Voor ongeveer 6 weken les

                Handreiking voor het maken van een werkstuk voor katechese voor studenten 1e jaar

Hogeschool IPABO: katechese door Jan Engelen

 home

 Niet: wie het weet  mag het zeggen.
Maar: wie vraagt kan zoeken en wie zoekt die kan vinden.

 

I Twee factoren, twee wegen om te gaan

Bij het begin van “een werkstuk om katechese te even gedurende ongeveer zes weken” zul je vragen moeten stellen. Die vragen gaan om te beginnen in de richting van de twee of drie oriëntatie- punten voor katechese. Deze zijn: 1) het leren van kinderen; 2) het verhaal (de verhalen).

  1. het leren van kinderen.
    Hier speelt didactisch de vraag hoe kunnen kinderen het beste leren?
    Hoe creëer ik als onderwijsgevende situaties voor kinderen die leren mogelijk maken?

Het is bekend: Voor groep 1 en 2  moet je ander materiaal en het materiaal anders aanbieden dan voor  groep 7 of 8 – met alle variaties die daar tussen liggen. Op welke mogelijkheden van kinderen moet ik beroep doen willen ze echt, persoonlijk en samen, in grote of kleine groepen, leren?
Katechese gaat over verhalen. Het heeft dus met vaart en of spanning, met nieuwsgierig maken en fascineren, maar ook met ideeën en denken, voelen en (kunnen) doen te maken, dat betekenis heeft voor of geeft aan het leven van mensen, ook kinderen. Hoe geef ik aan die “inhouden” aan en hoe geef ik aan die kinderen de beste kansen. Overbodig om te zeggen: het gaat in ongeveer de laatste plaats pas over cognitief leren. Creativiteit is meer aan de orde.

Pedagogiek, maar ook de didactieken van menig vakgebied geeft hier oriëntatie. Denk aan geschiedenis, aan beeldende vorming en drama, maar zeker ook alles wat bij vakgebieden als rekenkunde en taalonderwijs een rol speelt kan hier meer dan goede diensten verlenen.

Als onderwijsgevende blijf ik derhalve ver onder de maat wanneer ik een verhaaltje voorlees en er daarna nog een beetje algemeen over praat om tenslotte “een tekening” te laten maken (met alle minachting voor wat beeldende vorming daarover zegt).
De onderwijsgevende zal kinderen de kans geven om dichter bij het verhaal te komen, om eventueel (bijvoorbeeld als betrokkene) zelf in het verhaal voor te komen, op verhaal te komen.

Tegelijkertijd:
wanneer ik meer oog heb voor de mogelijkheden van kinderen die leren, zal ik ook meer oog moeten hebben voor de mogelijkheden van het verhaal (de verhalen).
Een verhaal zonder details is een lege huls. Die zegt niets. Daar wordt je koud noch warm van. Dat kan nooit motiveren voor wat dan ook, zeker niet voor leren. (Wat is leren eigenlijk?). Daarmee komen we als vanzelf bij het verhaal.

2. het verhaal
Werken met een verhaal veronderstelt je met dat verhaal vertrouwd bent of vertrouwd raakt. De onderwijsgevende moet dichter bij het verhaal komen. Daarom is het onmogelijk een verhaaltje even te lezen. Even lezen gaat niet, even vertellen ook niet.
Een verhaal waar je aan voorbij kunt is geen verhaal. Dat is soap, of vulling. Het raakt kant noch wal, heeft geen betekenis. In het onderwijs dat waarde hecht aan kinderen kun je daar niets mee doen.
Wil je kinderen de mogelijkheid bieden met een verhaal te werken, van een verhaal een verhaal te maken of voor hen een verhaal te laten worden – dan zul je moeten afdalen in het verhaal, binnengaan, rondkijken, verkennen.

