|
Les
1. Waar het Johannes op aan komt.
170403
Wat hebben we besproken?
Waar in een tekst of verhaal lost de spanning
op?
Wanneer
weet je: “Het is zo ver!”?
Bij
een verhaal is dat eigenlijk heel eenvoudig. Het verhaal zet iets in
gang. Er begint iets. Wat is dat iets? Precies dat wordt verteld.
Er was eens een koning.
Dus
het gaat over een koning. Wat is er dan met die koning? Vul
maar in. Zo begin je aan een eigen verhaal over een koning.
Wanneer ben je klaar met deze koning?
Deze
koning is uitgespeeld wanneer je verteld hebt wat hij op zijn
op zijn lever heeft en hoe het daar dan verder mee gaat, met die koning
en met wat hij op zijn lever heeft. Met andere woorden: wat is er met
hem? Wat verzet zich daartegen? Hoe komt dat? Hoe slaagt hij er uiteindelijk
dan toch in om te …? Je begrijpt:
je bent aan het einde, alles is duidelijk, wanneer het verhaal zo goed
als uit is.
Het komt dus aan op de afloop.
Aan
het einde van het verhaal wordt onthuld waar het eigenlijk of feitelijk
om begonnen is. Van hier, aan het begin, naar daar, het einde, is die
geschiedenis de grote spanningsboog die het geheel
omvat, die er zoiets als een geheel van maakt. Alle
delen binnen dat geheel sporen op
een of andere wijze met dat geheel. Al die sporen spannen samen om ons
te brengen naar waar de verteller ons hebben wil, naar wat wij als goede
lezers zouden moeten, willen of mogen weten.
Voor
Johannes betekent dat: kijk naar de laatste verhalen, keep in touch,
houdt voeling met het einde. Op weg daarheen construeert
het verhaal zich, informeert en vormt het de lezer, maakt het de lezer
tot lezer van dit verhaal. (Wanneer de lezer door het
geheim van dit verhaal is meegenomen, wanneer de lezer door het verhaal
geïnformeerd is kan voor haar of hem het verhaal beginnen. Nu je enigermate
weet waar het over gaat, ga je mee.
Bladerend door het evangelie krijg je de indruk van een structuur.
Je
merkt dat het begint met verhalen. Daarin ontstaat een spanning, een
gemotiveerde of ongemotiveerde tegenstand. Voor de kleine groep van
de intimi (de lezer is waarschijnlijk door de tekst mede inbegrepen)
volgt dan een langere toespraak. Tenslotte is er de gevangenneming, veroordeling en terechtstelling.
Dan dient zich een verrassing aan. Het einde blijkt niet het einde
te zijn. Het is nog niet afgelopen. In Johannes 20 krijgt het verhaal
een nieuw begin.
Na dit alles. Johannes 21.
Heel
het voorafgaande is in dit alles samengevat. Wat is er na dit
alles. Wat moet, kan nu nog gebeuren. Waarheen zou de tekst ons willen
meenemen?
Jezus laat zich weer zien aan de leerlingen.
Vertalingen geven graag verscheen Jezus.
Ik houd niet van dat verschijnen. Er zijn mij
te veel mensen die last van verschijningen hebben. Ze kijken dan vol
overtuiging en praten notoire onzin. Laten zien, zich laten zien,
zegt de tekst. Dat is mij voldoende. Jezus laat zich
zien.
Aan
wie laat hij zich zien. Aan de leerlingen.
Zo je wilt worden ook wij tot meewerkend voorwerp gemaakt.
Bij
de zee van Tiberias. Waar Galilea zo’n beetje
ophoudt. Waar je langs komt wanneer je uit Galilea naar Jerusalem gaat.
Het is een beetje een centrale plaats, vissersplaats.
Daar
is een groep van de leerlingen bijeen. Namen worden genoemd. Elke naam
is minstens één verhaal. Maar laat ons even verder gaan. Simon Petrus
zegt: ik ga weg, ik trek op, om te vissen. Hij lijkt wel een Hollandse
jongen. Ik ga een potje vissen. De anderen blijken daar alles voor te
voelen. Dan gaan we mee. Individueel en sociaal samen.
Ze
vangen de hele nacht. De hele nacht loopt uit op niks.
Zinloze vertoning. Terwijl het nog vroeg is staat Jezus aan de kant.
De tekst zegt dat het Jezus is. Je krijgt niet de indruk dat zij dat
weten of zien. De vreemdeling vraagt of ze iets te eten hebben. Dat
hebben ze niet. Alsof de beste stuurman aan wal stat
zegt hij: Gooi het net over de andere kant, gooi het over een andere
boeg. En het lijkt er op: het net heeft nog niet het water geraakt of
al die visjes springen er in. Zwaar, topzwaar is het net. Ze kunnen
het niet slepen.
Dat
ziet een van de leerlingen – zien of begrijpen – dat het de heer
is. En Petrus gooit zijn gewaad om want hij was niet gekleed.
Kleren zijn in die tijd iets anders dan nu. Kleding
was kostbaar en schaars. Die vissers wekken de indruk te vissen in iets
wat je als adamskostuum kunt identificeren.
Petrus
trekt zijn kleren aan en springt in de zee. We zullen straks, of over
een paar weken, wel zien, hoe dat verder gaat met die vissen. Interessant
voor het moment is: het lijkt er op dat aan het einde van het verhaal
het verhaal iets toevoegt dat ons terugbrengt naar het begin van het
verhaal, van alle verhalen.
Terug naar het begin: Johannes één en Genesis één
In
den beginne. Om te beginnen. Genesis 1 kan open. Johannes 1 ook.
Genesis
1: om te beginnen: God schept: hemel en aarde.
Johannes
1: om te beginnen: er is het woord. Dat woord is gericht op God, naar
God toe, trekt naar hem toe. Dat woord is God.
Johannes
klinkt raadselachtig. Maar woord
is hier niet logos (logica, -logie, ratio,
redelijkheid) maar natuurlijk (Natuurlijk? Ja, natuurlijk,
wanneer je let op het vanzelfsprekende milieu waarin deze tekst klinkt.
Dat is niet de wereld van de griekse filosofie, maar de wereld
van de synagoge, de tempel in Jerusalem, kortom, de wereld van de Tora)
Tora. We komen daar dadelijk op terug. Trouwens
we zijn daar ook.
Johannes
1,1 roept Genesis 1,1 op. Om te beginnen met
het scheppen van God: hemel en aarde. Onwillekeurig
denken wij dan steeds aan een soort allesomvattende archeologie op paleontologie.
Het scheppingsverhaal geeft de oergeschiedenis van deze aardbol of –korst.
Alleen: de vertellers hebben geen idee van ronde aarde of interstellaire
ruimte, weten niets over de verhouding tussen zon en aarde die zomer
en winter bepalen, of dag en nacht. Ja, zon en dag, dat komt er in voor.
Maar dat is dan, afgezien van het parallelverhaal over de kleine maan,
werkelijk alles.
Genesis
1 is er veel meer op uit om te vertellen dat hemel en aarde het
eerste stel is, het eerste paar, zo je wilt het eerste waarvan zon en
maan, in ieder geval zeker
Eva en Adam (waarom deze typische volgorde?) een ander
beeld zijn. Hemel en aarde horen, hoe en wat dan ook, bij elkaar.
Hemel:
waar God is.
Aarde,
waar de mens is, waar de mens hopelijk mens is of kan zijn.
Hemel
en aarde zijn dank zij Gods scheppen één. Waar wij geneigd zijn
een hemel van verschil te zijn, een onmeetbare afstand, bijbels gesproken
zijn hemel en aarde elkaars buren. Ze horen in zijn scheppen
bijeen.
Ook
al is in vers 2 de aarde alleen woest en leeg, zonder begin,
de geest – het laatste stukje van Gods aanwezigheid over een opgegeven
aarde – maakt duidelijk, garandeert, dat hemel en aarde toch één
zijn, bijeen horen.
Gods scheppen – blijken zal: dat staat en valt met
zijn spreken, zijn woord, zijn Tora.
Van
begin af aan moet een ding duidelijk zijn: deze wereld is niet een wereld
van slavendrijvers en slaven. God heeft daar principieel anders over
gesproken: Licht moet er zijn, en er is licht en God ziet het licht.
Hoe goed! En hij noemt het licht dag, en de duisternis nacht. Zo is
er avond, zo is er ochtend. Dag één.
Dag
één is de enige dag met het hoofdtelwoord. De rest heeft rangtelwoorden.
Dag één is een uitzondering, zoals de uittocht uit de slavernij een
absolute uitzondering is, een echt en werkelijk begin voor mensen die
aan vrijheid toe zijn, die daar oren naar hebben. Uitzondering, een
uitzondering zoals ieder mens een uitzondering is: geschapen naar Gods
beeld en gelijkenis.
Dag
één, de dag van het licht. Dat licht is de bevrijding op handen.
Johannes 20
Het
is de eerste dag van de week.
Bijbels gesproken is dat de
eerste dag van de week, tegenwoordig de zondag (al denken de agenda’s
om praktische redenen dat de zondag als deel van het weekend de week
afrondt). Feria prima, in het latijn. Zoals in het hebreeuws: jom echad: Dag Een. Bijbels is die dag bekend omwille van
het licht. Het is ook grammaticaal of verbaal de uitzonderlijke dag.
Geen enkele andere dag in Genesis 1 wordt met het hoofdtelwoord genoemd.
De tweede tot en met de zesde dag zijn rangtelwoorden.
Alleen DAG EEN is geteld met het hoofdtelwoord, een uitzondering. Het
eerste dat goed is noemt God in het verhaal licht.
Bij
Johannes begint die dag met Maria van Magdala die naar het graf gaat.
In 20,11 staat ze bij het graf te huilen. Desgevraagd zegt ze te huilen
omdat haar Heer is weggenomen. Ze weet niet waar ze hem hebben neergezet.
Die Heer is Jezus. Hij is in Johannes 19 aan het
kruis gestorven en door Jozef van Arimatea samen met Nicodemus in een
nieuw graf neergelegd. Dat alles is gebeurd op voorbereidingsdag (Joh
19,42), dus vlak voor vrijdagavond. Op Vrijdagavond begint de zevende
dag, sjabbes.
Na haar woorden draait Maria zich om. Ze ziet Jezus staan maar weet
niet dat hij het is. De lezer weet meer dan Maria. Hoe komt Maria zo
ver dat zij evenveel weet als de geïnformeerde lezer?
Zij
denkt dat het de tuinman is. De man van de tuin roept herinnering op
aan die andere man in die andere tuin. Is die associatie terecht? Wil
het verhaal dat we daar aan denken? (Het lijkt er op dat dit wel het
geval is. Kijk maar even verder. Jezus zegt haar:
raak mij niet aan. De boom in het midden mocht de mens niet aanraken.)
Dit is de ochtend van de eerste dag van de week. We komen daar nog op
terug. Gaan we nu naar de avond van die eerste dag.
Op
de avond van die eerste dag zijn de leerlingen bijeen, achter gesloten
deuren. Jezus komt en gaat in het midden – het midden! – staan.
Je gaat nooit zo maar staan. Je gaat altijd staan om te,
om iets te doen. Wat gaat hij die in het onmiddellijk voorafgaande slachtoffer
van het verhaal geworden is, nu nog doen. Als eerste zegt de tekst:
hij gaat in het midden staan.
Waar je, ook als lezer of toehoorder van dit verhaal, staat, hij staat in het midden. Daar
kun je niet omheen. Waarom gaat hij in het midden staan? Om iets
te zeggen. Het slachtoffer heeft het woord. Wat heeft
hij te zeggen?
“Vrede op jullie.”
Eigenlijk
is dat een beetje verwarrend.
Zijn
al die woorden als tekst gegroepeerd om ons vanuit het midden toe te
spreken en tegen ons te zeggen: Vrede op jullie? Is vrede zo belangrijk?
De tekst die alsof dat wel het geval is. Wat is vrede dan?
Hier
kunnen we twee wegen bewandelen. We kunnen een onderzoek starten naar
het begrip vrede in de bijbelse literatuur.
Een samenvatting ontleen
ik aan F.J.Pop, Bijbelse woorden en hun
geheim, Theologische verklaring van een aantal Bijbelse begrippen,
’s-Gravenhage, Boekencentrum 1951, p. 192-195. 1. De grondbetekenis
is welzijn met de nadruk op de materiële kant daarvan. Zo vraagt
men ernaar bij een groet. Het gaat dan over gezondheid en welstand (Richt.
19,20; Gen 29,6).
