte doet zich van wijn en sterke drank af te zonderen; wijn, zal hij of zij niet gebruiken ook geen azijn uit wijn bereid, geen sap van druiven zal hij of zij tot zich nemen, noch verse of gedroogde druiven. Al de dagen van zijn of haar gelofte zal hij of zij niet eten dat van de wijnstok gemaakt is, zelfs geen pit of schil van de druiven. Deze gelofte die ons streng, vreemd, misschien wel bizar voorkomt, heeft toch een diepe zin, met het oog op het uitzicht van het veelbelovende land. Want wij weten dat het teken van het veelbelovend land, de wijnstok is, waarvan de vrucht, die grote druiventros wordt gedragen door Jozua en Kaleb. Zij horen bij de verspieders van dat land, en zij komen met die druiventros terug om te laten zien hoe goed dat land, en welke kostelijke vruchten daar te bloeien staan. Maar zolang dat land nog niet betreden is, zolang dat land nog niet gegeven is willen zij die deze geloften op zich nemen ons eraan herinneren dat we ons nog niet in het bezit van dat land kunnen verheugen, dat er nog een andere toekomst is, die verder reikt, een toekomst die wij niet uit het zicht mogen verliezen. Wij kunnen ons herinneren de woorden die Jesus zegt bij het laatste avondmaal, als Hij de beker rei tk. Ik zal niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot hij vervuld, gevuld zal zijn in het Koninkrijk van God, zozeer is ook de beker op de ontplooiing van de toekomst gericht, op de toekomst in het veelbelovende land. Daarom is die zegen, die zegen van Aaron ook een zegen die toekomst spelt, die de toekomst openhoudt, in kracht van de belofte waarvan het Kind een teken is. Immers, als wij elkander toedrinken en toeklinken op Nieuwjaar, is er toch meer in het geding dan dat wij alleen maar onze dorst lessen; als wij elkander toedrinken doen wij dat ook op wat komen gaat, als voorsmaak van veel goede dingen, op de toekomst, op dit jaar, we nemen er een royaal voorschot op, en dat de lieve Heer ons mag zegenen, Hij doe zijn aangezicht over ons stralen, Hij zie ons aan met barmhartige, genadige, welwillende Blik.

In het psalmgebed na de eerste lezing hebben we deze zegen toegezongen, hebben we die zeggen ons biddend, en zingend eigen gemaakt, niet alleen voor ons zelf maar voor alle volkeren, want als Jesus vandaag Zijn grote Naam ontvangt, wij vanaf vandaag zijn grote Naam kunnen roepen, een beroep kunnen doen op zijn naam, dan mogen wij weten dat zijn naam betekent: bevrijder, bevrijder voor alle volkeren en naties. God zal ons zegenen, en alle einden der aarde zullen Hem vrezen en liefhebben. Alle volkeren zijn geroepen om de vader in de hemel te kennen, en zijn zoon op aarde, de bevrijder en redder. Hij is gekomen om ons te bevrijden van alle beklemming, van alle eigenwaan, en eigendunk, van alle grootspraak, en van alles wat onderdrukt en waarmee wij onderdrukken. Hij is de eersteling van al diegenen die Hij voeren zal naar de Vader, de eersteling van al diegenen die Hij heeft willen leren bidden Onze Vader. Want zo mogen wij zijn zonen en dochters van God, Zijn kinderen, en derhalve broeders en zusters van elkaar, in hartelijkheid, onomwonden, zonder bijsmaak en bijgedachten, want de Vader heeft ons daartoe en daarom de Geest van zijn Zoon aan ons geschonken, en die Geest roept in ons met alle kracht van de Geest: Abba, Vader. Daarom wij hoeven derhalve niet langer meer slaaf te zijn van wat dan ook,wij hoeven geen slavenboeien te dragen, en nog minder kunnen wij anderen een slavenjuk opleggen als wij weten hoe zeer wij zelf zijn bevrijd. Want wij zijn nu zonen en dochters, en derhalve ook erfgenamen, op dezelfde titel als de zoon! Wat kan ons deren. Maar wij weten ook dat wij deze grote woorden met veel schroom moeten wij zeggen, dat wij deze woorden ternauwernood durven laten klinken een keer dat wij deze kerk hebben verlaten, een keer dat wij weer weg zijn uit deze gemeenschap. Wij weten dat wij op deze woorden zo zelden een beroep durven doen onder elkaar, en nog minder we zouden eerlijk gezegd niet zo graag willen dat een annder met die woorden, hier gehoord, een beroep zou doen op ons, ondanks de gemeenschappelijke maal tijd, ondanks de handdruk van vrede en eenheid. Daarom bidden wij ook hier als wij om vrede bidden dat de lieve Heer niet op mijn zonden acht slaat, en daarom ook doen wij een beroep op het vertrouwen dat Hij nog steeds stel t in deze gemeenschap hier. Ook in het jaar dat komen gaat. Dat grenzenloze jaar, met zijn vele mogelijkheden, en ook zijn onmogelijkheden, een jaar zonder grenzen, waarin wij ons niet hopen te verschansen in ons eigen kasteel, in onze eigen vesting, en nog minder in de vesting van ons hart. Moge ons vertrouwen groot zijn, een vertrouwen dat wortelt in het vertrouwen dat God in ons heeft. Zo ontvangen wij de tekenen van de verwachting, de tekenen van zijn koninkrijk dat komt, een verwachting die ons gaande houdt, ook hier, van week tot week. Vanuit die zaligheid van Zijn vertrouwen, wensen wij elkander van harte ook een zalig Nieuwjaar, en ... over de zaligheid van dit nieuwe jaar, over de wens van een zalig Nieuwjaar hoeven wij ons niet te schamen, niet te generen, ook dit jaar tekenen wij heel plechtig, soms schoorvoetend Anno Domini, in het jaar van onze Heer, Jesus, Bevrijder, Zaligmaker, Messias van de Joden, Heiland van de heidenen!. Zo geve God!

 

 

 

In Epiphania Domini 1992

Jesaja 60,1-6
Eph 3,2-3a.5-6

Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op. Met deze roep wordt Jerusalem gewekt uit haar doodsslaap, uit haar duisternis, uit haar gevangenschap. Want de liefde is gewekt,. en zo wordt zij toegezongen in het lied der liederen sta op, mijn vriendin, mijn schone. De vijgenboom brengt al jonge vijgen voort, en de wijnstokken geuren van hun jonge druiven, sta op, mijn vriendin, mijn schone, en kom ...

Wij kunnen ons, nuchter als wij zijn, ternauwernood voorstellen dat Jerusalem zo bezongen wordt, zo in haar verrijzenis, haar opstanding mag geloven. Dat deze stad zo vertrouwen mag op datgene wat God haar heeft toegezegd. En nuchter als wij zijn, met alle gaven des onderscheids, begrijpen niet goed, of willen niet goed begrijpen, wat dit allemaal moet, nu wij vandaag gedenken dat de Heer, onze Heer is geopenbaard aan de heidenen, en dat sterrenwichelaars, sterrenkijkers, magiërs, onze representanten zijn in Bethlehem. Wie zouden wij hebben uitgekozen om daar geschenken aan te bieden, en te aanbidden? Wie zouden wij hebben afgevaardigd? En wederom vragen wij ons af, waarom er woorden moeten klinken die veeleer op Pasen thuis zijn dan op Kerstmis. En ook dat eeuwige spreken over Jerusalem, die als een bruid bezongen wordt. Kan het niet wat minder, moet het allemaal zo uitbundig, het evangelie is toch nuchter genoeg!

Omdat wij menen dat wij weten wat het evangelie ons vertelt, beseffen wij ternauwernood dat wij door de eerste regel van het evangelie al op het verkeerde been worden gezet. Mattheus zet zo in: toen Jesus geboren was in Bethlehem in Judea, in de dagen van Herodes de koning ja, dat weten we, dat kennen wij, zie, magiërs uit het Oosten treden op in Jerusalem. Er komen magiërs ten tonele in Jerusalem. Zij treden op, zij komen op, verkleed of niet, als magiërs, als sterrenwichelaars, horoscooptrekkers, deskundigen in de loop der gebeurtenissen, mensen die zich neerleggen willen bij de loop der sterren, want het staat immers in de sterren geschreven, gebonden als zij zijn door de tekens van de dierenriem. Omdat wij het verhaal zo goed kennen, verwonderen wij ons er niet over dat er geschreven staat dat Jesus is geboren in Bethlehem, en dat zij, die magiërs toch optreden in Jerusalem.

Als de lieve Heer hen toch in Bethlehem wil laten komen, waarom treden zij op in Jerusalem? Het antwoord is simpel, maar overduidelijk. In Jerusalem moet de vraag gesteld worden, de enige vraag, waar is de geboren koning van de Joden. Deze vraag, die gesteld moet worden in Jerusalem mag niet versmald, mag niet verkleind worden tot waar is de pasgeboren koning van de Joden. De magiërs komen immers niet op kraamvisite, en zij zijn gekomen niet alleen om Hem hulde te brengen, maar om hem te aanbidden. In Jerusalem moet die vraag worden gesteld om ons zo in herinnering te brengen dat in Jerusalem de naam Koning van de Joden nog een keer ten laatste klinken zal als die titulatuur boven het kruis zal worden aangebracht Jesus van Nazareth Koning van de Joden. Maar die vraag moet ook in Jerusalem worden gesteld om alle koningen, en zeker de koning in Jerusalem eraan te herinneren dat alle koningschap verbleekt als de geboren koning openbaar gemaakt wordt. We moeten ons dat voorstellen hoe die wijzen daar optreden. We zien het theater voor ons: de vraag klinkt waar is de geboren koning van de Joden want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien, - het is ook mogelijk te lezen wij hebben zijn ster zien rijzen. Wij zijn gekomen om Hem te aanbidden. Ondanks alle verhalen, kostelijke verhalen, staat er bij Mattheus niet dat zij de ster gevolgd hebben, al of niet van verre. Zij hebben de ster in het Oosten gezien of zij hebben de ster zien rijzen! Laten we er ook vanuit gaan dat het hier om een Bijbelse ster gaat een Bijbelse ster waarvan ons verteld wordt op de wijze van een sterrenkundig fenomeen.

Er staat immers geschreven: er zal een ster uitgaan van Jacob er zal een scepter uit Israel opgaan. Ik zal hem zien, maar nu niet. Ik zal hem aanschouwen, maar nog niet nabij. Hij zal de grenzen der Moabieten verslaan en de kinderen van Seth verstoren ... En Petrus zal in zijn brief aan dit woord herinneren. Wij hebben het profetische woord, dat zeer betrouwbaar is, en gij doet wel daar acht op te slaan, als op een licht dat schijnt in de duisternis, totdat het daglicht licht, en de Morgenster in uw harten opgaat! Die ster, zolang verwacht zolang aan de duistere hemel verwacht, hebben zij gezien. Zij hebben zich gehaast naar Jerusalem want bemint God niet de poorten van Sion boven alle woningen van Jacob; en worden er niet zeer heerlijke dingen gesproken van de stad Gods? Want van die stad zal gezegd worden dat die en die eenieder daar geboren is en als de volkeren zullen worden opgeschreven, zal hun het geboorterecht van Jerusalem ten deel vallen.