Een en ander zal je opvallen. De details van een verhaal kunnen de eigen kwaliteit van het verhaal zijn, maar kan ook de kwaliteit van jouw kijken, jouw inzet zijn – inzet voor het verhaal, inzet ook voor de kinderen.
Niet vertrouwd met wat een verhaal kan val je te gemakkelijk een verhaal binnen. Het verhaal mag dan enkel wel of niet leuk zijn – wat dat ook moge betekenen. Het mooiste verhaal wordt door een slechte presentatie onzin. Veel zogenaamd bijbelonderwijs en menige kerkdienst (voorlezen, verkondiging of preek) is daar een voorbeeld van.
Een niet zo goed verhaal kan door een goede presentatie alle aandacht vragen. De reclamewereld geeft daar dagelijks vele voorbeelden van.

Tussen het verhaal en de kinderen staat de onderwijsgevende. Zij [1] voelt zich vaak ook een beetje onhandig in het verhaal. Want evenals vertellen leer je een verhaal niet vanzelf. Je moet leren lezen, leren luisteren, leren vragen stellen. Proberen: hoe klinken de woorden? Hoe passen ze op je ademhaling?
Gevoel, inzicht, kennis – het zijn geen natuurproducten. Ze hebben alles, werkelijk alles, met cultuur (gedrag van mensen) te maken.
Tussen verhaal en kinderen staat de onderwijsgevende. Zij is er voor zichzelf nog niet helemaal uit is. Zij weet voor haar gevoel nog niet alles of voldoende van de macht en mogelijkheden van verhalen, van deze verhalen.
Tussen bijbel en het leren van kinderen in staat de onderwijs gevende die niet perse een beeldend, verbaal of anderszins kunstenaar is. Een pabo is geen kunstacademie!

Hoe kun je tussen kinderen en bijbel/cultuur onderwijsgevende zijn/worden?

Heel eenvoudig, door te beginnen.
Begin met wat het gemakkelijkst is: het verhaal.

Door vertrouwen te krijgen in de mogelijkheden van één verhaal ga je vanzelf met meer vertrouwen aan het volgende beginnen.
“Om een verhaal goed tot zijn recht te laten komen zou je alle verhalen eigenlijk moeten kunnen …”
Sorry: dat is onzin. Ons hoofd is te klein voor “alles”, onze handen ook, onze ogen ook.
Als je niets weet bij een verhaal …
We hebben het niet over buitenissige verhalen.
Het gaat om te beginnen over verhalen die je bij onze cultuur horen, die je in onze wereld (van beelden, ideeën, inzichten en taal) kunt tegen komen [2] .
Wanneer je niet alleen met oogkleppen op, en klompen aan je voeten je wereld “begaanbaar” maakt, weet je dit wel. Ben je wel voor klompen en oogkleppen? Wellicht hoor je dan niet in het onderwijs dat wij voor onze kinderen zoeken, mogelijk willen maken.

Weet je “eigenlijk niets” bij een verhaal?
Let op wat een verhaal in wezen is: zinnen, woorden, zelfs verborgen ademhaling en concentratie. Dat en nog veel meer kun je niet zomaar op de gedrukte pagina zien. Ga je lezen, een beetje lezen met stem – dus langzamer dan gewoonlijk – dan komt als vanzelf het eerste, jouw leven, erbij. Dat is al veel.
Een goede methode, je gelooft het niet, is: de tekst overschrijven. Als vanzelf trek je natuurlijke tijd uit voor het verhaal. Onbewust doe je een eerste beroep op de mogelijkheden van het verhaal en je eigen kwaliteiten. Je kunt ook zachtjes of hardop het verhaal lezen. Dan hoor je het. Deze werkwijzen maken je als verteller mondig. Tijd en ruimte geven aan het verhaal. Vertolking, verbeelding, zelfs zonder woorden of beelden.  

In de praktijk zie je vaak dat een stug, beetje bang en beginnend voorlezer ontdooit zodra er een dialoog in de tekst komt. Je gaat je toch een beetje meer voorstellen bij het verhaal. Je voegt iets meer van jezelf toe. Zo begint voorlezen en vertellen.
Door dit proces vaker te herhalen komt een zekere routine.