2. God geeft de vrede.
Dat is een diepe overtuiging. (Ps 122,6. Zie Lev 26,6)
3. De profeten verkondigen
de vrede. Het begint met valse profeten en valse vrede. God zal dan
geen vrede schenken. Maar in de ballingschap verandert dit. Zie Jer
29,11; Ez. 34,25; Jes 48,18, 54,13; 60,17.
Zie ook Jes 66,12 en 57,19.
4. Sjalom
is geen innerlijke vrede. Het gaat niet zozeer om het gevoel van het
individu. Aan de orde is met name het politiek,
sociaal, religieus klimaat: de vruchten van het werk, de vreugde van
de omgang met elkaar. Ps 85,11: Gerechtigheid en vrede kussen elkaar.
Het tegengestelde van
vrede is rampen, ongeluk, ellende, verdriet. Pas daarna natuurlijk ook
oorlog.
Bezien we dit alles als decor voor het woord hier
aan de orde, op die avond van de eerste dag van de week bij Johannes,
wanneer de gedane zaken een keer lijken te nemen.
We
kunnen ons ook beperken tot wat Johannes over vrede naar voren brengt. Dat
is allereerste dan hier, de context van het woord, het verhaal over
Jezus die gestorven en niet te vinden is, maar die zich aan Maria laat
zien, en nu aan de leerlingen. We vinden het woord hier, aan het einde,
drie keer: Jo 20,19.21.26. Er is een vooruitgeschoven post. Johannes
zet de vrede nog twee keer eerder in. In 14,27 en 16,33.
In
14,27 heeft die vrede onmiskenbaar te maken met de heilige geest, en
met het heengaan en terugkomen van Jezus. In het kader van het voorafgaande
kan dit te denken geven over het programma dat opschrift en voor-schrift
is van heel de bijbelse literatuur: hemel en aarde horen dank zij Gods
scheppen bijeen.
In 16,33 is die vrede het gevolg van alles wat hij, Jezus zegt. De vrede
vat blijkbaar alle woorden (vgl 6,63) samen.
Conclusie – voorlopig
We gaan uit van de werkhypothese
dat het Johannes uiteindelijk begonnen is om de vrede en alles wat daarin
meeklinkt. Die vrede is de vertolking van hemel en aarde, God en mensen,
horen bij elkaar, dragen elkaar. Daar dienen al die woorden van Johannes
toe.
Wat heb ik persoonlijk geleerd?
De
eerste volle maan in de lente = Pesach/Pasen
Zondag
is de eerste dag van de week, Domenica= zondag
Witte donderdag = laatste maaltijd à laatste avondmaal: “wij
waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd.”
Iedereen
die honger heeft mag komen, honger betekent in dit geval honger naar
eten, maar ook honger naar vrede en vrijheid.
Over Johannes, Christus (Latijn)= Messias (Herbreeuws)
Salem Aleikem
à vrede zij met jou
Sjaloom (vrede) Aleichem
De
verhalen die zijn besproken heb ik goed begrepen. Je kunt dan toch merken
dat je groeit in 2 jaar. Het is mij vooral duidelijk geworden dat sommige
woorden heel erg belangrijk zijn. Hierbij noemen
ik in het bijzonder even: “eerste”, “in het midden”, “honger”, dingen
die samen horen: “hemel en aarde”, “man en vrouw”, “begin en eind”,
draai ze maar eens om en je ziet hoe ze eigenlijk bij elkaar horen,
dan klinkt het meteen niet meer logisch!
Wat kun je er mee op de basisschool?
Je kunt er een les over de stand van de maan over
geven, iets over chronologie (chronos = tijd)
of over de sterren. Lessen over de betekenis van Pasen. En wat dacht
je over “vrede”, dat onderwerp zal ik dan ook zeker gebruiken aan het
einde van mijn DKW voor de afsluitende opdracht.
WERK
Wat weten we volgens Johannes wanneer we beginnen
aan Johannes 2?
·
Alles is ontstaan door, of vanuit God.
·
Johannes moest getuigen van het licht (hij was
het niet!)
·
De wereld erkent God niet.
·
Mensen die wel in hem geloven zijn uit hem geboren
en niet ontstaan d.m.v. geweldplegingen.
·
Jezus is de zoon van God.
·
Genade en waarheid zijn gebracht door Jezus,
de enige zoon van God.
·
Johannes: ik ben een stem die roept in de woestijn:
maak recht de weg van de Heer.
·
Johannes doopt in water, water dat door Hem
is geschapen
·
Jezus is het lam van God. (schaap van de herder)
·
Er zijn 2 volgelingen van Johannes
Les
2. Waar het Johannes op aan komt
230403
Wat hebben we besproken?
Waar we waren: in les 1 is duidelijk geworden dat Jezus
in het evangelie volgens Johannes uit is op vrede. Jezus
die verrezen is verschijnt twee keer te midden van de leerlingen om
vrede op jullie te zeggen. Er is toegelicht: een opdracht en een wens.
In de katholieke en orthodoxe liturgie wordt
voordat de mensen te communie gaan het onze vader gebeden of gezongen.
Daarna volgt een kort gebed dat eindigt met: De vrede van de Heer zij
met jullie. In sommige gemeenschappen geven de mensen elkaar daarna
ook een hand. In Zuid-Europa kom je dit algemeen
tegen.
Daarna volgt in de romeinse liturgie altijd het Agnus Dei, Lam Gods. In Les 1 hebben we al gezien hoe typisch dat voor Johannes
is. De eerste twee keer eindigt dit in miserere nobis, ontferm u over ons. De
laatste keer zingt de gemeenschap: dona
nobis pacem, geef ons vrede.
Hoe zit dat dan met die vrede, bij Johannes? Wat
is die vrede? Is die vrede zo belangrijk? Waarom is die vrede zo belangrijk en
wat stelt het voor? Kun je er mee?
Dat die vrede belangrijk is blijkt uit de plaats
waar het zo nadrukkelijk wordt genoteerd. Jezus
had in Johannes 20 ook kunnen zeggen: “Jongens, je snapt het wel waar
het over gaat. Doe je best, maak er wat van. Gedraag je
een beetje sociaal, probeer niet altijd op de beste plaats te zitten,
spreek niet met twee tongen, denk … zeg … vindt … en doe tot en met
trek tijd uit voor de Tora en wees ook eens een beetje serieus.” Ik
bedoel: door Jezus zo nadrukkelijk over vrede te
laten spreken spreekt hij ook over veel dingen niet – zijn er prioriteiten
gemarkeerd, ligt voor Jezus volgens Johannes blijkbaar het gewicht elders.
Voorbeeld. In het evangelie volgens Lukas
komen we ook Jezus die verrezen
is tegen. Aan treurende leerlingen vraagt hij waarom ze zo somber kijken.
Het mineur gesprek eindigt in zijn antwoord: o onverstandigen
- in joodse kringen heeft dat niet te maken met bijvoorbeeld de citotoets. Je bent dwaas wanneer je je
niet bezig houdt met de Tora – en tragen
van hart – dat zijn dwalenden, mensen die
niet weten waar ze het zoeken moeten – dat je geen vertrouwen hebt in
wat de profeten – profeten zijn uitleggers van de Tora – hebben gezegd.
En hij begint bij Mozes en de Profeten … Jezus die verrezen is bij Lukas
blijkt een rabbijn die de boeken op tafel legt.
Voor Lukas is dat in zekere
zin logisch. Lukas is hoogstwaarschijnlijk een niet-jood. Hij
is niet “belast” door enig verleden en ziet de rijkdom die het volk
bij de Sinaï gegeven is, de Tora.
Johannes is onmiskenbaar kind van de joodse traditie. Hij vooronderstelt
dit alles.
Jezus heeft bij
Johannes alles met de Tora te maken, maar, om het wat simpel te zeggen,
hij let meer op de praktijk van het bezig zijn met de Tora. Vrede is
daarbij meer dan een voorbeeld.
VREDE is voor Johannes de naam die uiteindelijk “dat
alles” samenvat, - blijkt (Jo
20, 19. 21. 26).
Als werkhypothese
gaan we uit van de aanname: Johannes presenteert ons Jezus als iemand
die uit is op vrede. Je hoeft niet te vragen of dit in 2003 nog steeds
zoiets als een programma kan zijn.
Vanuit het einde, dat perspectief, gaan we nu opnieuw vooraan beginnen.
Dag één en de derde dag die ook de zevende dag is
Al vrij snel blijkt in het Johannes-evangelie dat
er dagen worden geteld. Het fragment 1,19-28 blijkt een eerste dag te
zijn. Dat zie je aan 1,29. Daar geeft de tekst: de volgende dag. Dat
is dus dag twee. Nee, dat is de tweede dag. Je mag hier het rangtelwoord
gebruiken, net zoals Genesis 1,8 dat ook doet.
Dag 1 is in Genesis 1 een absolute uitzondering, de enige
die met het hoofdtelwoord wordt geteld.
Dag één is de dag van het licht. Die dag kent zijn
gelijke niet. Daarmee zijn we, net zoals bij één God, uitgeteld. Blijkbaar
is met het licht op een of andere manier alles gezegd. De andere dagen
komen simpel na elkaar, tweede dag, derde dag, enz. Rangtelwoorden:
de een na de ander.
Je ziet in 1, 19 de volgende dag. Dat is aardig.
Want die aanduiding komt terug in 1,35 en 44. Blijkbaar wil Johannes
je leren tellen, of moet je op je tellen passen. Wanneer 2,1 begint
en op de derde dag dan beginnen we te rekenen. Deze derde dag is ook
de zevende (x, - vlg
dag v.29, vlg dag v.35, vlg
dag v. 44) dag, want vier en drie is zeven.
De zevende dag is duidelijk. Dat is de dag van de
voltooiing, de dag van de rust. Een dag lekker staken. Het is af. Alles
is klaar. Uitblazen en opademen.
Maar de derde dag, wat is daarmee?
Dan moeten we terug, zoals gezegd, naar Genesis 1, de verzen 9 tot en
met 13. Als je gaat lezen merk je dat er twee zaken aan de orde zijn.
Op de eerste plaats gaat het over de wateren die op een plaats moeten samenvloeien. Zo ontstaat
de zee en het land. God ziet het en ziet hoe goed! Daarna komt er het
groene gewas met alle nadruk op zaad. Je ziet het aan bijvoorbeeld aan
de druivenstok in het voorjaar. Wanneer de kleine blaadjes uit de kop
komen en net opengaan, zie je een minitrosje. Omdat je weet wat je verwachten
kunt ontwaar je in dat propje puntje de komende tros. Hoeveel bomen
en struiken beginnen niet met bloemen zodat meteen de vruchtvorming
aanzet. Bij het groene gewas hoort de toekomst. En dat eindigt ook in:
hoe goed!
De derde dag, zo blijkt bij nader toezien, is de
dag waarop God twee keer
zegt hoe goed. Daarom is dat in de joodse gemeenschap
een uitstekende dag om te trouwen: twee keer goed! Een keer voor de
bruid, en een keer voor de bruidegom.
Wanneer Jo 2,1 zegt: en op de derde dag is er een
bruiloft in Kana in Galilea zijn we niet verbaasd. De derde dag is daarvoor
geschapen.
Samenvattend: op weg naar vrede begint Johannes 2 met een bruiloft.
De bruiloft of het huwelijk
in de Schriften, is altijd een beeld van het
verbond.
En let wel: bij verbond moet je niet denken aan een
ding, aan zoiets als kauwgum. Verbond
doet altijd denken aan dat het nu niet vanzelfsprekend is, dat het nu
bevochten is op slavernij en onderdrukking, dat het nu een uitzondering
is, godzijdank. Wij waren .. en hij heeft ons
bevrijd.
Verbond is dus een verleden hebben, niet vergeten.
Naast de derde en de zevende dag is er nog iets:
pesach misschien?
We gaan terug naar Jo 1,29. Het is de dag waarop
Sint Jan in zijn evangelie Jezus aanwijst als het lam
Gods. Wat is er met dat lam gods?
Het vervelende is, dat dit voor ons een vanzelfsprekende
zaak is. Vlak voor Pasen zie je ze bij de bakkers en de slagers alsof
het natuurlijk is lammetjes van brood of van boter. Pasen
associëren we als vanzelf met dartele lammetjes in de wei, het onmiskenbare
beeld van de lente.
Vergeet evenwel niet: het
Paaslam heeft alles te maken met de tiende plaag, de dood van de eerstgeborene
(het doorgaan van de geschiedenis is niet vanzelfsprekend(?)).
In Exodus 12 vind je, dat ieder gezin een stuk kleinvee
apart moet zetten.
