|
Preken
gehouden in de kerk van Sint Jan de Doper te Amsterdam
Preken
2009-2010 C-jaar
Preken 2010-2011 A-jaar
Reakties op de teksten zijn altijd welkom bij
janengelen#planet.nl. (Vervang # door @).
Het heeft geen
zin een preektekst te lezen wanneer je niet eerst de daarbij horende bijbelteksten
gelezen hebt.
De Sint Jan de
Doper vindt U Pastorie : Poeldijkstraat 8, 1059 VM Amsterdam.
De Poeldijkstraat is een zijstraat van de Heemstedestraat, ter hoogte
van de Ringbaan.
Het is een kleine litugische gemeenschap. We proberen zoveel mogelijk
samen te doen.
Onze vieringen zijn op zondag om 10.30.
U zult merken dat U van harte welkom bent.
Als U uit de stad
komt met tram 2: de eerste halte na het Hoofddorpplein.
12 februari - Zesde
zondag door het jaar - Sint Jan de Doper, Amsterdam
Leviticus 13, 1-2.45-46; Marcus 1, 40-45
U hebt al gemerkt,
het gaat in de eerste lezing van vandaag over wat wij vroeger de melaatse
noemden. De tekst is daar heftig en beslist over. Iemand die door die
kwaal is aangetast moet buiten de gemeenschap leven. Alles wat een mens
nodig heeft om te kunnen leven, zijn lijf en leden, alles wordt bedreigt
door een gezwel, een uitslag of een vlek, die dodelijk is voor hem maar
ook voor het leven van de gemeenschap. Daarom mag hij of zij niet meer
zijn waar de gemeenschap is. En mocht zo iemand, wat niet te verwachten
was, toch genezen, dan moest hij naar de priester. In het bijbelse Israël
staat de priester in dienst van het leven. De dreiging van de dood dient
hij te bezweren. Alleen de priester kan je genezen verklaren.
We worden ook nog een keer geconfronteerd met dat altijd verkeerd begrepen
woord "onrein". Onrein is voor ons gevoel "niet schoon"
of vies. Maar het bijbelse onrein betekent: jij staat buiten de gemeenschap,
letterlijk, jij mag niet meer meedoen. Daarom: buiten de gemeenschap.
Ik heb U de vorige week er op gewezen hoe vaak Marcus het woordje "en
terstond" of "en gelijk" gebruikt. Alsof het verhaal in
volle vaart verloopt. Vandaag horen we dat niet. Vandaag horen we dat
niet. Aan het einde van hoofdstuk 1 komt er een soort rust. Een soort
van windstilte. Opeens is het decor leeg. Zelfs zo leeg dat we de naam
van Jezus niet meer horen. Stil! Er komt naar hem toe een melaatse. De
richting van het lopen staat vast. Naar hem toe. Wie is hij? Die melaatse
komt naar hem toe, overbrugt de afstand met zijn roepen, valt op zijn
knieën en zegt: Als je wilt! jij kunt mij genezen! Een variant lijkt
het wel op Uw wil geschiede, gelijk in de hemel zo ook op aarde. Als jij
wilt
wat kan er dan gebeuren voor mij op aarde. Als jij voor mij
de hemel wilt zijn, wat is er dan voor mij? Genezen. Reinigen. Weer opnemen
in de gemeenschap. Jij niet met name genoemde kunt mij, melaatse zonder
naam, weer opnemen in de gemeenschap. Weer mee mogen doen, verzoend worden
met.
Hij valt op zijn knieën.
Gebaar en taal brengen Jezus letterlijk van zijn stuk. Hij strekt de hand
uit, raakt hem aan. We horen hoe het lichaam van Jezus onderwerp van het
werkwoord aanraken wordt. Hij vertolkt de gevraagde gemeenschap. We zien
de woorden gebeuren. Maar, zegt hij van wie wij nog steeds niet weten
wie hij is, laat je zien aan de priester en offer voor je reiniging wat
Mozes heeft voorgeschreven.
Zo'n veertig jaar geleden zeiden we graag dat Jezus zich niets aantrok
van alle regels. Hier horen we: wie om reiniging vraagt moet zich voegen
naar de woorden van de Tora. Dat is een getuigenis. Maar de man loopt
over. Hij vertelt Jan en Alleman wat hem overkomen is. Het verhaal dat
niet mag, wordt een verhaal op pootjes. Iedereen krijgt er mee te maken.
Maar er gebeurt wat niet kan. Dat is moeilijk te verteren. Hij wordt gelijk
uitgeworpen. En het gevolg is: Jezus kan ook niet meer binnen zijn. Hij
wordt een outsider. Buiten, op eenzame plaatsen is hij.
Maar dat buiten wordt een vindplaats. Een markt. Van alle kanten komen
de mensen naar hem toe. Alsof Jezus een oase is in de eenzaamheid, een
plek met water in de woestijn die gemeenschap mogelijk maakt.
Een moeilijk verhaal en tegelijk en makkelijk verhaal. Wanneer ik een
vogel zou zijn en wanneer er een boom in de buurt zou zijn: ik zou op
een van de takken zitten en het tafereel aanschouwen. Uw wil geschiede.
Jezus die mensen bijeen brengt. Zijn naam borgt gemeenschap, ons, onze
vader. Vandaag komen nog steeds, buiten de drukte van de stad, mensen
bijeen. Zij horen naar Hem, horen bij Hem. Uw wil geschiedde. En moge
God met ons zijn.
5 februari Vijfde
zondag door het jaar Amsterdam, Sint Jan de Doper
Job 7, 1-4.6-7; Marcus 1, 29-39
Dat leven eenvoudig
is, of dat het alleen maar zon en maneschijn kent, wij weten dat het niet
zo is. Leven is soms/vaak/eigenlijk zo gecompliceerd, zo veeleisend, zo
oneerlijk! Daarom moest het boek Job er wel van komen. Job, een goed man
die het voor de wind gaat. "Zal wel", zegt de tegenpartij. "Natuurlijk
is Job vroom. God is hem goed gezind, Hij heeft alle reden om dankbaar
te zijn. God is van mening dat dit roddelen in de bovenkamer is. Hij geeft
de tegenpartij de kans die hij wil. Binnen de kortste keren is Job gebroken.