 Je kunt ook verder gaan. Bijvoorbeeld tekeningen maken bij een verhaal, simpele, nog bijna niet uitgewerkte schetsen. Neem een prentenboek, of teken je eigen prentenboek.
Je kunt ook standaard poppen nemen en die je de namen geven van de figuren die in het verhaal een rol spelen, of laat je kinderen zelf die poppen maken.
Met tekeningen of poppen kun je kinderen zelf het verhaal opnieuw laten vertellen, in scène zetten. Ook hier creëert herhaling oefening en vaardigheid.
Je kunt ook stukjes van een verhaal verkennen door het door meerdere kinderen te laten spelen. Wat valt je op?
Elementen die mogelijkheden geven voor een verwerking kun je ook inzetten bij de opening van het verhaal.
De expositie, het laten zien, het present-eren, brengt ons, de klas, de groep, leerlingen en onderwijsgevenden, ín het verhaal.

In feite is het breken en delen van het verhaal zoiets als deconstructie.
Je ontbindt het verhaal in elementen om het opnieuw als een samengesteld geheel te (laten) zien. Het is de meest grondige manier om ja te zeggen tegen het verhaal. Je bevestigt vooraf wat het verhaal ook brengen zal. Je vertellen of voorlezen is het ja van het verhaal. Op die manier vertolk je het “niet alleen zijn” [3] .

Je kunt ook zeggen: op deze wijze oefen je gastvrijheid.
De verteller [4] is uiterst gastvrij tegenover het verhaal: het mag er zijn. De verteller is ook uiterst gastvrij tegenover degenen die luisterend getuigen zijn van wat zich presenteert, gepresenteerd wordt, als verhaal.
Ieder verhaal is daarom ook een visitatie en evaluatie.
Vertellend proef en toets je je verhaal en je eigen bezig zijn. En je leert wat je de volgende keer beter anders of anders en beter kunt doen. De concentratie van het horen is instemming met het  verhaal.

Het verhaal is hier en nu, het enige dat we vooralsnog enigermate delen.
Wat is dat wat we delen?

De onderwijsgevende heeft het verhaal gezien, verkend. Hoe doe je dat?
Je kunt naar informatie zoeken over het verhaal. Maar informatie over een verhaal gaat gemakkelijk over het verhaal heen – door er bijvoorbeeld een moraliserende werking aan te geven, of door het geheim van het verhaal weg te  verklaren door met stelligheid te verkondigen hoe echt waar gebeurt het verhaal is. Alsof dat er toe doet.
Bijvoorbeeld bij Esau en Jacob: “Dat komt vaker voor, dat broers ruzie hebben.”
Dit verhaal is dan een illustratie van iets wat vaker voorkomt. Het maakt eigenlijk dit verhaal (als variant op een algemeen thema) overbodig. Het verhaal heeft dan geen eigen geheim meer. Wij proberen te zoeken naar het eigene, het geheim van dit verhaal. Als Abraham op reis gaat zoals eigenlijk ieder mens een levensreis maakt, dan doet het verhaal en de geschiedenis van Abraham er eigenlijk niet tot. Wellicht maak je zo het enige dat er eigenlijk is, deze mens, deze woorden, dit verhaal – dit hier en nu als plaats en tijd voor het verhaal, overbodig. Zo gum je ook jezelf uit. Je komt met iets dat eigenlijk niets is. Wat kom je dan meer doen dan overbodig zijn! Tijd roven.

Veel eerste jaars studenten schrijven me na de eerste module:
“Het bijbelverhaal is zo moeilijk. Een kinderbijbel is veel gemakkelijker!”