Daar staat een datum bij. Je isoleert één dier van de
kudde op de 10e dag van de eerste maand. Dat dier wordt bewaard tot
de veertiende dag. Dan wordt het geslacht en het bloed van dit dier
wordt gestreken op de deurposten. Wanneer in de nacht de engel des doods
voorbijtrekt gaat om de eerstgeborenen te doden,
dan zal hij de huizen met het bloed van het paaslam overslaan. [[voorbijgaan,
overslaan: pasach. Pesach, pasen is daarvan afgeleid!]] In de
nacht van de veertiende op de vijftiende van de eerste maand is het
pesach/pasen. Pesach is de oude
naam voor Pasen.
Dat wil iets zeggen. Voor wie weet waar het over
gaat staat in Jo 1,29 bij zie het lam gods
in kleine letters of onzichtbaar geschreven, een datum. Er staat: de
10e dag van de eerste maand. Nu tellen we verder.
1,29: de volgende dag: de 10e dag
van de eerste maand;
1,35: de volgende dag: de 11e dag van
maand een;
1, 44: de volgende dag: de 12e dag van
maand een.
2,1 de 3e dag. ... Even rekenen: 12 plus
3 is 15. Dat wil zeggen pesach:
pasen!
Met andere woorden:
bij Johannes is die 3e en 7e dag ook de 15e dag van maand
1, dat wil zeggen: Pasen.
Het verhaal van de bruiloft van Kana zou voor ingewijden een paasverhaal
zijn.
Dat wil zeggen: het eerste verhaal van het johannes-evangelie (nadat de eerste leerlingen bijeen zijn
gebracht) is het verhaal over de bruiloft die toch doorgaat, over het
verbond dat niet stuk te krijgen is, over Pasen. Wij waren slaven in
Egypte en hij heeft ons bevrijd. Die bevrijding wordt in Kana meer ingevuld,
aarzelend nog maar tegelijk onmiskenbaar, onontkoombaar.
Johannes schrijft zijn evangelie,
naar het zich laat aanzien over de messias
die hij niet is. Zijn verhaal over de messias,
een verhaal over een leven op weg naar vrede, begint met een verhaal
over het verbond, het bedreigde verbond (geen wijn)
dat toch doorgaat. Nu begrijp je ook de afsluiting van dit verhaal.
Het heet: het eerste, het begin van de tekenen. Dit is het alles beheersende
principe van het evangelie van Johannes.
En, misschien is het wel aardig
om te weten, maar met Pesach vertelt en studeert Israël het verhaal
over de bevrijding uit de slavernij. Op de middag van de eerste
en tweede dag leest zij het Hooglied, het verhaal over bruidegom en
bruid, over god en zijn volk.
Met andere woorden.
Het lijkt er op dat Johannes
zijn verhaal over Jezus en zijn leerlingen niet wil beginnen tenzij
door Pesach/Pasen aan de orde
te stellen en binnen dat kader te gaan vertellen over Jezus. Zodra
er leerlingen zijn is het Pesach. Jo 2,13 pesach van de joodse mensen of mensen van Judea verrast
ons niet.
Gaan we nu naar de bruiloft van Jo 2,1-12
Zodra er leerlingen zijn (hoeveel leerlingen worden
er geroepen in Johannes 1? Wanneer is er sprake van een groep?) blijkt
Jezus als geroepen te komen in Kana in Galilea ter bruiloft..
Bruiloft
Als er bruiloft is, wat is dan de eerste vraag? Wie
trouwt er. Precies. Wie trouwt er? Alhoewel
… maar dat is voor later. Laten we nu zeggen: Dat weten we niet. Het
verhaal vertelt er niets over.
Wanneer het in de schrift
over bruiloft en huwelijk gaat, dan gaat het altijd over verbond. Zie
Hosea, het voorbeeld bij uitstek. Dus over God en het volk.
(Dan zou je al een beetje kunnen weten wie de bruid is en wie de bruidegom,
maar … later.)
De moeder van Jezus
Maria is er. Ze hoort er blijkbaar als van nature
bij.
Alhoewel.
Waar staat dat? Maria? Dat staat er niet. De moeder
van Jezus is daar. Wie is de moeder van Jezus. Dat is toch Maria! Ja,
maar het staat er niet. Geef je met behulp van het verhaal antwoord
op de vraag: wie is de moeder van Jezus, dan moet je letten op wat ze
doet en wat ze eventueel zegt. De moeder van Jezus is dan degene die
opmerkt wat er ontbreekt (geen wijn!). En ze zegt ook iets. Ze zegt:
Wat hij jullie ook zegt, dat moet je doen.
De moeder van Jezus zou dus iedereen kunnen zijn? Daar lijkt het op,
ja. Zie eventueel Markus 3,34-35.
Maria is daar. Jezus is
uitgenodigd zegt de vertaling. Het grieks geeft
letterlijk geroepen. Wanneer toch blijkt dat Jezus daar als geroepen
komt, dan is het toch te aardig om dat ook zo te vertalen!
Ontbreken
Er is geen wijn. De wijn ontbreekt. Vertalers kunnen
het niet laten hier tedoen alsof er wel wijn
was, maar die wijn was op. Dus: gebrek aan wijn. Letterlijk staat er:
terwijl de wijn ontbrak. Vreemde bruiloft, een bruiloft zonder wijn.
Dat betekent: een bruiloft die niet door kan gaan. Een bruiloft waar
iedereen zingt: we hebben dorst en we krijgen niets te drinken!
De moeder merkt het gemis op. Ze zegt
het haar zoon. Die vraagt in het grieks letterlijk:
ti emoi kai
soi: wat is er tussen mij en jou. Mooie vraag, de vraag naar
de binding, naar het tussen. Blijkbaar heeft iemand meer prioriteit
dan Jezus alleen., Blijkbaar hangt zijn doen,
ook wat hij gaat doen, niet van hem op de eerste plaats af.
Mijn uur is nog niet gekomen.
Doen zoals gezegd
Voor de moeder van Jezus betekent dit blijkbaar niet,
dat Jezus het niet zal doen. Zij zegt: wat hij jullie ook zegt, doe
dat.
Ze doen het. En ze vullen de vaten. Nee, ze vullen
de vaten tot de rand. Tot de rand – dan hangt ook in de vertelling je
hand hoog. Dan moet je je hand naar je toe
terug trekken. Wat is er dan aan de hand?
Ze laten de feestmeester proeven en die heeft geen
idee van wat er aan de hand is. Iedereen, maar jij! De ceremoniemeester
heeft bemerkt dat hier iets niet klopt. Dit is anders, een uitzondering.
Een vraagje
Tijdens het proeven blijkt het water wijn te zijn.
Wat is hier in ’s hemelsnaam gaande? Intussen beginnen de bruiloftsgasten
te zingen: Zo’ne goeie
hebben we nog nooit gehad. En geconfronteerd met de opmerkingen van
de leider van het feest tegenover de bruidegom vraagt de lezer zich
af: wat is hier aan de hand? Wie is dat, die Jezus?
Bruidegom
Intussen is gebleken dat er op deze bruiloft een
bruidegom is. Wie zou nu de bruid kunnen zijn? Zo merkwaardig als het klinkt, dat moeten we
in eerste instantie voor terug naar de vaten. Ze heten zes stenen
kruiken voor reinigingsgebruik. De kwestie van de reiniging komt bij
Johannes alleen nog aan de orde in 3,25. We worden deelgenoot gemaakt
van een dispuut over de reiniging. Ze protesteren bij Johannes dat Jezus
meer leerlingen maakt dan Johannes. Daarop antwoord Johannes om te beginnen
nogal plechtig. Over wat geen mens kan tenzij wanneer. Daarna wordt
het wat simpeler.
Johannes heeft gezegd: ik ben de messias
niet. Die de bruid heeft is de bruidegom. Ik ben de vriend van de bruidegom.
Ik sta er bij en luister naar hem. Letterlijk weergegeven: ik verheug
mij met vreugde en mijn vreugd is groot. Drie keer hoor je vreugde.
Het gaat over de vriend van de bruidgom.
Zou Johannes bedoelen dat de messias de bruidegom is? Zou Jezus de
messias zijn? Als de lezer deze vraag stelt moet ook de lezer
die vraag beantwoorden. En wie mag dan de bruid zijn?
Johannes heeft maar een dochter, een huwbare vrouw
in zijn evangelie. Daarvoor moet je naar Jo 11,12-19, met
name 12,15: dochter Sion. Sion is de meisjesnaam van Jerusalem.
Alsof de messias de bruidegom is en
Jerusalem de bruid.
Dat gaat dus allemaal een beetje snel. Johannes.
Wil je het nog eens rustig vertellen en uitleggen? Eerst: dit is het
begin, het hoofd van de tekenen. Het teken in hoofdzaak. De kern van
de zaak. De leerlingen gaan nu zien wat de komst van Jezus op de bruiloft
die niet doorgaat maar toch, betekent. Zijn heerlijkheid,
misschien meer naar de aard van het woord vertaald: zijn
gewicht, zijn doorslaggevende betekenis. Daarom gaan ze in vertrouwen
naar hem, vertrouwen ze zich aan hem toe. Dan is het
Pasen en gaan we op naar Jerusalem om daar te leren over het heiligdom
dat die stad siert.
De weg van en naar de vrede is de messiaanse
weg. Het is de weg over het verbond dat toch doorgaat. Als mensen maar
naar elkaar luisteren
Wat heb ik persoonlijk geleerd?
Het eerste verbond uit de bijbel is het verbond
tussen hemel en aarde, het wordt definitief en vernieuwd bij de Ark
van Noach als de regenboog verschijnt. God zal de aarde nooit meer in
de steek laten.
Geest= hemel EN aarde, maar het is toch EEN
De slavernij laat als beste zien dat de aarde
woest en leeg was
Weg uit de slavernij à dan vinden ze vrijheid
in het beloofde land
1 metreet = 40 liter
Messias is de koning van Israël
Jeruzalem = de bruid à het volk
Messias/Jezus = de bruidegom
Wat kun je er mee op de basisschool?
Wat ik vooral mooi vind uit dit college is het
woord verbond. Verbond vind ik, terecht opgemerkt door u, een bijzonder
woord. Om een verbond te hebben moet er inderdaad wel iets te “verbinden”
zijn. Er moet dus een geschiedenis aan vooraf zijn gegaan. Een geschiedenis
waarin twee werelden apart van elkaar hebben geleefd of zijn geweest
(want ze worden laten verbonden). Een verbinding is op zich al heel
wat. Ik zal bijvoorbeeld niet vergeten dat een geschiedenisleraar mij
ooit vertelde over de oorlog die gepland stond van de Romeinen tegen
de Germanen, ze wilden het land veroveren maar er waren geen vitale
doelen die ze aan konden vallen. Het volk zou elkaar niet kunnen vertellen dat er oorlog was, want ze woonden
ver uit elkaar. Kun je nagaan hoe belangrijk
een verbond is! Zonder een verbond ben je dus veel minder kwetsbaar.
Evenals taal een verbond is. Haal je de taal weg uit een land dan kan
men de geschiedenis niet mond op mond overbrengen. Het verbond is dus
weg. Ideeën voor het basisonderwijs? Dat lijkt me dus wel, geschiedenis
en taal, verbond is zo groot(s) dat de lessen er eindeloos mee kunnen
zijn.
WERK
Bedenkt drie contexten waarbinnen je gedeelten
uit Johannes 1 en 3 kunt inzetten voor speel/leer/onderwijssituaties.
1.
Joh.1.29: Daar is het lam van God. Ik zou aandacht
besteden aan de herder en zijn kudde. Welke functie heeft een herder,
een leider, een zoethouder, een woordvoerder? Tijdens de gymles zou
ik een activiteit opzetten waarbij het gaat om teambuilding. Bijvoorbeeld
“ravijn oversteek” (groep 8) De kinderen worden opgedeeld in groepen.
Per groep wordt er 1 HERDER aangewezen, alleen de herder mag praten.
Elke groep krijgt 3 bakken waarop ze kunnen staan. Deze staan op een
bepaalde afstand van elkaar. Ze krijgen ook 3 planken (die niet in 1x
over de afstand kunnen worden gelegd). De groepen moeten, onder leiding
van hun herder, proberen met evenwicht over de planken naar de overkant
te kunnen komen, dit kan maar op 1 manier! En elke herder wil zijn schaapjes
natuurlijk graag op het droge houden!
2.
Joh.3.19 Het licht is in de wereld gekomen, maar
de mensen waren meer gesteld op duisternis omdat hun daden slecht waren.
