Beginnen: een onmogelijke en gemakkelijke opgave.

 

Voorbeeld 1.

Je komt voor het eerst in een van de wereldmusea, het Louvre, British Museum in Londen, het Oudheidkundig Museum in Cairo, of dichterbij: het Rijksmuseum, Van Goghmuseum, enz.

Wie in een meseum geweest is weet: je kunt de eerste keer niet alles zien. Je kunt ook in twee of meerdere keren niet alles zien. Een beetje kennismaken met wat een museum te bieden heeft betekent: vaker teruggaan. Kijk van dichtbij, van wat  verder weg. Een andere lichtinval proberen door van standpunt te  veranderen. 

Een museum is een totaal andere wereld dan die van jou – ook al ben je door  en door vertrouwd met “het joodse bruidje”, “de brief” van Vermeer en noem maar op. Leren kijken naar wat een museum te zien geeft vraagt tijd, geduld, aandacht, misschien zelfs “houden van” of “opeens gefascineerd worden”.

 

Voorbeeld 2.

Luister naar een van de laatste pianosonates van  Schubert, bijvoorbeeld nummer 18 in G, Opus 78, D.894. Misschien moet je twee of drie keer  luisteren naar het eerste deel, het molto moderato e cantabile. Neem dan nog een keer het eerste accoord. Je voelt bijna de snik van de tweede klank, even hoger en weer tot rust komend in het eerste accoord. Vanaf de eerste klank kan niet alles meer. Alles is al gegeven. Zelfs zonder méér te horen, hoor je al wat komen gaat, wat zich in vele klanken, tonen, ritmen, lijnen, variaties, herhalingen en vertragingen of versnelling of na een korte onderbreking zal gaan geven.

 

Of, derde voorbeeld.

Het eerste bezoek aan Parijs moet je radeloos maken. Je bent natuurlijk met iemand mee die er al eens geweest is. (Aan de bescheidenheid van de mededeling kun je nog niet vermoeden met een kenner te  maken te hebben. Een echte kenner weet hoe weinig hij of zij weet!) Aangekomen op Gare du Nord heb je al een glimp opgevangen van de Sacré Coeur. De drukte van dat mensen vretend en spugend station en de afdaling in de onderwereld van de metro. Ergens kom je dan weer  boven en je vermoedt na korte tijd, nee, je ziet, de bijna vertrouwde lijnen van de eindeloos afgebeelde Notre Dame. Ergens diep in je midelbare school geheugen heb je de naam terug gevonden van de metrohalte. Je weet weer Île de la Cité. Ginds die boordevolle straat: Rue Saint Michel. Als niet Amsterdammer ben je al onder de indruk van de drukte in de wereldstad. Maar naarmate je verder loopt door Parijs, naarmate je de publieke transportmiddelen gebruikt, vertrouwder wordt met de procedure in bus en metro, naar die mate begrijp je ook dat Parijs zich definitief aan je zal onttrekken ofwel eindeloos is.

 

En nu waar het om begonnen is.

In den beginne – zo heft het oude grote boek aan. In den beginne schiep God de hemel en de aarde. Dat weet je wel. Je kent die regel van kinds af aan bijna. Daar hoef je niet kerkelijk of vroom of religieus voor te  zijn. Volgens de Bijbel heeft God de wereld geschapen. Dat klopt natuurlijk niet. Want alles wat is is uit elkaar ontstaan, evolutie en primaten en zo. Je hersenen, je kennis, je beelden, je gevoel, je vermoeden, je verleden – kortom alles wat op een of andere manier, al die jaren, door je heen gegaan is en zijn sporen heeft achtergelaten, vertaal je, zelfs onbewust of niet geweten, in bekende beelden en inzichten. Welhaast xenofoob verwerk ik  alles wat me vreemd is, of ik verwerp het, ik verdring, duw weg. “Onzin”.

In den beginne …  roept stukjes van je eigen leven terug. Die eerste  woorden krijgen nauwelijks de kans om het begin van een verhaal te zijn dat eeuwenoud is, dat in een volstrekt andere wereld ontstaan of gegroeid is, dat om te beginnen nooit verteld is met de bedoeling om “het eerste verhaal” van de christelijke bijbel te zijn.