Ja – allicht, dat is een min of meer professionele of incidentele bewerking van het verhaal, afroming van het verhaal voor kinderen. Maar jij als aanstaand onderwijs gevende zult moeten leren hoe je het verhaal als professioneel onderwijsgevende aan kinderen kunt geven.
Wat een kinderbijbel doet moet jij over twee jaar ook zelf kunnen.
Want!
Jij kent dan “je” kinderen.
Jij weet op den duur beter als geen ander hoe je deze kinderen het verhaal kunt aanbieden. Alles wat je goed wilt doen kost tijd. Ook een verhaal voorbereiden.
Zeker een verhaal.
Dat is niets anders dan deze woorden/zinnen en wat die woorden/zinnen bij elkaar houdt, het geheim dat verteller en toehoorders met elkaar gaan delen.

II Nemen we nu bijvoorbeeld Jacob en Esau

1. Wat bedoel je?
Bedoel je hét verhaal over Jacob en Esau [5] ? Dat met de geitenvelletjes over de armen?
Ja.
Dat is gemakkelijk te vinden, want het is een groter verhaal.
Genesis 27

2. Je zult in elk geval het verhaal moeten lezen.
Wil je aan dit voorbeeld een voorbeeld hebben, dan zul je dat nu ook moeten doen. Na de lezing kom je terug.
Lees het hardop of stilletjes prevelend. Het verhaal krijgt dan wat meer tijd. De tijd die je nu investeert krijg je straks uitbetaald in ideeën.

3. En lees het nog een tweede keer. Hoe staat het er? Je kunt bij een tweede lezing ook een andere vertaling nemen. Op de homepage zie je links onderaan waar je andere vertalingen on-line kunt raadplegen.

4. Omdat het een lang verhaal is moet je het in stukken delen.
Dat kun je het beste doen door te doen alsof je een camera bent. Hoeveel plekken heeft het verhaal waar je moet filmen?
Wanneer je het verhaal twee keer gelezen hebt ken je de opeenvolging van de delen wel.

a. Bij Isaak;
b. Bij Rebecca  (even weg om de bokjes te halen);
c. Bij Isaak. Maar dit is anders dan onder a. Nu is het Jacob, de bedrieger;
d. Esau, thuis en bij Isaak;
e. De Woede van Esau;
f. Jacob vlucht

Nu kan al duidelijk zijn hoezeer je het verhaal & de kinderen te  kort doet wanneer je dit verhaal in ongeveer 5 minuten vertelt.
Misschien is het wel een verhaal om ook in 6 of zeven keer te vertellen, zodat het groeit in de loop van de week.

Misschien gebruik je daar een bord bij. Laat je het verhaal tekenend groeien tijdens je verhaal zodat het bord en verhaalplaat  wordt.

Als het over oudere kinderen gaat kun je ook, per fragment delen laten visualiseren en die verzamelen op een wandfries. Acties die je per deel onderneemt kunnen daar bij aanknopen. Het ene verhaal wordt daardoor een verzameling van veel ervaringen, leermomenten.

 De verdeling in scènes heeft de volgende verdeling opgeleverd

a. Bij Isaak: Esau. 27,1-4
b.
Bij Rebecca: Jacob.  (Hij zal even tussentijds de bokjes te halen) 27,5-17
c. Bij Isaak. Maar dit is anders dan onder a. Nu is het Jacob, de bedrieger. 27,18-29

d. Esau, thuis en bij Isaak 27,30-40
e. De Woede van Esau 27,41
f. Jacob vlucht. 27,42-28,5

Duidelijk is ook: Je kunt niet zo maar met het verhaal beginnen. Je zult eerst een beetje context moeten geven, al is het maar “Er was eens”, een aanloop over een man en een vrouw, Isaak en Rebecca – daar en toen, heel lang geleden. Door die verwijzing breng je ook ons, de toehoorders, bij de tijd van het verhaal.
Hoe zag hun wereld er uit? De bijbellezer kan daarmee vertrouwd zijn, maar als je daar nog maar pas mee begonnen bent … Zijn er communicatiemedia? Wie zijn de mensen die daar met elkaar leven? Wat zijn hun omstandigheden? Wat eten ze? Wat drinken ze? En er is meer.

Ook wanneer je ervaring als lezer van deze literatuur nauwelijks verder gaat dan de kinderbijbel voor het “Oude Testament”: je weet al meer. Je moet alleen bij je vage kennis en je eigen verstand te rade gaan.