Aan de hand hiervan kun je een interessant gesprek houden over waarden
en normen, welke ken je? Welke zijn voor jou het belangrijkste? Heb
je er wel eens 1 overtreden? Wat doe je als je betrapt wordt? Zou jij
ook voor duisternis kiezen?
3.
Joh.3.29 Hij die de bruid mag bezitten, is de bruidegom.
Dit gaat over een “bruiloft” een verbintenis. En verbonden zijn belangrijk,
want zonder verbond zijn sommige dingen er niet. Vrede heeft ook alles
met “verbond” te maken. Als 2 landen geen afspraken maken zal er oorlog
of ruzie ontstaan. Er is dus een verbond (veel meer dan 1 natuurlijk)
nodig voor vrede. Je kunt kinderen in de krant artikelen op laten zoeken
die met een verbond te maken hebben, die staan er dagelijks genoeg in.
Deze artikelen kun je in de klas bespreken en kijken naar de verschillen
ertussen en de mate in hoeverre ze belangrijk zijn, en waarvoor ze belangrijk
zijn, etc.
Les
3: Door Samaria, een vrouw, een stad
140503
Wat hebben we besproken?
Inleiding
Eigenlijk zou je het verhaal wat gemakkelijk willen
houden. Jezus is onderweg en hij rust een beetje uit, bij een bron.
Dan komt er een vrouw water putten. Jezus vraagt
haar, dat ze hem te drinken geeft. Zij zegt iets als: dat jij, een Jood,
met mij, een Samaritaanse praat …
Er ontstaat er een gesprek en geleidelijk aan voelt
de vrouw zich zozeer begrepen door Jezus (Hij heeft mij alles verteld!)
dat ze er iedereen bij haalt. En ze gaan allemaal vertrouwen in hem,
want, zeggen ze, ze horen het zelf. Jezus is blijkbaar iemand die alles vertelt, die een en al woord is.
En blijkbaar doet dat goed, nodigt het anderen uit daarin te delen.
Maar als je het verhaal zo vertelt, weet je eigenlijk
nog niets. Dan is er geen inhoud, geen geheim ook, althans niet een
geheim dat je zou willen kennen. Is dat er dan?
Om dit verhaal bij de bron een plaats te geven moet
je een beetje weten hoe het verhaal van Johannes in die eerste hoofdstukken
in elkaar zit. Commentaar bij of inleiding tot een verhaal kan niet
zonder datzelfde verhaal.
Context
Johannes 1 speelt zich af bij de Jordaan. Daarna
wil Jezus naar Galilea (1,44) gaan. Dan is er Nathanael. Op een andere
plaats zullen we over hem spreken. De bruiloft (2,1-12) speelt zich
af in Kana, Galilea. Dan is er de afdaling naar Kfar
Nachoem (2,13), het troostdorp. Blijkbaar
is dat in het verhaal een tegoed, een “dat komt nog”. In 4,46 wordt
Kana weer genoemd en komt het verhaal van Kapernaum. Kana en Kapernaum
zijn bij Sint Jan blijkbaar twincities,
coördinaten. Ze roepen elkaar op, horen blijkbaar bij elkaar. Het is
aan de lezer om uit te zoeken of dat zo is. We gaan daar hier niet op
in.
Tussen Kana en Kapernaum
krijgen we een verhaal in Jerusalem (2,14 - 4,3). Aan de orde is Pesach,
de nacht waarin het grote gedenken (Wij waren slaven in Egypte en hij
heeft ons bevrijdt) wordt geleerd en geoefend. Over leraar zijn in de
paasnacht: Nicodemus.
In 4,3 verlaat Jezus Judea voor Galilea. De mensen
in Galilea hebben gehoord over hoe het hem gegaan is in Jerusalem. Zij
zien hem blijkbaar met vreugde komen (4,43-45). (De vaderstad van Jezus
lijkt bij Johannes Jerusalem te zijn!)
Tussen 4,4 en 4,42 krijgen we een verhaal tussen
Judea en Galilea in. Samaria is intermezzo.
Hoe zit het met die landstreken? Neem je de kaart
van Israël, dan ligt Judea met Jerusalem in het zuiden. Galilea is het
noorden. Daartussenin ligt Samaria, tegenwoordig meer bekend als de
West-Bank.
Judea en Jerusalem is het
joodse stad en land, het land van jehoedah.
Jehoediem wordt verbasterd tot Joden.
Galilea
is ontstaan als een vluchtplaats voor mensen uit Judea en Jerusalem.
Daar wonen dus mensen die eigenlijk uit Judea komen, heimwee-mensen. Mensen met hoge verwachting over Jerusalem en de Tempel.
Mensen voor wie telt wat in Jerusalem vanzelfsprekend is en tot het
leven van elke dag hoort.
Samaria is het land van de Samaritanen. De mensen
daar hebben de verwoesting van Jerusalem en de deportatie naar Babylon
niet meegemaakt. Hun bijbel gaat niet verder dan het boek Jozua. [Niemand
is zo erg als degene die zoveel op je lijkt. Denk aan buursteden met
hun onderlinge rivaliteit. Judea en Samaria is niet synchroon, zegt
de tekst in 4,9. Ze zijn niet compatible. Ze hebben niets met elkaar,
leven in verschillende werelden.
Op weg naar Galilea door Samaria.
A. Diachronie
We komen in zwaar bijbels land. Dat hoor je. Namen worden genoemd, namen van streken
en personen. Judea,
Galilea, Samaria, Jacob en Jozef. Samaria blijkt een landstreek
die, ondanks de immense afstand, toch verbondenheid
suggereert. Of is het verscheidenheid,
eigenheid? Zelfs onze vader Jacob heeft uit die put gedronken! Waarom
zo opgeven over onze? Wat wordt daar geclaimd, gereserveerd, afgedwongen?
Het is rond het zesde uur, in onze tijdsrekening
dus rond 12 uur. De bijbelse dag wordt gerekend vanaf zonsopgang. Je
vraagt je af: zou Johannes de andere evangelieverhalen kennen? Het lijkt
er op dat hij met name Lukas zeker gekend heeft, al is dat elkaar kennen
moeilijk te bewijzen. Toch: het zesde uur legt een onmiskenbare link
met Goede Vrijdag. Alleen: Sint Jan noemt die tijd niet.
Rond de middag, bloedheet. Soli cani et Germani,
zeggen de Italianen, zijn ‘s middag op straat. Alleen honden en Duitsers.
(Met Duitsers bedoelen ze dan toeristen.) Het toneel is dan ook leeg.
Bij de bron mag je altijd veel volk verwachten, maar als het rond de
middag is, is er niemand.
Jawel. Er is toch iemand. Jezus is daar. Onderweg,
moe. En daar komt die vrouw, een Samaritaanse, iemand die in dat gebied
thuis is, moederziel alleen om water te putten. Waarom is zij, afgezien
van Jezus, de enige? Waarom komt ze als er ogenschijnlijk niemand is?
Mag ze niet gezien worden? Waarom niet? Wil
ze niet meepraten? Waarom niet? Wie het weet mag het zeggen. Maar Jezus
breekt de stilte. Hij blijkt bij de bron te zijn gaan zitten om haar
aan te spreken. Om haar iets te vragen. De vraag is simpel. Geef me
te drinken? Je hoort bijna: Ik heb dorst (Jo 19,28).
Een gewone vraag. Maar meteen is er iets als van
bitterheid. Hoe vraag jij, een man uit het Joodse land, mij, een Samaritaanse,
te drinken! Eerder een uitroep of een afwijzing dan een vraag. Maar
zij verschuilt zich onder iets wat iedereen in de tekst blijkbaar weet:
Joden en Samaritanen zijn niet synchroon (zegt het grieks),
komen niet uit dezelfde wereld, delen geen beelden, herinneringen of
taal met elkaar, hebben eigenlijk niets (of alles?) met elkaar, verwijten
elkaar enkel afstand en onverschilligheid!
Niet-synchroom zijn
kan een naam wezen voor veel verloren tijd.
B. Als
je wist wie je vraagt.
Het moet een onverwacht moment zijn. Alsof het permanente
misverstand of “zich niet verstaan met elkaar”geen probleem is. Met
als je wist draait Jezus het hele verhaal
om. Als je wist zou je hem. Als je wat wist?
Als je wist van Gods gave en van wie het is die met je spreekt, dan
zou je hem te drinken vragen.
Daar komt wat ruis in het verhaal.
Daar rimpelt iets. De gave Gods. Vrijwel aan het begin van het
verhaal hebben we gehoord hoe Jacob de streek gegeven heeft aan zijn
zoon Jozef. Als je weet van de gave Gods en van wie het is die je vraag
geef mij te drinken – je zou het hem vragen en hij zou het je geven.
En zij sputtert over Jacob die de bron gegeven heeft en er uit gedronken
heeft.
Intussen doet Jezus volgens Johannes alsof hij in de vreemde, niet-synchrone land,
een bron is, of iemand die water schept. Maar voor de vrouw is
het geenszins een diepzinnige opmerking. Het is eerder dom, of beetje vreemd. Hoe kun jij aan
levend water komen als je geen emmer of kruik hebt?
C. Vreemd
Het is trouwens vreemd. Waarom
zet Sint Jan Jezus in de aanhef tot dit verhaal zo passief neer, zo
onhandig, zo “ze doen maar”? Moet je horen:
Hij moest door Samaria gaan. Hoezo
moest? Is dit hetzelfde moeten
als dat van de mensen (jullie) die van omhoog (3,7) geboren moeten worden,
van hetzelfde omhoog (3,31) als vanwaar het mensenkind komt, vanuit
het gezonden (3,34) zijn, vanuit de verhalen van alzo
hoge van al zo ver? Is dit het moeten (20,9) als bij de opwekking uit
de doden?
Moeten blijkt nogal eens gekoppeld aan volgens de
Schriften. De mensenzoon moet worden opgeheven (3,14 en 12,34. Dat alles
heeft te maken met zijn dood aan het kruis: opgeheven.
Anders gezegd: wat heeft die reis door Samaria te
maken met straks het einde dat het einde niet is in Jerusalem, maar
een nieuw begin vanuit Jerusalem?
Vreemd is ook die dubbele nelson waarmee deze geschiedenis begint. De Heer verneemt
dat de Farizeeën hebben gehoord dat Jezus meer leerlingen maakt en doopt
dan Johannes, ofschoon hij zelf niet doopt maar zijn leerlingen. Waarom
moet de Heer vernemen wat de Farizeeën hebben gehoord over Jezus? En
waarom wel dopen maar in feite niet. Hoezo wel en niet tegelijk?
Het zijn vragen die gesteld mogen worden, maar waar vind je een antwoord,
hoe kun je vermoeden wat een antwoord zou kunnen zijn?
Als Jezus te drinken vraagt dan zal er meer worden
aangeboord dan enkel een drinkader. Bij dorsten merkt Van Dale
op: meestal figuurlijk. Voorbeelden zijn: “Naar bloed dorsten, naar
wraak dorsten, er sterk naar verlangen”. Kortom: geef mij te drinken:
waar dorst hij naar. Waar is hij op uit. Wordt hier, midden tussen Judea
en Galilea zichtbaar gemaakt waar hij op uit is?
D.
Ben jij soms meer?
Geef mij te drinken, vraagt Jezus haar. En het afwerende
gebaar van de vrouw gebruikt hij om de rol om te draaien. De aandacht
van de lezer zal zich concentreren: als je wist wie … Wie is deze? Waar
gaat het over? Wat wil hij?
De diepzinnigheid van Jezus verrast haar niet. Je
hebt niet eens een emmer en de put is diep. En ze vergelijkt hem met
onze vader Jacob om alleen afwijzend te vragen ben jij soms meer? Volgens
haar dus niet. De lezer mag benieuwd zijn.
Jezus gaat niet in op haar
onderling vergelijken. Na haar algemene opmerking over Joden en Samaritanen
geeft hij een algemene uitspraak over ieder. En hij geeft aan hoe het
volgens hem blijkbaar anders kan: maar wie.
Blijkbaar is er te ontkomen aan wat ieder overkomt,
dorst krijgen. Blijkbaar is het mogelijk een bron te ontvangen aan water
dat uit is op volop leven, op leven naar de maat
van God, eeuwig.
De uitspraak van Jezus roept bij de vrouw geen vrome
gevoelens op. Orthopraxie telt voor haar meer dan orthodoxie: Geef mij
dat water! Simpel. Dan zal ik geen dorst meer hebben en dan hoef ik
niet meer over te steken naar hier om te putten. Zou hij dan opeens
toch meer zijn dan onze vader Jacob? Let ook op
haar aanhef. Niet meer Aaltje brutaaltje maar Kyrie, Heer. Komt
hij dan opeens van boven voor haar. Is hij iemand om naar op te zien?
