| Dr. Jan Engelen tot
1 juli 2007 docent voor katechese/katechetiek |
|
een korte
biografie
In 1942 word ik in Schaesberg geboren. Die plaats heet tegenwoordig Landgraaf. Opleiding. Na het gymnasium volgt het Noviciaat, inleiding in het kloosterleven. Het is een jaar in volstrekte afgeslotenheid. De taal van de kerk is nog latijn. Koorgebed en mediteren. Van 's morgens vijf tot 's avonds negen ben je bezig je te concentreren op jezelf en 'het geestelijk leven'. Je krijgt inleidende colleges, mediteert veel. Wat mediteren is moet je in feite zelf uitvinden. Het heeft alles met stilte te maken, met goeie bedoelingen en diepte. Veel tijd wordt uitgetrokken voor allerlei vormen van gebed. Stilte is belangrijk. Er is geen radio en geen krant. Al dat "geestelijk" bezig zijn wordt afgewisseld met een dagelijkse portie handenarbeid. Het is een jaar dat mij geen kwaad doet. Leven wordt een serieuze zaak. De vroomheid doet mij deugd. Als klein jongetje al ging ik vanzelfsprekend en graag naar de kerk. Nu ben je geen kind meer. Het is je keuze. Drie jaar filosofie volgen. Mijn ogen en oren zullen open gaan. Filosofie studeer ik in Dordrecht in het Karmelietenklooster Amstelwijck, rechts van de autoweg richting Moerdijk, van 1962 tot '65. We beginnen o.a. met klassieke psychologie. Het Thomisme wordt aangesneden, ik lees Thomas in het latijn. Logica. Metaysica. Geschiedenis van de filosofie. Het zijn de laatste restjes traditionele opleiding. Na een half jaar volstrekt niets begrijpen komen de eerste tentamina. Opeens, zoiets als een flits, het klikt. Het wordt zeldzaam spannend en intrigerend. Voor het eerst gaat studeren ergens over, komen er voeten op de grond. Je hoeft niet meer van buiten te leren. Je kunt dingen begrijpen, er bestaan samenhangen, je kunt vragen proberen. Sommige vragen zijn beter dan andere. Hoe komt dat? Theodicee wil er bij mijn klas niet in. Dat is "natuurlijke godsleer". Godsbewijzen betekenen voor ons niets. Als de transcendente transcendent is, hoe kan die dan immanent worden of zijn? Ik begrijp nog niet dat taal niet een blik woorden is, of dat spreken zoiets als tasten of fouilleren kan zijn, zoiets als zien of aanvoelen, wellicht. Hulp en inspiratie vind ik bij Kwant, Luijpen, Merleau-Ponty, Ricoeur, Levinas. Taal begint samenhang aan te reiken. Leren of studeren was in mijn jeugd vooral memoriseren. Dat doet er nu niet meer toe. Alles wordt anders, ook anders toegankelijk. Filosofie neemt de plaats over die wiskunde eerder had. Maar ik zit met veel vragen en verheug me op de theologie. Dat wordt spannend. Daar zal het toch over gaan. Naast de ontwikeling van je
denken doen we in Dordrecht ook aan praktijk. We hebben allerlei clubjes
die concreet werk doen, boomonderhoud, tuinieren, dieren, maar ook boekbinden,
en mijn club, de stena, stencils maken en vermenigvuldigen. Daarnaast
ook sociaal werk: we beginnen in Dordrecht met werken in het woonwagenkamp
en in een clubhuis, buurt en jongerenwerk. Buitengewoon inspirerend. Andere
mensen zijn heel andere mensen. Dat is interessant. Nabijheid is bemoedigend.
Maar ik verheug me op wat komt,
de theologie. "Daar moet je je niet te veel van voorstellen",
wordt me gezegd. Volgens mij kun je daar niet te veel van voorstellen.