Je weet dat de grote mensen bijbel begint met het scheppingsverhaal. Ik laat in het midden waar dat over gaat of waar dat verhaal op uit is. Ieder weet ook: daarna komen Adam en Eva. Het blijkt dat ze het er moeilijk mee hebben. Wat dat “het” is laat ik even in het midden. ”Ieder voor zich” was misschien een mooi verhaal geworden, en verhaal met een goede afloop. Met zijn tweeën alleen was misschien ook goed gegaan. Met z’n tweeën in de wereld misschien ook, maar met z’n tweeën in een wereld die hen gegeven is – dat gaat fout. Tegen het einde van het verhaal verstop Adam zich. Hij wil geen antwoord geven. Adam antwoordt, verantwoordt zich niet. Eva krijgt de schuld. En Eva legt alle schuld bij de slang. In een afgang eindigt dit duistere verhaal. Wat er nu precies gebeurd is weten we niet. Dat is het geheim van het paradijs, van het verleden dat nooit meer terug te halen is. Maar plotseling komt er op het bijna kale toneel, een veld, een heel herkenbaar gruwelijk verhaal. Kain en Abel. Twee broers. Binnen de kortste keer is de aarde rood. Mensen die elkaars broers zijn nemen het leven van de ander alsof wij niet hoeders van elkaar zijn. Zijn we dat dan?

Broederschap, de nabijheid van naasten, de vrede – het is een groot probleem. Als mensen uit elkaar geboren worden, elkaars vlees en bloed zijn, hoe kunnen ze elkaar dan van het leven beroven.
De broederschap, de samenleving: het probleem. Tot en met het einde van het nieuwe Testament toe overbrugt deze thematiek alles wat geschreven staat.

Het verhaal over “Esau en Jacob” of “Jacob en Esau” vertaalt dus HET [6] bijbelse probleem tot een klein verhaaltje over twee broers. Ook hier komt de moord als dreiging terug. Waarom? Wat is er dan fout gegaan?

Waar ligt het probleem? Beter: waar legt dit verhaal het probleem? Wat haalt het verhaal uit de kast om “het probleem dat wereld heet”, of “hoe wij met elkaar omgaan als we niet oppassen”  visueel en concreet te maken?

Je kunt dus los van het geheel, min of meer als algemene context, spreken over actuele problemen, zoals de kinderen die kunnen kennen van het jeugdjournaal.

Attenderen jullie ouders en/of kinderen op jeugdjournaal? Heeft dat een regelmatige plaats op school? Heeft je stageschool de moeite genomen om degenen die verantwoordelijkheid dragen voor het kind op de basisschool, op ouderavonden uit te leggen hoe belangrijk het is wanneer een volwassene met de kinderen meekijkt naar “onze wereld voor kinderen op het jeugdjournaal”. Als je samen kijkt kun je er ook over praten, wordt uiteindelijk “alles” heel eenvoudig bespreekbaar.

Twee fragmenten
Het gaat om een voorbeeld. Hoe kun je met behulp van de tekst in de tekst binnen komen. Hoe geef je de tekst de kans zichzelf uit te leggen?
Lezen en nog eens lezen, steeds langzamer, bedachtzamer.

Deel 1
Genesis 27,1-4 Ik lees voor ge gemak nog even verder voor de overgang. Voor het gemak ook vertaal ik de tekst in de tijd van het verhaal, de tegenwoordige tijd.  

