|
jan c.m.engelen 070103 NaamEen ding, of iets, heeft in de regel een naam. Daarmee kunnen we het noemen. Zo is het genaamd. Wanneer we niet weten wat iets is, kunnen we het niet noemen. Wat is dat? Komen we dan toch tot een bepaalde identificatie, bijvoorbeeld een ding – een ding is heel iets anders dan een mens bijvoorbeeld, of zoiets als water – dan is deze identificatie altijd voorlopig. Maar het is een begin. Het heeft betekenis, bijvoorbeeld ‘zoiets als water’. Of droge teer.
Door de naam wordt ‘het iets’ binnengebracht in een netwerk van betekenissen. Olieachtig of bordeauxrood voegen betekenissen toe. Zo komen mensen, dingen en andere zaken inde wereld van de taal, een groot archief waarin verleden ervaringen en namen zijn vastgelegd. Het netwerk van mogelijke betekenissen is de taal, het kunnen spreken. Betekenis is immers geen monoloog, is niet eenkennig. Betekenis is steeds de zin van het spreken, de richting, het adres. Binnen het oneindige netwerk van mogelijkheden, mogelijke betekenissen en mogelijke adressen, heeft mijn geschiedenis een soort constante gevormd. Dat niet geheel te omschrijven maar wel enigermate aan te duiden geheel is het eigen, het ik, archeologisch gezien. De ander geeft de consistentie, maakt mij aanspreekbaar, aansprakelijk ook. Door de ander wordt mijn woord antwoord. Niet alles is nu het (eigene, het) zelfde. Er is een verschil. De franse filosoof Levinas pareert deze constellatie aldus: ten overstaan van de ander kan ik niet meer onverschillig zijn. |