Als theologie te maken heeft met God kan theologie niet tegenvallen. Het
moet spannend zijn. Sinds 1964 is het nederlands
ook in de katholeke kerk een liturgische taal geworden. Het gregoriaans
bewaren we, dat heeft zijn eigen schoonheid en warmte, maar nederlandse
liturgie en nederlandse kerkmuziek maakt duidelijk dat liturgie niet alleen
een ritueel is. In de liturgie verwoordt je ook je geloven, vind je taal
om woorden te zingen die je nauwelijks spreken kunt. Na drie jaar filosofie vertrekt
"mijn studiejaar" in augustus 1965 naar Merkelbeek. Ik kom terug
waar ik begonnen ben, maar aan de andere kant van het gebouw. Niet meer
het klein-seminarie maar het klooster. We weten dan volstrekt nog niet
dat het maar voor twee jaar zal zijn. We krijgen colleges Bijbel, dogmatiek,
kerkelijk recht, moraal, kerkgeschiedenis. In 1967 worden alle katholieke
opleidingen filosofie en theologie in Nederland gecentraliseerd. De groep
waar ik deel van uitmaak hoeft nog maar twee jaar basisvorming theologie
te doen. De Karmelieten gaan naar Nijmegen. Wij, die laatste groepen van
de oude garde, moeten maar naar Amsterdam. Ik vind dat jammer. Ik wil
graag universitair afstuderen. Ik wil doorgaan in filosofie en theologie.
"Dat komt dan later wel." "Mijn klas" vertrek ik in 1967 naar Aalsmeer om in Amsterdam theologie te gaan studeren. Wat verhullen die feiten? Vat ik het verhaal tot nu toe samen. Van 1955 tot 1962 (ik ben dan 13 tot 20 jaar) leef ik in een situatie die te vergelijken is met een internaat, volstrekt afgesloten van "de wereld". Geen krant, geen radio. Vanaf 1962 komt de krant in mijn wereld, en een simpel radiootje. Soms ook tv. In 1965 wordt dat laatste in beperkte mate, iets meer normaal gevonden. Nog steeds is die wereld gesloten, beperkt tot een seminarie en een klooster. Vanuit de hecht gesloten wereld van seminarie en klooster kom ik in 1967 in Aalsmeer te wonen, om in het volstrekt open Amsterdam te gaan studeren op de KTHA (Kath. Theol. Hogeschool Amsterdam - Keizersgracht 105, vlak bij Westerkerk). Het is een jaar voor de Maagdenhuisbezetting en de happenings bij het Lievertje. Iedere dag gaan we met een volkswagentje of met de bus naar Amsterdam. Ik lees de kranten, hoor radio, zie tv., studeer "bij het leven" maar grijp ook de kans om kennis te maken met de kunst en culuur van de jaren zeventig. Amsterdam heeft een groots aanbod. De studentenkaart maakt veel toegankelijk. Ik zie bijna alle nieuwe films, ga eens per maand naar de Stadschouwburg voor toneel en ballet. Ik blijf vroom man van de kerk, maar de wereld van mens en samenleving heeft veel verrijking te bieden. Mijn wereld verandert meer dan 100 %. Zou ik bij al die verandering ook maar enigermate dezelfde kunnen zijn? Voorbeeldje. Wellicht september 1967 zie ik in de Stadschouwburg iemand met een 'petje of zo' op lopen. Ik weet nog niet dat dat een keppeltje is. Ik weet nog volstrekt niets van of over jodendom. Op 15 oktober begint de KTHA in het pas verbouwde gebouw De Bruynvis, Keizersgracht 105 Amsterdam. Een van de docenten is Jehoedah Ashkenazy. Kennismaking met de joodse traditie blijkt een bron van inspiratie. Wetenschap en reflectie, het systematische en het toevalige dat je overkomt of dat je meemaakt, horen bij elkaar, zoals de zondagf en de overige dagen van de week. Ben Hemelsoet doet in zijn exegese alsof zijn vak iets met lezen te maken heeft en alsof je verstand niet overbodig is. Niet beter weten over teksten maar lezen hoe dat wat er er staat er staat. Frits Tillmans dwingt je om je gedachten te formuleren, je manier van aanpak te verhelderen en laat zien dat dit soort plichten ook uitnodigingen zijn. Wat vind je? Is er een alternatief? Hoe zou je uitleggen ... In 1969 rond ik mijn studie theologie in eerste instantie af. Vanaf 1969 tot 1971 ga ik mij verder specialiseren in Amsterdam (Frits Tilmanns, Arie Leijen, Jehudah Ashkenazy) en Parijs (Paul Ricoeur, Jacques Derrida, Emmanuel Levinas). Mijn hoofdvakken zijn: dogmatiek, hedendaagse filosofie, judaica, exegese. Tijd te kort. Het eigen onderwerp.