27,1 Isaak is oud geworden. Zijn ogen zijn zo zwak geworden, dat hij niet kan  zien. Hij roept zijn oudste zoon Esau en zegt hem: Mijn zoon. En deze zegt tot hem: Hier ben ik. 2  En hij zegt: Zie toch, ik ben oud geworden, ik weet de dag van mijn dood niet. 3 Nu dan, neem dan je wapentuig, je pijlkoker en je boog, en ga uit, het veld in en schiet voor mij een stuk wild. 4 Bereid mij dan een smakelijk gerecht, zoals ik het graag heb, en breng het mij, opdat ik eet. Dan zal ik je zegenen eer ik sterf. 5  Rebekka heeft geluisterd wanneer Isaak tot zijn zoon Esau spreekt. Nadat Esau het veld ingegaan is …

Eerste leesverslag
Isaak is oud geworden, heel oud. Wie is Isaak?
Isaak is de zoon die alles was voor Abraham. Zijn eerste woorden zijn “Vader” (Gen 22,7) en zijn laatste ook (Gen 28,4 en 5).
Wat betekent het dat Isaak oud geworden is?
Hij ziet niet meer zo goed. Dat blijkt nog optimistisch gezegd: hij ziet zelfs eigenlijk helemaal niet. Isaak blijkt nog enkel iets te willen. Maar wat hij wil zal niet gebeuren. Zo oud is hij. Overgeleverd.
Vanaf het begin heerst in het huis van Isaak een merkwaardig soort tweedracht. Eerst verwijt Rebecca Isaak dat zij geen kinderen krijgt. Isaak lijkt alleen maar te zeggen: Maar ik ben God niet. Hij bidt. God verhoort hem. Eindelijk zal een kind komen. Het blijken er  twee te zijn. En meteen is er weer onenigheid. Rebecca  krijgt uitleg van God: de oudste zal de  jongste dienen.
De zachte Isaak is dol op de stoere Esau. De stevige Rebecca houdt van haar Jacob. Het verschil tussen de ouders verdeelt zich over de kinderen. Als ze het hebben over mijn kind hebben ze het elk over een ander.
Isaak lijkt ook zo oud dat hij niet weet dat er over Jacob een belofte is uitgesproken. Hij roept Esau. De boodschap is bekend. De liefde van Isaak gaat door de maag. Daar wordt hij dus ook op afgerekend.

Let op de woorden
Luister naar de opdracht die Isaac geeft. Hoe spreekt hij? Welke woorden legt de tekst in zijn mond, krijgen wij te horen wanneer we een beetje hardop meelezen. Het klinkt bijna filmisch. Het tempo is hoog. Alsof er haast bij is. Waarom die haast? Ga. Neem. Je wapentuig, jij pijlen en je boog en ga naar buiten, het veld in, en schiet voor mij.  

Probeer je te verplaatsen in de personen
De blinde ogen van Isaak zien blijkbaar al gebeuren wat nu, snel, gebeuren moet. Waarom dat tempo? Hij lijkt tevreden over zijn plan. Waarom? Nog kan hij de dood te slim af zijn. In Esau gaat ook zijn verhaal en zijn liefde verder. Wat is dan zijn verhaal, zijn liefde? Is dat niet de belofte die het leven vergezellen kan: dat het goed zal zijn, de moeite waard, een zegen?
Ik zal je dan zegenen voordat ik sterf.

Probeer varianten
Zegenen – zie de uitleg, te vinden via de homepage “zoeken” – God in verband brengen met.  Het verhaal over Abraham en God, Isaak en God zal doorgaan in Esau en God.
Maar als je je daar nu niets bij kunt voorstellen? Als je niet weet wat deze  woorden betekenen? Dan moet je zoeken naar wat ze mogelijkerwijs kunnen betekenen.

Bijvoorbeeld.
Aan het einde van zijn leven – met het einde voor ogen – weet Isaac blijkbaar dat zijn sterven niet het laatste woord over zijn leven is. Blijkbaar heeft  zijn leven een meerwaarde, iets dat van hem is en tegelijk niet van hem, “doorgeefbaar”, deelbaar is. Het beste van zijn leven is wat er van over blijft, wat hem overeind geholpen heeft en wat hij door zal geven. Dat alles – noem het x, het geheim van zijn leven – is voor zijn zoon. De plaats en taak van Isaak wordt de plaats en taak [7] voor Esau. Dat is de zegen.