Bij In den beginne … denk je nooit aan slavernij en bevrijding, denk je niet aan Pasen in de zin van Pesach. Bij In den beginne – misschien liever Om te  beginnen, bij wijze van het begin van zijn scheppen heeft God: hemel en aarde. Dit verhaal gaat vertellen over eenheid en chaos, over onvoorstelbare eenheid en tederheid – denk maar aan hemel en aarde die, wanneer God onderwerp van het werkwoord is, bijeen horen, voor elkaar geschapen zijn – en denk aan de onvoorstelbare chaos van een wereld die van een hemel niets weten wil, die de kannonnen of geweren of messen laat beslissen, waar vuist en woede en de ene moordpartij na de andere meent rust en vrede te kunnen brengen, dag in dag uit.

In den beginne, om te beginnen …waar zijn die woorden op uit? Wat wil die geest die boven de onpijlbare diepten zweeft, niet te pijlen, onmeetbaar, oneindig.

En als … als het onderwerp van dit verhaal begint … wat zal het tweede werkwoord zijn? Spreken! Niets is ons zo vertrouwd als het produceren van teksten en taal, als het geroezemoes dat over en weer gaat als het kabbelen van een niet eindigende stroom. Af en toe een paar woorden gelach.

Als God onderwerp van spreken is, dan valt op spreken wel een eigenaardig licht. Dat merk je ook bij mensen die niet kunnen spreken, nog niet, of nooit, of nooit meer. Spreken heeft  blijkbaar te maken met  er zijn, met niet vanzelf sprekend zijn. Elk vogeltje moge zingen zoals het gebekt is, maar voor wie dit herkent gaat het niet over altijd weer hetzelfde  liedje”. Dat kun je niet meer horen, daar heb je geen oren meer voor.

Een stem is iets wonderlijks. Een stem kan je tot rust brengen, kan een hand zijn die je even aanraakt, voor ieder kennen eindeloos vertrouwd.

Als God begint te spreken, dan is het eerste wat hij zegt weer een werkwoord. In het hebreeuws staat daar: wajehi. En het geschiede .. Er zal zijn, er moet zijn, er mag zijn, geschiedenis zal er zijn, kome wat  komt maar er gaat iets  beginnen. Wat “iets”? Wat is dat iets dat nu bij wijze van spreke gaat beginnen, waar van nu af aan sprake van is, waar je nu nooit meer zonder hoeft te zijn, zelfs niet als je het niet ziet. Wat is dat hoogste  woord dat er als eerste UIT moet, mag, komt? LICHT. Van nu af aan valt er iets te zien, zie je het weer. Van nu af aan is er beschikbaarheid, presentie en presentatie.

Er is in het verhaal aan het begin op dit ogenblik van het verhaal nog geen mens te bekennen, maar alles waar je zicht op zou kunnen hebben, wat je kunt voorzien of niet voorzien, alles ook van inzicht en voorzichtig zijn, omzichtig ook en waar je oog voor moet hebben, een timmermansoog bijvoorbeeld, of een spannende manier van kijken – van dat alles kan en mag  van nu af aan sprake zijn.

 

Zoals eerder gezegd: het museum, een muziekwerk, de stad – ze zijn niet te overzien. Ze lijken onherbergzaam maar tijd kan en zal je het wonder leren dat daar plaats is. Dat je plaats kunt vinden en plaats kunt nemen. Dat je uitgenodigd bent. Dat je welkom bent in dit verhaal als je wilt, zelfs als dat een heel  ander verhaal is dan wat je verwachtte of ooit gehoord en gedacht hebt.

We gaan binnen het kader van enkele modules tijd nemen om hoofd en zijwegen te verkennen in een stad die zo groot en oud is als al die verhalen waar het boek en menig museum, kerk, bibliotheek of concertzaal vol van is. Reken er op: die schatten van verhalen zullen zich niet schaamteloos prijs geven. Ze zijn niet te koop. Het kost tijd, aandacht, zorg, behoedzaamheid. Het kost alles wat kenmerkend is voor leren of  onderwijs bijvoorbeeld.

 

Jan Engelen

© Herten, 28 augustus 2004