Zijn kinderen verdwijnen, zijn vrouw, zijn bezittingen. Zo eindigt Job
op de mestvaalt.
De hemel speelt hoog spel over de rug van Job. Al zijn glans en luister
wordt hem ontnomen om zichtbaar te maken dat een mens van God en mens
verlaten, nog steeds een mens voor God is, desnoods tegenover God. De
dagen branden. Hij snakt naar schaduw. De maanden en nachten zijn vol
vruchteloos getob. Job kan niet bij zijn heden zijn. 's Avonds wacht hij
op de morgen, 's ochtends verlangt hij naar de avond. Zijn leven is enkel
onrust, onraad, angst. Geluk zal er voor hem niet meer zijn, nooit meer.
En het boek Job blijft in feite daarbij.
En terstond, of en gelijk. Dat staat in Markus. Niet zoals in onze
boekjes "in die tijd". En terstond. Wat is er gebeurd?
Jezus is bij Marcus gedoopt. Dan oogst hij de eerste leerlingen en gaan
ze naar Kapernaum. Ik heb u daar vorige week over verteld, die bezeten
man in de sjoel die van mening was dat Jezus hem pijn wilde doen. Jezus
heeft die man bevrijd van zijn angst en zijn bezetenheid, en terstond
zo begint dit verhaal. In vliegende vaart gaat het verder Maar
wat we krijgen is in feite een huis, tuin en keuken verhaal. Om te beginnen
herkenbaar. Met Jacobus en Johannes komen we thuis bij Simon en Andreas
en direct worden we naar de schoonmoeder van Petrus gebracht. Weer zien
we, zoals in het voorafgaande verhaal, de anderen tegenover die ene. De
leerlingen overbruggen de afstand. En terstond - alweer dat woord terstond
- vertellen ze Hem over haar, effenen zij voor Hem de weg, effenen ze
zijn weg lijkt het wel. Hij neemt haar bij de hand en richt haar op. Het
vuur verlaat haar en zij staat op en dient hen. Haar dienen is mogelijk
omdat zij opgestaan. Is dat het begin van de gemeenschap, de dienst? Opstaan
om te dienen. De mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden maar
om te dienen. Opstaan en dienen. Zoals we ons in Job mogen herkennen wanneer
het leven hem hopeloos en onbegrijpelijk overvalt, zo mogen we ons ook
herkennen in de schoonmoeder van Petrus, in de angst van Petrus, in de
zorgen van de leerlingen en in Jezus die haar de hand reikt zodat zij
op kan staan. Dood en verrijzenis horen in het evangelie bij elkaar.
Dan dooft het licht in het verhaal. De deur van het huis staat bol van
het leed dat wereld heet, en velen genas hij. Velen is in het evangelie
democratisch allen. Allen die willen, allen die zich, zoals wij
dat zeggen, geroepen voelen. Grappig vind ik dat de boze geesten Hem kennen.
Die weten dat Hij aan hun lijf komt, dat aan hun rijk een einde zal komen.
Dat allemaal loopt uit in Jezus op een plaats in de eenzaamheid, in de
woestijn, zeggen wij dan. Petrus zou de gelegenheid van allen die Hem
zoeken willen uitbuiten: "Allen zoeken je". Nu kun je
zaken doen, nu hebben de mensen gehoor voor je, geven ze thuis. Maar Jezus
zegt dat hij verder moet. Het verhaal begint nog maar pas. Hij trekt van
stad tot stad, preekt in de synagoge. Commentaren merken vaker op dat
het jammer is dat we nauwelijks weten wat hij preekte. Dat klopt natuurlijk
niet. Hij preekt dat we op moeten staan, dat we moeten dienst kunnen doen
als getuigen van de opstanding, de verrijzenis. Hij preekt in vele tonen
dat het niet goed is voor een mens om alleen te zijn, wat dat ook betekenen
moge, het kan zoveel betekenen.
We weten dat het evangelie ons gevonden heeft, het goede verhaal. Wij
horen erbij als Hij ons aan de paastafel zijn gaven geeft, Zichzelf.
Moge God met ons zijn. Jan Engelen
29
januari Vierde zondag door het jaar
Sint Jan de Doper, Amsterdam
Deuteronomium 18, 15-20; Marcus 1, 21-28
We zeggen graag -
zeker als we een beetje ouder geworden zijn: je bent nooit te oud om te
leren. Want een mens blijft leren. En dan komt de kern. Je blijft leren
van je ervaring, van wat je meemaakt, van waar je midden tussen in staat.
Leren, studeren, is meemaken, je concentreren op, en in je opnemen, voor
je zien, kunnen. Dat doet Mozes vandaag in de eerste lezing ook. Hij vertelt
hen wat er gebeurd is, de acta, en wat er gebeuren zal, te doen staat,
de agenda. Aan de voet van de berg van het verbond, van waar je
opziet en onder de indruk bent, ontroert, beseffen ze dat het te groot
voor hen is. Wie kan dat verdragen?
Het volk vraagt niet meer de stem van God te hoeven horen, niet meer dat
grote vuur te zien. Daar blijf je in. Kan er niet iemand voor hen uitgaan,
iemand die bemiddelt tussen ons en dat grote gebeuren? Daarom heeft God
gezegd, uit hun midden een profeet te zullen roepen, iemand die namens
(pro) Hem spreken (fèmi) zal. Pro-fèmi,
profeet. Wat is een profeet? Gods woord is in zijn mond. Hij zal uitleggend
voorgaan. Na Mozes zal God een andere profeet doen opstaan naar wie je
luisteren moet. Een andere profeet. Een uit je broers. En die profeet
zal weten dat hij namens God spreekt, of hij zal zwijgen en niet spreken.
De profeet is dus iemand naast je, tegenover je, namens je,
voor jou. We weten allemaal dat we het van anderen moeten hebben.
Alleen is maar alleen. Dan blijven hemel en aarde gesloten. De ander opent
voor ons de wereld, neemt ons mee, doet het licht opgaan. En eens gegeven
is altijd gegeven. De mensen die ons het leven geleerd hebben blijven
bij ons, blijven ons nabij. Alsof tijd niet bestaat, het leven altijd
heden.