De koning raakt op die vraag in verwarring en heel Jerusalem met hem. Jerusalem wankelt op haar Herodiaanse grondvesten I zoals de stad zal beven als bij een aardbeving als Jesus de stad betreedt en de vraag klinkt wie is Hij? En hij verzamelt hij brengt bijeen, hij maakt een samenkomst een synagoge van aartspriesters en Schriftgeleerden om van hen te vernemen waar de Messias moest geboren worden. Of hij het geweten heeft die Herodes! Hij vraagt naar de bekende naam, hij vraagt niet naar de geboren koning, maar wil weten waar de Messias moet worden geboren. En de priesters en de Schriftgeleerden verwijzen, wijzen naar de boeken, waar gesproken worden van Bethlehem, met de duidelijke verwijzing naar David ... Want Hij zal herder zijn over Mijn volk, -. en wij kunnen horen als ondertoon en dus Herodes niet.

Dan volgt de duistere beschrijving van de nauwkeurige, precieze, slinkse wijze van handelen van de koning. Hij wil met acribie weten, ja, zo staat het er, de tijd weten, de tijd berekenen, waarop die ster hun is verschenen, en hij stuurt ze naar Bethlehem om te onderzoeken, en als zij het kind gevonden hebben hem op de hoogte te stellen opdat ook hij komen kan om het te aanbidden. wij kennen, zoals in een goed drama past, de bedoelingen van de boze koning, crudelis Herodes, wrede Herodes. Hij wil zijn eigen lot bepalen, en zich niet laten richten door deze koning. De geboren koning ontkomt, de wijzen wijken uit, keren langs een andere weg terug Jesus ontkomt in Egypte, om zo deelgenoot te zijn aan de slavernij, aan de slavendienst, om daar als Gods Zoon vanuit geroepen te worden. De wijzen vallen ter aarde, aanbidden, openen voor het kind hun schatten goud, wierook en mirre. Er zijn talrijke afbeeldingen van deze tekst. Vorsten en koningen hebben zich als een van de wijzen laten afbeelden, tot meerdere eer en glorie van hun koningshuis, van hun dynastie.

Maar de schilders hebben het niet kunnen laten. Zij hebben de schriften gekend en gelezen, en zij hebben geweten dat er ook geschreven staat dat de Heer de vervallen hut van David weer zal oprichten, en zij schilderen de wijzen met als achtergrond de ruïne van een of andere sprookjespaleis. Want zo zal het herstel beginnen, met deze aanbidding, met deze openbaring aan de heidenen. En om ons, de heidenen er aan te herinneren dat hun eerste vraag geweest is, waar is de geboren koning van de Joden, schilderen zij vele malen een kruisbeeld in die vervallen hut want het kruis draagt de ti tel Koning van de Joden, en zo zullen zij en wij, de uiteindelijke consequentie zien van hun allereerste vraag: waar is de geboren koning van de Joden. Wij hebben ook de gewoonte om een kruisbeeld in onze woningen op te hangen. Misschien kunnen we dat gebruik vandaag op een innige wijze overwegen, wat wij daar mee voor hebben, wat wij voor ogen willen hebben, dag voor dag. Een teken dat wij gewend zijn te maken aleer wij bidden gaan, het kruisteken. Het herinnert ons eraan dat wij op het feest van Driekoningen geen toeschouwers kunnen zijn, laat staan sleutelgatkijkers, maar mensen, gelovigen die weet willen hebben, het vermoeden koesteren van die wonderlijke weg van het Koningschap van God.

In dat teken komen wij hier bijeen, om gemeenschap te veren, gemeenschap te hebben met deze Koning, in de tekenen van brood en wijn, in de gemeenschap die wij hier eren met elkaar, vanwaar wij ook gekomen zijn, uit welke heerschappij , macht, of dynastie ook. We durven het te zingen in het lied: Juicht voor de koning van de Joden, buigt voor geen dove wereldmacht. Want in het teken van het kruis, in het kruisteken is Hem gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Daarvan zijn wij de getuigen, ten opzichte van elkaar, en ook ten opzichte van de wereld die Hem niet, nog niet kennen wil. Zo geve God!

 

 

 

Tweede zondag na Driekoningen
19 januari 1992

Jesaja 62,1-5
1Kor 12,4-11
Joannes 2,1-11

Vandaag horen wij een van de bekende verhalen uit het evangelie: de bruiloft van Kana. Een wonder van een vertelling, een wonder van perspectief en hoop, een wonder van verwachting. Maar nog wonderlijker is dat de eerste lezing begint met een lofzang, een ode op Jerusalem die haar weerga niet vindt. Om Sions wil zal ik niet zwijgen, en terwille van Jerusalem zal ik niet stil zijn, totdat haar gerechtigheid voortkomt, uitbreekt als een glans, en haar heil, haar bevrijding als een brandende fakkel. De heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen, let wel: alle koningen, alle machthebbers van deze wereld, zullen uw glorie, uw heerlijkheid zien. Onze devotie, onze katholieke devotie, is nooit zo uitbundig geweest in het bezingen van Jerusalem, de profetische jubel aangaande deze stad hebben wij doorgaans wat verdoezeld, bang dat het al te concreet, al te tastbaar zou worden, en misschien ook wel dat het de roem en de glorie van de eeuwenoude keizerschap Rome zou doen verbleken. Maar de profeet van vandaag neemt geen blad voor zijn mond, hij zal de naam van die stad, van Jerusalem blijven noemen, uitroepen, totdat alles vervuld is wat aangaande deze stad is geprofeteerd, totdat eindelijk haar gerechtigheid stralend zichtbaar zal zijn voor alle volkeren, totdat haar gerechtigheid blinken zal over de gehele aarde, en totdat de stad zal zijn dat zalig, dat verzaligende visioen van vrede. Daar in die stad zal immers zichtbaar worden wat God bereid heeft voor al degenen die hem liefhebben, want daar in die stad zal God zijn koninklijke heerschappij aanvaarden, en alle volkeren zullen optrekken naar Sion, want uit Sion komt de wet, en 's Heren woord uit Jerusalem. Ja, de Heer trouwt met Sion, zij is Zijn bruid. En het hart van de profeet klopt vol verlangen om getuige te mogen zijn van die wonderlijke bruiloft.

Het lijkt erop, als we het evangelie van vandaag lezen, of de proofeet op zijn wenken wordt bediend: er geschiedt een bruiloft in Kana van Galilea, en nog wel op de derde dag!. Wie niet helemaal vreemdeling is het Jerusalem van de schriften weet welke suggestie er wordt uitgesproken, als er geschreven wordt de derde dag. Want ook in onze geloofsbelijdenis wordt het onomwonden gezegd, en beleden: ten derde dage opgewekt uit de doden, volgens de schriften. Maar zo eenvoudig als het nu gezegd wordt, is het niet. Want de oplettende lezer weet dat deze bruiloft niet geschiedt in Jerusalem, maar in Kana van Galilea. Derhalve: deze bruiloft is nog niet waar de verwachting van de profeet op gericht is, nog niet ... Daarom moeten we met grote omzichtigheid, voorzichtig ook dit verhaal van Joannes horen. En zoals immer, ook hier tellen alle woorden. Daarom is het spijtig dat in ons boekje staat afgedrukt in die tijd was er een bruiloft in Kana in Galilea.

Joannes schrijft heel uitdrukkelijk de derde dag geschiedde. Die derde dag komt, om het heel simpel te zeggen, niet uit de lucht vallen. Vandaar dat het de moeite waard is om te lezen wat aan deze bruiloft voorafgaat. Jesus antwoordt aan Nathanael, de man die vol verlangen is naar de vervulling van Gods beloften in het veelbelovende land dat God geven zal: omdat Ik u gezegd heb ik heb u gezien onder de vijgenboom, zo gelooft gij, maar gij, dat is jullie allemaal, zullen grotere dingen zien dan deze. En Hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar. Ik zeg jullie, allemaal, van nu af aan zult gij de hemel geopend zien, en gij zult zien de engelen Gods opstijgende en neerdalende op de Zoon des Mensen ... en dan moeten we, op diezelfde ademtocht doorlezen, en horen, en jawel, op de derde dag geschiedt er een bruiloft in Kana in Galilea. En wederom kan de al eerder gestelde vraag hier herhaald worden: waarom in Galilea, en niet in Jerusalem? De grotere dingen, ja, de grootste dingen zullen toch in Jerusalem te zien gegeven worden? Dat kan toch niet anders beduiden dan dat de bruiloft in Kana een teken is waarop beroep gedaan kan worden, O God, maak die bruiloft toch waar in Jerusalem, dat centrum, de navel van de aarde. Daarom is er de evangelist alles aan gelegen, om niet te spreken van zo maakte Jesus te Kana een begin met de tekenen, maar dit is bet begin van de tekenen, het beginsel van de tekenen, het principe van de teken. De bruiloft, die in het water dreigde te vallen, als het fundament, en bet beginsel van alle tekenen. Daarom mogen wij terwille van dit teken, dit beginsel ook nog even door lezen. Want zo vervolgt Joannes: daarna daalde Hij af naar Kafarnaüm, Hij en Zijn moeder, en Zijn broeders, en Zijn leerlingen, en zij bleven daar, niet vele dagen. En nabij was het Paasfeest van de Joden, en Jesus ging op naar Jerusalem. Zo is het kader aangegeven, het raam getekend, waarbinnen de bruiloft van Kana wordt geschilderd. Tussen grotere dingen zult gij zien, en nabij was Pasen, het feest van de Joden, en Jesus ging op naar Jerusalem. Want daar ligt het einddoel van de blijde boodschap, daar is het allemaal om begonnen als het Pasen is.

De suggestie dient ernstig genomen worden: en op de derde dag geschiedde er bruiloft. Want die derde dag verwijst naar de bruiloft, maar verwijst zo ook naar die bruiloft van God met zijn bruid Jerusalem waarover de profeet niet zwijgen kan. Als we zo het kader van deze bruiloft horen kunnen we de geheimen proberen te proeven van dit teken, dit wonderlijke teken. Als we het verhaal ter hand nemen kan het duidelijk worden dat bet om een hele vreemde bruiloft gaat. Er worden namen vermeld, maar de bruid zult u tevergeefs zoeken. En bovendien bij nauwkeurige lezing blijkt er in eerste instantie ook geen wijn te zijn. Een wel heel merkwaardige bruiloft: een bruiloft zonder bruid, en een bruiloft zonder wijn. Een vertaling als toen de wijn opraakte, en de opmerking van de moeder van Jesus: zij hebben geen wijn meer, is meer vanuit onze verbeelding en fantasie geschreven dan vanuit de tekst van Joannes. Joannes zegt namelijk: en aangezien de wijn ontbrak, en hij laat ook de moeder van Jesus zeggen: zij hebben geen wijn. Het woord ‘meer’ treffen we niet in de tekst van het evangelie aan.