Nu volgt een eigenaardige procedure. Zij wil dat
water om praktische redenen en moet daartoe haar man halen en naar hier
komen, naar waar zij niet meer hoopt te komen? Als het gaat over het
huwelijk dan gaat het in de bijbelse literatuur bijna altijd over het
verbond. Ik heb geen man. Daar is geen verbond, geen synchronie. Dan
wordt er geteld. Vijf en die van nu. Als je wist van de gave Gods en
van wie met je spreekt?
Daarin is blijkbaar meer gezegd dan een verwijt of enkel een verwijt. Daar is zoiets als Tora gehoord. Zij zegt: Ik zie dat jij profeet bent. Hoe ziet ze dat? Wat ziet
ze dan? Hoor hoe zij kijkt wanneer
het gaat over verbond of het ontbreken daarvan. Ze ziet aanbidden.
Ze ziet: onze vaderen. Ze
ziet deze berg (In Samaria). En ze ziet: Jerusalem. En bij dat alles ziet ze niet
hoe jullie kunnen zeggen wat de plaats om te aanbidden is?
Het lijkt een kwestie van uit
lokken, uit de tent lokken. Van jij
(profeet) naar jullie (in Jerusalem). Maar Jezus trekt haar spreken
door naar de vader. Ér komt een uur, en dat is nu (de lezer mag vragend
hernemen “nu?”) dat degene die echt aanbidden de vader zullen aanbidden
in geest en in waarheid. Het is een antwoord dat je een beetje van de
wijs brengt. Maar als we het nu een langzaam hernemen. Echt bidden is
geen kwestie van hier of daar, het is een zaak van en voor de vader
en het heeft te maken met geest en met waarheid.
Geest en waarheid zijn plaatsbepalingen. Als elementen van het bijbels
spreken vragen zij om een nadere situering.
Geest
zien we altijd tussen hemel en aarde. Vanaf Genesis 1,1-2 vinden we
die leesaanwijzing. Gij komt van alzo hoge
wordt gezongen vanaf de aarde, denkend aan alles wat ons nog onttrokken
is, wat ons te goed is. Denkend aan God die naar deze wereld kijkt,
voor wie wij er zijn.
En waarheid
is niet het tegenovergestelde van leugen, of bedrog. Waarheid is bijbels
gesproken een daad van genegenheid. Genegenheid (genade) is de binnenkant,
wat zich binnen, in een mens, of onzichtbaar tussen
mensen of tussen de mens
en God afspeelt. Dat kun je verifiëren aan wat er concreet gebeurt,
aan wat zichtbaar is, om zo te zeggen “buitenkant”.
De tekst herhaalt dat. Over de vader, over geest
en waarheid. Wat zou die waarheid, die daad
van genegenheid kunnen zijn? Voor de vrouw is dat geen vraag. Onmiddellijk
zegt ze: ik weet heer dat
de Messias komt! En zij weet ook wat de Messias
zal doen: hij zal ons ALLES
vertellen, uitleggen, berichten. Dat maakt de Messias niet tot een internationaal
of mondiaal persbureau. Alles is niet een verzameling van alle mogelijke
ditten en datten,
niet de super superlatief van veel, meer, meest, bijna alles en alles.
“Jij bent voor mij alles” snijdt heel iets anders aan. Alles wijst op
waar je blijkbaar ten diepste mee verbonden bent, de bron van je
bestaan, je verwondering.
Intussen weet de lezer of toehoorder van dit verhaal
wie (of hoe) voor de vrouw die Johannes beschrijft de Messias is: hij
zal alles ana-angelloo. Angelloo ken je
uit evangelie of engel, boodschappen, vertellen en verteller. Ana is de beweging
naar omhoog. Misschien ken je de titel anabasis, een klassieker van Xenophon. Landinwaarts trekken – rond de middellandse zee
is dat altijd omhoog. Ana
gaat ook vanuit Egypte naar hét Land. Zoals een tuinliefhebber de plantjes
uit de grond praat. Alles!
En Jezus geeft een opmerkelijk antwoord. Je kunt
het lezen en horen alsof het
geen geheim is. Ik ben de sprekende met jou.
Jezus zegt dan simpel met evenveel woorden
in bedekte termen dat hij de Messias is. Maar het Johannesevangelie
is altijd in de weer met ik ben. Laat dat even raadselachtig
zijn.
Met ik ben gaat meteen het
boek open in Exodus 3. De struik in de woestijn staat in brand. Het
gaat daarmee over God bij wijze van spreken. Evenmin
als een ander mens is God een onderdeel, een element van mijn wereld.
Blijkbaar staat degene die met je spreekt, die je dus niet alleen laat,
die je van ver over de grenzen van je wereld heen aanspreekt, in het
spoor van de Messias, in het spoor van God. Wanneer je dat vaag
vindt dan doe je alsof de wereld en de samenleving hanteerbaar en maakbaar
is, jouw bezit. Dan is de wereld en de samenleving geen geschenk, geen
opdracht, niet om te doen.
Ik stel voor om ik ben,
de sprekende met jou niet te lezen als “Ik ben de Messias”, maar als
uitleg van de naam van God als element van het heden, die met je spreekt.
Denk aan : het uur komt en het is nu (4,23).
Dan komen de leerlingen, een intermezzo, (een herhaling
met andere of evenveel woorden, of verdere uitleg: na het drinken nu
het eten). Waar gaan daar nu niet op in. We wachten even en volgen de
vrouw.
Zij laat haar kruik achter. Alles wat haar motiveerde blijkt van geen belang. Zij verdwijnt naar
de stad en wordt een communicatieproces, vertelt
de mensen ziet de mens die mij vertelt heeft alles wat ik gedaan heb.
Voor haar is hij de Messias, dat legt ze de mensen, ook ons uit. Daarmee
wordt de vraag voor ons neergelegd – als je wilt. Als het een vraag
is mag je antwoord proberen. Dat antwoord is geen
verbaliteit. Het heeft te maken met genegenheid en daden van genegenheid.
Wat heb ik persoonlijk geleerd?
Het verhaal bij de bron. Het woord bron is een
erg ruim woord. In dit verhaal hebben ze het over een bron waar water
uit geput wordt. Naast een waterput is het ook een bron die de mensen
nodig hebben. De bron geldt als een soort ontmoetingsplek waar iedereen
zijn voedingsstoffen uit haalt. Het is dan denk ik ook niet voor niks
dat Jezus de Samaritaanse bij DE bron tegenkomt. Want deze bron is dus
veel meer dan een waterbron. Het wordt, hoe langer de conversatie duurt,
steeds meer een bron waar ook het geloof uit blijkt te komen. De waterbron
wordt langzaam uitgebreid met de bron Jezus.
Ik ben meer gaan nadenken over het woord bron.
Ben het woord ruimer gaan zien en het overal mee gaan vergelijken. De
bijbel is ook een bron. Niet alleen voor (degenen die daar behoefte
aan hebben) hun basisbehoeften (vergelijkend met het water van de Samaritaanse)
maar ook een bron voor historische gebeurtenissen en in ons geval lessen.
Wat kun je er mee op de basisschool?
Ik denk dat er een aantal begrippen zijn behandeld
waar makkelijk lessen over te geven zijn:
·
De reeds besproken:
“bron”
o Waarbij
je lessen kunt bedenken als: een stelopdracht over jouw bron, bron van
ideeën, regels en wetten, inspiratie, dromen, etc.
o Tekenopdracht
over hetzelfde
o Drama
activiteit: een denkbeeldige klerenkist als bron, de kinderen halen
er (net alsof) een kledingstuk uit, trekken dit aan, en doen een aantal
handelingen als die persoon, bijvoorbeeld een agent.
·
Verschillen tussen mensen
o Gesprek
over racisme
o Project
slavernij
·
De Messias
o Gesprek
over wat de kinderen vinden wat een Messias moet veranderen (wat je
van hem verwacht)
o Opstel:
als er nu nog een Messias zou moeten komen, wat moet deze dan volgens
jou veranderen/verbeteren
WERK
Analyseer
de dialoog in Johannes 4.
Jezus
en de Samaritaanse vrouw
Kees
werd 10 jaar geleden geboren in Alkmaar. Zijn ouders hadden altijd in
goedkope woningen gewoond omdat ze al jaren in de schulden zaten. Toen
ze 5 jaar geleden ineens de kans kregen om te verhuizen naar een andere
wijk hoefden ze daar geen seconde over na te denken. Ze voelden zich
namelijk niet prettig in de wijk. Het was een wijk waarin veel buitenlandse
mensen woonden en daar hadden ze een hekel aan, maar ja dat konden ze
natuurlijk niet zeggen, ze hadden namelijk zelf amper geld om de huur
elke maand over te maken. Kees zijn vader kreeg
6 jaar geleden ineens een mooie baan bij de gemeente aangeboden en zodoende
konden ze 5 jaar geleden verhuizen. Naar een huis met een mooi tuintje.
En wat voor hun belangrijk was, er woonden
weinig buitenlanders in de buurt.
Kees
voelde zich er ook helemaal thuis. Hij zat in een leuke klas en een
aantal kinderen uit de vorige buurt zaten nog steeds bij hem in de klas.
Hij vond het alleen wel jammer dat ze nooit mee naar huis mochten, want
hij wist hoe zijn ouders zouden reageren. Op school had hij het reuze
naar zijn zin, hij vond die andere culturen alleen maar interessant.
Tijdens de pauzes bespraken ze vaak hoe het er bij hun thuis aan toe
ging, en zoveel leuke feesten als die mensen thuis hadden, daar was
Kees wel een beetje jaloers op!
Op
een dag kreeg Kees van Achmed een tractatie.
Het was een bijzondere vrucht en Kees wilde meteen weten hoe deze vrucht
heette en waar hij vandaan kwam. Aangezien Kees net bij de tandarts
was geweest mocht hij het nog niet opeten. Hij legde het voorzichtig
in zijn broodtrommel om het `s middags mee naar huis te nemen. Eenmaal
thuis aangekomen nam hij zijn broodtrommel mee naar boven en stak hij
de vrucht in zijn mond. O, wat smaakte deze heerlijk! Hij wilde
het graag aan zijn moeder vertellen, maar wist eigenlijk al wel hoe
deze zou reageren.
De
volgende dag op school vertelde hij het aan Achmed,
die het natuurlijk hartstikke leuk vond dat
Kees zijn tractatie zo lekker vond! “Als je nou vanmiddag met me mee
gaat dan laat ik je wel zien waar ik die heerlijke vruchten vandaan
heb. Want bij ons winkelcentrum zit een toko
en daar verkopen ze de vruchten!” Kees moest even goed nadenken en zei
toen al snel ja, al moest hij nog wel even een smoes voor zijn moeder
verzinnen. Eenmaal thuis zei hij tegen zijn moeder: “mam, ik ga vanmiddag
bij Jurgen spelen, is dat goed?” “Natuurlijk,
ben je niet te laat thuis?” Dat was snel opgelost!
Na
schooltijd gingen Kees en Achmed samen op
weg naar het winkelcentrum. “Hier moet het zijn! Kijk eens wat een
bijzondere producten allemaal!” Kees keek zijn ogen uit. Samen liepen
ze de winkel in en al snel zag Kees de overheerlijke stukken fruit liggen.
“Doet u mij er maar een stuk of 6 in een zakje, en 2 los,”zei Kees,
“die eten we meteen wel op”. De verkoper gaf het mee en ze begonnen heerlijk
te peuzelen. Toen ze buitenkwamen schrok Kees zich rot, want wie stond
daar….
“Uhmm, hoi mam, dit is uhmmm Achmed”. Zijn moeder liep een beetje rood aan. “Hij zit bij
mij in de klas”. Zijn moeder gaf hem voorzichtig een handje. Hallo.
Kees wist niet goed wat hij moest zeggen, “ik dacht dat je bij Jurgen
was”. Zijn moeder zag wel dat ze plezier hadden.
`s
Avonds thuis vertelde moeder tegen vader wat ze die middag gezien had.
“Ze hadden het zo gezellig.” Vader geloofde het niet meteen, maar wilde
er wel meer over weten. Moeder vertelde hem alles wat ze van Kees had
gehoord. Toen vader dit hoorde was hij overstag. Misschien hebben we
te snel geoordeeld.
Twee weken later werden de ouders uitgenodigd voor
het suikerfeest. Ze maakten er een leuk feest van en de ouders…. Die
dachten nu heel anders over buitenlandse mensen.