Dat fundamentele gegeven in het leven van een mens, van iedere mens, is
ook de sleutel tot de heilige woorden die ons als Schrift gegeven zijn,
die ons voor blijven, voor ons. Het kan niet op.
Het evangelie brengt ons naar het meer van Galilea, een kom water
als het ware uit de rotsen opgeschept. Vissers in beweging. Kfar Nachoem,
het dorp waarvan de naam troost spelt. Sabbat. Synagoge. Samenkomen, leren
en vieren. En terstond is er in de synagoge een man met een onreine geest:
"Wat is er tussen ons en jou, Jezus van Nazareth. Ben je gekomen
om ons te vernietigen? Ik weet wie je bent. De heilige van God. Met een
enorme heftigheid gaat hij te keer. Fel tegen Jezus. Maar waarom? Hoe
komt hij er op? Er is nog niets gebeurd. En hij spreekt de waarheid. Jezus
is de heilige van God. Maar waarom denkt hij dat Jezus hem komt vernietigen?
Ik weet! Vanwaar deze "gemeenschap onmogelijk makende" kennis?
Markus spreekt over leerlingen, over Jezus als leraar, en
de mensen die verbaasd zijn over zijn leer. Drie keer iets van
het woord leren. De man met de onreine geest komt met ik weet.
Hij hoeft niet te leren. Hij weet. De onreine geest maakt door
zijn weten de gemeenschap onmogelijk. Wat hij weet zorgt ervoor
dat hij en Jezus, of dat de gemeenschap en Jezus niet bij elkaar kunnen
komen. Gemeenschap, bij elkaar horen, samen optrekken en verder gaan,
in zee gaan met - bij hem kan het niet. Dan zou hij zichzelf moeten opgeven,
loslaten, toevertrouwen aan. En dat kan hij niet. Maar voor Jezus hoeft
hij dat ook niet. Hij neemt het over. Zwijg stil en ga weg! Als
de boze geest het zwijgen wordt opgelegd gaan de mensen spreken.
Allen luchten hun hart: Wat is dát nou, een nieuw leren dat iets
te zeggen heeft! Misschien nog mooier: iemand die de anderen het woord
geeft.
Jezus gaat de synagoge binnen (v.21). Daarmee begint het verhaal. En het
verhaal over hem gaat uit naar alle kanten (v. 28). Daarmee eindigt het.
Zo hebben wij elkaar gevonden en vinden wij elkaar, hier rond de altaartafel,
in woord en gebaar, het lichaam van Christus.
Moge dat zo zijn.
8
januari 2012. - De Heer laat zich zien. Driekoningen - Sint
Jan de Doper Amsterdam
Jesaja 60, 1-6; Matteüs 2, 1-12
Sta op, schijn,
want gekomen is je licht. De zon is over je op aan het gaan. Terwijl
heel de wereld nog in duisternis verkeert en door het duister wordt bedekt,
licht het fel op over Jerusalem. Alle licht moet op die stad vallen en
iedereen ziet het. Want de Ballingen in Babylon krijgen de vrijheid zoals
indertijd de slaven in Egypte een uittocht kregen, een exodus. Alles wat
God kan en vermag, vrijheid en bevrijding worden zichtbaar In Jerusalem.
En óp trekken de volkeren. Alle volkeren worden "WIJ".
Dank zei Onze Vader worden we broers en zussen, zonen en dochters.
Dat wij hier op zondag
samen komen, dat wij hier kerk zijn, is een al lang verhaal. Wij
zijn kerk - kyriakè oikia - hoort u dat kyriakè,
kerk. Kyriakè. Kyrie, dat weten we, is Heer. Kyriakè
is heer-lijk. Van de Heer. Wij zijn kerk, Huis van de Heer. We weten
niet hoe lang nog, maar dat is ook onze zorg eigenlijk niet. Het is Zijn
zorg. Wij zijn Huis van de Heer, kerk, zo'n beetje ook Heel Jerusalem.
Het zijn de verhalen die ons tot kinderen van Jerusalem maken, tot mensen
van Zijn Verhalen.
Wanneer Maria en Jozef
naar Bethlehem gaan weten wij wel wat er aan de hand is. Augustus moest
zo nodig. De mensen wilde hij geteld hebben dan kon hij zijn mannetjes
de belasting laten incasseren. En in Bethlehem verloren is toen dat kind
geboren. Bijna weggeworpen in een stal, bij de besten thuis. In een krib
gelegd. In doeken gewikkeld. Het is voor ons niets nieuws, we weten dat.
Als de os en de ezel staan we erbij, geven die arme mensen een beetje
warmte. In doeken gewikkeld - een detail maar. Maar in doeken gewikkeld
dat is ook wat ze straks met dat arme lichaam zullen doen, wanneer ze
hem van het kruis afnemen, wanneer WE hem van het kruis afnemen. Dat arme
lichaam. Dat lichaam dat we ook in een dienst van Woord en Communie mogen
delen met elkaar, willen delen.
Maria, Jozef en dat
kindje. Sinds een week drie is het hoge woord er uit. Elisabeth zei tegen
haar familie en heel de buurt dat het kind Johannes moest heten. Wij weten:
Sint Jan de Doper. En Zacharias begint opeens weer te praten nadat hij
9 maanden met stomheid geslagen was, en in stilte bad dat het goed zou
gaan met dit volstrekt onverwachte, een kind, geboren terwijl zij al zo
oud waren dat de verwachting allang verdwenen was. Een kind dat je meeneemt
over de horizon van je eigen leeftijd heen. Nu moet je wel verder kijken.
Zo hebben Maria en
Jozef ook naar de kribbe gekeken, naar hun kind, in doeken gewikkeld.
Herders zijn opeens plompverloren binnengevallen. Een zootje ongeregeld.
Gasten van het veld. Een paar schapen, een blaffende hond die de wereld
buiten hield. Verwarde mannekes, - laat het ze niet horen - met dromen
en plotseling de hemel vol, engelen, vrede op aarde, vrijheid en bevrijding
enzovoorts, free at last.
En Maria is moeder geworden. Zij bewaart al die woorden, zoals de kerk
dat ook probeert. Woorden bewaren. Want je gelooft het niet, maar van
woorden moeten we het hebben, woorden delen we als brood. Ze maken ons
leven mogelijk. Maria bewaart al die woorden.