Jesus wil daarmee aanvankelijk niets van doen hebben. Zijn uur, het uur van de bruiloft in Jerusalem is immers nog niet gekomen. Het moge duidelijk zijn aan de liefde van Jesus voor Zijn moeder hoeft niet getwijfeld te worden, daar gaat het verhaal niet over, wel om het beginsel van de tekenen duidelijk neer te schrijven, met het oog op de bruiloft in Jerusalem! Daarom is het wonder ook een wonder van de toekomst, wat er geschieden zal als dat uur gekomen is, en hoe veel vreugde er beleefd kan worden aan de vruchten van het veelbelovende land. In het boek in de woestijn, - Numeri, - staat het prachtige verhaal te lezen van de verspieders van dat veelbelovende land. We weten hoe Jozua en Kaleb, en hun tien metgezellen van hun verspiedende tocht terugkeren, en hoe zij als teken van de wonderlijke vruchten van het land, een druiventros meebrengen, zo groot, zo zwaar dat die druiventros door twee mannen aan een draagstok gedragen wordt, zoals de talrijke afbeeldingen het willen, en zoals de tekst ook letterlijk zegt daarna kwamen zij in het dal Eskol, en sneden vandaar een rank af, met een tros wijndruiven, die zij droegen met zijn tweeën op een draagstok. Die plaats noemden zij Eskol, terwille van die druiventros, want eskol betekent druiventros, en de schrijver voegt er heel snedig aan toe, dat het toen juist de tijd was van de eerste druiven: eenheid van tijd plaats en handeling ineen. Nergens staat dat zo voortreffelijk in de schriften beschreven, een heden, een hier en nu, dat alle verwachtingen wekt voor de toekomst. Die eerstelingen van het veelbelovende land, blijken hun manier honderdvoudige vrucht gedragen te hebben, want als teken van de bruiloft die komen gaat, wordt er honderdvoudige vrucht gevonden, overvloed van wijn, als teken van hetgeen komen gaat. Ja, met recht heeft een schrijver hiervan gezegd: het water zag zijn Heer en bloosde. Het is de goede wijn ten laatste, de goede wijn een voorsmaak van de wijn van het koninkrijk, de voortreffelijke vrucht van degene die wij in het evangelie van Joannes zullen mogen noemen de ware wijnstok. Aan zijn vruchten zullen wij die ware wijnstok kunnen herkennen. Dit zal zijn de goede wijn die tot het laatste is bewaard! Hier weerspiegelt de aarde de goedgunstigheid van de hemel, en met het oog daarop drinken wij hier van de beker, om de smaak te pakken te krijgen van al datgene wat God ons heeft toegezegd in dat beginsel van de tekenen in Kana, om onze ogen te richten op de bruiloft van het Lam. Daarom zeggen wij ook graag als de tekenen van het koninkrijk worden uitgedeeld: dit is de bruiloft van het Lam, dat is ook de vergeving van de zonden, en zo de gemeenschap met onze Heer, die trouw zal blijken tot in eeuwigheid. Zo geve God!

 

Derde Zondag na Driekoningen

Nehemia 8,2-4a+5-6+8-10

1 Kor 12,12-30

26 januari 1992 Luc 1,1-4+4,14-21

 

De tekst van het evangelie van deze zondag begint met een volzin, een grote periode, Lucas is uitdaging aangegaan. Het heeft hem goed gedacht o0k te schrijven, en wel na een naarstig onderzoek, en hij heeft rekening willen houden met datgene wat verteld hebben die het hebben gezien, en die dienaren van het woord zijn geweest. Na zo'n brede zin van de evangelist kunnen we er even voor gaan zitten, en volverwachting klopt ons hart. Temeer daar Lucas aan zijn geliefde Theophilus schrijft, opdat hij de zekerheid van die dingen mag kennen, waarin hij onderwezen is. Die naam Theophilus trekt de aandacht, in onze streken is het geen al te bekende, gebruikelijke naam, en er zijn er ook die zich hebben afgevraagd of deze Theophilus een echt bestaande persoon is geweest of niet. Heeft hij echt bestaan dan weten we dat er in die tijd iemand geweest is die geluisterd heeft naar de naam Theophilus, en als hij eens niet echt bestaan zou hebben dan mogen we weten wat die naam betekent. Die naam betekent namelijk hjj/zij die door God wordt bemind, de door God geliefde leerling. Als we het zo zeggen doet het er ineens niet meer zo toe, of Lucas speciaal iemand op het oog had, of dat hij aldegenen die door God worden bemind bedoelde. Laten we het op het laatste houden, wij worden allemaal die vandaag zo Lucas horen voorlezen daarop aangesproken: wij worden allemaal door God bemind, zoals we dat hier ook vol vertrouwen uitspreken van week tot week dat God nag steeds vertrouwen heeft in de gemeenschap die hier bijeenkomt. En misschien kunnen we het j aar van Lucas, na de kerstdagen, dan ook niet beter beginnen dan met het eerste optreden van Jesus in Nazareth. Dat is opmerkelijk omdat bijvoorbeeld Mattheus Jesus niet in Nazareth laat beginnen, maar op de top van de berg, op de top van de berg van de Bergrede. Lucas begint in Nazareth, om ons zo duidelijk te maken wat wij zouden kunnen bedoelen als wij zo gemakkelijk, en naar wij menen, gewoon over Jesus spreken als wij Hem noemen Jesus van Nazareth. Hij komt in Nazareth, waar Hij was opgevoed, en waar Hij volgens Zijn gewoonte, op de Sabbatdag naar de synagoge, naar de samenkomst van de gemeenschap ging. u hoort hoe Lucas het een vertelt in de volgorde van het andere: opgevoed, gewoonte, op Sabbat naar de synagoge: en vrome Jood. Tot zover niets bijzonders voor iemand die voor de gene die weet heeft van de omstandigheden waarin Jesus heeft geleefd. Voor ons wellicht wel, want week in week uit naar de samenkomst is ietwat problematischer geworden. We kunnen ons troosten dat er van Jesus geschreven staat dat Hij gedreven werd door de kracht van de Geest, maar wie zegt dat wij op die Geest, op de Heilige Geest geen beroep zouden kunnen doen? Maar wat opmerkelijk is, en daarom is dit verhaal verteld: Hij stond op om te lezen. Lucas vertelt niet of Hij daartoe uitgenodigd was. Hebben ze Hem gevraagd?

Jesus komt daar en staat op om te lezen. Zo zegt Lucas het. En wij zitten met die vraag. Maar als we door lezen wordt het nog spannender. Lucas schrijft namelijk niet zoals de vertaling in ons boekje wil: “En ze reikten Hem de boekrol van de profeet”, want dan mogen wij vragen: “Wie zijn die ze?” Maar Lucas schrijft: Hem werd gegeven het boek van de profeet Jesaja. En als in de evangeliën deze werkwoordsvorm wordt gebruikt, is de hemel in het geding. Deze schrijfwijze wordt gebezigd als de schrijver zeggen wil dat God zelf zich er mee bemoeid, dat het boek Hem van Godswege wordt gereikt. En Hij vond de plaats waar geschreven staat. U begrijpt de zin”: Hij vond de plaats waar geschreven staat  beduidt niet dat Jesus op goed geluk af wat bladert, of liever wat heen en weer rolt in die boekrol. Integendeel. Hij vindt de plaats omdat hij daar van Godswege op naar zoek is, en nu hier in die synagoge vindt hij de plaats.

Op zijn speurtocht, op zoek naar die plaats heeft hij die op die Sabbatdag gevonden. De geest des Heren rust op Mij, want Hij heeft Mij gezalfd, en wij horen wat die zalving, die aanstelling, die machtiging inhoudt, door de Geest is Hij gemachtigd, in macht gesteld, om aan de verarmden de blijde boodschap te brengen dat God koning is in Sion, om degenen die gevangen zijn bevrijding te melden, aan de verblinden het gezicht, en aan alle gekleineerden vrijheid te schenken, om een jaar van welbehagen aan te kondigen voor de Heer. Welk een grote woorden klinken hier, en hoe klinken die woorden als ze door Jesus zelf worden voorgelezen. Maar vooraleer we daar mee verder gaan, nog even dit. De evangelist schrijft nu pas daarop rolde Hij het boek dicht, gaf het aan de dienaar ... als Jesus voorgelezen heeft dan pas is het mogelijk dat er van een dienaar sprake is, pas als Jesus voorgelezen heeft is in de rechte zin van het woord pas mogelijkheid om te spreken van dienaren van het woord.

Alle ogen zijn op Hem gericht . En Hij begon te spreken: heden is vervuld deze schrift in uw oren. We kunnen dit woord ook niet spannend, gespannen genoeg vertalen. Heden is vervuld deze schrift in uw oren. Om dat te begrijpen, omdat te proberen te begrijpen moeten we het woord Heden ook in onze oren late klinken, en met ons hart opnemen. Want dat woord heden speelt een belangrijke, een eminente rol. Dat woord heden speelt een rol als de belangrijke vraag gesteld wordt wanneer komt Messias, wanneer komt degene die door de Geest gezalfd is, wanneer komt de Gezalfde, de Christus? Wanneer zullen wij Hem zien in al zijn glorie, wanneer zullen wij mogen aanschouwen al datgene wat aangaande Hem is geschreven, wanneer zullen wij kunnen zien met eigen ogen ook de woorden die Hij heeft voorgelezen in de synagoge van Nazareth?

In de joodse traditie wordt gevraagd waar Messias te vinden is, en het ontroerende antwoord luidt: voor de poorten van Rome, daar is Hij te vinden temidden van de melaatsen en de bedelaars, wachtend op de gene die naar hem vragen zal. Het is duidelijk iemand gaat naar Rome, naar de poorten van de stad. Hij treft Hem aan, en stelt de spannende vraag: wanneer komt de Messias, de Gezalfde. En het wonderlijke antwoord van de Messias is Heden! En zoals zo dikwijls geschiedt, de vraagsteller gaat teleurgesteld naar huis. Wat is dat voor een antwoord heden, als er geen bazuinen klinken, en geen triomftocht wordt georganiseerd? Thuis gekomen wordt de vraagsteller door een van zij genoten eraan herinnerd, dat dat woord heden, het woord heden is uit de psalm. Heden, zo gij zijn stem hoort, wilt uw harten niet verharden als ten dage van Massa en Meriba in de woestijn, waar jullie vaderen mij op de proef hebben gesteld. Toen moest Ik wel zweren zij zullen niet binnengaan in de rust van het veelbelovende land. Ja, we horen het goed. Heden, ja, Heden, maar wel onder die voorwaarde zo gij zijn stem hoort; en als gij zijn stem hoort? Ja, wilt uw harten niet verharden Heden, zo kunnen wij horen is niet een woord van een moment, het is een woord dat telkenmale klinken kan als wij het horen: Heden, ja, heden, zo gij zijn stem hoort,en als gij dan zijn stem hoort, wilt dan uw harte niet verharden . ..

