| 
De
kerk van Petrus en Paulus in Schaesberg (Landgraaf). In
katholieke kerken zijn vandaag de afbeeldingen van de gekruisigde met een paarse
doek bedekt. Sinds
het begin van de veertig-dagentijd is paars de liturgische
kleur. Het hoort bij soberheid, ingetogenheid. Op 5/6 April begint de passietijd.
Het is de 1e Passiezondag. Over een week is het de 2e Passiezondag, meestal
Palmzondag genoemd. Op Palmzondag wordt de intocht van Jezus in Jerusalem
herdacht. Zie mt 21,1-11 en parallellen. Op sommige plaatsen versieren kinderen
een stok in de vorm van een kruis met brood en feestelijkheden: Palmpasen. Passie,
lijden. De lijdenstijd begint. De gemeenschap van de christenen
in het Westen gaat zich bezinnen op het lijden van de Jezus. Op Palmzondag
wordt twee keer uit het evangelie gelezen. Eerst, bij de wijding van de palmtakken,
het verhaal over de intocht. Daarna, tijdens de dienst van woord en tafel, het
lijdensverhaal van Mattheüs. Veel componisten hebben deze tekst verklankt,
bijvoorbeeld de Mattheüs-Passion van Bach. (Op dinsdag in de Stille of Goede
Week wordt het lijdensverhaal van Markus gelezen, op woensdag Lukas en op Goede
Vrijdag Johannes. Je ziet nu ook waarom dat de mt en joh-passie het meest bekend
zijn.) Het
kruis is bedekt met een doek. Het verhaal gaat als het ware opnieuw gebeuren.
Dat is de essentie van het verhaal, het voltrekt zich wanneer de gemeenschap het
verhaal hoort. Het vertelde verhaal maakt je tot getuige. Het doek is paars
omdat dit de liturgische kleur is. Op Witte Donderdag wordt het laatste Avondmaal
herdacht, de laatste maaltijd die Jezus met zijn leerlingen houdt, de maaltijd
van vrijheid en bevrijding, Pesach. Die avond wordt de instelling herdacht van
het Avondmaal, de Eucharistie en het Priesterschap. Midden in de tijd van droefheid
en rouw is er even de intense vreugde omwille van de gemeenschap die brood en
wijn mogelijk maken. De kleur van de liturgie is wit. Daarom Witte Donderdag.
De kerk is versierd. Ook bloemen zijn er. Het leven komt de kerk in. Daarom zegt
men in het duitse taalgebied: Gründonnerstag. Na afloop van de dienst
volgt de "ontbloting van het altaar". Alles wordt van het altaar afgehaald.
De bloemen, de kaarsen, de doeken. Het kale altaar blijft achter. Het Brood van
de Eucharistieviering wordt uit de kerk weggehaald en apart opgeborgen. Het tabernakel
blijft leeg achter. De kerk is doodstil. De dag van rouw gaat beginnen. De
dienst van Vrijdag bestaat uit de lezing van het evangelie van Johannes, de passie.
De paarse doek wordt plechtig van het kruis afgehaald. Het kruis wordt in de kerk,
vooraan, op de grond neergelegd. Het altaar fungeert bijna als graftombe. tekst
en foto JE 060403 |