Vandaag meldt dan
ook Matteüs zich. Als het over kerstmis gaat zijn er immers twee
getuigen. Lucas begint in de tempel en dwaalt dan af naar die uithoek
op de rand van de woestijn bijna, Bethlechem, het kind in de kribbe.
Matteüs begint zijn evangelie zijn Goede Verhaal met
Egypte, Babyonische Ballingschap en Bethlehem.
Hij begint eerst met al die namen, al die verhalen. Abraham, Isaak, Jacob
en weet ik veel. Ook David en Salomo, tot aan Maria en Jozef toe. Het
kind van Kerstmis hoort bij al die namen,- al die verhalen, - niet te
tellen. Al die verwachting, die onzekerheid die maar duurt en houdt het
dan nooit op, en toch, gelukkig, eindelijk: licht in de duisternis.
Matteüs noemt
eerst Bethlehem en daarna pas Jerusalem. Dat is een leesaanwijzing. Jerusalem
mag en zal weten van haar afkomst, bescheiden, klein, zo klein als Bethlehem
van jongetje David, weggeplukt van achter de schapen om de mensen van
zijn vader een kans te geven en zo goed en kwaad als het gaat koning voor
hen te zijn , het op te nemen voor hem. Zo wordt Jezus in Bethlehem geboren
- en meteen begint de wereld van ver buiten die verhalen zich te roeren.
Wij zijn er ook nog. Als dat licht in Bethlehem geboren wordt doen wij
ook mee. Achter dat licht gaan ze aan, achter dat licht gaan we aan, mee
in die wolk van stof die de wijzen uit het Oosten meebrengen als ze in
Jerusalem aankomen. Op naar het licht, op naar dat kind. Waar moeten we
zijn? De city where it all happens zal wel de stad van die grote koning
zijn. "Waar moeten we zijn?"
Maar Jerusalem geeft niet thuis. Met Herodes zijn ook de boeken dichtgegaan,
lijkt het wel. Maar van de andere kant, toekijkend van tussen de gordijnen,
zien we hoe die onnozele Herodes ons voordoet waar we moeten en hoe je
daar komt. Hij roept alle hogepriesters en schriftgeleerden - die hebben
we strak nodig voor het decor van het lijdensverhaal, weet U nog! Alsof
dat verhaal hier al begint. Donkere wolken trekken zich samen boven Jerusalem
- en Herodes laat onverstoord de hogepriesters en schriftgeleerden de
boeken open maken om te zien waar ze moeten zijn, waar WE moeten zijn.
Bethlehem - we hadden het kunnen weten. In Bethlehem gaan de boeken uiteindelijk
open en begint het verhaal van David, van Bethlehem tot Jerusalem, en
van Jezus, van Bethlehem tot Jerusalem. Dat lied begint ook bij Maria
en Jozef zouden naar Bethlehem gaan. Als een stelletje kleine kinderen
rennen die wijzen - niet goed wijs. Echt niet. Zij hebben dat bij zich
wat straks op het bordje boven het kruis staat. U weet wel: "Koning
van de Joden". Ze rennen die laatste kilometers naar Bethlehem. Ze
komen langs het graf van Rachel immenoe, Rachel onze moeder. Vondel
laat haar dwalen door berg en beemd en over de velden van Ephraim, Bethlehem.
Ze zoekt haar kinderen en laat zich niet troosten want ze is haar kinderen
verloren en hoe kun je dan nog leven, rust vinden. Het is de vraag of
de Messias haar troosten kan!
Maar vandaag gaan de wijzen ons voor naar Bethlehem. Drie koningen zagen
een sterre en wij gaan achter de muziek aan, met hen mee.
Wat hebben die wijzen
gevonden? Welke droom openbaart zich voor hun ogen? Wat is te gek om waar
te wezen, daar, in die kribbe, in doeken gewikkeld? Een kind kijkt je
aan, kijkt ons aan, biedt zich aan - ook aan ons. De Heer laat zich zien.
Laat ons zingen en bidden. Delen we met elkaar wat ons gegeven wordt.
1 januari 2012 - Nieuwjaar, Besnijdenis van de Heer,
Heilige Maria, moeder van God
Amsterdam, Sint Jan de Doper.
Galaten 4, 4-7; Lucas 2, 16-21
Voor voorgangers in
de liturgie is het vandaag een verwarrende dag. Omdat het vandaag de achtste
dag van Kerstmis is, is het vandaag het "feest van de besnijdenis
van de Heer". Voor ons is dat een ietwat merkwaardig feest. Wat moeten
we daar nu mee. Ik kom daar dadelijk op.
Een groot feest duurde eeuwenlang acht dagen. Daar hebben wij tweede kerstdag,
tweede paasdag en tweede Pinksterdag aan over gehouden. Op de achtste
dag was het feest afgelopen. Bij Kerstmis betekende dat zo'n beetje: nu
kon het werk van Jezus beginnen. Daarom: Nieuwjaarsdag, een nieuw begin.
En Paus Johannes Paulus heeft het feest van de besnijdenis van de Heer
omgedoopt tot het feest van het moederschap van Maria.
Ik ga terug naar waar
het allemaal om begonnen is. Rond de jaren 60 van de vorige eeuw, dus
zo'n 50 jaar geleden was er een theologisch congres op de Universiteit
van Groningen waar ook Prof. Flusser zou optreden, een eminent Joods geleerde.
Voor hij aan zijn conferentie begon werd hem in goede gemoede verteld
dat hij niet de nadruk moest leggen op de besnijdenis van de Heer. Daar
zouden mensen door in verwarring kunnen raken. Dat Jezus een Jodenman
was, 50 jaar geleden was dat nogal verwarrend. En de besnijdenis komt
te dicht aan het vlees.