Aan dat woord van de psalm worden wij ook door het verhaal van Lucas herinnert. En het is ook spijtig dat we hier de lezing uit Lucas zouden afbreken. Volgende week wordt deze lezing niet voorgezet, want dan vieren wij de opdracht van Jesus in de tempel, Maria Lichtmis. Want de toehoorders in de synagoge willen dat heden niet horen als een profetisch heden, zoals de psalm daarover spreekt, zij stellen hun harten niet open, zij willen die wonderlijke stem niet horen, en zij blijven eigenlijk in het hun bekende kringetje. We kennen Hem toch, die zoon van Joseph, mooie woorden, maar wat wil Hij dan? Jesus kan alleen maar antwoorden met een verwijzing naar datgene wat Hij heeft voorgelezen. Hij heeft aangekondigd een welgevallig jaar van de Heer. En nu moet Hij wel vaststellen dat geen enkele profeet welgevallig is in zijn eigen vaderland. We horen die woorden van het welgevallen op elkander rijmen. We weten hoe het verhaal afloopt, ze willen Hem doden, in dodelijke woede willen zij Hem wegwerpen vanaf de top van de heuvel waarop hun stad is gebouwd. Zo werkt in dit verhaal het heden uit. Wij die aangesproken zijn als door God beminden, door God geliefden, hoe zingen wij die psalm, heden, als wij de tekenen ontvangen van dat koninkrijk dat komt. Openen wij onze oren, en sluiten wij onze harten niet, verharden wij onze harten niet ten opzichte van elkander als wij elkaar van harte de rechterhand van de gemeenschap geven, omdat wij Zijn stem hebben gehoord, heden! Zo geve God!

Ben Hemelsoet

 

 

Opdracht van de Heer in de tempel

Maria Lichtmis 1992

 

Mal 3,1-4

Hebr 2,14-18

Lucas 2,22-40

 

Het is vandaag een groot feest, het feest waarop mensen als Simeon en Anna Jesus tegemoet gaan, een feest van herkenning en ontmoeting, een feest van herkenning van elkaar. En de plaats waar men elkander herkend, waar Jesus wordt herkend is de tempel van Jerusalem. Vandaag komt Jesus in het huis van Zijn Vader, vandaag komt Hij daar waar Hij thuis zijn wil, want heeft Jesus zelf niet gezegd dat Hij moet zijn in het huis van Zijn Vader. Als Jesus inde tempel komt, is dat een grootse gebeurtenis waarop de profeten hebben gewacht. Wij zijn zo gewend om alle aandacht op de komst van Jesus te richten op het kerstfeest. We hebben het de engel horen verkondigen: Heden is geboren de Redder, de Bevrijder, de Messias, de Heer in de stad van David. Doorgaans menen wij dat we daarmee het belangrijkste wel hebben gehoord. Maar we weten ook dat we hebben mogen vernemen van de engel: en dit zij u ten teken, gij zult een kind vinden, in doeken gewikkeld, liggend in een kribbe. En vanaf dat moment, vanaf dat uur, mogen en moeten wij bidden, ons afvragen, wanneer zullen wij zien, wanneer zullen wij merken dat di t kind die beloften die bij zijn geboorte zijn gezegd vervult. Wanneer wordt waar wat de engel heeft gezegd, wanneer zal Hij daadwerkelijk zijn de bevrijder, en de redder, de Messias. Van de Messias, van de Christus staat ook geschreven dat Hij al Gods welbehagen zal vervullen, en ook dat Hij tot Jerusalem zal zeggen: wordt gebouwd, en tot de tempel word gegrondvest? Wanneer zal Hij zijn schreden richten naar het heiligdom, wanneer zal Hij komen in de tempel, om zo de tempel met zijn glorie te vervullen, om zo de tempel door Zijn aanwezigheid te wijden, om zo de tempel in alle glorie te laten stralen. Daarom ontsteken wij vandaag de kaarsen in de kerk, want zo heeft Jesus de glorie van Israel, en het Licht voor alle heidenen, voor alle volkeren, willen laten zien dat de stad op de berg, de stad Jerusalem niet verborgen kan blijven. En wij willen ook dat Licht dat Jesus is niet onder de korenmaat plaatsen, maar wij willen dit Licht uitbundig laten schijnen, zeker op deze dag ... Bij de profeet staat het zo geschreven: zie, zo spreekt de Heer, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht, die voor u de weg bereiden zal. In deze woorden hebben wij de grote wegbereider, de voorloper Joannes de Doper herkend, maar de tekst gaat door, en haastig zal daarna komen, de Heer waarnaar gij naarstig zoekt, degenen die gij verlangend tegemoet z iet, te weten de grote Bode van het verbond, waarin gij u wilt verlustigen, waar gij in alle zinnen van het woord genieten wilt, onder wiens bescherming gij wilt leven, degenen aan wie gij u wilt toevertrouwen. Hij zal haastig komen naar het heiligdom, naar de tempel. Zie Hij zal komen, zegt de Heer der hemelse legerscharen, Hij zal komen naar de tempel. En zo komt Hij naar de tempel, en zijn aanwezigheid vult het gehele huis. Je zou kunnen zeggen in alle hoeken en gaten is het te merken dat Hij er is, Zijn licht schijnt overal, in alle hoeken en gaten van de tempel.

Als Jesus in de tempel komt, komt daar Simeon hem tegemoet. Hij wordt gedreven door de Geest, want hij had een openbaring ontvangen dat hij de dood niet zien, aleer hij de Heer zou zien. Meestal denken wij dat die Simeon erg oud geweest is, maar dat staat nergens. Ja, er staat geschreven dat hij de dood niet zien zou, aleer hij de Heer zou hebben gezien, maar daar hoef je niet oud voor te wezen. Eigenlijk heel vreemd dat onze traditie van deze Simeon een oude man gemaakt heeft. Je hoeft toch immers ook niet oud te zijn om naar de kerk te gaan ...

Deze Simeon neemt het kind in zijn armen, en hij zegt God. Hij houdt vol vreugde God bij Zijn naam, 0 God, gij zijt toch de God waarop ik niet vergeefs mijn vertrouwen heb gesteld, niet tevergeefs heb ik uit gezien naar deze dag. Maar als een goede en getrouwe jood, durft hij God ook wat te vragen. Niet alleen is zijn vreugde groot dat hij Jesus in zijn armen nemen mag. Maar wat moet er nu gebeuren. Jesus is in de tempel, 0 grote vreugde. Wij weten dat Jesus in het huis van Zijn Vader moet wezen! Maar de vraag van Simeon is, moet Jesus daar altijd blijven? Krijgen de mens en die niet in Jerusalem wonen, krijgen de andere mensen Hem niet te zien? Moet Hij altijd in de tempel blijven? Hoe kan Jesus zo de knecht van God, de dienaar des Heren zijn, als Hij alleen, en alleen maar in de tempel zou verblijven, en zo verborgen voor velen? Daarom zingt Simeon ook zijn lied, niet alleen voor zichzelf, maar uiteindelijk voor ons allemaal. In dat lied vraagt hij ook dat God Zijn dienaar Jesus, de knecht Gods, ook losmaakt, bevrijd als het ware uit de tempel, om al de woorden te vervullen, die over Hem geschreven staan, dat Hij alles mag vervullen in de vrede Gods.

De eerste regels van het voortreffelijke gezang van Simeon, slaan zeker niet alleen op Simeon, die meent dat hij nu rustig heen kan gaan, nu gerust kan sterven, integendeel. Die woorden slaan op Jesus, de dienaar. Het is een bede om te vragen dat ook Jesus buiten de tempel, in het leven van alle dag, Zijn zegenrijke werk, Zijn messiaanse opdracht ook buiten de tempel mag vervullen, met het oog op de vrede in de wereld. Als Hij er is tot verlichting van de heidenen, en als Hij is de glorie van Israel, laat dat Licht dan ook stralen in de wereld rondom het heiligdom, rondom Jerusalem. Want zo willen wij toch ook immers zijn, niet alleen volgelingen van Jesus in de kerkelijke samenkomst, maar ook daarbuiten. Hoe vele malen horen we immers mensen, grote mens en zeggen dat het niet allen maar zit in het naar de kerk gaan. En ik onderschrijf dat van harte. Maar hoe het na die opmerking door moet gaan, is mij ook vele malen een raadsel. Maar deze Simeon zegt ook dat deze Jesus, voor velen zal zijn tot val, en opstanding in Israel, en een teken dat zal worden tegengesproken. Vele mens en zullen Hem niet alleen links laten liggen, zij zullen aanstoot aan Hem nemen, en daarom zal een zwaard van droefheid door Maria' s ziel heengaan! Dat zal ook gebeuren omdat Jesus niet in de bescherming, in de beschutting van de tempel blijft.

Er is nog iemand in de tempel aanwezig. Zij is een profetes, en zij heet Anna. Zij heeft haar naam, Anna, mogen lenen aan de moeder van Maria, aan moeder Anna. Zij is voortdurend in de tempel, alle dagen en nachten, zij bidt en zij vast, en zij dient God dag en nacht. Zij is de profetes, en zij verkondigt aan ieder die het horen wil, aan eenieder die de tempel bezoekt, en zij spreekt erover tot allen, zij spreekt van Jesus, en dat niet alleen.  Zij spreekt ook van de bevrijding van Jerusalem.

Nu Jesus daar is, en nu de tempel door Hem is geheiligd gloort de bevrijding, een bevrijding die allereerst in Jerusalem zal kunnen worden gezien. Wij weten hoe de bevrijding in Jerusalem gekomen is, de machten die Jesus ter dood hebben gebracht, die Hem hebben overgeleverd aan de heidenen om gekruisigd te worden, hebben niet het laatste woord gehad. Jesus is opgewekt uit de doden. Zo heeft Hij laten zien, de bevrijding van alles wat ons kan bedreigen, zo kunnen wij het aan, en zo komen we hier van week tot week bijeen, om elkander te sterken in onze toewijding, om in te staan voor elkaar, want hier sterken wij ons aan de maaltijd die de Heer voor ons heeft bereid. Het zijn de tekenen, brood en wijn, van het koninkrijk dat komt, een koninkrijk van vreugde en bevrijding, een koninkrijk waar alle traan zal zijn afgewist, en alle leed geleden. Daar bereiden wij ons op voor, met elkaar, en een ieder wil laten zien, hoe hij of zij, groat of klein deze verwachting koestert in de dagen die ons geschonken zijn. Zo geve God!

 

Spaarndam 4-5 februari 1989
Isaia 6,1-8
Lucas 5,1-11

In de voortgaande lezing van het evangelie naar Lucas staan we vandaag met de menigte aan het meer van Galilea. De menigte dringt aan, verdringt zich om Hem, want zo staat er zij willen horen het woord van God. Het staat er zonder veel omhaal: het woord van God. Het is een van die uitdrukkingen die we menen te verstaan als niemand naar de betekenis ervan vraagt. En voor we het weten wordt die uitdrukking "het woord van God" door ons verstaan als verheven spraak, die met vroomheid van doen heeft; een woord dat van alzo hoge komt, van alzo vere; een woord dat boven de werkelijkheid van alle dag uitgaat; een woord waarvoor we ons op moeten maken,- moeten opstaan - om het te kunnen verstaan; een woord dat in de kerk thuis hoort, en waar we daarbuiten bijna niets meer mee kunnen doen. Een woord bovendien,- het woord van God, - dat we ook niet goed kunnen invullen. Wat is het woord van God?

