over een schenker

reflecties bij een praxis

eind mei 2002

voor francine

 

 

een nabespreking

om verder te kijken

 

Je begint met een gesprekje over dromen.

 

-         Dromen kunnen best griezelig zijn.

-          

De kinderen worden een beetje onrustig maar jij houdt het gesprekje gaande. Je blijkt op weg. Je wilt een verhaal uit de kinderbijbel gaan doen. Over de schenker en zijn droom. Je hebt een boek in de hand. Er staat een fles bij je stoel, een paar bekers, en een doek om mee af te drogen.

 

         - Over de schenker. Weten jullie wat en schenker is?

 

Er komt iets van inschenken. Je begint. De eerste twee regels gaan stroef. De kinderen, je publiek, je volkje van vandaag, komen uit heel de wereld. Een dynamisch clubje. Maar plotseling is alle geschuifel voorbij. De tweede zin maakt hen muisstil. "In het paleis van de farao was een groot feestelijk diner," was je eerste zin. Die was nogal lang. Saai ook. Duidelijk een mededeling, een inleiding. Twinteg tellen later zit je volop in je verhaal. Je speelt het. Zo'n inleiding heb jij niet nodig.

 

-         Bedenk zelf je eerste zin.

-         Wat dan?

-         Komt nog.

 

 

Waarom maakt je tweede zin de kinderen muisstil? Weet je nog wat je zei?

 

-         Versgebakken kippenboutjes, geurige amandelkoekjes.

 

Precies. Moet je je voorstellen: versgebakken kippenboutjes. Geurige amandelkoekjes. Een van de jongens trekt nog zijn neus op. "Bah, kip!", of zoiets. Maar dat hoort er blijkbaar bij. Ook hij zit al in het verhaal. En jij gaat gewoon door, een en al contact met de kinderen. Je leest nauwelijks meer uit je boek. Je speelt het verhaal, pakt de fles, trekt de kurk er af, schenkt in en vraagt een kind of het wil proeven.

 

-         Bah, wijn!

-         Het is geen wijn hoor, zeg je zachtjes. Het is limonade. Pak maar.

 

Maak dat een kind maar wijs. Ze gelooft je niet, aarzelt. Niemand anders durft.

 

-         En zo werd Jozef de onderkoning van Egypte. … Weten jullie wat een onderkoning is?

 

Stilte.

-         Een prinses, zegt een meisje.

-         Een prinses is een meisje. Een prinsje. Zoiets ja. Een heel belangrijk iemand die de koning helpt.

 

Waarom vraag je naar een onderkoning. Waarom vraag je niet:"Wat is een koning?" Je bent dan direct bij de kinderen en ze vatten het meteen.

 

-         Opvallend is dat je voortdurend uit het verhaal stapt met vragen voor de kinderen.

-         Dat doe ik om de kinderen bij het verhaal te betrekken.

 

Moet je de kinderen voortdurend met vragen aan de zijlijn in het verhaal binnenbrengen? Natuurlijk: je moet je verhaal neerzetten. Bij de kinderen. Op een of andere manier wil je aansluiten. Maar vergeet niet: je sluit aan omwille van het verhaal. Je gaat voor het verhaal. Je hebt dat voorbereid.

Je denkt, je weet, dat het een goed verhaal voor de kinderen is.

Een keer begonnen met het verhaal gaat het met jou en de kinderen aan de haal. Als een soort rattenvanger van Hamelen. Een andere tijd is begonnen, de tijd van het verhaal. Het verhaal maakt zich meester van de kinderen. Ogen en oren kijken je aan, staan op oneindig. Voor hen is dit totaal nieuw, niet te overzien. Ze blijven nergens meer. Wanneer je uiteindelijk stil wordt en blijft, klinkt een diepe zucht.

Terug van weggeweest landen de kinderen weer op vertrouwd terrein, terug bij zichzelf, terug in het hier en nu. En je ziet het. Terug bij "ik en mijn drukte, mijn niet stil kunnen zitten". Terug in mijn lijf, mijn wereld, met mijn klasgenoten. Terug bij alles wat je overvalt als je al vijf bent.

 

Het verhaal is een film of een muziekstuk. Iets,  – "x" –, doet je "de tijd", "jezelf", vergeten. Iets, het kan ook een schilderij, een balletvoorstelling of een bouwwerk zijn. Nu noemen we het maar even: "het verhaal".

Door het verhaal is bij jou iets geheel anders aan het woord. Niet meer ik ben onderwerp van mijn werkwoorden (horen, zien, voelen, fantaseren en noem maar op), maar het. Het "ik" wordt de plaats van het verhaal. Dat duurt zolang het verhaal duurt. Ik wordt de tijd van het verhaal. Ik, aangesproken.