Maar hoe is het in
feite. Eerlijk gezegd: volgens de bijbelse verhalen weten we tot nu toe
nog steeds niet wie of wat er met Kerstmis geboren is. Het kind in de
kribbe heeft nog geen naam. U hoorde dat in de eerste lezing. Pas op de
achtste dag, waarschijnlijk omdat men dacht dat het kind het zou redden
en in leven zou blijven, krijgt het kind een naam. En in bijbelse kringen:
omdat het een joods jongetje is wordt hij op de achtste dag een "kind
van het verbond," een kind van Abraham. Ik denk dat wij het als een
vanzelfsprekende zaak beschouwd hebben. Gedoopt worden is min of meer
natuurlijk. Je werd, zeker vroeger, gedoopt, zoals je vader en moeder
en hun ouders ook gedoopt waren. Wij realiseerden ons nauwelijks dat je
net zo goed niet gedoopt kon worden. Want door de doop wordt je opgenomen
in de gemeenschap van de leerlingen van Jezus, wordt je volgeling van
de Messias. Zoals een joods jongetje door de besnijdenis kind van Abraham
wordt. Wat betekent dat? Dat betekent in beide gevallen dat heel veel
verhalen van anderen, over Adam, en Paulus, en Elias en David - noem maar
op, al die bijbelse verhalen worden ook jouw verhalen. Door de besnijdenis
en door de doop wordt je "het kind van heel veel verhalen" en
ook kind van de verhalen over die verhalen. Zonder die verhalen over God
en zijn mensen hebben we geen verhalen. Of anders gezegd: zonder verhalen
zijn we niet wie we zijn. Foto's, en liederen, alles wat bij uitstek zo
menselijk is,zijn moderne verhalen. Ze geven kleur aan ons leven, voeden
de verwachting. Zo ook, aan dan kom ik bij de moderne naam voor dit feest:
feest van Maria, de moeder van de Heer. "Moeder van de Heer",
wij weten dan, ook "onze moeder". Het zal niet lang duren in
de verhalen dan mogen we ook "Onze Vader", zeggen. En we weten
ook: dank zij die vader zijn we broers en zussen van elkaar. Daarom proberen
we ook te leren elkaar te vergeven en opnieuw te beginnen. Ik weet wel,
je kunt best zonder verhalen leven, en als je hart niet meer klopt heb
je het gehad - maar ik denk dat dat alleen maar zo lijkt: zonder verhalen
zijn we geen kind meer van onze ouders, geen broer of zus van onze broers
en/of zussen. Bloedverwantschap is vooral verhalenverwantschap. Daarom
zijn katholieken anders dan Protestanten, maar daarom ook zijn we als
katholieken en Protestanten bijvoorbeeld, al 70 jaar lang bezig, echt
bezig, dichter bij elkaar te komen en elkaar als broers en zussen te herkennen.
Dat gaat langzaam., want groeien gaat langzaam.
Jezus de Messias, het kind van Kerstmis, een wereld van verhalen. Wij
weten dat we niet alleen zijn, dat God oog voor ons heeft en dat we het
leven werkelijk delen. Daarom strekken we onze hand uit en weten we dat
God om ons geeft.
Moge dat zo zijn.
24
december 2011 - Kerstmis - nachtmis in de Sint Jan de Doper in Amsterdam
Jesaja 9, 1-3.5-6;
Lucas 2, 1-14
Het Oosten. De oriënt, waar je je op oriënteert, vanwaar de
zon opgaat. Het daghet in het Oosten. Het licht komt uit het oosten. In
de kerken van het Oosten vind je iconen, teksten voor mensen die niet
kunnen lezen maar die de beeldtaal wel verstaan. Op kerst-iconen zie je
vaak een oudere man, zijn gezicht bijna verdwaald in zijn baard. Ook in
Europese schilderijen zie je bij het kerst-tafereel Jozef in een hoekje,
als een oude man, aandachtig aanwezig. Maar je ziet aan hem: hij hoort
er eigenlijk niet bij. Dat is ons vroeger met grote stelligheid geleerd.
Hij was de voedstervader, leerden we. Bij Jezus moesten we uitdrukkelijk
weten, dat Hij de zoon van God is, alsof niet ieder kind een kind van
God is.
Op onze televisieschermen hebben we de laatste weken veel oudere mannen
met tranen gezien. Het zijn kinderen van de rekening, van talloze, levenslange,
pijnlijke rekeningen, nooit betaald, - rekeningen van een dwaze geschiedenis.
Deed het maar niet zoveel pijn. Het heeft zoveel pijn gedaan. Het doet
nog zoveel pijn. En krijt niet meer.
Donkere wolken hebben zich boven ons samengebald. Europa, de banken, de
markten, het geld, de pensioenen, de dieren, het milieu, het onderwijs.
De ouderen, de jongeren, de kinderen, de zieken, de mensen zonder werk,
de zorg voor de gehandicapten, - al die kwetsbare en gekwetste mensen.
De oude woorden van Jesaja zijn volstrekt hedendaags: Het volk dat gaat
in duisternis - of, zoals wij het net in de vertaling hoorden - het volk
dat in duisternis wandelt. Duisternis alom. In dat duister komen wij tesamen
omdat er een ster is gaan blinken, omdat het verhaal ons ter ore is gekomen.
Het kwaad is als de
dood. Het doet een mens verbleken. Het confronteert je zo met jezelf dat
je geen kant uit kunt. Daar is niet uit te komen en daar kom je ook niet
uit. Je kunt je niet over je verdriet heen zetten. Niemand kan zichzelf
aan zijn of haar eigen haar uit de put trekken. Is er dan een ander?
Maar hoe zou je kunnen
denken dat je alleen bent? Hoe komen we op dat armzalige idee dat we alleen
zouden zijn? Wij - de aarde alleen.
Je weet toch, vandaag, dat gisteren niet de laatste dag was. Zelfs al
pakken duistere wolken zich samen, al weten we en zien we, bijna niets
meer: wij komen te samen onder het sterren blinken. We hebben behoefte
aan een nieuwe intimiteit, aan weer opnieuw gevonden worden. We komen
samen, we luisteren naar de verhalen en we zingen liederen samen.
Verbaasd, verwonderd, verstild heffen we deze nacht ons hoofd omhoog.
Want een kind is ons geboren! De eeuwenoude mens ziet de nieuwe Adam.
Een kind is ons geboren. Een nieuwe tijd, een ongehoord nieuwe wereld
breekt aan. Een nieuwe tijd, ook al zullen en kunnen we onze opening geloven.