Wie ietwat vertrouwd is met de schriften weet dat het woord van God meer is dan alleen maar een toespraak van verheven allure. Wie de schriften kent, weet dat het woord van God ook gelezen kan worden als de toezegging van God, de belofte van God, zijn aanwijzing, ook de wijze waarop Hij de weg wijst, toekomst opent, de weg wijst naar het land van beloften, de weg wijst naar zijn koninklijke heerschappij, uiteindelijk hoe God de weg wijst naar Sion, naar Jerusalem het hart van het land van beloften, de plaats waar Hij Zijn Naam zal openbaren. Daarom kan de evangelist ook schrijven: dat de menigte op Hem aandringt, en de scharen zich om Hem verdringen om die beloften Gods, die toezeggingen Gods uit Zijn mond te horen. Maar ook dit kan nog veel te algemeen zijn. We moeten ons immers ook afvragen waarom Lucas hier niet verteld hoe Jesus, als de menigten op Hem aandringen, die beloften van God vertolkt, en waarom Lucas op het eerste gehoor niet verteld welke weg de mens en die Hem willen horen moeten gaan?

Daarbij komt: het woord "aandringen" "opdringen" komt in het evangelie van Lucas nog één keer meer voor, en wel in de lijdensgeschiedenis: Zij drongen aan, met groot geroep dat Hij gekruisigd zou worden (Luc23, 23). Welke huiveringwekkende verbinding wordt er zo gelegd?

We moeten ons derhalve ook hoeden dat we dit tafereel van vandaag ons niet te idyllisch, al te idyllisch voorstelen. het is meer dan een dagje naar het strand! En er is ook meer aan de hand dan dat Jesus het scheepje van Petrus alleen maar beschouwd als een beter soort preekstoel, een welkome gelegenheid om allen die op Hem aandringen, die Hem verdringen, die Hem te na willen komen op een afstand te houden.

Wat leert Jesus eigenlijk? Dat horen we niet. Om het duidelijk te zeggen: Jesus leert zichzelf, het hele evangelie, alle verhalen leren ons niets anders dan Jesus. Hij is de profeet van zij eigen profetie, de leraar van zijn eigen leer. En daarom moeten we ook zo goed opletten en horen, hoe de verhalen geschreven zijn om ons duidelijk te maken wie Hij is, en wat Hij zo leert. Zijn leer is derhalve, zijn belofte, zijn aanwijzing van de weg, dat Petrus te horen krijgt: Steek af naar het diepe, kies het ruimte sop, en werp uw netten uit. Dat leert Jesus, dat is zijn concrete verkondiging van het Woord van God, van Gods toezegging. Want is er ook geen parabel overgeleverd waarin verteld wordt: het koninkrijk der hemelen kan worden vergeleken met een net, geworpen in de zee, dat allerlei soorten van vissen samenbrengt (Matt 13,47)? Daar gaat het om! Petrus geeft hier wellicht het goede antwoord. Meester, hoewel wij de gehele nacht gevist hebben, en niets hebben gevangen, zal ik toch op uw Woord de netten uitwerpen. Het woord van Jesus, dezelfde Jesus uit wiens mond de menigten het woord van God willen horen, doet Petrus ingaan tegen alles wat zijn vissershart hem ingeeft. Op uw woord zal ik de netten uitwerpen. En zonder veel omhaal gaat de tekst verder: en toen zij dat gedaan hadden, vingen zij een grote menigte van vissen, veel, en de netten scheurden. Dat laatste: een meevaller, een tegenvaller? Ze hebben hulp nodig van het andere schip, en zij vullen de schepen die bijna zinken.

Toen Petrus dat zag, zeide hij: Heer ga weg van mij want ik ben een zondig mens. Ook dit woord vraagt erom ernstig genomen te worden. Niet in de zin dat wij ons zouden moeten afvragen welke zonden Petrus zou hebben kunnen gedaan, om als toeschouwer onze nieuwsgierigheid te bevredigen. In de aanwijzing van Jesus, het diepe op te zoeken, en daar de netten uit te werpen, ontdekt Petrus hoe hij los moet geraken van wat hem vanzelfsprekend lijkt: de hele nacht hebben wij gevist en niets gevangen. Er wordt op die manier een indrukwekkend beeld opgeroepen. Want we hebben het gehoord in het evangelie. Het verhaal wordt ook verteld opdat er gezegd kan worden van nu af aan zult gij mensen vangen. Op het woord van Jesus worden mens en bijeengebracht, mensen verzameld, mensen geroepen tot de broederschap. En wellicht zijn we daarom zondige mensen omdat we dat uit het oog driegen te verliezen, telkens weer, vastgeroest als we zitten in eigen waan en eigen bekrompenheid, eigen verlegenheid, en eigen onmacht, net bij machte om gevestigde belangen te doorbreken. Vol aandacht voor onszelf, en ternauwernood voor anderen. Maar in het evangelie van vandaag kunnen we horen wat er mogelijk is, als het bekende patroon doorbroken wordt.

Zo kan ook wellicht duidelijk worden waarom Jesus wijst op de diepe zee. Petrus is een visser, hij kent de geheimen van het water, en blijkt die geheimen nog niet te kennen. Daar waar hij de weg meende te weten, zijn andere mogelijkheden verscholen. Hij kent de geheimen van het water, de doodsdreiging van het water eveneens. Hij weet dat het water een gevaar kan zijn, en dat mensen niet als vissen in het water kunnen leven, dat zij in het water niet in hun element zijn. Nu mag hij het geheim ontdekken, en wij met hem, dat op Jesus woord wij mogen instaan voor elkaar. Dat wij verantwoordelijk voor elkaar mogen zijn op het woord des Heren. Zo staat er van die eerste vier geschreven: en zij verlieten alles en volgden Hem. Want Hij gaat de weg, en door die weg te gaan wijst Jesus de weg. Door die weg te gaan die voeren zal tot in Jerusalem verkondigt Hij het woord van God. Zo maakt Hij alle beloften waar. Zoals Paulus zeggen zal dat in Hem alle beloften Gods "ja" geworden zijn. In het evangelie van Lucas zal Jesus het Onze Vader aan zijn leerlingen leren bidden op weg naar Jerusalem, met die stad op de berg voor ogen. Zo kunnen wij het onze vader ook vandaag weer bidden met elkander, als een gehoor geven aan het woord van God, als een gehoor geven aan zijn beloften, vertrouwend op zijn toezeggingen. Zo bidden wij omdat wij Jesus op zijn weg hebben zien gaan, omdat wij de moed hebben de hoge zee op te zoeken, om de komst van zijn koninkrijk. Zo bidden wij ook dat wij elkander van harte kunnen vergeven. Daarom geven wij elkander de hand van de broederschap, als broeders en zusters, want wij kunnen zo met elkander eten en drinken de tekenen van het koninkrijk dat komt. En zo is de Heer temidden van ons, Hij die onze verwachting draagt. zo wachten wij op zijn grote openbaring, zijn komst in heerlijkheid. ZO geve God!

 

Vijfde zondag door het jaar

9 februari 1992

Jesaja 6,1-8
1 Kor 15,1-11
Luc 5,1-11

 

Een indrukwekkende tekst, de roeping, het roepingsvisioen van Jesaja, de profeet. We horen in deze lezing wat we horen te zingen als wij hier bijeenkomen. Vandaag horen we voorlezen waar wij het Sanctus voor de eerste keer hebben vernomen. In Jesaja horen wij voor het eerst de Serafijnen zingen: Sanctus, sanctus, sanctus, Dominus, Deus, Sabaoth, heilig, heilig, heilig  de Heer, de God van de hemelse legerscharen. Heel het land is van Zijn heerlijkheid vervuld ... wij hebben deze zang in de liturgie nog uitbundiger leren zingen, want wij zingen nu: hemel en land, hemel en aarde, niet alleen de aarde zijn vervuld van Uw heerlijkheid, Hosanna in den Hoge, Gezegend Hij die komt in de naam des Heren, Hosanna in den hoge! Zoals het zo dikwijls gaat, zijn wij vergeten waaraan wij deze zang hebben ontleend, maar vandaag worden wij eraan herinnerd. De tekst zegt dat het geschiedde in het sterfjaar van koning Uzzia. Dat is heel voorzichtig uitgedrukt, het is het jaar waarin Uzzia zich vergrijpt aan de tempel, waarin de koning zelf met het wierookvat in de hand de tempel binnen wil gaan, om zo de tempel te vullen met de wierook die hij doet opgaan. De priester verhindert het hem, en koning Uzzia wordt melaats, een uitgestotene, afgesneden van zijn volk, een dode. In dat jaar wordt aan Jesaja getoond wie degen is, op de troon gezeten, en wie degene is die de tempel vult, vervult. Daar komt geen aardse koning, geen aardse machthebber aan te pas.

De Heer zelf verschijnt gezeten en op een verheven troon, Hij vult de tempel. En zijn zingend hof kan dat alleen maar bevestigen in een niet aflatend heilig, heilig, heilig ... En met de ervaring van Uzzia in het hoofd, roept Jesaja vol vertwijfeling uit, met zijn onheilige lippen: wee mij, want ik heb de Koning, de Heer der heirscharen aanschouwd. Dat God Koning is, horen we hier op een plechtige wij ze voor de tweede maal in de schriften. De allereerste maal horen we het, als wij met Pasen zingen het lied van Moses als de beloften gedaan worden, als land in het vooruitzicht wordt gesteld, en als er geprofeteerd wordt: gij zult uw volk inbrengen en planten op de berg van uw erfenis, op de plaats welke gij gemaakt hebt tot uw woning, het heiligdom dat uw handen hebben gesticht, 0 Heer, want daar zal de Heer in eeuwigheid Koning zijn, voor altijd.

Dat is evangelie ten top, blijde boodschap op haar best. God zal Koning zijn in Sion! En vandaag ziet Jesaja de voltooiing, de vervulling van die profetie, want de heerlijkheid des Heren vervult de tempel, zo is God Koning in Sion, op de plaats die Hij heeft uitverkoren. Dante heeft Jesaja genoemd evangelista veteris testamenti, terecht de evangelist van het oude testament, want hij heeft mogen beschrijven wat hij heeft gezien. De lippen van Jesaja worden gereinigd met vurige kolen, en als zijn lippen zo gereinigd zijn, hoort hij de Heer vragen wie zal Ik zenden, en we horen het antwoord van de profeet: zie, hier ben ik, zend mij ... Het moge duidelijk zijn, waartoe Jesaja wordt gezonden. Hij wordt gezonden om het koningschap van God te verkondigen, om die koninklijke heerschappij bekend te maken, tegen alle andere pretenties in, tegen eenieder die meent dat koningschap te kunnen betwisten. Hij hete Uzzia, of drage een andere naam! Buiten deze koning is er geen sprake van koningschap ...