Geloven is voor mij als kind van mijn wereld eigenlijk natuurlijk. Het hoort vanzelfsprekend binnen de samenhang van de katholieke gemeenschap van midden vorige eeuw in Zuid-Limburg. In contact met de randstedelijke cultuur en wereld van de filosofen en theologen blijkt die oude wereld steeds minder mijn plaats. Ik wil het begrijpen, ook kunnen uitleggen voor mezelf. Meer dan de gewoonten (cultuur) worden teksten mijn huis - maar hoe moet dat dan? Wetenschappelijk, rationeel, logisch, loop ik op een simpele manier vast. De traditionele woorden wijzen mij geen enkele weg meer. De sociale kant van het leven is rijkdom, alleen word ik gek van mezelf. Mijn hoofd vindt geen rust. Dat is al jaren zo. Als 12-jarig jongetje ging
ik in 1955 thuis weg. Ik wilde "pater worden". In 1970 ga ik
weg uit de wereld van seminarie en klooster. Alle rijkdom die ik er vond,
het is mijn plaats niet meer. Het maakt je niet gelukkig wanneer je gezag
groter wordt maar je voor jezelf geen plek vindt. Een oude vriendschap
wil ik meer kans geven. Zij wordt ook belangrijker voor me. Al wil ik
niet weg uit "het klooster" - dat was mijn leven - , ik ga weg,
ik moet wel. Ik heb er geen idee van wat ik zou kunnen doen of worden,
maar blijven kan niet meer. In 1971 zoek ik hoe dat in onze samenleving moet, wanneer je wilt trouwen. Professioneel is het geluk met me. Ik word benoemd op de RK Ped.Ac. De Voorzienigheid, Lauriergracht Amsterdam. Vanaf dag 1 is lesgeven spannend en plezierig. Daarnaast blijf ik studeren. Twee jaar later, in 1973 wordt onze oudste dochter geboren. In 1975 leg ik het Doctoraal
examen theologie af. Het afstudeerproject is een onderzoek naar dogmatiek
en de filosofie van het symbool, aangetoond in het voorbeeld van de eucharistie.
De traditionele logica van de "theologie" loopt daarin vast.
Een meer grammatologische benadering (Derrida) biedt mogelijkheden. Exegese,
goed lezen en jezelf oefenen in beter en zorgvuldiger lezen, niet alleen
gealfabetiseerde teksten maar ook in andere vormen van gedrag en presentatie.