Dat hoeft ook niet. Want het kind zal blijken in ons te geloven. Het kerstkind
gaat niet met ons mee, maar het kerstkind neemt ons mee, maakt ons weer
tot kinderen die blij kunnen zijn met dit zeldzame, menselijke licht,
eenkind in ons midden.
Ondanks alles, of misschien wel precies omwille van alles: ieder kind
is zijn kind, iedere mens is zijn mens, is alles voor hem. In elk van
ons biedt God ons Zijn Zoon aan. Ieder van ons mag vannacht uit het goede
verhaal geboren worden.
En dit zal jullie een teken zijn: je zult een kindje vinden, in doeken
gewikkeld. En de hemel zingt mee. Glorie aan God is vrede op de aarde
die hij aan zijn mensen geeft.Hoe het ook zij: het kerstkind kijkt ons
aan. Zeldzame vrede. Moge Kerstmis goed voor U zijn.
Ja, moge dat zo zijn.
Kerstnacht
2011 - De Drie Hoven - oecumenische viering
Bethlehem. Mooie naam,
Bethlehem, Brood-Huis. Een plek waar brood thuis is. Daar moet het goed
toeven zijn. De geur van vers gebakken brood isme bekend. Op weg naar
mijn werk kwam ik jarenlang langs een bakkerij. Uitgenodigd door de geur
en de warmte. Een goede wereld, Bethlehem!
Maria en Jozef moeten wel vreemdelingen geweest zijn in Bethlehem. Door
het gebod van keizer Augustus hebben ze hun huis moeten achterlaten om
op weg te gaan naar Betlehem. Een onmogelijke reis. Onmogelijk, kijk maar
naar die jonge vrouw, Maria. In haar toestand moet die reis onmogelijk
zijn. Vaak grijpen haar handen haar buik. Herkend beschermen. Je mag er
toch niet aandenken dat het kind iets overkomt.
Bethlehem, brood-huis, de "Stad van David" zeggen ze zelfs.
Maar Bethlehem is niet thuis, biedt geen huis, geen dak boven het hoofd
van die vrouw met haar kind op komst. De radeloosheid van Jozef, bezorgd
als hij is. Haar weeën moeten al wel begonnen zijn. Het was haar
eerstgeborene. Dan begint het eerder of duurt het langer want je weet
niet wat er gebeurt, die eerste keer.
Bethlehem geeft niet thuis. Geen huis, geen dak, geen plek voor moeder
en kind. Zo komen ze, verloren, in een grot waar een paar beesten staan.
En als het zover is komt het kind in de kribbe, die voederbak voor de
dieren.
In Bethlehem, zo hopeloos verloren. Er is een bijbelse traditie die zegt:"Voor
wie er niemand is, over hem of haar zal God zich ontfermen". Omdat
Lucas, de verteller van het kerstverhaal, niet meer weet wat hij nog kan
zeggen, laat hij de hemel open gaan. Een hemelse legermacht blijkt groot
koor te zijn. Het lied is maar een regel lang. Het gaat over wat God in
de Hoge eert. Wat is Zijn Eer, Gods eer? Dat er vrede is voor de mensen.
Vrede voor Zijn Mensen. Want onze God is eenGod die van mensen houdt.
Het evangelie wil dat telkens opnieuw weer duidelijk maken. Tot en met
het Paasverhaal toe. Onze God is een God die van mensen houdt.
Dat is het lied van Kerstmis, dat vanuit de hemel over die man , die vrouw,
en dat kind klinkt. Voor mij is het dat kleine schilderij van Rembrandt,
heel veel donker en toch een warme gloed van licht. Het straalt, en bereikt
na al die eeuwen ook ons.
Heeft de eenvoud maar
ook onmiskenbare warmte van het kind in de kribbe, ons iets te bieden.
Als ik ons hier zo vanavond zie is die vraag al beantwoord. Wij voelen
ons aangetrokken door de ogen vanuit nauwelijks nog geboren kind. In hem
komt een nieuwe wereld ons tegemoet. Het kind van Kerstmis , kwetsbaar
en weerloos, is onze zekerheid, dat God het wel degelijk voor ons opneemt.
Hij komt naar ons toe, opent onze dagen nu wij als de herders in het veld
in deze nacht het kind van al die verhalen begroeten. Nu sijt wellekome
...
Rond de kribbe van
Bethlehem, "Brood-Huis" treffen we elkaar, zien we elkaar aan
en delen wij zijn "vrede op aarde".
Een gelukkig en zalig Kerstfeest. moge dat zo zijn.
11
december - Derde zondag van de Advent - Jan de Doper
Dienst van woord en communie met medewerking van de Amsterdamse Cantorij
Jesaja 61, 1-2a.10-11;Johannes
1, 6-8.19-28
Dat het vandaag in onze kerk bijzonder is hoef ik U niet te vertellen.
Meer dan mijn woorden kunnen zeggen horen wij de klinkende klanken van
de devotie, de verwachting, de vreugde en de stilte, die componisten in
hun muziek als klanken kunnen laten horen wanneer het over Kerstmis gaat.
Dank je dat jullie hier zijn, Amsterdamse Cantorij.
Ik kwam onlangs een in het nederlands vertaald kerstlied tegen, een vertaling
van Stille nacht. Daar werd gezongen dat de Heer er niet tegen op zag,
af te zien van zijn waardigheid, om naar beneden te komen en kind te worden
in een stal. Als operaliefhebber weet ik: mensen kunnen veel zingen wanneer
ze geroerd zijn, maar dit soort teksten is rabiate onzin. Gods adel is
een soort pauwentroon, geen goud en edelstenen. "Zijn mensen",
zelfs de mensen is hem alles. Daar doet Hij alles voor. Daar gaan Kerstmis
en Pasen precies over. Onze sterfelijkheid wordt niet opgeheven maar God
heeft het laatste woord: hij is er en blijft er voor ons. Wij, zijn mensen.
Hoor naar Jesaja vandaag:
De geest van de Heer is op mij want de Heer zalft mij. Dan volgt het programma:
het goede verhaal voor de armen, om de gebrokenen van hart op te binden.
Vrijheid voor wie gevangenis en open ogen voor wie gebonden zijn. Tot
wie richt de gezalfde, de Messias zich? Dat is beschamend bijna, duidelijk.