Het is vreemd, merkwaardig dat wij blijkbaar niet mogen horen, het staat althans niet in ons boek, afgedrukt hoe die opdracht aan Jesaja luidt. Het is ook onthutsend, ontstellend als we het horen. Want ook wij denken maar al te gemakkelijk, dat koningschap van God, is dat wel zo alomvattend, kan het niet wat minder, moet het zo vervullend, zo alvervullend zijn zoals wij in de kerk zijn gaan zingen: de hemel en de aarde zijn vol van uw heerlijkheid? Kan het echt niet wat minder, blijft er dan niets over voor onze koninkrijkjes of onafhankelijke republiekjes? Is die boodschap van Gods Koninkrijk wel reëel. Wij kennen toch een andere realiteit, de werkelijkheid van alle dag, telt dat niet mee, telt niet mee als wij zeggen maar dat is de realiteit? Die werkelijkheid waarin wij vooruit willen komen, carrière willen maken, en God weet ten koste/ten bate van wie?

Wij horen hoe de profeet gezonden wordt. Die woorden zijn even onthutsend als onze zogenaamd beroep op de werkelijkheid. De boodschap die Jesaja zal moeten verkondigen zal blijken aan dovemansoren te zijn gezegd. Ga heen, en zeg tot dit volk horende zullen jullie horen, maar niet verstaan, ziende zullen jullie het zien, maar er geen acht op slaan. Maak het hart van dit volk vet, maak hun oren zwaar, sluit hun ogen opdat zij niet zien met hun oren, en ook niet met hun oren zullen horen, evenmin zullen zij het met hun hart verstaan, zij zullen zich niet bekeren, hoe kan Ik hen genezen? Is het dan maar beter om deze woorden niet voor te lezen. Gooit de lieve Heer op die manier zijn eigen ruiten niet in? Is dat het laatste woord van de Koning der heirscharen, de koning die de hemel en de aarde vervult met zijn heerlijkheid? Is dat het laatste woord? De profeet wil dat ook niet geloven. En hij vraagt Hoe lang, Heer? Want dat kan toch niet eeuwig duren, waar blijft u dan met u weergaloze trouw, waar blijft u met uw grandioze beloften? En dan horen wij hoe lang die verblinding duren zal. Die verblinding, die verdoving, die verharding van het hart zal duren, totdat de steden zijn verwoest, zodat er geen inwoner zij, en de huizen zodat er geen mens en meer in zijn, totdat het ganse land verstoord zal zijn. Maar een tiende deel zal er zijn, een tiende deel zal zich bekeren, en zal terugkeren.

Dit klinkt onheilspellend, wanhopig wellicht. Is God, de Koning zo? Moeten wij zo nadenken over de Koning der heirscharen, waarvan de heerlijkheid de hemelen de aarde vult. Of mogen we het anders zeggen: zal Hij toch Koning blijken te zijn, toch de Heer der hemelse machten ook als al onze pogingen zelf orde te stellen op aarde op een grote mislukking zijn uitgelopen. Kunnen we ook hierin niet horen dat zolang wij menen dat wij het zelf wel kunnen organiseren, zelf wel kunnen uitzoeken, en geen beroep doen op Gods Naam, geen getuige willen zijn van Zijn heerlijkheid dat wij dan zelf zullen zien waarop onze orde uitloopt, een orde die toch ternauwernood geïdentificeerd kan worden met de heerlijkheid van Gods koningschap. Hoe horen wij die boodschap, die blijde boodschap dat God koning is? Koning over de ganse aarde, en wij allen weten hoe wij grenzen trekken, grenzen hebben getrokken, onze eigen heerlijkheid afbakenen, en beschermen tegen anderen, die ook moeten leren bidden om de komst van Gods Koninklijke heerschappij Het evangelie van vandaag, geeft een prachtige illustratie van hetgeen bij de profeet geschreven staat. De menigte dringt aan om het woord te horen, maar dat woord aandringen heeft ook een onheilspellende klank, want dat woord aandringen komt in het evangelie van Lucas nog een keer meer voor, in het lijdensverhaal. Zij dringen aan met groot geroep dat Hij gekruisigd zou worden (Luc 23,23), Het is daarom maar de vraag of we hier van doen hebben met een idyllisch tafereel. Ja, ze dringen aan om het Woord van God te horen. Maar wat willen zij horen? Welke belofte Gods willen zij zich toe-eigenen, in bezit nemen. Welke beloften willen zij ten eigen bate, ten eigen nutte opeisen? Om de diepte te peilen van de beloften Gods, van Gods woord moeten de leerlingen weer terug gaan naar de zee. Om te eten wat de belofte is, moeten zij zich gewonnen geven aan het woord van Jesus, die ervaren vissers, voor wie zogenaamd de zee geen geheimen heeft, zij hebben immers de gehele nacht gevist, en niets gevangen? Weet Jesus het soms beter? Kent Hij de diepste achtergrond, de diepste achtergrond, hoewel Hij toch geen visser is, maar een timmerman? Zij vangen, tegen alle menselijke verwachtingen in, een grote menigte vissen, de netten scheuren, en de boten dreigen te zinken. Op dat moment zegt Petrus: Heer ga weg van mij, want ik ben een zondig mens. Ook die opmerking van Petrus geeft te denken! waarin is hij een zondig mens? Misschien mogen we het zo zeggen, hij is bij de oppervlakte blijven staan, bij het voor de hand liggend, hij heeft wat er in het diepe schuil gaat ternauwernood wilen vermoeden. Als hij zich daaraan overgegeven heeft, blijkt zijn oppervlakkigheid, als hij zijn vertrouwen gegeven heeft aan het woord van Jesus, bemerkt hij vol ontzag dat hij daarmee in een heel andere wereld gekomen is, dat hij overgegaan is van die wereld van eigenwijsheid, van zijn visserslatijn naar de betrouwbaarheid van Gods woord, van de betrouwbaarheid van het koninkrijk van God, en daarom, zo veranderd, zo bekeerd, kan hij mensen vangen, mens en meeslepen op de weg van het koninkrijk. wij komen hier bijeen van week tot week om die geheimen te vieren, met elkaar, om elkaar te sterken, te bevestigen in die gemeenschap, in die broederschap. Hier komen wij tezamen, rand die ene tafel, waaraan de tekenen worden gedeeld van dat Koninkrijk, waarvan wij verwachten, dat het komt. Ook om elkaar te streken geven wij elkaar de rechterhand van de gemeenschap: zo geve God!

 

 

Zondag septuagesima
16 februari 1992

Jeremia 17,5-8
1 Kor 15,12.16-20
Lucas 6,17.20-26

 

Vandaag horen wij een evangelieverhaal waar wij onze verbeelding de vrije loop kunnen laten gaan. De evangelist geeft ons enkele aanwijzingen, geeft regieaanwijzingen om het verhaal met zijn geheimen te kunnen verstaan. Jesus daalt de berg af! We zien Hem komen van boven naar beneden, van al zo hoge van alzo veer. Hij komt bij ons. Hij vindt het de moeite waard af te dalen, bij ons te komen. Hij daalt van de top van de berg af, en staan op een vlakke plaats, op een plaats waar al een grote menigte vol verlangen op Hem staat te wachten, een grote menigte van geheel Judea en Jerusalem, en mensen van de zeekant van Tyrus en Sidon, van alle kanten waren zij gekomen, vol spanning om Hem te horen, vol verwachting ook om van hun ziekten te worden genezen, vol spanning ook wordt Jesus tegemoet gezien ook door degenen die door boze geesten worden gekweld, want Jesus zal hen bevrijden. En zo schrijft de evangelist: de hele menigte probeerde Hem aan te raken, want er ging een kracht uit van hem, en Hij genas hen allen! Hoe hoog moeten de verwachtingen wel niet gespannen zijn als er zo geschreven kan worden over Jesus die bij ons komen wil, die afdaalt van de berg. Die verwachtingen zijn zo hoog gespannen, dat wij ons afvragen of die verwachting wel zo hoog gespannen kan zijn, of ook dat niet te veel van het goede is, of wij nuchtere Nederlanders dat wel aankunnen.

De mensen proberen Jesus aan te raken, want er ging kracht van Hem uit en Hij genas hen allen. We zijn geneigd om te denken dat heeft niet waar kunnen zijn, zo is dat niet gegaan, dat hebben die mensen in die tijd alleen maar gedroomd, zo iets wonderbaarlijks kan toch immers niet gebeuren. Heeft iemand van ons dat ooit zo gezien. Misschien worden die verzen daarom ook maar weggelaten. Maar dat is een gemakkelijke oplossing, te gemakkelijk. Want we mogen ook weten, dat de evangelist zijn evangelie niet schrijft om ons te vertellen wat er ooit, toentertijd gebeurd is. Hij schrijft zijn evangelie ook om verwachtingen te wekken, en hoop te koesteren, om een toekomst open te hoeden. Om ons niet neer te leggen bij de werkelijkheid van alle dag, een werkelijkheid die wel zeer nabij is, maar die het laatste woord niet wezen kan. Er is meer, en wat zal er kunnen gebeuren als de Zoon des Mensen komt in de laatste dagen, als alles aan Hem zal zijn ondergeschikt, wanneer aan Hem alle macht gegeven zal worden in de hemel en op de aarde, als het gebed zal zijn verhoord uw wil geschiedde in de hemel en op de aarde. Hoe zullen wij dan niet hopen om dichtbij Hem te mogen zijn, en Hem te kunnen aanraken, om deel te mogen hebben aan die genezende wereld, die Hij dan stichten zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