Les
4. De mens die blind geboren is
210503
Wat hebben we besproken?
Johannes 9
Terloops
Wie ziet er in het voorbijgaan? Voor ons is dat geen
geheim. Wanneer in het evangelie iemand een ander in het voorbijgaan
geneest, dan moet dat wel Jezus zijn. Maar het verhaal wil het anders.
Het verhaal vertelt: in het voorbijgaan ziet hij. Wie is hij? Wie is
die ander? Wie wordt volgens het verhaal naar ons toe gezonden, door
God aan ons gegeven? Wie is het onderwerp van het verhaal dat een leven
lang met ons mee wil gaan? In het voorbijgaan, terloops, alsof het er
niet toe doet, ziet hij een mens die blind is uit genetè/genesis,
geboorte...
Alhoewel! Terloops, in het
voorbijgaan. Volgens Exodus is dat ook de vertaling van Pasen. Pascha
(passeren??) betekent; het voorbijgaan van de Heer. Zomaar, terloops,
alsof het een paas-verhaal is. Elke zondag wil het geheim van Pasen
voor ons open leggen, voor ons, hier en nu. Dit jaar is die korte opmerking
'in het voorbijgaan' misschien opmerkenswaardig. Want het zou wel eens
kunnen zijn dat zo'n verhaal nu geen kans meer zou maken. Wij zijn immers op
ons qui-vive. We zijn tot de tanden gewapend tegen de tijd, tegen het
onherroepelijke voorbijgaan. Wij buiten het bestaan zo uit dat we dit
verhaal misschien wel eens niet aan ons zullen laten gebeuren, in het
voorbijgaan.
De gemankeerde schepping
Jezus ziet een mens, blind uit geboorte. De medische
encyclopedie, ook in ons hoofd, laat ons dan onmiddellijk weten wat
er aan de hand is. Probeer wat meer bijbels over hem te denken. In Genesis
1 zal de mens die van nature (uit geboorte) blind is grote moeite hebben
om in het verhaal te komen. Dag één, het licht. Als je blind bent zul
je dag één nooit zien, tenzij wanneer er een wonder gebeurt. En let
op het einde van het verhaal: nu je zegt wij zien, nu blijft je zonde.
Blijkbaar is dit blind-zijn een probleem waar
je niet zo makkelijk op komt. Een blinde vlek.
Je ziet niet dat je niet ziet en wat je niet ziet.
En er is nog iets. Denk niet dat van nature de schepping
aan je voltooid is. Jezus spuwt op de grond
en zalft met het drab de ogen - heel lichamelijk. Wil je dat met je
laten doen? Maar denkend aan dit gebaar komt dat verhaal weer terug:
God in het scheppingsverhaal, de Grote Boetseerder. Jezus
in het verhaal is bezig met waar de Vader bekend om staat. Hij maakt
verhaals-gewijs af waar de vader mee begonnen is. Alsof de
schepping alleen van begin af aan een aanbod is. Wij mogen het werk
afmaken dat God begonnen is. Hoe moet dat dan? Door te doen als God.
Een vraag die wonderen doet
Jezus ziet. De leerlingen vragen naar wat hij ziet.
Het zijn echte leerlingen. Ze volgen Jezus' ogen op de voet. Maar opmerkelijk
is, dat ze hun eigen vraag niet vertrouwen. Ze komen bij voorbaat al
met een antwoord: er moet schuld zijn en zonde. Wat zij zien is voor
hen resultaat van het verleden. Maar Jezus kijkt anders. Voor Hem is
wat hij ziet 'om te doen'. Waar zij zich distantiëren door met hun vinger
zonde aan te wijzen, identificeert hij zich met het slachtoffer. Hij
is met hem begaan. Dan gebeuren er wonderen.
De werkelijkheid is geen alibi voor beter weten.
In het hele verhaal blijkt dat op te spelen. De buren weten, de mensen
die hem van vroeger kennen weten, zijn ouders weten en de Farizeeën
weten. De leerlingen gebruiken het woord weten niet. Maar wat ze als
weten naar voren brengen wijst Jezus af. Noch … noch
… maar. En dan komt het geheim van dit verhaal over Jezus. Wie is hij?
Wat ziet hij in het voorbijgaan? Wat betekent zijn zien? Wat Jezus ziet
is niet het resultaat van het verleden. Wat Hij ziet biedt blijkbaar
een mogelijkheid waar nog niet aangedacht is. Zijn zien leert ons, anders
te leren kijken. Er is een reëel alternatief. Dat biedt het woord de
werken van God doen. Alsof wij daarbij uitgenodigd zijn.
Het onverwachte
Daarmee is eigenlijk alles verteld. Wat Jezus met
de mens blind uit geboorte doet vertelt het verhaal. Hij laat te midden
van de anderen in deze geschiedenis zien, wat zijn zien betekent, wat
het zeggen wil, als Hij je ogen opent. Geschiedenis, wat ons overkomt,
biedt de mogelijkheid van een keuze. Je kunt kiezen voor het goede dat
je overkomt. Ook al zie je dat zelf om te beginnen niet. Een ander opent
je de ogen, leert je te kiezen.
Wat kiezen?
Of: wie kiezen?
Het verhaal zegt: de werken van God doen. Doen als
Hij. Dat gaat over bevrijding en vrijheid. Dan is er een uitweg. Een
onverwachte, nooit gedachte mogelijkheid. Het goede dat een mens overkomt
van Godswege is volgens Gods Goede Verhaal (eu-angellion)
buitengewoon.
Wat heb ik persoonlijk geleerd?
Tijdens de voorbereidingen, van het uitspelen
van dit verhaal in de klas, kwam er een boeiende vraag naar boven: wat
betekent in dit verhaal “kunnen zien”. De uitleg van
u, hierboven, gaat uit van het zien door Jezus. De vraag van
ons ging juist over het kunnen zien van de “blinde man”. Wij dachten
dat blind in dit opzicht wellicht blind voor het geloof betekende. De
gelovigen negeren hem, en Jezus (voor wie iedereen gelijk behandeld
dient te worden) ziet hem juist wel. Nadat Hij hem (met natuurlijke
middelen, terug naar de schepping en dopend door het uitwassen met water)
de ogen letterlijk heeft geopend (hem het positieve heeft laten ervaren)
volgt hij Jezus. Wat ik heb geleerd is dus, ongeacht of deze beredenering
klopt, om beter naar de betekenis van woorden te kijken.
Wat kun je er mee op de basisschool?
Allereerst uitspelen tijdens een drama les, maar
dat ligt erg voor de hand, aangezien we dat zelf ook hebben gedaan.
In dit verhaal staat er eigenlijk maar 1 begrip
centraal en dat is: “zien”. Het lijkt me dan ook heel wijs om daar mee
verder te gaan. Je kunt het letterlijk nemen: proefjes met en over het
oog, lessen over het oog. Maar je kunt het ook iets figuurlijker
zien(is ie weer!): bekijk de wereld eens door
een toverbril: gebruik alleen vrolijke kleuren en denk eens aan iets
ergs, bijvoorbeeld oorlog, schilder dat eens in die, niet gebruikelijke
kleuren, of andersom, iets vrolijks met donkere kleuren.
WERK
Analyseer de dialoog van Johannes 9
De blindgeboren man wordt door de mensen genegeerd.
Hij is anders, minder. Jezus is de enige die
hem wel opmerkt. Hij wil de man juist helpen. Hij maakt een mengsel
op de grond, spoelt hem de ogen en de beste man kan weer zien. De Joden
willen niet geloven dat dit werkelijk de man
is die voorheen niet kon zien. De man legt het ze eindeloos uit. De
mensen zijn niet gediend van zijn “wijze” woorden en gooien hem eruit.
Jezus die hem vindt vraagt of hij gelooft.
De man kan en wil niet anders, dan geloven in Hem die hem weer heeft
laten zien. De blinde kan weer zien, en de zienden
(bijna correct Nederlands) zijn blind geworden, zij hebben iemand genegeerd
en later afgestoten, zij zijn blind voor vrede, eenheid en gelijkheid.
Les
5: De echte herder
040603
Wat hebben we besproken?
Johannes 10.
Amen, Amen:
“Geloof me, het is waar”. Of: je kunt er van op aan dat. Wat wordt
met zoveel stelligheid en geruststelling ingeleid? Wie niet door de
deur binnenkomt in de schaapskooi, wie ergens anders vandaan komt. Dat
is een dief en een rover. Wie door de deur binnenkomt – de man aan de
deur doet voor hem open. Je vraagt je af wie die
engel bij de deur mag wezen. Wie bewaart de poort, bewaart de toegang?
Wanneer een engel (zie Genesis 3,24) God bij wijze van spreken is dan
wordt ook hier meer te verstaan gegeven dan je in eerste instantie vermoed.
Dan is zo je wilt zelfs het verrijzenisverhaal aan de orde. Maar
ik wil daar niet op ingaan. Ik wil wat meer achtergrondinfo
geven en me daartoe beperken.
Enkele (veel) jaren geleden verscheen er in een landelijk
dagblad een advertentie: herder
gevraagd. Het ging over een kudde op de Drentse hei. Enkele duizenden
sollicitanten. We hebben een idyllische opvatting over herders. Het
lijkt zo lekker puur natuur. Pastorale. Een pastor is een herder. De
herder en zijn kudde geurt naar het leven op het land. Begrijp: in de
goede oude bijbelse tijd waren de meeste mensen zoiets als een herder.
Of de kudde bestond uit de schapen van meerdere families. Nomaden. Zwerven
achter de “ooit een beetje geregend en dus is er wat te eten voor de
schapen” aan.
Je kunt de herder geen brief schrijven. Hij leeft
buiten de samenleving. Hij mocht ook niet getuigen voor de rechtbank.
Hij was min of meer professioneel a-sociaal.
Mozes was een herder. David ook. En Abraham had ook een grote kudde.
Eigenlijk allemaal.
De herder is dus een goede bekende. Een vertrouwd
figuur uit het bijbelse landschap. Hij moest van
wanten weten.
De schaapskooi is een gebogen stenen muur, een cirkel
met een toegang open gelaten. De herdertjes lagen bij nachte
in de schaapskooi. De kudde, bijeengebracht voor de nacht, is dan gemakkelijk
te hanteren.
Als je op een andere (dan de voor-geschreven)
weg binnen komt, dan is het niet goed. Ga je door de deur dan wordt
de poort voor je open gehouden.
Voor wie
doet de man aan de poort dan de schaapskooi open? Voor iemand van wie
de tekst drie dingen zegt.
a. De schapen horen zijn
stem
b. Hij
kent de schapen bij hun naam
c. Hij voert hen naar buiten.
Je hoort: de echte herder brengt zijn schapen naar
buiten. Het lijkt wel ochtend als hij komt. Werk aan de winkel: hij
brengt ze naar buiten. Exodus een feit.
De binding tussen de schapen en de herder is gebaseerd
op kennen, op vertrouwd zijn met. Hij kent hun bij naam. En zij kennen
zijn stem.
Wanneer hij zijn schapen allen uitdrijft. Ik vind
dat allen zo aardig. Het geeft iets weer van “allen bij naam.” In je
stage hoef je maar twee keer bewegingsonderwijs te geven, dan weet je
al wie het laatste klaar is. Allen, ieder heeft zijn eigen ritme, hij
weet dat, houdt daar rekening mee.
Dan gaat hij voor hen uit. In 1978 zag ik het in
de woestijn ten Oosten van Amman. Een stofwolk uit de woestijn. Toen
het stof week voor een beetje zichtbaarheid zag je een reus, de herder,
die aan de kop van de kudde, als een belhamel, vooruitloopt, met zijn
staf grote gebaren makend zoals Sinterklaas dat ook kan doen. Daarachter
zag je een wolk op heel veel pootjes: de kudde.
Hij loopt voor hem uit en zij achter hem aan WANT.
Hier wordt uitgelegd waarom ze hem volgen. Want ze kennen zijn stem.
Heel hun gaan is de vertolking of het effect van
hun kennen. Ze kennen en herkennen hem. Hij hoeft zijn mond maar
open te doen en ze weten dat het goed zit. De
stem is vertrouwd. Het doet mij denken aan de stem die voorleest
uit de Tora in de synagoge. Wat je ook hoort: het geluid is door en
door vertrouwd, puur herkenning. Alsof dat iemand
is: zijn of haar stem.
Maar ze begrijpen toch niet waar hij het over heeft.
Hier is nog geen kudde met een eigen herder. Opnieuw gaat Jezus naar
de deur – al is het toch verassend.