Het adres, de mensen voor wie "de gezalfde" er is, dat zijn
degenen die in het duister opgesloten zijn, geknakt, troebel. En weer
slaat de lezing teksten over. Wat wordt er dan overgeslagen? Jammer. Is
het niet troostend wanneer wij horen dat de treurenden van Sion in plaats
van as een sierraad krijgen, dat er vreugdeolie komt in plaats van de
rouw en een mantel van liederen in plaats van een benauwde geest. Als
terebinten van gerechtigheid worden wij, aanplanting van de Heer. Als
wij te snel de woorden van dankbaarheid lezen kunnen we nauwelijks weten
waarom we dankbaar zijn. Jesaja en de Messias, ons kind van Kerstmis opnieuw.
Sint Jan staat die vandaag in het Johannesevangelie staat te dopen. Na
het woord, het licht en het leven, komt er een gezondene. Iemand met een
missie. Om te getuigen van het licht. Ik stond er bij en ik keek er naar,
zegt het bekende kinderlied over de twee beren. Dat is het getuigenis:
ik stond er bij en ik keek er naar. Ik heb het zelf gezien. Het licht!
Een getuigenis niet zomaar, niet impulsief of willekeurig. Het verhaal
van Sint Jan begint toen joden uit Jerusalem priesters en levieten naar
hem toe stuurden om, hem te vragen: jij, wie ben je? Een tekst vol regieaanwijzingen.
Want joodse "priesters en levieten" zijn mensen die in de Tempel
en de synagoge dienen: "Tot je dienst!" Zij dragen bij tot het
heilige gebeuren van de dag in de Tempel in Jerusalem. "Priesters
en levieten" zijn ook de mensen die voorgaan bij het lezen uit de
Schriften overeenkomstig de leeswijze van de Synagoge. Wat in het verhaal
van vandaag bij de Jordaan gebeurt, het getuigenis van Johannes, heeft
alles te maken met de Tempel en de Tora, met het Huis en het Woord
van de Heer. Priesters en levieten worden door Joden die thuis zijn
in Jerusalem heel exact naar Johannes gestuurd met een precieze vraag.
Wie ben je? Hoe kan ik je kennen? Hoe laat je je kennen?
De Tempel en de Schriften zijn aan de orde wanneer het gaat over de identiteit
van de mens die komt om te getuigen. Namen komen voorbij, mogelijkheden.
Elia, de vader van de profeten (die Mozes op handen draagt), dé
Profeet, Jesaja, die alles weet van ballingschap en bevrijding voor Israël
en Jerusalem. Het zou een zegen zijn wanneer de kerken er zich op zouden
beraden, dat de Tempel en de Schriften er toe doen wanneer het om en over
de Messias gaat. Johannes gaat ons hier voor.
Johannes doopt met water, de messias doopt ons met heilige geest. Ik neem
U mee, terug naar het aloude verhaal over de schepping van HEMEL EN AARDE.
De aarde alleen is woest en leeg, duisternis over de vloed. Maar die treurigheid
is enkel opmaat voor wat nu komt: en de geest van God zweeft boven de
wateren. Er komt iets, er staat iets te gebeuren. De hemel gaat open.
Moge het woord van de muziek en van het goede boek ons vandaag op het
spoor van Gods liefde zetten. Daartoe immers delen we de gaven die ons
gegeven zijn, Zijn Zoon, Zijn Kind.
4
december 2011- Tweede zondag van de Advent - Sint Jan de Doper
Jesaja 40, 1-5.9-11; Marcus 1, 1-8
We gaan straks weer
het Rorate zingen. Wanneer je het een keer gehoord hebt vergeet je het
je leven lang niet meer: consolamini, consolamini, popule meus - Troost
je, troost je, mijn volk. Elk woord wordt door de klank en de intensiteit
van muziek en woorden geëtst op je gehoorbeen, elk woord gewogen.
God wil zijn volk troosten. Israël, zijn volk, is niet meer de verlatene,
de verstotene naar "mijn volk"! Heb je het voortaan over Hem,
dan heb je het over zijn mensen. Heb je het over zijn mensen, dan heb
je het over Hem. Zeg tot de steden van Jehoedah: "Zie jullie God".
Hij de herder. De lammeren draagt hij aan zijn borst.
Maar toch wil ik vlug naar Sint Jan de Doper, onze patroonheilige.
Markus is de enige
evangelist die het woord evangelie in zijn schild voert: Begin van het
evangelie gelijk geschreven staat. Een wonderlijk verhaal dus, want het
is een verhaal als de schriften die open gaan, gelijk geschreven staat.
Met het evangelie gaat het Boek open, een eu- angellion, ik vertaal graag:
een goed verhaal. En wat is een goed verhaal? Dat is een verhaal waar
je stil van wordt, of een verhaal waar je van op kijkt - het laat je niet
koud, neemt je mee. Het verhaal over het goede. En het goede is altijd
persoonlijk. Het is goed voor mij, voor jou, voor ieder die er van hoort.
Het goede is innemend, uitnodigend. Er bestaat meer dan het heden, meer
dan het hier en nu. Het Goede. Het valt buiten de maat van het gewone.
Het goede is buitengewoon. Denk ook aan: En God ziet hoe goed het is.
En dan! Zie ik stuur mijn engel voor je uit die voor jou de weg zal banen.
De tekst presenteert zich heel persoonlijk. Het gaat over mij en jou.
De woorden willen zich uitdrukkelijk richten op jou, voor jouw aangezicht
om voor jou een weg te banen. Een engel die een weg baant. Kennen we die?
Is daar over geschreven. Ik kan alleen maar denken aan de engel die in
de paasnacht door de dorpen en steden van Egypte trekt om de huizen van
de slavenkinderen die naar bevrijding hunkeren over te slaan in die nacht,
de nacht dat de eerstgeborenen van de Egyptenaren sterven. Voor jou een
weg. Alsof het werkelijk bestaat, verlossing, bevrijding, een droom voor
mijn aangezicht. Een droom voor mij. Gaat het verhaal dan ook mij aan?
Ben ik aangesproken? Mag ik mee. Schipper mag ik overvaren, bij de Jordaan,
bij Johannes met zijn staf en zijn schelp.
Johannes tekent aan de oever van de Jordaan met zijn staf in het zand.