De woorden van de evangelist hebben veel meer betrekking op het zogenaamde laatste oordeel, zij zien meer op de toekomst dan op een lang vervlogen verleden, het is meer profetie dan geschiedenis. Als de Zoon des Mensen zal komen en al zijn engelen met Hem, dan zullen alle volkeren worden verzameld voor Hem, dan zal Hij komen om te oordelen de levenden en de doden. En wij weten dan zal Hij scheiding maken tussen de bokken en de schapen, tussen de mensen die links van Hem zijn gesteld, en degenen die aan Zijn rechterhand mogen staan. Zo staat het beschreven in het evangelie van Mattheus. Lucas beschrijft dit op een andere manier. Lucas beschrijft dat hier. Daarom klinken de woorden van Jesus op deze zondag zo hard. Zalig de armen, en wee u rijken. We moeten goed proberen te begrijpen dat het hier gaat om het laatste oordeel, niet om het voorlaatste oordeel. We moeten goed begrijpen dat we het bij het laatste oordeel niet zo ver moeten laten komen dat dat bij het laatste oordeel over ons wordt gezegd, en uitgesproken. Want we weten wat in de Bijbel een rijke is. Een rijke is iemand die zegt: Ik ben rijk, ik heb mij verrijkt, en ik, ik heb niets of niemand nodig. Voor zo iemand zal het laatste oordeel niet aanlokkelijk zijn. Want iemand die zegt dat hij niets of niemand nodig heeft, dat hij wel voor zichzelf kan zorgen, zonder rekening te houden met anderen, hoe zal deze rijke verlangend uitzien naar de komst van de Zoon des Mensen, hoe zal deze rijke vertrouwen hebben in degene aan wie alle macht gegeven is in de hemel en op de aarde? Vandaar dat deze teksten in het evangelie staan niet om ons een huiveringwekkende toekomst te schilderen, maar om te voorkomen dat het er zo aan toe zal gaan, dat de rijke zich bezinnen zal, zich bezinnen over de wijze waarop hij rijk mag zijn, en dat hij/zij zich niet neerlegt bij dat onheilspellende ik ben rijk, ik heb mij verrijkt, en ik, ik heb niets of niemand nodig. De arme is eerder aangewezen op de gemeenschap, op zijn broeder, want staat er van de arme niet geschreven: wanneer een arme arm gemaakt is door zijn broeder. Een arme is in de schriften iemand die niemand heeft, die alleen maar een beroep kan doen op anderen, iemand die daarin wordt gekleineerd, er onder wordt gehouden, met redenen van welke aard ook. Hem wordt in het vooruitzicht gesteld dat ook dat het laatste woord niet wezen zal, niet wezen kan, want van die armen zal zijn het Koninkrijk Gods. Het zij verre dat hier een vaststaande tweedeling in de maatschappij zou worden verkondigd, in de trant van je hebt nu eenmaal armen, en onvermijdelijk zijn er ook rijken. Als je voor het bekende dubbeltje geboren bent maar dat fatalisme mag niet gelden in de gemeenschap van degenen die Jesus verwachten, die verlangend uitzien naar de komst van de Zoon des Mensen. Wij worden zalig geprezen als de mensen ons haten, wanneer zij u uitstoten, en smaden, en UW naam als kwaad verwerpen, terwille van de Zoon des Mensen. Deze zinnen snijden even diep in het vlees, als de zinnen dat allen probeerden om Jesus aan te raken om genezen te worden. Ook deze zinnen hebben betrekking op het oordeel ten laatste. ten laatste als wij de Zoon des Mensen verwachten, zullen we geen beroep kunnen doen op de zogenaamde eer die wij hier hebben genoten, de achting waarop wij ons hebben laten voorstaan. Wij zingen hier van week tot week als wij dan eten van dit brood, en als wij dan drinken van deze beker, verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt. In de verwachting van de komst van de Zoon des Mensen komen wij hier bijeen. En dat verplicht, dat is ook zo nemen wij de verplichting op ons te proberen te leven vanuit die verwachting, want zo weten wij wat ons te doen staat. Als wij niet onder het verdict willen vallen van het laatste oordeel, Is wij niet veroordeeld willen worden. De maatstaf waarnaar wij zullen worden geoordeeld is bekend, wij kunnen er wat aan doen. In een ander evangelie, dat van Mattheus staat het zo, indrukwekkend geschreven: wat gij aan de minsten van Mijn broeders hebt gedaan, dat hebt gij aan Mij gedaan. Dat is het wat wij hier van week tot week oefenen, in onze godsdienstoefening, als wij samenkomen. Het wonderlijke is dat wij om dat te oefenen samenkomen rondom een tafel, waar wij allemaal eten van hetzelfde brood, en waar wij drinken uit dezelfde beker, zonder rang of stand, zonder onderscheid. Als wij samenkomen, bidden wij ook, doen wij een beroep op onze lieve Heer, doen wij een beroep op het vertrouwen dat Hij, de lieve Heer, nog steeds in ons, in deze gemeenschap stelt. In de vertaling in ons boekje gegeven, zouden we kunnen zeggen let niet op mijn zonden, maar op het geloof van uw kerk. Ik denk dat we hier bescheidener moeten bidden, dat we hier daarom met groter vertrouwen kunnen bidden: let niet op mijn zonden, wij allen, wij hier verenigd, als gemeenschap wij doen een hartstochtelijk beroep op uw trouw, op het vertrouwen dat gij ondanks alles nog steeds in deze gemeenschap, ook in de gemeenschap hier stelt. Bij dat vertrouwen willen wij schuilen, wij willen vertrouwen hebben in de trouw van God niet in eigen vermogen, niet in eigen heerlijkheid. Als wij ons daaraan toevertrouwen, en aan elkaar: wie zal ons scheiden van de liefde die God ons toedraagt.

Zo geve God!

Ben Hemelsoet

 

Zondag sexagesima 1 Sam 26,2-31

23 februari 1992

Luc 6,27-38

 

Maar Ik zeg tot u, tot degenen die horen, zo schrijft Lucas in zijn evangelie. Hier worden verstrekkende woorden gebruikt, woorden die verder reiken dan alleen maar: tot u die naar Mij luistert ... Het werkwoord horen heeft alles te maken met de geloofsbelijdenis die de vrome Jood tweemaal er dag zegt, om zo de opdracht te verwezenlijken, geschreven in psalm I, waar de mens zalig geprezen wordt, die het onderricht des Heren overweegt, dag en nacht. Die , s avonds en 's morgens de belijdenis op de lippen neemt Hoort Israel, de Heer onze God, is een enige God, Hij is enig, uniek! Degenen die weten, die weet hebben van dit gehoor geven, die zich geborgen weten in die gemeenschap van Israel, in die gemeenschap van hoorders, van degenen die zich toevertrouwen aan die enige God, die unieke, weten wat daar de consequentie van is. Hoor Israël, Gij zult de Heer uw God liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel, en al uw krachten. Wij weten dat daar in een adem aan toegevoegd moet worden, en gij zult uw naaste beminnen, liefhebben als uzelve. Maar hoor hoe dit in het evangelie van vandaag wordt opgepakt, opgenomen, heel concreet, heel toegespitst: hebt uw vijanden lief, doet wel aan degenen die u haten, zegent degenen die u vervloeken, en bidt voor degenen die u geweld aan doen. En zo wordt het allemaal samengevat: weest barmhartig, zoals uw hemelse Vader barmhartig is. Dat laatste: weest barmhartig zoals uw hemelse vader barmhartig is, is het hart van de Bijbelse verkondiging. Het wordt in verschillende toonaarden gezongen. In de boeken van Moses heet het: weest heilig, zegt tot de kinderen van Israel, tot de ganse gemeenschap: gij zult heilig zijn, want Ik, de Beer uw God, ben heilig, en Mattheus, de evangelist zal het zo zeggen: weest volmaakt zoals uw hemelse Vader volmaakt is, en Lucas zal het samenvatten, en concentreren op de barmhartigheid. Zo komt dat woord maar eenmaal voor in de evangeliën. Maar ook in de geschriften van Moses wordt er heel voorzichtig mee omgegaan. Het is ook niet niets. Barmhartig zijn voert zoveel met zich mee, echt respect hebben voor een ander, echt de andere, de naaste in zijn waarde laten, niet uit de hoogte, en waarom omdat God zich heeft aangetrokken al wat klein is en gekleineerd, al wat vernederd is geworden, al wat arm is gemaakt. Het heeft er alle schijn van dat we deze eigenschappen misschien nog wel onze kinderen willen voorhouden, maar we zijn 0 zo benauwd dat wij elkander daaraan zouden houden. Maar barmhartig is een van de namen waarmee God wordt aangeroepen want de Heer onze God is een barmhartige God, Hij zal u niet verlaten, noch u in het verderf storten; Hij zal het verbond dat Hij gesloten heeft met uw vaderen, niet vergeten. Als de Naam des Heren wordt aangeroepen, wordt uitgeroepen in de oren van Moses, als God zelf Zijn

 

grote Naam uitroept ten aanhoren van Moses, dan hoort Moses, de Heer, de Heer is God, barmhartig en genadig.

Het lijkt er dikwijls op of wij daar bang voor zijn geweest, als wij spreken over God, zelfs als wij spreken tot God, als wij bidden, gebruiken we liever, naar het schijnt grote, overweldigende woorden. WE speken dan van eeuwig en almachtig, alwetend en alomtegenwoordig. Woorden die ons verstand te boven gaan, niet alleen ons verstand, maar ook ons voorstellingsvermogen. We denken dat wij God daarmee in zijn waardigheid laten, wij denken dat wij Hem daarmee eren. Maar door Hem zo te noemen hebben wij Hem zo ver van ons af geplaatst, zover, dat wij ternauwernood in Zijn nabijheid kunnen komen. Laat staan dat wij zo in staat zouden zijn om hem na te volgen en van Hem te getuigen. Want hoe zouden wij getuigen van Hem die almachtig is, en alomtegenwoordig, alwetend en almachtig? En ook als wij belijden dat Hij almachtig is, wat bedenken wij daarbij? Kan Hij alles, kan Hij maken wat hij wil, en kunnen wij dat zien? Dat God almachtig is, om die woorden te gebruiken, is een verachting, een hoop. Op het einde van de tijden, in het laatst, ten einde raad zal blijken dat Hij machtiger is dan wij ons kunnen voorstellen, maar in deze dagen, waarin wij van Hem getuigen mogen, toont Hij zijn almacht door barmhartig te wezen. Zijn almacht toont zich in zijn barmhartigheid, want Hij is niet als die verpletterende machten die wij kennen op deze aarde, als die machten die anderen hun plaats wij zen, die machten die heersen willen, de grootste, de sterkste willen zijn. Die barmhartigheid is in volle glorie, ja in volle heerlijkheid aan het licht gekomen in Jesus. Jesus die zichzelve niet heeft behaagd, die zich ten diepste nergens op heeft willen laten voorstaan. Die ten laatste de verzoeking, de bekoring heeft weerstaan, geen weerstand heeft geboden: indien gij de Zoon van God, zijt daal af, en kom van het kruis. Hij heeft zich niet verdedigd, Hij heeft zelfs Zijn grote naam van Messias niet als hitteschild gebruikt.

In die barmhartigheid kunnen wij hem navolgen, want barmhartigheid bestaat niet uit krachtpatserij. Daarom hebt uw vijanden lief, en doet wel aan degenen die u haten. Vele malen vragen wij ons af of het evangelie, de blijde boodschap dat God koning is, niet iets concreter zou kunnen zijn. Maar u weet ook hoe het gaat, zodra het concreet wordt, en echt concreet, echt to the point, dan trekken wij terug, beginnen te stamelen, voeren als excuus de realiteit aan, de werkelijkheid van onze dagen, onze overvolle agenda, en sommen wij op wat wij allemaal niet moeten doen, te doen hebben, uit lijfsbehoud, uit eerzucht om aan de barmhartigheid niet toe te hoeven komen of erger nog we schuiven het af, daar zijn anderen voor ... Hoe zullen wij dit verder dragen, dit doorgeven aan de generatie die na ons komt, ook in deze hek van Amsterdam, hoe zullen wij daarover spreken met elkaar op een verwarmende manier, zo dat het aanstekelijk werkt, wervend, innig, ten bate van de opbouw van het lichaam van Christus, de Kerk. Als onze kinderen en kleinkinderen ons zo bezig, of niet bezig zien in de gemeenschap van de volgelingen van Jesus.