Betrouwbaar is wat ik jullie zeg: ik ben de deur
van de schapen. Naar dieven en rovers luisteren de schapen niet. Ze
weten wel beter. Maar ik ben de deur. Er is iets dat hem tot deur maakt.
Een beetje merkwaardig beeld. Ik hoor me al zeggen:
“Ik ben de deur.”
Wantrouwen tegen deze formulering vertolkt je eigen
onbekendheid. De herder is namelijk “de deur” wanneer de schapen de
schaapskooi binnengaan. Hij gaat in de deuropening staan en laat de
schapen onder zich doorlopen. Hij staat dan letterlijk boven de schapen,
over de schapen heen. Hij zet zijn leven over de schapen heen. Precies
dat staat letterlijk in Johannes 10,15. Hij is dus als
het ware hun hemel over hun aarde, hun plaats, hun zich veilig voelen
en geborgen weten, hun durf (om er te zijn).
Nu begrijp je nog beter: ze kennen zijn stem, ze
kennen, vertrouwen hem. Hij is “zijn stem”. Zijn stem horen
betekent voor hem: vrolijk vooruit huppelen en je te goed doen aan wat
de weide biedt. Kort gezegd: hun
gaan is zijn stem. Daar heb je beeld en tekst bij elkaar- als in
een strip. Zo is hij hun Tora, hun woord dat geschiedt.
Toepassing
Van hieruit kun je Johannes 20,11 en volgende beter
verstaan. Ik zeg het kort: hoe weet Maria dat hij het is. Ze herkent
hem aan zijn stem. Iemand merkt op:”Maar waarom herkent ze hem dan niet
eerder? Hij zegt toch al eerder iets tegen haar!” Waarom herkent ze
hem nu pas. Omdat ze zijn stem herkent wanneer hij haar naam uitspreekt
(20,16). Let eens op het gezicht van kinderen die elkaar weer zien.
Uitweiding
Het zou onverantwoord zijn om hier niets te zeggen
over psalm 23. : Mijn herder is de heer, het ontbreekt mij aan niet.
Hij … mij
De tekst begint in de derde persoon.
Als die herder wordt genoemd … hij leidt mij naar
grazige weide … De tekst ziet direct dat er plaats voor mij is, en wat
voor plaats! Grazige weide, rustige wateren,
sporen die naar hun doel voeren reiken begaanbaarheid aan. Omwille van
zijn naam, want zo IS hij.
Wanneer dat zo zeker is, dan is er ook geen angst
meer. Al ga ik door de vallei van de dood, ik vrees geen kwaad WANT
JIJ. Opeens is er de omslag van de derde persoon (hij) naar de tweede
(jij). Je stok en je staf, je “herderlijkheid”, je
gaan, je Tora. En moet je dan zien wat JIJ doet! In tafel. Zelfs
ieder die zich tegen mij keert mag zien hoe er voor mij bij jou plaats
is en hoe je met me omgaat. Met olie zalf je me (dat gebeurt met ieder
kind dat gedoopt wordt in de katholieke kerk), maak je me tot gezalfde,
geeft me koninklijke allure. En mijn beker, mijn plaats om te drinken
– het houdt niet op. Bevrijding en genegenheid ben
JIJ voor MIJ, zolang mijn leven duurt. En tijd vloeit dan uiteen in
ruimte, heilige ruimte: het huis van de heer. Waar HIJ (nu weer de derde
persoon) thuis is. Daarmee heeft de goed ge-”herder”-de
werkelijk alles gezegd.
Nog iets. Dat wilde ik ook eens een keer aan de orde
stellen. Het staat niet direct in verband met het voorafgaande.
Johannes 8,1-10
Een verhaal met een heel eigen vocabulaire. Vermoedelijk is het een “verdwaalde tekst”.
Maar een tekst die zijn plaats niet kent is ook een afgerond verhaal.
En het is een uitzondering. Alleen hier deelt Jezus het midden met een
ander, met een vrouw.
Het verhaal is bekend, alleen de titel al. De overspelige vrouw. Iedereen weet ook waar dit verhaal over
gaat. De vrouw is op heterdaad betrapt. Maar als die daad zo heet is
als de gemiddelde Nederlander denkt, waar is dan die man?
Overspel in de bijbelse literatuur is vaak een ander
woord voor afgodendienst, voor zijn heil ergens anders zoeken.
In het voorafgaande stuk is Jezus min of meer veroordeeld.
Of nog beter: de dienaren die Jezus hadden moeten meenemen worden veroordeeld.
Toch niemand van de ´autoriteiten” ziet wat in die man, alleen dat stomme
volk dat de Tora niet kent. Nicodemus (een van die autoriteiten) merkt
op: Onze Tora veroordeelt een mens niet, tenzij wanneer men hem kent
en weet wat hij doet. Daarop proberen ze hem ook aan de kant te zetten.
Uit Galilea zeker. Geen profeet komt uit Galilea!
Op deze plek van misverstand, onwil, narrigheid –
wat zal het zijn – eindigt het verhaal. De olijfberg, de westelijke
flank vol olijven in de stralen van de middag en avondzon. Daar was
een olijfpers, de hof van olijven. Volgens Johannes is het een plaats
waar Jezus graag is. Als je je ogen opslaat, ’s morgens vroeg, zie je daarboven, vlak
bij, de tempel.
De volgende dag: Jezus, de tempel, het volk, leren.
Je ziet het zo voor je gebeuren. Leren, bezig zijn met de Tora. Maak
daarvan niet alleen het dor en droge bladeren
in je bijbeltje van. Want de Tora, het vrijgeleide van Egypte naar het
veelbelovende land, kun je alleen maar horen en lezen als je zelf hoort
en leest. Je adem moet als het ware leven geven
aan de woorden die er staan, ze opwekken uit de dode drukinkt.
Bezig zijn met de Tora heeft te maken met horen en
vertellen, met vragen stellen, peinzen, denken, betrokkenheid. Het heeft ook te maken met degenen die voor en naast je staan
of zitten. Zo neemt Tora (denk aan de echte herder) een mens mee, Ervaringsleer,
vanuit je ervaring begrijpen wat je hoort, vermoeden, tasten.
De tempel, Jezus, het volk, leren.
In dat tafereel wordt ingebroken. Ze komen met een
vrouw. Gepakt. Veroordeeld. En die zetten ze
voor hem neer, in het midden, om hem te pakken. Daar kan hij nooit onderuit.
Als Mozes je veroordeelt kun je niet zeggen: “Halleluja, halleluja, niets
aan de hand”. En dan moet er gestenigd worden.
Intermezzo
Dat moet nu even. Want stenigen is in sommige gemeenschappen
nog steeds denkbaar en te doen. Toch berust dat op misverstand, wanneer
de traditie van Israël rond de boeken van Mozes enig recht van spreken
heeft.
Eerst de simpele laag. Wanneer iemand van een halszaak
beschuldigd wordt, dan moet de beschuldiger bij veroordeling de eerste
steen gooien. Die moet dodelijk zijn. Een vals getuigenis laat zien
wie je bent: een moordenaar.
Ten tweede: natuurlijk mag en moet
je de gemeenschap beschermen tegen mensen die de gemeenschap naar het
leven staan. De hoge raad had het recht om iemand ter dood te
veroordelen, maar een raad die dat soort oordelen velde was een bloedraad.
Dat was dus niet gebruikelijk.
Ten derde: bij bijvoorbeeld overspel of een ander
dramatisch vergrijp moet je je als dader goed
realiseren wat je doet. Je maakt je zelf tot iemand die buiten spel
staat, je berooft jezelf van de gemeenschap, je veroordeelt, “stenigt”
je zelf. Ook de vloekpsalmen moet je zo verstaan. De
teksten beogen niet de ander te veroordelen. Ze brengen je onder ogen
dat je jezelf veroordeelt wanneer je je als
een tegenstander gedraagt. (Het is een oude poging tot pedagogie
waarin je je zelf je eigen pedagoog bent.
Dit soort teksten staan je niet toe anderen te veroordelen. Ze zijn
voor eigen consumptie.
Jezus buigt zich. Onttrekt hij zich aan de zaak?
Hij schrijft op de grond. We weten niet wat hij schrijft. Wel
dat hij zich buigt. Die vrouw heeft iemand
die zich voor haar buigt. Het is het gebaar dat je maakt wanneer
een kind je iets vraagt. Dan buig je je ook,
een koninklijk, meester-lijk gebaar, je buigen voor de ander. En zij blijven
aandringen. Ze willen. HAAR veroordelen, HEM veroordelen. Op hun aandringen richt hij zich op. Hij zegt iets over de eerste
steen, alsof er al veroordeeld is. Wie van u zonder zonde is … Die opgeheven
vinger met het korte, beslissende en dreigende gebaar wordt overwonnen
door een paar woorden. Wie van jullie zonder zonde is.
Helaas weten wij precies wat
zonde is. Toch zou het beter zijn om te doen alsof je dat niet
wist. Daarvoor is het niet-goede te veel een raadsel. Zonde
is je distantiëren, niet meedoen, kiezen voor
het a-sociale. Ieder voor zich en God voor
ons allen betekent toch simpel: ikke is ikke
en de rest kan “je weet wel.” Zonde is geen antwoord geven, je niet
verantwoorden. Zonde vergeven is dan het verbond herstellen, pardon
– niets herstellen, weer als nieuw maken. Een ervaring wijzer en rijker
geworden, weer wat geleerd.
Maar ze gaan weg. Let op hoe genuanceerd Johannes
dit geeft: een voor een. De ontdekking dat je niet een onnozel schaapje
bent dat van niks weet doe je blijkbaar persoonlijk:
een voor een. En nog leuker: te beginnen bij de oudste.
Dus dat volle toneel in de tempel, al die mensen,
dan die vooruitgeschoven vrouw als valstrik voor hem, dat kabaal en
de stilte. Iedereen blijkt weg te gaan. Allen af. Hij blijft alleen
over en zij in het midden.
Er volgt niet veel dialoog. De woorden moeten op
een goudschaaltje gewogen worden. Maar ze blijken er niet te zijn.
Waar zijn ze – nee: eerst spreekt hij haar aan. Vrouw.
Hij maakt haar tot tweede persoon enkelvoud en geeft haar het woord.
Waar zijn ze. Heeft niemand je aangeklaagd?
Jezus wil de rol van de
aanklager ook niet spelen . Zondig voortaan niet meer. Natuurlijk is
de zich emanciperende gemeenschap hierover gevallen. Zolang je fetisjistisch
over zonde denkt grijp je alles aan voor je eigen gelijk. Geeft Johannes
hier bij monde van Jezus niet aan, dat er een nieuw begin is. Zie johannes
1,1: om te beginnen, het woord.
Wat heb ik persoonlijk geleerd?
Een schaapskooi moet je zien als een vorm van
opgeworpen stenen zoals je die vaak in Griekenland tegenkomt.
Pastoor = herder
De herderstaf met de krul dient ervoor om de schapen
bij de pootjes te pakken, Sinterklaas is een bisschop met zo`n staf.
Goliath ten val door een steen op zijn knie, hij
wordt uit evenwicht gebracht…
Schapen herkennen zijn stem
Hij kent de schapen bij naam
Gaat naar buiten (de uittocht)
Belhamel = het voorste schaap
De herder is zelf de deur in de schaapskooi, zijn
stem is de hemel, je thuisvoelen bij elkaar=herder
De schapen gaan onder de herder door naar binnen.
Wie is de herder? (in huis, in school?) Zijn kinderen
ook wel eens herder?
Maria, zij herkent Hem aan zijn stem!
Overspel= afgoden dienst
Zij klagen HAAR aan om HEM aan te klagen
Wat kun je er mee op de basisschool?
Ik denk vooral het laatste van het hierboven genoemde.
Wie is de herder? Op verschillende plaatsen. Wat doet een herder, wat
is zijn functie? Het is iemand die op de groep let, er boven staat,
maar ook goed moet kijken of iedereen in de groep het wel naar zijn
zin heeft, of in ieder geval in staat is om zich aan te passen. Dit
kun je laten terugkomen in bijvoorbeeld de gymles.
WERK
Lees de tekst en geef een samenvatting. Zoek
enkele voorbeelden uit de jeugdliteratuur die hierbij illustratief kunnen
zijn.
Johannes 2: er vindt een bruiloft, verbond plaats,
we weten alleen niet wie er met wie trouwt. Jezus verandert het water
in wijn. Dit was het teken waarop de leerlingen in Hem gingen geloven.