 

De verteller vertolkt het verhaal, geeft stem aan wat het verhaal te vertellen heeft. Jij bent in alle stemmen de enige die stem is voor het verhaal. Jij, verteller, hier en nu. Zorg dus dat het verhaal om te beginnen als het ware jouw taal is, jouw spreken. Begin niet met een saaie, inleidende mededeling. Maak het direct concreet.

         Zoek aan handigheidje, een verrassing, om de concentratie te laten gebeuren. Osmose, dia-loog, bevruchting, aansluiting. Door jou slaat het aan, staat het op. Vanaf nu leidt het verhaal dank zij jou een eigen leven.

 

 

Het eigen leven van het verhaal zijn de luisterende kinderen, is hun "een en al oor" zijn, hun kijken. Jij plukt het verhaal uit de stilte van hun aandacht, woordgewijs, etsend, met korte zinnetjes en voldoende stilte om alles mee te maken, bij te schakelen. Zelf zit je als het ware naast de kinderen, luister je met hen mee. Daar, meeluisterend, vind je je verhaal.

 

 

Door het verhaal heb je, neem je, ben je een klein stukje voorsprong op de kinderen. Jij weet wat er komen gaat. Jij hebt het voorbereid. Dat zie je aan hoe je het boek losjes vasthoudt, aan je fles, je bekertjes. Jij hebt nog van alles. Jij weet van meer.

         Die kleine voorsprong, (voor de kinderen is dat eindeloos veel, het is het hele verhaal dat komen gaat) heb je als verteller nodig. Als die voorsprong weg is zijn de kinderen en jij weer synchroon. Dan is er geen distantie meer. De tijd van het verhaal is opgeheven. Geen geheim meer om te delen. Jouw vertellen, voorlezen, spelen, is het inwijden in een geheim, dit verhaal. Dan wordt je meegenomen. Je wordt stil, gaat vrucht dragen. Dus niet voortdurend uit het verhaal stappen. Je hoeft niets bij te snoeien, geen extra lijntjes te maken. Laat maar groeien.

 

Wat is het dat daar groeit? Dat is het verhaal, het geheim dat je deelt, buiten het gewone om, buitengewoon. Dat zijn de kinderen die luisteren, kinderen van alle leeftijden die voor het verhaal even oud en mondig zijn. Dat is het vergeten en beleven van de tijd en de tijden. Ook jij bent het die daar als verteller groeit en bloeit. De kinderen weten dat niet. Voor hen ben jij er niet. Voor hen is er alleen maar het verhaal. Precies zoals jij het wilde: een verhaal voor de kinderen.

 

Anders gezegd: je voert de kinderen uit het eigen drukke wereldje het verhaal in. Dat is een soort exodus, even. Oefenen. Weggaan. Even binnen gaan in het veelbelovende verhaal, steeds meer verhaal, toekomst, overzijde binnen handbereik. Even proeven, dichterbij brengen en weer loslaten die droom – tot de volgende keer. Een ander verhaal zal je weer meenemen. Je zult het merken. Maar dat doet er nu niet toe. Jij vertelt. Je schept, maakt los, laat op gang komen, vermenigvuldigt. Zolang het verhaal duurt ben jij de God van dit verhaal. (Menig applaus bezweert daarom na afloop de stilte. Zoiets van "nu wij weer" en "wat geweldig" of "heel bijzonder". Een tekst zonder woorden. Die doen er nu ook even niet toe.)

 

De verteller gewapend met zijn/haar verhaal, heeft een voorsprong. Je gebaren, je kijken, alles wat je bent en doet, vertelt je voorpret, vertolkt het geheim. Je speelt het verhaal al nog voordat je vertelt. Het ligt ook voor op jou, licht je voor terwijl jij de zinnen als penseelstreken neerzet, telt – zorgvuldig, kostbaar, bijzonder.

 

Het verhaal is het medium. Het bindt de verteller en de kinderen die op kinderlijke wijze proeven wat het leven hier en nu, dank zij jou, dank zij het verhaal, te bieden heeft.

 

Je kunt voortdurend uit het verhaal stappen. Dat is het voordeel van een tekst. Zodra je verder gaat is de onderbreking al vergeten. Maar je hoeft niet voortdurend uit het verhaal te stappen. Geef het een kans. Dan wordt het verhaal een virtuele ruimte voor de kinderen, om in op te gaan, om mee te gaan, te kijken, te horen, en door het verhaal even een ander te zijn en strak jezelf weer tegen te komen, een beetje, even, anders

 

juni tot november 2002

jan engelen