Hoe koninklijk heeft David zich gedragen, hoe royaal ten opzichte van zijn vijand, die hem naar het leven staat. En hoezeer is David ervan overtuigd de hand niet te slaan aan zijn vijand, want hij is een gezalfde des Heren! Let wel dat wij dit woord niet reserveren voor de koning alleen, want allen zijn wij ook gezalfden des Heren, wij alleen zijn gezalfd en bezegeld met de heilige Geest, wij allen hebben de Geest ontvangen, en wij allen kunnen een beroep doen op die Geest die levend maakt, die gesproken heeft door de profeten. En daarom verachten wij de vijand niet, integendeel daarom kunnen wij horenl Hoor Israel, dat wij onze vijanden moeten liefhebben en hem zeker niet neerslaan, als hij zwak is en uitgeput onverdedigd en ongewapend. Daarom kunnen wij zingen een nieuw christelijk lied, zingt voor de Heer een nieuw gezang. Een nieuw christelijk lied zoals ons volkslied heet. In het hart van dit lied wordt strofe 8, de middelste zo gezongen:

Als David moeste vluchten voor Saul den tiranl

zo heb ik moeten zuchten met menig edelman.

Maar God heeft hem verheven verlostuit alle noodl

en koninkrijk gegeven

in Israel zeer groot.

 

God heeft hem verheven, David, omdat hij barmhartig is geweest, en hem hoog verheven, verlost uit alle nood. Uiteindelijk zal Petrus daar een beroep op doen bij het eerste Pinksterfeest, om te getuigen dat God de zoon van David niet in de strikken van de dood heeft achtergelaten maar hoogverheven heeft aan Zijn rechterhand. Zo barmhartig is God, en daarom zo almachtig. Dit gedenken wij hier in de eenvoudige tekenen van brood en wijn, hoe groot Gods barmhartigheid is. Hij geeft zich zo te kennen, dat wij vol verbazing ons afvragen mogen: zo? Zo eenvoudig? In de gemeenschap van een tafel, in de hartelijkheid waarmee we elkander mogen bejegenen. Zo geve God!

 

Zondag Quinquagesima

1 maart 1992

 

Psalm 1

1 Kor 15,54-58

Lucas 6,39-45

 

Als eerste lezing hebben we vandaag psalm 1 gehoord, een psalm die we met de kinderen tijdens het godsdienstonderricht lezen, om zo toegang te krijgen tot het gehele werk van de psalmen. Psalm 1 is de psalm waar het geweldige bouwwerk, die tempel, die kathedraal van 150 psalmen mee begint. 150 Liederen waar de echo te vernemen is van al diegenen die gehoord hebben wat geschreven staat in het onderricht, in Moses en de Profeten. In de psalmen wordt op de juiste toonhoogte gezongen, wordt de toonhoogte bepaald waarop de gemeenschap zich rekenschap 1 geven wat geschreven staat tot onze onderrichting, en ons tot troost. In deze eerste psalm is een geweldige beweging te ontwaren. De psalm begint met een zaligspreking: zalig de man, zalig eenieder, iedereen, die niet gaat, die staat, die niet zit. Die beweging zien we voor ons, we zien hoe de beweging stokt, de man gaat niet meer, hij blijft staan, en zit terneer, uiteindelijk zit hij terneer, niet alleen bij de pakken, maar in het gestoelte van de spotters, de mededogenloze, de cynici. En hoe prachtig wordt het beschreven, de zalig geprezene is degene die zo niet doet, een nadere weg wordt beschreven, maar het woord weg wordt niet genoemd. Want een andere beweging houdt deze zalig geprezene gaande. Hij heeft zijn lust in de wet, in het onderricht des Heren, hij overdenkt de wet des Heren, het onderricht dag en nacht. Deze zalige heeft andere bezigheden dan te staan in de raad der goddelozen, andere besognes dan zich te begeven op de weg van de zondaars, en ander vermaak dan te zitten in het gestoelte van de spotters. Hij overdenkt het onderricht des Beren dag en nacht. Nuchter als wij zijn, en doorgaans zijn wij zeer nuchter, zeker als het gaat over de dingen die wij vanuit de schriften horen. Bet moet immers niet te buitenissig worden, het moet gewoon blijven, en we dichten ons als excuus als snel de houding van een gewone man en vrouw toe, we zij immers niets bijzonders, het moet ook niet te vreemd zijn, en als het kan wel reëel.

Hoe zit dat met die overweging van het onderricht dag en nacht? Is dat niet wat overdreven, niet wat erg veel? Het zij u en mij tot troost, wij zijn niet de eersten die die vraag hebben gesteld. Ook in de dagen van Jesus werd die vraag al gesteld, zoals de mens en toen ook al de vraag op hun lippen namen, hoe moeten we voldoen aan het voorschrift: je moet altijd bidden en nooit ophouden. Kan dat wel? Maar gelukkig, ook voor ons, heeft de traditie een antwoord gegeven vol troost en bemoediging. De traditie heeft geweten van de dagelijkse gang van zaken, van de praktijk van het leven, en de traditie heeft geantwoord dat je je door de eerste psalm kunt laten richten als je je houdt aan de praktijk van het morgen- en avondgebed. Om zo het onderricht, en de troost te genieten voor dag en nacht. En wie zich zo daardoor zal laten leiden is als een boom aan waterbeken geplant, die zijn vrucht geeft op zijn tijd: een boom van een kerel. U hoort het: de woorden van gaan en blijven staan, van neerzitten worden niet meer gebruikt. Geen beschrijving meer van een man die slentert langs de wegen, maar het beeld van een boom geplant aan waterbeken, aan waterstromen, een boom die vrucht geeft op zijn tijd.

Op het eerste gehoor is het beeld niet moeilijk, we begrijpen dit beeld. In onze taal is dit beeld ook geplant, gelijk gezegd: een boom van een kerel. Maar op het tweede gehoor, bij nader horen, bij aandachtig luisteren, kunnen bij deze tekst andere vragen worden gesteld. We kunnen ons afvragen hoe die boom daar terecht gekomen is, heeft die boom daar altijd al gestaan, wie heeft er gezorgd dat die boom zo glorieus beschreven kan worden? Oude vertalers hebben het daarom gewaagd om niet te vertalen een boom geplant aan waterstromen, maar om te vertalen een boom overgeplant aan waterstromen. Zij hebben dat gedaan, niet alleen om variatie in de tekst aan te brengen, en nog minder om eens iets anders, meer dan het gewone te vertalen. Integendeel.

De leraren hebben dat gedaan omdat zij geweten hebben van een andere psalm, de tachtigste, waarin gezongen wordt: Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgeplant, gij hebt de heidenen verdreven, en die wijnstok daar geplant. Op die manier wordt die boom van psalm een, de wijnstok die overgeplant is, die overgebracht is uit Egypte. Op die manier wordt die boom van psalm een, een beeld van het volk, van het volk van God dat uit Egypte is bevrijd, en overgebracht is naar het veelbelovende land. Op die manier wordt de psalm ook uitgetild boven de beschrijving van een rechtvaardige alleen, maar staat die psalm als een model voor heel het volk van God. Zo kunnen we met deze psalm de toekomst tegemoet zingen, de toekomst in, want staat er ook niet in die psalm geschreven dat die boom vrucht zal dragen op zijn tijd? Wij kunnen vertalen, en zo is het ook al gebeurd, die vrucht geeft als het tijd er voor is, of: die vrucht draagt in het seizoen. Maar als we deze tekst letterlijk vertalen: die vrucht geeft op zijn tijd, kan de vraag gesteld worden of hier wellicht niet zijn met een hoofdletter moet worden geschreven, of het hier wellicht niet gaat om de vrucht die wij dragen als Gods tijd komt, wie weet wanneer. Dat het niet alleen gaat om onze eigen vrucht, maar dat wij dezelfde vrucht mogen dragen als de goede boom waarvan in het evangelie wordt gesproken, waarvan gezegd wordt dat er geen goede boom is, die zieke vruchten voortbrengt.

Als er in de evangelielezing gesproken wordt van bomen, en van vruchten aan die bomen, dan mogen wij wel weten dat die bomen allemaal te maken hebben met die boom waar in psalm een van gezongen wordt, een boom van een kerel, iemand die de weg gegaan is, door Gods hand geleid, vanuit de duisternis van Egypte naar het licht van het veelbelovende land, van de dag in de nacht, van de dood naar het leven. Van die boom zullen we in de vasten, die nadert, nog zingen.

Er is een prachtig lied, over degenen die de boom des levens gedragen heeft. Dat lied luidt zo: met de boom des levens wegend op Zijn rug, droeg de Here Jesus God goede vrucht; Kyrie, eleison, wees met ons begaan, doe ons weer verrijzen uit de dood vandaan. Zo heeft Jesus die boom des levens gedragen, zo dat Hij met die boom kan worden geïdentificeerd. Hij is die boom die overgeplant is langs brede waterstromen, en Hij geeft vrucht op Gods tijd. Maar in het onderricht van de profeten is Josua al met zijn trekken getekend. In het eerste hoofdstuk van het boek Josua staat het zo geschreven als de Heer zelf Josua nog richtlijnen geeft. Dat het boek van dit onderricht niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht! Hier horen we de woorden die we ook in psalm een hebben kunnen horen.

De rechtvaardige overweegt die woorden van het onderricht dag en nacht, en de tekst van Josua gaat door met de woorden die we ook in de psalm kunnen horen: want dan zult gij uw wegen voorspoedig maken, alles wat gij doen zult zal wel gelukken. Wat van Josua gezegd wordt wordt in volle heerlijkheid in Jesus gerealiseerd, en we kunnen ons voorstellen hoe blij de Grieken zijn geweest met de naam Josua, want als de naam van Josua vanuit het Hebreeuws in het Grieks wordt vertaald, klinkt de naam van Jesus. Jesus degen die gekomen is om het gebouw, het huis van het onderricht niet af te breken, maar die gekomen is om dat gebouw te vullen, wil ook dat wij zorgen dat wij dat gebouw op een juiste, eerlijke manier bewonen, met respect vol elkaar. Het gebouw, het bouwwerk moet goed in elkaar steken, let op het woord elkaar! Het gebouw moet samengehouden worden, samengevoegd zijn, in broederschap, goed gegabberd, het moet opgebouwd zijn uit levende stenen, een opdracht die wij vol trots melden, in steen gegrift aan de buitenzijde van de kerk. Iedereen mag het lezen, zo melden wij het aan iedereen die het wil lezen! Daarom maken wij ons, wat het gebouw betreft, niet over een splinter druk, wij houden het oog, ons timmermansoog gericht op de degelijke constructie van de broederschap, van de gemeenschap, op de hartelijkheid en de barmhartigheid, op het respect en de eerbied, die wij elkaar verschuldigd zijn, want allen hebben wij deel aan het ene brood, en aan de kelk van onze zaligheid. Dat zij de tekenen van het koninkrijk dat komt. zo mogen wij vrucht dragen als wij willen zijn die boom overgeplant uit de duisternis naar het licht, die boom, dat volk van God, dat vrucht draagt in Gods tijd, ook in de tijd die komen gaat, de voorbereiding op Pasen. Zo geve God!

Ben Hemelsoet