Hij vertrekt naar Kafernaüm. Hij verdrijft de handelaren uit de tempel. Dit
on-respect voor het huis van God kon hij natuurlijk niet tolleren.
Hij laat de tempel afbreken en verzekert hen dat deze zal herreizen
binnen 3 dagen. Met de tempel bedoelde hij echter zichzelf. En zij geloofden.
Johannes 3: alleen nieuwgeboren zullen tot het
koninkrijk van God kunnen toetreden, ook mensen die al jaren leven zullen
dus opnieuw geboren moeten worden. Zij moeten gedoopt worden. Alleen
dan weten we zeker wie gelooft. Want Jezus is teruggekomen, het licht,
maar de mensen wilden duisternis, ze waren slecht bezig. Dus toon uw
ware geloof, laat u dopen en geloof in Zijn zoon, dan zal U het eeuwig
leven krijgen.
Johannes 7: er is enige verdeeldheid ontstaan.
Jezus heeft zijn “kunsten” laten zien. Sommigen zijn gaan geloven
dat Hij de Messias is, anderen vinden hem een grote oplichter. Na een periode van onderduiken geeft Jezus op en maakt zich openbaar
kenbaar. Dit is het teken voor delen van het volk om het te gaan
wantrouwen, maar wat heeft de echte Messias dan te bieden? Iedereen
die zich nog bij Hem aansloot werd ook als verrader en oplichter beschouwd
en dat, zonder geluisterd te hebben naar wat Hij te zeggen had.
Johannes 9: *De blindgeboren man wordt door de
mensen genegeerd. Hij is anders, minder. Jezus
is de enige die hem wel opmerkt. Hij wil de man juist helpen. Hij maakt
een mengsel op de grond, spoelt hem de ogen en de beste man kan weer
zien. De Joden willen niet geloven dat dit werkelijk de man is die voorheen
niet kon zien. De man legt het ze eindeloos uit. De mensen zijn niet
gediend van zijn “wijze” woorden en gooien hem eruit. Jezus
die hem vindt vraagt of hij gelooft. De man kan en wil niet anders,
dan geloven in Hem die hem weer heeft laten zien. De blinde kan weer
zien, en de zienden (bijna correct Nederlands) zijn blind geworden, zij
hebben iemand genegeerd en later afgestoten, zij zijn blind voor vrede,
eenheid en gelijkheid. (*al eerder geschreven)
Jeugdliteratuur
·
Krik,
de prins die trouwen moest
·
Reus
zoekt heks (om mee te trouwen ...)
·
Kan
ik trouwen met mama?
Over licht/duister
en blindheid was het moeilijker om een leuk boek te vinden.
·
Les
6: door Johannes heen gewandeld,
110603
Wat hebben we besproken?
Begin van een weg
Gedurende het eerste
college hebben we de omtrek van het evangelie verkend. We wilden
zo iets “op het spoor komen” van “hoe zo’n
tekst zich uitrolt”, waar het om begonnen is, wat het verhaal in eerste
en laatste instantie te bieden heeft.
We keken naar waar
het uit komt, na “wat het blijkbaar bereikt”, hoe het afloopt. Zo kwamen
we in de buurt van het graf in Jerusalem waar Jezus vermoedelijk voorlopig
begraven, bijgezet was. Meer precies: we kwamen bij Maria Magdalena
die bij het graf staat te huilen.(H20) Het verhaal speelt zich af in
de ochtend. Op de avond (20.1-20.19) van diezelfde dag
zijn de leerlingen blijkbaar nog steeds bang voor wat hun boven het
hoofd hangt bijeen. Het verrijzenisverhaal blijkt hen niet gerust
te stellen. Dan staat Jezus plotseling in hun midden.
Voorlopige conclusie
Ik houd ervan om
het maar een beetje gemakkelijk te zien. Als Jezus, onvoorstelbaar,
dood en begraven, leeft en in hun midden staat – wat gaat hij dan doen.
Over de grens van de dood heen blijkt hij te gaan spreken. Het kan nu
niet meer over trivialia (flauwekul) gaan. Wat blijkt? We (alsof we bij de bange
leerlingen horen) krijgen te horen: vrede op jullie! Zie johannes 20,19. 21 en 26.
Jezus die verrezen is heeft blijkbaar (te-)vrede (vreedzaam)
voor ogen.
Vandaar uit heb
ik als hypothese geprobeerd: stel je voor, het evangelie van Sint Jan
heeft uiteindelijk geen andere bedoeling dan vrede. Zou je zo mogen
lezen? Wat strekt dan tot vrede? Hoe presenteert het verhaal van Sint
Jan die weg die vrede aanreikt – eventueel: wat moet ik verstaan
onder die vrede, hoe wordt dat ingevuld.
Je begrijpt: we
kunnen dit niet omschrijven als koffie of thee. Trouwens ook hier weet
de liefhebber dat de ene koffie de andere niet is. Ook heel wat “thee”
dient zich aan als “thee” zonder die naam te
mogen dragen. Vermoedelijk moet je zelf proeven en toetsen. (net als
bij vrede)
In het eerste hoofdstuk
begint die weg (1,23) bij de Jordaan. Als je een beetje ingewijd bent
(“wij waren slaven uit Egypte en hij heeft ons bevrijdt”) kun
je vermoeden wat hier al achter je moet liggen. De Jordaan wordt in
de Schriften immers bereikt na een stevige omzwerving, ook al kom je
uit Jerusalem. Mensen van het bijbelse Jerusalem weten dat zij nergens
zijn zonder de bevrijding uit wat mensen klein maakt, vernederd en minacht.
(de slavernij!)
Eind van de weg (40 jaar door de woestijn) blijkt begin (Jordaan intocht)
van een weg, zoals het heden zelf.
Messias, Elia,
de profeet (Jesaja) – het zijn namen die gekoppeld
zijn aan de bevrijding uit de slavernij (Mozes) of de Ballingschap (Elia,
Jesaja).
Daarmee hebben
we het derhalve over Tora en Profeten. Bij de Jordaan gaat het boek
open.
Nathanael (einde
H1)– de naam betekent “God geeft”. Als God
geeft, wat geeft hij dan? Denk aan bevrijding uit de slavernij, dan
mogelijkheid om op te staan, om zelf te zijn. Nathanael zit onder
de vijgenboom. Onder die boom is gedurende lange tijd veel oogst te
vinden. Nathanael is bezig met de Tora. Daar wordt hij gevonden, daar
laat hij zich ook vinden. Een menigte namen is het gevolg: leraar, kind
van God, koning van Israël. Kortom: Nathanael
wordt iemand als de ware Jacob boven wie de hemel open gaat. Engelen
van God zal hij zien opstijgen en afdalen alsof hemel en aarde vanzelfsprekend
een paar is wanneer de boeken open gaan.
Het begin van de
weg die tot vrede voert is je buigen voor
het boek, instemmen met de verhalen. Het
heeft te maken met herkenning,
actief en passief. (je begrepen zien / voelen)
Drie namen sluiten
dan aaneen: Jerusalem, de tempel, de Messias
– opgeschreven en bij wijze van spreken, steeds weer te ijken en te
toetsen, tot klinken te brengen.
Anders gezegd:
de vrede die Jezus bij Johannes aanprijst gaat niet buiten het boek
om, maar mensen vertolken dat, jij en ik. En hij ook? Hij ook. En zij?
Zij ook. De verhalen worden tot leven gebracht door ons zolang we daar,
hoe eenvoudig ook, mee bezig zijn. Wij maken hen tot verhalen. Zij maken
ons tot hoorders en doeners van de woorden waar wij naar talen.
De Samaritaanse
vrouw maakt dat duidelijk, geheel en al.(H4)
De/het ware, de
Messias vinden, betekent voor haar alles.
Verbondenheid is
kenmerk van het ware, van wat tot vrede strekt – contact. Communicatie
is blijkbaar iets anders dan het uitwisselen van informatie.
De mens die van
nature blind is, lijkt het wel, wordt gevonden. Vermeende ratio zoekt
een verklaring, ziet in de beperking geen mogelijkheid. Voor Jezus in
dat verhaal is de werkelijkheid zoals die zich aandient een mogelijkheid
om ter hand te nemen. Dat dan dus ook alles anders kan worden
blijkt niet iedereen voor lief te nemen. (H9)
Alles wordt anders
wanneer je te maken hebt met een echte herder. Alle themata komen terug.
Weide vinden, een plaats krijgen en weten dat je gekend bent. Zien
dat je gezien wordt is sinds Genesis 22 het geheim van Abraham. Dan
ben je dus toch niet alleen. DAT heet wellicht schepsel zijn
(voelen dat je niet alleen bent). Het reikt de gebaren aan waarin we
met elkaar omgaan.
Wat heb ik persoonlijk geleerd?
Noteer
3 evaluerende opmerkingen tot nu toe.(stond nog open van week 5)
Als het mag wil ik deze zesde collegeweek graag
gebruiken om een kleine evaluatie te geven, aangezien we in deze lesweek
niks nieuws hebben behandeld, blik ik graag even terug.
Vorig jaar hebben we Lucas
behandeld. Aangezien je dat eerst helemaal moest lezen zat je daar meteen
helemaal in (ondanks dat je niet alles “begrijpt”). Dat was dit keer
even anders. Je stapt ergens in, maar weet de eerste weken het verband
nog niet echt te zien. En dat is moeilijk. Het is dan moeilijk om de,
o zo poëtisch klinkende, teksten uit uw mond te begrijpen. Aangezien
het wel interessant is, blijf je luisteren en probeer je mee te gaan.
Je verzamelt 5 weken een hoop informatie en gelukkig is er dan
week 6. Er komt een papier, van SLECHTS 2 kantjes, in redelijk normaal
Nederlands en een goed te volgen verhaal. En daarin vind je eindelijk
hetgeen waarnaar je al 5 weken op zoek was:
chronologie, logica en samenhang. Ineens valt alles op zijn plaats.
Het hele verhaal komt tot leven en wordt een geheel.
Toch vond ik het dit keer best moeilijk. De teksten,
uitgewerkt op de internetsite, zijn lang. Na enige bestudering en het
verwijderen van een aantal spelfouten (tja, je bent toch een schaapje
die soms ook herder is <en nog een leraar in wording ook>)is het
moeilijk om nog iets nieuws bij de tekst te plakken. Iets “wat ik persoonlijk
geleerd heb”. Want als ik het eerlijk mag zeggen snap ik de teksten best goed, na
uw uitleg en heb ik onder dit kopje weinig toe te voegen.
Wat heb ik dan WEL geleerd?
De interpretatie van bepaalde woorden in een bijbelverhaal.
Een bijbelverhaal gebruikt vaak woorden die synoniem staan voor een
betekenis waar je niet meteen aan denkt (ja das een leuke zin). Ik noem
even als voorbeeld: bron, verbond, herder, etc. Als
je snel door een verhaal heen leest dan lees je waarschijnlijk een leuk
verhaal, maar kom je zelden achter de achterliggende gedachte. Denk
je langer over dit soort woorden na dan is het makkelijker om de tekst
te begrijpen en hem op te vatten volgens je eigen principe. Doordat
de tekst dan persoonlijker wordt kun je er dus eigenlijk nog meer mee!
Dat is wel een duidelijk punt dat ik heb geleerd.
Wat kun je er mee op de basisschool?
Dan is dit het eind en DUS tevens een begin..
Want bestond dit DKW tot dus ver voornamelijk
uit uw teksten (ik vind het wel belangrijk dat deze er bij zitten) nu
is het mijn beurt.
Ik zal eerst eens een opsomming van punten geven
die bij mij naar voren kwamen bij Johannes waarbij ik wel lessen bij
zou kunnen bedenken:
·
chronologie
·
Pasen
·
Vrede
·
Verbond
·
Herder, in de ruimste zin van de betekenis
·
Normen en waarden
·
Bron, eveneens in de ruimste zin van de betekenis
·
Racisme
·
Slavernij
·
Messias
·
Zien/kleur
Aangezien we een soort lessenserie moeten maken
denk ik meteen aan een klein project. Na wat goochelen met de begrippen
en de ideeën in mijn hoofd komt er al vrij snel een poëtische titel
voor het project bij me op. Mijn project moet als basis VREDE hebben,
want dat was tenslotte een beetje het uitgangspunt,
verder ingevuld door bovengenoemde punten. Veel plezier met mijn werkstuk:
“De herdertjes lagen bij nachten, maar de schaapjes lagen niet stil”
(vanaf nu is het niet meer cursief, ik neem aan
dat u begrijpt dat de rest van eigen hand afkomstig is)
Het werkstuk: de
herdertjes
|