Maar hoe dan ook: wat Isaak wil zal niet gebeuren, of, het zal wel gebeuren maar geheel anders. Het zal worden: de God van Abraham, Isaak en Jacob.
Daarom heeft het huis van Isaak iets heel bijzonders (dat tegelijk ook heel bekend is). In het huis van Isaak hebben de muren oren. De muren lijken wel de oorschelpen voor Rebecca. Zij weet precies hoe de vork aan de steel zit, hoe het verder moet. Niet Esau maar Jacob zal de eerstgeborene worden. Niet de natuur maar de  belofte beslist.
Rebecca zal Isaak dwingen tot de beloften die haar gedaan zijn. Jacob zal de zegen krijgen. Zij heeft haar plan, is volop ondernemend terwijl Jacob oud en blind zit te wachten. 

Zoals je ziet: het is niet veel tekst, maar het is wel veel verhaal. Je zult de tijd moeten nemen om het te vertellen, spanning opbouwen. Je moet eigenlijk het oog voor de kinderen zijn. Het verhaal brengt je in de tent van Isaak. Je hoort wat er dreigt te gebeuren. Je wordt dus eigenlijk Rebecca en die ziet zichzelf als Jacob – de grote afwezige in dit verhaal.

(Jacob zal in Genesis 32 Israël worden)

Een paar vragen zijn minstens te stellen.
Wil je het verhaal rechtstreeks vertellen? Of wil je eerst iets vertellen over het leven van die tijd. Abraham, Isaak en Jacob, het zijn eigenlijk nomaden, bedouinen, zoals ze vandaag nog leven. Met hun kudden trekken ze naar waar een spoortje gras is.

Het typische voor mensen in die wereld is dat ze verhalen hebben. Door hun verhalen onderscheiden ze zich van anderen. Ook voor Jezus zijn Abraham, Isaak en Jacob goede bekenden. Hun verleden hoort tot zijn heden.

Hoe zal ieder van de betrokkenen zich voelen? Kun je dat verbeelden met lijnen, kleuren, of klank? Als je dit wilt proberen moet je het eerst apart oefenen. Daar heb je tijd en lessen voor nodig. Hoe plan je dat? Beschrijf het in het kort.
Overleg met kleuters – als je dit verhaal  met hen aandurft – wat je in de hoek moet leggen om het verhaal te spelen.
In ieder geval: wat zal er nu gaan gebeuren?

 

Deel 2
Genesis 27,18-29

27, 18  Daarop komt hij bij zijn vader en zegt: Mijn vader. Deze zegt: Hier ben ik; wie ben jij, mijn zoon? Jakob zegt tot zijn vader: Ik ben Esau, je eerstgeborene; ik heb gedaan zoals jij  me gezegd hebt. Richt je op, ga zitten en eet van mijn wildbraad om mij te zegenen. Daarop zegt Isaak tegen zijn zoon: Wat hebt je het spoedig gevonden, mijn zoon! En hij zegt: Omdat de Heer, je God, mij deed slagen. Dan zegt Isaak tot Jakob: Kom toch dichterbij, opdat ik je voel, mijn zoon, of jij inderdaad mijn zoon Esau bent of niet. Jakob komt dus dichter bij zijn vader Isaak, en deze voelt hem. En hij zegt: De stem is de stem van Jacob, maar de handen zijn de handen van Esau. Maar hij herkent hem niet, omdat zijn handen behaard zijn zoals de handen van zijn broer Esau. En hij wil hem zegenen en zegt: Ben jij echt mijn zoon Esau zelf? En hij zegt: Ja. Dan zegt hij: Zet het dicht bij mij, dan wil ik eten van het wildbraad van mijn zoon, opdat ik je zal zegenen. HIJ zet hij het dicht bij hem, en hij eet. Ook brengt hij hem wijn, en hij drinkt. Daarna zegt zijn vader Isaak tot hem: Kom toch dichterbij en kus mij, mijn zoon. En hij komt dichterbij en kust hem. Wanneer hij de geur van zijn klederen ruikt, zegent hij hem en zegt: Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van het veld, dat de Heer gezegend heeft. God zal je geven van de dauw van de hemel en van de vette streken der aarde, en overvloed van koren en most. Volken zullen je dienen, en natiën zich voor je buigen. Wees heerser over je broers. De zonen van je moeder zullen zich voor je buigen. Wie jou vervloekt, isj vervloekt, en wie jou zegent isj gezegend.
Isaak is klaar. Hij heeft Jacob gezegend. Jacob gaat naar buiten, weg van zijn vader Isaak. Esau komt thuis van de jacht …