Resten worden monumenten, teksten tillen je over de grenzen van tijd en
ruimte heen, maken de wereld waarin wij leven meer-dimensionaal. Taal
kan je tijdgenoot maken. Wat doe je wanneer je leest? Er dient
nog veel gelezen en geproefd te worden. In 1976 is mijn pabo "De Voorzienigheid" geminimaliseerd. Ik ga vrije tijd krijgen. Wat ik eigenlijk nog zou moeten doen is: mij meer verdiepen in het lezen van teksten uit de Bijbelse literatuur. Ik kies voor een klein gedeelte uit het evangelie van Johannes. In mijn Parijse tijd ben ik veel bezig geweest met Johannes 9. Ik kies nu voor Johannes 7. Ik vraag Ben Hemelsoet of hij
kritisch mee wil lezen en zo mijn studie wil begeleiden. Over 2 jaar zullen
we wel zien of daar meer dan een persoonlijke verrijking uit komt. Op 22 mei 1986 verdedig ik op de KTHA het proefschrift: Johannes 7, afbakening, samenhang, lezing. Het proefschrift ondervindt nogal wat moeilijkheden. De algemene theorieën maken Johannes en in het bijzonder het zevende hoofdstuk tot een eigenlijk onmogelijke tekst. Maar deze chirurgische manier van lezen maakt precies het lezen van wat er staat onmogelijk. Veel voorbeelden uit de literatuur over Johannes laten dit zien. Het enige dat je met teksten kunt doen is lezen, en wel zorgvuldig, omzichtig, behoedzaam en weer zorgvuldig. Alleen de tekst kan je houden in het spoor van de lezing. Professioneel. Hoofdvragen worden: hoe wordt een student(e) meer onderwerp van haar of zijn eigen studeren? Hoe maak je het mogelijk dat ze ook in dit, veelal onbekend vakgebied, toch een begin en een weg vinden? In 2007 wordt ik 65. Ik wil niet met pensioen. Mijn werk doe ik met hart en ziel en veel plezier. Wat je interesant vindt gooi je niet weg! Na 36 jaar gebeurt wat al die tijd ondenkbaar is: ik moet/ga met pensioen. (Een overval dwingt mij radicaal om te denken. Twee maanden voor mijn pensionering wordt toevallig slokdarmkanker geconstateerd. Na 5 jaar overleeft 10% deze kwaal. Door een appeltje en een sinasappeltje waar ik mee begonnen was, merkte ik "iets anders" bij het slikken. Daarom ben ik toevallig op tijd. Ik kan nog geopereerd worden. En het gaat goed.) Collegiaal Publicitair Ik ben medeoprichter van het interconfessionele tijdschrift Interpretatie, tijdschrift voor Bijbelse Theologie dat met Dirk Monshouwer als Hoofdredacteur voor het eerst in januari 1993 verschijnt. Twaalf jaar blijf ik lid van de redactie. Ik heb gedurende enkele jaren grote delen uit de Tora enigermate open gelegd voor radioluisteraars van de KRO voor het nieuws van 's morgens half acht in het programma Het levend woord en ik publiceer regelmatig in Kerugma, een reeks cahiers ten dienste van de verkondiging en Interpretatie. In 2006 word ik gevraagd hoofdredacteur van Kerugma te worden. De uitnodiging heb ik na ernstig beraad aanvaard. Vanaf jaargang 51 nummer 1 draag ik als hoofdredacteur de eindverantwoordelijkheid. Voor mij is het is verheugend dat zovelen hun inspiratie ten dienste willen stellen van hen die geroepen worden om voor te gaan in vieringen. In de schaduw van de tafel gaan de boeken steeds weer open. De oecumene wordt rond 2000 tot 2010 steeds meer een randverschijnsel. De Kerk komt er niet toe de eerste woorden van het Onze Vader serieus te nemen en doet daarmee veel mensen, zichzelf en haar Heer te kort. Website Sinds
medio 2006 assisteer ik bij zondaagse
vieringen in de kleine parochiekerk van Sint Jan de Doper in Amsterdam.
Het is een kerkje met een grote sociale samenhang van mensen die zich
inzetten voor hun gemeenschap. En de verkondiging is gebaseerd op respect
voor het goede dat de kerk ons biedt en respect voor de mensen die meedoen,
en voor de mensen om ons heen. Sinds
juli 2007 ben ik gepensioneerd.
|
| voor
vragen en of opmerkingen |