Hij zegt omkeren. Wij vertalen altijd bekeren. Ik zie dan altijd een opgeheven
vingertje. We zijn dan stout geweest en moeten ons bekeren. Maar daar
gaat het niet over. Het gaat over omkeren, om van richting veranderen.
Daarom die engel voor je aangezicht, daarom die weg die gebaand wordt.
Want de richting staat met het evangelie onherroepelijk vast. Al die bijbelse
verhalen willen maar één kant op, namelijk uit de woestijn
door het land naar Jerusalem. Volgende week horen we dat weer opnieuw,
dan uit de mond van Johannes de evangelist. Jerusalem, de droom van de
ballingen. Stel je voor dat het waar is, stel dat Jerusalem weer onze
plaats is , dat we weer opnieuw bij God te gast mogen zijn in het land
van alle verhalen, in de schaduw van het heiligdom op de berg.
Voor ons aangezicht. Twee dingen. Allereerst de tekst, het verhaal. Het
verhaal zal ons voorgaan. Op de tweede plaats, de tafel. Wij komen samen
in de schaduw van de tafel van het avondmaal. In de kring van de leerlingen
horen wat over wat God met ons voorheeft, het goede, dat wij werkelijk
mogen leven, onze dagen op aarde.
Reiken we zo aanstonds elkaar de hand van de vrede en delen we wat ons
gegeven wordt.
Jan Engelen
27
november 2011 - Eerste zondag van de Advent - Sint Jan de Doper
Jesaja 63, 16b-17.19b; 64, 3b-8; Marcus 13, 33-37
Opeens is alles veranderd.
Plotseling zijn we begonnen 2011 af te schrijven. We richten ons op voor
het jaar dat komen gaat. Want er begint een nieuw jaar wanneer het Kerstfeest
afgesloten is. Kerstmis duurde vroeger als alle grote feesten een week.
Daarna, zo dacht men indertijd, begint het echt. En Kerstmis begint niet
dan na een behoorlijke voorbereiding. Vier weken duurt de advent, zelden
zo lang als dit jaar. Want Kerstmis valt op zondag. Dus de vierde adventsweek
duurt een week. Dat is niet gering. Extra oefentijd.
We beginnen dus opnieuw. Maar is dat niet een beetje merkwaardig.
Immers: alles gaat gewoon door. Hoe kun je dan gaan doen alsof
je opnieuw begint? Toch denk ik dat het antwoord op deze vraag behoorlijk
simpel is. Het is zinnig om opnieuw te beginnen omdat ons leven, ondanks
alle continuïteit, elke dag opnieuw weer een uitzondering is. Ons
leven begint elke dag weer opnieuw. Het steeds weer opnieuw beginnen is
een wezenlijk moment in ons alledaagse leven. Dat oefenen we echt in de
advent. Hij komt! Dat "oefenen" oefenen we om te beginnen al
met de lichtjes en het aanbellen op Sint Maarten. Hij komt oefenen we
ook met Sinterklaas. We moeten leren wat dat betekent, verwachten en delen
met elkaar. Al die feesten gedenken woorden die belangrijk voor ons zijn
- voor ons. Vieren, stil staan bij de tijd en de voorlopigheid van het
bestaan doen we gezamenlijk.
Hoe beginnen we dan
in de advent? We krijgen dit jaar als eerste Jesaja te horen. En moet
je horen hoe het begint. Want jij bent onze vader, want Abraham kent ons
niet en Israël weet niet van ons - Jij bent onze vader, onze bevrijder,
dat is voor altijd je naam. De tekst klinkt vanuit de ballingschap. Hoe
groot is Israëls verlatenheid wanneer zelfs Abraham niet meer gekend
wordt als "onze vader". Waarom liet je ons afdwalen van je wegen?
De tekst vraagt God zich weer te ontfermen over zijn volk. Doe het omwille
van onze vaderen. En de tekst is niet flauw. Geen verontschuldiging, maar
direct een geloofsbelijdenis. God, jij bent onze vader. Wij zijn de klei,
jij bent onze pottenbakker. Wij zijn allemaal het werk van je handen.
Kun je nog simpeler zeggen dat het leven een wonder is, afkomstig uit
Gods hand!
Toch: deze tedere woorden willen ons niet in slaap laten vallen.
Wachten, verwachten, is attent bij de tijd zijn. Wanneer is het zo ver?
De verwachting die zo groots ons leven inkleurt, wanneer is het zover?
Bij de tijd zijn, bij de tijd willen zijn - de waakzaamheid die van ons
gevraagd wordt is die van een mens aan wie een schat wordt toevertrouwd,
vertelt het evangelie. Als de Heer weggaat vertrouwt hij ons een deel
van zijn vermogen toe. Ons leven is ons toevertrouwd. Wat wacht ons dan?
Wat is het onberekenbare waar we op moeten rekenen?
Deze tijd van het jaar begint ermee, ons te wijzen op de kinderen. En
we gedenken: als je niet wordt als kinderen. De drukke en belangrijke
grotemensenwereld zal geleid worden naar het kind van Bethlehem. Het kind
als leraar. Wat kun je van kinderen leren?
Ik wil alleen die vraag stellen. Wat kun je van kinderen leren. Want als
je van kinderen kunt leren dan is dat een persoonlijke zaak. Dus wat je
van kinderen kunt leren is ook persoonlijk. Het kan een aandachtspunt
voor deze week zijn: wat zou ik van kinderen kunnen leren? Het zou me
niet verwonderen wanneer die vraag je brengt naar een nieuwe manier van
leven. Levinas, en groot filosoof heeft geschreven: jeugdigheid hoeft
niet een voorbijgande fase in je leven te zijn. Die jeugdigheid heet in
onze kerkelijke taal maagdelijkheid, onbevangenheid, openheid. Fris zijn.
Blijkbaar is het niet zodat het leven voor ons niets meer in petto heeft.
De advent geeft ons de tijd nog eens te kijken naar het begin en naar
waar het om begonnen is. God wil voor ons een nieuw begin zijn.
In de schaduw van de tafel van het laatste avondmaal ontwaren wij een
kind. God biedt zich in alle weerloosheid aan. Wij worden uitgenodigd.
Bij hem zijn wij welkom.
Moge dat zo zijn.
|