 Isaak twijfelt en twijfelt. Een groep oudere kinderen kun je de tekst laten analyseren, zoals bij begrijpend lezen. Je krijgt de indruk dat hij weet dat dit niet Esau, maar dat het Jacob is. Zijn spraak verraadt hem. Maar hij durft het niet te zeggen.
En Jacob weet dat zijn vader het weet – denk ik. Jacob de listige, die nu helemaal ingepakt is door zijn moeder die het beter weet, die hem kleedt en souffleert – Jacob weet dat Isaak het weet. Hij moet de hitte van zijn rode hoofd voelen, ziet ook alles gekleurd voor zich, met de geur van het gerecht en de geur van Esau’s kleren.
Het verhaal kan niet spannender zijn dan het al is.
Jacob wordt de Heer. Maar dat Heer zijn is ook iets anders dan we vermoeden. Die Heer wordt een vervolgde. Nu weet Jacob nog niet dat hij straks zal moeten vluchten voor zijn broer.

Tenslotte is er nog minstens één vraag
Waarom schrikken we zo van dit bedrog? Waarom vinden we dat oneerlijk, gemeen? Waarom vinden we dat zoals we het vinden?

En helemaal tenslotte.
Jezus vertelt bij Lukas het verhaal over iemand had twee zonen – Lukas 15, 11-32.
Reken maar dat er nu meer aan de hand is dan de verloren [8] zoon



[1] Uiteraard: in plaats van zij mag je ook hij lezen.

[2] In de schilder- en tekenkunst, in de taal en de literatuur, maar ook in veel “zaken” die wij waardevol vinden, of afwijzen als verwerpelijk.  

[3] Zie ter vergelijking: Gen 2,18.

[4] Dit is ook van toepassing voor degene die voorleest.

[5] Het verhaal over Jacob en Esau gaat in elk geval tot Genesis 33. Daar zie je een soort verzoening tussen de broers. Daar lijkt alles weer goed gekomen te zijn.

Het verhaal over Jacob en Esau begint in ieder geval in Genesis 25,19, als het verhaal over Esau en Jacob. Dat blijkt te maken te hebben met Isaak. Met Abraham zelfs. En de vrouw van Isaak kan geen kinderen krijgen. Daar had de vrouw van Abraham ook last van. Blijkbaar willen de oude vertellers dat je weet: dit verhaal is het laatste verhaal. Er komen geen vertellers meer, geen kinderen. De geschiedenis stopt. Als dan toch een kind komt … En als het er dan ook nog twee zijn …

[6] Maar het Exodus verhaal (Wij waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd) is toch het grondverhaal?

Als je even nadenkt kan dat niet zo’n probleem zijn. Wanneer je elkaar niet erkent maar ontkent kom je vanzelf in de buurt van de ander klein houden, klein maken: slavernij.

[7] Vergis je niet. Wat de zegen zal betekenen moet je niet afleiden van je gezond verstand, maar uit alles wat nog gebeuren zal. Ook en zinnetje als “heersenover je broers” kan bijbels iets totaal anders betekenen dan wat je vermoedt. Kijk maar naar de zon en de maan, “om te heersen over de dag over de  dag en over de nacht”. Heersen is “mogelijk maken”, “laten zijn”.

[8] Wie is er dan verloren als zoon? In ieder geval niet de jongste: die wordt gevonden, is al gevonden terwijl hij zelf nog “ver weg” is.

 

© Jan Engelen

Herten, 27 januari 2004